CBb 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:6
Invorderingsbesluit. Dwangsombesluit staat in rechte vast. Met het dwangsombesluit heeft de minister aan appellante een maatregel opgelegd die inhield dat zij de verstrekte medische zorg diende bij te houden in het medisch register. Met de minister is het College van oordeel dat artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit houders van dieren (Besluit) zo moet worden uitgelegd dat de houder van een dier de daadwerkelijk verstrekte medische zorg moet bijhouden in het register en niet (alleen) de voorgenomen medische zorg. De registratie van de verstrekte zorg moet bovendien juist zijn. Appellante betwist niet dat zij de (voorgeschreven) (herhaal)behandelingen die zij volgens de minister niet heeft bijgehouden in het medisch register, daadwerkelijk heeft verricht. Het betreft behandelingen die medisch noodzakelijk zijn en die de gezondheid van het dier (kunnen) raken. Gelet op de uitleg die aan artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit moet worden gegeven, had appellante die daadwerkelijk verstrekte medische zorg moeten bijhouden in het medisch register. Zij heeft niet betwist dat zij dat niet heeft gedaan. De minister heeft terecht geconcludeerd dat appellante de maatregel uit het dwangsombesluit niet heeft nageleefd.
De uitspraak op rechtspraak.nl