Gerecht EU 3 juni 2026, T-1119/23, ECLI:EU:T:2026:356

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

3 juni 2026 ( *1 )

„Mededinging – Concentraties – Verzoek om inlichtingen – Artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 – Noodzakelijkheid van de gevraagde inlichtingen – Misbruik van bevoegdheid – Motiveringsplicht – Rechtszekerheid – Evenredigheid – Impossibilium nulla obligatio est – Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten – Recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven – Op persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties opgeslagen documenten – Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten – Vrijheid van meningsuiting – Bescherming van journalistieke bronnen”

In zaak T‑1119/23,

Lagardère SA, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door P. Gassenbach, Y. Boubacir en M. Oiknine, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Caro de Sousa, B. Cullen en D. Viros als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: L. Truchot, president, M. Jaeger, J. Schwarcz, M. Sampol Pucurull en T. Perišin (rapporteur), rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 14 mei 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Lagardère SA, nietigverklaring van besluit C(2023) 6429 final van de Commissie van 19 september 2023 inzake een procedure op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (zaak M.11184 – Vivendi/Lagardère) (hierna: „besluit van 19 september 2023”), zoals gewijzigd bij besluit C(2023) 7464 final van de Commissie van 27 oktober 2023 (hierna: „besluit van 27 oktober 2023”) (hierna: „bestreden besluit”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster is de moedermaatschappij van de Lagardère-groep, een Frans concern dat met name actief is in de mediasector.

3 Op 24 oktober 2022 heeft Vivendi SE, de moedermaatschappij van de Vivendi-groep – een Frans concern met een internationale dimensie dat gespecialiseerd is in media en entertainment en via zijn dochterondernemingen op verschillende markten actief is – bij de Europese Commissie een concentratie aangemeld die bestond uit de verwerving van de uitsluitende zeggenschap over Lagardère SA.

4 Bij besluit van 9 juni 2023 heeft de Commissie de voorgenomen concentratie goedgekeurd, op voorwaarde dat verbintenissen worden nagekomen om alle activiteiten van Vivendi in de boekenuitgeverijsector (ondergebracht in Editis, een dochteronderneming van Vivendi) en het tijdschrift Gala af te stoten.

5 Bij brief van 25 juli 2023 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van de inleiding van een formeel onderzoek naar een mogelijke vroegtijdige totstandbrenging van de concentratie.

Besluit van 19 september 2023

6 In het kader van het formele onderzoek naar een mogelijke vroegtijdige uitvoering van de concentratie heeft de Commissie bij het besluit van 19 september 2023 een verzoek om inlichtingen aan verzoekster gericht op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de „EG-concentratieverordening”) (PB 2004, L 24, blz. 1), met een termijn die afliep op 27 oktober 2023.

7 Het besluit van 19 september 2023 bevat een bijlage.

8 In de overwegingen 2 en 6 van het besluit van 19 september 2023 wordt vermeld dat dit besluit tot doel heeft om inlichtingen te verkrijgen op basis waarvan de Commissie kan beoordelen of Vivendi een beslissende invloed op Lagardère heeft uitgeoefend die zou kunnen duiden op schendingen van de aanmeldings- en opschortingsverplichtingen en op niet-naleving van verbintenissen, in strijd met de bepalingen van artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004.

9 In overweging 7 van het besluit van 19 september 2023 wordt vermeld dat de opgevraagde documenten en communicatie van essentieel belang zijn om de Commissie in staat te stellen te beoordelen of de tussenkomst en/of raadpleging en/of betrokkenheid van Vivendi bij bepaalde door Lagardère genomen beslissingen kunnen worden aangemerkt als het uitoefenen van beslissende invloed door Vivendi in de zin van overweging 6 van dat besluit. Er wordt met name opgemerkt dat de bedoelde documenten en communicatie betrekking hebben op de totstandbrenging van operationele synergieën, zoals gezamenlijke programma’s tussen audiovisuele entiteiten van Vivendi en Lagardère, de vaststelling van het programma-aanbod van de radiozender Europe 1, die tot de Lagardère-groep behoort, de benoemingen en het vertrek van journalisten bij publicaties van de Lagardère-groep, redactionele keuzes van tijdschriften van de Lagardère-groep die mogelijk zijn beïnvloed door leidinggevenden van Vivendi of van haar belangrijkste aandeelhouder, de Bolloré-groep, en de verhuizing van entiteiten van de Vivendi-groep naar panden die eigendom zijn van Lagardère. Er wordt aangegeven dat deze ook betrekking hebben op strategische beslissingen van de uitgeversgroep Hachette (die tot Lagardère behoort en waarbij Vivendi mogelijk een rol heeft gespeeld die kan worden aangemerkt als het uitoefenen van beslissende invloed, zoals het staken van een geschil met een dochteronderneming van Vivendi of het niet uitbrengen van een bod op de Amerikaanse uitgever Simon & Schuster), evenals de voorwaarden voor de benoeming in de raad van bestuur van Lagardère van bepaalde leden waarvan bekend is dat zij verbonden zijn met de Bolloré-groep.

10 In overweging 8 van het besluit van 19 september 2023 wordt uiteengezet waarom de Commissie van mening was dat alleen een besluit op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 kon waarborgen dat verzoekster alle documenten zou verstrekken die voldeden aan de criteria die zij in dat besluit had vastgesteld.

11 In de overwegingen 9 en 10 van het besluit van 19 september 2023 wordt uiteengezet welke gevolgen verzoekster te wachten staan indien zij onjuiste, onvolledige of verdraaide inlichtingen verstrekt of deze te laat indient.

12 Overeenkomstig artikel 1 van het besluit van 19 september 2023 moet verzoekster, als geadresseerde van dat besluit, zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk op 27 oktober 2023 de in de bijlage bij dat besluit bedoelde informatie verstrekken.

13 Punt I van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 bevat de algemene definities, waaronder die van de „betrokken periode”, namelijk de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 september 2023, en die van het begrip „document”. Daaruit blijkt het volgende: „Onder het begrip ‚document(en)’ wordt verstaan: alle digitale bestanden die in het bezit zijn van, berusten bij of onder controle staan van Lagardère, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de volgende elementen: (a) alle informatie die in elektronische vorm is opgeslagen, met inbegrip van e‑mails en chatberichten (WhatsApp, sms, Telegram, Signal, enz.), tekstverwerkingsdocumenten en pdf-bestanden, spreadsheets en presentaties; (b) ontwerpen van documenten, metagegevens en kopieën van documenten waarvan de originelen zich niet in het bezit of onder de controle van Lagardère bevinden, al naargelang het geval; (c) Voor alle duidelijkheid, het begrip ‚document’ omvat ook: (i) de documenten in alle privé- en/of persoonlijke e-mailaccounts (voor zover deze ten minste één keer voor professionele communicatie zijn gebruikt) en op mobiele apparaten, waaronder mobiele telefoons of tablets (met inbegrip van privé- en/of persoonlijke mobiele telefoons of tablets, voor zover deze ten minste één keer voor professionele communicatie zijn gebruikt), met inbegrip van chatberichten en sms-berichten, en (ii) de documenten die, hoewel zij door de ontvanger of de auteur zijn gewist, beschikbaar of toegankelijk blijven in de computersystemen van Lagardère of in het (persoonlijke of professionele) hulpmiddel dat door de ontvanger of de auteur wordt gebruikt (bijvoorbeeld in back-ups).”

14 In punt II van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 worden ook de „betrokken personen” gedefinieerd, namelijk vijftien bij naam genoemde personen, „alsmede alle personen die hen zijn voorgegaan of zijn opgevolgd [in alle] verschillende functies die zij tijdens de betrokken [p]eriode hebben bekleed” (hierna: „betrokken personen”).

15 In punt III van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 wordt verzoekster verzocht om onder meer alle documenten te verstrekken die tussen bepaalde betrokken personen zijn uitgewisseld, alsmede alle documenten die door deze personen zijn verzonden of ontvangen en die betrekking hebben op bepaalde onderwerpen of ten minste één van de zoektermen bevatten die zijn opgenomen in punt VII van de bijlage bij dat besluit.

16 In de punten IV, V en VI van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 wordt aangegeven op welke wijze verzoekster de gevraagde documenten moet verstrekken, wat de inhoud van het begeleidende verslag moet zijn en welke eisen gelden voor de verklaringen dat het antwoord volledig is. Punt IV specificeert met name de procedure die moet worden gevolgd om voor bepaalde documenten te vragen om bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten en van gevoelige persoonsgegevens zoals gedefinieerd in verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1). Er wordt opgemerkt dat documenten die dergelijke gevoelige gegevens bevatten, versleuteld en afzonderlijk moeten worden verstrekt en moeten worden aangeduid als „gevoelige persoonsgegevens”.

17 In punt VII van de bijlage bij het besluit van 19 september 2023 worden de zoektermen opgesomd en worden instructies gegeven voor het gebruik ervan.

Ontwikkelingen na de vaststelling van het besluit van 19 september 2023

18 Bij het besluit van 27 oktober 2023 heeft de Commissie de termijn die oorspronkelijk bij het besluit van 19 september 2023 was vastgesteld, verlengd tot 1 december 2023.

19 Bij verzoekschrift dat op 27 november 2023 bij de griffie van het Gerecht is ingediend, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld tot nietigverklaring van het bestreden besluit, dat wil zeggen van het besluit van 19 september 2023 zoals gewijzigd bij het besluit van 27 oktober 2023.

Feiten die dateren van na de instelling van het beroep

20 In een brief van 6 december 2023 heeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Mededinging” van de Commissie aangegeven dat elk document dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens of journalistieke bronnen in het geding brengt, valt onder de waarborgen van de relevante wetgeving en rechtspraak, en heeft hij deze procedurele waarborgen nader toegelicht (hierna: „brief van 6 december 2023”).

21 Op 24 januari 2024 heeft de Commissie besluit C(2024) 572 final betreffende een procedure op grond van artikel 11, lid 3, en artikel 15, lid 1, van verordening nr. 139/2004 (zaak M.11184 – Vivendi/Lagardère) (hierna: „besluit van 24 januari 2024”) vastgesteld.

22 Bij artikel 1 van het besluit van 24 januari 2024 werd de termijn van 1 december 2023, vastgesteld bij artikel 2 van het besluit van 27 oktober 2023, verlengd tot 7 februari 2024.

23 Bij artikel 2 van het besluit van 24 januari 2024 werd aan verzoekster op grond van artikel 15 van verordening nr. 139/2004 een dwangsom opgelegd van ten hoogste 5 % van haar gemiddelde dagomzet, voor elke werkdag waarmee de in artikel 1 van dat besluit vastgestelde datum wordt overschreden.

24 Bovendien zijn in het besluit van 24 januari 2024 de in de brief van 6 december 2023 vastgelegde procedurele waarborgen met betrekking tot de bescherming van gevoelige persoonsgegevens en de bescherming van journalistieke bronnen overgenomen.

25 Wat persoonsgegevens betreft, wordt in overweging 14, onder a), van het besluit van 24 januari 2024 verduidelijkt dat de documenten die onder de reikwijdte van het bestreden besluit vallen, die geen verband houden met de commerciële activiteiten van verzoekster en die gevoelige persoonsgegevens zouden bevatten in de zin van artikel 9 van verordening 2016/679 en artikel 10 van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39), kunnen worden ondergebracht in een virtuele dataroom, zoals bedoeld in punt 2 van het dictum van de beschikkingen van 29 oktober 2020, Facebook Ireland/Commissie (T‑451/20 R, niet gepubliceerd, EU:T:2020:515), en 29 oktober 2020, Facebook Ireland/Commissie (T‑452/20 R, niet gepubliceerd, EU:T:2020:516), om de Commissie in staat te stellen na te gaan of zij irrelevant zijn voor haar onderzoek.

26 Wat de bescherming van journalistieke bronnen betreft, wordt in overweging 14, onder b), van het besluit van 24 januari 2024 bepaald dat de personen op wie het bestreden besluit betrekking heeft en die in het bezit zijn van een perskaart, de mogelijkheid krijgen om de documenten in te zien die voldoen aan de in het bestreden besluit genoemde criteria, de onder die bescherming vallende informatie identificeren, en een geredigeerde versie zonder identificatie van de journalistieke bronnen verstrekken, of, bij gebreke daarvan, het document uit het dossier verwijderen indien het niet mogelijk is een niet-vertrouwelijke versie te verstrekken. Er wordt aangegeven dat het aan verzoekster is om de overige documenten te verstrekken, alsmede een overzichtstabel waarin de aard van de geschrapte informatie of de uit het dossier verwijderde documenten wordt gespecificeerd.

Kortgedingprocedure

27 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 november 2023, heeft verzoekster in kort geding verzocht om, ten eerste, opschorting van de uitvoering van het bestreden besluit en, ten tweede, bij wijze van voorlopige maatregel, indien de president van het Gerecht dit nodig acht, een bevel tot bewaring van alle documenten van de betrokken personen die van belang kunnen zijn voor het onderzoek van de Commissie.

28 Bij beschikking van 29 november 2023, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 R, niet gepubliceerd), is de uitvoering van het bestreden besluit opgeschort totdat de beschikking tot beëindiging van de procedure in zaak T‑1119/23 R is gegeven, onverminderd de verplichting voor verzoekster om door te gaan met het verzamelen van de informatie en om alle documenten waarop het bestreden besluit betrekking heeft en die van belang kunnen zijn voor het onderzoek van de Commissie, in elektronische vorm in haar bezit te houden.

29 Bij beschikking van 19 januari 2024, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 R, niet gepubliceerd, EU:T:2024:16), heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen en de beschikking van 29 november 2023, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 R, niet gepubliceerd), ingetrokken.

30 Bij beschikking van 6 februari 2024, Lagardère/Commissie [C‑89/24 P(R)-R, EU:C:2024:120], heeft de vicepresident van het Hof de opschorting gelast van de bij het bestreden besluit aan verzoekster opgelegde verplichting om documenten te verzamelen en aan de Commissie te verstrekken die zijn opgeslagen in de privé- of persoonlijke e-mailaccounts en op de privé- of persoonlijke mobiele apparaten van sommige van haar werknemers en bestuurders, tot de vaststelling van de beschikking die het eerst zal worden gegeven, te weten de beschikking tot beëindiging van de onderhavige kortgedingprocedure of de beschikking waarin uitspraak wordt gedaan op de hogere voorziening in zaak C‑89/24 P(R), onverminderd de verplichting van verzoekster om alle nodige maatregelen te nemen om het behoud van al die documenten te waarborgen.

31 Bij beschikking van 11 april 2024, Lagardère/Commissie [C‑89/24 P(R), EU:C:2024:312], heeft de vicepresident van het Hof de beschikking van 19 januari 2024, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 R, niet gepubliceerd, EU:T:2024:16), vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerecht opdat het zich uitspreekt over de voorwaarde van fumus boni juris en, in voorkomend geval, de betrokken belangen afweegt. Het verzoek van verzoekster tot opschorting van de haar bij het bestreden besluit, zoals gewijzigd bij het besluit van 24 januari 2024, opgelegde verplichting om documenten te verzamelen en aan de Commissie te verstrekken die zijn opgeslagen in de privé- of persoonlijke e-mailaccounts en op de privé- of persoonlijke mobiele apparaten van sommige van haar werknemers en bestuurders, totdat de president van het Gerecht opnieuw uitspraak doet over het verzoek in kort geding in zaak T‑1119/23 R of, bij gebreke daarvan, totdat het Gerecht uitspraak doet over het beroep in zaak T‑1119/23, is afgewezen.

32 Bij beschikking van 13 juni 2024, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 R-RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2024:382), heeft de vicevoorzitter van het Gerecht, ten eerste, beslist dat er geen reden meer was om uitspraak te doen over het verzoek in kort geding voor zover het betrekking had op de documenten die op 30 januari 2024 aan de Commissie waren verstrekt, ten tweede, de uitvoering van het bestreden besluit opgeschort voor zover dat betrekking had op documenten die niet op 30 januari 2024 aan de Commissie waren verstrekt, en, ten derde, verzoekster gelast de personen op wie het bestreden besluit betrekking heeft te vragen alle nodige maatregelen te nemen om te zorgen dat de in de bijlage bij dat besluit genoemde documenten die nog niet aan de Commissie waren verstrekt, worden bewaard in een vorm die de integriteit en onveranderlijkheid ervan waarborgt. Voor het overige werd het verzoek in kort geding afgewezen.

33 Bij akte die op 12 juli 2024 is neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster een verzoek in kort geding ingediend tot, primair, het bevelen van de verzegeling van alle documenten en eventuele kopieën daarvan die zij op 30 januari 2024 aan de Commissie heeft overhandigd, zodat de Commissie of enige andere derde deze niet kan inzien, totdat het Gerecht uitspraak heeft gedaan in het beroep tot nietigverklaring tegen het besluit van 19 september 2023, zoals gewijzigd bij het besluit van 27 oktober 2023 en het besluit van 24 januari 2024, en, subsidiair, het gelasten van een dergelijke verzegeling totdat zij binnen een redelijke en toereikende termijn alle documenten heeft kunnen identificeren en redigeren die betrekking hebben op het privéleven van de personen op wie het bestreden besluit betrekking heeft, en tot, in ieder geval, het gelasten van de Commissie om, voorafgaand en voordat zij opmerkingen indient, alle toegang van haar functionarissen en ambtenaren tot de documenten die verzoekster haar op 30 januari 2024 heeft overhandigd, op te schorten tot de datum van de beschikking tot beëindiging van de kortgedingprocedure.

34 Bij beschikking van 15 juli 2024, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 RIII, niet gepubliceerd), is de Commissie gelast om de toegang van haar ambtenaren en functionarissen tot de documenten die verzoekster haar op 30 januari 2024 heeft verstrekt, op te schorten tot de datum van de beschikking waarbij de kortgedingprocedure wordt beëindigd.

35 Bij beschikking van 13 september 2024, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 RIII, niet gepubliceerd, EU:T:2024:624), is het verzoek in kort geding als niet-ontvankelijk afgewezen en is de beschikking van 15 juli 2024, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 RIII, niet gepubliceerd), ingetrokken.

36 Bij akte die op 22 augustus 2024 is neergelegd ter griffie van het Hof, heeft verzoekster een hogere voorziening op kort geding ingesteld strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van de beschikking van 13 juni 2024, Lagardère/Commissie (T‑1119/23 R-RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2024:382).

37 Bij beschikking van 21 oktober 2024, Lagardère/Commissie [C‑569/24 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2024:945], heeft de vicepresident van het Hof de doorhaling van deze zaak in het register van het Hof gelast.

Conclusies van partijen

38 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

39 Verzoekster heeft ter terechtzitting verduidelijkt dat zij niet om nietigverklaring van het besluit van 24 januari 2024 verzoekt, in tegenstelling tot wat bleek uit haar memorie van repliek.

40 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen, en – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

41 Tot staving van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan misbruik van bevoegdheid en aan schending van het beginsel „impossibilium nulla obligatio est”, het tweede aan ontoereikende motivering, het derde aan schending van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en het briefgeheim, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM), het vierde aan schending van het beginsel van persvrijheid, zoals gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest en artikel 10 EVRM, het vijfde aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel, en het zesde aan schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van bescherming tegen willekeurige ingrepen van het openbaar gezag in de privésfeer.

42 Allereerst moet het tweede middel worden onderzocht, dat is ontleend aan ontoereikende motivering.

Tweede middel: ontoereikende motivering

43 Met dit middel, dat uit twee onderdelen bestaat, betoogt verzoekster dat de Commissie haar motiveringsplicht uit hoofde van artikel 296 VWEU en artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 niet is nagekomen. Ten eerste heeft de Commissie onvoldoende gemotiveerd waarom zij heeft gekozen om een besluit op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 vast te stellen. Ten tweede stelt het bestreden besluit verzoekster niet in staat om te begrijpen waarom bepaalde informatie noodzakelijk zou zijn voor het onderzoek van de Commissie.

Opmerkingen vooraf

44 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Unie aangepast zijn aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De nakoming van de motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die door de handeling worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat de motivering alle feitelijke en juridische gegevens specificeert, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, maar ook op de context waarin deze is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie,C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Wat meer in het bijzonder de motivering van een besluit houdende een verzoek om inlichtingen betreft, dient eraan te worden herinnerd dat artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 de wezenlijke elementen ervan bepaalt (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 17).

46 Artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 bepaalt immers dat de Commissie „de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek[ vermeldt], [aangeeft] welke inlichtingen worden gevraagd en […] de termijn [vaststelt] waarbinnen deze inlichtingen moeten worden verstrekt”. Deze bepaling bepaalt bovendien dat de Commissie „tevens de sancties [vermeldt] waarin artikel 14 [van verordening nr. 139/2004] voorziet en de sancties waarin artikel 15 [daarvan] voorziet, of […] deze laatste sancties [oplegt]” en „wijst […] op het recht[ om] bij het Hof van Justitie beroep tegen de beschikking in te stellen”.

47 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat alle taalversies van een handeling van de Unie in beginsel dezelfde waarde hebben. Teneinde de eenvormige uitlegging van het Unierecht te behouden, moet de betrokken bepaling derhalve, indien er verschillen tussen de taalversies bestaan, worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. Zo kan de in een van de taalversies van een handeling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die handeling dienen of in zoverre voorrang hebben boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht (zie arrest van 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punten 49 en 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 in de Franse taalversie bepaalt dat de Commissie in een verzoek om inlichtingen bij wege van een besluit, de rechtsgrond voor en het „objet” (voorwerp) van dat verzoek moet vermelden. In de andere taalversies van die bepaling worden echter termen gebruikt die overeenkomen met het in de Nederlandse taalversie gebruikte begrip „doel”, zoals bijvoorbeeld in de Engelse, de Duitse, de Italiaanse, de Griekse en de Kroatische versie, waarin respectievelijk de termen „purpose”, „Zweck”, „scopo”, „σκοπό” en „svrhu” worden gebruikt, met uitzondering van de Spaanse taalversie, waarin de term „objeto” wordt gebruikt. Uit de in de andere taalversies gebruikte termen blijkt dus, rekening houdend met de context van die bepaling en met het door de betrokken verordening nagestreefde doel, dat de wetgever in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 heeft willen verwijzen naar het begrip „doel”, dat wordt gebruikt in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 139/2004 en artikel 18, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de [artikelen 101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), zoals uitgelegd in de in punt 50 hieronder aangehaalde rechtspraak.

49 De verplichting om een specifieke motivering te geven vormt een fundamenteel vereiste, niet alleen om het voor de betrokken ondernemingen duidelijk te maken dat het verzoek om inlichtingen gerechtvaardigd is, maar ook om hen inzicht te geven in de omvang van hun verplichting tot medewerking en tegelijk hun recht van verweer veilig te stellen (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 De verplichting om het „doel van het verzoek” te vermelden betekent dat de Commissie met een redelijke mate van nauwkeurigheid het doel van haar onderzoek moet aangeven in haar verzoek, en dus de vermoede inbreuk op de mededingingsregels moet identificeren (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie,C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat verband is de Commissie niet verplicht om de adressaat van een besluit houdende een verzoek om inlichtingen in kennis te stellen van alle inlichtingen waarop zij het vermoeden van het bestaan van inbreuken baseert, noch om een nauwgezette juridische kwalificatie van die inbreuken te geven, maar wel om de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, duidelijk te omschrijven (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie,C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Een dergelijke verplichting valt met name te verklaren door de omstandigheid dat, zoals blijkt uit artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004, de Commissie ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken met een eenvoudig verzoek of bij besluit de ondernemingen en ondernemersverenigingen kan vragen „alle nodige inlichtingen” te verstrekken (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie,C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Daaruit volgt dat de Commissie alleen die inlichtingen kan opvragen die voor haar van nut kunnen zijn bij de verificatie van de vermoedens die het onderzoek rechtvaardigen en die in het verzoek om inlichtingen zijn genoemd (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie,C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 23).

53 Aangezien de noodzakelijkheid van de gevraagde inlichtingen moet worden getoetst aan het in het verzoek om inlichtingen vermelde doel, moet dit doel met een redelijke mate van nauwkeurigheid worden aangegeven, omdat anders onmogelijk kan worden bepaald of de gevraagde informatie noodzakelijk is, en omdat anders de Unierechter zijn rechterlijk toezicht niet kan uitoefenen (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie,C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 De vraag of een besluit houdende een verzoek om inlichtingen toereikend is gemotiveerd, hangt dus af van de vraag of de vermoede inbreuken waarnaar de Commissie een onderzoek wenst in te stellen, voldoende duidelijk worden toegelicht (zie naar analogie arrest van 10 maart 2016, HeidelbergCement/Commissie,C‑247/14 P, EU:C:2016:149, punt 25).

55 Bij de beoordeling van de omvang van de motiveringsplicht moet ook rekening worden gehouden met het stadium van het onderzoek waarin een dergelijk besluit is vastgesteld en met de vraag of de Commissie al dan niet reeds over bepaalde informatie inzake de vermeende inbreuken beschikte (zie in die zin en naar analogie arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 Verzoeksters argumenten moeten in het licht van deze rechtspraak worden onderzocht.

Eerste onderdeel van het tweede middel: ontoereikende motivering met betrekking tot het gebruik van een verzoek om inlichtingen bij besluit

57 Verzoekster stelt dat de Commissie niet motiveert waarom zij ervoor heeft gekozen om een besluit op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 te nemen. De Commissie heeft haar stelling dat alleen een dergelijk besluit een volledig antwoord kan garanderen, niet onderbouwd, terwijl verzoekster heeft meegewerkt met de Commissie in het kader van de concentratiecontroleprocedure en heeft gereageerd op een eerste verzoek van de Commissie op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 139/2004.

58 De doelstelling van snelheid en het in het bestreden besluit aangevoerde risico dat documenten van medewerkers die de Lagardère-groep hebben verlaten, worden vernietigd, rechtvaardigen niet het gebruik van een verzoek om inlichtingen bij besluit op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004. Zij heeft de Commissie reeds meegedeeld dat er weliswaar geen gemeenschappelijk beleid voor de gehele Lagardère-groep bestaat met betrekking tot het bewaren van gegevens van personen die hun functie hebben neergelegd, maar dat de meeste entiteiten die gegevens tussen drie maanden en een jaar bewaren. Bovendien zijn alle entiteiten van de Lagardère-groep in staat om op verzoek een dergelijke maatregel in te voeren, waardoor elk risico met betrekking tot het niet bewaren van documenten wordt uitgesloten.

59 De Commissie betwist het betoog van verzoekster.

60 In herinnering dient te worden gebracht dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 bepaalt dat de Commissie het recht heeft om inlichtingen te vragen „met een gewoon verzoek of bij [besluit]”, zonder dat deze bepaling de vaststelling van een besluit afhankelijk stelt van een voorafgaand gewoon verzoek.

61 Een verzoek om inlichtingen bij besluit onderscheidt zich van een gewoon verzoek om inlichtingen door het feit dat de Commissie, wanneer zij gebruikmaakt van het eerste, een geldboete of dwangsommen kan opleggen om een onderneming te dwingen volledige en juiste inlichtingen te verstrekken, overeenkomstig respectievelijk artikel 14, lid 1, onder c), en artikel 15, lid 1, onder a), van verordening nr. 139/2004 (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie,C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 379).

62 In casu blijkt uit overweging 8 van het bestreden besluit dat, in het kader van de onderhavige procedure tot vaststelling van een inbreuk op de bepalingen van verordening nr. 139/2004, de Commissie van mening was dat alleen een besluit op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 zou kunnen waarborgen dat verzoekster alle documenten zou verstrekken die voldoen aan de in dat besluit vastgestelde criteria. De in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 opgenomen procedure is volgens haar de enige waarmee zij de betrokken ondernemingen op straffe van sancties kan verplichten om een volledig antwoord te verstrekken. Bovendien achtte de Commissie het noodzakelijk om snel op te treden teneinde te voorkomen dat relevante documenten uit de bestanden van verzoekster zouden worden verwijderd, met name in het geval dat berichten na een bepaalde termijn zouden worden gewist en dat bepaalde documenten afkomstig van een medewerker niet lang na diens vertrek zouden worden bewaard. Volgens de Commissie beantwoordde de keuze voor een besluit op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 aan deze doelstelling van snelheid.

63 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat, overeenkomstig de in de punten 44 tot en met 46 hierboven aangehaalde rechtspraak, in het bestreden besluit voldoende duidelijk de rechtsgrond ervan is aangegeven en rechtens genoegzaam de redenering wordt uiteengezet die de Commissie heeft gevolgd om te verklaren waarom zij heeft gekozen voor een verzoek om inlichtingen bij besluit in plaats van een gewoon verzoek.

64 Bovendien is de verplichting om besluiten te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift dat moet worden onderscheiden van de kwestie van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft. De motivering van het besluit houdt immers in dat de gronden waarop dat besluit berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien deze gronden berusten op vergissingen, doen zij afbreuk aan de inhoudelijke wettigheid van het besluit, maar niet aan de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 181 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 De argumenten van verzoekster volgens welke het gebruik van een verzoek om inlichtingen bij besluit in plaats van een gewoon verzoek in casu niet gerechtvaardigd is, zijn dan ook niet ter zake dienend in het kader van een middel dat is ontleend aan een ontoereikende motivering.

66 Aangezien verzoekster in feite de juistheid betwist van de beslissing van de Commissie om een verzoek om inlichtingen bij besluit te doen, moet worden opgemerkt dat zij in wezen de argumenten herhaalt die zijn aangevoerd in het kader van het eerste onderdeel van het zesde middel, dat in de punten 252 tot en met 261 hieronder is onderzocht en verworpen.

67 Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden verworpen.

Tweede onderdeel van het tweede middel: ontoereikende motivering met betrekking tot de noodzakelijkheid van de beoogde inlichtingen voor het onderzoek

68 Ten eerste stelt verzoekster dat de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is voor zover het betrekking heeft op de activiteiten van de radio-afdeling, namelijk de activiteiten van de radiozenders van de Lagardère-groep, Europe 1, Europe 2 (voorheen Virgin Radio) en RFM. Ten tweede voert zij aan dat de motivering van het bestreden besluit haar niet in staat stelt te begrijpen waarom bepaalde informatie noodzakelijk zou zijn voor het onderzoek van de Commissie. Het gaat daarbij om de kring van betrokken personen, de communicatie tussen twee van hen, de begindatum van de betrokken periode, namelijk 1 januari 2020, en de informatie die is opgeslagen op persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties.

69 De Commissie betwist het betoog van verzoekster.

70 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het doel van het bestreden besluit, zoals uiteengezet in de overwegingen 2, 6 en 7 daarvan (zie de punten 8 en 9 hierboven), erin bestaat om vast te stellen dat de vermoede inbreuken op verordening nr. 139/2004, waarvan verzoekster niet betwist dat zij in het bestreden besluit voldoende duidelijk zijn omschreven, hebben plaatsgevonden.

71 In de eerste plaats, wat meer in het bijzonder de verzoeken van de Commissie met betrekking tot de radio-afdeling betreft, blijkt allereerst uit het dossier en de stukken van de Commissie dat het overnamevoorstel van Vivendi betrekking had op de gehele Lagardère-groep, met inbegrip van de „[r]adio-afdeling”. Bovendien betwist verzoekster niet de stelling van de Commissie dat het openbaar overnamebod van Vivendi op Lagardère ook de radio-afdeling omvatte. Ten slotte wordt in overweging 7 van het bestreden besluit vermeld dat de Commissie een onderzoek instelt naar „de vaststelling van het programma-aanbod van de radiozender Europe 1” (zie punt 9 hierboven).

72 In de tweede plaats staat, wat de betrokken personen betreft, vast dat zij een strategische rol vervulden binnen de Lagardère-groep en dat de personen die worden genoemd in punt II, lid 4, onder a) en c), van de bijlage bij het bestreden besluit, op diverse manieren regelmatig contact onderhielden over de concentratie en de activiteiten waarop het onderzoek betrekking had. Daaruit volgt dat de Commissie het bestreden besluit in dit opzicht niet nader hoefde te motiveren.

73 Wat in de derde plaats het begin van de betrokken periode betreft, staat eveneens vast dat Vivendi in maart 2020 voor het eerst een deelneming in het kapitaal van Lagardère heeft verworven. De Commissie kon derhalve op de datum van het bestreden besluit redelijkerwijs aannemen dat de inlichtingen vanaf 1 januari 2020 haar zouden kunnen helpen bij het vaststellen van het bestaan van die inbreuk, met name omdat die inlichtingen haar een beter inzicht zouden verschaffen in het geheel van de gebeurtenissen en de context waarin deze hadden plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de Commissie het bestreden besluit in dit opzicht niet nader hoefde te motiveren.

74 Wat in de vierde plaats de persoonlijke communicatiemiddelen betreft, geeft verzoekster toe dat sommige van de betrokken personen hun persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties tijdens de betrokken periode voor professionele doeleinden hebben gebruikt. Daaruit volgt dat de Commissie het bestreden besluit in dit opzicht niet nader hoefde te motiveren.

75 Gelet op de in de punten 71 tot en met 74 hierboven beschreven omstandigheden is het bestreden besluit rechtens genoegzaam gemotiveerd, aangezien het doel en de context ervan verzoekster in staat stellen te begrijpen waarom de gevraagde inlichtingen noodzakelijk zijn voor het onderzoek van de Commissie.

76 Derhalve moet het tweede onderdeel van het tweede middel, evenals het tweede middel in zijn geheel, worden verworpen.

Eerste middel: misbruik van bevoegdheid en schending van het beginsel „impossibilium nulla obligatio est”

77 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste stelt verzoekster in essentie dat de Commissie haar bevoegdheden heeft overschreden en misbruikt door een besluit met een louter verkennend karakter vast te stellen. Ten tweede voert zij aan dat de Commissie zich niet heeft vergewist van verzoeksters juridische en technische vermogen om aan het bestreden besluit te voldoen. Aangezien verzoekster niet in staat is om toegang te krijgen tot bepaalde gegevens waarvan de Commissie de overlegging vraagt, schendt het bestreden besluit het beginsel „impossibilium nulla obligatio est”.

78 De Commissie betwist het betoog van verzoekster.

Eerste onderdeel van het eerste middel: misbruik van bevoegdheid

79 Het begrip misbruik van bevoegdheid houdt in dat een overheidsinstantie haar bevoegdheden heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer uit objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat het met een dergelijk doel is genomen. Wanneer het besluit meerdere doelen heeft, is er ook indien naast de geldige beweegredenen een niet gerechtvaardigde wordt aangevoerd, geen sprake van misbruik van bevoegdheid, zolang het wezenlijke doel niet wordt opgeofferd (zie arrest van 4 februari 2009, Omya/Commissie,T‑145/06, EU:T:2009:27, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80 Derhalve moet worden nagegaan of de door verzoekster aangevoerde factoren objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen vormen dat het bestreden besluit door de Commissie is vastgesteld met een ander doel dan dat bedoeld in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004, namelijk, volgens verzoekster, met het oog op het gelasten van „verkennende zoekacties”, waarbij de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van deze „zoekacties” en het vaststellen van de parameters van het onderzoek aan haar werd overgedragen.

81 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat verordening nr. 139/2004 de Commissie opdraagt erop toe te zien dat elke concentratie met een communautaire dimensie wordt aangemeld en goedgekeurd voordat zij tot stand wordt gebracht, en dat de voorwaarden die zijn opgelegd in een besluit waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de interne markt, worden nagekomen.

82 Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 bepaalt dat „[t]er vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken […] de Commissie met een gewoon verzoek of bij [besluit] de in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde personen, alsmede ondernemingen en ondernemersverenigingen, [kan] vragen alle nodige inlichtingen te verstrekken”.

83 Artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 kan derhalve als rechtsgrond dienen voor elk verzoek om inlichtingen ter vervulling van de taken die bij die verordening aan de Commissie zijn opgedragen.

84 In overweging 6 van het bestreden besluit wordt gesteld dat de Commissie van verzoekster verlangt dat zij documenten overlegt „om [haar] in staat te stellen te beoordelen of Vivendi een beslissende invloed op Lagardère heeft uitgeoefend die zou kunnen duiden op een schending van de aanmeldingsplicht en/of een schending van de opschortingsplicht en/of een niet-naleving van de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de Vivendi/Lagardère‑transactie”.

85 Daaruit volgt dat de in het bestreden besluit gevraagde inlichtingen, in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 139/2004 tot doel hebben om de Commissie in staat te stellen de taken te vervullen die haar bij die verordening zijn opgedragen, zodat die instelling haar bevoegdheden niet heeft uitgeoefend voor een ander doel dan dat waarvoor zij haar zijn verleend.

86 Deze conclusie wordt niet in twijfel getrokken door het argument van verzoekster dat de Commissie de onderzoekslast zou hebben omgekeerd door haar op te dragen „verkennende zoekacties” uit te voeren.

87 In dat verband moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit in de punten I, II en III van de bijlage ervan de betrokken periode, het begrip „document”, de betrokken personen en de te verstrekken documenten definieert, onder meer op basis van de door de Commissie vastgestelde onderwerpen en zoektermen (zie de punten 13‑15 hierboven).

88 Daaruit blijkt inderdaad dat verzoekster zowel de voorgangers en opvolgers van de met naam genoemde personen als de door die personen gebruikte communicatiemiddelen moet identificeren. Bovendien beschikt zij over een zekere beoordelingsmarge met betrekking tot de middelen die moeten worden ingezet om de documenten te identificeren die betrekking hebben op de door de Commissie vastgestelde onderwerpen. Het bestreden besluit laat verzoekster echter geen beoordelingsmarge wat betreft de te verstrekken documenten. Verzoekster kan dan ook niet aanvoeren dat de Commissie de onderzoekslast heeft omgekeerd door haar op te dragen „verkennende zoekacties” uit te voeren.

89 De argumenten van verzoekster met betrekking tot de juridische en technische belemmeringen waarmee zij volgens haar te maken zou krijgen bij de uitvoering van het bestreden besluit, zullen worden onderzocht in het kader van het tweede onderdeel van het onderhavige middel.

90 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat het bestreden besluit blijk geeft van misbruik van bevoegdheid.

91 Derhalve moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden verworpen.

Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van het beginsel „impossibilium nulla obligatio est”

92 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het adagium „impossibilium nulla obligatio est” („niemand is gehouden tot het onmogelijke”) een beginsel van het Unierecht vormt (zie in die zin arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93 Eventuele procesrechtelijke of andere moeilijkheden met betrekking tot de uitvoering van een handeling kunnen de wettigheid ervan niet beïnvloeden. De Commissie mag daarentegen bij een besluit geen verplichting opleggen waarvan de uitvoering van meet af aan objectief en absoluut onmogelijk is, op straffe van ongeldigheid van die verplichting (zie arrest van 17 juni 1999, België/Commissie,C‑75/97, EU:C:1999:311, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94 Aan de voorwaarde dat sprake is van een volstrekte onmogelijkheid van uitvoering is niet voldaan wanneer de betrokkene zich ertoe beperkt de Commissie in kennis te stellen van interne moeilijkheden – van juridische, politieke of praktische aard – die aan hemzelf te wijten zijn en die de uitvoering van het betrokken besluit in de weg staan, zonder de Commissie alternatieve wijzen van uitvoering van dat besluit voor te stellen waardoor die moeilijkheden zouden kunnen worden overwonnen (zie in die zin en naar analogie arresten van 13 november 2008, Commissie/Frankrijk,C‑214/07, EU:C:2008:619, punt 50, en 12 februari 2015, Commissie/Frankrijk, C‑37/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:90, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Ook dient eraan te worden herinnerd dat op de onderneming waartegen een onderzoeksmaatregel wordt genomen, de verplichting rust om actief mee te werken, wat betekent dat zij alle informatie die betrekking heeft op het voorwerp van het onderzoek ter beschikking van de Commissie moet houden (zie naar analogie arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 De argumenten van verzoekster moeten in het licht van deze rechtspraak worden onderzocht.

– Persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties

97 Verzoekster voert aan dat 19 betrokken personen persoonlijke applicaties, zoals Yahoo, Gmail en WhatsApp, gebruiken op hun professionele apparaten, waarvan er vier ook hun privételefoon zouden gebruiken in het kader van hun beroepsactiviteiten. Een van die vier personen zou gebruikmaken van een privételefoon in het kader van een zogenaamde „BYOD”-regeling (Bring Your Own Device).

98 Volgens verzoekster is zij, als particuliere onderneming, gehouden tot naleving van de regels en beginselen die tussen particulieren gelden, met name de nationaalrechtelijke bepalingen die schending van de persoonlijke levenssfeer en het briefgeheim verbieden overeenkomstig artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM, alsmede de bepalingen van het nationale arbeidsrecht. Er bestaan volgens haar juridische belemmeringen voor de uitvoering van het bestreden besluit, aangezien het onmogelijk is om toegang te krijgen tot de persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties van haar werknemers en bestuurders zonder het risico te lopen dat haar civielrechtelijke en strafrechtelijke sancties worden opgelegd.

99 In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat een vraag naar de uitlegging van het nationale recht van een lidstaat een feitelijke kwestie is (zie naar analogie arrest van 8 september 2016, Merck/Commissie, T‑470/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:452, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De vraag of en in hoeverre een nationale rechtsregel op het concrete geval van toepassing is, behoort tot de beoordeling van de feiten door de rechter en daarvoor gelden de regels inzake de bewijsvoering en de verdeling van de bewijslast (zie naar analogie arrest van 20 september 2012, Frankrijk/Commissie,T‑154/10, EU:T:2012:452, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 Wat in de eerste plaats de artikelen 226‑1, 226‑2, 226‑3, 226‑4 en 226‑15 van de Franse code pénal (wetboek van strafrecht) betreft, waarop verzoekster zich baseert om aan te tonen dat de uitvoering van het bestreden besluit haar aan het risico van sancties zou blootstellen, moet allereerst worden opgemerkt dat zij heeft nagelaten de volledige tekst van de betrokken bepalingen te verstrekken en dat het door een externe juridische adviseur opgestelde rapport dat zij heeft overgelegd, zich eveneens beperkt tot een gedeeltelijke weergave daarvan, zonder precieze aanwijzingen te geven over de eventuele toepassing ervan in de onderhavige zaak.

101 Artikel 226‑1 van het Franse wetboek van strafrecht bepaalt het volgende: „Is strafbaar met een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 45000 EUR het opzettelijk schenden, op welke wijze dan ook, van het privéleven van een ander: 1° Door het zonder toestemming van de spreker opvangen, opnemen of doorgeven van uitspraken die in privé- of vertrouwelijke context zijn gedaan; […]”

102 Artikel 226‑15 van het Franse wetboek van strafrecht luidt als volgt: „Is strafbaar met een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 45000 EUR het te kwader trouw openen, verwijderen, vertragen of omleiden van aan derden geadresseerde correspondentie, ongeacht of deze al dan niet op de plaats van bestemming is aangekomen, of het op frauduleuze wijze inzien daarvan. Met dezelfde straffen wordt bestraft het te kwader trouw onderscheppen, omleiden, gebruiken of openbaar maken van correspondentie die elektronisch is verzonden, doorgestuurd of ontvangen, of het installeren van apparatuur waarmee dergelijke onderscheppingen mogelijk worden gemaakt. […]”

103 Uit de bewoordingen van de in de punten 101 en 102 hierboven aangehaalde bepalingen blijkt dat daarin „opzettelijke” of „frauduleuze” handelingen of handelingen „te kwader trouw” strafbaar worden gesteld. Het bestreden besluit is daarentegen een juridisch bindende handeling die haar grondslag vindt in het Unierecht (artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004), afkomstig is van een instelling van de Unie (de Commissie) en legt op straffe van sancties de verplichting op om inlichtingen te verstrekken.

104 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat in het beginsel van voorrang van het Unierecht besloten ligt dat dat recht voorrang heeft op het recht van de lidstaten en dat het alle instanties van de lidstaten ertoe verplicht om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van deze staten toekomt aan die verschillende normen (zie arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin,C‑261/20, EU:C:2022:33, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts heeft verzoekster, toen haar vragen werden gesteld over de in punt 103 hierboven aan de orde gestelde schijnbare tegenstrijdigheid, in wezen geantwoord dat zij, indien zij het bestreden besluit zou uitvoeren zonder enig bezwaar of enige moeilijkheid aan te voeren, „opzettelijk” zou handelen. Er moet echter worden vastgesteld dat verzoekster geen bewijsmateriaal heeft aangedragen ter ondersteuning van de uitlegging van het Franse strafrecht die zij tijdens de zitting heeft verdedigd.

105 Bovendien worden de stellingen van verzoekster, zoals de Commissie aanvoert, weerlegd door de bewoordingen van artikel 122‑4 van het Franse wetboek van strafrecht, volgens welke bepaling „[n]iet strafrechtelijk aansprakelijk is degene die een handeling verricht die bij wet of regelgeving is voorgeschreven of toegestaan [of] die een handeling verricht op bevel van de rechtmatige autoriteit, tenzij deze handeling kennelijk onwettig is”.

106 Ten slotte is verzoekster er niet in geslaagd ook maar één geval aan te voeren waarin de in punt 100 hierboven genoemde bepalingen van het nationale recht, of artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM, van toepassing waren in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. Geen van de door verzoekster aangehaalde arresten heeft namelijk betrekking op een situatie waarin, ten eerste, er sprake was van een juridisch bindende handeling op basis van het Unierecht die voorzag in het verkrijgen van persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties en de toegang tot de inhoud van de communicatie om doelstellingen van algemeen belang na te streven, ten tweede, de inmenging niet plaatsvond met het oog op het toezicht op werknemers en bestuurders en geen negatieve gevolgen zou hebben, zoals hun ontslag, en, ten derde, de genoemde inmenging plaatsvond, of had kunnen plaatsvinden, in aanwezigheid van de betrokken personen, of nadat zij daarvan vooraf op de hoogte waren gesteld.

107 Bovendien heeft verzoekster in het kader van haar antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang aangegeven dat de in haar stukken genoemde BYOD-regeling slechts door één van de betrokken personen was gebruikt, zonder nadere toelichting over die regeling te geven. Daarnaast heeft de Commissie een document overgelegd waarin verzoekster had gereageerd op haar vragen betreffende, onder meer, de BYOD-regeling binnen de Lagardère-groep. Daaruit blijkt dat bepaalde dochterondernemingen van die groep een intern reglement hadden ingevoerd waarin stond dat „het IT-beleid van de [onderneming] dus van toepassing is op de persoonlijke apparaten van werknemers en bestuurders die voor professionele communicatie worden gebruikt” en dat zij „onbeperkte toegang” had tot de persoonlijke apparaten die voor professionele doeleinden werden gebruikt.

108 Zelfs als, zoals verzoekster stelt, dat interne reglement niet duidelijk genoeg zou zijn om te rechtvaardigen dat zij het recht heeft om informatie van professionele aard te zoeken in de persoonlijke communicatiemiddelen van de betrokken personen die geen toestemming hebben gegeven voor het verzamelen daarvan, blijft het niettemin zo dat het bestaan van dat reglement de stelling van verzoekster in twijfel trekt dat het haar verboden zou zijn om toegang te krijgen tot dergelijke apparaten.

109 Wat het argument van verzoekster betreft dat is gebaseerd op bepalingen van het Franse arbeidsrecht, hoeft slechts te worden opgemerkt dat het op geen enkele wijze is onderbouwd en dus op grond van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet worden afgewezen.

110 Uit het bovenstaande volgt dat het aan het nationale recht ontleende argument van verzoekster moet worden verworpen.

111 In de tweede plaats stelt verzoekster dat de onderneming die zij heeft ingeschakeld om haar te helpen bij het verzamelen van de documenten die onder de reikwijdte van het bestreden besluit vallen, niet over de toestemming beschikt om gebruik te maken van communicatiemiddelen in de zin van het Franse wetboek van strafrecht.

112 Aangezien verzoekster noch de tekst van de betrokken bepalingen, noch voldoende nauwkeurige informatie over de toepassing ervan in de onderhavige zaak heeft verstrekt, moet het argument worden afgewezen op grond van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering.

113 In de derde plaats voert verzoekster aan dat zij – als werkgever – geen toegang heeft tot de persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties van haar werknemers en bestuurders.

114 In dat verband moet allereerst worden opgemerkt dat, voor zover verzoekster, ondanks het bestaan van de BYOD-regeling in sommige van haar dochterondernemingen (zie punt 107 hierboven), de praktijk van sommige van haar werknemers en bestuurders heeft getolereerd om hun persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties voor professionele doeleinden te gebruiken, zonder ervoor te zorgen dat zij, indien nodig, de professionele berichten die via die middelen en applicaties zijn verzonden of ontvangen, kon identificeren en verkrijgen, de moeilijkheden die zij aanvoert aan haarzelf te wijten zijn in de zin van de in punt 94 hierboven aangehaalde rechtspraak.

115 Voorts blijkt uit de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 101 VWEU dat een onderneming aansprakelijk is voor de handelwijze van alle personen die in het kader van haar invloeds- of aansprakelijkheidssfeer handelen (zie in die zin en naar analogie arresten van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie,100/80–103/80, EU:C:1983:158, punt 97; 18 september 2003, Volkswagen/Commissie,C‑338/00 P, EU:C:2003:473, punten 97 en 98, en 16 februari 2017, H&R ChemPharm/Commissie, C‑95/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:125, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die rechtspraak is van toepassing op het gebied van sancties op grond van artikel 83 van verordening 2016/679 (zie in die zin arrest van 5 december 2023, Nacionalinis visuomenės sveikatos centras,C‑683/21, EU:C:2023:949, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voor verordening nr. 139/2004 kan dat niet anders zijn.

116 Uit de in punt 115 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat elke onderneming er belang bij heeft om ervoor te zorgen dat haar werknemers de toepasselijke mededingingsregels, met inbegrip van verordening nr. 139/2004, niet overtreden, en dat het in strijd zou zijn met de in de punten 94, 95 en 115 hierboven aangehaalde rechtspraak dat een onderneming zich zou kunnen onttrekken aan haar verplichting tot het verstrekken van inlichtingen krachtens artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004, en aan haar medewerkingsplicht door zich op ongerechtvaardigde wijze (zie de punten 120‑197 hieronder) te beroepen op de rechten van personen die handelen binnen haar invloeds- of aansprakelijkheidssfeer. Indien zou worden aangenomen dat verzoekster – als werkgever – geen toegang heeft tot de persoonlijke communicatiemiddelen en ‑applicaties van haar werknemers en bestuurders die voor professionele doeleinden worden gebruikt, zou dit immers ernstig afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het mededingingsrecht van de Unie (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 september 2003, Volkswagen/Commissie,C‑338/00 P, EU:C:2003:473, punt 97), waarvan verordening nr. 139/2004 een integrerend onderdeel vormt.

– Journalistieke bronnen

117 Verzoekster stelt dat zij, als particuliere onderneming, gehouden is tot naleving van de regels en beginselen die tussen particulieren gelden, met name de nationaalrechtelijke bepalingen die de geheimhouding van journalistieke bronnen beschermen, zoals verankerd in artikel 11 van het Handvest en artikel 10 EVRM. In dat verband voert verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel in wezen aan dat de procedurele waarborgen ter bescherming van de geheimhouding van journalistieke bronnen een buitensporige werklast meebrengen.

118 Aangezien deze moeilijkheid van praktische aard is en verzoeksters argumenten in dit verband zijn verworpen in het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel, heeft verzoekster niet rechtens genoegzaam aangetoond dat het bestreden besluit haar een verplichting oplegt waarvan de uitvoering van meet af aan objectief en absoluut onmogelijk is.

119 Uit het bovenstaande volgt dat het eerste middel in zijn geheel moet worden verworpen.

Derde middel: schending van artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM

120 Met het derde middel, dat uit twee onderdelen bestaat, stelt verzoekster dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM, aangezien het van haar verlangt dat zij documenten verzamelt en analyseert die zijn opgeslagen op persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties van de betrokken personen. Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit de wezenlijke inhoud van het recht op eerbiediging van het privéleven niet eerbiedigt en dat het bovendien onevenredig is.

121 Krachtens artikel 7 van het Handvest heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

122 Artikel 7 van het Handvest bevat rechten die corresponderen met de rechten die worden gewaarborgd door artikel 8, lid 1, EVRM, waarin wordt bepaald dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie [zie arrest van 8 december 2022, Google (Verwijdering van links naar beweerdelijk onjuiste inhoud),C‑460/20, EU:C:2022:962, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Bijgevolg moet, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, aan artikel 7 van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte worden toegekend als die welke aan artikel 8, lid 1, EVRM worden toegekend, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (zie arrest van 17 december 2015, WebMindLicenses,C‑419/14, EU:C:2015:832, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Bestaan van een inmenging in de uitoefening van het in artikel 7 van het Handvest neergelegde recht als gevolg van het bestreden besluit

123 Volgens vaste rechtspraak vormt de mededeling van persoonsgegevens aan een derde een inmenging in de in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrechten, ongeacht het latere gebruik van de aldus meegedeelde gegevens en zelfs al kan die inmenging om bepaalde redenen niet als „ernstig” worden aangemerkt. Dit geldt ook voor het bewaren van persoonsgegevens en voor de toegang tot die gegevens met het oog op het gebruik ervan door openbare instanties. Het is van weinig belang of de gegevens betreffende het privéleven al dan niet gevoelig zijn en of de betrokkenen door die inmenging enig nadeel hebben ondervonden (zie in die zin arresten van 2 oktober 2018, Ministerio Fiscal,C‑207/16, EU:C:2018:788, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 juni 2022, Ligue des droits humains,C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat verband is het niet relevant dat de betrokken gegevens verband kunnen houden met beroepsactiviteiten (zie in die zin arrest van 22 november 2022, Luxembourg Business Registers,C‑37/20 en C‑601/20, EU:C:2022:912, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

124 In dat verband heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad om te bevestigen dat de inbeslagname van e-mails tijdens huiszoekingen in de bedrijfslokalen of handelsruimte van een natuurlijke persoon of in de lokalen van een handelsvennootschap een inmenging in de uitoefening van het door artikel 7 EVRM gewaarborgde recht vormt (zie in die zin arrest van 17 december 2015, WebMindLicenses, C‑419/14, EU:C:2015:832, punten 70‑73 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

125 In casu legt het bestreden besluit, zoals blijkt uit de punten 12 tot en met 16 hierboven, verzoekster de verplichting op om de documenten te verzamelen en aan de Commissie door te geven die tijdens de betrokken periode zijn verzonden of ontvangen door vijftien betrokken personen, zoals geïdentificeerd in punt II, lid 4, van de bijlage bij dat besluit, en die betrekking hebben op de in punt III, lid 6, van die bijlage genoemde onderwerpen, of die de in punt VII van diezelfde bijlage genoemde zoektermen bevatten, alsmede de documenten die tijdens de betrokken periode zijn uitgewisseld tussen zes personen die worden genoemd in punt III, lid 7, onder a) tot en met c), van die bijlage. Deze verplichting strekt zich uit tot uitwisselingen die zowel via professionele communicatiemiddelen als via persoonlijke communicatiemiddelen hebben plaatsgevonden, mits deze laatste ten minste één keer voor professionele communicatie zijn gebruikt.

126 In die omstandigheden is het mogelijk dat de documenten die moeten worden verzameld en verwerkt en aan de Commissie moeten worden doorgegeven, informatie bevatten die betrekking heeft op het privéleven van bepaalde werknemers en bestuurders van verzoekster. Bijgevolg kan de uitvoering van het bestreden besluit leiden tot een inmenging in de uitoefening van het in artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht.

127 Wat de ernst van de inmenging betreft, moet eraan worden herinnerd dat de door het bestreden besluit opgelegde verplichting zich ook uitstrekt tot uitwisselingen die zowel via professionele als via persoonlijke communicatiemiddelen hebben plaatsgevonden, mits deze laatste ten minste één keer voor professionele communicatie zijn gebruikt. Voorts schrijft het bestreden besluit niet alleen voor dat, met betrekking tot de in punt 125 hierboven genoemde personen, de documenten moeten worden overgelegd die gedurende de gehele betrokken periode zijn uitgewisseld, maar bevat het in punt III, lid 7, onder d), van de bijlage daarbij ook de verplichting om de volledige communicatie tussen bepaalde personen te verstrekken wanneer slechts één bericht voldoet aan de in dat besluit opgenomen zoektermen.

128 De uitvoering van het bestreden besluit kan dan ook aanleiding geven tot het verstrekken van persoonsgegevens van zeer uiteenlopende aard, die vooraf moeilijk te bepalen zijn en mogelijk een grote omvang hebben. Bovendien kan de informatie die uit persoonlijke communicatiemiddelen wordt verzameld, meer inlichtingen verschaffen over gevoelige aspecten van het privéleven van de betrokken personen dan de informatie die uit professionele communicatiemiddelen wordt verzameld. Daaruit volgt dat dergelijke gegevens, in hun geheel beschouwd, het mogelijk maken om precieze conclusies te trekken over het privéleven van de betrokken personen.

129 Het verstrekken van gevoelige informatie over het privéleven van de betrokken personen, op basis waarvan nauwkeurige gevolgtrekkingen over hun privéleven kunnen worden gemaakt, vormt een ernstige inmenging in de uitoefening van het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht van de betrokken personen [zie in die zin arresten van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija,C‑184/20, EU:C:2022:601, punt 105; 22 november 2022, Luxembourg Business Registers,C‑37/20 en C‑601/20, EU:C:2022:912, punten 41‑44, en 30 april 2024, La Quadrature du Net e.a. (Persoonsgegevens en bestrijding van namaak), C‑470/21, EU:C:2024:370, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

130 De in het bestreden besluit opgelegde verplichting om informatie te verstrekken aan de Commissie houdt dan ook het risico in van een ernstige inmenging in de uitoefening van het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht.

131 Aangezien het bestreden besluit in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest een beperking vormt op de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of een dergelijke beperking gerechtvaardigd is overeenkomstig de in die bepaling neergelegde voorwaarden.

Rechtvaardiging van de inmenging als gevolg van het bestreden besluit

132 Krachtens artikel 52, lid 1, eerste zin, van het Handvest moet elke beperking op de uitoefening van de daarin erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld (een vereiste dat in de rechtspraak het „legaliteitsbeginsel” wordt genoemd) en de wezenlijke inhoud ervan eerbiedigen. Volgens artikel 52, lid 1, tweede zin, van het Handvest kunnen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, aan die rechten en vrijheden alleen beperkingen worden gesteld indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

– Eerbiediging van het legaliteitsbeginsel

133 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel impliceert dat de wettelijke grondslag die een dergelijke beperking toestaat, de draagwijdte ervan voldoende duidelijk en nauwkeurig omschrijft [zie in die zin arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens), C‑205/21, EU:C:2023:49, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

134 In casu moet worden vastgesteld dat de uit de uitvoering van het bestreden besluit voortvloeiende beperking op de uitoefening van het in artikel 7 van het Handvest gewaarborgde grondrecht bij een wetgevingshandeling van de Unie is vastgelegd. Het bestreden besluit is immers vastgesteld op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004, dat de Commissie de bevoegdheid verleent om bij besluit van ondernemingen en ondernemersverenigingen te verlangen dat zij de inlichtingen verstrekken die nodig zijn ter vervulling van de taken die haar bij die verordening zijn opgedragen.

135 De uitoefening van de bij verordening nr. 139/2004 aan de Commissie verleende bevoegdheden draagt bij tot de handhaving van het in de Verdragen nagestreefde mededingingsstelsel, waarvan de naleving voor ondernemingen een dwingende plicht is (zie naar analogie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑621/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:367, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

136 Aangezien verordening nr. 139/2004 de Commissie op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze de bevoegdheid verleent om besluiten houdende verzoeken om inlichtingen vast te stellen, eerbiedigt het bestreden besluit het legaliteitsbeginsel in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest, hetgeen verzoekster niet betwist.

– Eerbiediging van de wezenlijke inhoud van het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht (eerste onderdeel van het derde middel)

137 Hoewel verzoekster niet betwist dat de diensten van de Commissie over middelen beschikken die waarborgen dat de verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt in overeenstemming met de ter zake geldende wetgeving, stelt zij in wezen dat zij, ondanks de door de Commissie geboden procedurele waarborgen, niet gerechtigd is om, om aan het bestreden besluit te voldoen, toegang te krijgen tot persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties, zonder zelf inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer en het briefgeheim van de betrokken personen, hetgeen in strijd is met artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM. Zij stelt in wezen dat het bestreden besluit de wezenlijke inhoud van het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht niet eerbiedigt.

138 Volgens de rechtspraak moet een regeling op grond waarvan overheidsinstanties algemene toegang kunnen krijgen tot de inhoud van elektronische communicatie worden beschouwd als een aantasting van de wezenlijke inhoud van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven zoals door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd (zie arrest van 6 oktober 2015, Schrems,C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

139 Evenzo kan een maatregel die overheidsinstanties in staat stelt om een volledig beeld te krijgen van het privéleven en het familie- en gezinsleven van de betrokken personen, afbreuk doen aan de wezenlijke inhoud van het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht (zie in die zin arresten van 21 juni 2022, Ligue des droits humains,C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 120;22 november 2022, Luxembourg Business Registers,C‑37/20 en C‑601/20, EU:C:2022:912, punten 50‑52, en 21 maart 2024, Landeshauptstadt Wiesbaden,C‑61/22, EU:C:2024:251, punten 80 en 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

140 Een beperking van een grondrecht eerbiedigt echter de wezenlijke inhoud ervan wanneer deze geen afbreuk doet aan dat recht als zodanig, met name wanneer de beperking onder specifieke voorwaarden van toepassing is en aan die voorwaarden is voldaan (zie in die zin en naar analogie arresten van 6 oktober 2015, Delvigne,C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 48, en 27 september 2017, Puškár,C‑73/16, EU:C:2017:725, punt 64).

141 In casu is het in de eerste plaats zo dat, hoewel de informatie die op grond van het bestreden besluit is verzameld en aan de Commissie is doorgegeven, inderdaad zeer gedetailleerde informatie over het privéleven van de betrokken personen kan onthullen, dergelijke informatie slechts op versnipperde en incidentele wijze aanwijzingen kan geven over bepaalde aspecten van het privéleven van die personen. Die informatie heeft namelijk betrekking op verschillende categorieën gegevens met betrekking tot het privéleven die niet noodzakelijkerwijs verband houden met elkaar en die geen homogeen geheel vormen.

142 In dat verband moet worden vastgesteld dat de temporele, personele en materiële reikwijdte van het bestreden besluit wordt afgebakend door middel van nauwkeurige omschrijvingen van de betrokken periode (punt I, lid 3, van de bijlage), van de betrokken personen (punt II, lid 4, van de bijlage) en van de zoektermen (punt VII van de bijlage), zodat dat besluit verzoekster niet verplicht om alle documenten die tussen haar werknemers en bestuurders zijn uitgewisseld, te verzamelen en aan de Commissie door te geven.

143 Het is eveneens van belang op te merken dat persoonlijke communicatiemiddelen slechts onder het bestreden besluit vallen wanneer zij ten minste één keer voor professionele doeleinden zijn gebruikt (zie punt 13 hierboven). Deze voorwaarde maakt het mogelijk om de reikwijdte van het bestreden besluit te beperken tot uitsluitend die personen die hun persoonlijke communicatiemiddelen voor professionele doeleinden hebben gebruikt. In dat verband zij eraan herinnerd dat het betrokken verzoek om inlichtingen tot doel heeft om inbreuken op de mededingingsregels vast te stellen en dat het hier gaat om een domein waarin relevante communicatie tussen de betrokken personen kan plaatsvinden via andere communicatiemiddelen dan de professionele communicatiemiddelen.

144 Bovendien moet worden benadrukt dat het doel van een op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004 vastgesteld besluit houdende een verzoek om inlichtingen niet is om als zodanig informatie te verzamelen die betrekking heeft op het privéleven van de betrokken personen of hun persoonsgegevens, maar om de inlichtingen te verzamelen die nodig zijn om vermoedens van inbreuken op de uit die verordening voortvloeiende verplichtingen te verifiëren. Dit betekent dat er slechts bijkomstig informatie over het privéleven van de betrokken personen en persoonsgegevens van deze personen worden verzameld, tenzij deze commercieel relevant zijn en dus nuttig zijn om het bestaan van een dergelijke inbreuk vast te stellen (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 oktober 2002, Roquette Frères,C‑94/00, EU:C:2002:603, punt 45).

145 In de tweede plaats gaat de inmenging die het bestreden besluit meebrengt gepaard met procedurele waarborgen rond de bescherming van gevoelige persoonsgegevens. Punt IV, lid 10, onder l), van de bijlage bij het bestreden besluit bepaalt namelijk dat indien bepaalde documenten gevoelige persoonsgegevens bevatten, zoals gedefinieerd in verordening 2016/679, die documenten versleuteld en afzonderlijk zullen worden verstrekt en zullen worden aangeduid als „gevoelige persoonsgegevens”.

146 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 9, lid 1, van verordening 2016/679, gelezen in het licht van overweging 10 daarvan, het begrip „gevoelige persoonsgegevens” verwijst naar persoonsgegevens waarvan de verwerking ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond onthult, alsmede naar genetische gegevens, biometrische gegevens waarvan de verwerking de unieke identificatie van een persoon mogelijk maakt, en naar gegevens over gezondheid en gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele geaardheid.

147 Het bestreden besluit voorziet aldus in specifieke procedurele waarborgen met betrekking tot gevoelige persoonsgegevens, in die zin dat het bepaalt dat documenten die dergelijke gegevens bevatten, versleuteld en afzonderlijk moeten worden verstrekt en moeten worden aangeduid als „gevoelige persoonsgegevens”.

148 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de punten 21 tot en met 26 hierboven, het bestreden besluit is gewijzigd en aangevuld bij het besluit van 24 januari 2024. Met name blijkt uit overweging 14, onder a), van dat laatste besluit dat, wat persoonsgegevens betreft, de documenten die onder de reikwijdte van het bestreden besluit vallen, die geen verband houden met de commerciële activiteiten van verzoekster en die gevoelige persoonsgegevens zouden bevatten in de zin van artikel 9 van verordening 2016/679 en artikel 10 van verordening 2018/1725, in een virtuele dataroom zullen kunnen worden ondergebracht, zoals bedoeld in punt 2 van het dictum van de beschikkingen van 29 oktober 2020, Facebook Ireland/Commissie (T‑451/20 R, niet gepubliceerd, EU:T:2020:515), en 29 oktober 2020, Facebook Ireland/Commissie (T‑452/20 R, niet gepubliceerd, EU:T:2020:516), om de Commissie in staat te stellen na te gaan of die documenten irrelevant zijn voor haar onderzoek.

149 Tijdens de pleitzitting heeft de Commissie uitgelegd dat de procedurele waarborgen in punt IV, lid 10, onder l), van de bijlage bij het bestreden besluit en die in overweging 14, onder a), van het besluit van 24 januari 2024 cumulatief van toepassing waren.

150 De bij het besluit van 24 januari 2024 vastgestelde virtuele-dataroomprocedure biedt een duidelijker kader voor de uitvoering van het bestreden besluit door aanvullende procedurele waarborgen te bieden ter bescherming van gevoelige persoonsgegevens. In dat verband moet worden opgemerkt dat het in artikel 8, lid 1, van het Handvest vastgelegde recht op bescherming van persoonsgegevens nauw verband houdt met het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op eerbiediging van het privéleven, zoals blijkt uit de in punt 186 hieronder aangehaalde rechtspraak en uit de analyse in punt 185 hieronder.

151 In de derde plaats gelden er voor de doorgifte en de verwerking van informatie die in het kader van een onderzoek van de Commissie op het gebied van het mededingingsrecht wordt verstrekt, algemene procedurele waarborgen die er met name op gericht zijn de veiligheid, de integriteit en de vertrouwelijkheid van die gegevens te waarborgen.

152 Alleen de met het onderzoek belaste functionarissen en ambtenaren van de Commissie mogen namelijk, indien nodig, kennisnemen van persoonsgegevens. De ambtenaren van de Commissie zijn onderworpen aan strikte geheimhoudingsverplichtingen krachtens artikel 339 VWEU en artikel 17 van verordening nr. 139/2004. Deze laatste bepaling verbiedt de ambtenaren en functionarissen van de Commissie de verkregen informatie openbaar te maken of te gebruiken voor andere doeleinden dan die waarvoor deze is verkregen. Bovendien zijn de ambtenaren en functionarissen van de Commissie gebonden aan artikel 17 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, dat hen verbiedt om, ook na beëindiging van hun dienstverband, „informatie waarvan [zij] in [hun] ambt kennis [hebben] genomen, aan onbevoegden mede te delen, tenzij die informatie reeds openbaar of voor het publiek toegankelijk is gemaakt”.

153 Daaruit volgt dat het bestreden besluit niet kan worden geacht afbreuk te doen aan de wezenlijke inhoud van artikel 7 van het Handvest.

154 Die conclusie wordt niet in twijfel getrokken door de stelling van verzoekster dat sommige documenten „niet toegankelijk zijn voor de werkgever, op straffe van sancties, waaronder strafrechtelijke sancties”. In dat verband moet worden opgemerkt dat zij niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de arresten van de nationale rechter en de bepalingen van het Franse wetboek van strafrecht waarop zij zich baseert, in casu van toepassing zijn (zie de punten 97‑112 hierboven).

155 Bovendien heeft verzoekster haar betoog dat de gevolgen van een schending van een grondrecht volgens het nationale recht relevant zijn voor de beoordeling of de wezenlijke inhoud van dat recht is geëerbiedigd, niet rechtens genoegzaam onderbouwd. Het argument van verzoekster in dit verband moet derhalve worden verworpen, zelfs in de veronderstelling dat zij zou hebben aangetoond dat de documenten die zijn opgeslagen op persoonlijke communicatieapplicaties en ‑middelen niet toegankelijk zijn op straffe van sancties.

156 Daarenboven is het argument van verzoekster, dat zij tijdens de terechtzitting naar aanleiding van een vraag van het Gerecht naar voren heeft gebracht en dat is gebaseerd op de vermeende onmogelijkheid voor haar om binnen haar onderneming maatregelen, controles of procedurele waarborgen in te voeren, niet ter zake dienend voor de toetsing van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Hoe dan ook heeft verzoekster niet aangetoond dat zij niet aan het bestreden besluit kon voldoen en tegelijkertijd het recht op eerbiediging van het privéleven van haar werknemers en bestuurders op adequate wijze kon beschermen.

157 Derhalve moet het eerste onderdeel van het derde middel worden verworpen.

– Nastreven van door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang

158 Volgens de rechtspraak streeft het mededingingsrecht het voor de werking van de interne markt onontbeerlijke doel na om te waarborgen dat de mededinging binnen deze markt niet wordt vervalst ten nadele van het algemeen belang, individuele ondernemingen en consumenten (zie in die zin en naar analogie arresten van 22 maart 2022, bpost,C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 22 maart 2022, Nordzucker e.a.,C‑151/20, EU:C:2022:203, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑621/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:367, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

159 In dat verband moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit een uiting is van de bij artikel 11 van verordening nr. 139/2004 aan de Commissie verleende bevoegdheden, die tot doel hebben om haar in staat te stellen de haar bij de Verdragen toevertrouwde taak te vervullen, namelijk toe te zien op de naleving van het mededingingsrecht op de interne markt.

160 Ook het EHRM benadrukt dat het algemeen belang bij de daadwerkelijke toepassing van het mededingingsrecht groot is. Met name gelet op de negatieve gevolgen die inbreuken op dat recht kunnen hebben voor de mededinging op de markten en gelet op de moeilijkheid om deze op te sporen en te onderzoeken, is het van belang dat de mededingingsautoriteiten en andere wetshandhavingsinstanties hun inspanningen kunnen coördineren om deze mededingingsbeperkende praktijken aan het licht te brengen en te bestraffen. De toepassing van het mededingingsrecht is onontbeerlijk voor het behoud van het prestatiepotentieel en de eerlijkheid van de economische markten en daarmee voor het economisch welzijn van een land (zie EHRM, 1 april 2025, Ships Waste Oil Collector B.V. e.a. tegen Nederland, CE:ECHR:2025:0401JUD000279916, § 197 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

161 Dat doel vormt een doelstelling van algemeen belang die een – zelfs ernstige – inbreuk op het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie,C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punt 20).

162 Het bestreden besluit draagt derhalve bij tot de verwezenlijking van een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang, hetgeen verzoekster niet betwist.

– Eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (tweede onderdeel van het derde middel)

163 Met het tweede onderdeel van het onderhavige middel voert verzoekster aan dat het bestreden besluit onevenredig is aangezien, ten eerste, het haar verplicht om de persoonlijke communicatiemiddelen van de betrokken personen in beslag te nemen, voor zover zij in de afgelopen drie jaar via dat middel slechts één bericht in verband met hun beroepsactiviteit hebben verzonden, zelfs indien dat bericht of dat telefoongesprek geen enkel verband hield met het voorwerp van het onderzoek, en, ten tweede, de zoektermen die binnen de persoonlijke communicatiemiddelen en -applicaties moeten worden gebruikt, zouden leiden tot de openbaarmaking van een groot aantal documenten van persoonlijke aard.

164 In haar repliek voert verzoekster aan dat de Commissie het recht op eerbiediging van het privéleven verwart met de bescherming van persoonsgegevens. De bescherming van persoonsgegevens vormt volgens haar geen voldoende waarborg dat verzoekster de documenten die zijn opgeslagen op de persoonlijke communicatiemiddelen van de betrokken personen kan verzamelen zonder hun recht op briefgeheim te schenden.

165 In wezen stelt verzoekster dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 52, lid 1, tweede zin, van het Handvest, waarin wordt bepaald dat, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, aan die rechten en vrijheden slechts beperkingen kunnen worden gesteld indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

166 De Commissie betwist het betoog van verzoekster.

167 Volgens de rechtspraak van het Hof vereist het evenredigheidsbeginsel dat de beperkingen die door met name handelingen van het Unierecht kunnen worden gesteld aan in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, de maatregel moet worden gekozen die het minst belastend is en dat de door die maatregel berokkende nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen. Bijgevolg moet de mogelijkheid om een beperking van de door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde rechten te rechtvaardigen, worden beoordeeld door de ernst te bepalen van de inmenging die een dergelijke beperking meebrengt en door na te gaan of het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling van algemeen belang in verhouding staat tot die ernst (zie arrest van 8 december 2022, Orde van Vlaamse Balies e.a.,C‑694/20, EU:C:2022:963, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). – Geschiktheid van de beperking

168 Wat betreft de geschiktheid van de uit het bestreden besluit voortvloeiende beperking op het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden vastgesteld dat, gelet op de punten 158 tot en met 162 hierboven, een besluit houdende een verzoek om inlichtingen, zoals het bestreden besluit, dat is vastgesteld op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004, een geschikte maatregel vormt om de doelstelling van algemeen belang, namelijk de bescherming van een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt, te verwezenlijken, aangezien deze de betrokken ondernemingen verplicht om de inlichtingen te verzamelen en aan de Commissie door te geven die nodig zijn om vast te stellen of er sprake is van mededingingsbeperkende praktijken. – Noodzakelijkheid van de beperking

169 Wat het vereiste betreft dat de beperking op het recht op eerbiediging van het privéleven noodzakelijk is, is niet aan dit vereiste voldaan wanneer de beoogde doelstelling van algemeen belang redelijkerwijs op even doeltreffende wijze kan worden bereikt met andere middelen die minder inbreuk maken op de grondrechten van de betrokken personen. Daarentegen is aan het noodzakelijkheidsvereiste voldaan wanneer het met de betrokken gegevensverwerking nagestreefde doel niet redelijkerwijs even doeltreffend kan worden bereikt op een andere wijze die minder inbreuk maakt op de grondrechten van de betrokkenen, met name het in artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven [zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens),C‑548/21, EU:C:2024:830, punten 87 en 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

170 In die context moet eraan worden herinnerd dat het in een gedigitaliseerde omgeving een vaststaand feit is dat de uitwisseling van informatie binnen een onderneming of tussen ondernemingen grotendeels elektronisch plaatsvindt, met behulp van professionele of zelfs persoonlijke communicatiemiddelen.

171 De onderzoeksbevoegdheden waarover de Commissie op het gebied van het mededingingsrecht beschikt, zouden echter hun nuttig effect kunnen verliezen indien ondernemingen zich zouden kunnen onttrekken aan de verplichting om op een verzoek om inlichtingen te reageren, louter op grond van het feit dat bepaalde documenten de vermelding „persoonlijk” of „privé” bevatten of via persoonlijke communicatiemiddelen zijn uitgewisseld, zonder dat wordt onderzocht of die documenten in werkelijkheid informatie bevatten die verband houdt met de commerciële activiteiten van de betrokken ondernemingen.

172 Om de doeltreffendheid van het mededingingsrecht te waarborgen, moet de Commissie dus de mogelijkheid hebben om alle informatie op te vragen die zij nodig heeft voor de uitvoering van de taken die haar krachtens het mededingingsrecht – in dit geval verordening nr. 139/2004 – zijn toegewezen, en die is opgeslagen op professionele of zelfs persoonlijke communicatiemiddelen, voor zover deze laatste voor professionele doeleinden zijn gebruikt, met inachtneming van het recht op eerbiediging van het privéleven zoals verankerd in artikel 7 van het Handvest.

173 Bijgevolg moeten de verplichting die verzoekster bij het bestreden besluit is opgelegd om de daarin genoemde documenten te verzamelen en aan de Commissie door te geven, en, bijkomend, de daaruit voortvloeiende verzameling van gegevens die betrekking hebben op het privéleven, worden beschouwd als noodzakelijk voor het nastreven van de doelstelling van algemeen belang, namelijk de bescherming van de mededinging op de interne markt, aangezien die doelstelling redelijkerwijs niet even doeltreffend kan worden bereikt op een andere wijze die minder inbreuk maakt op grondrechten, in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest. – Strikte evenredigheid van de beperking

174 De beoordeling of de beperking op de uitoefening van het in artikel 7 van het Handvest gewaarborgde grondrecht strikt evenredig is, impliceert een afweging van alle relevante factoren van het geval. Deze elementen omvatten met name de ernst van de beperking op de uitoefening van de betrokken grondrechten, die afhangt van de aard en de gevoeligheid van de gegevens waartoe de bevoegde autoriteiten zich toegang kunnen verschaffen, het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling van algemeen belang, de relatie tussen de eigenaar van de betrokken documenten en het betrokken strafbare feit of de relevantie van de betrokken gegevens voor de vaststelling van de feiten [zie arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens),C‑548/21, EU:C:2024:830, punten 89 en 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

175 Wat in de eerste plaats de ernst van de inmenging betreft, houdt de in het bestreden besluit opgelegde verplichting tot het verzamelen en doorgeven van documenten aan de Commissie, zoals blijkt uit punt 130 hierboven, het risico in van een ernstige inmenging in de uitoefening van het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht.

176 Evenwel moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit geen volledige en ongecontroleerde toegang verleent tot alle gegevens die zijn opgeslagen op de persoonlijke communicatiemiddelen van de betrokken personen, en evenmin tot doel heeft om een stelsel van voortdurend, niet-gericht en systematisch toezicht in te voeren, waarbij de persoonsgegevens van alle werknemers en bestuurders van verzoekster automatisch zouden worden geanalyseerd, noch overigens die van de personen op wie het genoemde besluit betrekking heeft [zie in die zin arresten van 21 juni 2022, Ligue des droits humains,C‑817/19, EU:C:2022:491, punten 98‑111, en 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens), C‑548/21, EU:C:2024:830, punten 91‑95 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

177 Ten eerste moet namelijk worden opgemerkt dat in het kader van de documenten die op grond van het bestreden besluit zijn verzameld, gegevens met betrekking tot het privéleven veeleer versnipperd aan het licht kunnen komen bij het zoeken naar commerciële informatie over de onderneming. In dat verband bieden die gegevens op zichzelf, zonder verdere verwerking, geen volledig beeld van het privéleven van de betrokken persoon, wat geenszins het doel van het onderzoek is.

178 Ten tweede geldt, zoals in punt 143 hierboven is uiteengezet, dat de uit het bestreden besluit voortvloeiende verplichting zich uitstrekt tot uitwisselingen die hebben plaatsgevonden via zowel professionele communicatiemiddelen als persoonlijke communicatiemiddelen van de betrokken personen – zoals hun persoonlijke mobiele telefoons – wanneer deze ten minste één keer voor professionele doeleinden zijn gebruikt. Bijgevolg blijkt de reikwijdte van het verzoek om inlichtingen beperkt te zijn wat betreft de verplichting tot het doorgeven van de documenten bedoeld in punt III, lid 7, van de bijlage bij het bestreden besluit die afkomstig zijn van persoonlijke communicatiemiddelen, teneinde de inbreuk op het in artikel 7 van het Handvest neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven te beperken.

179 Ten derde moet worden opgemerkt dat de betrokken personen zijn geselecteerd vanwege het belang van hun functies en de bestuursmandaten die zij binnen de onderneming uitoefenen, of vanwege hun status, aangezien het verzoek tot doel heeft om vast te stellen of Vivendi een beslissende invloed op verzoekster heeft uitgeoefend. Daarom beperkt het bestreden besluit zich niet alleen tot het verzoek om de betrokken documenten te verzamelen bij personen die tot het hogere management van verzoekster behoren, maar legt het ook een strikte regeling op voor het doorgeven van informatie van personen die in het bezit zijn van perskaarten, zoals blijkt uit punt 26 hierboven.

180 In de tweede plaats blijkt uit de in de punten 158 tot en met 162 hierboven genoemde omstandigheden dat het belang van de doelstelling om een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt te beschermen, een – zelfs ernstige – inbreuk op het recht op eerbiediging van het in artikel 7 van het Handvest verankerde grondrecht kan rechtvaardigen.

181 Wat in de derde plaats de relatie betreft tussen de eigenaar van de betreffende communicatiemiddelen en de betrokken inbreuk, moet worden opgemerkt dat het verzamelen van en de toegang tot gegevens met betrekking tot het privéleven die mogelijk zijn opgeslagen op professionele communicatiemiddelen en persoonlijke communicatiemiddelen die ten minste één keer voor professionele doeleinden zijn gebruikt, in beginsel een bijkomstigheid vormen in het kader van het opsporen van informatie van commerciële aard met de bedoeling om de onderzochte onderneming in beschuldiging te kunnen stellen. Hieruit volgt dat met het verzamelen van en de toegang tot persoonsgegevens waarop een mededingingsonderzoek betrekking heeft, in beginsel gericht is op het vaststellen van niet de mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon die de houder is van die gegevens, maar uitsluitend die van de rechtspersoon waarmee deze natuurlijke persoon een arbeidsrelatie heeft.

182 In de vierde plaats moet eraan worden herinnerd dat een achteraf verrichte rechterlijke toetsing een essentiële waarborg vormt teneinde de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met artikel 7 van het Handvest te verzekeren (zie in die zin arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie,C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In die zin bepaalt artikel 11, lid 3, van verordening nr. 139/2004, op grond waarvan het bestreden besluit is vastgesteld, dat in besluiten houdende een verzoek om inlichtingen moet worden vermeld dat tegen dergelijke besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Unierechter.

183 Wat de strikte evenredigheid betreft van de beperkingen die het bestreden besluit stelt aan het in artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven, lijken de nadelen die de uitvoering van het bestreden besluit meebrengt niet onevenredig ten opzichte van het daarmee nagestreefde doel van algemeen belang, namelijk de bescherming van de mededinging op de interne markt (zie de punten 158‑162 hierboven).

184 Deze conclusie wordt niet in twijfel getrokken door de overige argumenten van verzoekster.

185 Wat in de eerste plaats het door verzoekster aangevoerde onderscheid betreft tussen enerzijds het begrip „persoonsgegevens” en anderzijds het recht op briefgeheim en op geheimhouding van informatie die onder het „privéleven” valt, is het juist dat het bestreden besluit procedurele waarborgen vaststelt met betrekking tot gevoelige persoonsgegevens zoals gedefinieerd in artikel 9, lid 1, van verordening 2016/679.

186 Het is echter belangrijk om te benadrukken dat het in artikel 8, lid 1, van het Handvest vastgelegde recht op bescherming van persoonsgegevens nauw verband houdt met het in artikel 7 van het Handvest neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven (arresten van 9 november 2010, Volker en Markus Schecke en Eifert, C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662, punt 47, en 24 november 2011, Asociación Nacional de Establecimientos Financieros de Crédito,C‑468/10 en C‑469/10, EU:C:2011:777, punt 41).

187 In dat verband betreft volgens de rechtspraak van het Hof de eerbiediging van het in de artikelen 7 en 8 van het Handvest erkende recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens om het even welke informatie aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (arrest van 9 november 2010, Volker en Markus Schecke en Eifert, C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662, punt 52). Aldus wordt een dergelijke verwerking in beginsel geacht te voldoen aan de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest neergelegde vereisten, voor zover de voorwaarden voor de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens op grond van verordening 2016/679 zijn vervuld [arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 332].

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken