Gerecht EU 4 september 2024, T-509/21, ECLI:EU:T:2024:590

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)

4 september 2024 ( *1 )

„Financiële regelgeving van de Unie – Uitvoering van de Uniebegroting in indirect beheer door een internationale organisatie – Besluit waarbij wordt geweigerd een rechtspersoon te erkennen als internationale organisatie – Beroep tot nietigverklaring – Rechtmatigheid van de machtiging verstrekt aan de advocaten van de verzoeker – Ontvankelijkheid – Besluit vastgesteld ter uitvoering van een arrest van het Hof – Artikel 266 VWEU – Gezag van gewijsde – Beginsel van behoorlijk bestuur – Rechtszekerheid – Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 – Artikel 58 – Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 – Artikel 43 – Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 – Artikel 156 – Begrippen internationale organisatie en internationale overeenkomst – Onjuiste rechtsopvattingen – Kennelijk onjuiste beoordeling – Niet-contractuele aansprakelijkheid”

In zaak T‑509/21,

International Management Group (IMG), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door L. Levi en J.‑Y. de Cara, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Baquero Cruz, J.‑F. Brakeland, S. Delaude en L. Puccio als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: L. Truchot (rapporteur), president, H. Kanninen, R. Frendo, M. Sampol Pucurull en T. Perišin, rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken, met name de beslissing van 11 januari 2022 om de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van de eindbeslissing van het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie (C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722),

na de terechtzitting op 22 november 2023,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep vordert verzoekster, International Management Group (IMG), in de eerste plaats krachtens artikel 263 VWEU nietigverklaring van het besluit van 8 juni 2021 waarbij de Europese Commissie met terugwerkende kracht tot 16 december 2014 heeft geweigerd haar de status toe te kennen van internationale organisatie bedoeld in de financiële regelgeving van de Europese Unie voor de uitvoering van de fondsen van de Unie volgens de methode van indirect beheer (hierna: „bestreden besluit”), en in de tweede plaats krachtens artikel 268 VWEU vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden.

I. Voorgeschiedenis van het geding

A. Administratieve voorgeschiedenis

2 Verzoekster, die aanvankelijk International Management Group – Infrastructure for Bosnia and Herzegovina (IMG-IBH) heette en waarvan de hoofdzetel zich thans te Belgrado (Servië) bevindt, is op 25 november 1994 opgericht zodat staten die meewerken aan de wederopbouw van Bosnië en Herzegovina daartoe over een specifieke entiteit zouden beschikken. Sindsdien heeft zij haar activiteiten op het gebied van wederopbouw en ontwikkeling geleidelijk uitgebreid.

3 Op 7 november 2013 heeft de Commissie uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 final vastgesteld inzake het uit de algemene begroting van de Unie te financieren jaarlijks actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma op grond van artikel 84 van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1). Dit besluit voorzag onder meer in een programma voor de ontwikkeling van de handel, waarvan de kosten, die werden geraamd op 10 miljoen EUR, zouden worden gefinancierd door de Unie en dat in gezamenlijk beheer met verzoekster ten uitvoer zou worden gelegd.

4 Op 17 februari 2014 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) de Commissie meegedeeld dat het een onderzoek naar de status van verzoekster had ingesteld. Op 15 december 2014 heeft de Commissie het verslag dat door OLAF na zijn onderzoek was opgesteld (hierna: „verslag van OLAF”), samen met een reeks aanbevelingen, ontvangen. In dat verslag was OLAF in wezen van oordeel dat verzoekster geen internationale organisatie was in de zin van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1) en verordening nr. 966/2012. Bovendien heeft OLAF de Commissie aanbevolen om sancties op te leggen aan verzoekster en de in dit verband aan haar betaalde bedragen terug te vorderen.

5 Op 16 december 2014 heeft de Commissie besloten om de uitvoering in indirect beheer van het in uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 final vastgestelde programma voor de ontwikkeling van de handel dat in punt 3 hierboven is genoemd, toe te vertrouwen aan een andere organisatie dan verzoekster (hierna: „besluit van 16 december 2014”).

6 Ten slotte heeft de Commissie verzoekster op 8 mei 2015 een brief geschreven om haar in te lichten over het gevolg dat zij voornemens was te geven aan het verslag van OLAF. Daarin heeft zij haar ervan in kennis gesteld dat zij weliswaar het merendeel van de aanbevelingen van OLAF naast zich neer zou leggen, maar onder meer had besloten dat haar diensten geen nieuwe delegatieovereenkomst volgens de methode van indirect beheer met een internationale organisatie van verordening nr. 966/2012 zouden sluiten met verzoekster totdat er volstrekte zekerheid bestond over de status van verzoekster als internationale organisatie (hierna: „besluit van 8 mei 2015”).

B. Gerechtelijke voorgeschiedenis

7 Bij een eerste verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 januari 2015 en ingeschreven onder nummer T‑29/15, en vervolgens bij een tweede verzoekschrift, neergelegd op 14 juli 2015 en ingeschreven onder nummer T‑381/15, heeft verzoekster een beroep ingesteld strekkende tot, in het eerste geval, nietigverklaring van het besluit van 16 december 2014 en, in het tweede geval, nietigverklaring van het besluit van 8 mei 2015 en vergoeding van de door dat besluit veroorzaakte schade.

8 In zijn arresten van 2 februari 2017, International Management Group/Commissie (T‑29/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:56), en 2 februari 2017, IMG/Commissie (T‑381/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:57), heeft het Gerecht de beroepen van verzoekster tegen de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 verworpen.

9 Bij twee hogere voorzieningen, ingesteld op 11 april 2017 en ingeschreven onder de nummers C‑183/17 P en C‑184/17 P, heeft verzoekster verzocht om vernietiging van de twee in punt 8 hierboven genoemde arresten.

10 Bij arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), heeft het Hof in de eerste plaats de twee in punt 8 hierboven genoemde arresten vernietigd, in de tweede plaats de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 nietig verklaard, en in de derde plaats zaak T‑381/15 terugverwezen naar het Gerecht voor uitspraak over de vordering van verzoekster tot vergoeding van de schade die zij als gevolg van het besluit van 8 mei 2015 zou hebben geleden.

11 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 januari 2020, heeft verzoekster het Hof verzocht om uitlegging van de punten 1 tot en met 3 van het dictum van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78). Bij beschikking van 9 juni 2020, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P-INT, EU:C:2020:507), heeft het Hof dit verzoek om uitlegging als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen.

C. Administratieve gevolgen van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P)

12 Bij brief van 6 mei 2019 heeft de Commissie verzoekster in het kader van de uitvoering van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), verzocht om bepaalde documenten over te leggen, zodat zij kan aantonen dat zij voldoet aan de vereisten om met haar te kunnen werken volgens de methode van indirect beheer.

