CBb 25 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:385
Boetes op grond van de Meststoffenwet, opgelegd aan een transportbedrijf dat dierlijke meststoffen vervoert. Hoger beroep van de vervoerder en de minister. Het College volgt de vervoerder niet in het betoog dat zij is beperkt in haar mogelijkheden om zich te verdedigen, omdat de minister voor haar ontlastende administratieve gegevens en verklaringen niet bij het voornemen om een boete op te leggen en het boetebesluit heeft gevoegd en nog rapporten ontbreken, en dat daarom de boetes niet in stand kunnen blijven. Op de zitting is gebleken dat er geen stukken ontbreken. De onderzoeken waarvan de stukken volgens de vervoerder nog ontbraken, zijn afgebroken. Daarvan zijn dus geen rapporten beschikbaar. Er is ook geen aanleiding om aan het ontbreken van rapporten in een eerder stadium van de procedure het gevolg te verbinden dat de boetes niet in stand kunnen blijven. Met de rechtbank ziet het College geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister in deze zaak heeft gehandeld in strijd met het lex certa-beginsel, het nulla poena-beginsel of de beginselen van equality of arms en een gelijk speelveld. Het College komt niet tot een ander oordeel over de overtredingen dan de rechtbank. De hogerberoepsgrond van de minister over het bewijs voor overtredingen met betrekking tot drie vrachten slaagt niet. Wat de minister aanvoert over de onjuiste berekening van het totaalbedrag van de boete door de rechtbank slaagt wel.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 23 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1016
- CBb 4 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:60
- CBb 8 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:14
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:652
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:653
- Rb. Overijssel 24 april 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:1746
- CBb 16 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:32
- CBb 9 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:106
- CBb 5 november 2013, ECLI:NL:CBB:2013:223
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324