Gerecht EU 17 juni 2026, T-659/24, ECLI:EU:T:2026:401
Tekst
Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
17 juni 2026 (*)
„ Gemeenschappelijk visserijbeleid – Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1382 – Afwijking van verordening (EG) nr. 1967/2006 wat betreft het verbod op de visserij met gesleept vistuig boven beschermde habitats voor ‚gangui’-trawlers in bepaalde territoriale wateren van Frankrijk – Artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5, van verordening nr. 1967/2006 – Mogelijkheid om af te wijken van het verbod om met gesleept vistuig te vissen in een gebied dat met het oog op het behoud van een of meer krachtens artikel 4 van verordening nr. 1967/2006 beschermde habitats is aangewezen als Natura 2000-gebied – Artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 – Onjuiste toepassing van het recht – Kennelijke beoordelingsfout ”
In zaak T‑659/24,
Bloom, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door F. Lafforgue en H. Baron, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Calvo Langdon, F. Le Bot en D. Milanowska als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door B. Travard en P. Chansou als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: I. Gâlea (rapporteur), president, T. Tóth en L. Spangsberg Grønfeldt, rechters,
griffier: H. Eriksson, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 3 maart 2026,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Bloom, nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 18 oktober 2024 (hierna: „bestreden besluit”) houdende afwijzing van haar verzoek tot interne herziening van uitvoeringsverordening (EU) 2024/1382 van de Commissie van 23 mei 2024 tot verlenging van een afwijking van verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad wat betreft het verbod om boven beschermde habitats te vissen, de minimumafstand van de kust en de minimumzeediepte voor „gangui”-trawlers in bepaalde territoriale wateren van Frankrijk (Provence-Alpes-Côte d’Azur) (PB L, 2024/1382).
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een internationale niet-gouvernementele organisatie (ngo) die tot doel heeft om de mariene biodiversiteit en de mariene habitats in stand te houden.
3 Op 21 december 2006 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 1967/2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1626/94 vastgesteld (PB 2006, L 409, blz. 9, met rectificatie in PB 2007, L 36, blz. 6).
4 Artikel 4, leden 1, 2 en 4, lid 5, eerste alinea, en lid 6, van verordening nr. 1967/2006, zoals gewijzigd, met als opschrift „Beschermde habitats”, bepaalt:
„1. Het is verboden met trawlnetten, dreggen, ringzegens, bootzegens, landzegens of soortgelijke netten te vissen boven zeegrasvelden van met name Posidonia oceanica of andere mariene fanerogamen.
In afwijking van de eerste alinea kan het gebruik van ringzegens, bootzegens of soortgelijke netten waarvan de totale hoogte en het gedrag bij het vissen zodanig zijn dat de sluitlijn, de verzwaarde lijn en de sleeptouwen het zeegrasveld niet raken, worden toegestaan binnen de in artikel 18 of artikel 19 van deze verordening bedoelde beheersplannen.
2. Het is verboden met trawlnetten, dreggen, landzegens of soortgelijke netten boven koraligene habitats en kalkwiervelden te vissen.
4. Het in lid 1, eerste alinea, en lid 2 opgenomen verbod is, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, van toepassing in alle Natura 2000-gebieden, alle speciaal beschermde gebieden en alle speciaal beschermde gebieden in de Middellandse Zee (SPAMI) die uit hoofde van richtlijn 92/43/EEG of besluit 1999/800/EG zijn aangewezen met het oog op het behoud van deze habitats.
5. In afwijking van lid 1, eerste alinea, kan de visserij met vissersvaartuigen met een lengte over alles van ten hoogste 12 m en een motorvermogen van ten hoogste 85 kW met bodemsleepnetten die traditioneel in Posidonia-velden wordt uitgevoerd, volgens de procedure van artikel 30, lid 2, van verordening (EG) nr. 2371/2002 [van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB 2002, L 358, blz. 59)] door de Commissie worden toegestaan op de volgende voorwaarden:
i) de betrokken visserijactiviteiten zijn gereguleerd volgens een beheersplan als bedoeld in artikel 19 van deze verordening;
ii) de betrokken visserijactiviteiten betreffen niet meer dan 33 % van de oppervlakte van de zeegrasvelden van Posidonia oceanica in het gebied waarop het beheersplan betrekking heeft;
iii) de betrokken visserijactiviteiten betreffen niet meer dan 10 % van de zeegrasvelden in de territoriale wateren van de betrokken lidstaat.
[...]
6. De lidstaten nemen passende maatregelen om te zorgen voor de verzameling van wetenschappelijke gegevens met het oog op de identificatie en het in kaart brengen van de habitats die krachtens dit artikel moeten worden beschermd.”
5 Op 18 mei 2011 hebben de Franse autoriteiten bij de Commissie verzocht om een afwijking van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1967/2006, teneinde gangui-trawlers in staat te stellen om in de Franse territoriale wateren grenzend aan de kust van de regio Provence-Alpes-Côte d’Azur boven zeegrasvelden van Posidonia te vissen (hierna: „betrokken afwijking”).
6 De gangui is een soort bodemsleepnet van kleine afmetingen dat met een lage snelheid wordt gesleept. Dit vistuig, dat in het algemeen bestaat uit metalen visborden of houten visborden met een metalen frame, werd op het moment dat het beroep werd ingesteld uitsluitend gebruikt in de kleinschalige visserij in de kuststrook in het departement Le Var (Frankrijk) [verslag van de ministère de la Mer (ministerie van Maritieme Zaken, Frankrijk) aan de Commissie van 17 oktober 2023 over de follow-up van de afwijking voor het vissen met gangui-trawlers, dat als bijlage A.14 bij het verzoekschrift is gevoegd].
7 Meer in het bijzonder waren de territoriale wateren waarop het betrokken verzoek om afwijking betrekking had, gelegen in het Natura 2000-gebied Rade d’Hyères (Frankrijk), dat door de Franse autoriteiten is aangewezen als speciale beschermingszone overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7; hierna: „habitatrichtlijn”), met het oog op het behoud van verschillende habitats, waaronder de in bijlage I bij die richtlijn onder nummer 1120 genoemde Posidonia-velden. Het Natura 2000-gebied Rade d’Hyères bevindt zich in het nationale park Port-Cros (Frankrijk), dat wordt beschermd als speciaal beschermd gebied in de Middellandse Zee (hierna: „SPAMI”), overeenkomstig het Protocol inzake de speciaal beschermde gebieden en de biologische diversiteit in de Middellandse Zee (PB 1999, L 322, blz. 3).
8 Op 2 juni 2014 heeft de Commissie op grond van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 de betrokken afwijking toegestaan tot en met 6 juni 2017 bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 586/2014 tot afwijking van verordening nr. 1967/2006 betreffende het verbod om boven beschermde habitats te vissen en betreffende de minimumafstand van de kust en de minimumzeediepte voor de „gangui”-trawlers in bepaalde territoriale wateren van Frankrijk (Provence-Alpes-Côte d’Azur) (PB 2014, L 164, blz. 10).
9 Bij verschillende opeenvolgende uitvoeringsverordeningen heeft de Commissie de betrokken afwijking verlengd tot en met 11 mei 2024.
10 Op 27 oktober 2023 hebben de Franse autoriteiten een aanvraag tot verlenging van de betrokken afwijking tot en met 11 mei 2026 ingediend. Op 4 maart 2024 hebben zij besloten de gevraagde verlenging tot één jaar te beperken.
11 Op 23 mei 2024 heeft de Commissie uitvoeringsverordening 2024/1382 vastgesteld, waarbij zij een verlenging van de betrokken afwijking heeft toegestaan voor de periode van 12 mei 2024 tot en met 11 mei 2025.
12 Op 18 juli 2024 heeft verzoekster bij de Commissie een verzoek tot interne herziening van uitvoeringsverordening 2024/1382 ingediend krachtens artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2021/1767 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 (PB 2021, L 356, blz. 1).
13 Op 18 oktober 2024 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld, waarbij zij verzoeksters verzoek tot interne herziening heeft afgewezen op grond dat zij niet had aangetoond dat uitvoeringsverordening 2024/1382 in strijd was met het milieurecht.
II. Conclusies van partijen
14 Verzoekster verzoekt het Gerecht om:
– het bestreden besluit nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
15 De Commissie verzoekt het Gerecht om:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
16 De Franse Republiek verzoekt het Gerecht om het beroep te verwerpen.
III. In rechte
17 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, dat in essentie is gebaseerd op schending van artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5, van verordening nr. 1967/2006.
A. Voorwerp van het geding en ontvankelijkheid
18 In haar verweerschrift merkt de Commissie op dat het beroep slechts ontvankelijk kan zijn indien het wordt geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit en niet tegen uitvoeringsverordening 2024/1382. Voorts uit zij in het kader van haar verweer twijfels over de ontvankelijkheid van bepaalde door verzoekster aangevoerde argumenten, op grond dat deze louter bestaan in een herhaling van het verzoek tot interne herziening en dus zijn gericht tegen uitvoeringsverordening 2024/1382 en niet tegen het bestreden besluit.
19 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006, zoals gewijzigd, bepaalt dat „[e]lke niet-gouvernementele organisatie of andere leden van het publiek die voldoen aan de criteria van artikel 11 zijn gerechtigd een verzoek tot interne herziening in te dienen bij de instelling of het orgaan van de Unie die of dat een administratieve handeling heeft gesteld of, in het geval van een vermeende administratieve nalatigheid, zo’n handeling had moeten stellen, op grond van het feit dat een dergelijk handelen of nalaten strijdig is met het milieurecht”. Artikel 12, lid 1, van deze verordening bepaalt dat „[e]en niet-gouvernementele organisatie die in overeenstemming met artikel 10 een verzoek tot interne herziening heeft ingediend [...] een procedure voor het Hof van Justitie [kan] beginnen”.
20 Uit artikel 10, lid 1, en artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1367/2006, zoals gewijzigd, volgt dat het verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling beoogt te doen vaststellen dat de betrokken handeling onrechtmatig of ongegrond is en dat de verzoeker vervolgens bij de Unierechter beroep kan instellen wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan of misbruik van bevoegdheid tegen het besluit waarbij het verzoek tot interne herziening ongegrond is verklaard. Hieruit volgt dat de verzoekende partij in het kader van dat beroep geen recht heeft argumenten aan te voeren die rechtstreeks de wettigheid of de gegrondheid van de handeling waarop het verzoek tot interne herziening betrekking heeft betwisten, aangezien het in de Verdragen vastgelegde systeem van rechterlijke toetsing het Gerecht niet de mogelijkheid biedt om besluiten nietig te verklaren waartegen niet rechtstreeks een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU is ingesteld (zie arrest van 19 november 2025, PAN Europe/Commissie, T‑412/22, EU:T:2025:1034, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In casu zijn bepaalde in het verzoekschrift aangevoerde grieven zeer vergelijkbaar met die in het verzoek tot interne herziening en staat daarin dat uitvoeringsverordening 2024/1382 „onrechtmatig is”. Evenzo zijn de twee onderdelen van het enige middel in hun respectieve opschriften uitdrukkelijk gericht op de schending, door uitvoeringsverordening 2024/1382, van een aantal bepalingen van verordening nr. 1967/2006.
22 Wegens het eigen voorwerp van de procedure van interne herziening en de logica van de artikelen 10 en 12 van verordening nr. 1367/2006, zoals gewijzigd, kan er evenwel een zekere overlapping bestaan tussen de argumenten die zijn aangevoerd in het kader van het verzoek tot interne herziening en de argumenten die worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van het besluit waarbij dat verzoek ongegrond is verklaard (zie in die zin arrest van 19 november 2025, PAN Europe/Commissie, T‑412/22, EU:T:2025:1034, punt 36). Aangezien een verzoek tot interne herziening beoogt te doen vaststellen dat de in dat verzoek bedoelde handeling onrechtmatig of ongegrond is, kan het feit dat de Commissie in de handeling waarvan om interne herziening wordt verzocht en in haar antwoord op dat verzoek het recht op dezelfde manier onjuist heeft toegepast of dezelfde beoordelingsfouten heeft gemaakt, namelijk niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de middelen waarmee dergelijke fouten aan de kaak worden gesteld, voor zover deze middelen berusten op gronden die reeds in het kader van dat verzoek zijn aangevoerd en specifiek strekken tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van dat verzoek [zie in die zin arrest van 29 oktober 2025, ClientEarth en Collectif Nourrir/Commissie, T‑399/23, EU:T:2025:1002, punt 28 (niet gepubliceerd)].
23 In casu blijkt duidelijk uit het verzoekschrift dat de door verzoekster aangevoerde argumenten, waarvan de Commissie de ontvankelijkheid in twijfel trekt, gericht zijn tegen het bestreden besluit.
24 Ten eerste strekt het voorwerp van het beroep namelijk tot nietigverklaring van het bestreden besluit en niet tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2024/1382.
25 Ten tweede voert verzoekster ter ondersteuning van haar beroep één middel aan, dat rechtstreeks is gericht tegen het bestreden besluit en niet tegen uitvoeringsverordening 2024/1382. In het bijzonder zet verzoekster in de inleiding van het deel van het verzoekschrift dat betrekking heeft op de juridische onderbouwing uiteen dat de Commissie „het recht onjuist heeft toegepast en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt” door zich op het standpunt te stellen dat uitvoeringsverordening 2024/1382 niet in strijd was met het milieurecht, ondanks de elementen die verzoekster in haar verzoek tot interne herziening had aangevoerd.
26 Verzoekster wil met haar grieven die ertoe strekken de onrechtmatigheid van uitvoeringsverordening 2024/1382 aan te tonen dus bewijzen dat het bestreden besluit zelf onrechtmatig is, voor zover daarbij het verzoek tot interne herziening van die uitvoeringsverordening is afgewezen.
27 In die omstandigheden kan de Commissie verzoekster niet verwijten dat zij enkel bepaalde argumenten heeft herhaald die zij in haar verzoek tot interne herziening had aangevoerd.
28 Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep uitsluitend betrekking heeft op een verzoek tot nietigverklaring van het bestreden besluit en dat de in het verzoekschrift aangevoerde grieven ter ondersteuning van het enige middel van verzoekster ontvankelijk zijn.
B. Enig middel
29 Het enige middel van verzoekster bestaat uit twee onderdelen, waarvan het eerste primair en het tweede subsidiair wordt aangevoerd.
30 Met het eerste onderdeel betoogt verzoekster dat de Commissie in het bestreden besluit het recht onjuist heeft toegepast en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt met betrekking tot artikel 4, leden 1, 2 en 5, van verordening nr. 1967/2006, in essentie op grond dat zij heeft geweigerd om uitvoeringsverordening 2024/1382 te herzien terwijl bij deze verordening in strijd met die bepalingen een afwijking was toegestaan van het verbod op het vissen met trawlnetten in het gebied van de Rade d’Hyères, dat met het oog op het behoud van de in diezelfde bepalingen bedoelde habitats is aangewezen als Natura 2000-gebied en binnen een SPAMI ligt.
31 Met het tweede onderdeel voert verzoekster aan dat de Commissie hoe dan ook artikel 4, leden 1 en 5, van verordening nr. 1967/2006 heeft geschonden door niet over te gaan tot interne herziening van uitvoeringsverordening 2024/1382, terwijl deze verordening de betrokken afwijking niet heeft beperkt tot Posidonia-velden, maar ook de visserij met gangui-trawlers boven andere zeegrasvelden heeft toegestaan.
1. Eerste onderdeel van het enige middel: schending van artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5, van verordening nr. 1967/2006
32 Ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het enige middel voert verzoekster twee grieven aan, waarvan de eerste, primaire grief betrekking heeft op een onjuiste toepassing van het recht ten gevolge van een onjuiste uitlegging van artikel 4, leden 4 en 5, van verordening nr. 1967/2006 en de tweede, subsidiaire grief betrekking heeft op een kennelijke beoordelingsfout in het licht van artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5, van deze verordening.
a) Grief inzake de onjuiste toepassing van het recht wegens een onjuiste uitlegging van artikel 4, leden 4 en 5, van verordening nr. 1967/2006
33 Verzoekster betoogt dat het recht in het bestreden besluit onjuist is toegepast. Ten eerste heeft de Commissie zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 geen verbod op de visserij met bepaald gesleept vistuig waarmee het mogelijk is om de doelsoort actief te vangen, zoals de werking van trawlnetten en dreggen (hierna: „gesleept vistuig”), oplegt voor het gehele gebied dat met het oog op het behoud van zeegrasvelden, koraligene habitat of kalkwierveld is aangewezen als Natura 2000-gebied, speciaal beschermd gebied (hierna: „SPA”) of SPAMI. Ten tweede heeft de Commissie zich ook in strijd met artikel 4, lid 5, van deze verordening op het standpunt gesteld dat een afwijking van het verbod om met gesleept vistuig boven Posidonia-velden te vissen mogelijk is in een gebied dat met het oog op het behoud van die velden is aangewezen als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI.
1) Draagwijdte van het verbod van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006
34 In het bestreden besluit heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 geen verbod vormt dat losstaat van het in artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van deze verordening vastgelegde verbod om met gesleept vistuig te vissen boven zeegrasvelden, koraligene habitats en kalkwiervelden. Zij heeft daaruit afgeleid dat het vissen met gesleept vistuig in gebieden die als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI worden beschermd, alleen verboden is boven deze zich in die gebieden bevindende habitats en niet in die gebieden in hun geheel.
35 Verzoekster betwist dit standpunt en is van mening dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 een bijzondere en aanvullende maatregel vormt, die inhoudt dat de visserij met gesleept vistuig verboden is in alle gebieden die als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI worden beschermd, en niet alleen boven de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van deze verordening bedoelde habitats. Volgens haar zou elke andere uitlegging artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 elk nuttig effect ontnemen door dit lid overbodig te maken in combinatie met artikel 4, leden 1 en 2, van deze verordening, waarin reeds een algemeen verbod op de visserij met gesleept vistuig boven Posidonia-velden, koraligene habitats en kalkwiervelden is vastgelegd.
36 Verzoekster betwist ook de gevolgtrekking dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 slechts van toepassing was zolang de beschermde habitats niet in kaart waren gebracht op het niveau van de lidstaten. Ten eerste bevat dit artikel namelijk geen enkele beperking in de tijd of enig verband met het in kaart brengen van de te beschermen habitats, terwijl dit in artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1967/2006 wel wordt genoemd. Ten tweede was artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1967/2006 onmiddellijk van toepassing en dus niet afhankelijk van de voorwaarde dat de habitats in kaart waren gebracht.
37 Volgens verzoekster is de door haar voorgestelde uitlegging de enige die verenigbaar is met artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU en voorts de enige mogelijke uitlegging in het licht van de beschermingsvereisten in verband met de status van SPA en SPAMI, die zijn opgenomen in het Protocol inzake de speciaal beschermde gebieden en de biologische diversiteit in de Middellandse Zee, alsook van de beschermingsvereisten die voortvloeien uit de status van Natura 2000-gebied en zijn opgenomen in de habitatrichtlijn. Overigens heeft het directoraat-generaal (DG) Milieu van de Commissie zelf erkend dat binnen de Natura 2000-gebieden geen toestemming kan worden verleend voor de visserij met gesleept vistuig.
38 De Commissie en de Franse Republiek betwisten verzoeksters betoog.
39 Overeenkomstig vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Het is eveneens vaste rechtspraak dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft en niet naar het recht van de lidstaten verwijst, moeten worden bepaald in overeenstemming met hun in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaken (zie arrest van 12 februari 2026, Stichting Koskea, C‑490/24, EU:C:2026:89, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 In casu blijkt in de eerste plaats uit de letterlijke uitlegging van artikel 4 van verordening nr. 1967/2006, waarvan de bewoordingen in punt 4 hierboven zijn weergegeven, dat deze bepaling in lid 1, eerste alinea, het beginsel formuleert dat het verboden is te vissen met gesleept vistuig, waaronder trawlnetten, „boven” zeegrasvelden van met name Posidonia. Lid 2 van dit artikel voorziet in essentie in een verbod op het gebruik van hetzelfde gesleepte vistuig „boven” koraligene habitats en kalkwiervelden.
41 In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens artikel 2, punten 11 tot en met 13, van verordening nr. 1967/2006 zeegrasvelden, koraligene habitats en kalkwiervelden alle drie worden gedefinieerd als „gebied[en] van de zeebodem waar een specifieke biologische gemeenschap” van deze habitattypen „dominant aanwezig is”, of waar een dergelijke gemeenschap „heeft bestaan en moet worden hersteld”.
42 Derhalve moet, gelet op de gebruikelijke betekenis van het bijwoord „boven” in de omgangstaal, worden vastgesteld dat de letterlijke uitlegging van artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van verordening nr. 1967/2006 uitsluit dat het verbod op het vissen met gesleept vistuig boven een zeebodem waar zeegrasvelden, koraligene habitats of kalkwiervelden dominant aanwezig zijn, of boven de zeebodem van gebieden waar deze habitats hebben bestaan en moeten worden hersteld, wordt uitgebreid tot dergelijke visserijactiviteiten boven andere zeebodems.
43 Deze uitlegging vindt steun in de verschillende taalversies van artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van verordening nr. 1967/2006, waarin gebruik wordt gemaakt van een bijwoord met dezelfde strekking, zoals de Engelse („above”), de Duitse („über”), de Italiaanse („su”), de Spaanse („por encima”) of de Roemeense taalversie („deasupra”).
44 Artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 bepaalt dat het verbod van artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van deze verordening van toepassing is in alle Natura 2000-gebieden en in de met het oog op het behoud van „deze habitats” aangewezen SPA en SPAMI.
45 In dit verband moet in navolging van de Commissie en de Franse Republiek worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 de keuze van de Uniewetgever weerspiegelen om uitdrukkelijk te verwijzen naar „[h]et in lid 1, eerste alinea, en lid 2 opgenomen verbod”, dat wil zeggen naar het verbod om met gesleept vistuig te vissen boven een zeebodem waar zeegrasvelden, koraligene habitats en kalkwiervelden dominant aanwezig zijn, waarbij hij aangeeft dat dit verbod van toepassing is in alle Natura 2000-gebieden, alle SPA en alle voor het behoud van deze habitats aangewezen SPAMI.
46 Gelet op deze uitdrukkelijke verwijzing moet met het oog op de letterlijke uitlegging van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 worden geoordeeld dat deze bepaling voorziet in een verbod op de visserij met gesleept vistuig boven zeegrasvelden, koraligene habitats en kalkwiervelden in gebieden die worden beschermd als Natura 2000-gebieden, SPA of SPAMI, die het behoud van deze habitats tot doel hebben, en niet in een verbod voor die gebieden in hun geheel.
47 Wat in de tweede plaats de contextuele uitlegging betreft, moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 uitdrukkelijk heeft bepaald dat het verbod van artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van deze verordening van toepassing was op Natura 2000-gebieden, SPA en SPAMI „vanaf de datum van inwerkingtreding” van deze verordening.
48 Zoals de Commissie in het bestreden besluit in essentie heeft uiteengezet, moet deze zinsnede in dit verband worden gelezen in het licht van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1967/2006, waarin wordt bepaald dat „[d]e lidstaten [...] passende maatregelen [nemen] om te zorgen voor de verzameling van wetenschappelijke gegevens met het oog op de identificatie en het in kaart brengen van de habitats die krachtens dit artikel moeten worden beschermd”, hetgeen dus noodzakelijkerwijs veronderstelt dat die habitats kunnen worden gelokaliseerd om ze in kaart te brengen. Uit de leden 4 en 6 van artikel 4 van verordening nr. 1967/2006, gelezen in hun onderlinge samenhang, kan dus worden opgemaakt dat vanaf de inwerkingtreding van verordening nr. 1967/2006 de praktijk van het vissen met gesleept vistuig boven zeegrasvelden, koraligene habitats en kalkwiervelden verboden was in de gebieden die met het oog op het behoud van deze drie habitattypen reeds als Natura 2000-gebieden, SPA of SPAMI waren aangewezen, ook al waren deze habitats op die datum nog niet overeenkomstig artikel 4, lid 6, van deze verordening in kaart gebracht.
49 Een dergelijke beoordeling vindt steun in de omstandigheid dat de aanwijzing van gebieden als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI met het oog op het behoud van zeegrasvelden, koraligene habitats of kalkwiervelden ten tijde van de inwerkingtreding van verordening nr. 1967/2006 reeds impliceerde dat de plaatsen waar die habitats zich bevonden konden worden geïdentificeerd, hetgeen voor diezelfde habitats niet noodzakelijkerwijs gold wanneer zij zich buiten dergelijke beschermde gebieden bevonden.
50 In dit verband bepaalde de habitatrichtlijn, die het Natura 2000-netwerk regelt, in de versie die gold ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1967/2006, in artikel 4, lid 1, eerste volzin, met betrekking tot de aanwijzing van gebieden van communautair belang die in een dergelijk netwerk kunnen worden geïntegreerd, reeds dat „[o]p basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens [...] elke lidstaat een lijst van gebieden [voorstelde] waarop [...] [de] typen natuurlijke habitats van bijlage I” waren aangegeven. Volgens bijlage III, deel A, onder a) en b), bij die richtlijn moest bij de beoordeling door de lidstaten rekening worden gehouden met de mate van representativiteit van het type natuurlijke habitat in het gebied en met de „door het type natuurlijke habitat bestreken oppervlakte van het gebied ten opzichte van de totale door dit type natuurlijke habitat op het nationale grondgebied bestreken oppervlakte”. Ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1967/2006 werd aan deze bijlage uitvoering gegeven bij beschikking 97/266/EG van de Commissie van 18 december 1996 betreffende het informatieformulier voor als Natura 2000-gebied voorgestelde gebieden (PB 1997, L 107, blz. 1), waarvan punt 3.1 verplichtte om de in het gebied voorkomende habitattypen en het percentage van dat gebied dat zij vertegenwoordigden, te vermelden.
51 De aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied met het oog op het behoud van een van de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van verordening nr. 1967/2006 genoemde habitats vereiste dus noodzakelijkerwijs dat die habitats op het tijdstip van de vaststelling van deze verordening moesten kunnen worden gelokaliseerd.
52 Evenzo bevestigen de bepalingen van het Protocol inzake de speciaal beschermde gebieden en de biologische diversiteit in de Middellandse Zee dat de aanwijzing van een marien gebied als SPA of SPAMI ook impliceert dat de beschermde habitats in dat gebied moeten kunnen worden gelokaliseerd. Wat ten eerste de SPA betreft, schrijft artikel 7, lid 1, van dat protocol voor dat maatregelen worden vastgesteld voor de planning, het beheer en de controle van SPA, hetgeen volgens artikel 7, lid 2, onder b), van dat protocol „de voortdurende monitoring van ecologische processen, habitats, de dynamiek van de populaties, landschappen en de impact van menselijke activiteiten” moet omvatten. Wat ten tweede de SPAMI betreft, bepaalt artikel 9, lid 3, van dat protocol dat „[d]e partijen die een voorstel tot plaatsing op de lijst van de SPAMI indienen, [...] het centrum [voor regionale activiteiten voor SPA] een presentatieverslag [verstrekken] met informatie over de geografische ligging, de fysieke en ecologische kenmerken, de juridische status, het beheersplan en de middelen voor de uitvoering ervan, alsmede een uiteenzetting waarin het belang van het gebied in het Middellandse Zeegebied wordt gerechtvaardigd”.
53 Uit de letterlijke uitlegging van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006, die wordt bevestigd door de contextuele uitlegging ervan, volgt dat het verbod van deze bepaling op het vissen met gesleept vistuig niet geldt voor de gebieden die met het oog op het behoud van zeegrasvelden, koraligene habitats en/of kalkwiervelden als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI worden beschermd in hun geheel, maar alleen boven die habitats.
54 Wat in de derde plaats de teleologische uitlegging van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 betreft, moet worden vastgesteld dat deze verordening betrekking heeft op het beheer van de visserij in de Middellandse Zee en dat de Uniewetgever met het oog op dat beheer eisen inzake een hoog niveau van milieubescherming heeft opgenomen overeenkomstig de artikelen 11 en 191 VWEU. In dit verband wordt in overweging 5 van deze verordening aangegeven dat „[d]e Gemeenschap [...] zich ertoe [heeft] verbonden de voorzorgsaanpak te volgen bij het treffen van maatregelen die erop zijn gericht levende aquatische hulpbronnen en mariene ecosystemen te beschermen en in stand te houden, en te zorgen voor een duurzame exploitatie van die hulpbronnen”. In het licht van dergelijke vereisten heeft de Uniewetgever in artikel 4, leden 1 en 2, van deze verordening het beginsel vastgelegd dat het vissen met gesleept vistuig verboden is boven zeegrasvelden, koraligene habitats en kalkwiervelden, met inbegrip van de gebieden waar deze habitats hebben bestaan en worden hersteld (zie punt 41 hierboven).
55 Uit de bewoordingen van overweging 4 van verordening nr. 1967/2006 blijkt ook dat zij tot doel heeft om een specifiek beheerskader vast te stellen „met het oog op de biologische, sociale en economische kenmerken van de visserij in de Middellandse Zee”. Evenzo staat in overweging 18 te lezen dat „[t]er bescherming van kraamgebieden en gevoelige habitats en ter verbetering van de sociale duurzaamheid van de visserij in de Middellandse Zee [...] een deel van het kustgebied [moet] worden gereserveerd voor kleine vissers die selectieve vistuigen gebruiken”.
56 Hieruit volgt dat bij de uitlegging van verordening nr. 1967/2006 ook sociale en economische overwegingen, samen met milieuoverwegingen, op evenwichtige wijze in aanmerking moeten worden genomen.
57 In die omstandigheden kan de bescherming van de in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 bedoelde kwetsbare habitats ten eerste niet uitsluiten dat in een als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI beschermd gebied gesleept vistuig wordt gebruikt, in het bijzonder door kleine vissers, met uitzondering van de delen van deze gebieden die dergelijke habitats omvatten of waarvoor herstelmaatregelen zijn getroffen.
58 Ten tweede is een dergelijke uitlegging, anders dan verzoekster betoogt, in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 11 en 191 VWEU, waarvan de vereisten door de Uniewetgever in aanmerking zijn genomen (zie punt 54 hierboven). Voor het overige heeft verzoekster enkel de tekst van deze bepalingen van primair recht aangehaald, zonder uit te leggen in welk opzicht zij tot gevolg hebben dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het verbod op het vissen met gesleept vistuig wordt uitgebreid tot de als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI aangewezen gebieden in hun geheel.
59 Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat de Commissie zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 niet aldus moet worden uitgelegd dat het voor de gebieden die met het oog op het behoud van zeegrasvelden, koraligene habitats en/of kalkwiervelden als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI worden beschermd in hun geheel een verbod oplegt om met gesleept vistuig te vissen.
60 Verzoeksters overige argumenten kunnen niet aan deze gevolgtrekking afdoen.
61 Ten eerste betoogt verzoekster dat de door haar verdedigde uitlegging van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 de enige uitlegging is die verenigbaar is met artikel 6 van de habitatrichtlijn inzake de bescherming van Natura 2000-gebieden. Zij betoogt in essentie dat op grond van deze richtlijn alleen toestemming kan worden verleend voor menselijke activiteiten in een Natura 2000-gebied indien vaststaat dat zij geen enkel risico op aantasting van de beschermde habitat inhouden, en dat dit niet het geval kan zijn bij het vissen met gesleept vistuig in de Natura 2000-gebieden die met name met het oog op het behoud van Posidonia-velden zijn aangewezen.
62 In dit verband bepaalt artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de habitatrichtlijn:
„2. De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.”
63 Aldus blijkt om te beginnen uit artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn dat het aan de lidstaten is om de gevolgen van menselijke activiteiten binnen een Natura 2000-gebied te beoordelen en, in voorkomend geval, binnen de uitoefening van hun beoordelingsmarge dergelijke activiteiten te verbieden indien zij kunnen leiden tot verslechtering van de beschermde habitats in dat gebied. Het gaat om een algemene beschermingsverplichting die tot doel heeft passende beschermingsmaatregelen vast te stellen waarmee verslechteringen en verstoringen kunnen worden voorkomen die gelet op de doelstellingen van de habitatrichtlijn significante effecten zouden kunnen hebben (zie arrest van 14 januari 2016, Grüne Liga Sachsen e.a., C‑399/14, EU:C:2016:10, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze bepaling legt weliswaar een algemene verplichting op om passende beschermende maatregelen te treffen ter voorkoming van met name verslechtering van de toestand van de habitats, maar voorziet niet in welbepaalde maatregelen die de lidstaten moeten vaststellen, zodat zij bij de toepassing van deze bepaling over een beoordelingsmarge beschikken [zie arrest van 14 november 2024, Commissie/Duitsland (Verslechtering van de kwaliteit van schraal hooiland), C‑47/23, EU:C:2024:954, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
64 Voorts voorziet artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn in een beoordelingsprocedure die is bedoeld om door middel van een voorafgaande controle te garanderen dat voor een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het betrokken gebied maar dat voor het gebied significante gevolgen kan hebben, alleen toestemming wordt verleend voor zover het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten (zie arrest van 11 april 2013, Sweetman e.a., C‑258/11, EU:C:2013:220, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Ten slotte voorziet artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn in de mogelijkheid dat een project of plan om dwingende redenen van groot openbaar belang moet worden gerealiseerd, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, tweede volzin, van deze richtlijn, en bij ontstentenis van alternatieve oplossingen.
66 Hieruit volgt dat artikel 6 van de habitatrichtlijn, dat tot de lidstaten is gericht, hen niet verplicht om in beginsel elke menselijke activiteit binnen een Natura 2000-gebied te verbieden, maar dat het een dergelijke activiteit in wezen steeds afhankelijk stelt van de noodzaak om aan te tonen dat deze activiteit geen significante afbreuk dreigt te doen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitats die dit gebied beoogt te beschermen, met dien verstande dat de lidstaten in bepaalde gevallen, zelfs in geval van een dergelijk risico, die activiteit kunnen handhaven.
67 Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat artikel 6 van de habitatrichtlijn impliceert dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het zich noodzakelijkerwijs verzet tegen het vissen met gesleept vistuig in het gehele Natura 2000-gebied dat is aangewezen voor het behoud van zeegrasvelden, koraligene habitats of kalkwiervelden, ook op plaatsen in dat gebied waar die habitats niet voorkomen. Overigens blijkt in casu uit de stukken van het dossier dat de Franse autoriteiten een „analyse van de risico’s van visserijactiviteiten” voor de Rade d’Hyères hebben uitgevoerd, op basis waarvan zij hebben geconcludeerd dat het risico van ondermijning van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Posidonia-velden door het vissen met gangui-trawlers matig was en niet significant, zoals de Commissie in overweging 7 van uitvoeringsverordening 2024/1382 heeft aangegeven.
68 Zoals de Commissie in overweging 25 van uitvoeringsverordening 2024/1382 heeft aangegeven, doet „[d]eze verordening [bovendien] geen afbreuk aan [haar] standpunt [...] inzake de verenigbaarheid van de onder deze afwijking vallende activiteiten met andere wetgeving van de Unie, en met name met [de habitatrichtlijn]”. Indien een lidstaat in voorkomend geval overeenkomstig de krachtens de habitatrichtlijn op hem rustende verplichtingen tot de slotsom komt dat het vissen met gesleept vistuig in gebieden die met het oog op de bescherming van de drie betrokken habitats als Natura 2000-gebied zijn aangewezen, significant afbreuk dreigt te doen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden, dient hij namelijk de nodige maatregelen te nemen om een dergelijke activiteit te reguleren of zelfs te verbieden, los van enige maatregel op grond van verordening nr. 1967/2006.
69 Verzoeksters betoog met betrekking tot de habitatrichtlijn moet dus worden afgewezen.
70 Ten tweede geldt dezelfde gevolgtrekking voor verzoeksters betoog op basis van het Protocol inzake de speciaal beschermde gebieden en de biologische diversiteit in de Middellandse Zee.
71 Zoals verzoekster benadrukt, verplichten artikel 6, onder h), en artikel 8, lid 3, onder b), van dat protocol de verdragsluitende partijen, die partij zijn bij het Verdrag inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging, ondertekend te Barcelona op 16 februari 1976 (PB 1977, L 240, blz. 3), inderdaad in wezen om geen toestemming te verlenen voor activiteiten die schade kunnen toebrengen aan de natuurlijke rijkdommen waarvan de SPA- of SPAMI-status het behoud beoogt, waaronder met name Posidonia. Uit deze bepalingen blijkt echter niet dat de praktijk van het vissen met gesleept vistuig in de SPA of SPAMI die geen dergelijke natuurlijke rijkdommen omvatten, als schadelijk voor die gebieden moet worden beschouwd. Voorts is de in deze bepalingen vastgelegde regel niet absoluut, aangezien artikel 18, lid 1, van dat protocol bepaalt dat „[b]ij de vaststelling van beschermende maatregelen [...] de partijen rekening [houden] met de traditionele activiteiten van de plaatselijke bevolking op het gebied van levensonderhoud en cultuur [en] zo nodig afwijkingen [toestaan] om rekening te houden met deze behoeften”.
72 Uit het Protocol inzake de speciaal beschermde gebieden en de biologische diversiteit in de Middellandse Zee kan dus niet worden afgeleid dat het vissen met gesleept vistuig in een SPA of SPAMI in alle omstandigheden en op alle zeebodems van een dergelijk gebied een activiteit is die noodzakelijkerwijs wordt geacht schade te kunnen toebrengen aan de natuurlijke rijkdommen waarvan het behoud wordt beoogd door die gebieden als zodanig aan te wijzen.
73 Ten derde benadrukt verzoekster dat het DG Milieu, in het kader van een vergadering van de Commissie visserij van het Europees Parlement op 1 maart 2023 en in een brief die het in 2011 samen met het DG Maritieme zaken heeft verzonden aan het Koninkrijk Spanje, zelf heeft gesteld dat het vissen met gesleept vistuig in de Natura 2000-gebieden moet worden verboden.
74 Wat echter, ten eerste, de verklaring van een vertegenwoordiger van het DG Milieu op 1 maart 2023 betreft, moet worden opgemerkt dat deze niet bestond in een analyse van de rechtmatigheid van het vissen met gesleept vistuig in Natura 2000-gebieden in het licht van verordening nr. 1967/2006, noch, meer in het algemeen, van het op die datum geldende recht. Deze verklaring werd namelijk gegeven in het kader van een discussie met de leden van de commissie visserij van het Parlement over maatregelen die nog niet waren vastgesteld en die de Commissie enkel had overwogen in haar mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 21 februari 2023, met de titel „EU-actieplan: Bescherming en herstel van mariene ecosystemen voor duurzame en veerkrachtige visserij [COM(2023) 102 final]. In het bijzonder had de door verzoekster benadrukte passage betrekking op de in die mededeling aangegeven doelstelling van een geleidelijk verbod op de bodemvisserij in beschermde mariene gebieden voor 2030.
75 Ten tweede zijn de bewoordingen van de brief die het DG Milieu en het DG Maritieme zaken in 2011 gezamenlijk aan het Koninkrijk Spanje hebben verzonden niet in tegenspraak met het standpunt dat de Commissie in het bestreden besluit heeft ingenomen. In die brief staat namelijk te lezen dat „[i]n een Natura 2000-gebied dat niet uitsluitend voor het behoud van deze habitats is aangewezen, [...] de verbodsbepalingen van artikel 4, leden 1 en 2, [van verordening nr. 1967/2006] van toepassing [zijn] op de zeebodem waar de bedoelde habitats voorkomen (of op de zeebodem waar dergelijke habitats hebben bestaan en waar herstelmaatregelen nodig zijn), en niet op alle zeebodems in dat Natura 2000-gebied”. De Commissie had dus duidelijk aangegeven dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 in beginsel geen grondslag kon vormen voor een verbod op het vissen met gesleept vistuig voor het als Natura 2000-gebied beschermde gebied in zijn geheel.
76 Het is juist dat in dezelfde brief werd aangegeven dat „in bepaalde gevallen en omstandigheden, zoals in het geval van gebieden die uitsluitend zijn aangewezen voor het behoud van de betrokken habitats, [...] de doeltreffende bescherming van de in artikel 4, leden 1 en 2, van verordening [nr. 1967/2006] genoemde habitats het noodzakelijk [kan] maken om op alle zeebodems in het Natura 2000-gebied het vissen [met gesleept vistuig] te verbieden”. Zoals de Commissie betoogt, is een dergelijke precisering evenwel het gevolg van de omstandigheid dat een Natura 2000-gebied met als enige doel het behoud van een of meer van de in artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1967/2006 bedoelde habitats, strikt genomen volledig bestaat uit door dergelijke habitats bedekte bodems of bodems die bestemd zijn om deze te herstellen, en waarboven de praktijk van het vissen met gesleept vistuig dus verboden is op grond van artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1967/2006, waarnaar artikel 4, lid 4, van deze verordening verwijst.
77 Bijgevolg heeft de Commissie, anders dan verzoekster betoogt, niet gesteld dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 voorziet in een verbod op het vissen met gesleept vistuig in alle mariene gebieden die worden beschermd als Natura 2000-gebieden, SPA of SPAMI, waarbij hoe dan ook in herinnering moet worden gebracht dat de Unierechter en niet de Commissie bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht uit te leggen [zie in die zin advies 1/17 (CETA EU-Canada) van 30 april 2019, EU:C:2019:341, punt 111 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
78 Ten vierde betoogt verzoekster in repliek dat de door artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 geboden bescherming zich moet uitstrekken tot het gebied dat met het oog op het behoud van een habitat als bedoeld in die bepaling is aangewezen als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI in zijn geheel, aangezien een dergelijke aanwijzing impliceert dat dit gebied niet alleen de aanwezigheid van die habitat omvat, maar ook de omstandigheden die noodzakelijk zijn voor het herstel, de herkolonisatie en de groei ervan.
79 Een dergelijk argument kan echter niet slagen, zonder dat hoeft te worden beslist over de ontvankelijkheid ervan, die de Commissie betwist op grond dat het niet was aangevoerd in het verzoek tot interne herziening.
80 Volgens de omschrijving van verordening nr. 1967/2006 omvatten de in artikel 4 ervan bedoelde habitats namelijk de gebieden waar zij daadwerkelijk dominant aanwezig zijn, maar ook de gebieden waar zij „hebben bestaan” en „moeten worden hersteld” (zie punt 41 hierboven). Bij de uitlegging volgens welke artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 niet van toepassing is op de gebieden die als Natura 2000-gebieden, ASP of ASPIM worden beschermd in hun geheel, wordt dus niet voorbijgegaan aan de doelstellingen in verband met het herstel, de groei of de herkolonisatie van zeegrasvelden, koraligene habitats en kalkwiervelden, aangezien de voor herstel daarvan aangewezen sectoren wel onder het verbod op het vissen met gesleept vistuig vallen.
81 Gelet op het voorgaande moet verzoeksters argument dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het voorziet in een specifiek verbod dat ruimer is dan dat van artikel 4, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van deze verordening, worden afgewezen.
82 Bijgevolg moet verzoeksters betoog worden onderzocht dat het op grond van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 onmogelijk is om in een gebied dat voor het behoud van Posidonia-velden is aangewezen als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI af te wijken van het verbod op het vissen met gesleept vistuig.
2) Toepasselijkheid van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 met betrekking tot een gebied dat voor het behoud van Posidonia-velden is aangewezen als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI
83 In het bestreden besluit heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 kan worden afgeweken van het in artikel 4, lid 4, van deze verordening bedoelde verbod op het vissen met gesleept vistuig boven Posidonia-velden, ook wanneer deze zijn gelegen in Natura 2000-gebieden, SPA of SPAMI, mits deze praktijk wordt uitgevoerd door kleine kustvissers en deze habitat niet aantast.
84 Verzoekster betwist deze beoordeling en betoogt dat artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 enkel toestaat om af te wijken van het verbod van artikel 4, lid 1, van deze verordening, waarnaar het uitdrukkelijk verwijst, maar niet van het verbod van artikel 4, lid 4, van deze verordening, waarnaar het niet verwijst. Verzoekster voegt hieraan toe dat elke andere uitlegging in strijd zou zijn met de bescherming van Natura 2000-gebieden die wordt gewaarborgd door artikel 6 van de habitatrichtlijn, waarvan lid 4, tweede alinea, uitsluit dat op grond van economische overwegingen een menselijke activiteit kan worden uitgeoefend die schade kan toebrengen aan natuurlijke habitats die krachtens deze richtlijn als prioritair worden beschouwd, waaronder Posidonia. Volgens verzoekster moet artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 aldus worden uitgelegd dat het niet voorziet in de mogelijkheid om de betrokken afwijking toe te staan, aangezien deze van toepassing is op het Natura 2000-gebied Rade d’Hyères, waarmee het behoud van Posidonia-velden wordt beoogd.
85 De Commissie en de Franse Republiek betwisten verzoeksters betoog.
86 Volgens artikel 4, lid 5, eerste alinea, van verordening nr. 1967/2006 kan, „[i]n afwijking van lid 1, eerste alinea, [...] de visserij met vissersvaartuigen met een lengte over alles van ten hoogste 12 m en een motorvermogen van ten hoogste 85 kW met bodemsleepnetten die traditioneel in Posidonia-velden wordt uitgevoerd, [...] door de Commissie worden toegestaan” onder drie voorwaarden, namelijk, ten eerste, dat „de betrokken visserijactiviteiten zijn gereguleerd volgens een beheersplan als bedoeld in artikel 19 van deze verordening”, ten tweede, dat „de betrokken visserijactiviteiten [...] niet meer dan 33 % [betreffen] van de oppervlakte van de zeegrasvelden van Posidonia oceanica in het gebied waarop het beheersplan betrekking heeft, en, ten derde, dat „de betrokken visserijactiviteiten [...] niet meer dan 10 % [betreffen] van de zeegrasvelden in de territoriale wateren van de betrokken lidstaat”.
87 Het is juist dat, zoals verzoekster benadrukt, artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 uitsluitend verwijst naar artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze verordening, en niet naar artikel 4, lid 4, ervan.
88 Artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006 verwijst evenwel zelf naar artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze verordening. Zoals de Commissie in punt 8 van het bestreden besluit in essentie heeft benadrukt, gaat het dus niet om twee afzonderlijke verboden, zodat wanneer artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze verordening, dit ook de mogelijkheid meebrengt om een dergelijke afwijking toe te staan wanneer de betrokken habitats, te weten de Posidonia-velden, zich bevinden in een gebied dat met het oog op het behoud van die habitats is aangewezen als Natura 2000-gebied, SPA of SPAMI.
89 Ten eerste wordt deze letterlijke lezing bevestigd door de keuze van de Uniewetgever om de uitzondering op het verbod op het vissen met gesleept vistuig op te nemen in artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006, dus na artikel 4, lid 4, ervan, dat betrekking heeft op de vaststelling van dit verbod in Natura 2000-gebieden, SPA en SPAMI.
90 Ten tweede vormt deze bepaling, zoals blijkt uit het onderzoek van de draagwijdte van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1967/2006, geen verbod dat losstaat van het verbod van artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze verordening. Wat in het bijzonder verzoeksters argumenten betreft die gebaseerd zijn op de bescherming die voortvloeit uit de status van Natura 2000-gebied moet worden benadrukt dat, om dezelfde redenen als die welke in punt 68 hierboven zijn vermeld, het in voorkomend geval aan de lidstaat kan zijn om, indien hij tot de slotsom komt dat het vissen met gesleept vistuig boven Posidonia-velden in een voor het behoud van die habitat aangewezen Natura 2000-gebied een dergelijk behoud kan aantasten, een dergelijke praktijk op grond van de habitatrichtlijn niet toe te staan, ook al komt zij in aanmerking voor een afwijking op grond van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006.
91 Zoals de Franse Republiek ter terechtzitting heeft uiteengezet, vormt de betrokken afwijking geen algemene machtiging om met gangui-trawlers te vissen op de Rade d’Hyères en worden de machtigingen aan individuele vaartuigen afgegeven. Overeenkomstig artikel 4, lid 5, eerste alinea, i), van verordening nr. 1967/2006 wordt deze afwijking namelijk gereguleerd volgens een beheersplan dat is opgesteld overeenkomstig artikel 19 van deze verordening, waarvan lid 6 voorschrijft dat „in de afgifte van speciale visdocumenten [wordt voorzien] in overeenstemming met verordening (EG) nr. 1627/94”. Dienaangaande bepaalt artikel 123 van verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB 2009, L 343, blz. 1), gelezen in samenhang met bijlage II bij die verordening, dat de verwijzingen naar verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten (PB 1994, L 171, blz. 7), gelden als verwijzingen naar artikel 7 van verordening nr. 1224/2009, met als opschrift „Vismachtiging”. Volgens artikel 4, punt 10, van verordening nr. 1224/2009 wordt een vismachtiging „afgegeven voor een Unievissersvaartuig dat reeds over een visvergunning beschikt en die dit vaartuig het recht geeft om specifieke visserijactiviteiten te verrichten tijdens een bepaalde periode, in een bepaald gebied of binnen een bepaalde visserijtak onder specifieke voorwaarden”.
92 Indien de afgifte van een vismachtiging aan een vaartuig in strijd zou zijn met de bepalingen van de habitatrichtlijn, zouden de Franse autoriteiten dus geen vismachtiging moeten afgeven, ook al is er sprake van de betrokken afwijking.
93 Bovendien wordt de mogelijkheid om in een Natura 2000-gebied af te wijken van het verbod van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1967/2006 ook bevestigd door het restrictieve en cumulatieve karakter van de voorwaarden van artikel 4, lid 5, eerste alinea, van deze verordening. Volgens deze bepaling kan een dergelijke afwijking er slechts toe leiden dat visserijactiviteiten met gesleept vistuig worden toegestaan indien zij worden uitgeoefend, ten eerste, traditioneel, ten tweede, in Posidonia-velden en dus met uitsluiting van andere zeegrasvelden, ten derde, door vaartuigen die zowel qua lengte als qua motorvermogen begrensd zijn en, ten vierde, in gebieden die beperkt zijn tot maximaal 33 % van de oppervlakte van de Posidonia-velden in het gebied waarop het beheersplan betrekking heeft, en tot maximaal 10 % van de zeegrasvelden in de territoriale wateren van de betrokken lidstaat. In dezelfde zin bepaalt artikel 4, lid 5, vierde en vijfde alinea, van verordening nr. 1967/2006 dat het onmogelijk is om opnieuw een visserijactiviteit goed te keuren die op grond van die afwijking was toegestaan, wanneer het betrokken vaartuig met overheidsmiddelen uit de vaart is genomen, en dat de betrokken lidstaten verplicht zijn om een toezichtsplan op te stellen en elke drie jaar te rapporteren over de toestand van de onder deze afwijking vallende zeegrasvelden van Posidonia.
94 Om al deze redenen moet de gevolgtrekking worden gemaakt dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het op grond van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 mogelijk is om een afwijking toe te staan voor de praktijk van het vissen met gesleept vistuig, door bepaalde vaartuigen, boven Posidonia-velden, ongeacht of die velden zich al dan niet in een Natura 2000-gebied, een SPA of een SPAMI bevinden.
95 De door verzoekster benadrukte omstandigheid dat Posidonia-velden een „prioritaire habitat” in de zin van de habitatrichtlijn vormen en dus een verhoogde bescherming genieten op grond van artikel 6, lid 4, tweede alinea, van die richtlijn, betekent niet dat niet kan worden afgeweken van het verbod van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 om met gesleept vistuig te vissen boven dergelijke velden in een gebied dat met het oog op het behoud ervan als Natura 2000-gebied is aangewezen.
96 Zoals in de punten 64 en 65 hierboven is opgemerkt, is artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn slechts van toepassing wanneer uit de in artikel 6, lid 3, van die richtlijn bedoelde beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor een Natura 2000-gebied blijkt dat er een risico bestaat dat dit plan of project de natuurlijke kenmerken van dat gebied zal aantasten, hetgeen de nationale autoriteiten van de lidstaten in voorkomend geval onder toezicht van de Commissie dienen te beoordelen.
97 Derhalve kan niet worden geoordeeld dat artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn impliceert dat artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 zich in alle gevallen verzet tegen het toestaan van een afwijking van het verbod op het vissen met gesleept vistuig boven Posidonia-velden in een gebied dat met het oog op het behoud van die habitat is aangewezen als Natura 2000-gebied.
98 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat de Commissie in het bestreden besluit het recht onjuist heeft toegepast door artikel 4, leden 4 en 5, van verordening nr. 1967/2006 onjuist uit te leggen.
b) Grief inzake de kennelijke beoordelingsfout in het licht van artikel 4, leden 1, 2 en 5, van verordening nr. 1967/2006
99 In punt 14 van het bestreden besluit heeft de Commissie zich in essentie op het standpunt gesteld dat de betrokken afwijking enkel van toepassing was op de gangui-visserij boven Posidonia-velden, en niet boven andere beschermde habitats in het Natura 2000-gebied Rade d’Hyères.
100 Verzoekster betoogt dat de Commissie aldus een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt in het licht van artikel 4, leden 1, 2 en 5, van verordening nr. 1967/2006.
101 In die zin voert verzoekster aan dat, gesteld al dat op grond van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 kan worden afgeweken van de door artikel 4, lid 4, van deze verordening geboden bescherming, een dergelijke afwijking enkel kan worden beperkt tot het vissen met gesleept vistuig boven Posidonia-velden, met uitsluiting van de andere zeebodems die op grond van artikel 4, leden 1 en 2, van deze verordening worden beschermd. Aangezien de Rade d’Hyères en het nationaal park Port-Cros respectievelijk zijn aangewezen als Natura 2000-gebied en SPAMI, met het oog op het behoud van niet alleen velden van Posidonia maar ook van velden van goed gesorteerd fijn zand met Cymodocea nodosa, alsook van koraligene habitats, kan voor die zeebodems in casu geen enkele afwijking worden toegestaan.
102 In repliek voert verzoekster ook aan dat de in punt 101 hierboven genoemde habitats elkaar kunnen overlappen en dus niet noodzakelijkerwijs afzonderlijke geografische gebieden vormen.
103 De Commissie en de Franse Republiek betwisten verzoeksters betoog.
104 In de eerste plaats moet worden geoordeeld dat, overeenkomstig hetgeen blijkt uit het onderzoek van de door verzoekster aangevoerde onjuiste toepassing van het recht, een afwijking van het verbod op het vissen met gesleept vistuig krachtens artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 nog steeds mogelijk is wanneer een gebied niet alleen het behoud van Posidonia-velden maar ook van koraligene habitats, kalkwiervelden of ander zeegrasgrasvelden tot doel heeft, maar dat die afwijking alleen kan worden toegepast op de traditionele visserij met gesleept vistuig boven de Posidonia-velden in dat gebied (zie punt 93 hierboven). Met andere woorden, deze afwijking kan – anders dan verzoekster stelt – niet tot gevolg hebben dat vissen met gesleept vistuig boven andere zeegrasvelden dan die van Posidonia, zoals velden van Cymodocea nodosa, of boven koraligene habitats wordt toegestaan.
105 Hoewel de Rade d’Hyères met het oog op het behoud van andere habitats dan Posidonia-velden als Natura 2000-gebied is aangewezen, kan uitvoeringsverordening 2024/1382 in casu bijgevolg niet dienen als grondslag voor het toestaan van gangui-visserij boven andere beschermde habitats in dat gebied dan Posidonia-velden.
106 Wat in de tweede plaats de mogelijkheid betreft dat de beschermde habitats in het gebied van de Rade d’Hyères elkaar overlappen, is het juist dat in de door verzoekster overgelegde habitatbeschrijving die is opgenomen in het document met de doelstellingen van het Natura 2000-gebied Rade d’Hyères (hierna: „DOCOB”), staat dat „[h]et [Posidonia-]veld [...] aan de onderrand af en toe [kan] grenzen aan koraligene habitat” en dat koraligene habitat zich voornamelijk aan de onderrand van Posidonia-velden bevindt, op tientallen meters diep, of zelfs, zoals verzoekster benadrukt met betrekking tot de sector van de Cap de Brégançon op Pointe de l’Esquillette (Frankrijk), „in de vorm van kleine blokken in het Posidonia-veld voor de kust van de Cap Blanc”.
107 Uit de stukken van het dossier blijkt evenwel dat de Commissie over cartografische informatie beschikte met betrekking tot, ten eerste, de locatie van Posidonia-velden en de koraligene habitats in de Rade d’Hyères en, ten tweede, de geografische voetafdruk van de gangui-visserij in 2022 in datzelfde gebied, op grond waarvan in essentie kan worden vastgesteld dat de gangui-visserij geconcentreerd was in gebieden waar de zeebodem werd gekenmerkt door de dominante aanwezigheid van Posidonia-velden en het ontbreken van koraligene habitats.
108 De betrouwbaarheid van de informatie over de locatie van de Posidonia-velden en de koraligene habitats wordt bevestigd door de habitatbeschrijving in het DOCOB, waarin de gevolgtrekking wordt gemaakt dat „kan worden aangenomen dat de cartografie van het Posidonia-veld in het Natura 2000-gebied Rade d’Hyères nauwkeurig is” en, wat de koraligene habitats betreft, dat „de cartografie van deze habitat is gebaseerd op bibliografische gegevens van het gebied rond de eilanden [...] en sonargegevens voor de rest van het Natura 2000-gebied, aangevuld met duiktransecten en incidentele duiken in elke sector”, en dat „[d]e foutmarge van de verspreiding van het koraligeen [...] gering” is.
109 Daarnaast heeft de Franse Republiek in antwoord op een verzoek van het Gerecht tot overlegging van een document in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang, een gedetailleerde in het DOCOB opgenomen cartografische atlas overgelegd, waaruit blijkt dat de koraligene habitats in het gebied van de Rade d’Hyères nauwkeurig zijn gelokaliseerd, ook wanneer zij zich midden in een Posidonia-veld bevinden. Bovendien blijkt uit een vergelijking van de kaart met de geografische voetafdruk van de gangui-visserij in 2022 in de Rade d’Hyères met de gedetailleerde kaarten van dezelfde atlas waarin deze voetafdruk is opgenomen, te weten de kaarten nr. 32.1 tot en met nr. 32.3 en nr. 32.7 tot en met nr. 32.10, in essentie dat de door de gangui-visserij bestreken sector geen gebieden betrof waarin de Posidonia-velden koraligene habitats bevatten.
110 Wat ten slotte de Cymodocea nodosa-velden betreft, waarvan verzoekster niet uitdrukkelijk stelt dat deze in de Rade d’Hyères grenzen aan de Posidonia-velden, blijkt hoe dan ook dat deze twee soorten zeegrasvelden van elkaar werden onderscheiden. In het deel over het goed gesorteerd fijn zand met Cymodocea nodosa-velden vermeldt de in het DOCOB opgenomen habitatbeschrijving namelijk dat „[d]e gegevens over de verspreiding van deze habitat [...] nauwkeurig [zijn] omdat deze tot aan de onderrand zichtbaar is op de luchtfoto” en dat „[t]er plaatse [...] specifieke metingen [zijn] verricht in oppervlakten van fijn zand, met name om Posidonia-velden op zand te onderscheiden van plantenresten of Cymodocea-velden”.
111 In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de toestemming voor gangui-visserij boven Posidonia-velden in de Rade d’Hyères impliceert dat deze visserij ook boven de in dat gebied gelegen koraligene habitats of Cymodocea nodosa-velden plaatsvindt.
112 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat uitvoeringsverordening 2024/1382 het milieurecht niet heeft geschonden door de betrokken afwijking toe te staan in een gebied dat met het oog op het behoud van niet alleen Posidonia-velden, maar ook Cymodocea nodosa-velden en koraligene habitats, als Natura 2000-gebied is aangewezen, waarbij in herinnering moet worden gebracht dat die afwijking niet tot gevolg mag hebben dat de gangui-visserij boven laatstgenoemde twee habitats wordt toegestaan.
113 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het enige middel worden afgewezen.
2. Tweede onderdeel van het enige middel: schending van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006
114 In het bestreden besluit heeft de Commissie aangegeven dat de betrokken afwijking op grond van artikel 1 van uitvoeringsverordening 2024/1382 alleen van toepassing was op Posidonia-velden. In dit verband heeft zij, ten eerste, opgemerkt dat in de overwegingen van die uitvoeringsverordening werd verwezen naar artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006, op grond waarvan uitsluitend boven dergelijke velden kan worden afgeweken van het verbod om met gesleept vistuig te vissen, ten tweede, dat sommige overwegingen van die uitvoeringsverordening een analyse bevatten van de in die bepaling gestelde voorwaarden en uitsluitend betrekking hadden op Posidonia-velden, ten derde, dat het Franse beheersplan, het verslag van de Franse autoriteiten over de toepassing van de betrokken afwijking en het verslag van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) uitsluitend betrekking hadden op die velden en, ten vierde, dat uitvoeringsverordening nr. 586/2014 uitdrukkelijk naar die velden verwees.
115 Verzoekster betwist deze beoordeling en verwijt de Commissie dat zij in het bestreden besluit niet heeft erkend dat uitvoeringsverordening 2024/1382 onrechtmatig was omdat in het dispositief ervan was bepaald dat artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1967/2006 in zijn geheel niet van toepassing was. Volgens haar vormde uitvoeringsverordening 2024/1382, gelet op dergelijke bewoordingen, een onvoldoende duidelijke bepaling op grond waarvan het vissen met gesleept vistuig boven alle zeegrasvelden, en niet alleen Posidonia-velden, was toegestaan, en die daarmee in strijd was met artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006.
116 De Commissie en de Franse Republiek betwisten verzoeksters betoog.
117 Ten eerste moet een uitvoeringsverordening volgens de rechtspraak van het Hof indien mogelijk aldus worden uitgelegd dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van de basisverordening (zie arrest van 29 april 2021, Natumi, C‑815/19, EU:C:2021:336, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ten tweede blijkt tevens uit de rechtspraak van het Hof dat het dispositief van een handeling onafscheidelijk verbonden is met de motivering ervan, zodat het indien nodig moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid (zie arrest van 4 december 2019, Consorzio Tutela Aceto Balsamico di Modena, C‑432/18, EU:C:2019:1045, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 In casu bepaalt artikel 1 van uitvoeringsverordening 2024/1382 dat „[a]rtikel 4, lid 1, eerste alinea, artikel 13, lid 1, eerste alinea, en artikel 13, lid 2, van verordening [...] nr. 1967/2006 [...] niet van toepassing [zijn] op [bepaalde] ,gangui’-trawlers in de territoriale wateren van Frankrijk voor de kust van de regio Provence-Alpes-Côte d’Azur”.
119 Zoals verzoekster benadrukt, wordt met dergelijke bewoordingen inderdaad voorzien in een afwijking van artikel 4, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1967/2006, zonder dat wordt vermeld dat een dergelijke afwijking alleen geldt boven Posidonia-velden, en niet boven andere in die bepaling bedoelde zeegrasvelden.
120 In de eerste plaats zij er evenwel aan herinnerd dat, zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het enige middel, artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006 enkel een afwijking van artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze verordening toestaat wat betreft het vissen met gesleept vistuig boven Posidonia-velden, en niet boven andere zeegrasvelden of beschermde habitats.
121 Zoals de Commissie in het bestreden besluit heeft opgemerkt, blijkt in casu duidelijk uit de tekst van uitvoeringsverordening 2024/1382 dat deze verordening is vastgesteld op basis van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006. Ten eerste wordt deze bepaling namelijk aangehaald in de tweede alinea van de betrokken uitvoeringsverordening. Ten tweede heeft de Commissie in overweging 4 van die uitvoeringsverordening aangegeven dat „[d]e [betrokken] verlenging van de afwijking [...] activiteiten van vaartuigen met een lengte over alles van ten hoogste twaalf meter en een motorvermogen van ten hoogste 85 kW [betrof] die traditioneel met bodemsleepnetten [visten] boven Posidonia oceanica-velden conform artikel 4, lid 5, eerste alinea, van verordening [nr. 1967/2006]”. Ten derde heeft de Commissie in overweging 20 van die uitvoeringsverordening de gevolgtrekking gemaakt dat „[d]e [betrokken] verlenging van de afwijking [...] dus [voldeed] aan de voorwaarden van artikel 4, lid 5, [...] van verordening [nr. 1967/2006]” en „[moest] worden toegestaan”.
122 Door het dispositief van uitvoeringsverordening 2024/1382 uit te leggen in het licht van de rechtsgrondslag ervan, te weten artikel 4, lid 5, van verordening nr. 1967/2006, blijkt dus voldoende duidelijk dat de niet-toepasselijkheid van artikel 4, lid 1, van deze verordening, waarnaar in dat dispositief wordt verwezen, enkel betrekking kan hebben op de gangui-visserij boven Posidonia-velden en niet boven andere zeegrasvelden.
123 In de tweede plaats verwijzen de overwegingen 4, 5, 7 en 8 van uitvoeringsverordening 2024/1382, zoals de Commissie in het bestreden besluit heeft benadrukt, uitdrukkelijk naar de omstandigheid dat de gangui-visserij boven Posidonia-velden wordt uitgeoefend, zonder vermelding van andere zeegrasvelden.
124 Evenzo heeft de Commissie, zoals zij ook in het bestreden besluit heeft aangegeven, in de overwegingen 2 en 3 van uitvoeringsverordening 2024/1382 verwezen naar andere openbare documenten waarin uitsluitend de impact van de gangui-visserij op Posidonia-velden en niet op andere zeegrasgrasvelden wordt onderzocht. Dit geldt met name voor het verslag van de Franse autoriteiten aan de Commissie van 17 oktober 2023 over de follow-up van de betrokken afwijking, dat verzoekster als bijlage bij het verzoekschrift heeft overgelegd, en voor het verslag van het WTECV, waarnaar de Commissie via een hyperlink in haar schrifturen heeft verwezen.
125 Het is dus duidelijk dat de gronden van uitvoeringsverordening 2024/1382 waarop de toestemming voor de betrokken afwijking gebaseerd is uitsluitend betrekking hebben op de visserij boven Posidonia-velden.
126 Hoewel het dispositief van uitvoeringsverordening 2024/1382 de betrokken afwijking niet uitdrukkelijk beperkt tot de gangui-visserij boven Posidonia-velden, blijkt in die omstandigheden ondubbelzinnig uit de uitlegging van dit dispositief in het licht van zowel de rechtsgrondslag als de motivering ervan dat het aldus moet worden gelezen dat die afwijking uitsluitend kan worden toegepast boven Posidonia-velden en niet boven andere zeegrasvelden.
127 Deze gevolgtrekking vindt nog steun in verordening nr. 586/2014, waarbij de Commissie de betrokken afwijking voor het eerst heeft toegestaan (zie punt 8 hierboven) en waarvan overweging 5 melding maakt van een verzoek van de Franse autoriteiten om een afwijking om „gangui-trawlers te mogen gebruiken boven zeegrasvelden van Posidonia oceanica in bepaalde zeegebieden in de territoriale wateren van Frankrijk”, zoals de Commissie in het bestreden besluit heeft opgemerkt.
128 Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van verzoeksters enige middel moet worden afgewezen.
129 Bijgevolg moet verzoeksters enige middel in zijn geheel worden afgewezen en moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
IV. Kosten
130 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de Commissie.
131 Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Franse Republiek haar eigen kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Bloom draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.
3) De Franse Republiek draagt haar eigen kosten.
Gâlea Tóth Spangsberg Grønfeldt
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 juni 2026.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 12 februari 2026, C-490/24, ECLI:EU:C:2026:89
- Gerecht EU 19 november 2025, T-412/22, ECLI:EU:T:2025:1034
- HvJ EU 14 november 2024, C-47/23, ECLI:EU:C:2024:954
- HvJ EU 29 april 2021, C-815/19, ECLI:EU:C:2021:336
- HvJ EU 4 december 2019, C-432/18, ECLI:EU:C:2019:1045
- HvJ EU 14 januari 2016, C-399/14, ECLI:EU:C:2016:10
- HvJ EU 11 april 2013, C-258/11, ECLI:EU:C:2013:220