Gerecht EU 20 december 2023, T-389/21, ECLI:EU:T:2023:827
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)
20 december 2023 ( *1 )
„Economische en monetaire unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) – Besluit van de GAR over de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor 2021 – Motiveringsplicht – Effectieve rechterlijke bescherming – Gelijke behandeling – Evenredigheidsbeginsel – Beoordelingsmarge van de GAR – Exceptie van onwettigheid – Beoordelingsmarge van de Commissie – Beperking in de tijd van de werking van het arrest”
In zaak T‑389/21,
Landesbank Baden-Württemberg, gevestigd te Stuttgart (Duitsland), vertegenwoordigd door H. Berger, M. Weber en D. Schoo, advocaten,
verzoekster,
tegen
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door J. Kerlin, T. Wittenberg en D. Ceran als gemachtigden, bijgestaan door H.‑G. Kamann, F. Louis, P. Gey en L. Hesse, advocaten,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou, A. Nijenhuis en A. Steiblytė als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, G. De Baere, D. Petrlík (rapporteur), K. Kecsmár en S. Kingston, rechters,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 7 maart 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Landesbank Baden-Württemberg, nietigverklaring van besluit SRB/ES/2021\/2022 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 14 april 2021 over de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen bijdragen voor het jaar 2021 (hierna: „bestreden besluit”), voor zover het betrekking heeft op verzoekster.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een in Duitsland gevestigde kredietinstelling. Zij neemt deel aan het institutioneel protectiestelsel (hierna: „IPS”) van de Sparkassen-Finanzgruppe (financiële groep van de spaarbanken, Duitsland).
3 Bij het bestreden besluit heeft de GAR, overeenkomstig artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) te betalen bijdragen (hierna: „vooraf te betalen bijdragen”) voor het jaar 2021 (hierna: „bijdrageperiode 2021”) vastgesteld voor de onder artikel 2 juncto artikel 67, lid 4, van die verordening vallende instellingen (hierna: „instellingen”), waaronder verzoekster.
4 Bij bijdragekennisgeving van 21 april 2021 heeft de Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht (BaFin) (federale autoriteit voor financieel toezicht, Duitsland), in haar hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit (hierna: „NAA”) in de zin van artikel 3, lid 1, punt 3, van verordening nr. 806/2014, verzoekster gelast om haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2021, zoals vastgesteld door de GAR, te betalen.
II. Bestreden besluit
5 Het bestreden besluit omvat een kerntekst en drie bijlagen.
6 De kerntekst van het bestreden besluit omschrijft het proces voor de vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2021, welk proces voor alle instellingen gelijk is.
7 Meer in het bijzonder heeft de GAR in afdeling 5 van dat besluit het jaarlijkse streefbedrag vastgesteld, als bedoeld in artikel 4 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening nr. 806/2014 wat vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds betreft (PB 2015, L 15, blz. 1), voor bijdrageperiode 2021 (hierna: „jaarlijks streefbedrag”).
8 De GAR heeft toegelicht dat hij dit jaarlijkse streefbedrag had vastgesteld op een achtste van 1,35 % van het driemaandelijks berekende bedrag aan gedekte deposito’s van alle instellingen in 2020 (hierna: „gemiddeld bedrag aan gedekte deposito’s in 2020”), zoals verkregen uit de gegevens die de depositogarantiestelsels hadden verstrekt overeenkomstig artikel 16 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad […] wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).
9 In afdeling 6 van het bestreden besluit heeft de GAR de methode voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2021 beschreven. In dit verband wordt in overweging 59 van dat besluit gepreciseerd dat, voor die periode, 13,33 % van de vooraf te betalen bijdragen was berekend op basis van de „nationale grondslag”, dat wil zeggen op basis van de gegevens die zijn verstrekt door de instellingen waaraan op het grondgebied van de betrokken deelnemende lidstaat vergunning is verleend (hierna: „nationale grondslag”), overeenkomstig artikel 103 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190) en overeenkomstig artikel 4 van gedelegeerde verordening 2015/63. Het restant van de vooraf te betalen bijdragen (86,67 %) is berekend op basis van de „grondslag van de bankenunie”, dat wil zeggen op basis van gegevens die zijn verstrekt door alle instellingen waaraan op het grondgebied van alle lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) vergunning is verleend (hierna: „uniegrondslag” en „deelnemende lidstaten”), overeenkomstig de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014 en artikel 4 van uitvoeringsverordening 2015/81.
10 De GAR heeft in afdeling 6 van het bestreden besluit ook toegelicht dat er in wezen sprake was van twee categorieën instellingen die onderworpen waren aan de vooraf te betalen bijdragen. De eerste categorie omvat de instellingen die vanwege hun specifieke kenmerken, zoals hun omvang of de aard van hun activiteiten, een forfaitaire bijdrage moeten betalen. De berekening van de vooraf te betalen bijdrage van deze instellingen wordt geregeld in de artikelen 10 en 11 van gedelegeerde verordening 2015/63.
11 Instellingen van de tweede categorie moeten een aan hun risicoprofiel aangepaste vooraf te betalen bijdrage betalen, die de GAR heeft vastgesteld door de volgende hoofdfasen te doorlopen.
12 In de eerste fase heeft de GAR overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 de jaarlijkse basisbijdrage van elke instelling berekend, die gelijk is aan het verhoudingsgetal tussen, enerzijds, het bedrag van de passiva van de betrokken instelling exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s (hierna: „nettopassiva”), en, anderzijds, de nettopassiva van alle instellingen waaraan op het grondgebied van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft de GAR bepaalde soorten passiva afgetrokken van de voor de vaststelling van die bijdrage in aanmerking te nemen nettopassiva van de instelling.
13 In de tweede fase van de berekening van de vooraf te betalen bijdrage heeft de GAR de jaarlijkse basisbijdrage overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 806/2014 aangepast aan het risicoprofiel van de betrokken instelling. Hij heeft dit risicoprofiel beoordeeld aan de hand van de vier in artikel 6 van gedelegeerde verordening 2015/63 genoemde risicopijlers, die zijn samengesteld uit risico-indicatoren. Teneinde de instellingen naar risiconiveau in te delen heeft de GAR allereerst, overeenkomstig bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, punt 3, van die gedelegeerde verordening, voor elke voor bijdrageperiode 2021 toegepaste risico-indicator „cellen” vastgesteld waaraan de instellingen zijn toegewezen. Aan instellingen die tot dezelfde cel behoren, is voor de betrokken risico-indicator een gemeenschappelijke waarde toegekend, de zogeheten „gediscretiseerde waarde”. De GAR heeft de „risicoaanpassingsmultiplicator” (hierna: „aanpassingsmultiplicator”) van de betrokken instelling berekend door de gediscretiseerde waarde van elke risico-indicator te combineren. De GAR heeft de „aan het risicoprofiel aangepaste jaarlijkse basisbijdrage” van deze instelling verkregen door de jaarlijkse basisbijdrage van die instelling te vermenigvuldigen met haar aanpassingsmultiplicator.
14 Vervolgens heeft de GAR alle aan de risicoprofielen aangepaste jaarlijkse basisbijdragen bij elkaar opgeteld om een „gemeenschappelijke noemer” te verkrijgen die werd gebruikt voor de berekening van het deel van het jaarlijkse streefniveau dat elke instelling moest betalen.
15 Ten slotte heeft de GAR voor elke instelling de vooraf te betalen bijdrage berekend door het jaarlijkse streefniveau over alle instellingen te verdelen op basis van de verhouding tussen, enerzijds, de aan het risicoprofiel aangepaste jaarlijkse basisbijdrage en, anderzijds, de gemeenschappelijke noemer.
16 Bijlage I bij het bestreden besluit bevat voor elke aan vooraf te betalen bijdragen onderworpen instelling, waaronder verzoekster, een individueel overzicht, dat de resultaten van de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van elk van deze instellingen bevat (hierna: „individueel overzicht”). Elk van deze overzichten vermeldt het bedrag van de jaarlijkse basisbijdrage van de betrokken instelling alsmede de waarde van haar aanpassingsmultiplicator, zowel op basis van de uniegrondslag als op basis van de nationale grondslag, en geeft voor elke risico-indicator het nummer aan van de cel waarin die instelling is ingedeeld. Daarnaast bevat het individuele overzicht de gegevens die zijn gebruikt voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen van alle betrokken instellingen en die de GAR heeft vastgesteld door de individuele gegevens van elk van deze instellingen bij elkaar op te tellen of te combineren. Ten slotte bevat dit overzicht de gegevens die de betrokken instelling in het aangifteformulier heeft opgegeven en die zijn gebruikt voor de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage.
17 Bijlage II bij het bestreden besluit bevat – in samengevatte en geaggregeerde vorm – statistische gegevens met betrekking tot de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor elke deelnemende lidstaat. In deze bijlage wordt met name voor elk van deze lidstaten het totale bedrag aan door de betrokken instellingen vooraf te betalen bijdragen gepreciseerd. Verder vermeldt die bijlage voor elke risico-indicator het aantal cellen, het aantal instellingen dat tot elke cel behoort en de minimum‑ en maximumwaarden van deze cellen. In het geval van cellen met betrekking tot de nationale grondslag zijn deze waarden om redenen van vertrouwelijkheid met een willekeurig bedrag verminderd of vermeerderd, met behoud van de oorspronkelijke verdeling van de instellingen.
18 In bijlage III bij het bestreden besluit, met als opschrift „Beoordeling van de opmerkingen die zijn ingediend in het kader van de raadpleging over de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen bijdragen voor 2021”, worden de opmerkingen besproken die de instellingen hebben ingediend tijdens de raadplegingsprocedure die de GAR tussen 5 en 19 maart 2021 heeft gehouden met het oog op de vaststelling van het bestreden besluit.
III. Conclusies van partijen
19 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit, met inbegrip van de bijlagen daarbij, nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op verzoekster; – subsidiair, vast te stellen dat het bestreden besluit met betrekking tot verzoekster juridisch onbestaand is; – de GAR te verwijzen in de kosten.
20 De GAR verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten; – subsidiair, ingeval het bestreden besluit nietig wordt verklaard, de gevolgen van het bestreden besluit te handhaven totdat het wordt vervangen of op zijn minst voor een periode van zes maanden vanaf de datum waarop het arrest onherroepelijk wordt.
21 De Europese Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
IV. In rechte
22 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan: – eerste middel: schending van artikel 81, lid 1, van verordening nr. 806/2014, gelezen in samenhang met artikel 3 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385); – tweede middel: schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 1 en lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) doordat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd; – derde middel: schending van het recht op effectieve rechterlijke bescherming zoals gewaarborgd door artikel 47, lid 1, van het Handvest; – vierde middel: exceptie van onwettigheid van de artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede van bijlage I daarbij, gebaseerd op schending van het recht op effectieve rechterlijke bescherming zoals gewaarborgd door artikel 47, lid 1, van het Handvest en van het rechtszekerheidsbeginsel; – vijfde middel: exceptie van onwettigheid van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63, gebaseerd op schending van artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59, artikel 113, lid 7, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1), het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage”, het rechtsstatelijke vereiste van nauwkeurigheid van normen alsmede de verplichting om de feiten volledig in aanmerking te nemen, omdat op grond van deze bepaling bij het wegen van de risico-indicator „IPS-lidmaatschap” (hierna: „IPS-risico-indicator”) geen rekening kan worden houden met de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”; – zesde middel: schending van artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013, artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59, de artikelen 16 en 20 van het Handvest, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur; – zevende middel: exceptie van onwettigheid van de artikelen 6, 7 en 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede van bijlage I daarbij, gebaseerd op schending van het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage”, de artikelen 16 en 20 van het Handvest, het evenredigheidsbeginsel en de verplichting om de feiten volledig in aanmerking te nemen; – achtste middel: schending van de artikelen 16 en 52 van het Handvest wegens de ongepaste aanpassing van verzoeksters vooraf te betalen bijdragen aan haar risicoprofiel; – negende middel: schending van de artikelen 16, 20, 41 en 52 van het Handvest, op grond dat het bestreden besluit talrijke kennelijke beoordelingsfouten bevat; – tiende middel: exceptie van onwettigheid van artikel 20, lid 1, eerste en tweede volzin, van gedelegeerde verordening 2015/63, gebaseerd op schending van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 en het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage”.
23 Voorts heeft verzoekster in haar repliek een elfde middel aangevoerd, ontleend aan, ten eerste, schending van artikel 70, lid 2, van verordening nr. 806/2014 en van de artikelen 16 en 17 van het Handvest en, ten tweede, een exceptie van onwettigheid van de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014, gebaseerd op schending van het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage”, het evenredigheidsbeginsel, de artikelen 16 en 17 van het Handvest, de vereisten van de rechtsstaat en de beginselen die voortvloeien uit het arrest van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (10/56, EU:C:1958:8).
24 Eerst dienen de middelen te worden onderzocht waarmee verzoekster de onwettigheid van de artikelen 4 tot en met 9 en 20 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede van bijlage I daarbij aanvoert, en vervolgens de middelen die rechtstreeks betrekking hebben op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
A. Excepties van onwettigheid van de artikelen 4 tot en met 9 en 20 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede van bijlage I daarbij
1. Vierde middel: exceptie van onwettigheid van de artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede van bijlage I daarbij wegens schending van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming en van het rechtszekerheidsbeginsel
25 Het vierde middel bestaat uit twee onderdelen.
26 Vooraf moet worden opgemerkt dat artikel 4 van gedelegeerde verordening 2015/63 bepaalt dat de GAR de vooraf door elke instelling te betalen bijdrage berekent in verhouding tot haar risicoprofiel op basis van de informatie die de instelling heeft verstrekt en volgens de in de artikelen 4 tot en met 13 van deze gedelegeerde verordening omschreven methode.
27 Artikel 5 van gedelegeerde verordening 2015/63, met als opschrift „Risicoaanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage”, vermeldt met name de passiva die bij de berekening van deze bijdragen buiten beschouwing worden gelaten. Artikel 6 van deze gedelegeerde verordening bevat een opsomming van de risicopijlers en ‑indicatoren waarmee de GAR rekening moet houden bij de beoordeling van het risicoprofiel van instellingen, terwijl artikel 7 van die gedelegeerde verordening het relatieve gewicht van elke risicopijler en ‑indicator preciseert dat de GAR moet toepassen bij de beoordeling van het risicoprofiel van elke instelling.
28 Artikel 8 van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft betrekking op de toepassing van de risico‑indicatoren in specifieke gevallen.
29 Vervolgens bepaalt artikel 9 van gedelegeerde verordening 2015/63, met als opschrift „Toepassing van de risicoaanpassing op de jaarlijkse basisbijdrage”, dat de GAR de aanpassingsmultiplicator bepaalt op basis van de in artikel 6 van deze gedelegeerde verordening vermelde risico-indicatoren volgens de in bijlage I daarbij beschreven formule en procedures en dat hij de jaarlijkse bijdrage van elke instelling voor elke bijdrageperiode bepaalt door de jaarlijkse basisbijdrage met deze aanpassingsmultiplicator te vermenigvuldigen volgens de in die bijlage I vermelde formule en procedures.
30 Ten slotte bevat bijlage I bij gedelegeerde verordening 2015/63 de procedure voor de berekening van de jaarlijkse bijdragen van de instellingen in verschillende stappen.
a) Eerste onderdeel: vermeende schending van het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming
31 Verzoekster betoogt dat de artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij in strijd zijn met het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming zoals verankerd in artikel 47, lid 1, van het Handvest. Allereerst creëren deze bepalingen een ondoorzichtig systeem voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen, aangezien zij voor die berekening voorzien in het gebruik van informatie die onder het bedrijfsgeheim valt, waardoor de GAR de besluiten tot vaststelling van die bijdragen niet toereikend kan motiveren. Immers kunnen, ondanks het feit dat het bedrag van de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling afhangt van gegevens betreffende andere instellingen, deze gegevens vanwege hun vertrouwelijke aard niet met de betrokken instelling worden gedeeld.
32 Daarnaast creëren die bepalingen een systeem voor de vaststelling van vooraf te betalen bijdragen waarbinnen de GAR beschikt over talrijke beoordelingsmarges, hetgeen de betrokken regeling des te ondoorzichtiger maakt.
33 Ten slotte is het Gerecht niet in staat om de rechtmatigheid van het bestreden besluit te toetsen, aangezien het niet beschikt over de software die de GAR voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen heeft gebruikt, hetgeen noodzakelijk is om de berekening van die bijdragen te kunnen controleren.
34 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
35 De artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 bevatten, zoals volgt uit de punten 26 tot en met 30 hierboven, de regels die de GAR moet toepassen bij de vaststelling van de jaarlijkse basisbijdrage en bij de aanpassing daarvan aan het risicoprofiel van de betrokken instellingen. Deze regels zijn vervolgens nader geconcretiseerd in bijlage I bij die gedelegeerde verordening.
36 Volgens die bepalingen is de aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage van elke instelling aan haar risicoprofiel gebaseerd op een vergelijking van de individuele gegevens van alle betrokken instellingen. De GAR meent echter dat al deze gegevens onder het bedrijfsgeheim vallen, zodat zij niet kunnen worden meegedeeld aan de instellingen waarvan de vooraf te betalen bijdrage is berekend in het besluit tot vaststelling van het bedrag daarvan.
37 De doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het jegens hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door het besluit zelf te lezen, hetzij door een op zijn verzoek gedane mededeling van die gronden, onverminderd het recht van de bevoegde rechter om te eisen dat de betrokken autoriteit die redenen meedeelt, teneinde de betrokkene de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden, en teneinde deze laatste ten volle in staat te stellen om de rechtmatigheid van het betrokken besluit te toetsen (zie arresten van 26 april 2018, Donnellan,C‑34/17, EU:C:2018:282, punt 55, en 24 november 2020, minister van Buitenlandse Zaken,C‑225/19 en C‑226/19, EU:C:2020:951, punt 43).
38 Bovendien moeten procespartijen, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, dat deel uitmaakt van de rechten van de verdediging als bedoeld in artikel 47 van het Handvest, het recht hebben om kennis te nemen van alle stukken of opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd teneinde invloed uit te oefenen op diens beslissing en daarover standpunten uit te wisselen. Het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte staat immers niet toe dat een rechterlijke beslissing wordt gebaseerd op feiten en documenten waarvan de partijen, of een van hen, zelf geen kennis hebben kunnen nemen en waarover zij dus geen standpunt hebben kunnen innemen (zie arresten van 4 juni 2013, ZZ,C‑300/11, EU:C:2013:363, punten 55 en 56, en 23 oktober 2014, Unitrading,C‑437/13, EU:C:2014:2318, punt 21).
39 Een autoriteit van de Unie kan zich evenwel – in uitzonderlijke gevallen – met een beroep op redenen omtrent de bescherming van vertrouwelijke gegevens verzetten tegen de mededeling aan de betrokkene van de exacte en volledige redenen die ten grondslag liggen aan een jegens hem genomen besluit. In een dergelijk geval moeten er evenwel zodanige technieken en rechtsregels worden toegepast dat de gerechtvaardigde overwegingen omtrent de bescherming van de vertrouwelijke gegevens die bij de vaststelling van een dergelijk besluit in aanmerking zijn genomen, kunnen worden verzoend met de noodzaak om aan de justitiabele genoegzaam te garanderen dat zijn procedurele rechten, zoals het recht om te worden gehoord en het beginsel van hoor en wederhoor, worden geëerbiedigd (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punten 115‑120, zie in die zin en naar analogie ook arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 125).
40 Gelet op de specifieke aard van vooraf te betalen bijdragen, moet ook bij de berekening van deze bijdragen sprake zijn van een dergelijke verzoening. Blijkens de overwegingen 105 tot en met 107 van richtlijn 2014/59 en overweging 41 van verordening nr. 806/2014 wordt met deze bijdragen namelijk op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica gewaarborgd dat de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om zijn taken te kunnen vervullen, terwijl de betrokken instellingen tegelijkertijd worden aangemoedigd om minder risicovolle werkwijzen toe te passen. Daarom wordt bij de berekening van deze bijdragen niet op basis van een belastinggrondslag een tarief toegepast, maar is die berekening overeenkomstig de artikelen 102 en 103 van richtlijn 2014/59 en de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014 gebaseerd op een vastgesteld definitief streefbedrag dat dankzij alle geheven bijdragen vóór 31 december 2023 moet worden bereikt (hierna: „definitief streefbedrag”), en daarnaast op een jaarlijks streefbedrag dat moet worden verdeeld over de instellingen waaraan in de deelnemende lidstaten vergunning is verleend (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 113).
41 Aangezien het definitieve streefbedrag is vastgesteld op minstens 1 % van het bedrag van de gedekte deposito’s van al deze instellingen en de jaarlijkse basisbijdrage van elke instelling wordt berekend volgens de verhouding tussen het bedrag van haar nettopassiva en de gecumuleerde nettopassiva van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van de deelnemende lidstaten vergunning is verleend, is het duidelijk dat reeds het beginsel van de wijze van berekening van de vooraf aan het GAF te betalen bijdragen, zoals dat voortvloeit uit richtlijn 2014/59 en verordening nr. 806/2014, met zich meebrengt dat de GAR onder het bedrijfsgeheim vallende gegevens gebruikt (zie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 114).
42 De instellingen, organen en instanties van de Unie zijn in beginsel gehouden om ter toepassing van het beginsel van de bescherming van het bedrijfsgeheim – dat een algemeen beginsel van Unierecht vormt en met name is uitgewerkt in artikel 339 VWEU – aan concurrenten van een particuliere marktdeelnemer geen door deze marktdeelnemer verstrekte vertrouwelijke informatie prijs te geven (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punten 109 en 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Tegen deze achtergrond stond het aan de Commissie en de Raad van de Europese Unie om bij de invoering van het systeem voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen bij gedelegeerde verordening 2015/63 en uitvoeringsverordening 2015/81 de eerbiediging van het bedrijfsgeheim te verzoenen met het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming, zodat onder het bedrijfsgeheim vallende gegevens niet aan belanghebbenden kunnen worden meegedeeld en die gegevens met name niet kunnen worden opgenomen in de motivering van besluiten tot vaststelling van het bedrag van vooraf te betalen bijdragen.
44 Dit kenmerk van het systeem voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen belet echter niet de uitoefening van een doeltreffende rechterlijke toetsing door de Unierechter.
45 Ten eerste verzet immers niets in de bepalingen waarvan verzoekster de onwettigheid aanvoert zich ertegen dat de GAR, overeenkomstig artikel 88, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 806/2014, bij de vaststelling van zijn besluit tot vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen, vertrouwelijke informatie die hij in het kader van zijn activiteit heeft verkregen openbaar maakt in een zodanig samengevatte of geaggregeerde vorm dat de betrokken instellingen niet kunnen worden geïdentificeerd (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 136).
46 Ten tweede moet, wanneer de motivering van een dergelijk besluit moet worden beperkt om te waarborgen dat vertrouwelijke gegevens worden beschermd, degene van wie dit besluit afkomstig is, in geval van beroepen bij de rechterlijke instanties van de Unie waar deze gegevens in het geding zijn, zich in het kader van het contentieuze onderzoek voor deze instanties rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, Chronopost/UFEX e.a.,C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punt 110, en 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 145).
47 In voorkomend geval kunnen de rechterlijke instanties van de Unie, teneinde een doeltreffende rechterlijke toetsing overeenkomstig de vereisten van artikel 47 van het Handvest uit te oefenen, de GAR verzoeken om gegevens over te leggen waarmee de berekeningen kunnen worden gerechtvaardigd waarvan voor die instanties wordt betwist dat ze correct zijn, waarbij zij zo nodig ervoor kunnen zorgen dat deze gegevens vertrouwelijk blijven (arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 146).
48 Bovendien moet de Unierechter door een onderzoek van alle door de GAR verstrekte feitelijke en juridische gegevens nagaan of de door de GAR aangevoerde redenen om zich te verzetten tegen mededeling van de gegevens die zijn gebruikt voor de berekening van de vooraf te betalen bijdrage, gegrond zijn (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 126).
49 Blijkt daarentegen dat de door de GAR aangevoerde redenen zich daadwerkelijk verzetten tegen de mededeling van de aan de Unierechter overgelegde informatie en bewijzen, dan moet op passende wijze een evenwicht worden gezocht tussen de vereisten die samenhangen met het recht op effectieve rechterlijke bescherming, in het bijzonder de eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor, en de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van het bedrijfsgeheim (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 128).
50 Uit het voorgaande volgt dat de berekening van vooraf te betalen bijdragen op basis van gegevens die onder het bedrijfsgeheim vallen overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij, zonder dat deze gegevens aan betrokkenen ter beschikking worden gesteld, op zich niet betekent dat deze bepalingen onverenigbaar zijn met het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming.
51 Wat het argument van verzoekster inzake de beoordelingsbevoegdheid van de GAR betreft, volgt uit de rechtspraak dat instellingen of organen van de Unie weliswaar – op gebieden die complexe economische beoordelingen vereisen – een beoordelingsmarge hebben wat economische vraagstukken betreft, maar dit niet wegneemt dat de Unierechter de interpretatie door de betrokken instelling of het betrokken orgaan van economische gegevens mag toetsen. De Unierechter moet met name niet enkel de materiële juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van de aangevoerde bewijselementen controleren, maar moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie arrest van 10 december 2020, Comune di Milano/Commissie,C‑160/19 P, EU:C:2020:1012, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Tegen deze achtergrond kan het enkele bestaan van een beoordelingsbevoegdheid van de GAR niet betekenen dat het Gerecht wordt belet een doeltreffende rechterlijke toetsing van het bestreden besluit uit te oefenen.
53 Ten slotte moet het argument van verzoekster worden afgewezen dat gedelegeerde verordening 2015/63 in strijd is met het beginsel van doeltreffende rechterlijke bescherming omdat de Unierechter niet kan verifiëren of het bedrag van de vooraf te betalen bijdrage van een bepaalde instelling correct is berekend.
54 In dit verband stelt verzoekster enkel, zonder enige precisering, dat een dergelijke verificatie veronderstelt dat het Gerecht beschikt over de door de GAR gebruikte software en deze het Gerecht niet ter beschikking is gesteld. Deze omstandigheid kan echter niet afdoen aan de rechtmatigheid van de artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij. Bovendien staan deze bepalingen er niet aan in de weg dat het Gerecht ervoor kiest om, van de maatregelen die het met name op grond van zijn Reglement voor de procesvoering kan nemen, die maatregelen te nemen die het passend acht om het bedrag van de vooraf te betalen bijdrage te kunnen verifiëren.
55 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het vierde middel worden verworpen.
b) Tweede onderdeel: vermeende schending van het rechtszekerheidsbeginsel
56 Het tweede onderdeel van het vierde middel bestaat in essentie uit drie grieven.
1) Eerste grief: de artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij stellen instellingen niet in staat om hun vooraf te betalen bijdragen op voorhand te berekenen
57 Verzoekster betoogt dat de artikelen 4 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel omdat zij, door de GAR talrijke beoordelingsmarges toe te kennen, het verzoekster niet mogelijk maken om de vooraf te betalen bijdrage die zij gedurende een bijdrageperiode verschuldigd is, op voorhand te berekenen. De GAR heeft overigens van deze beoordelingsmarges gebruikgemaakt door interne besluiten vast te stellen waarin de methode voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen is gepreciseerd (hierna: „tussentijdse besluiten”), maar die niet zijn gepubliceerd en niet toegankelijk zijn gemaakt voor verzoekster. Dit toont aan dat de structuur van de bestreden bepalingen van voornoemde gedelegeerde verordening niet de „juiste regelgevingsdichtheid” vertoont om willekeurig gedrag van de betrokken autoriteiten van de Unie te kunnen uitsluiten.
58 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
59 Vooraf moet de precieze draagwijdte van de onderhavige exceptie van onwettigheid worden afgebakend.
60 Dienaangaande moet ten eerste worden vastgesteld dat, ondanks de titel van de onderhavige exceptie van onwettigheid zoals geformuleerd door verzoekster, haar betoog is toegespitst op de verenigbaarheid van de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 met het rechtszekerheidsbeginsel. Verzoekster voert daarentegen geen autonoom en gericht argument aan met betrekking tot de wettigheid van de artikelen 4, 5, 8 en 9 van deze gedelegeerde verordening of van bijlage I daarbij, dat verder gaat dan haar betoog met betrekking tot de artikelen 6 en 7 van die gedelegeerde verordening. Hieruit moet worden afgeleid dat de onderhavige exceptie van onwettigheid in werkelijkheid betrekking heeft op de artikelen 6 en 7 van voornoemde gedelegeerde verordening.
61 Ten tweede moet worden opgemerkt dat de GAR volgens deze bepalingen de jaarlijkse basisbijdrage van instellingen moet aanpassen aan de hand van vier risicopijlers, waarbij elke pijler is samengesteld uit risico-indicatoren die op hun beurt kunnen zijn samengesteld uit subindicatoren.
62 Wat de eerste drie in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), van gedelegeerde verordening 2015/63 genoemde risicopijlers betreft, heeft verzoekster het Gerecht geen enkel concreet element overgelegd om de wettigheid ervan te betwisten op grond dat zij in strijd zouden zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Wat voorts de in artikel 6, lid 1, onder d), van deze gedelegeerde verordening genoemde risicopijler betreft, met de benaming „door de afwikkelingsautoriteit te bepalen aanvullende risico-indicatoren” (hierna: „risicopijler IV”), heeft verzoekster niet aangevoerd dat de risico-indicator „omvang van eerdere buitengewone openbare financiële steun”, die een van de risico-indicatoren van risicopijler IV is, onduidelijk is en dus in strijd is met dat beginsel.
63 Hieruit moet worden afgeleid dat de onderhavige exceptie van onwettigheid betrekking heeft op de vermeende onverenigbaarheid met het rechtszekerheidsbeginsel van de risico-indicatoren van risicopijler IV, met uitzondering van de risico-indicator „omvang van eerdere buitengewone openbare financiële steun”.
64 Na deze verduidelijkingen moet in herinnering worden gebracht dat het rechtszekerheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben. Dat beginsel vereist met name dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arresten van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a.,C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 51, en 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑157/21, EU:C:2022:98, punt 319).
65 Die vereisten kunnen evenwel niet aldus worden opgevat dat zij zich ertegen verzetten dat een instelling van de Unie een abstract juridisch begrip gebruikt bij de vaststelling van een norm, of verlangen dat een dergelijke abstracte norm de verschillende concrete gevallen noemt waarop die norm kan worden toegepast, aangezien al die gevallen niet vooraf door die instelling kunnen worden bepaald (zie naar analogie arresten van 20 juli 2017, Marco Tronchetti Provera e.a.,C‑206/16, EU:C:2017:572, punten 39 en 40, en 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑157/21, EU:C:2022:98, punt 320).
66 Bijgevolg is een bepaling van een Uniehandeling alleen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel wegens onduidelijkheid indien zij zo dubbelzinnig is dat de justitiabelen eventuele twijfels over de draagwijdte of de betekenis ervan niet met voldoende zekerheid opzij kan zetten (zie in die zin arresten van 14 april 2005, België/Commissie,C‑110/03, EU:C:2005:223, punt 31, en 22 mei 2007, Mebrom/Commissie,T‑216/05, EU:T:2007:148, punt 108).
67 Ook is het feit dat een Uniehandeling een beoordelingsbevoegdheid toekent aan de autoriteiten die zijn belast met de uitvoering ervan op zich niet in strijd met het vereiste van voorzienbaarheid, mits de strekking en de wijze van uitoefening van een dergelijke bevoegdheid, gelet op het betrokken rechtmatige doel, voldoende duidelijk zijn omschreven om adequate bescherming te bieden tegen willekeur (zie arrest van 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑157/21, EU:C:2022:98, punt 321 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Gelet op deze overwegingen moet worden onderzocht of de methode voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen, voor zover deze wordt beïnvloed door risicopijler IV, voldoende nauwkeurig is omschreven opdat justitiabelen eventuele twijfels over de draagwijdte of de betekenis van de bepalingen betreffende die risicopijler met voldoende zekerheid kunnen wegnemen.
69 Dienaangaande zij opgemerkt dat verzoekster niet aanvoert dat de in de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 gehanteerde begrippen zo dubbelzinnig zijn dat zij eventuele twijfels over hun draagwijdte of betekenis niet met voldoende zekerheid kunnen wegnemen.
70 Wat in het bijzonder de bewoordingen van artikel 6, lid 6, van gedelegeerde verordening 2015/63 betreft, heeft verzoekster ter terechtzitting in essentie erkend dat zij de betekenis ervan begrijpt. Zij was het weliswaar niet eens met de uitlegging die de GAR aan sommige van die bewoordingen, en met name aan de term „algeheel bedrijfsmodel”, had gegeven, maar zij heeft niet betwist dat de betekenis van deze bewoordingen bepaalbaar is, zodat eventuele twijfels over de draagwijdte of betekenis ervan met voldoende zekerheid kunnen worden weggenomen.
71 Dit geldt temeer daar het merendeel van de in artikel 6, lid 6, van gedelegeerde verordening 2015/63 gehanteerde bewoordingen is gedefinieerd in overweging 98 van het bestreden besluit en in de voetnoten 36 tot en met 40 daarvan, waarin wordt verwezen naar verschillende bepalingen van de toepasselijke regelgeving. Verzoekster heeft niet aangevoerd dat deze definities niet voortvloeien uit die bepalingen.
72 Aan de andere kant moet in navolging van verzoekster worden opgemerkt dat de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 de GAR een beoordelingsmarge toekennen.
73 Overeenkomstig artikel 6, lid 5, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 bestaat risicopijler IV namelijk uit drie risico-indicatoren, te weten, ten eerste, „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”, ten tweede, „lidmaatschap van een [IPS]”, en, ten derde, „omvang van eerdere buitengewone openbare financiële steun”.
74 Volgens artikel 6, lid 5, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 moet de GAR bij de beoordeling van deze risico-indicatoren rekening houden met „de waarschijnlijkheid dat de betrokken instelling in afwikkeling komt te verkeren en […] de daaruit voortvloeiende waarschijnlijkheid dat de instelling van de afwikkelingsfinancieringsregeling gebruikmaakt wanneer zij wordt afgewikkeld”.
75 Uit de bewoordingen van artikel 6, lid 5, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 blijkt dat deze bepaling de GAR een beoordelingsmarge toekent met betrekking tot de wijze waarop hij – bij het beoordelen van voornoemde risico-indicatoren – „rekening houdt” met „de waarschijnlijkheid dat de betrokken instelling in afwikkeling komt te verkeren en […] de daaruit voortvloeiende waarschijnlijkheid dat de instelling van de afwikkelingsfinancieringsregeling gebruikmaakt wanneer zij wordt afgewikkeld”, aangezien de in die bepaling aangeduide criteria door de GAR moeten worden verduidelijkt om op een specifiek geval te kunnen worden toegepast.
76 Wat de eerste onder risicopijler IV vallende risico-indicator betreft, die betrekking heeft op de handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid van de instelling, noemt artikel 6, lid 6, van gedelegeerde verordening 2015/63 verschillende elementen waarmee de GAR rekening moet houden bij het beoordelen van die indicator, waarvan sommige kunnen leiden tot een verhoging van het risicoprofiel van de betrokken instelling en andere tot een verlaging daarvan.
77 Zo zijn er vier elementen die kunnen leiden tot een verhoging van dat risicoprofiel, namelijk, ten eerste, „het belang van de handelsactiviteiten in verhouding tot het balanstotaal, het niveau van het eigen vermogen, het risicogehalte van de blootstellingen en het algehele bedrijfsmodel”, ten tweede, „het belang van de blootstellingen buiten de balanstelling in verhouding tot het balanstotaal, het niveau van het eigen vermogen en het risicogehalte van de blootstellingen”, ten derde, „het belang van het bedrag aan derivaten in verhouding tot het balanstotaal, het niveau van het eigen vermogen, het risicogehalte van de blootstellingen en het algehele bedrijfsmodel”, en, ten vierde, „in hoeverre het bedrijfsmodel en de organisatiestructuur van een instelling […] als complex kunnen worden aangemerkt”.
78 Er zijn twee elementen die tot een verlaging van het risicoprofiel kunnen leiden, namelijk „het relatieve bedrag aan derivaten dat via een centrale tegenpartij […] wordt gecleard” en „in hoeverre een instelling […] snel en zonder juridische belemmeringen kan worden afgewikkeld”.
79 Uit de bewoordingen van artikel 6, lid 6, van gedelegeerde verordening 2015/63 volgt dat deze bepaling de GAR een beoordelingsmarge toekent met betrekking tot het „belang” dat hij toekent aan de „handelsactiviteiten”, de „blootstellingen buiten de balanstelling” en het „bedrag aan derivaten”, en met betrekking tot de verhouding tussen de verschillende in die bepaling genoemde elementen.
80 Hoewel uit artikel 6, lid 6, van gedelegeerde verordening 2015/63 blijkt dat volgens de eerste in die bepaling genoemde subindicator het belang van de „handelsactiviteiten” moet worden vergeleken met het balanstotaal, het niveau van het eigen vermogen, het risicogehalte van de blootstellingen en het algehele bedrijfsmodel van de instelling, bevat deze bepaling dus geen details over de concrete uitvoering van die vergelijking.
81 Hetzelfde geldt voor de tweede en de derde subindicator in artikel 6, lid 6, onder a), ii) en iii), van gedelegeerde verordening 2015/63.
82 Wat vervolgens de beoordeling van de IPS-risico-indicator betreft, volgt uit artikel 6, lid 7, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de GAR rekening moet houden met de vraag of de omvang van de middelen die onverwijld beschikbaar zijn groot genoeg is „om een geloofwaardige en effectieve ondersteuning van de betrokken instelling mogelijk te maken” en met in hoeverre er juridische of contractuele zekerheid wordt geboden dat deze middelen „volledig zullen worden opgebruikt voordat eventueel om buitengewone openbare steun wordt verzocht”.
83 Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat de GAR over een beoordelingsmarge beschikt met betrekking tot de naleving van de daarin gestelde voorwaarden, die verband houden met de vraag of de beschikbare middelen van het betrokken IPS toereikend zijn om de betrokken instelling te kunnen financieren en met de mate van juridische of contractuele zekerheid ten aanzien van die middelen.
84 Hetzelfde geldt voor de weging van de verschillende risico-indicatoren van risicopijler IV in artikel 7, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63.
85 Hoewel artikel 7, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 duidelijk het relatieve gewicht aanduidt van de in punt 73 hierboven genoemde risico-indicatoren van risicopijler IV, volgt uit deze bepaling niet hoe de verschillende subindicatoren van de eerste twee risico-indicatoren moeten worden gewogen. In het bijzonder preciseert die bepaling niet of deze subindicatoren op evenredige wijze tegen elkaar moeten worden afgewogen. Artikel 7, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 verleent de GAR dus een discretionaire bevoegdheid om het gewicht te bepalen van de verschillende subindicatoren van die risico-indicatoren, waarmee overeenkomstig artikel 6, leden 5 tot en met 7, van gedelegeerde verordening 2015/63 rekening moet worden gehouden.
86 Tegen deze achtergrond moet worden onderzocht of artikel 6, leden 5 tot en met 7, en artikel 7, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 overeenkomstig de in punt 67 hierboven aangehaalde rechtspraak kunnen worden beschouwd als bepalingen die de omvang en de wijze van uitoefening van de aan de GAR toegekende beoordelingsbevoegdheid, met het oog op het betrokken legitieme doel, voldoende duidelijk omschrijven, zodat zij voldoende bescherming bieden tegen willekeur en justitiabelen in staat stellen om met voldoende zekerheid eventuele twijfels over de draagwijdte of betekenis van die bepalingen weg te nemen.
87 Wanneer een bepaling een instelling of een orgaan van de Unie de bevoegdheid verleent om geldelijke lasten op te leggen, moet aan de hand van alle relevante elementen worden bepaald of deze bepaling de strekking en de wijze van uitoefening van een dergelijke bevoegdheid voldoende duidelijk omschrijft opdat justitiabelen kunnen anticiperen op de voorwaarden waaronder een dergelijke last zal worden opgelegd (zie in die zin en naar analogie arrest van 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑157/21, EU:C:2022:98, punten 319‑321).
88 In het bijzonder moet worden nagegaan of een bedachtzame marktdeelnemer zich, zo nodig met de bijstand van een juridisch en economisch adviseur, een voldoende nauwkeurig beeld kan vormen van de berekeningsmethode en de omvang van dergelijke lasten, met dien verstande dat het feit dat die marktdeelnemer het niveau van de lasten die de instelling of het orgaan van de Unie in een concreet geval zal opleggen vooraf niet nauwkeurig kan kennen, geen schending kan opleveren van het rechtszekerheidsbeginsel (zie in die zin arresten van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie,C‑413/08 P, EU:C:2010:346, punt 95, en 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie,C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 In dit verband dient met name te worden beoordeeld of de instelling of het orgaan van de Unie zich in het kader van de uitoefening van haar of zijn beoordelingsbevoegdheid laat leiden door bepaalde objectieve aanwijzingen die justitiabelen in staat stellen om met voldoende nauwkeurigheid te kunnen anticiperen op de berekeningsmethode en de omvang van de op te leggen lasten. Tot deze aanwijzingen behoren onder meer de gedragsregels die de instelling of het orgaan van de Unie zichzelf op dit gebied heeft opgelegd en die haar of zijn beoordelingsbevoegdheid beperken (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie,C‑413/08 P, EU:C:2010:346, punt 95). Dergelijke aanwijzingen kunnen echter ook voortvloeien uit de bekende en toegankelijke administratieve praktijk van die instelling of van dat orgaan (zie in die zin arrest van 12 december 2012, Ecka Granulate en non ferrum Metallpulver/Commissie, T‑400/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:675, punt 31).
90 Ook een duidelijke definitie in de toepasselijke regeling van het te bereiken resultaat kan een relevante aanwijzing vormen op basis waarvan justitiabelen kunnen anticiperen op de manier waarop een instelling of een orgaan van de Unie haar of zijn beoordelingsbevoegdheid zal uitoefenen (zie naar analogie arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38,C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 100). Dit geldt des te meer wanneer de betrokken regeling voor het bereiken van dit resultaat een concrete methode of een concreet procedé voorschrijft (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38,C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 101).
91 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de toepasselijke regeling het te bereiken resultaat vaststelt, namelijk dat de beschikbare financiële middelen binnen het GAF het definitieve streefbedrag moeten bereiken aan het einde van de initiële periode van acht jaar vanaf 1 januari 2016 (hierna: „initiële periode”), alsmede een methode om dat resultaat te bereiken, hetgeen de impact van de door de GAR uitgeoefende discretionaire bevoegdheid bij de berekening van vooraf te betalen bijdragen beperkt. Ten eerste hangt het bedrag van de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling af van het bedrag van het jaarlijkse streefbedrag dat de GAR krachtens artikel 69, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014 vaststelt op basis van zijn raming van het bedrag dat op 31 december 2013 overeenkomt met ten minste 1 % van de gedekte deposito’s in alle deelnemende lidstaten.
92 Ten tweede, zoals blijkt uit punt 12 hierboven, wordt de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling met name bepaald op basis van de jaarlijkse basisbijdrage die wordt berekend aan de hand van de nettopassiva van de betrokken instellingen. De GAR oefent bij het bepalen van deze bedragen geen beoordelingsbevoegdheid uit. Bovendien is de betrokken instelling op de hoogte van het bedrag van haar eigen nettopassiva en kan zij toegang verkrijgen tot het totale bedrag van de nettopassiva van de andere instellingen, maar zij kan vanwege de bescherming van het bedrijfsgeheim geen toegang eisen tot de individuele vertrouwelijke gegevens van andere instellingen om de berekening van die bedragen te controleren (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punten 114‑125).
93 In de tweede plaats wordt de jaarlijkse basisbijdrage aangepast aan het risicoprofiel van de betrokken instelling, met dien verstande dat de aanpassingsmultiplicator overeenkomstig artikel 9, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 een waarde tussen 0,8 en 1,5 heeft.
94 Deze aanpassing wordt berekend op basis van de beoordeling van de vier in artikel 6 van gedelegeerde verordening 2015/63 opgenomen risicopijlers. Zoals opgemerkt in punt 62 hierboven, heeft verzoekster het Gerecht geen enkel element overgelegd om aan te tonen dat de eerste drie risicopijlers onduidelijk zijn, welke pijlers krachtens artikel 7, lid 1, van die gedelegeerde verordening 80 % van het risicoprofiel van elke instelling bepalen.
95 Verzoekster heeft evenmin aangevoerd dat de onder risicopijler IV vallende risico-indicator „omvang van eerdere buitengewone openbare financiële steun”, die overeenkomstig artikel 7, lid 4, eerste alinea, onder c), van gedelegeerde verordening 2015/63 binnen die pijler een gewicht van 10 % heeft, onduidelijk is.
96 Hieruit volgt dat de risico-indicatoren die volgens verzoekster onduidelijk zijn en waarvoor de GAR een zekere beoordelingsbevoegdheid uitoefent, slechts voor minder dan 20 % van invloed zijn op het risicoprofiel van de instelling. Bovendien wordt de invloed van deze indicatoren op het uiteindelijke bedrag van de vooraf te betalen bijdrage nog eens beperkt door het feit dat de GAR geen beoordelingsbevoegdheid uitoefent bij de vaststelling van het bedrag van de jaarlijkse basisbijdrage en het feit dat de aanpassing van die bijdrage aan het risicoprofiel van een instelling duidelijk is afgebakend binnen een vooraf bepaalde marge van 0,8 tot 1,5, zoals in herinnering is gebracht in punt 93 hierboven.
97 Tegen deze achtergrond kan niet worden overwogen dat de omvang en de wijze van uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 6, leden 5 tot en met 7, en artikel 7, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 toekennen aan de GAR onvoldoende afgebakend of onvoldoende duidelijk omschreven zijn, met het oog op het betrokken legitieme doel, en kan dus ook niet worden geoordeeld dat zij onvoldoende bescherming bieden tegen willekeur.
98 Dit geldt des te meer daar verzoekster een bedachtzame marktdeelnemer is die zich, zo nodig met de bijstand van een juridisch en economisch adviseur, een voldoende nauwkeurig beeld kan vormen van de berekeningsmethode en de omvang van haar vooraf te betalen bijdrage.
99 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel omdat de GAR de bij deze bepalingen toegekende beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend door middel van tussentijdse besluiten die niet zijn gepubliceerd of anderszins toegankelijk zijn gemaakt.
100 De eventuele vaststelling of ontoegankelijkheid van dergelijke besluiten is immers toe te rekenen aan de GAR en is niet voorgeschreven door de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63.
101 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
102 Bijgevolg moet de eerste grief van het tweede onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.
2) Tweede grief: de Commissie had een andere methode voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen kunnen vaststellen
103 Verzoekster betoogt dat de Commissie een methode voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen had kunnen vaststellen waarbij alleen rekening wordt gehouden met de gegevens van de betrokken instelling, zodat het niet noodzakelijk zou zijn geweest om gebruik te maken van vertrouwelijke gegevens van andere instellingen. Aldus zou een dergelijke berekeningsmethode verzoekster in staat stellen om de omvang van haar verplichtingen beter te begrijpen en derhalve niet in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
104 De GAR betwist dit betoog.
105 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat, in de context van een gedelegeerde bevoegdheid in de zin van artikel 290 VWEU, de Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid in de uitoefening van de haar opgedragen bevoegdheden wanneer zij onder meer ingewikkelde beoordelingen en evaluaties moet verrichten (zie in die zin arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie,C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
106 Dit is het geval voor de vaststelling van de criteria voor de aanpassing van vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel overeenkomstig artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59.
107 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat, blijkens de overwegingen 105 tot en met 107 van richtlijn 2014/59 en overweging 41 van verordening nr. 806/2014, de specifieke aard van deze bijdragen erin bestaat om op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica te waarborgen dat de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om zijn taken te kunnen vervullen, terwijl de betrokken instellingen tegelijkertijd worden aangemoedigd om minder risicovolle werkwijzen toe te passen (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 113).
108 In deze context blijkt uit overweging 114 van richtlijn 2014/59 dat de Uniewetgever de Commissie heeft opgedragen om bij gedelegeerde handeling te specificeren op welke wijze de bijdragen van instellingen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen moeten worden aangepast in verhouding tot hun risicoprofiel.
109 In diezelfde optiek wordt in overweging 107 van die richtlijn gepreciseerd dat, om een eerlijke berekening van vooraf te betalen bijdragen te waarborgen en het ontplooien van activiteiten volgens een minder riskant model aan te moedigen, bij de bepaling van de bijdragen aan de nationale financieringsregelingen rekening dient te worden gehouden met de mate waarin de instellingen krediet‑, liquiditeits‑ of marktrisico lopen.
110 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie regels moest opstellen voor de aanpassing van vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van instellingen en daarbij twee met elkaar samenhangende doelstellingen moest nastreven, namelijk, ten eerste, ervoor zorgen dat rekening wordt gehouden met de verschillende risico’s die de activiteiten van instellingen met zich brengen, en, ten tweede, die instellingen aanmoedigen om minder riskante werkmethoden te volgen.
111 Zoals blijkt uit de documenten betreffende de vaststelling van gedelegeerde verordening 2015/63, met name de documenten „JRC technical work supporting Commission second level legislation on risk based contributions to the (single) resolution fund” [Technisch onderzoek van het JRC ter ondersteuning van de wetgeving van het tweede niveau van de Commissie over risicogebaseerde bijdragen aan het (gemeenschappelijk) afwikkelingsfonds; hierna: „technisch onderzoek van het JRC”], en „Commission Staff Working Document: estimates of the application of the proposed methodology for the calculation of contributions to resolution financing arrangements” (Werkdocument van de diensten van de Commissie: schattingen van de toepassing van de voorgestelde methode voor de berekening van bijdragen aan financieringsregelingen voor afwikkelingen), moest de Commissie bij het opstellen van dergelijke regels ingewikkelde beoordelingen en evaluaties verrichten, aangezien zij de verschillende elementen moest onderzoeken in het licht waarvan de verschillende soorten risico’s in de bancaire en financiële sector werden beoordeeld.
112 In deze omstandigheden moet, met betrekking tot de methode voor de aanpassing van jaarlijkse basisbijdragen op grond van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59, de toetsing door de Unierechter beperkt blijven tot de vraag of er bij de uitoefening van de aan de Commissie toegekende beoordelingsbevoegdheid sprake is geweest van een kennelijke dwaling of van misbruik van bevoegdheid, dan wel of zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie in die zin arrest van 21 juli 2011, Etimine,C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60).
113 In casu moet ten eerste worden opgemerkt dat verzoekster niet uitlegt hoe het enkele feit dat de Commissie een andere methode voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen had kunnen vaststellen dan die welke is vastgesteld bij gedelegeerde verordening 2015/63 betekent dat deze gedelegeerde verordening blijk geeft van een dergelijke kennelijke dwaling of een dergelijk misbruik van bevoegdheid, dat zij de grenzen van de aan de Commissie toegekende beoordelingsbevoegdheid kennelijk overschrijdt of dat zij in strijd is met de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel zoals in herinnering gebracht in punt 64 hierboven.
114 Ten tweede is het juist dat verzoekster, bij gebreke van de gegevens van andere instellingen die onder het bedrijfsgeheim vallen en dus niet aan verzoekster kunnen worden meegedeeld, het exacte bedrag van de door haar verschuldigde vooraf te betalen bijdragen niet op voorhand kan berekenen.
115 Zoals opgemerkt in punt 41 hierboven, brengt reeds het beginsel van de wijze van berekening van vooraf te betalen bijdragen – zoals dat voortvloeit uit richtlijn 2014/59 en verordening nr. 806/2014, waarvan de geldigheid niet is betwist – met zich mee dat de GAR onder het bedrijfsgeheim vallende gegevens gebruikt.
116 Tegen deze achtergrond vormt het enkele feit dat de Commissie een andere methode voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen had kunnen vaststellen geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
117 Deze grief moet derhalve worden afgewezen.
3) Derde grief: schending van artikel 12 van verordening 2016/1011
118 Verzoekster betoogt dat de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 niet voldoen aan het vereiste van artikel 12, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en verordening (EU) nr. 596/2014 (PB 2016, L 171, blz. 1). Volgens deze bepaling moet voor het vaststellen van een benchmark op het gebied van de regulering van financiële markten gebruik worden gemaakt van een methodologie die „duidelijke regels heeft die aangeven hoe en wanneer keuzevrijheid kan worden uitgeoefend bij het vaststellen van die benchmark”.
119 De GAR betwist dit betoog.
120 Er zij op gewezen dat verordening 2016/1011, zoals blijkt uit het opschrift ervan, betrekking heeft op indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten.
121 Verordening 2016/1011 is dus niet bedoeld om te worden toegepast op de vaststelling van vooraf te betalen bijdragen. Dientengevolge kan verzoekster niet aanvoeren dat gedelegeerde verordening 2015/63 niet verenigbaar is met de voorschriften inzake transparantie en nauwkeurigheid die voortvloeien uit artikel 12 van verordening 2016/1011.
122 Deze grief moet derhalve worden afgewezen.
c) Conclusie betreffende het vierde middel
123 Gelet op het voorgaande moet het vierde middel worden afgewezen.
2. Vijfde middel: exceptie van onwettigheid van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 wegens schending van verscheidene hogere normen
124 Het vijfde middel bestaat uit vier onderdelen.
a) Eerste onderdeel: onverenigbaarheid van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 met artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 en artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013
125 Verzoekster betoogt dat artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 onverenigbaar is met artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 en artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 omdat het voorziet in een weging met betrekking tot de IPS-risico-indicator die onderscheid maakt tussen instellingen die tot hetzelfde IPS behoren, aangezien de GAR bij die weging rekening moet houden met het relatieve gewicht van de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”.
126 In het bijzonder geldt de beschermende werking van een IPS overeenkomstig artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 op uitgebreide en gelijke wijze voor alle bij dat stelsel aangesloten instellingen. Bovendien bestaat er op grond van artikel 113, lid 7, onder b), van verordening nr. 575/2013 een garantie dat de fondsen van het IPS volledig zullen worden uitgeput alvorens kan worden verzocht om buitengewone financiële steun uit openbare middelen.
127 In deze omstandigheden is het krachtens artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 maken van onderscheid op basis van de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” tussen instellingen die tot hetzelfde IPS behoren, in strijd met de door artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 en artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 opgelegde homogene en coherente behandeling van alle leden van een dergelijk IPS.
128 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
129 Op grond van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 moet de GAR bij toepassing van de IPS-risico-indicator rekening houden met het relatieve gewicht van de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”.
130 Hieruit volgt dat wanneer meerdere instellingen deel uitmaken van hetzelfde IPS, aan de instellingen die met betrekking tot de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” een betere weging krijgen dan andere leden van dat IPS, in het kader van de IPS-risico-indicator een gunstigere weging kan worden toegekend dan aan die andere leden.
131 In deze context volgt uit artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 dat de Commissie bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op de nadere omschrijving van het begrip „aanpassen van de [jaarlijkse basisbijdragen] aan het risicoprofiel van de instellingen”, „rekening houdend met” het feit dat de instelling deel uitmaakt van een IPS.
132 Nergens in artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 of in de rest van dat artikel wordt echter verduidelijkt op welke wijze de Commissie rekening moet houden met het feit dat de instelling deel uitmaakt van een IPS. Aldus is niet voorgeschreven dat de Commissie aan alle instellingen die deel uitmaken van hetzelfde IPS hetzelfde gewicht moet toekennen.
133 Zoals volgt uit de punten 107 tot en met 111 hierboven beschikt de Commissie bovendien op grond van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de methode voor de aanpassing van jaarlijkse basisbijdragen, waaronder bij de vaststelling van het criterium dat instellingen deel uitmaken van een IPS. Dientengevolge moet de toetsing door de Unierechter zich ertoe beperken of bij de uitoefening van die bevoegdheid sprake was van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk heeft overschreden.
134 Dienaangaande hebben de GAR en de Commissie om te beginnen toegelicht, zonder op dit punt te zijn weersproken, dat de leden van een IPS zoals dat waartoe verzoekster behoort geen onvoorwaardelijk recht hebben om van een dergelijk IPS steun te ontvangen die al hun verbintenissen dekt, maar dat het IPS over een zekere beoordelingsmarge beschikt om te besluiten of een van zijn leden al dan niet moet worden gesteund.
135 Vervolgens hebben de GAR en de Commissie aangegeven dat het falen van een instelling met een grote en complexe balans de middelen van een dergelijk IPS volledig zou kunnen uitputten. Verzoekster heeft niets aangevoerd om deze stelling te betwisten.
136 Voorts heeft verzoekster het Gerecht geen enkel concreet bewijsstuk overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden betwist dat de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” het mogelijk maakt om te beoordelen of een instelling over een grote en complexe balans beschikt.
137 In deze omstandigheden heeft verzoekster niet aangetoond dat artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 blijk geeft van een kennelijke dwaling of van misbruik van bevoegdheid, dan wel dat deze bepaling een kennelijke overschrijding vormt van de bij artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 aan de Commissie toegekende beoordelingsbevoegdheid.
138 Wat ten slotte de exceptie van onwettigheid betreft die is ontleend aan de onverenigbaarheid van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 met artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013, moet om te beginnen worden vastgesteld dat laatstgenoemde bepaling niet de berekening van vooraf te betalen bijdragen definieert, maar de voorwaarden voor de goedkeuring van IPS’en voor prudentiële doeleinden.
139 Weliswaar mag de GAR krachtens artikel 2, lid 1, punt 8, van richtlijn 2014/59 alleen rekening houden met IPS’en die in overeenstemming met artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 zijn goedgekeurd, maar duidt niets in de bewoordingen van artikel 113, lid 7, van deze verordening erop dat het verboden is om bij de berekening van vooraf te betalen bijdragen een onderscheid te maken tussen instellingen die deel uitmaken van hetzelfde IPS.
140 Bovendien bepaalt artikel 113, lid 7, onder b), van verordening nr. 575/2013 weliswaar dat het IPS, om voor prudentiële doeleinden te worden erkend, in staat moet zijn om haar leden – overeenkomstig haar verplichtingen – uit gemakkelijk toegankelijke middelen de noodzakelijke steun te verlenen, maar deze bepaling gaat niet zo ver dat van een IPS wordt vereist dat het over voldoende middelen beschikt om de afwikkeling van al haar leden, met inbegrip van alle grote instellingen, te voorkomen.
141 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het door verzoekster aangevoerde artikel 5 van richtsnoer (EU) 2016/1994 van de Europese Centrale Bank (ECB) van 4 november 2016 betreffende de benadering voor de erkenning van [IPS’en] voor prudentiële doeleinden door nationale bevoegde autoriteiten krachtens verordening nr. 575/2013 (PB 2016, L 306, blz. 37). Deze bepaling, die richtsnoeren bevat voor de tenuitvoerlegging van artikel 113, lid 7, onder b), van verordening nr. 575/2013, bepaalt evenmin dat een IPS over voldoende middelen moet beschikken om de afwikkeling van al zijn leden te kunnen voorkomen.
142 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het vijfde middel worden verworpen.
b) Tweede onderdeel: onverenigbaarheid van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 met het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage” en het beginsel van gelijke behandeling
143 Het tweede onderdeel van het vijfde middel bestaat in essentie uit twee grieven.
1) Eerste grief: schending van het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage”
144 Verzoekster betoogt dat artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 in strijd is met het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage” dat voortvloeit uit het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in de artikelen 16, 17 en 52 van het Handvest, artikel 70, lid 2, van verordening nr. 806/2014 en artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59.
145 Met het oog op dit vereiste is de wijze waarop de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” overeenkomstig artikel 6, lid 5, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 blijk geeft van het afwikkelingsrisico van verzoekster, niet duidelijk en nauwkeurig.
146 Voorts bestaat er geen voldoende objectief verband tussen de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” van artikel 7, lid 4, eerste alinea, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63 en de risico-indicator inzake het deel uitmaken van een IPS van artikel 7, lid 4, eerste alinea, onder b), van die gedelegeerde verordening, op grond waarvan een relatieve weging van laatstgenoemde risico-indicator kan worden gerechtvaardigd.
147 Doordat gedelegeerde verordening 2015/63 deze twee risico-indicatoren met elkaar in verband brengt, wordt de eerste risico-indicator dubbel geteld, aangezien deze reeds in aanmerking is genomen voor de berekening van de vooraf te betalen bijdrage overeenkomstig artikel 6, lid 5, onder a), van die gedelegeerde verordening.
148 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
149 Zonder in te gaan op de vraag of richtlijn 2014/59 of een andere regel van Unierecht een „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage” vaststelt, moet de eerste grief van het tweede onderdeel van verzoeksters vijfde middel aldus worden opgevat dat zij in essentie aanvoert dat artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 blijk geeft van een kennelijke beoordelingsfout aangezien het de GAR belet om de jaarlijkse basisbijdragen op passende wijze aan te passen aan het daadwerkelijke risicoprofiel van de instellingen.
150 In dit verband blijkt om te beginnen uit de punten 107 tot en met 111 hierboven dat de Commissie bij de tenuitvoerlegging van artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 over een ruime beoordelingsmarge beschikt.
151 Vervolgens heeft verzoekster het Gerecht geen enkel concreet bewijsstuk overgelegd ter betwisting van de stelling van de GAR dat de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” een objectief criterium vormt aan de hand waarvan in het kader van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 kan worden beoordeeld hoe waarschijnlijk het is dat een instelling een IPS om steun zal verzoeken die dat IPS niet kan verlenen, zodat die instelling het risico loopt dat zij wordt afgewikkeld. Aldus wijst niets erop dat artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 niet toestaat dat de vooraf te betalen bijdrage wordt aangepast aan het daadwerkelijke risicoprofiel van de betrokken instelling.
152 Ten slotte leidt de in artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 vastgestelde methode, in tegenstelling tot wat verzoekster stelt, niet tot een dubbele weging van de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”.
153 Ten eerste geldt de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” immers uit hoofde van artikel 6, lid 5, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63 voor alle instellingen waarvan de vooraf te betalen bijdrage wordt aangepast aan hun risicoprofiel. Voor de toepassing van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van deze gedelegeerde verordening geldt die risico-indicator daarentegen alleen voor instellingen die deel uitmaken van een IPS. Ten tweede bepaalt artikel 6, lid 6, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” dient ter beoordeling van de risico’s van de betrokken instelling vanwege, net name, de activa op haar balans, haar bedrijfsmodel en haar organisatiestructuur. Wanneer deze risico-indicator wordt toegepast in het kader van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van die gedelegeerde verordening, wordt hij daarentegen gebruikt ter weging van de IPS-risico-indicator en dient hij ter beoordeling van de risico’s die een instelling die deel uitmaakt van een IPS oplevert voor het vermogen van dat IPS om te interveniëren ter ondersteuning van zijn leden. Zoals volgt uit de punten 163 en 164 hierboven, kunnen de door middel van de toepassing van die risico‑indicator beoordeelde risico’s van instelling tot instelling verschillen en kan het gaan om dermate hoge risico’s dat een IPS niet in staat zou zijn om deze risico’s op te vangen in geval van het falen van een aangesloten instelling.
154 Tegen deze achtergrond geeft artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 geen blijk van een kennelijke beoordelingsfout door te bepalen dat de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” in aanmerking wordt genomen in het kader van het proces voor de bepaling van de IPS-risico-indicator.
155 Gelet op het voorgaande moet de eerste grief van het tweede onderdeel van het vijfde middel worden afgewezen.
2) Tweede grief: schending van het beginsel van gelijke behandeling
156 Verzoekster betoogt dat het in de aard van een IPS ligt om al zijn leden te beschermen, ongeacht hun concrete risicosituatie, zodat geen enkele instelling individueel kan worden afgewikkeld zolang het IPS bestaat en zijn functie vervult. Deelname aan een IPS is dus een omstandigheid die alle betrokken instellingen vergelijkbaar maakt.
157 Door toe te staan dat onderscheid wordt gemaakt tussen deze instellingen, schendt artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 het beginsel van gelijke behandeling zoals verankerd in artikel 20 van het Handvest. Er is immers geen objectief criterium dat dit verschil in behandeling zou kunnen rechtvaardigen. Het criterium in artikel 6, lid 5, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63, te weten „de waarschijnlijkheid dat de betrokken instelling in afwikkeling komt te verkeren”, houdt geen objectief verband met het criterium dat daadwerkelijk door artikel 7, lid 4, van deze gedelegeerde verordening wordt toegepast voor de weging van de IPS-risico-indicator, te weten de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”.
158 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
159 In artikel 20 van het Handvest is het beginsel van gelijke behandeling verankerd, dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 3 februari 2021, Fussl Modestraße Mayr,C‑555/19, EU:C:2021:89, punt 95).
160 In dit verband moet allereerst worden onderzocht of een instelling die deel uitmaakt van een IPS, zoals verzoekster, zich in een vergelijkbare positie bevindt ten opzichte van de andere tot datzelfde IPS behorende instellingen.
161 Of verschillende situaties vergelijkbaar zijn, moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van alle aspecten die deze situaties kenmerken. Die aspecten moeten met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling die het betrokken onderscheid invoert. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waarvan deze handeling deel uitmaakt (zie arrest van 3 februari 2021, Fussl Modestraße Mayr,C‑555/19, EU:C:2021:89, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
162 Wat de beginselen en doelstellingen betreft van het gebied waarvan gedelegeerde verordening 2015/63 deel uitmaakt, dient in herinnering te worden gebracht dat, blijkens de overwegingen 105 tot en met 107 van richtlijn 2014/59 en overweging 41 van verordening nr. 806/2014, de specifieke aard van vooraf te betalen bijdragen erin bestaat om op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica te waarborgen dat de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om zijn taken te kunnen vervullen, terwijl de betrokken instellingen tegelijkertijd worden aangemoedigd om minder risicovolle werkwijzen toe te passen (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 113).
163 Gelet op deze beginselen en doelstellingen moet worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster stelt, alle instellingen die deel uitmaken van een IPS zich niet noodzakelijkerwijs en vanwege dat enkele feit in een vergelijkbare situatie bevinden. Zoals de GAR heeft opgemerkt, zonder door verzoekster te zijn weersproken, hebben de leden van een IPS zoals dat waartoe verzoekster behoort immers geen onvoorwaardelijk recht om van het IPS steun te ontvangen die al hun verbintenissen dekt, aangezien het IPS over een zekere beoordelingsmarge beschikt om te besluiten of hij een lid zal steunen.
164 Vervolgens hebben de GAR en de Commissie aangegeven dat het falen van een instelling met een grote en complexe balans de middelen van een IPS volledig zou kunnen uitputten, in tegenstelling tot instellingen met kleinere en eenvoudigere balansen. Verzoekster heeft wederom niets aangevoerd om deze stelling te betwisten.
165 Ten slotte, zoals volgt uit punt 151 hierboven, vormt de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” een objectief criterium om te beoordelen met betrekking tot welke tot een IPS behorende instellingen een risico bestaat dat zij dat IPS verzoeken om steun die het niet zou kunnen verlenen. Deze indicator is dus een objectief criterium om te beoordelen welke instellingen zich met betrekking tot een dergelijk risico in een vergelijkbare situatie bevinden. Dit is des te meer het geval daar dat criterium overeenstemt met een van de hoofddoelstellingen van het GAM, namelijk het aanmoedigen van instellingen om minder risicovolle werkwijzen toe te passen.
166 Bijgevolg moet de tweede grief van het tweede onderdeel van het vijfde middel worden afgewezen aangezien verzoekster niet op goede gronden kan stellen dat alle instellingen van eenzelfde IPS zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
c) Derde onderdeel: onverenigbaarheid van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 met het rechtszekerheidsbeginsel
167 Verzoekster betoogt dat artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 niet voldoet aan de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel. In het bijzonder legt deze bepaling niet duidelijk uit hoe de GAR rekening moet houden met het „relatieve gewicht [van de indicator] handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”. De norm is dusdanig onbepaald dat de GAR de instellingen ook in twee of meer dan drie cellen had kunnen indelen.
168 Bovendien laat die bepaling de GAR de vrijheid om te kiezen welke factoren hij passend acht om de instellingen onder verschillende cellen te verdelen, zodat willekeur niet kan worden uitgesloten.
169 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
170 Ten eerste blijkt voldoende duidelijk uit artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de GAR de instellingen in het kader van de IPS-risico-indicator in cellen moet indelen door middel van een weging waarbij rekening wordt gehouden met de subindicatoren van de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”.
171 Ten tweede is in de punten 68 tot en met 85 hierboven inderdaad opgemerkt dat artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 de GAR een beoordelingsbevoegdheid toekennen met betrekking tot de beoordeling van de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” en de weging van de IPS-risico-indicator.
172 Zoals in de punten 86 tot en met 97 hierboven is vastgesteld, blijkt uit gedelegeerde verordening 2015/63 echter dat de omvang en de wijze van uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid voldoende duidelijk zijn omschreven om instellingen in staat te stellen om een voldoende nauwkeurig beeld te vormen van de methode voor de beoordeling van de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”.
173 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het vijfde middel worden afgewezen.
d) Vierde onderdeel: onverenigbaarheid van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 met het beginsel dat de feiten volledig in aanmerking moeten worden genomen
174 Verzoekster betoogt dat artikel 7, lid 4, tweede alinea, van gedelegeerde verordening 2015/63 in strijd is met het beginsel dat de feiten volledig in aanmerking moeten worden genomen. De waarschijnlijkheid dat een instelling die lid is van een IPS zal worden afgewikkeld, kan immers niet worden bepaald op basis van alleen de risico-indicator „handelsactiviteiten, blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid”. Er had ook rekening moeten worden gehouden met andere essentiële factoren die bepalend zijn voor het risicoprofiel wat de waarschijnlijkheid van afwikkeling betreft.
175 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
176 Het beroep van verzoekster op schending van een „beginsel dat de feiten volledig in aanmerking moeten worden genomen” moet worden begrepen als een verwijzing naar het beginsel van behoorlijk bestuur zoals verankerd in artikel 41 van het Handvest, dat de instellingen en organen van de Unie verplicht om alle relevante gegevens van het concrete geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie in die zin arrest van 21 november 1991, Technische Universität München,C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14, en 23 september 2009, Estland/Commissie,T‑263/07, EU:T:2009:351, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
177 In dit verband beperkt verzoekster zich echter tot het betoog dat de Commissie bij de vaststelling van artikel 7, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 voorbij is gegaan aan bepaalde „essentiële factoren” die van invloed kunnen zijn op de waarschijnlijkheid dat een bij een IPS aangesloten instelling wordt afgewikkeld, zonder aan te geven wat die factoren zijn en waarom de Commissie daar rekening mee moest houden.
178 Het vierde onderdeel van het vijfde middel moet derhalve worden afgewezen.
e) Conclusie betreffende het vijfde middel
179 Gelet op het voorgaande moet het vijfde middel worden afgewezen.
3. Zevende middel: exceptie van onwettigheid van de artikelen 6, 7 en 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede van bijlage I daarbij wegens schending van meerdere hogere normen
180 Verzoekster betoogt dat de artikelen 6, 7 en 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 en bijlage I daarbij in strijd zijn met het „vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage” alsmede met de artikelen 16 en 20 van het Handvest, het evenredigheidsbeginsel en het „beginsel dat de feiten volledig in aanmerking moeten worden genomen”, aangezien deze bepalingen de risicopijlers en -indicatoren vaststellen, alsook een procedure en formules voor de combinatie daarvan, op basis van een „geïdealiseerd beeld dat niet overeenkomt met de werkelijke ervaring en de feitelijke situatie van alle instellingen [die aan hun risicoprofiel aangepaste vooraf te betalen bijdragen verschuldigd zijn]”.
181 De weging van de risico-indicatoren en hun tenuitvoerlegging in bijlage I bij gedelegeerde verordening 2015/63 leiden immers tot de opstelling van cellen en de toewijzing van verschillende instellingen aan deze cellen die leiden tot een objectief ongerechtvaardigde, onevenredige en discriminerende last voor instellingen als verzoekster.
182 In het bijzonder heeft de toepassing van bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, van gedelegeerde verordening 2015/63, zoals volgt uit bijlage II bij het bestreden besluit, tot gevolg dat de waarden van de eerste en de laatste cel te ver uit elkaar liggen. Voor de risico-indicator „het verhoudingsgetal tussen de naar marktrisico gewogen activa en de totale activa” – die deel uitmaakt van risicopijler IV – zou verzoekster bijvoorbeeld, voor het deel van de vooraf te betalen bijdrage dat wordt berekend over de uniegrondslag, met haar waarde van [vertrouwelijk] ( 1 ) % vallen onder cel [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], en op dezelfde voet staan als een instelling met een waarde die [vertrouwelijk] zo hoog is, namelijk [vertrouwelijk] %, terwijl [vertrouwelijk]. Hetzelfde geldt voor het over de nationale grondslag berekende deel van deze risico-indicator alsmede voor andere risico-indicatoren zoals de indicator „het verhoudingsgetal tussen de blootstelling aan derivaten en het tier1-kernkapitaal”.
183 Bovendien blijkt uit bijlage II bij het bestreden besluit ook dat voor zes van de negen risico-indicatoren van risicopijler IV als bedoeld in artikel 6, lid 5, eerste alinea, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63, meerdere cellen niet zijn gevuld terwijl de eerste cellen elk een zeer groot aantal instellingen bevatten, hetgeen niet in overeenstemming is met de bewoordingen van bijlage I bij die gedelegeerde verordening, op grond waarvan de GAR aan elke cel hetzelfde aantal instellingen moet toewijzen. Dit toont aan dat de Commissie een regeling heeft ingevoerd waarvan de toepassing tot inconsistente resultaten leidt die geen afspiegeling vormen van het risicoprofiel van de instellingen die vooraf te betalen bijdragen verschuldigd zijn.
184 De GAR en de Commissie betwisten dit betoog.
185 In de eerste plaats moet worden onderzocht of bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, bij gedelegeerde verordening 2015/63 verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling zoals verankerd in artikel 20 van het Handvest.
186 Gelet op de in punt 159 hierboven aangehaalde rechtspraak, dient om te beginnen te worden beoordeeld of die instellingen zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
187 Bij toepassing van bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, van gedelegeerde verordening 2015/63 staat het aan de GAR om ten eerste een aantal cellen vast te stellen teneinde de instellingen te kunnen vergelijken vanuit het oogpunt van de verschillende risico-indicatoren en subindicatoren. Ten tweede dient de GAR aan elke cel in beginsel hetzelfde aantal instellingen toe te wijzen, te beginnen door aan de eerste cel de instellingen met de laagste ruwe indicator toe te wijzen. Ten derde staat het aan de GAR om aan alle instellingen in een bepaalde cel dezelfde score toe te kennen, de zogenaamde „gediscretiseerde indicator”, die hij in aanmerking moet nemen bij de rest van de berekening van hun aanpassingsmultiplicator.
188 Het is niet uitgesloten dat de toepassing van deze methode, die bekendstaat als „binning”, zoals ingevoerd bij bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, bij gedelegeerde verordening 2015/63, in feite kan leiden tot situaties waarin instellingen met waarden voor een risico-indicator die dicht bij die van aan de vorige cel toegewezen instellingen liggen, toch worden toegewezen aan de volgende cel, met instellingen met waarden voor die risico-indicator die soms aanzienlijk hoger kunnen liggen. Dit gevolg vloeit voort uit de toepassing van de regel in bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, punt 3, van gedelegeerde verordening 2015/63, volgens welke de GAR in beginsel aan elke cel hetzelfde aantal instellingen toewijst.
189 Om te onderzoeken of de instellingen die aan dezelfde cel zijn toegewezen maar voor dezelfde risico-indicator significant verschillende waarden hebben, zich in een vergelijkbare situatie bevinden, moet in het licht van de in de punten 161 en 162 hierboven aangehaalde rechtspraak rekening worden gehouden met de doelstellingen van het GAM en met name met de doelstelling om instellingen aan te moedigen om minder risicovolle werkwijzen toe te passen.
190 Vastgesteld moet worden dat, gelet op het feit dat een van de hoofddoelstellingen van het GAM erin bestaat om de instellingen aan te moedigen om minder risicovolle werkwijzen toe te passen, de instellingen die in dezelfde cel zijn ingedeeld maar waarvan de waarden voor dezelfde risico-indicator aanzienlijk verschillen, zich niet in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien zij verschillende kenmerken hebben wat de door die indicator aangeduide risicograad betreft.
191 Zoals volgt uit punt 187 hierboven, worden deze instellingen echter gelijk behandeld, aangezien zij met betrekking tot die risico-indicator worden ingedeeld in dezelfde cel en hun dus dezelfde gediscretiseerde indicator wordt toegekend, waarmee de GAR rekening zal houden bij de berekening van de aanpassingsmultiplicator.
192 Wanneer personen die zich in verschillende situaties bevinden, gelijk worden behandeld, is evenwel geen sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling voor zover een dergelijke behandeling naar behoren wordt gerechtvaardigd (zie arrest van 7 maart 2017, RPO,C‑390/15, EU:C:2017:174, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
193 Dit is het geval wanneer deze behandeling verband houdt met een wettelijk toelaatbaar doel dat wordt nagestreefd door de maatregel die ertoe leidt dat een dergelijk verschil wordt ingevoerd, en die behandeling in verhouding staat tot dat doel (zie arrest van 7 maart 2017, RPO,C‑390/15, EU:C:2017:174, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
194 In dit verband heeft het Hof erkend dat het doel om algemene regels in te voeren die gemakkelijk kunnen worden toegepast en door de bevoegde autoriteiten gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd, een legitiem doel is (zie in die zin arresten van 24 februari 2015, Sopora,C‑512/13, EU:C:2015:108, punt 33, en 7 maart 2017, RPO,C‑390/15, EU:C:2017:174, punt 60).
195 In casu moet worden vastgesteld dat gedelegeerde verordening 2015/63 in overeenstemming is met deze doelstelling.
196 Bij gedelegeerde verordening 2015/63 is immers een methode vastgesteld voor de aanpassing van vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van instellingen, waarbij hun risicoprofielen worden vergeleken op basis van waarden die deze instellingen verkrijgen voor een reeks risico-indicatoren.
197 De binningmethode, zoals omschreven in punt 187 hierboven, stelt de GAR in staat om op efficiënte wijze een groot aantal gegevens te beheren waarmee hij rekening moet houden om de in punt 196 hierboven bedoelde vergelijking te kunnen verrichten, en tegelijkertijd zoveel mogelijk te voorkomen dat de aanwezigheid van zogenaamde extreme waarden, dat wil zeggen waarden die sterk afwijken van het gemiddelde, leidt tot vertekende vergelijkingen.
198 Zoals met name blijkt uit het technisch onderzoek van het JRC met betrekking tot gedelegeerde verordening 2015/63, is een van de doelstellingen van de binningmethode namelijk om over een eenvoudige methode te beschikken voor het vergelijken van het grote aantal gegevens dat wordt gerapporteerd door de instellingen waarvan de vooraf te betalen bijdrage wordt aangepast aan hun risicoprofiel. Bovendien kan met deze methode worden voorkomen dat instellingen met bijzonder negatieve waarden voor bepaalde risico-indicatoren toch een score krijgen die duidt op een laag risicoprofiel voor deze indicator omdat bepaalde instellingen extreme waarden hebben.
199 Wat vervolgens de proportionaliteit van de binningmethode ten opzichte van het met de betrokken regeling nagestreefde doel betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals volgt uit de punten 107 tot en met 111 hierboven, de Commissie bij de tenuitvoerlegging van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 over een ruime beoordelingsmarge beschikt.
200 Tegen deze achtergrond, en overeenkomstig de rechtspraak (zie in die zin arresten van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:400, punten 80, 81 en 91; 30 november 2022, Trasta Komercbanka e.a./ECB, T‑698/16, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2022:737, punten 221 en 222 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2022, Firearms United Network e.a./Commissie, T‑187/21, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2022:848, punten 122 en 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet de toetsing door het Gerecht van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel beperkt blijven tot het onderzoek of de binningmethode kennelijk ongeschikt is om het door de Commissie nagestreefde doel te bereiken, of deze methode kennelijk verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken, en of zij geen nadelen met zich meebrengt die kennelijk niet in verhouding staan tot het nagestreefde doel.
201 Wat de vraag betreft of de binningmethode geschikt is om het nagestreefde doel – zoals gespecificeerd in de punten 197 en 198 hierboven – te bereiken, moet worden opgemerkt dat het gaat om een erkende statistische methode, zoals met name blijkt uit het technisch onderzoek van het JRC. Ook worden er bij deze methode objectieve criteria voor de vaststelling van vooraf te betalen bijdragen gehanteerd, te weten met name een wiskundige formule die is opgenomen in bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, punt 2, van gedelegeerde verordening 2015/63.
202 Bovendien maakt de binningmethode het mogelijk om de gegevens van een groot aantal instellingen gemakkelijk met elkaar te vergelijken en om hun vooraf te betalen bijdragen op efficiënte en objectieve wijze te berekenen.
203 Tegen deze achtergrond maakt die methode het mogelijk om het nagestreefde doel te bereiken, dat erin bestaat om over een eenvoudige en gemakkelijk te controleren methode te beschikken voor het vergelijken van een groot aantal gegevens ter berekening van vooraf te betalen bijdragen.
204 Voorts toont verzoekster niet aan dat de binningmethode kennelijk verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. In het bijzonder heeft zij niet aangetoond dat een andere methode voor de vergelijking van de risicoprofielen van instellingen voor hen duidelijk minder nadelen zou meebrengen dan de binningmethode, maar op even efficiënte wijze die doelstelling zou kunnen bereiken.
205 Ten slotte klopt het dat, zoals opgemerkt in punt 188 hierboven, deze statistische methode in de praktijk tot gevolg kan hebben dat instellingen met aanzienlijk verschillende waarden in bepaalde gevallen toch in dezelfde cel terechtkomen, zoals blijkt uit bijlage II bij het bestreden besluit. Een dergelijke omstandigheid kan echter niet worden beschouwd als een nadeel dat kennelijk onevenredig is aan het door de betrokken regeling nagestreefde doel.
206 Ten eerste moet immers worden opgemerkt dat krachtens artikel 9, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 de aanpassing van vooraf te betalen bijdragen alleen kan plaatsvinden binnen de marge van een coëfficiënt tussen 0,8 en 1,5. Aldus blijft de jaarlijkse basisbijdrage het belangrijkste element ter bepaling van de vooraf te betalen bijdrage in het licht van het risicoprofiel van de instellingen.
207 Ten tweede blijkt uit het empirische onderzoek dat vóór de vaststelling van gedelegeerde verordening 2015/63 is verricht en waarvan de resultaten zijn samengevat in het technisch onderzoek van het JRC, dat het in de punten 188 en 205 aangeduide statistische fenomeen beperkt is, in die zin dat het zich voornamelijk voordoet bij de laatste cellen en niet in de overgrote meerderheid daarvan.
208 Ten derde staat vast dat de instellingen in de laatste cellen hogere waarden voor de betrokken risico-indicator hebben dan de instellingen in lagere cellen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 16 februari 2022, C-157/21, ECLI:EU:C:2022:98
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- Gerecht EU 7 juli 2021, T-455/17, ECLI:EU:T:2021:411
- HvJ EU 29 april 2021, C-504/19, ECLI:EU:C:2021:335
- HvJ EU 3 februari 2021, C-555/19, ECLI:EU:C:2021:89
- HvJ EU 10 december 2020, C-160/19, ECLI:EU:C:2020:1012
- HvJ EU 24 november 2020, C-225/19, ECLI:EU:C:2020:951
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-380/17, ECLI:EU:T:2020:471
- Gerecht EU 28 november 2019, T-377/16, ECLI:EU:T:2019:823
- Gerecht EU 28 november 2019, T-365/16, ECLI:EU:T:2019:824
- HvJ EU 26 maart 2019, C-377/16, ECLI:EU:C:2019:249
- HvJ EU 26 april 2018, C-34/17, ECLI:EU:C:2018:282
- HvJ EU 20 juli 2017, C-206/16, ECLI:EU:C:2017:572
- HvJ EU 11 mei 2017, C-44/16, ECLI:EU:C:2017:357
- HvJ EU 7 maart 2017, C-390/15, ECLI:EU:C:2017:174
- Gerecht EU 13 december 2016, T-95/15, ECLI:EU:T:2016:722
- HvJ EU 4 mei 2016, C-477/14, ECLI:EU:C:2016:324
- Gerecht EU 16 december 2015, T-241/13, ECLI:EU:T:2015:982
- HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14, ECLI:EU:C:2015:400
- HvJ EU 24 februari 2015, C-512/13, ECLI:EU:C:2015:108