CBb 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:622

Artikel 21b en artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Het College volgt appellante niet in haar betoog dat - exceptief toetsend - het fosfaatrecht niet juist is vastgesteld, omdat de regelgeving niet voorziet in adequate fosfaatexcretiegehalten voor Jersey-koeien. Ook volgt het College appellante niet in haar betoog dat het fosfaatrecht moet worden verhoogd, omdat zij er op heeft mogen vertrouwen dat in het fosfaatrechtenstelsel uit zou worden gegaan van BEX, zodat zij haar stal volledig zou kunnen vullen met Jerseys. Dat bij de toepassing van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 op appellante wel rekening is gehouden met de relatief lage excretie van de Jerseys leidt niet tot het oordeel dat dat bij de toepassing van het fosfaatrechtenstelsel ook zou moeten. Voor wat betreft de gestelde strijd met artikel 1 van het EP geldt dat het enkele feit dat het fosfaatrechtenstelsel niet voorziet in specifieke fosfaatexcretiewaarden voor specifieke rassen, niet betekent dat het stelsel om die reden in strijd is met artikel 1 van het EP. Deze omstandigheid leidt ook niet tot het oordeel dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat zo een last op appellante zou rusten doordat zij voor de peildatum heeft geïnvesteerd in de uitbreiding van het bedrijf is het College ook niet gebleken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken