CBb 19 februari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:101
Artikel 11a.1 van de Telecommunicatiewet (Tw). De minister van Economische Zaken (minister) heeft aan Odido de verplichting (maatregel) opgelegd om voor bepaalde kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk binnen een bepaalde (vervangings)termijn uitsluitend gebruik te maken van apparatuur of programmatuur van zogenoemde vertrouwde leveranciers. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst hebben geconstateerd dat sprake is geweest van een toename van digitale spionage in de telecomsector en hebben op basis daarvan geadviseerd maatregelen te treffen binnen de telecomsector. Er is een interdepartementale Taskforce Economische Veiligheid opgericht die een risicoanalyse heeft uitgevoerd over de kwetsbaarheid van de netwerken van de mobiele telecomaanbieders. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van TNO. Vervolgens is een algemene maatregel van bestuur vastgesteld, te weten het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie (Bvit). Daarin is bepaald dat de minister een telecomaanbieder een verplichting oplegt om in kritieke onderdelen van het netwerk uitsluitend gebruik te maken van producten of diensten van zogenoemde vertrouwde leveranciers, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om risico’s voor de veiligheid en integriteit van diens netwerk of dienst die de nationale veiligheid of openbare orde raken, te beheersen. Op basis hiervan is aan Odido de maatregel opgelegd. Het College oordeelt dat hoofdstuk 11a van de Tw een grondslag voor de maatregel biedt, dat artikel 11a.1, eerste lid, van de Tw niet in strijd is met de geldende Europese richtlijn (de Telecomcode) en dat ook in zogenaamde Europese softlaw steun is te vinden voor deze bepaling uit de Tw. Een leveranciersverbod is naar het oordeel van het College een passende technische en organisatorische maatregel als bedoeld in artikel 11a.1 van de Tw. Het Bvit is niet onverbindend wegens strijd met het vrij verkeer van goederen, het evenredigheidsbeginsel, of het verbod van willekeur. Dat geldt ook voor de maatregel, die ook niet onzorgvuldig tot stand is gekomen en waarvan de vervangingstermijn redelijk is. Daarnaast is de opgelegde maatregel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College oordeelt verder dat Odido niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie, omdat de omvang van de schade (op concernniveau) lager is dan de standaard (bagatel)drempel van 2%, uitgaande van de zogenaamde drempelmethode. Het beroep van Odido op het vertrouwensbeginsel wordt door het College verworpen. De vergoeding die minister al aan Odido heeft toegekend, is naar het oordeel van het College geheel onverplicht en berust niet op enig beleid. Het College kan daarom niet treden in de beoordeling daarvan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:6
- CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190
- ABRvS 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:488
- ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2899
- ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2382
- ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3327
- ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3121
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522
- ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2677
- ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:336
- EHRM 13 januari 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0113JUD006568113
- ABRvS 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2943
- ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:122
- EHRM 30 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0430DEC003726510
- ABRvS 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3968
- ABRvS 21 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9047
- EHRM 9 november 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:1109JUD002644995
- EHRM 23 september 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0923JUD002475594
- HR 22 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD2208
- EHRM, ECLI:CE:ECHR:2022:0616