CBb 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:2

Meststoffenwet (artikelen 1, 33a en 59) Aan appellante is terecht een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 33a, vijfde lid, van de Meststoffenwet (Msw). Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken. Verder volgt niet uit de wet of het door verweerder gehanteerde beleid dat in geval van overtreding van artikel 33a, vijfde lid, van de Msw (eerst) een waarschuwing moet worden gegeven. In wat appellante aanvoert over de aard en ernst van de overtreding wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de boete onevenredig hoog is. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de boete niet evenredig is aan de mate waarin de overtreding aan appellante kan worden verweten. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan is overwogen dat appellante behoort tot de groep bedrijven waarop de wetgever bij het vaststellen van het boetetarief in artikel 59, derde lid, van de Msw het oog heeft gehad. Het gaat daarbij namelijk om bedrijven die kosten besparen door de hoeveelheid fosfaat waarop de verwerkingsplicht betrekking heeft niet met een driepartijenovereenkomst (DPO) of Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (VDM) te verwerken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken