CBb 11 augustus 2020, ECLI:NL:CBB:2020:522
Artikel 21b van de Meststoffenwet. Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Artikel 33Ab van de Meststoffenwet. Artikel 72b van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Artikel 74, eerste en vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Het College volgt appellante niet in het betoog dat in haar geval voor de bepaling van de grondgebondenheid moet worden uitgegaan van de feitelijke melkproductie en een daarmee verband houdende lagere fosfaatexcretie. Artikel 74, vierde lid, en artikel 74, eerste lid, in samenhang met tabel II van Bijlage D, van de Uitvoeringsregeling bieden hiervoor geen ruimte. Deze ruimte ligt, anders dan appellante meent, evenmin besloten in artikel 33Ab, vierde lid, van de Msw, gelet op de systematische samenhang van deze bepaling met artikel 21b, eerste lid en artikel 23, derde lid, van de wet. Het betoog van appellante dat voor haar Jersey-jongvee moet worden uitgegaan van een lagere fosfaatexcretie slaagt evenmin. Verweerder heeft het fosfaatrecht overeenkomstig de ter zake geldende regelgeving vastgesteld. Daarbij zijn de forfaitaire excretienormen uit bijlage D van de Uitvoeringsregeling toegepast. Het fosfaatrechtenstelsel gaat uit van een toekenningssysteem dat mede is gebaseerd op de diergebonden forfaitaire gehalten in bijlage D. Deze forfaits zijn per definitie gegeneraliseerd, omdat de werkelijke waarden van koeras tot koeras variëren. Zoals het College eerder heeft overwogen is het gebruik van gegeneraliseerde, forfaitaire tarieven omwille van de werkbaarheid in de praktijk niet ontoelaatbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl