Gerecht EU 21 juni 2023, T-326/21, ECLI:EU:T:2023:347
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
21 juni 2023 ( *1 )
„Dumping – Invoer van aluminium extrusies van oorsprong uit China – Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 – Instelling van een definitief antidumpingrecht – Artikel 1, lid 4, van verordening (EU) 2016/1036 – Omschrijving van het betrokken product – Vaststelling van de normale waarde – Artikel 2, lid 6 bis, van verordening 2016/1036 – Rapport waarbij de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in het land van uitvoer is vastgesteld – Bewijslast – Gebruik van een representatief land – Artikel 3, leden 1, 2, 3, 5 en 6, van verordening 2016/1036 – Schade – Economische factoren en indicatoren die de situatie van de bedrijfstak van de Unie beïnvloeden – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur”
In zaak T‑326/21,
Guangdong Haomei New Materials Co. Ltd, gevestigd te Qingyuan (China),
Guangdong King Metal Light Alloy Technology Co. Ltd, gevestigd te Yuan Tan Town (China),
vertegenwoordigd door M. Maresca, C. Malinconico, D. Guardamagna, M. Guardamagna, D. Maresca, A. Cerruti, A. Malinconico en G. Falla, advocaten,
verzoeksters,
ondersteund door
Airoldi Metalli SpA, gevestigd te Molteno (Italië), vertegenwoordigd door M. Campa, M. Pirovano, D. Rovetta en V. Villante, advocaten,
interveniënte,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Luengo, P. Němečková en A. Spina als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Europees Parlement, vertegenwoordigd door A. Neergaard, M. Peternel en L. Stefani als gemachtigden,
interveniënt,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, R. da Silva Passos, S. Gervasoni (rapporteur), I. Reine en T. Pynnä, rechters,
griffier: P. Nuñez Ruiz, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 16 januari 2023,
het navolgende
Arrest ( 1 )
1 Met hun beroep vorderen verzoeksters, Guangdong Haomei New Materials Co. Ltd en Guangdong King Metal Light Alloy Technology Co. Ltd, ten eerste krachtens artikel 263 VWEU nietigverklaring van, primair, uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 van de Commissie van 29 maart 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op aluminium extrusies van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2021, L 109, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”), voor zover deze hen betreft, en, subsidiair, verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisverordening”), en ten tweede krachtens artikel 268 VWEU vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden door de toepassing van de bestreden verordening en de basisverordening.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoeksters zijn vennootschappen naar Chinees recht die actief zijn in de bedrijfstak van aluminium halffabricaten. Zij produceren aluminium extrusies die zij naar de Europese Unie uitvoeren.
3 Op 3 januari 2020 heeft de vereniging European Aluminium, die meer dan 25 % van de totale productie van aluminium extrusies in de Unie vertegenwoordigde, bij de Europese Commissie een klacht ingediend over dumpingpraktijken en de daardoor veroorzaakte materiële schade.
4 Op 14 februari 2020 heeft de Commissie krachtens artikel 5 van de basisverordening het bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van aluminium extrusies van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2020, C 51, blz. 26) gepubliceerd.
5 Het onderzoek naar dumping en schade betrof het product „staven, profielen (ook indien hol), buizen en pijpen, niet-geassembleerd, al dan niet gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken (bv. op maat gesneden, van gaten voorzien, gebogen, afgeschuind, met schroefdraad), vervaardigd van aluminium, al dan niet gelegeerd, met een aluminiumgehalte van niet meer dan 99,3 %”. Onder dit product vielen de producten die gewoonlijk als „aluminium extrusies” worden aangeduid, onder verwijzing naar het meest gebruikelijke fabricageprocédé, hoewel zij ook kunnen worden vervaardigd met andere productieprocessen zoals walsen, smeden of gieten.
6 Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek van ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2016 tot het einde van het onderzoektijdvak (hierna: „beoordelingsperiode”).
7 Bij brief van 26 februari 2020 zijn verzoeksters door de Commissie opgenomen in de steekproef van in haar analyse in aanmerking genomen producenten-exporteurs.
8 Verzoeksters hebben op 6 april en 29 mei 2020 opmerkingen ingediend. Tussen 6 en 29 april 2020 hebben verzoeksters de voor het onderzoek gebruikte vragenlijsten ingevuld geretourneerd, met bijlagen die de gevraagde informatie bevatten. Op 3, 5 en 12 juni 2020 zijn kruislingse controles op afstand uitgevoerd, om de overgelegde boekhoudkundige stukken te onderzoeken en om andere documenten te ontvangen.
9 Naar aanleiding van een verzoek van European Aluminium heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2020/1215 van 21 augustus 2020 tot onderwerping van de invoer van aluminium extrusies van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB 2020, L 275, blz. 16) vastgesteld. Verzoeksters hebben op 30 september 2020 krachtens artikel 263 VWEU een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen deze uitvoeringsverordening. Bij beschikking van 22 december 2021, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie (T‑604/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:952), heeft het Gerecht de zaak zonder beslissing afgedaan omdat het procesbelang was verdwenen.
10 Op 22 september 2020 heeft de Commissie verzoeksters ervan in kennis gesteld dat er mogelijk een voorlopig antidumpingrecht werd ingesteld. Op 25 september 2020 hebben verzoeksters nieuwe opmerkingen ingediend.
11 Op 12 oktober 2020 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) nr. 2020/1428 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op aluminium extrusies van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2020, L 336, blz. 8) (hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld. Het aan verzoeksters opgelegde voorlopige dumpingrecht bedroeg 30,4 %.
12 Op 14 december 2020 hebben verzoeksters krachtens artikel 263 VWEU een beroep tot nietigverklaring tegen de voorlopige verordening ingesteld. Bij beschikking van 22 december 2021, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie (T‑725/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:957), heeft het Gerecht dit beroep niet-ontvankelijk verklaard.
13 Op 22 december 2020 heeft de Commissie aan verzoeksters de definitieve bevindingen meegedeeld. Deze bevatten de in haar ogen essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan zij op het punt stond om definitieve antidumpingrechten in te stellen op de invoer van aluminium extrusies van oorsprong uit China. Op 7 januari 2021 hebben verzoeksters hun opmerkingen over de definitieve bevindingen ingediend.
14 Op 8 februari 2021 heeft de Commissie aanvullende definitieve bevindingen vastgesteld en aan de belanghebbenden meegedeeld, om de aandacht erop te vestigen dat de markt van de Unie na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland nog slechts 27 lidstaten omvatte. Verzoeksters hebben op 16 februari 2021 hun opmerkingen over deze aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen ingediend.
15 Op 29 maart 2021 heeft de Commissie de bestreden verordening vastgesteld. In artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening is verzoeksters een definitief antidumpingrecht van 21,2 % opgelegd.
II. Conclusies van partijen
16 Verzoeksters, ondersteund door Airoldi Metalli SpA (hierna: „Airoldi”), verzoeken het Gerecht: – de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover deze hen betreft; – subsidiair, de basisverordening nietig te verklaren; – de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit de toepassing van de basisverordening en de bestreden verordening; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
17 De Commissie, ondersteund door het Europees Parlement, verzoekt het Gerecht: – het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren; – het beroep tot nietigverklaring van de basisverordening niet-ontvankelijk te verklaren of in elk geval ongegrond te verklaren; – het beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening ongegrond te verklaren. – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
[omissis]
A. Eerste punt van de conclusies: nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover deze verzoeksters betreft
33 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan, die in wezen als volgt kunnen worden samengevat: – het eerste middel betreft schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en misbruik van bevoegdheid; – het tweede middel betreft schending van de rechten van de verdediging alsook fouten van de Commissie bij de definitie van het betrokken product en bij de vaststelling van verstoringen van betekenis op de Chinese markt, bij de vaststelling van het representatieve land en bij de vaststelling van de normale waarde; – het derde middel betreft fouten van de Commissie bij de vaststelling dat er sprake is van schade voor de bedrijfstak van de Unie en van een oorzakelijk verband; – het vierde en het vijfde middel betreffen schending van het internationale recht, van de grondrechten van verzoeksters en van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM). [omissis]
1. Tweede middel: schending van de rechten van de verdediging alsook fouten van de Commissie bij de definitie van het betrokken product en bij de vaststelling van verstoringen van betekenis op de Chinese markt, bij de vaststelling van het representatieve land en bij de vaststelling van de normale waarde
44 Het tweede middel omvat zeven onderdelen. In wezen wordt daarmee het volgende aangevoerd: schending van de rechten van verdediging van verzoeksters (eerste onderdeel), fouten bij de definitie van het betrokken product (tweede en derde onderdeel, die samen moeten worden onderzocht), fouten bij de vaststelling dat er sprake is van verstoringen van betekenis op de Chinese markt (vierde onderdeel), ongepaste keuze van Turkije als representatief land (vijfde en zesde onderdeel, die samen moeten worden onderzocht), en onjuiste vaststelling van de normale waarde (zevende onderdeel). [omissis]
a) Definitie van het betrokken product
55 In het tweede en het derde onderdeel verwijten verzoeksters de Commissie dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat aluminium extrusies uit China één product vormen. De Commissie heeft ten onrechte een „fysisch-chemische” beoordeling toegepast en bij de definitie van het betrokken product de grenzen van haar beoordelingsmarge overschreden. Verzoeksters stellen dat zij duizenden typen aluminium extrusies produceren en dat daarom daartussen moet worden gedifferentieerd, aangezien de groep waartoe zij behoren actief is in marktniches waarop de producenten van de Unie niet aanwezig zijn.
56 In dat verband moet worden opgemerkt dat artikel 1 („Beginselen”) van de basisverordening overeenkomstig lid 1 betrekking heeft op „ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Unie in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt”, en dat het antidumpingonderzoek dus een specifiek product betreft. Dit „betrokken product” is door de instellingen van de Unie gedefinieerd bij de opening van dit onderzoek. In artikel 1, lid 4, van deze verordening wordt daarnaast het „soortgelijk product” gedefinieerd als een product dat identiek is, dat wil zeggen gelijk aan het betrokken product of, bij gebrek aan een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product.
57 Volgens vaste rechtspraak strekt de definitie van het betrokken product er in het kader van een antidumpingonderzoek toe, een lijst te kunnen opstellen van producten waarop in voorkomend geval antidumpingrechten zullen worden toegepast. Daarbij kunnen de instellingen rekening houden met verschillende factoren, zoals de fysische, technische en chemische kenmerken van de producten, hun gebruik, onderlinge verwisselbaarheid, de perceptie ervan door de consument, de distributiekanalen, het fabricageprocedé, de productiekosten en de kwaliteit (arresten van 13 september 2010, Whirlpool Europe/Raad, T‑314/06, EU:T:2010:390, punt 138, en 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑444/11, EU:T:2014:773, punt 329).
58 Hieruit volgt dat niet-identieke producten onder bepaalde omstandigheden onder één definitie van het betrokken product kunnen worden geschaard en samen worden onderzocht in een antidumpingonderzoek. De basisverordening vereist als zodanig niet dat het begrip „betrokken product” ziet op een product dat als een homogeen geheel wordt opgevat en uit gelijksoortige producten is samengesteld (zie naar analogie arrest van 17 maart 2016, Portmeirion Group, C‑232/14, EU:C:2016:180, punt 42). De definitie van het „betrokken product” bij de opening van het onderzoek verbiedt de instellingen van de Unie niet om dit product onder te verdelen in afzonderlijke soorten of modellen en om zich per soort of model te baseren op vergelijkingen tussen de prijs op de Uniemarkt en de invoerprijs (zie naar analogie arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad, C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269, punt 59).
59 Bovendien moet een bewering dat de definitie van het betrokken product onjuist is berusten op argumenten waaruit blijkt dat de instellingen de door hen als relevant beschouwde factoren onjuist hebben beoordeeld of dat de definitie van het betrokken product enger had moeten zijn vanwege de toepassing van andere, relevantere factoren (arrest van 13 september 2010, Whirlpool Europe/Raad, T‑314/06, EU:T:2010:390, punt 141).
60 In dat toetsingskader moet er rekening mee worden gehouden dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (zie arrest van 18 oktober 2018, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, C‑100/17 P, EU:C:2018:842, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien reeds is geoordeeld dat de definitie van het soortgelijke product valt onder de ruime beoordelingsbevoegdheid van de instellingen en dus beperkt wordt getoetst, moet die benadering ook worden gehanteerd om te toetsen of het betrokken product correct werd gedefinieerd [arrest van 10 oktober 2012, Gem-Year en Jinn-Well Auto-Parts (Zhejiang)/Raad, T‑172/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:532, punt 62].
61 Toch is de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie in dit verband niet onbeperkt, zoals verzoeksters terecht benadrukken. De bevindingen van de Commissie worden getoetst door het Gerecht, dat in deze context nagaat of de toepasselijke voorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest van 17 december 2008, HEG en Graphite India/Raad, T‑462/04, EU:T:2008:586, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Onderzocht moet dus worden of de Commissie in casu haar ruime beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden door de betrokken producten te omschrijven als „staven, profielen (ook indien hol), buizen en pijpen, niet-geassembleerd, al dan niet gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken (bv. op maat gesneden, van gaten voorzien, gebogen, afgeschuind, met schroefdraad), vervaardigd van aluminium, al dan niet gelegeerd, met een aluminiumgehalte van niet meer dan 99,3 %”, gewoonlijk „aluminium extrusies” genoemd (zie de overwegingen 38 en 40 van de voorlopige verordening, bevestigd door overweging 94 van de bestreden verordening, met inaanmerkingneming van de nadere informatie in de overwegingen 90‑93 van deze laatste verordening). De Commissie heeft benadrukt dat het betrokken product als één enkel product moet worden behandeld (overwegingen 56 en 197 van de bestreden verordening).
63 De Commissie heeft deze keuze in overweging 56 van de bestreden verordening gemotiveerd met de toelichting dat de producten die in de definitie van het betrokken product zijn opgenomen dezelfde fysische, technische en chemische basiseigenschappen hebben als dat product.
64 Over de methode die is gebruikt om het betrokken product te definiëren heeft de Commissie in de overwegingen 56 en 69 van de bestreden verordening toegelicht dat bepaalde extrusies weliswaar alleen voor een specifieke toepassing konden worden gebruikt, maar dat dit kwam door het feit dat deze producten op maat werden gemaakt en uitdrukkelijk voor het beoogde gebruik werden geproduceerd. De Commissie heeft er rekening mee gehouden dat in de handelspraktijk meerdere onderscheidingen werden geïntroduceerd, onder andere tussen harde en zachte legeringen, middelgrote en grote profielen, standaard- en speciale profielen en extrusies die voor een specifieke toepassing werden gebruikt. Hoewel veel producenten in verschillende van deze categorieën aanwezig zijn, produceren zij volgens de technische eigenschappen van hun machines en op basis van de eisen van hun diverse afnemers. Wat meer bepaald de legeringen betreft, heeft de Commissie uit het onderzoek geconcludeerd dat er meerdere aluminiumlegeringen bestonden, en dat verschillende legeringen geschikt konden zijn voor een bepaalde toepassing. De Commissie heeft rekening gehouden met het door meerdere partijen aangevoerde argument dat de markt gedifferentieerd zou moeten worden volgens de bovenstaande criteria. Desondanks en aangezien er noch een duidelijk onderscheid tussen noch een onderscheidend criterium bestond voor de verschillende producten dat een analyse per segment zou rechtvaardigen, heeft de Commissie geconcludeerd dat de dumping en de schade moesten worden beoordeeld voor de bedrijfstak van de Unie als geheel, door alle soorten aluminium extrusies samen te onderzoeken, waarbij de vergelijkbaarheid van de betrokken producten moest worden gewaarborgd.
65 In overweging 61 van de bestreden verordening heeft de Commissie eraan herinnerd dat zij niet de complexiteit had bestreden van veel aluminium extrusies, waaronder die voor de spoorwegsector, en evenmin het feit dat verschillende productsoorten andere specifieke kenmerken, doeleinden of productieprocessen konden hebben, dat zij aan verschillende productnormen konden voldoen, of dat de onderlinge verwisselbaarheid mogelijk niet universeel was voor al die soorten. Met de verstrekte informatie over soortgerelateerde bijzonderheden werd niet weersproken dat de soorten in kwestie dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hadden, ongeacht de sector waarin zij werden gebruikt. Bovendien heeft de Commissie in overweging 197 van de bestreden verordening aangegeven dat de bedrijfstak van de Unie actief was op de markt voor harde en zachte legeringen, middelgrote en grote profielen alsook standaard en speciale profielen, en voor al deze productsoorten geconfronteerd werd met concurrentie door de invoer met dumping uit China. Zij heeft tevens benadrukt dat zowel de producenten in de Unie als de Chinese producenten verschillende productsoorten konden produceren en konden besluiten zich op een aantal daarvan te concentreren wanneer de marktomstandigheden dit toelieten.
66 Uit het onderzoek van de analyse van de Commissie blijkt dat zij rekening heeft gehouden met meerdere relevante factoren in de zin van de in punt 57 hierboven aangehaalde rechtspraak, zoals met name de fysische, technische en chemische kenmerken van de producten, hun gebruik, hun onderlinge verwisselbaarheid, de klantvraag en het fabricageprocedé.
67 Bovendien hebben verzoeksters niet – overeenkomstig de regel dat de bewijslast berust bij de verzoekende partij, die sluitend bewijs dient over te leggen ter ondersteuning van haar stelling (zie arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie, T‑228/17, EU:T:2019:619, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak) – aangetoond dat de Commissie de factoren die zij relevant achtte onjuist heeft beoordeeld, en evenmin met welke andere, relevantere factoren rekening had moeten worden gehouden. De omstandigheid dat verzoeksters’ prijzen net zo hoog als of hoger waren dan die van de producenten in de Unie, gesteld al dat deze zou worden aangetoond, is irrelevant voor deze beoordeling.
68 Derhalve hebben verzoeksters niet aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de definitie van het betrokken product. Het tweede en het derde onderdeel van het tweede middel moeten dus worden afgewezen.
b) Aanwezigheid van verstoringen van betekenis op de Chinese markt
69 Verzoeksters voeren, daarin ondersteund door Airoldi, aan dat de Commissie zich voor het instellen van compenserende antidumpingrechten op hun producten heeft gebaseerd op een vage en hypothetische analyse op grond van het werkdocument van de Commissie van 20 december 2017 inzake verstoringen van betekenis in de economie van de Volksrepubliek China voor onderzoeken in verband met handelsbescherming [SWD(2017) 483 final/2; hierna: „rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt”], en de door hen aangevoerde bewijzen heeft genegeerd. De exporteurs moeten echter gehoord kunnen worden en kunnen aantonen dat er in hun geval geen verstoringen zijn.
70 Airoldi betoogt dat het door de Commissie gebruikte rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt onrechtmatig is omdat het niet voldoet aan de eisen van artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening.
71 Volgens de Commissie is Airoldi’s betoog dat het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt onrechtmatig is, niet-ontvankelijk omdat het niet door verzoeksters is opgeworpen.
72 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de bepaling van de normale waarde van een product een van de essentiële stappen is om het bestaan van eventuele dumping te kunnen vaststellen. Artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening bepaalt in dit verband dat „[d]e normale waarde […] normaal [is] gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald”.
73 Tevens moet worden vastgesteld dat, aangaande de bepaling van de normale waarde, uit zowel de bewoordingen als de systematiek van dat artikel blijkt dat voor het vaststellen van de normale waarde in beginsel als eerste de prijs in aanmerking moet worden genomen die in het kader van normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald (arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 20). Krachtens artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening mag van dat beginsel slechts worden afgeweken wanneer het niet passend wordt geacht om gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in het land van uitvoer omdat daar verstoringen van betekenis zijn (zie in die zin en naar analogie arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 20).
74 Artikel 2, lid 6 bis, onder b), van de basisverordening definieert het begrip „verstoringen van betekenis” als „de verstoringen die zich voordoen wanneer de gerapporteerde prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen en energie, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, doordat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed” en bevat een indicatieve lijst van factoren waarmee bij de analyse van die verstoringen rekening kan worden gehouden.
75 Artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening bepaalt het volgende: „Wanneer de Commissie beschikt over gegronde aanwijzingen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verstoringen van betekenis zoals bedoeld onder b), in een bepaald land of een bepaalde sector in dat land, en waar passend voor de doeltreffende toepassing van deze verordening, stelt zij een rapport op waarin de marktomstandigheden, zoals bedoeld onder b), in dat land of die sector worden beschreven; zij maakt dat rapport openbaar en actualiseert het geregeld. Dergelijke rapporten en het daaraan ten grondslag liggende bewijsmateriaal worden opgenomen in het dossier van elk eventueel onderzoek betreffende dat land of die sector. De belanghebbenden hebben in het kader van elk onderzoek waarin het rapport of het daaraan ten grondslag liggende bewijsmateriaal wordt gebruikt, voldoende gelegenheid om dat rapport en dat bewijsmateriaal te ontkrachten, aan te vullen, daarover opmerkingen te maken of zich daarop te beroepen. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis houdt de Commissie rekening met al het relevante bewijsmateriaal dat in het dossier van het onderzoek aanwezig is.”
76 Het begrip „verstoringen van betekenis” en de methode om de normale waarde te berekenen wanneer dergelijke verstoringen aanwezig zijn in het land van uitvoer, zijn in de basisverordening ingevoegd bij verordening (EU) 2017/2321 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van de basisverordening en verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2017, L 338, blz. 1; hierna: „verordening tot wijziging van de basisverordening”).
77 Uit artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening blijkt dat, wanneer de Commissie een rapport opstelt waarin de marktomstandigheden in een uitvoerend land worden omschreven, zij bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis acht slaat op de factoren die zijn vermeld in artikel 2, lid 6 bis, onder b), van die verordening.
78 In dat verband moet worden opgemerkt dat de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen van de Unie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (zie arrest van 18 oktober 2018, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, C‑100/17 P, EU:C:2018:842, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak) eveneens de vaststelling betreft dat er verstoringen van betekenis aanwezig zijn in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder b), van de basisverordening, alsook het besluit om het in artikel 2, lid 6 bis, onder c), van deze verordening bedoelde rapport vast te stellen. Hetzelfde geldt voor de feitelijke situaties van politieke en juridische aard in het betrokken land, die de instellingen van de Unie moeten beoordelen om te bepalen of een exporteur onder marktvoorwaarden handelt zonder staatsinmenging van betekenis (zie naar analogie arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑443/11, EU:T:2014:774, punt 163 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Hoewel de Unierechter op het gebied van de handelspolitieke beschermingsmaatregelen en, in het bijzonder, van de antidumpingmaatregelen, niet in de beoordeling kan treden die is voorbehouden aan de instanties van de Unie, moet hij toch nagaan of de betrokken instellingen alle relevante omstandigheden in aanmerking hebben genomen en de elementen van het dossier met de vereiste zorgvuldigheid hebben onderzocht (zie naar analogie arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑443/11, EU:T:2014:774, punt 164 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 Overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening, wordt het rapport over de marktomstandigheden in een land en het daaraan ten grondslag liggende bewijsmateriaal opgenomen in het dossier van het onderzoek. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis houdt de Commissie rekening met al het relevante bewijsmateriaal dat in het dossier van het onderzoek aanwezig is, ook het materiaal waar de belanghebbenden zich op beroepen. Gelezen in het licht van overweging 7 van de verordening tot wijziging van de basisverordening betekent deze bepaling dat de Commissie bij haar analyse van het bestaan van verstoringen van betekenis in een derde land rekening moet houden met alle nuttige informatie die in het dossier is opgenomen en waarover de belanghebbenden opmerkingen hebben kunnen maken over de omstandigheden op de binnenlandse markt van de exporteurs en producenten uit dat land. Wanneer uit het rapport zoals bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening, dat in het dossier is opgenomen, blijkt dat er verstoringen van betekenis zijn op de binnenlandse markt van het betrokken land, moet de Commissie die exporteurs en producenten in staat stellen om deze constateringen aan te vechten en kan de Commissie pas een conclusie trekken na grondig onderzoek van de informatie waarmee zij met name willen bewijzen dat hun prijzen en kosten op de binnenlandse markt niet zijn verstoord.
81 In het stelsel van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, kunnen de constateringen in het in deze bepaling bedoelde rapport er bijgevolg in voorkomend geval toe leiden dat de producent die wenst te worden erkend als onderneming waarvan de prijzen op de binnenlandse markt niet zijn verstoord, dat moet bewijzen. Het staat echter in elk geval aan de Commissie om te beoordelen of de door de producent aangeleverde gegevens volstaan voor dat bewijs en aan de Unierechter om na te gaan of die beoordeling niet kennelijk onjuist is (zie naar analogie arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑443/11, EU:T:2014:774, punt 165 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 Bovendien volgt uit het beginsel van behoorlijk bestuur, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, dat de bewijslast die zo krachtens artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening kan worden opgelegd aan producenten-exporteurs niet onredelijk mag zijn (zie naar analogie arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑443/11, EU:T:2014:774, punt 166 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Verzoeksters’ en Airoldi’s argumenten over hoe de Commissie het bestaan van verstoringen van betekenis op de Chinese markt heeft beoordeeld, moeten worden onderzocht in het licht van deze overwegingen.
84 In de eerste plaats moeten de argumenten worden onderzocht waarmee Airoldi aanvoert dat het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt slechts een werkdocument van de diensten van de Commissie is en dus niet voldoet aan de eisen van artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening.
85 De Commissie betoogt dat die argumenten van Airoldi niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet passen binnen het door verzoeksters’ middelen en conclusies vastgestelde kader.
86 In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 142, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat de conclusies van het verzoek tot interventie geen ander doel mogen dienen dan de conclusies van een van de hoofdpartijen geheel of ten dele te ondersteunen.
87 Volgens de rechtspraak kan een partij die is toegelaten tot interventie in een geding het voorwerp van dat geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de partijen ten principale, niet wijzigen. Derhalve zijn enkel de argumenten van een interveniënt die passen binnen het door die conclusies en die middelen vastgestelde kader, ontvankelijk (arrest van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C‑399/12, EU:C:2014:2258, punt 27). De memorie in interventie moet volgens artikel 145, lid 2, onder b), van het Reglement voor de procesvoering weliswaar de door de interveniënt aangevoerde middelen en argumenten bevatten, maar dat betekent niet dat deze laatste vrij is om nieuwe middelen aan te voeren die verschillen van die welke de verzoekende partij heeft aangevoerd. Deze bepaling maakt immers deel uit van het raamwerk van restricties die voor de interventieprocedure gelden, en moet worden gelezen in het licht van artikel 142 van dat Reglement, volgens hetwelk de interventie geen ander doel mag dienen dan de conclusies van een van de partijen geheel of ten dele te ondersteunen, deze ondergeschikt is aan het hoofdgeding en de interveniënt het geding aanvaardt in de stand waarin het zich bevindt ten tijde van zijn interventie (arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 121).
88 Bovendien heeft de verzoekende lidstaat in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 13 maart 2019, Polen/Parlement en Raad (C‑128/17, EU:C:2019:194), die ging om de nietigverklaring van een richtlijn, betoogd dat hij niet over de nodige informatie beschikte om op nuttige wijze deel te nemen aan het proces dat had geleid tot de vaststelling van de bestreden richtlijn. Een interveniërende lidstaat had aangevoerd dat het wetgevingsproces niet in overeenstemming met het reglement van orde van de Raad van de Europese Unie was gevoerd, doordat bepaalde informatie en bepaalde documenten te laat waren toegezonden. Het Hof heeft geoordeeld dat deze argumenten van de interveniërende lidstaat niet pasten binnen het kader dat was vastgesteld door de conclusies en middelen van de partij ten principale ten behoeve waarvan was geïntervenieerd, en dat die argumenten dus niet-ontvankelijk waren (arrest van 13 maart 2019, Polen/Parlement en Raad, C‑128/17, EU:C:2019:194, punten 78‑80).
89 Om te beslissen of Airoldi’s argumenten ontvankelijk zijn, moet het Gerecht dus nagaan of deze passen binnen het kader dat is vastgesteld door de conclusies en middelen van verzoeksters, ter ondersteuning van wie Airoldi intervenieert.
90 In casu betoogt Airoldi met haar argumenten waarvan de ontvankelijkheid door de Commissie wordt bestreden, dat het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt in strijd is met artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening. Ten eerste voert Airoldi aan dat het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt slechts een werkdocument van de diensten van het directoraat-generaal Handel van de Commissie is en niet onderworpen lijkt te zijn aan enige procedure van vaststelling door het college van haar leden. Het gaat om een intern administratief stuk van de diensten van het DG Handel van de Commissie, dat niet door de andere diensten van de Commissie van opmerkingen is voorzien. Ten tweede is het rapport niet „openbaar” gemaakt zoals artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening vereist. Het is namelijk uitsluitend in het Engels gepubliceerd, op de website van het DG Handel van de Commissie. Ten derde is het niet geactualiseerd en dateren de aangehaalde gegevens van 2017.
91 Volgens Airoldi’s toelichting ter terechtzitting betwist zij met dit betoog de wettigheid van de procedure volgens welke het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt is opgesteld. Airoldi heeft betoogd dat dit rapport een onregelmatig tot stand gekomen handeling van algemene strekking is en dat haar argumenten moeten worden opgevat als onderbouwing van een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU.
92 Met deze argumenten werpt Airoldi in werkelijkheid een nieuw middel op, ter ondersteuning van de kritiek op de berekening van de normale waarde in de bestreden verordening. Het is juist dat verzoeksters in het eerste onderdeel van het eerste middel en het vierde onderdeel van het tweede middel opkomen tegen de conclusies van de Commissie over de verstoringen van betekenis op basis van het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt en dat zij met het zevende onderdeel van het tweede middel tevens aanvoeren dat de Commissie op basis van dit rapport de normale waarde onjuist heeft bepaald. Zij werpen evenwel geen middelen op waarmee bij wijze van exceptie wordt betoogd dat het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt, waarnaar zij meermalen verwijzen, onwettig is. In het bijzonder stellen zij in punt 115 van het verzoekschrift uitsluitend aan de orde dat het rapport niet grondig ingaat op de door hen gehanteerde voorwaarden.
93 Ter terechtzitting hebben verzoeksters verklaard dat het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt volgens hen geen rechtsgevolg had. Zij hebben aangegeven dat zij de wettigheid van dit rapport niet betwisten.
94 Hieruit volgt dat Airoldi’s argumenten slaan op een aspect van de bestreden verordening dat door verzoeksters niet is betwist, namelijk de rechtmatigheid van de totstandkoming van het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt, op grond waarvan de bestreden verordening is vastgesteld. Verzoeksters’ betoog betreft echter uitsluitend de toepassing van dit rapport en berust dus op de premisse dat het rechtsgeldig is. Hieruit volgt dat Airoldi’s middel niet past binnen het kader dat is vastgesteld door de conclusies en middelen van verzoeksters.
95 Bovendien en anders dan Airoldi ter terechtzitting heeft aangevoerd, kan een exceptie van onwettigheid zoals die welke in casu is aangevoerd, niet ambtshalve door het Gerecht worden onderzocht, aangezien dat geen middel van openbare orde is.
96 Derhalve zijn dit middel van Airoldi en de argumenten ter ondersteuning ervan niet-ontvankelijk en moeten zij als zodanig worden afgewezen.
97 In de tweede plaats dienen verzoeksters’ argumenten te worden onderzocht waarmee zij aanvoeren dat de Commissie compenserende antidumpingrechten aan hen heeft opgelegd vanwege een ongunstige globale evaluatie van de Chinese economie en op grond van een vage en hypothetische analyse die is gebaseerd op het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt. Volgens verzoeksters steunt de procedure op vage en potentiële feiten en berust het hen betreffende onderzoek niet op feiten maar op vooroordelen.
98 In dat verband zij eraan herinnerd dat de Commissie, zoals in de punten 78 en 80 hierboven is opgemerkt enerzijds beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder b), van de basisverordening, en anderzijds rekening moet houden met alle relevante gegevens inzake de omstandigheden van de binnenlandse markt van de exporteurs en producenten in het betreffende land en die exporteurs en producenten de gelegenheid moet bieden om te bewijzen dat hun prijzen en kosten op de binnenlandse markt niet zijn verstoord.
99 In casu heeft de Commissie in overweging 139 van de bestreden verordening aangegeven dat zij had vastgesteld dat er in de sector van de betrokken producten sprake was van verstoringen van betekenis, en dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening bijgevolg kon worden toegepast. In dat verband heeft zij, in afdeling 3.2.1 van de voorlopige verordening, verwezen naar de analyse van de aanwezigheid van de verstoringen van betekenis in de Chinese aluminiumsector, waaronder het betrokken product valt.
100 Meer bepaald heeft de Commissie in de voorlopige verordening punt voor punt de verschillende factoren onderzocht waarop met name acht moet worden geslagen krachtens artikel 2, lid 6 bis, onder b), van de basisverordening, namelijk het feit dat de markt in kwestie voor een groot deel wordt bediend door ondernemingen die in handen zijn van de autoriteiten van het land van uitvoer, waarover deze zeggenschap hebben, waarop deze beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor deze beleidsadvies geven (overwegingen 98‑104 van de voorlopige verordening), overheidsaanwezigheid in bedrijven, waardoor inmenging van de overheid in de prijzen of kosten mogelijk wordt (overwegingen 105‑112 van de voorlopige verordening), discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden (overwegingen 113‑135 van de voorlopige verordening), het ontbreken, de discriminerende toepassing of de ontoereikende handhaving van faillissements-, vennootschaps- of eigendomswetgeving (overwegingen 136‑140 van de voorlopige verordening), verstoringen van loonkosten (overwegingen 141 en 142 van de voorlopige verordening) en toegang tot financiering door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat (overwegingen 143‑153 van de voorlopige verordening). Op grond daarvan en gezien het gebrek aan medewerking van de Chinese overheid, heeft de Commissie geconcludeerd dat het in dit geval niet passend was om voor het vaststellen van de normale waarde gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten (overweging 157 van de voorlopige verordening).
101 Bij haar analyse heeft de Commissie rekening gehouden met het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt, dat in het dossier is opgenomen (overweging 73 van de voorlopige verordening) en met de studies en verslagen die waren gevoegd bij de klacht van European Aluminium (overweging 74 van de voorlopige verordening), namelijk een verslag over overcapaciteit in China van de Kamer van Koophandel van de Europese Unie in China, het document van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) met de titel „Measuring disruptions in international markets: the aluminium value chain” (meten van verstoringen op internationale markten: de aluminiumwaardeketen; OECD Trade Policy Papers, nr. 218, Parijs) en uitvoeringsverordening (EU) van de Commissie van 4 juni 2019 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde aluminiumfolie op rollen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening (PB 2019, L 146, blz. 63). Uit verschillende overwegingen en voetnoten van de voorlopige verordening volgt dat de Commissie ook rekening heeft gehouden met verschillende beschikbare gegevens afkomstig van of uit Chinese persbureaus, documenten en websites alsmede een werkdocument van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) met de titel „Resolving China’s Corporate Debt Problem” (oplossing voor de schuldenlast van Chinese ondernemingen; WP/16/203) (overwegingen 91‑156 van de voorlopige verordening).
102 De Chinese overheid heeft geen opmerkingen ingediend, noch gegevens verstrekt waarmee de bewijzen die zich bij inleiding van de procedure in het dossier bevonden werden ontkracht. De Commissie heeft die overheid meegedeeld dat zij voornemens was om gebruik te maken van artikel 18 van de basisverordening, op grond waarvan conclusies kunnen worden getrokken aan de hand van de beschikbare gegevens (overwegingen 66 en 76 van de voorlopige verordening).
103 Verzoeksters hebben voorafgaand aan de vaststelling van de voorlopige verordening dienaangaande opmerkingen ingediend (overweging 77 van de voorlopige verordening). Zij hebben ook opmerkingen ingediend betreffende die verordening (overwegingen 95 en 96 van de bestreden verordening).
104 Uit de analyse van de verschillende aspecten van de Chinese markt, de verscheidenheid aan beschikbare en gebruikte gegevensbronnen – niet slechts het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt – en de conclusies uit deze bronnen blijkt dat de Commissie geenszins enkel een vage en hypothetische analyse heeft uitgevoerd, zoals verzoeksters beweren, maar haar conclusie over het bestaan van verstoringen van betekenis op de Chinese markt heeft gebaseerd op een objectieve analyse van de beschikbare relevante gegevens, zorgvuldig en onpartijdig alle relevante gegevens van de zaak heeft bestudeerd en haar in de relevante rechtspraak erkende ruime beoordelingsbevoegdheid niet heeft overschreden (zie punt 77 hierboven).
105 In de derde plaats betogen verzoeksters dat de aanwezigheid van verstoringen van betekenis op de Chinese markt niet zonder meer voor alle betrokken exporteurs bewezen kan worden geacht. De belanghebbenden hebben het recht om te worden gehoord, om te bewijzen dat voor hen geen verstoringen aanwezig zijn. De Commissie heeft de door hen overgelegde bewijzen genegeerd.
106 Ten eerste heeft de Commissie geen rekening gehouden met het feit dat hun prijzen op de Europese markt op één lijn liggen met die van de Europese producenten, dat de berekeningsmethode voor de gemiddelde prijs van Europese extrusies kennelijk onjuist is en dat de marktaandelen op de relevante Europese markt zijn gewijzigd.
107 Zoals de Commissie evenwel terecht heeft benadrukt en verzoeksters ter terechtzitting hebben erkend, zijn hun prijzen op de Europese markt niet relevant voor de berekening van de normale waarde, die gebaseerd is op de prijzen in het land van uitvoer (artikel 2, lid 1, van de basisverordening) of op de overeenkomstige productie- of verkoopkosten in een passend representatief land [artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening]. De prijzen die verzoeksters op de Europese markt hanteren zijn evenmin relevant voor de vaststelling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, waarvoor in casu het relevante criterium is of de sector van aluminium extrusies negatieve gevolgen ondervindt van verstoringen van betekenis op de Chinese markt.
108 Deze argumenten moeten daarom worden afgewezen.
109 Ten tweede hebben verzoeksters naar eigen zeggen bewezen dat zij gedurende het onderzoektijdvak niet hebben geprofiteerd van bijzondere financieringsvoorwaarden of voorkeursbeleid. Zij leggen gegevens over betreffende de rente over hun financiering in dat tijdvak. In overweging 103 van de bestreden verordening heeft de Commissie volgens hen geen rekening gehouden met deze gegevens.
110 Niettemin blijkt uit lezing van overweging 103 van de bestreden verordening dat de Commissie rekening heeft gehouden met het bestaan van door staatsbanken verstrekte leningen en niet met de rente over die leningen. De rente is namelijk wel een belangrijke variabele, maar vormt slechts één van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van voorkeursfinanciering. Ook andere overwegingen kunnen doorslaggevend zijn, zoals de toegangsvoorwaarden voor financiering, de solvabiliteitsvoorwaarden voor gefinancierde entiteiten en de afhandelings- en betalingstermijnen. Het betoog van verzoeksters beperkt zich tot de rente over hun financiering en volstaat dus niet om de redenering van de Commissie te weerleggen.
111 Ten derde betogen verzoeksters dat de Commissie hun niet de gelegenheid heeft geboden om te bewijzen dat hun prijzen niet zijn verstoord.
112 Dienaangaande hoeft slechts te worden geconstateerd dat verzoeksters blijkens de punten 10 en 13 hierboven zowel voorafgaand aan de vaststelling van de voorlopige verordening als voorafgaand aan die van de bestreden verordening hun opmerkingen over de aanwezigheid van verstoringen van betekenis op de Chinese markt hebben kunnen inbrengen. Bovendien blijkt bij lezing van deze verordeningen dat een deel van de afdelingen waarin het bestaan van verstoringen van betekenis op de Chinese markt wordt geanalyseerd, gewijd is aan de antwoorden op de argumenten van verzoeksters.
113 Verzoeksters zijn dus in de gelegenheid gesteld om op zinvolle wijze hun standpunt kenbaar te maken over het bestaan en de relevantie van de beweerde feiten en omstandigheden en over het bewijsmateriaal dat de Commissie in aanmerking heeft genomen om haar conclusie inzake de verstoringen van betekenis op de Chinese markt te staven. Zij voeren overigens geen bewijsmateriaal aan dat zij niet zouden hebben kunnen gebruiken en waarvoor zij niet de gelegenheid zouden hebben gehad het aan de Commissie voor te leggen [zie in die zin arrest van 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 42].
114 Voorts geven verzoeksters geen nadere informatie over de vermeende bewijzen die de Commissie niet in aanmerking zou hebben genomen behalve met betrekking tot de in de punten 106 tot en met 110 hierboven onderzochte bewijzen. Dit argument is derhalve onvoldoende nauwkeurig om de verwerende partij in staat te stellen haar verweer voor te bereiden en het Gerecht in staat te stellen uitspraak te doen op het beroep, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie, T‑228/17, EU:T:2019:619, punten 166 en 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Ten vierde hebben verzoeksters ter terechtzitting aanvullend betoogd dat zij niet zijn geraadpleegd toen het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt werd opgesteld, en dat het gebruik daarvan in hun geval dus een schending van hun rechten van verdediging inhoudt.
116 In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat slechts een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en dat daarmee nauw verband houdt, moet evenwel als ontvankelijk worden beschouwd [zie arrest van 7 november 2019, Intas Pharmaceuticals/EUIPO – Laboratorios Indas (INTAS), T‑380/18, EU:T:2019:782, punt 26 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Volgens de rechtspraak is artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering ook van toepassing op grieven of argumenten. Bovendien kan de algemene formulering van het opschrift van een in de fase van het inleidende verzoekschrift aangevoerd middel niet de formulering in een latere fase van de procedure dekken van specifieke argumenten die geen voldoende nauw verband houden met de in dit verzoekschrift opgeworpen argumenten (zie arrest van 14 juli 2021, AQ/eu-LISA, T‑164/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:456, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117 In casu blijkt niet uit het verzoekschrift dat daarin een schending van de rechten van de verdediging wordt aangevoerd zoals in punt 115 hierboven is beschreven. Zoals in de punten 92 tot en met 94 hierboven is opgemerkt hebben verzoeksters bovendien in hun geschriften geen vraagtekens geplaatst bij de wettigheid van de totstandkomingsprocedure van het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt.
118 Hoe dan ook schrijft de basisverordening niet voor dat de producenten-exporteurs van het derde land waarop het in artikel 2, lid 6 bis, onder c), van die verordening bedoelde rapport betrekking heeft, moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van dat rapport, dat een document van algemene strekking is en in meerdere gevallen toepassing kan vinden. Voorts blijkt uit de punten 103 en 105 hierboven dat de rechten van de verdediging ten volle zijn geëerbiedigd bij de toepassing van het rapport inzake verstoringen van betekenis op de Chinese markt.
119 Bijgevolg is het door verzoeksters ter terechtzitting aangevoerde argument, dat als nieuw en dus niet-ontvankelijk moet worden beschouwd, hoe dan ook ongegrond.
120 Derhalve moeten deze argumenten van verzoeksters en daarmee het vierde onderdeel van het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
c) Keuze van Turkije als representatief land
121 In de eerste plaats betogen verzoeksters met hun vijfde en zesde onderdeel dat de Commissie ten onrechte verstoringen van betekenis op de Chinese markt heeft vastgesteld, die voor hen hoe dan ook niet van belang zijn. Volgens verzoeksters heeft de Commissie derhalve voor de berekening van de normale waarde ten onrechte haar toevlucht genomen tot een representatief land. Bovendien is over de keuze van het representatieve land niet op tegenspraak gedebatteerd.
122 In dit verband moet worden vastgesteld dat verzoeksters’ argumenten aangaande de conclusie van de Commissie over het bestaan van verstoringen van betekenis op de Chinese markt terzijde zijn geschoven bij het onderzoek van het derde onderdeel van dit middel en het vierde onderdeel van het tweede middel. Bovendien voert de Commissie aan dat zij op 16 maart 2020 een eerste mededeling bij het dossier heeft gepubliceerd over de gebruikte bronnen voor de vaststelling van de normale waarde, waarin zij aan de hand van criteria voor de keuze van niet-verstoorde prijzen of benchmarks verschillende potentiële representatieve landen heeft geïdentificeerd. De Commissie heeft opmerkingen verzameld over deze eerste mededeling en op 25 juni 2020 een tweede mededeling gepubliceerd, waarin zij is ingegaan op de opmerkingen en de belanghebbenden heeft meegedeeld dat zij voornemens was om Turkije als representatief land te kiezen.
123 Aangezien verzoeksters in het kader van dit onderdeel geen aanvullende argumenten naar voren brengen, moeten deze stellingen worden afgewezen.
124 In de tweede plaats voeren verzoeksters aan dat de keuze voor Turkije als representatief land fout is.
125 In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening bepaalt dat, wanneer het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, de normale waarde uitsluitend wordt berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uiting komen. De Commissie kan daartoe gebruikmaken van onder meer de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer.
126 Deze bepaling is in de basisverordening ingevoegd bij de verordening tot wijziging ervan, waarbij ook het voormalige artikel 2, lid 7, onder a), van die verordening is vervangen, volgens hetwelk „[e]en geschikt derde land met een markteconomie […] op redelijke wijze [werd] geselecteerd, met inachtneming van alle betrouwbare gegevens die op het tijdstip van de selectie beschikbaar [waren]”. Uit de tekst van artikel 2, lid 6 bis, onder a), en het oude artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening volgt dat hun doel hetzelfde is, namelijk om de rekenmethode vast te stellen voor de normale waarde in het geval van invoer uit landen waarvan de prijzen en kosten op de binnenlandse markt niet gebruikt kunnen worden vanwege de daar heersende marktvoorwaarden. Deze twee bepalingen zijn evenwel verschillend geformuleerd. Zoals de Commissie terecht aangeeft, betekent dit dat de rechtspraak die het oude artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening uitlegde slechts gedeeltelijk kan worden aangewend voor de uitlegging van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van deze verordening. Deze laatste bepaling introduceert namelijk een andere definitie van het representatieve land, dat „passend” moet zijn en „een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer” moet hebben. Wat betreft de gegevens waarmee rekening moet worden gehouden geeft deze bepaling aan dat het om „desbetreffende gegevens” gaat, mits die beschikbaar zijn. Tevens is voorzien in een criterium om meerdere passende representatieve landen te rangschikken, want er staat aangegeven dat bij de keuze van het representatieve land de voorkeur wordt gegeven aan landen „met een toereikend niveau van sociale en milieubescherming”.
127 Daarbij zij aangetekend dat het vaste rechtspraak is dat de instellingen van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wanneer het gaat om het bepalen van de normale waarde voor landen die geen markteconomie hebben (zie arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie, T‑228/17, EU:T:2019:619, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat de keuze van het referentieland met dat doel ook valt onder de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (zie arrest van 29 juli 2019, Shanxi Taigang Stainless Steel/Commissie, C‑436/18 P, EU:C:2019:643, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze rechtspraak is ook van toepassing op artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening, waarbij de beoordelingsmarge van de Commissie evenwel in die zin wordt beperkt dat het gekozen land een niveau van economische ontwikkeling moet hebben dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer.
128 Tevens is geoordeeld dat moet worden nagegaan of de Commissie bij de beoordeling van de geschiktheid van het gekozen land geen wezenlijke factoren buiten beschouwing heeft gelaten en of de gegevens van het dossier met de nodige zorgvuldigheid zijn onderzocht, zodat de normale waarde van het betrokken product kan worden geacht op passende en niet onredelijke wijze te zijn vastgesteld (zie arresten van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 23 april 2018, Shanxi Taigang Stainless Steel/Commissie, T‑675/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:209, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin tevens arrest van 29 mei 1997, Rotexchemie, C‑26/96, EU:C:1997:261, punten 23 en 24). Deze rechtspraak kan worden toegepast wanneer vanwege verstoringen van betekenis in het land van uitvoer gegevens uit een passend representatief land kunnen worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde, hetgeen eveneens het onderzoek van ingewikkelde economische en politieke situaties impliceert.
129 Blijkens artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening moet de Unierechter bovendien toetsen of de Commissie bij de vaststelling van het passende karakter van het gekozen land geen wezenlijke elementen over het hoofd heeft gezien. Met inachtneming van de andere mogelijkheden die zich aandienen moeten de instellingen van de Unie daartoe een derde land vinden met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer. Indien aan de hand van onmiddellijk beschikbare gegevens uit meerdere landen kan worden gekozen, vergelijkt de Commissie die landen en geeft de voorkeur aan een land met een toereikend niveau van sociale en milieubescherming.
130 In casu heeft de Commissie op 16 maart 2020 een eerste mededeling bij het dossier over de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde bekendgemaakt, waarin zij op basis van de criteria voor de keuze van niet-verstoorde prijzen of benchmarks de volgende mogelijke representatieve landen heeft aangewezen: Brazilië, Colombia, Ecuador, de Islamitische Republiek Iran, Kazachstan, Maleisië, Mauritius, Mexico, Montenegro, de Russische Federatie, Servië, Sri Lanka, Thailand en Turkije (overwegingen 35 en 161 van de voorlopige verordening). Na de ontvangst van opmerkingen heeft zij de belanghebbenden bij mededeling van 25 juni 2020 ervan in kennis gesteld dat zij voornemens was om Turkije te kiezen als representatief land (overwegingen 37 en 164 van de voorlopige verordening). De criteria voor de keuze van het representatieve land waren 1) een niveau van economische ontwikkeling vergelijkbaar met dat van China, 2) vervaardiging van het onderzochte product in dat land en 3) beschikbaarheid van de relevante openbare gegevens in dat land (overweging 159 van de voorlopige verordening). De Commissie heeft eraan herinnerd dat in voorkomend geval de voorkeur zou worden gegeven aan het land met een toereikend niveau van sociale bescherming en milieubescherming (overweging 159 van de voorlopige verordening). Na onderzoek van de opmerkingen van de belanghebbenden naar aanleiding van de definitieve mededeling, heeft de Commissie in overweging 152 van de bestreden verordening bevestigd dat Turkije was gekozen als representatief land.
131 In dit verband en gezien het feit dat de bewijslast berust bij de verzoekende partij, die sluitend bewijs dient over te leggen ter ondersteuning van haar stelling (zie arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie, T‑228/17, EU:T:2019:619, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet worden nagegaan of verzoeksters bewijsmateriaal hebben overgelegd waarmee zij hun stelling kunnen staven dat de Commissie bij de keuze van Turkije als representatief land een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
132 Verzoeksters betogen dat de Commissie zich bij haar keuze voor Turkije als representatief land heeft laten leiden door European Aluminium. Zij voeren aan dat bij deze keuze geen rekening wordt gehouden met het aantal inwoners van China en van Turkije en met de binnenlandse vraag, die vanwege het beginsel van schaalvoordelen meebrengt dat bij stijging van de productie de vaste kosten dalen. Volgens verzoeksters gaat deze keuze voorbij aan de criteria die door eerdere rechtspraak zijn vastgesteld, namelijk dat het aan de instellingen van de Unie staat om, rekening houdend met de beschikbare alternatieven, te trachten een derde land te vinden waar de prijs van een gelijksoortig product wordt vastgesteld in omstandigheden die zo vergelijkbaar mogelijk zijn met die in het uitvoerland, op voorwaarde dat het een land met een markteconomie betreft (arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 49).
133 In dit verband zij opgemerkt dat de door verzoeksters aangehaalde rechtspraak de keuze van een „derde land met een markteconomie” betreft op grond van het oude artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. Van het arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland (C‑687/13, EU:C:2015:573), kunnen dus niet automatisch alle parameters zonder meer worden toegepast op artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening. Meer in het bijzonder vereist deze laatste bepaling dat het passende representatieve land „een niveau van economische ontwikkeling [heeft] dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer” en niet dat het een markteconomie heeft, en voorziet deze laatste bepaling als aanvullende parameter in een toereikend niveau van sociale en milieubescherming. Hieruit volgt dat het thans na te leven criterium het niveau van economische ontwikkeling is dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer. Met inachtneming van dit criterium blijft het wezenlijke deel van de rechtspraak inzake het oude artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening van toepassing, namelijk dat de Commissie zich moet baseren op een derde land waar de prijs van een soortgelijk product tot stand komt in omstandigheden die zoveel mogelijk lijken op die in het land van uitvoer, overeenkomstig de zorgvuldigheidsplicht die krachtens de in punt 127 hierboven aangehaalde rechtspraak op de Commissie rust.
134 De Commissie heeft haar keuze voor Turkije als representatief land gebaseerd op de criteria die in punt 130 hierboven zijn weergegeven. Het eerste van deze criteria is het niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van China. De Commissie heeft in overweging 159 van de voorlopige verordening toegelicht dat zij aan de hand van gegevens van de Wereldbank landen had gekozen met een bruto nationaal inkomen dat vergelijkbaar was met dat van China. Zij heeft in punt 151 van de bestreden verordening verduidelijkt dat Turkije volgens de classificatie van de Wereldbank hetzelfde ontwikkelingsniveau als China (hoger middeninkomen) had en derhalve een representatief land was. Zij heeft er ook rekening mee gehouden dat in Turkije volgens het onderzoek aluminium extrusies werden geproduceerd in beide typen legeringen, harde en zachte.
135 Verzoeksters bestrijden niet dat het ontwikkelingsniveau van Turkije vergelijkbaar is met dat van China. Hun betoog op grond van een argument van schaalvoordelen, aangezien China meer inwoners heeft dan Turkije en de binnenlandse vraag anders zou zijn, doet aan de conclusies van de Commissie niet af. Ten eerste blijkt nergens uit de basisverordening dat de Commissie rekening moet houding met de nationale bevolking bij haar keuze van het representatieve land. Ten tweede heeft China de grootste bevolking ter wereld, zodat niet in redelijkheid van de Commissie kan worden geëist dat zij een land met een vergelijkbare bevolking als representatief land kiest. Om diezelfde reden kan verzoeksters’ argument betreffende de interne vraag en de schaalvoordelen evenmin worden geaccepteerd.
136 Verzoeksters hebben dus niet aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij haar keuze van Turkije als representatief land.
137 In de derde plaats betogen verzoeksters dat de keuze van het referentieland ontoereikend is gemotiveerd. De Commissie heeft niet aangegeven waarom de prijs van de Turkse producenten die in de voorlopige verordening worden genoemd een vergelijkingselement kan vormen, en heeft niet uitgelegd hoe de prijs van die ondernemingen tot stand komt. Bovendien heeft de Commissie in de bestreden verordening de vergelijkbaarheid van Turkije als representatief land niet onderbouwd en geen rekening gehouden met verzoeksters’ opmerkingen over het verschil tussen de soorten en hoeveelheden vervaardigde producten.
138 Volgens vaste rechtspraak is een ontbrekende of ontoereikende motivering een middel betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften, dat als zodanig verschilt van het middel inzake verkeerde motivering van het besluit, dat integendeel moet worden getoetst bij het onderzoek van de gegrondheid van dit besluit [arresten van 19 juni 2009, Qualcomm/Commissie, T‑48/04, EU:T:2009:212, punt 175, en 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 110]. De door artikel 296, tweede alinea, VWEU geëiste motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen [arresten van 30 september 2003, Eurocoton e.a./Raad, C‑76/01 P, EU:C:2003:511, punt 88, en 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, EU:T:2014:1076, punt 129 (niet gepubliceerd)].
139 De instellingen zijn echter niet gehouden, in de motivering van de voorlopige of definitieve verordening in te gaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die door de belanghebbenden in de loop van de administratieve procedure zijn aangevoerd (zie arrest van 25 oktober 2011, Transnational CompanyKazchrome en ENRC Marketing/Raad en Commissie, T‑192/08, EU:T:2011:619, punt 256 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
140 In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie in de overwegingen 159 tot en met 165 van de voorlopige verordening en in de overwegingen 142 tot en met 152 van de bestreden verordening duidelijk en ondubbelzinnig heeft uiteengezet aan de hand van welke relevante criteria zij het representatieve land koos en waarom zij voor Turkije heeft gekozen. De Commissie heeft namelijk eerst de gebruikte criteria uiteengezet (overweging 159 van de voorlopige verordening), de lijst van potentiële representatieve landen gegeven (overweging 161 van de voorlopige verordening), de consultatieprocedure met de belanghebbenden uitgelegd (overwegingen 160‑163 van de voorlopige verordening en overwegingen 143 en 144 van de bestreden verordening) en toegelicht waarom niet kon worden ingestemd met de opmerkingen van bepaalde belanghebbenden (overwegingen 163 en 164 van de voorlopige verordening en overwegingen 145‑151 van de bestreden verordening). Zo heeft de Commissie uitgelegd dat in Turkije zowel harde als zachte legeringen werden geproduceerd (overweging 164 van de voorlopige verordening), dat de douane-unie Turkije geen ongeschikt representatief land kon maken (overweging 147 van de bestreden verordening), dat Turkije het meest geschikte representatieve land was op basis van de beschikbare gegevens over de sociale en milieunormen (overweging 148 van de bestreden verordening) en dat Turkije volgens de classificatie van de Wereldbank hetzelfde ontwikkelingsniveau als China had (overweging 151 van de bestreden verordening).
141 Voorts strekt het argument dat de Commissie de opmerkingen van verzoeksters over de verschillende soorten en hoeveelheden vervaardigde producten heeft genegeerd ertoe, vraagtekens te plaatsen bij de gegrondheid van de bestreden verordening. Dit argument is in de punten 51 en 56 tot en met 68 hierboven afgewezen.
142 Aangezien de instellingen niet gehouden zijn in te gaan op alle feitelijke en juridische punten die de belanghebbenden in de loop van de administratieve procedure hebben aangevoerd, kunnen verzoeksters de Commissie derhalve niet verwijten dat zij haar motiveringsplicht heeft verzuimd.
143 Deze argumenten van verzoeksters en het vijfde en het zesde onderdeel van het tweede middel in hun geheel moeten dus worden afgewezen. [omissis]
2. Derde middel: fouten in het kader van de conclusie van de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden en dat er een oorzakelijk verband bestaat
153 Verzoeksters’ derde middel omvat in wezen vier onderdelen. Verzoeksters worden ondersteund door Airoldi, die ook twee onderdelen aanvoert.
154 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 1, van de basisverordening het begrip „schade”, tenzij anders bepaald, met name definieert als aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Unie of dreiging van aanmerkelijke schade voor die bedrijfstak, en voor de uitlegging van dit begrip verwijst naar de bepalingen van dit artikel.
155 Artikel 3, lid 2, van de basisverordening betreft de vaststelling van schade. Deze moet zijn gebaseerd op positief bewijsmateriaal en een objectief onderzoek inhouden van a) de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie en b) de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Unie.
156 Artikel 3, lid 3, van de basisverordening bepaalt dat, wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt „nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Unie, aanzienlijk is toegenomen”, dat „[w]at de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden”, en dat „geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn”.
157 Artikel 3, lid 5, van de basisverordening bepaalt dat het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken bedrijfstak van de Unie een beoordeling omvat van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, terwijl artikel 3, lid 6, van de basisverordening nader bepaalt dat de instellingen van de Unie aan de hand van het relevante bewijsmateriaal aangaande de situatie van de bedrijfstak van de Unie moeten aantonen dat die bedrijfstak schade heeft geleden. In het bijzonder bepaalt dit artikel dat daarbij moet worden aangetoond, dat de overeenkomstig lid 3 vastgestelde omvang en/of prijzen de in lid 5 omschreven gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Unie en dat deze gevolgen als aanmerkelijk kunnen worden aangemerkt (zie naar analogie arrest van 19 december 2013, Transnational Company Kazchrome en ENRC Marketing/Raad, C‑10/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:865, punt 49).
158 Volgens vaste rechtspraak dienen bij de vaststelling van de schade ingewikkelde economische kwesties te worden beoordeeld. Daarbij beschikken de instellingen over een ruime beoordelingsmarge (zie arresten van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C‑69/89, EU:C:1991:186, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑444/11, EU:T:2014:773, punt 226 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bij het rechterlijke toezicht op een dergelijke beoordeling mag dan ook alleen worden nagegaan of de toepasselijke rechtsregels in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid. Dit geldt met name voor de vaststelling, in het kader van een antidumpingonderzoek, van de factoren die de bedrijfstak van de Unie schade toebrengen (zie arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
159 Daarnaast staat het aan verzoeksters om de bewijzen over te leggen op grond waarvan het Gerecht kan vaststellen dat de Commissie bij de beoordeling van de schade een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt (zie in die zin arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑444/11, EU:T:2014:773, punt 228 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
160 Verzoeksters’ derde middel moet worden onderzocht in het licht van deze beginselen.
a) Economische factoren en indicatoren die de situatie van de bedrijfstak van de Unie beïnvloeden
161 Het eerste onderdeel van verzoeksters’ derde middel omvat in wezen vier grieven, waarmee zij aanvoeren dat de Commissie de verschillende economische factoren en indicatoren die de situatie van de bedrijfstak van de Unie beïnvloeden, onjuist heeft beoordeeld.
1) Inaanmerkingneming van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie
162 Met hun eerste grief betogen verzoeksters dat het marktaandeel van de producenten van de Unie hoger dan 85 % is. Uit de rechtspraak van het Hof en het Gerecht blijkt volgens hen dat er geen sprake is van schade voor de bedrijfstak van de Unie indien de producenten van de Unie een groot marktaandeel hebben. Dankzij dit grote marktaandeel heeft de industrie van de Unie een natuurlijke machtspositie, waardoor is uitgesloten dat de ondernemingen van de Unie als kwetsbaar worden aangemerkt.
163 In dat verband zij opgemerkt dat de basisverordening blijkens de punten 154 tot en met 159 hierboven geen maximaal marktaandeel voorschrijft waarboven de bedrijfstak van de Unie niet kan worden geacht aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 1, van deze verordening te hebben geleden. Voorts geniet de Commissie ter zake een ruime beoordelingsbevoegdheid.
164 Het kan echter niet worden betwist dat de evolutie van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie een belangrijke factor is voor de beoordeling van het bestaan van een aanzienlijke schade voor deze bedrijfstak (zie in die zin arrest van 14 maart 2007, Aluminium Silicon Mill Products/Raad, T‑107/04, EU:T:2007:85, punt 65).
165 Daarnaast zij eraan herinnerd dat het onderzoek van de instellingen weliswaar tot de vaststelling moet leiden dat de schade voor de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijk is, maar dat niet wordt geëist dat alle relevante economische factoren en indicatoren wijzen op een negatieve trend (arrest van 25 oktober 2011, CHEMK en KF/Raad, T‑190/08, EU:T:2011:618, punt 114). Bovendien betekent de enkele omstandigheid dat bepaalde schadefactoren gedurende de beoordelingsperiode zijn verbeterd nog niet dat de bedrijfstak van de Unie geen aanmerkelijke schade heeft geleden (arrest van 23 april 2018, Shanxi Taigang Stainless Steel/Commissie, T‑675/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:209, punt 93; zie in die zin tevens arrest van 30 maart 2000, Miwon/Raad, T‑51/96, EU:T:2000:92, punt 105).
166 In casu heeft de Commissie haar conclusie in de afdelingen 4 en 5 van de bestreden verordening dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade had geleden gebaseerd op een beoordeling van de invloed van de invoer met dumping aan de hand van verschillende economische indicatoren, met toepassing van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.
167 Zo blijkt uit tabel nr. 5 in overweging 229 van de bestreden verordening dat het marktaandeel van de verkoop op de vrije markt van de bedrijfstak van de Unie gedurende het onderzoektijdvak 84,4 % bedroeg en dat dit gedurende de beoordelingsperiode met 4 % is gedaald. De Commissie heeft eveneens een tabel verstrekt waarin rekening wordt gehouden met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (zie overweging 35 van de bestreden verordening), ook al is deze terugtrekking pas na het onderzoektijdvak en de beoordelingsperiode ingegaan. Uit tabel nr. 5 bis in overweging 275 van de bestreden verordening blijkt dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zonder het Verenigd Koninkrijk in het onderzoektijdvak 85,4 % bedroeg en gedurende de beoordelingsperiode met 3,0 procentpunten was gedaald.
168 In de overwegingen 226 en 227 van de bestreden verordening wordt uitgelegd dat het verbruik op de vrije markt van de Unie is gestegen met 6 %. Dit percentage wordt voor de bedrijfstak van de Unie zonder het Verenigd Koninkrijk bevestigd door tabel nr. 4 bis in overweging 271 van de bestreden verordening.
169 De conclusies met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Unie in de overwegingen 271 tot en met 274 van de voorlopige verordening zijn door de Commissie in overweging 254 van de bestreden verordening bevestigd. Het gaat met name om de volgende gevolgtrekkingen: „271. Verschillende indicatoren lieten een positieve trend zien, zoals productie, capaciteit, verkoopvolume op de markt van de Unie en werkgelegenheid. De positieve ontwikkeling van deze indicatoren hield verband met de stijging van het verbruik, maar de indicatoren hadden eigenlijk sterker moeten toenemen als de bedrijfstak van de Unie volledig van de groeiende markt had kunnen profiteren. Want ondanks de toename van het verkoopvolume verloor de bedrijfstak van de Unie marktaandeel op de vrije markt. 272. De prijzen bij verkoop op de vrije markt stegen met 19 %. Deze prijsstijgingen hielden echter geen gelijke tred met de kostenstijgingen (20 %). Deze ontwikkeling werd veroorzaakt door prijsdruk. De bedrijfstak van de Unie kon de prijzen niet in dezelfde mate verhogen als de kosten vanwege de neerwaartse druk veroorzaakt door de invoer uit [China], die lagere prijzen hanteerde dan de bedrijfstak van de Unie. Gezien het feit dat de winstgevendheid gedurende de gehele beoordelingsperiode onder het streefwinstniveau lag en gezien de omvang en de lage prijzen van de invoer uit [China], concludeerde de Commissie dat de prijsstijgingen gedurende de gehele beoordelingsperiode waren verhinderd. Als gevolg daarvan vertoonden alle financiële prestatie-indicatoren, namelijk winstgevendheid, rendement van investeringen en kasstroom, een dalende trend en lagen de gerealiseerde winsten gedurende de gehele beoordelingsperiode onder het streefwinstniveau. Dit is bijzonder schadelijk omdat de markt voor het onderzochte product in de beoordelingsperiode aan het groeien was, maar de bedrijfstak van de Unie nog steeds geconfronteerd werd met lage en dalende winsten. Ondanks het feit dat nog steeds zoveel mogelijk werd geïnvesteerd om concurrerend te blijven, boekte de bedrijfstak van de Unie duidelijk onvoldoende winst om toekomstige investeringen aan te moedigen. Bovendien vond de verzwakking van de bedrijfstak van de Unie plaats in een periode van groei op de markt van de Unie. De bedrijfstak van de Unie verloor 5 % marktaandeel [cijfer gewijzigd in de bestreden verordening] op een groeiende markt en kon duidelijk niet profiteren van de groei van de markt van de Unie.”
170 Uit deze gegevens blijkt dat de Commissie naar behoren rekening heeft gehouden met het grote marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie en dat bepaalde indicatoren een positieve trend lieten zien. Verzoeksters hebben geen enkel argument of bewijs aangedragen waaruit blijkt dat de stellingen van de Commissie in de overwegingen 271 en 272 van de bestreden verordening, in het bijzonder het effect op de prijzen, kennelijk onjuist zijn. Zo hebben zij niet aangetoond dat de Commissie, gelet op de beginselen in de punten 163 tot en met 165 hierboven, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te constateren dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie is gedaald, en te concluderen dat die bedrijfstak, rekening houdend met alle relevante indicatoren waaronder het verlies van marktaandeel en de lagere winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, aanmerkelijke schade had geleden. Integendeel, de Commissie heeft benadrukt dat het verkoopvolume met slechts 2 % was gestegen (zie tabel nr. 5 in overweging 245 van de voorlopige verordening) terwijl het verbruik in de Unie met 6 % was toegenomen (zie tabel nr. 4 in overweging 226 van de bestreden verordening) en dat de prijsstijging geen gelijke tred had gehouden met de stijging van de kosten (zie tabel nr. 7 in overweging 256 van de voorlopige verordening).
171 Zoals de Commissie terecht benadrukt, doet de door verzoeksters aangehaalde rechtspraak van het Hof en het Gerecht niet af aan deze conclusie.
172 Het is juist dat in de arresten van 4 februari 2021, eurocylinder systems (C‑324/19, EU:C:2021:94), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), beide met betrekking tot verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 262, blz. 19), wordt erkend dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie van belang is om vast te stellen of er sprake is van schade.
173 De belangrijkste les uit de arresten van 4 februari 2021, eurocylinder systems (C‑324/19, EU:C:2021:94), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), is evenwel dat de verschillende indicatoren, waaronder het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, niet los van elkaar maar globaal en gezamenlijk moeten worden beschouwd (zie in die zin arresten van 4 februari 2021, eurocylinder systems, C‑324/19, EU:C:2021:94, punt 49, en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad, T‑528/09, EU:T:2014:35, punten 61‑63).
174 Bovendien waren in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 4 februari 2021, eurocylinder systems (C‑324/19, EU:C:2021:94), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), alle economische factoren positief, behalve de ontwikkeling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie (arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad, T‑528/09, EU:T:2014:35, punten 59‑61). In de onderhavige zaak blijkt echter uit de voorlopige verordening dat de capaciteitsbenutting (tabel nr. 4 in overweging 240 van de voorlopige verordening), de winstgevendheid en het rendement van investeringen van de bedrijfstak van de Unie (tabel nr. 10 in overweging 265 van de voorlopige verordening) gedurende de beoordelingsperiode waren gedaald.
175 Voorts betreffen de door verzoeksters aangehaalde passages van de arresten van 4 februari 2021, eurocylinder systems (C‑324/19, EU:C:2021:94), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), een ander schadeaspect, namelijk de beoordeling van de kwetsbaarheid van de bedrijfstak van de Unie aan het einde van het onderzoektijdvak, naar aanleiding waarvan werd geconcludeerd dat aanmerkelijke schade dreigde.
176 Bovendien heeft het door verzoeksters aangehaalde arrest van 2 mei 1995, NTN Corporation en Koyo Seiko/Raad (T‑163/94 en T‑165/94, EU:T:1995:83), betrekking op een situatie waarin de Raad had gedwaald ten aanzien van de feiten, waardoor een beeld werd opgeroepen dat in strijd was met de werkelijke ontwikkeling van de markt (zie punt 114 van dat arrest), welke dwalingen de Commissie in casu niet worden verweten. In het arrest van 14 maart 2007, Aluminium Silicon Mill Products/Raad (T‑107/04, EU:T:2007:85), waar verzoeksters ook naar verwijzen, ging het om een situatie waarin de Raad de feiten onjuist had opgevat door de ontwikkeling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie aldus voor te stellen dat deze in strijd was met de gegevens in de voorlopige verordening (zie de punten 63‑66 van dat arrest).
177 Airoldi voert echter ten eerste aan dat de gegevens betreffende de schade niet correct zijn, met name waar deze gaan over het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, omdat er in het definitieve stadium geen recente gegevens zijn verstrekt over verschillende factoren zoals het productievolume. Airoldi plaatst dit argument tegen de achtergrond van het grotendeels wegvallen van de invoer onder GN-code 76109090, waaronder ook producten vallen die geen voorwerp van het huidige onderzoek zijn (zie overweging 202 van de bestreden verordening) en van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.
178 Vooraf zij geconstateerd dat Airoldi’s betoog aansluit bij verzoeksters’ middel betreffende de analyse van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden. Meer bepaald gaat het om de verschillende factoren en indicatoren die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van de Unie, waarop verzoeksters ingaan in het eerste onderdeel van hun derde middel.
179 Anders dan de Commissie betoogt passen deze argumenten, overeenkomstig de in punt 87 hierboven aangehaalde rechtspraak, bijgevolg in het kader dat is vastgesteld door de conclusies en middelen van verzoeksters. De argumenten zijn derhalve ontvankelijk.
180 Zoals de Commissie aangeeft wordt in overweging 278 van de bestreden verordening echter verklaard dat het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van het Verenigd Koninkrijk slechts werd geschat op ongeveer 2 % van de totale verkoop van deze bedrijfstak, zodat dit volume geen materiële gevolgen konden hebben voor de economische indicatoren van de bedrijfstak van de Unie. In de bestreden verordening wordt hieruit geconcludeerd dat de indicatoren betreffende de bedrijfstak van de Unie ook zonder het Verenigd Koninkrijk representatief zijn en worden bevestigd, evenals de conclusies die daaruit zijn getrokken. Bovendien heeft de Commissie het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie opnieuw berekend zonder het Verenigd Koninkrijk (zie tabel nr. 5 bis in overweging 275 van de bestreden verordening). Voorts heeft de Commissie rekening gehouden met het wegvallen van de invoer onder GN‑code 76109090, zoals blijkt uit de overwegingen 202 tot en met 216 en de tabellen 1 tot en met 3 in respectievelijk overwegingen 208, 217 en 220 van de bestreden verordening.
181 Airoldi voert geen argumenten aan ten bewijze dat deze verklaringen van de Commissie kennelijk onjuist zijn en aangepast moeten worden. Aangezien de bewijslast op Airoldi rust, moet haar betoog worden afgewezen.
182 Ten tweede voert Airoldi aan dat de Commissie zou hebben geconstateerd dat de positie van de bedrijfstak van de Unie in werkelijkheid was versterkt indien zij maar rekening had gehouden met de segmentering van de aluminiummarkt, het lagere volume aan vermeend schadeveroorzakende producten die werden ingevoerd onder GN-code 76109090, de stijging van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie van 81,1 % naar 85,4 % en het feit dat de invoer uit China tussen de vaststelling van de voorlopige verordening en die van de bestreden verordening was gedaald van 9,6 % naar 5 %.
183 Ook hier moet worden vastgesteld dat Airoldi’s betoog aansluit bij verzoeksters’ middel inzake de analyse van de schade aan de bedrijfstak van de Unie en meer bepaald de verschillende factoren en indicatoren die de situatie van de bedrijfstak van de Unie beïnvloeden, die door verzoeksters worden behandeld in het eerste onderdeel van hun derde middel. Dit betoog sluit tevens aan bij het tweede en het derde onderdeel van het tweede middel, waarmee verzoeksters de Commissie verwijten dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat alle aluminium extrusies uit China één product zijn.
184 Hieruit volgt dat deze argumenten overeenkomstig de in punt 87 hierboven aangehaalde rechtspraak passen in het kader dat is vastgesteld door de conclusies en middelen van verzoeksters. Anders dan de Commissie betoogt zijn deze argumenten dus ontvankelijk.
185 Zoals de Commissie aangeeft, wordt in overweging 56 van de bestreden verordening echter uitgelegd waarom het betrokken product daarin als één product wordt beschouwd (zie de punten 62 en 63 hierboven). Voorts heeft de Commissie rekening gehouden met het deels wegvallen van de invoer onder GN‑code 76109090, zoals blijkt uit de overwegingen 202 tot en met 216 en de tabellen 1, 2 en 3 in respectievelijk overwegingen 208, 217 en 220 van de bestreden verordening.
186 Wat betreft het vermeend gedaalde marktaandeel van de invoer uit China en het vermeend gestegen marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie gelden de volgende opmerkingen.
187 Uit tabel nr. 5 in overweging 245 van de voorlopige verordening blijkt dat de Commissie in dat stadium van de procedure het aandeel van de bedrijfstak van de Unie op de vrije markt gedurende het onderzoektijdvak had ingeschat op 81,1 %. Aan het eind van de administratieve procedure is dat cijfer bijgesteld naar 84,4 %, omdat het volume van de invoer uit China was herzien (zie tabel nr. 5 in de overwegingen 229 en 230 van de bestreden verordening). Het door Airoldi gestelde marktaandeel van 85,4 % slaat op het aandeel dat de bedrijfstak van de Unie gedurende het onderzoektijdvak bezat op de vrije markt, maar met inaanmerkingneming van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk (zie tabel nr. 5 bis in overweging 275 van de bestreden verordening). Ten eerste volgt hieruit dat de door Airoldi aangehaalde cijfers niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn, want zij betreffen een ander geografisch gebied. Ten tweede heeft de Commissie in overweging 276 van de bestreden verordening toegelicht dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode weliswaar licht naar boven is bijgesteld maar toch met 3,0 procentpunten was gedaald.
188 Dezelfde constateringen gelden ten aanzien van de gedaalde invoer uit China. Ten eerste vergelijkt Airoldi namelijk de gegevens uit de voorlopige verordening met die in de bestreden verordening, zonder rekening te houden met het Verenigd Koninkrijk (zie tabel nr. 2 in overweging 225 van de voorlopige verordening en tabel nr. 2 bis in overweging 262 van de bestreden verordening). Ten tweede heeft de Commissie in overweging 263 van de bestreden verordening opgemerkt dat op basis van de aangepaste invoervolumes een relatief en absoluut aanmerkelijk invoerniveau kon worden waargenomen, dat gedurende het onderzoektijdvak een marktaandeel van 5 % bereikte. Absoluut gezien was de invoer uit China gedurende de beoordelingsperiode met 56 % gestegen en kende het totale marktaandeel van de invoer met dumping een stijging van 48 %.
189 Airoldi voert geen argumenten aan ten bewijze dat deze constateringen van de Commissie kennelijk onjuist zijn en dat de bedrijfstak van de Unie in werkelijkheid sterker is geworden. Aangezien de bewijslast op Airoldi rust, moet haar betoog worden afgewezen.
190 De eerste grief moet derhalve worden afgewezen.
2) Groei en winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie
191 Als tweede grief stellen verzoeksters dat de Commissie is afgeweken van het doel van de antidumpingregeling, door te concluderen dat de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden terwijl het verbruik aanmerkelijk is gegroeid en de winstgevendheid van die bedrijfstak aanmerkelijk is gestegen.
192 Wat betreft het verbruik op de vrije markt van de Unie staat vast dat dit gedurende de beoordelingsperiode met 6 % is gestegen [zie tabel nr. 4 in overweging 226 van de bestreden verordening, en tabel nr. 4 bis (bedrijfstak van de Unie zonder het Verenigd Koninkrijk) in overweging 271 van de bestreden verordening].
193 Voor de vaststelling dat de bedrijfstak van de Unie zodanige schade heeft geleden dat antidumpingrechten kunnen worden ingesteld, wordt evenwel niet geëist dat alle relevante economische factoren en indicatoren wijzen op een negatieve trend (arrest van 25 oktober 2011, CHEMK en KF/Raad, T‑190/08, EU:T:2011:618, punt 114).
194 Verder heeft de Commissie het gestegen verbruik in de Unie genuanceerd met de opmerking dat dit verbruik gedurende de beoordelingsperiode wel is gestegen maar tussen 2018 en het onderzoektijdvak is gedaald (zie overweging 216 van de voorlopige verordening en tabel nr. 4 in overweging 226 van de bestreden verordening). Bovenal heeft de Commissie in overweging 271 van de voorlopige verordening terecht benadrukt dat de bedrijfstak van de Unie volgens de beschikbare gegevens marktaandeel had verloren, ondanks de stijgende vraag.
195 Aangaande de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie moet worden vastgesteld dat uit tabel nr. 10 in overweging 265 van de voorlopige verordening blijkt dat deze in het onderzoektijdvak inderdaad 2 % bedroeg maar gedurende de beoordelingsperiode van 4,9 % naar 2 % was gedaald. Hieruit kon de Commissie afleiden dat de prijzen onder druk stonden, waarbij de prijzen van de bedrijfstak van de Unie volgens tabel 7 in overweging 256 van de voorlopige verordening minder waren gestegen dan de kosten.
196 Bijgevolg hebben verzoeksters niet aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden, ondanks de stijging van het verbruik in de Unie en de 2 % winst die deze bedrijfstak behaalde.
197 Verzoeksters’ tweede grief moet dus worden afgewezen.
3) Inaanmerkingneming van de prijs en het volume van de invoer uit China
198 Met hun derde grief betogen verzoeksters ten eerste dat de Commissie het accent heeft gelegd op de prijs van de uit China ingevoerde producten en het belang van het volume daarvan niet heeft onderkend. Ten tweede zijn de overwegingen 201 en 249 van de bestreden verordening op dit punt strijdig met elkaar.
199 Deze grief van verzoeksters berust op een onjuiste lezing van de bestreden verordening.
200 Ten eerste volgt uit afdeling 4.3 („Invoer uit het betrokken land”) van de bestreden verordening en meer bepaald de tabellen 1 tot en met 3, dat de Commissie niet alleen de prijzen van de uit China ingevoerde producten maar ook het volume van de invoer daarvan op evenwichtige wijze in aanmerking heeft genomen.
201 Ten tweede spreken de overwegingen 201 en 249 van de bestreden verordening elkaar niet tegen, want zij hebben betrekking op verschillende vraagstukken. Overweging 201 („Algemeen”) van de bestreden verordening zet immers onder andere uiteen dat „[a]bnormaal lage Chinese prijzen […] continu druk [uitoefenden en dat deze] druk diverse gevolgen [had omdat] hij de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onder druk [zette], verhinderde […] dat de internationale stijging van de prijzen van grondstoffen (aluminium) in die prijzen tot uitdrukking kwam, en […] de winst [onderdrukte]”, alsook dat „[v]oor dit schade veroorzakende beeld […] geen enorm grote invoervolumes nodig [zijn omdat] zelfs een relatief klein invoervolume, of zelfs het bestaan van een aanzienlijke hoeveelheid laaggeprijsde invoer (zoals waarvan in het onderhavige geval ontegenzeglijk sprake is), […] voldoende [is] om een laag prijsplafond vast te stellen dat gevolgen heeft voor de gehele markt”.
202 In overweging 249 van de bestreden verordening antwoordt de Commissie daarentegen op de argumenten waarmee de groep waartoe verzoeksters behoren het bestaan van aanmerkelijke schade had betwist op grond dat de door de Commissie gemaakte prijsvergelijkingen niet passend waren. Daarover heeft de Commissie het volgende opgemerkt: „Uit het onderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van een vergelijking op basis van productsoorten de prijzen van deze exporteurs de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met een aanzienlijke marge onderboden, en dus waren afgestemd, maar zelfs aanzienlijk lager waren. Haomei Group suggereerde ook de prijzen van importeurs als bron voor de prijsvergelijkingen te gebruiken. [De] Commissie [heeft] haar prijsvergelijkingen echter gebaseerd op een objectieve basis aan de hand van een gedetailleerde methode en berekeningen die aan Haomei Group zijn meegedeeld. Deze methode vergeleek producten per soort aan de hand van verschillende objectieve criteria en was daarom de meest representatieve methode die de Commissie ter beschikking stond.”
203 Hieruit volgt dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en zichzelf niet heeft tegengesproken in de overwegingen 201 en 249 van de bestreden verordening, die verschillende onderwerpen hebben.
204 Derhalve dient verzoeksters’ derde grief te worden afgewezen.
4) Gestegen marktaandeel van de invoer uit China
205 In hun vierde grief voeren verzoeksters met meerdere argumenten aan dat de Commissie fouten heeft gemaakt bij de inaanmerkingneming van het marktaandeel van de invoer uit China.
206 In de eerste plaats stellen zij dat de hoeveelheid van uit China ingevoerde producten na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen van 8 februari 2021 is gedaald van 300000 ton (bij aanvang van de procedure) tot 128853 ton. De Commissie heeft met deze daling geen rekening gehouden en haar beoordeling van de schade en de dumping niet gewijzigd.
207 Zoals blijkt uit tabel nr. 2 bis in overweging 262 van de bestreden verordening, slaat het cijfer van 128853 ton op het invoervolume onder acht codes van de gecombineerde nomenclatuur (GN) gedurende het onderzoektijdvak, rekening houdend met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Het totale volume van de invoer uit China in de Unie bedroeg gedurende diezelfde periode, op dezelfde grondslag, 152551 ton bij een marktaandeel was 5 % (zie tabel nr. 2 bis in overweging 262 van de bestreden verordening). Indien de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie buiten beschouwing wordt gelaten, bedroeg de invoer uit China onder acht GN-codes 164641 ton en kwam het totale volume van de invoer uit China op 191981 ton, bij een marktaandeel van 6,2 % (zie tabel nr. 2 in overweging 217 van de bestreden verordening). Vast staat dat deze cijfers duidelijk lager zijn dan in tabel nr. 2 in overweging 225 van de voorlopige verordening, waar het volume van de invoer uit China gedurende het onderzoektijdvak 309853 ton bedroeg en het marktaandeel 9,6 % was.
208 Ten eerste zij evenwel opgemerkt dat verzoeksters’ argument is gebaseerd op een vergelijking tussen enerzijds het volume van de invoer uit China onder acht GN-codes gedurende het onderzoektijdvak, zoals geconstateerd in de bestreden verordening en met inaanmerkingneming van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, en anderzijds het totale volume van de nog niet aangepaste invoer uit China in het stadium van de voorlopige verordening. Deze vergelijking is dus gebaseerd op cijfers over volumes in verschillende materiële en geografische gebieden, die niet rechtstreeks kunnen worden vergeleken.
209 Ten tweede moet erop worden gewezen dat, zoals ook de Commissie terecht opmerkt, de cijfers betreffende de Chinese invoer weliswaar op basis van de beschikbare gegevens naar beneden zijn bijgesteld vanwege een meningsverschil over een GN-code, maar dat de Commissie heeft kunnen bevestigen dat het totale volume van de invoer uit China aanmerkelijk was gebleven en net zo was gegroeid als in het voorlopige stadium.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 20 januari 2022, C-891/19, ECLI:EU:C:2022:38
- HvJ EU 4 februari 2021, C-324/19, ECLI:EU:C:2021:94
- Gerecht EU 7 november 2019, T-380/18, ECLI:EU:T:2019:782
- Gerecht EU 19 september 2019, T-228/17, ECLI:EU:T:2019:619
- HvJ EU 29 juli 2019, C-436/18, ECLI:EU:C:2019:643
- HvJ EU 13 maart 2019, C-128/17, ECLI:EU:C:2019:194
- HvJ EU 18 oktober 2018, C-100/17, ECLI:EU:C:2018:842
- HvJ EU 5 april 2017, C-376/15, ECLI:EU:C:2017:269
- HvJ EU 10 november 2016, C-449/14, ECLI:EU:C:2016:848
- HvJ EU 17 maart 2016, C-232/14, ECLI:EU:C:2016:180
- HvJ EU 10 september 2015, C-687/13, ECLI:EU:C:2015:573
- Gerecht EU 12 december 2014, T-643/11, ECLI:EU:T:2014:1076
- HvJ EU 7 oktober 2014, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258
- HvJ EU 1 oktober 2014, C-393/13, ECLI:EU:C:2014:2245
- Gerecht EU 11 september 2014, T-444/11, ECLI:EU:T:2014:773
- Gerecht EU 11 september 2014, T-443/11, ECLI:EU:T:2014:774
- Gerecht EU 29 januari 2014, T-528/09, ECLI:EU:T:2014:35
- Gerecht EU 10 oktober 2012, T-172/09, ECLI:EU:T:2012:532
- Gerecht EU 25 oktober 2011, T-190/08, ECLI:EU:T:2011:618
- Gerecht EU 25 oktober 2011, T-192/08, ECLI:EU:T:2011:619