CRvB 25 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:515

Aangevallen uitspraak 1 is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, aanhef en onder b, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Wat appellante heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat zich in dit geval een zodanig ernstige schending heeft voorgedaan. Er is dus geen grond om het appelverbod buiten toepassing te laten. Aangevallen uitspraak 2. Appellante heeft betoogd dat haar belang is gelegen in de nabetaling van achterstallig salaris over de maand februari 2017. Tevens heeft zij haar standpunt herhaald, dat haar een wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 van het BW toekomt. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft wat in 4.5.1 is overwogen niet onderkend, en ten onrechte overwogen dat het besluit reeds in rechte vaststond en de staatssecretaris het bezwaar kon opvatten als een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre, en het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar is opgevat als een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit en op dit verzoek afwijzend is beslist, niet in stand kunnen blijven. De Raad is van oordeel dat een opdracht aan de staatssecretaris om opnieuw op het bezwaar tegen het afboekingsbesluit te beslissen niet nodig is, aangezien op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende gegevens beschikbaar zijn om het geschil definitief te beslechten. De stelling van appellante dat dit verlof niet als vakantieverlof kan worden aangemerkt, kan daarom niet worden gevolgd. Appellante heeft betoogd dat de rechtbank de periodieke verhoging had moeten toekennen vanaf februari 2017, nu een in de periodiekmaand toegekende periodieke verhoging voor het gehele jaar geldt; over een eenmaal toegekende periodieke verhoging wordt gedurende het periodiekjaar niet iedere maand opnieuw beslist. Het betoog van appellante slaagt. Dit betekent dat appellante per februari 2017 tot en met januari 2018 recht heeft op bezoldiging, gebaseerd op salarisschaal F, trede 11. Aangevallen uitspraak 3. Het betoog van appellante, dat de rechtbank de periodieke verhoging had moeten toekennen vanaf februari 2018, nu een in de periodiekmaand toegekende periodieke verhoging voor het gehele jaar geldt, slaagt, gelet op wat eerder is overwogen. Dit betekent dat appellante per februari 2018 tot en met januari 2019 recht heeft op bezoldiging, gebaseerd op salarisschaal F, trede 12. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht heeft afgewezen, nu appellante de gestelde psychische schade onvoldoende heeft onderbouwd. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding. Voor een vergoeding van de door appellante verzochte integrale kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in plaats van de toegekende forfaitaire vergoeding, ziet de Raad geen aanleiding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken