CBb 22 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:1030
artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet artikel 66, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet artikel 74, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten. Verweerder heeft ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw het excretieforfait terecht vastgesteld op basis van de gemiddelde melkproductie in 2015 en heeft gerekend met het juiste excretieforfait. Het fosfaatrechtenstelsel gaat uit van een toekenningssysteem dat mede is gebaseerd op de diergebonden forfaitaire gehalten in bijlage D. Deze forfaits zijn per definitie gegeneraliseerd, omdat de werkelijke waarden van rundveeras tot rundveeras variëren. Het gebruik van gegeneraliseerde, forfaitaire tarieven is omwille van de werkbaarheid in de praktijk niet ontoelaatbaar. Dit gebruik kan derhalve de (terughoudende) exceptieve toetsing aan algemene rechtsbeginselen doorstaan. Voor zover de excretie van melkkoeien van het Fries-Hollands rundveeras een lagere fosfaatwaarde heeft dan volgt uit de waarden van bijlage D, maakt dat de regeling dus niet onrechtmatig. Evenmin is gebleken dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 66, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en artikel 74, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling. Het beroep op de knelgevallenregeling faalt. Reeds omdat appellant niet, zoals vereist, voor 1 april 2018 een daartoe strekkende melding heeft ingediend. Voor het hanteren van dieraantallen op andere peildata, zoals appellant wil, bestaat geen wettelijke grondslag. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder voor de peildatum 2 juli 2015 is uitgegaan van een onjuist dieraantal. Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Appellant had daarom ten tijde van zijn uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor hem meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 11 augustus 2020, ECLI:NL:CBB:2020:522
- CBb 31 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:211
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114
- CBb 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:622
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291
- CBb 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:5
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522