ABRvS 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3968

Afwijzing verzoek om nadeelcompensatie. Ingevolge art. 2, eerste lid, van de ANV ontstaat het recht op schadevergoeding slechts bij uitvoering van een gemeentelijk werk, indien de gemeenteraad deze verordening op dat werk van toepassing heeft verklaard. Ingevolge art. 2, tweede lid kent het college degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een gemeentelijk werk, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van verzoeker behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Ingevolge art. 3, eerste lid, komt binnen het normale maatschappelijk risico of het normale ondernemersrisico vallende schade niet voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge art. 3, tweede lid komt schade als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in art. 2, eerste lid, alleen voor vergoeding in aanmerking wanneer deze in belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder drukt, dan wel wanneer deze schade op een naar verhouding gering aantal natuurlijke of rechtspersonen die in een vergelijkbare positie verkeren, drukt. De winkel is een filiaal van de winkelketen van X en staat onder direct beheer van X. Het filiaal is zowel in economische als in juridische zin een onlosmakelijk onderdeel van X en vormt dus geen zelfstandige entiteit. De schade manifesteert zich, evenals een eventuele vergoeding ervan, op het niveau van X. Anders dan de rb. heeft overwogen, ligt het derhalve in de rede dat het college bij de beantwoording van de vraag of de gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt het door het filiaal geleden nadeel als gevolg van de werkzaamheden relateert aan de omzetten en daaraan gerelateerde brutowinsten van X. Daarbij heeft het college, anders dan de rb. heeft overwogen, niet in strijd gehandeld met de kortingsmethode die het in de overige gevallen, die geen ketenwinkels betreffen, heeft toegepast. Het college is in dit geval aan de toepassing van de kortingsmethode niet toegekomen, omdat de omvang van de schade zodanig gering wordt dat deze het normaal ondernemersrisico niet geacht wordt te overstijgen. Dat in de ANV niet is opgenomen dat in het geval van onzelfstandige vestigingen bij de afbakening van het normaal maatschappelijk risico de omzet en brutowinst van de gehele keten worden betrokken, betekent niet dat de toepassing van deze methode niet rechtens aanvaardbaar is. Voor zover door X in beroep is betoogd dat het college een ongeoorloofd onderscheid heeft gemaakt tussen diverse ondernemingen omdat een plaatselijke winkel, die geen onderdeel vormt van een keten, wel aanspraak kan maken op vergoeding van een vergelijkbare schade en een filiaal van een onderneming die een winkelketen exploiteert niet, slaagt dit niet. Van een ongeoorloofd onderscheid is geen sprake omdat nadeel als thans aan de orde voor een ondernemer die zijn winkel, bijvoorbeeld in de vorm van een eenmanszaak, voor eigen rekening en risico drijft, eerder een onevenredige last zal vormen dan voor een nationaal of internationaal opererende onderneming, die een winkelketen exploiteert en die door haar omvang beter in staat is risico’s die tot haar onderneming behoren te spreiden. Het betoog van X dat geen rekening mag worden gehouden met de omstandigheid dat het winkelfiliaal te Vlissingen deel uitmaakt van de onderneming X die een keten van winkels exploiteert, faalt omdat het de keuze van X is geweest om het winkelfiliaal te Vlissingen niet in een afzonderlijke rechtspersoon onder te brengen dan wel voor rekening en risico door een zelfstandig filiaalhouder te laten exploiteren. Het beroep dat X doet op het arrest van Hoge Raad van 3 april 1998 (AB 1998/256), LJN: ZC2622, gaat niet op omdat anders dan in deze zaak in genoemd arrest de benadeelde werd getroffen door een plotseling opgelegd verbod met blijvend nadelige gevolgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen