Rb. Amsterdam 18 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8578

Niet in geschil is dat de zorgverlener van eiser meer dan 40 uur per week voor eiser werkzaamheden heeft verricht. Op basis van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat (de wettelijk vertegenwoordiger van) eiser zich destijds, bij de verstrekking van het persoonsgebonden budget (pgb), niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichting op grond van artikel 5.18, aanhef en onder d, van de Regeling langdurige zorg (Rlz). De rechtbank oordeelt dat verweerder het pgb terecht heeft geweigerd op grond van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 3.3.3, vijfde lid, onder a, van de Wet langdurige zorg (Wlz). Of voornoemde schending ook had moeten leiden tot een beëindiging van het pgb ligt voor in de hoger beroepsprocedure tegen de beëindigingsbeschikking bij de Centrale Raad van Beroep. Evenredigheidsbeginsel is niet geschonden. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken