CBb 30 april 2024, ECLI:NL:CBB:2024:316
Wtt. Boetebesluiten. Hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:8479). De Nederlandsche Bank (DNB) heeft aan een aantal trustkantoren bestuurlijke boetes opgelegd, omdat zij in een bepaalde periode niet beschikten over een onafhankelijke en effectieve auditfunctie. Het College verklaart het (principaal) hoger beroep van de trustkantoren gegrond en verklaart het (incidenteel) hoger beroep van DNB deels gegrond. Het College acht twee boetes niet evenredig, onder andere vanwege de lagere relevante omzet van beide trustkantoren. Volgens het College is de rechtbank bij de matiging van de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte uitgegaan van een maximum van € 5.000,-, nu het College in de regel alleen bij boetes op grond van de Mededingingswet (kartelboetes) een matiging van 5 % toepast voor ieder half jaar, met een maximum van € 5000,- per half jaar overschrijding. Het College ziet in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. Het College vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de hoogte van de opgelegde boetes betreft, en stelt de boetes zelf opnieuw vast.
De uitspraak op rechtspraak.nl