13 Bij brief van 25 juni 2019 heeft verzoekster de Commissie in wezen verzocht om haar status als internationale organisatie niet langer ter discussie te stellen.

14 Bij brief van 18 juli 2019 (hierna: „brief van 18 juli 2019”) heeft de Commissie betoogd dat de uitvoering van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), geen „automatische erkenning [van verzoekster] als internationale organisatie [vereist], maar een herbeoordeling van haar juridische status in het licht van de beschikbare informatie en de toepasselijke financiële regels”. Derhalve heeft de Commissie haar verzoek aan verzoekster om overlegging van de documenten genoemd in de brief van 6 mei 2019 (punt 12 hierboven) herhaald en verklaard dat zij zich in geval van weigering van haar kant rechtstreeks zou wenden tot de staten die verzoekster als haar leden had beschouwd.

15 Op 26 november 2019 heeft de Commissie België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Canada, Noorwegen, Rusland, Zwitserland en Turkije gevraagd of zij verzoekster als een internationale organisatie beschouwden, of zij lid van die organisatie waren en of zij een internationale of intergouvernementele overeenkomst hadden ondertekend waarbij verzoekster als een internationale organisatie is opgericht. Indien dat het geval was, heeft de Commissie deze staten verzocht haar een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze overeenkomst toe te zenden, alsmede het bewijs dat de ondertekenaars ervan volledig bevoegd waren om de overeenkomst te ondertekenen, of een afschrift van de akte van bekrachtiging van die overeenkomst.

16 Op 27 januari en opnieuw op 11 maart 2020 heeft de Commissie het in punt 15 hierboven vermelde verzoek om inlichtingen van 26 november 2019 opnieuw doen toekomen aan België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Canada en Turkije.

17 Op 25 mei 2020 heeft de Commissie het in punt 15 hierboven vermelde verzoek om inlichtingen van 26 november 2019 nog eens doen toekomen aan België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Zweden, Canada en Turkije, en vervolgens nog eens op 14 oktober 2020 aan Duitsland en Turkije.

18 Bij brief van 19 februari 2021 heeft de Commissie verzoekster meegedeeld dat zij voornemens was een besluit vast te stellen waarbij haar erkenning als internationale organisatie zou worden geweigerd, en heeft zij haar uitgenodigd om opmerkingen in te dienen.

19 Op 5 en 30 maart 2021 heeft verzoekster in antwoord op de in punt 18 hierboven genoemde brief van de Commissie van 19 februari 2021 schriftelijke opmerkingen ingediend.

20 Op 8 juni 2021 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.

D. Gerechtelijke gevolgen van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P)

21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 september 2019 en ingeschreven onder nummer T‑645/19, heeft verzoekster beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van de brief van 18 juli 2019 en tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die door die brief zou zijn veroorzaakt.

22 Bij beschikking van 9 september 2020, IMG/Commissie (T‑645/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:388), heeft het Gerecht dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

23 Bovendien heeft het Gerecht verzoeksters vordering tot vergoeding van de schade die door het besluit van 8 mei 2015 zou zijn veroorzaakt, bij arrest van 9 september 2020, IMG/Commissie (T‑381/15 RENV, EU:T:2020:406), afgewezen.

24 Op 19 november 2020 heeft verzoekster twee hogere voorzieningen ingesteld, ingeschreven onder de nummers C‑619/20 P en C‑620/20 P, strekkende tot vernietiging van de in punt 22 hierboven genoemde beschikking en het in punt 23 hierboven genoemde arrest.

II. Feiten na de instelling van het beroep

25 Bij arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie (C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722), heeft het Hof in de eerste plaats de hogere voorziening in zaak C‑619/20 P tegen de in punt 22 hierboven genoemde beschikking afgewezen; in de tweede plaats het in punt 23 hierboven genoemde arrest gedeeltelijk vernietigd, en in de derde plaats zaak T‑381/15 RENV terugverwezen naar het Gerecht voor uitspraak over verzoeksters vordering tot vergoeding van de materiële schade die zij door het besluit van 8 mei 2015 zou hebben geleden.

III. Conclusies van partijen

26 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig verklaren; – de Commissie te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van 23671903 EUR ter vergoeding van materiële en immateriële schade; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

27 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

IV. In rechte

A. Ontvankelijkheid

28 Het staat aan het Gerecht de kwestie van de rechtmatigheid van de door verzoekster aan haar advocaten verstrekte machtiging te onderzoeken, alvorens te oordelen over de ontvankelijkheid van de bijlagen A.24 bij het verzoekschrift en C.1 bij de repliek, die volgens de Commissie niet-ontvankelijk zijn.

1. Rechtmatigheid van de door verzoekster aan haar advocaten verstrekte machtiging

29 Ter terechtzitting heeft de Commissie, in antwoord op de vraag van het Gerecht welk orgaan van verzoekster bevoegd is om een rechtsvordering in te stellen, aangevoerd dat in de door verzoekster aan haar advocaten verstrekte machtiging van 12 augustus 2021, die is opgenomen in bijlage A.3 bij het verzoekschrift, niet wordt verwezen naar een beslissing van haar permanent comité, zodat aan het bestaan van die beslissing kan worden getwijfeld.

30 Verzoekster betwist de gegrondheid van de argumenten van de Commissie.

31 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat vraagstukken over de ontvankelijkheid van het beroep vraagstukken van openbare orde vormen die de rechterlijke instanties van de Unie op elk moment, ook ambtshalve, kunnen onderzoeken (zie arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Met name artikel 19, derde en vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 51, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van toepassing is op het Gerecht, bepaalt dat andere rechtspersonen dan lidstaten, instellingen van de Unie, staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) en de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, om voor de rechterlijke instanties van de Unie op te kunnen treden, moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij die overeenkomst (zie in die zin arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 91).

33 In geval van betwisting van de rechtmatigheid van de door een partij aan haar advocaat verstrekte machtiging moet deze partij dus de rechtmatigheid van deze machtiging aantonen en dient het Gerecht die te toetsen (zie in die zin arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Hoewel de rechterlijke instanties van de Unie een partij moeten gelasten de rechtmatigheid van de aan hun advocaat verleende machtiging aan te tonen indien die door een tegenpartij wordt betwist, geldt een dergelijke verplichting alleen voor zover deze betwisting berust op voldoende concrete en nauwkeurige aanwijzingen (arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 97).

35 In casu wordt in de eerste plaats in artikel 18, onder d), van de statuten van verzoekster, zonder nadere precisering, bepaald dat zij de rechtsbevoegdheid heeft om haar functies uit te oefenen en haar doelstellingen te verwezenlijken, in het bijzonder de bevoegdheid om in rechte op te treden.

36 In de tweede plaats heeft de Commissie, door er ter terechtzitting enkel op te wijzen dat de door verzoekster aan haar advocaten verstrekte machtiging niet naar een beslissing van haar permanent comité verwees, haar betwisting van de rechtmatigheid van die machtiging niet op voldoende concrete en nauwkeurige aanwijzingen gebaseerd.

37 Het middel van niet-ontvankelijkheid dat is gebaseerd op de onrechtmatigheid van de door verzoekster aan haar advocaten verstrekte machtiging moet derhalve worden verworpen.

2. Ontvankelijkheid van bijlage A.24 bij het verzoekschrift

38 Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd dat bijlage A.24 bij het verzoekschrift niet-ontvankelijk was omdat deze het advies van haar juridische dienst van 16 januari 2015 bevatte en zij voor de openbaarmaking daarvan geen toestemming had gegeven.

39 Verzoekster betwist de gegrondheid van dit middel van niet-ontvankelijkheid.

40 In dat verband zij eraan herinnerd dat in het Unierecht het beginsel van de vrije beoordeling van het bewijs primeert, waaruit volgt dat wanneer bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen, de ontvankelijkheid ervan niet voor het Gerecht kan worden betwist (zie in die zin arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie,C‑99/17 P, EU:C:2018:773, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Volgens vaste rechtspraak zou het echter indruisen tegen het algemeen belang, dat meebrengt dat de instellingen gebruik moeten kunnen maken van in volledige onafhankelijkheid gegeven adviezen van hun juridische dienst, indien werd aanvaard dat dergelijke interne documenten in een geding voor een rechterlijke instantie van de Unie kunnen worden overgelegd zonder toestemming van de betrokken instelling of zonder bevel van die rechterlijke instantie (zie in die zin arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Wanneer de verzoekende partij een dergelijk juridisch advies zonder toestemming overlegt, confronteert die partij de betrokken instelling in de procedure over de geldigheid van een bestreden handeling namelijk met een advies dat tijdens de totstandbrenging van die handeling door haar eigen juridische dienst is uitgebracht. Aanvaarden dat die verzoekende partij een juridisch advies van een instelling kan toevoegen aan het dossier terwijl die instelling geen toestemming heeft verleend voor de openbaarmaking van dat advies, zou indruisen tegen de vereisten van een eerlijk proces en erop neerkomen dat de procedure van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) voor een verzoek om toegang tot dat document wordt omzeild (zie in die zin arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Wel moet rekening worden gehouden met het transparantiebeginsel, dat is verankerd in artikel 1, tweede alinea, en artikel 10, lid 3, VEU alsook in artikel 15, lid 1, en artikel 298, lid 1, VWEU, en dat onder meer een grotere legitimiteit en meer doelmatigheid en verantwoordelijkheid van de administratie ten opzichte van de burgers binnen een democratisch systeem waarborgt. Doordat transparantie een open discussie over meerdere uiteenlopende gezichtspunten mogelijk maakt, draagt zij bij tot het vergroten van het vertrouwen van die burgers (zie arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Het transparantiebeginsel kan echter slechts in uitzonderlijke gevallen rechtvaardigen dat een document van een instelling dat niet voor het publiek toegankelijk is gemaakt en een juridisch advies bevat, tijdens een gerechtelijke procedure openbaar wordt gemaakt. Om die reden is er geen sprake van een hoger openbaar belang dat gebiedt dat een document met een juridisch advies van een instelling deel blijft uitmaken van het dossier van een zaak wanneer dat advies geen betrekking heeft op een wetgevingsprocedure waarvoor een grotere transparantie is vereist en het enige belang om dat document in het dossier te houden er bovendien in is gelegen dat de betrokken verzoekende partij zich tijdens een geding op dat advies kan beroepen. In een dergelijk geval lijkt de overlegging van een dergelijk juridisch advies namelijk te zijn ingegeven door het eigen belang van de verzoekende partij om zijn argumenten te onderbouwen en niet door enig hoger openbaar belang, zoals het belang om de procedure die tot de bestreden handeling heeft geleid openbaar te maken (zie arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 In de eerste plaats moet in het onderhavige geval worden opgemerkt dat het advies van de juridische dienst van de Commissie van 16 januari 2015 waarnaar in punt 38 hierboven wordt verwezen en waarvan de openbaarmaking niet door die instelling is toegestaan, geen betrekking heeft op een wetgevingsprocedure waarvoor een grotere transparantie is vereist.

46 In de tweede plaats heeft verzoekster in antwoord op het middel van niet-ontvankelijkheid van de Commissie geen ander belang aangevoerd dan de mogelijkheid om zich in het kader van het onderhavige geschil op dat juridisch advies te beroepen, zodat de overlegging ervan niet lijkt te zijn ingegeven door een hoger openbaar belang, maar door haar eigen belang.

47 Derhalve moet het middel van niet-ontvankelijkheid van bijlage A.24 worden aanvaard en moet deze bijlage niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Ontvankelijkheid van bijlage C.1 bij de repliek

48 De Commissie betoogt dat verzoekster in strijd met de vereisten van artikel 85, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de vertraging bij de overlegging van de verklaring van de voorzitter van haar permanent comité van 13 oktober 2022, dat is opgenomen in bijlage C.1 bij de repliek (hierna: „verklaring van 13 oktober 2022”), niet heeft gerechtvaardigd.

49 In dat verband zij eraan herinnerd dat de hoofdpartijen overeenkomstig artikel 85, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de repliek en in de dupliek nog bewijsmiddelen kunnen overleggen of kunnen aanbieden hun stellingen nader te bewijzen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd.

50 Volgens de rechtspraak moeten de partijen overeenkomstig de vervalregel van artikel 85 van het Reglement voor de procesvoering weliswaar de vertraging motiveren waarmee zij hun nieuwe bewijzen of bewijsaanbiedingen overleggen, maar staat het aan het Gerecht om na te gaan of de reden voor de vertraging waarmee dat bewijs is overgelegd of die bewijsaanbiedingen zijn gedaan, gegrond is, en deze buiten beschouwing te laten indien de tardieve overlegging niet rechtens genoegzaam gerechtvaardigd of gestaafd is. De tardieve overlegging door een partij van bewijzen of bewijsaanbiedingen kan met name worden gerechtvaardigd door het feit dat deze partij niet eerder over het betrokken bewijs kon beschikken, of indien tardief door de tegenpartij overgelegde stukken rechtvaardigen dat het dossier wordt aangevuld, teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt geëerbiedigd (zie in die zin arrest van 16 september 2020, BP/FRA, C‑669/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:713, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 In casu zij erop gewezen dat verzoekster in punt 51 van haar repliek geen rechtvaardiging heeft gegeven voor de tardieve overlegging van de verklaring van 13 oktober 2022, die was opgesteld door de voorzitter van haar permanent comité en die zij „voor zover nodig” bij die repliek had gevoegd.

52 Het is juist dat de verklaring van 13 oktober 2022 is opgesteld nadat de ondertekenaar ervan, een voormalig lid van het Franse corps diplomatique die verklaarde dat zij in 1995 had deelgenomen aan de goedkeuring van de statuten van verzoekster, op 29 juni 2022 tot voorzitter van het permanent comité was verkozen, en dus na de datum van indiening van het verzoekschrift, namelijk 18 augustus 2021.

53 In punt 25, vijfde streepje, van het verzoekschrift verklaart verzoekster evenwel dat zij aan OLAF en aan het Gerecht een verklaring en een e-mail van dezelfde diplomate van respectievelijk 20 mei en 19 september 2014 heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij bij verzoeksters oprichting inderdaad aan de ondertekening van de statuten heeft deelgenomen.

54 Bovendien stelt verzoekster in punt 104, eerste streepje, van het verzoekschrift dat eerdere verklaringen van dezelfde diplomate bevestigden dat alle staten die aan de vergadering van 25 november 1994 hadden deelgenomen, de oprichtingsakte hadden ondertekend, zodat zij allen als oprichtingsleden moesten worden beschouwd.

55 Derhalve is de verklaring van 13 oktober 2022 door de ondertekenaar ervan niet opgesteld wegens een nieuw element in verband met haar nieuwe functie als voorzitter van het permanent comité van verzoekster, maar wegens haar deelname aan de oprichting van verzoekster in 1994 en 1995, zodat zij geen nieuw element bevat waarvan verzoekster niet eerder op de hoogte was.

56 De verklaring van 13 oktober 2022 vormt evenmin tegenbewijs dat is verstrekt in antwoord op nieuw bewijs dat door de Commissie bij het verweerschrift zou zijn gevoegd.

57 Derhalve moet bijlage C.1 als tardief en dus niet-ontvankelijk worden afgewezen.

B. Vorderingen tot nietigverklaring

58 Tot staving van haar vorderingen tot nietigverklaring voert verzoekster vier middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een aantal onjuiste rechtsopvattingen, in het bijzonder schending van artikel 266 VWEU, het gezag van gewijsde en het verbod van terugwerkende kracht; het tweede aan schending van het recht op behoorlijk bestuur, in het bijzonder niet-nakoming van de motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht; het derde aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vierde aan kennelijke beoordelingsfouten en andere onjuiste rechtsopvattingen.

59 Meer bepaald bestaat het tweede middel in wezen uit drie onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, het tweede aan niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht en het derde aan niet-nakoming van de onpartijdigheidsplicht.

60 De Commissie betwist de gegrondheid van deze middelen.

61 Het Gerecht zal het eerste onderdeel van het tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, onderzoeken en vervolgens het eerste, het derde en het vierde middel, alvorens het tweede en het derde onderdeel van het tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van respectievelijk de zorgvuldigheidsplicht en de onpartijdigheidsplicht, te onderzoeken.

1. Eerste onderdeel van het tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht

62 Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd, aangezien de Commissie niet heeft vermeld dat zij, ondanks de herhaalde verzoeken van verzoekster, elke bijeenkomst, bespreking of gedachtewisseling met haar heeft geweigerd. Zij verwijt de Commissie ook dat zij niet heeft uitgelegd waarom op basis van de documenten waarover zij beschikte, niet met de vereiste mate van rechtszekerheid kon worden geconcludeerd dat de staten die volgens verzoekster tot haar leden behoorden op geldige wijze hadden ingestemd met haar oprichting als internationale organisatie, en dat zij geen enkel element heeft aangevoerd dat, bij gebreke van enige wijziging in haar feitelijke en juridische situatie, de herbeoordeling van haar status rechtvaardigt.

63 Dienaangaande volgt uit artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) dat het recht op behoorlijk bestuur onder meer de verplichting van de instellingen omvat om hun beslissingen met redenen te omkleden.

64 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Unie aan de aard van de handeling in kwestie aangepast zijn en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen van die handeling, maar ook op de context waarvan zij deel uitmaakt en op het geheel van rechtsregels die de materie in kwestie regelen (zie in die zin arresten van 4 juni 2020, Hongarije/Commissie,C‑456/18 P, EU:C:2020:421, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 mei 2018, Malta/Commissie,T‑653/16, EU:T:2018:241, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Bovendien kan er, zelfs wanneer het betrokken besluit bepaalde sporen van een motivering bevat, toch sprake zijn van een ontbrekende motivering. Tegenstrijdige of onbegrijpelijke redeneringen worden dan ook gelijkgesteld met het ontbreken van een motivering. Hetzelfde geldt wanneer de motivering in het betrokken besluit dermate onvolledig is dat ze de adressaat, in de context van de vaststelling ervan, op geen enkele wijze in staat stelt om de redenering van de opsteller ervan te begrijpen (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo,C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 In casu blijkt uit het bestreden besluit duidelijk dat het bestaat uit een brief van 8 juni 2021 van de Commissie aan verzoekster en een bijlage van een twintigtal bladzijden, getiteld „Eindbeoordeling van de juridische status van IMG om in aanmerking te komen voor indirect beheer” (hierna: „eindbeoordeling”), die zelf vergezeld gaat van twee bijlagen.

67 In de eerste plaats heeft de Commissie verzoekster in de brief van 8 juni 2021 meegedeeld dat zij na de eindbeoordeling tot de conclusie was gekomen dat zij niet in aanmerking kwam voor uitvoering van de Uniebegroting in indirect beheer als internationale organisatie, overeenkomstig de financiële regels die van toepassing zijn op de begroting van de Unie en de Europese ontwikkelingsfondsen.

68 Bovendien heeft de Commissie verklaard dat de eindbeoordeling en de conclusie ervan de uitvoering vormden van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), en dat het bestreden besluit van toepassing was vanaf 16 december 2014, de datum die overeenkomt met de datum van inwerkingtreding van een van de besluiten die bij dat arrest van het Hof nietig zijn verklaard.

69 In de tweede plaats blijkt uit de eindbeoordeling dat die uit vier delen bestaat, waarvan het eerste betrekking heeft op de door de Commissie aan verzoekster geboden mogelijkheid om haar opmerkingen over het ontwerpbesluit in te dienen, het tweede op de beoordeling van de opmerkingen van verzoekster, het derde op de opmerkingen van verzoekster over de antwoorden van de door de Commissie ondervraagde staten en het vierde op de conclusie.

70 Ten eerste heeft de Commissie in het eerste onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling aangegeven dat het Hof bij het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 had vernietigd, voornamelijk op grond van het feit dat de twijfels van de Commissie over de status van verzoekster als internationale organisatie voortvloeiden uit standpunten van een minderheid van de leden ervan, te weten vijf van de zestien staten, en dat derhalve een volledige herbeoordeling van haar juridische status nodig was om uitvoering te geven aan dat arrest, teneinde vast te stellen of zij als internationale organisatie in aanmerking kwam om de begroting van de Unie in indirect beheer uit te voeren.

71 Ten tweede heeft de Commissie in het derde en vierde onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling herinnerd aan de opeenvolgende bepalingen van de financiële regelgeving van de Unie sinds 16 december 2014 waarin de subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn vastgesteld voor de uitvoering van de fondsen van de Unie in indirect beheer door internationale organisaties.

72 In dat verband was de Commissie van mening dat de definitie van het begrip internationale organisatie waarnaar in de financiële regelgeving van de Unie wordt verwezen, moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder i), van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331; hierna: „Verdrag van Wenen”), en overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder a), van de ontwerpartikelen met betrekking tot de verantwoordelijkheid van internationale organisaties, die door de International Law Commission van de Verenigde Naties tijdens haar drieënzestigste zitting in 2011 zijn goedgekeurd en aan de Algemene Vergadering zijn voorgelegd in de context van haar verslag over de werkzaamheden van die zitting (A/66/10) [Yearbook of the International Law Commission, 2011, vol. II(2); hierna: „ontwerpartikelen”].

73 De Commissie heeft hieruit afgeleid dat een internationale organisatie, om in aanmerking te komen voor indirect beheer als bedoeld in de regelgeving van de Unie, moet zijn opgericht bij een intergouvernementele of internationale overeenkomst in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), artikel 7, lid 1, en de artikelen 8 en 11 van het Verdrag van Wenen.

74 Zo heeft de Commissie uiteengezet dat de betrokken entiteit, om in aanmerking te komen voor indirect beheer als internationale organisatie, als zodanig moet zijn opgericht bij een verdrag naar internationaal recht dat is gesloten door ten minste twee staten, waarvan de instemming moet zijn gegeven door vertegenwoordigers met volmacht, of in overeenstemming met de formaliteiten van artikel 11 van het Verdrag van Wenen.

75 Ten derde heeft de Commissie in het vijfde onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling verwezen naar de punten 94 en 95 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), en heeft zij daaruit afgeleid dat de Commissie, indien de staten die beweerdelijk lid zijn van een organisatie hebben verklaard dat zij geen geldige toestemming hebben gegeven om toe te treden tot het verdrag of de overeenkomst tot oprichting van die organisatie, dan wel hebben verklaard dat zij geen lid (meer) zijn van die organisatie, niet over een rechtsgrondslag zou beschikken op grond waarvan zij die entiteit op eigen initiatief als een internationale organisatie in de zin van de financiële regelgeving van de Unie zou kunnen beschouwen.

76 De Commissie was met name van mening dat, indien slechts één staat ten volle erkent dat hij deelneemt aan een internationale organisatie of erkent ermee heeft ingestemd gebonden te zijn door het oprichtingsverdrag van die organisatie, zulks onvoldoende is om die entiteit als een internationale organisatie te beschouwen voor de toepassing van de financiële regelgeving van de Unie, aangezien het bestaan van een dergelijke organisatie en van een internationale overeenkomst de deelname van ten minste twee staten vereist.

77 Ten vierde heeft de Commissie er in het zesde onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling, dat betrekking heeft op de documenten die zij heeft ontvangen en in aanmerking heeft genomen voor de herbeoordeling van de juridische status van verzoekster, aan herinnerd dat de betrokkene geen van de documenten had verstrekt waarom zij had verzocht in haar brieven van 6 mei en 18 juli 2019, waarnaar respectievelijk in de punten 12 en 14 hierboven wordt verwezen, en dat zij in november 2019 de autoriteiten van de staten die op de website van verzoekster worden genoemd en die als leden ervan worden gepresenteerd, had ondervraagd, aangezien de documenten waarover zij beschikte haar niet in staat stelden om met de vereiste mate van rechtszekerheid te concluderen dat de vermeende leden van de verzoekende organisatie rechtsgeldig hadden ingestemd met de oprichting ervan als internationale organisatie en er lid van waren.

78 Ten vijfde heeft de Commissie in het zevende onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling (hierna: „onderdeel A.7”), betreffende de voorafgaande beoordeling of verzoekster in aanmerking kwam voor indirect beheer als internationale organisatie, onderzocht of zijzelf daadwerkelijk had deelgenomen aan de oprichting van verzoekster en wat de antwoorden waren van de staten die zij in de in de punten 15 tot en met 17 hierboven genoemde omstandigheden had ondervraagd.

79 Wat in de eerste plaats de kwestie van haar deelname aan de oprichting van verzoekster betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat noch de Europese Gemeenschap noch de Unie na haar een internationale overeenkomst overeenkomstig de oorspronkelijk in artikel 228, lid 2, VEG neergelegde bepalingen had gesloten met het oog op de oprichting van verzoekster als internationale organisatie en dat de Unie dus niet kon worden beschouwd als lid van een dergelijke organisatie. De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat, zelfs indien zij een overeenkomst had gesloten met het oog op de oprichting van verzoekster als internationale organisatie, een dergelijke overeenkomst slechts als een internationale overeenkomst kan worden beschouwd indien ten minste twee staten daartoe zijn toegetreden.

80 Wat in de tweede plaats de antwoorden van de staten betreft waarvan wordt beweerd dat zij lid zijn van verzoekster, heeft de Commissie opgemerkt dat geen van deze staten heeft erkend een internationale of intergouvernementele overeenkomst te hebben ondertekend waarbij verzoekster als een internationale publieke organisatie is opgericht, ondertekenaars te hebben afgevaardigd die bevoegd zijn om namens hen een internationale of intergouvernementele overeenkomst met een dergelijk doel te ondertekenen, interne procedures te hebben toegepast met het oog op de bekrachtiging van een internationale of intergouvernementele overeenkomst met een dergelijk doel, of verzoekster als een internationale publieke organisatie te hebben opgericht.

81 Bovendien heeft de Commissie erop gewezen dat alleen Oostenrijk heeft erkend dat het lid is van verzoekster en dat verzoekster volgens de Oostenrijkse autoriteiten ten tijde van haar oprichting een tijdelijk en onafhankelijk internationaal orgaan met beperkte rechtsbevoegdheid was en geen internationale organisatie.

82 Bovendien heeft de Commissie opgemerkt dat sommige internationale organisaties niet formeel bij verdrag zijn opgericht, maar deze status in de praktijk hebben verworven. Deze organisaties worden echter duidelijk en algemeen als zodanig erkend door de staten die er lid van zijn en door verschillende internationale instanties, hetgeen bij verzoekster niet het geval was.

83 Voorts heeft de Commissie, onder specifieke vermelding van de antwoorden van België, Italië, Oostenrijk en Finland, geoordeeld dat de verklaringen van sommige geraadpleegde staten, waarin zij hebben bevestigd dat zij het document van 25 november 1994 betreffende de oprichting van IMG-IBH (hierna: „resolutie van 25 november 1994”) hebben ondertekend, dat zij hebben deelgenomen aan de vergadering van dezelfde dag waarop dat document is goedgekeurd, en dat zij lid zijn geweest van het bestuurscomité van verzoekster, niet kunnen aantonen dat verzoekster een bij een internationale overeenkomst opgerichte internationale organisatie is.

84 Ten zesde heeft de Commissie in het tweede en derde deel van de eindbeoordeling de door verzoekster in haar brief van 30 maart 2021 aangevoerde bezwaren onderzocht en geoordeeld dat geen van deze bezwaren van dien aard was dat de voorlopige conclusie dat verzoekster niet kon worden gezien als een internationale organisatie en bijgevolg sinds 16 december 2014 niet in aanmerking kwam voor de uitvoering van de fondsen van de Unie in indirect beheer als een internationale organisatie, in twijfel werd getrokken.

85 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de juridische en feitelijke overwegingen waarop het bestreden besluit is gebaseerd, daarin voldoende zijn uiteengezet en dat deze overwegingen van dien aard waren dat verzoekster de rechtmatigheid ervan kon beoordelen en het Gerecht zijn toezicht kon uitoefenen.

86 In de derde plaats zijn de argumenten van verzoekster dat sommige gronden van het bestreden besluit niet voldoende nauwkeurig zijn, niet van dien aard dat zij de conclusie in punt 85 hierboven in twijfel trekken.

87 Ten eerste, wat het ontbreken betreft van enige aanwijzing in het bestreden besluit dat de Commissie, ondanks verzoeksters herhaalde verzoeken, elke bijeenkomst, bespreking of gedachtewisseling met verzoekster heeft geweigerd is een dergelijke houding, zelfs indien deze zou zijn bewezen, irrelevant om te bepalen of dit besluit voldoende met redenen is omkleed.

88 De verwijzing naar eventuele gedachtewisselingen tussen de Commissie en verzoekster vóór de vaststelling van het bestreden besluit betreft namelijk de procedure voor de vaststelling van dat besluit en niet de gegrondheid ervan. Aangezien een dergelijke verwijzing irrelevant is in het licht van de feitelijke en juridische gronden waarop de conclusie van de Commissie in het bestreden besluit is gebaseerd, kan verzoekster de Commissie niet verwijten dat haar besluit ontoereikend is gemotiveerd wegens haar stilzwijgen op dit punt.

89 Ten tweede, wat verzoeksters argument betreft dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarom de documenten waarover zij beschikte onvoldoende waren om te bepalen of verzoekster de status van internationale organisatie had, blijkt uit het bestreden besluit, met name uit het zesde onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling, dat de Commissie van mening was dat die documenten, die zij in voetnoot 23 van die beoordeling heeft opgesomd, haars inziens niet de vereiste mate van rechtszekerheid boden, hetgeen weliswaar een korte maar afdoende motivering is.

90 Ten derde, wat verzoeksters argument betreft dat de Commissie geen gegevens heeft aangevoerd die – bij gebreke van enige wijziging in haar feitelijke en juridische situatie – de herbeoordeling van haar juridische status rechtvaardigen, blijkt uit het bestreden besluit, met name uit het eerste onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling, dat de Commissie van mening was dat een dergelijke herbeoordeling noodzakelijk was om het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), uit te voeren.

91 Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel, ontleend aan een ontoereikende motivering van het bestreden besluit, ongegrond worden verklaard.

2. Eerste middel, ontleend aan een aantal onjuiste rechtsopvattingen, in het bijzonder schending van artikel 266 VWEU, het gezag van gewijsde en het verbod van terugwerkende kracht

92 Het eerste middel bestaat in wezen uit drie onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan schending van artikel 266 VWEU en het gezag van gewijsde van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), het tweede aan schending van de financiële regelgeving van de Unie en van de richtsnoeren van de Commissie van 7 januari 2015 betreffende de beoordeling van de status van internationale organisaties en de mogelijkheid om organisaties zonder winstoogmerk met internationale organisaties gelijk te stellen (hierna: „richtsnoeren”) en van verschillende beginselen, in het bijzonder het verbod van terugwerkende kracht, en het derde aan schending van het gelijkheidsbeginsel.

a) Eerste onderdeel, ontleend aan schending van artikel 266 VWEU en het gezag van gewijsde van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P)

93 Het eerste onderdeel van het eerste middel bestaat uit twee grieven, waarvan de eerste is ontleend aan schending van artikel 266 VWEU en de tweede aan schending van het gezag van gewijsde.

1) Eerste grief, ontleend aan schending van artikel 266 VWEU

94 Verzoekster betoogt dat artikel 266 VWEU de instelling die een nietig verklaarde handeling heeft vastgesteld, alleen verplicht om met terugwerkende kracht een nieuwe handeling vast te stellen indien deze instelling zich in een situatie van gebonden bevoegdheid bevindt, hetgeen het Hof in punt 113 van het arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie (C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722), zou hebben bevestigd. Na de nietigverklaring van de besluiten die voortvloeit uit het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), kon de Commissie volgens verzoekster dus niet a posteriori rechtmatig terugkomen op de eerder aan verzoekster toegekende kwalificatie als internationale organisatie.

95 Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 266 VWEU dat de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest waarbij de nietigverklaring van die handeling is uitgesproken en, teneinde zich naar dat arrest te voegen en er volledig uitvoering aan te geven, niet alleen het dictum van dat arrest moet naleven maar ook de rechtsoverwegingen die de noodzakelijke ondersteuning ervan vormen, daar zij onontbeerlijk zijn om de precieze betekenis van het dictum te bepalen (zie arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 Artikel 266 VWEU preciseert evenwel niet welke maatregelen de auteur van de nietig verklaarde handeling moet nemen om aan de in punt 95 hierboven vermelde verplichting te voldoen, zodat het aan deze auteur staat om die maatregelen te bepalen. Daarbij beschikt hij over een ruime beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de keuze van die middelen, zolang wordt voldaan aan het dictum van het arrest waarbij die handeling nietig is verklaard en aan de rechtsoverwegingen die de noodzakelijke ondersteuning ervan vormen (zie arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Uit de rechtspraak volgt met name dat een maatregel ter uitvoering van een arrest waarbij een handeling nietig is verklaard, bij wijze van uitzondering terugwerkende kracht kan hebben wanneer het te bereiken doel dit vereist, dat wil zeggen wanneer het besluit met terugwerkende kracht beoogt te voldoen aan ten minste één doelstelling van algemeen belang en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, Éditions Odile Jacob/Commissie, C‑514/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:55, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98 Zo beoogt een besluit met terugwerkende kracht dat is genomen ter uitvoering van een vernietigingsarrest en dat tot doel heeft de door dat arrest vastgestelde onrechtmatigheid op te heffen, te voldoen aan een doelstelling van algemeen belang, namelijk de eerbiediging door de instelling van het legaliteitsbeginsel en van het gezag van gewijsde (zie in die zin arrest van 5 september 2014, Éditions Odile Jacob/Commissie,T‑471/11, EU:T:2014:739, punt 106).

99 Uit de rechtspraak volgt namelijk dat de nietigverklaring van een handeling door de Unierechter tot gevolg heeft dat die handeling met terugwerkende kracht haar gelding wordt ontnomen en dat wanneer de nietig verklaarde handeling reeds is uitgevoerd, het ongedaan maken van haar gevolgen vereist dat de verzoekende partij in de rechtspositie wordt gebracht waarin zij zich vóór die handeling bevond (zie arrest van 21 september 2022, Casanova/BEI, T‑266/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:566, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 Bovendien volgt ook uit de rechtspraak dat wanneer een arrest een handeling met terugwerkende kracht nietig verklaart, de instelling daardoor niet verplicht is om een nieuw besluit vast te stellen waarvan de inhoud verschilt van die van het nietig verklaarde besluit, op voorwaarde dat dit nieuwe besluit en de procedure aan de hand waarvan het wordt vastgesteld, niet dezelfde gebreken vertonen als tot de nietigverklaring van het eerste besluit hebben geleid, en zij geen nieuwe gebreken vertonen (zie in die zin arrest van 8 juni 2022, Darment/Commissie, T‑92/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:341, punt 49).

101 In casu volgt uit de punten 57 tot en met 59, 61 en 88 tot en met 90 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), dat de Commissie verplicht is om zich ervan te vergewissen dat de entiteiten waaraan zij taken tot uitvoering van de begroting heeft toevertrouwd of voornemens is toe te vertrouwen op grond van de financiële regelgeving van de Unie betreffende het indirecte beheer van de begroting van de Unie door internationale organisaties, een dergelijke hoedanigheid in de zin van die regelgeving hebben. Bovendien is deze instelling, in geval van twijfel daaromtrent, verplicht om deze twijfel weg te nemen en alle noodzakelijke gegevens te verzamelen om haar besluit zowel juridisch als feitelijk te rechtvaardigen, rekening houdend met de rechtsgevolgen van dat besluit voor de betrokken entiteit (arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 111).

102 Voorts blijkt uit de punten 92 tot en met 97 en 104 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), waarvan de inhoud in herinnering is gebracht in de punten 22 en 23 van de beschikking van 9 juni 2020, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P-INT, EU:C:2020:507), dat de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 zowel juridisch als feitelijk niet gerechtvaardigd waren (arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 112).

103 Gelet op deze beoordelingen en vaststellingen, die de onderbouwing vormen van het dictum van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), was de Commissie niet verplicht om IMG terug te plaatsen in de situatie als erkende internationale organisatie waarin IMG stelt zich te hebben bevonden, maar kon zij voldoen aan haar verplichting om uitvoering te geven aan dat arrest door procedurele maatregelen te nemen met als doel haar in staat te stellen de door het Hof vastgestelde onregelmatigheid te verhelpen en eventueel een nieuwe handeling vast te stellen ter vervanging van de besluiten die het Hof nietig had verklaard, nadat zij de gegevens had verkregen die zij nodig achtte om dat nieuwe besluit juridisch en feitelijk te onderbouwen (arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 113).

104 Zo volgt uit de motivering van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), waarvan het Hof de betekenis en de strekking in herinnering heeft gebracht in de beschikking van 9 juni 2020, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P-INT, EU:C:2020:507), dat het de Commissie niet verboden was om naar aanleiding van dat arrest, rekening houdend met alle relevante feitelijke en juridische gegevens, later een nieuwe beoordeling van de hoedanigheid van internationale organisatie van IMG te verrichten (zie in die zin arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 142).

105 Derhalve heeft de Commissie artikel 266 VWEU niet geschonden door de juridische status van verzoekster met terugwerkende kracht opnieuw te beoordelen na het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), zodat de eerste grief ongegrond moet worden verklaard.

2) Tweede grief, ontleend aan schending van het gezag van gewijsde

106 Verzoekster is van mening dat het gezag van gewijsde van de punten 94 en 104 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), in de weg staat aan een herbeoordeling van haar status in het verleden.

107 In dat verband komt volgens vaste rechtspraak het gezag van gewijsde niet alleen toe aan het dictum van de betrokken rechterlijke beslissing, maar strekt het zich ook uit tot de motivering ervan die de nodige onderbouwing van het dictum vormt en er daardoor onlosmakelijk mee verbonden is (zie arrest van 17 september 2020, Alfamicro/Commissie, C‑623/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:734, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

108 Het gezag van gewijsde geldt bovendien alleen voor de punten feitelijk en rechtens die in een rechterlijke beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (zie arrest van 17 september 2020, Alfamicro/Commissie, C‑623/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:734, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Zoals in punt 102 hierboven is aangegeven, volgt uit de punten 92 tot en met 97 en 104 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), dat de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 juridisch en feitelijk niet gerechtvaardigd waren, zodat zij door het Hof nietig zijn verklaard.

110 In het bijzonder heeft het Hof in de punten 92 tot en met 97 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), de middelen van de twee hogere voorzieningen toegewezen waarin verzoekster het Gerecht verweet dat het had geoordeeld dat de Commissie geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting noch van een kennelijke beoordelingsfout door de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 te rechtvaardigen door het bestaan van bepaalde twijfels over haar hoedanigheid van internationale organisatie in de zin van de financiële regelgeving van de Unie.

111 Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door enkel te stellen dat de door verzoekster aangevoerde argumenten en bewijzen niet afdeden aan de twijfels die de Commissie had over haar status als internationale organisatie en door de rechtmatigheid van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 niet te toetsen aan het begrip internationale organisatie in de zin van de financiële regelgeving van de Unie.

112 In die context heeft het Hof met name opgemerkt dat geen van de drie elementen waarop de Commissie zich had gebaseerd bij de vaststelling van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015, op rechtmatige wijze twijfel kon doen rijzen over de hoedanigheid van internationale organisatie van verzoekster.

113 Volgens het eerste van die drie elementen beschouwden vijf lidstaten van de Unie, die verzoekster als haar leden presenteerde, zichzelf niet als zodanig. Het tweede element was dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN) had verklaard dat verzoekster geen gespecialiseerd agentschap van de VN was, en het derde element was dat er onzekerheid bestond over de bevoegdheden van de personen die bepaalde staten die aanwezig waren bij de ondertekening van de oprichtingsakte van verzoekster hadden vertegenwoordigd.

114 Het Hof heeft aldus vastgesteld dat deze drie elementen enkel betrekking hadden op vijf staten die volgens verzoekster deel uitmaken of deel uitmaakten van haar leden, alsmede op de bevoegdheden van de personen die deze staten hebben vertegenwoordigd bij de ondertekening van haar oprichtingsakte, en niet op alle staten die lid zijn van verzoekster of op haar eigen hoedanigheid.

115 Meer bepaald heeft het Hof in punt 94 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), als volgt geoordeeld: „Wat betreft het eerste element, met betrekking tot de vraag of meerdere staten die volgens IMG tot haar leden behoorden dat ook daadwerkelijk waren, vloeit uit de eigen vaststellingen van het Gerecht immers voort dat de twijfels van de Commissie hieromtrent enkel betrekking hadden op ‚bepaalde’ leden van IMG en meer in het bijzonder op vijf van hen op een totaal van zestien. Die twijfels, gesteld dat zij gegrond zijn, hebben in het internationale recht niet tot gevolg dat de entiteit waarvan die staten geen – of niet langer – lid zijn, haar hoedanigheid van ‚internationale organisatie’ wordt ontnomen en al helemaal niet wanneer de betrokken staten, zoals in casu, slechts een klein deel van de entiteit in kwestie vormen.”

116 Ten slotte heeft het Hof in de punten 98 tot en met 106 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), ten eerste geoordeeld dat de vaststelling van de onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht meebracht dat de arresten van 2 februari 2017, International Management Group/Commissie (T‑29/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:56), en van 2 februari 2017, IMG/Commissie (T‑381/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:57), in hun geheel moesten worden vernietigd; ten tweede dat de twee gedingen in staat van wijzen waren voor zover verzoekster verzocht om nietigverklaring van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015; ten derde dat die twee besluiten net als de genoemde arresten onrechtmatig waren, zodat ook zij in hun geheel nietig moesten worden verklaard, en ten vierde dat de vordering tot vergoeding van de schade die verzoekster als gevolg van het besluit van 8 mei 2015 heeft geleden daarentegen niet in staat van wijzen was en dus moest worden terugverwezen naar het Gerecht.

117 Aldus heeft het Hof in punt 104 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), als volgt geoordeeld: „In casu zal het Hof de twee beroepen tot nietigverklaring, die in staat van wijzen zijn, afdoen. Zoals uit de punten 92 tot en met 96 van het onderhavige arrest voortvloeit, zijn de litigieuze besluiten immers onrechtmatig, voor zover de door de Commissie ter ondersteuning van die besluiten aangevoerde elementen geen twijfel kunnen doen rijzen over de hoedanigheid van IMG als internationale organisatie in de zin van de financiële regelgevingen van 2002 en van 2012. Derhalve moeten die besluiten in hun geheel nietig worden verklaard.”

118 In de eerste plaats volgt uit het voorgaande dat de motivering in de punten 94 en 104 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), niet los kan worden gelezen van de punten 92 tot en met 96 van dat arrest, waarnaar punt 104 van dat arrest verwijst, die de noodzakelijke ondersteuning vormen van het dictum waarbij het Hof de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 heeft vernietigd. Hieruit volgt dat het gezag van gewijsde van met name punt 94 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), zich ook uitstrekt tot punt 104 van dat arrest.

119 In de tweede plaats blijkt uit de motivering van het bestreden besluit, zoals samengevat in de punten 66 tot en met 84 hierboven, niet dat dit besluit is gebaseerd op een van de drie elementen die aanleiding hebben gegeven tot de twijfels van de Commissie en haar ertoe hebben gebracht de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 vast te stellen.

120 Aangezien de Commissie het bestreden besluit heeft gebaseerd op andere gronden dan ten grondslag lagen aan de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015, die het Hof bij arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), onrechtmatig heeft verklaard, stelt verzoekster dus ten onrechte dat het bestreden besluit in strijd is met het gezag van gewijsde van met name de punten 94 en 104 van dat arrest. Derhalve moet deze grief, evenals het eerste onderdeel van het onderhavige middel in zijn geheel, ongegrond worden verklaard.

b) Tweede onderdeel, ontleend aan schending van het beginsel van goede trouw, van het adagium nemo auditur propriam turpitudinem allegans en van het verbod van terugwerkende kracht

121 Dit onderdeel bestaat uit twee grieven, waarvan de eerste is ontleend aan schending van het beginsel van goede trouw en van het adagium nemo auditur propriam turpitudinem allegans (hierna: „adagium nemo auditur”) en de tweede is ontleend aan schending van het verbod van terugwerkende kracht van de handelingen van de Unie.

122 Het Gerecht zal eerst de tweede grief inzake schending van het verbod van terugwerkende kracht van de handelingen van de Unie onderzoeken en vervolgens de eerste grief.

1) Tweede grief, ontleend aan schending van het verbod van terugwerkende kracht van de handelingen van de Unie

123 Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod van terugwerkende kracht van de handelingen van de Unie, aangezien er geen rechtvaardiging was voor de retroactieve herbeoordeling van haar status. Bovendien stelt zij dat de terugwerkende kracht van het bestreden besluit niet wordt gerechtvaardigd door de feiten van de zaak, maar door nieuwe feiten, geanalyseerd in het licht van nieuwe regelgeving.

124 In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat het fundamentele vereiste van rechtszekerheid in zijn verschillende verschijningsvormen er volgens de rechtspraak toe strekt te waarborgen dat door het Unierecht beheerste rechtssituaties en -betrekkingen voorzienbaar zijn. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich er met name tegen dat een Uniehandeling reeds vóór de publicatie van deze handeling van kracht is (zie in die zin arrest van 9 maart 2023, Galeote en Watson/Parlement, C‑715/21 P en C‑716/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:190, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

125 Zoals echter volgt uit de in de punten 97 tot en met 99 hierboven aangehaalde rechtspraak kan een maatregel ter uitvoering van een arrest waarbij een handeling nietig is verklaard, bij wijze van uitzondering terugwerkende kracht hebben indien het te bereiken doel dit vereist, dat wil zeggen indien het besluit met terugwerkende kracht beoogt te voldoen aan ten minste één doelstelling van algemeen belang en indien het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen.

126 Derhalve moet worden nagegaan of in dit geval aan de twee in punt 125 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan.

127 Wat in de eerste plaats de eerste voorwaarde inzake het voldoen aan een doelstelling van algemeen belang betreft, blijkt uit de in de punten 98 en 99 hierboven aangehaalde rechtspraak dat een besluit met terugwerkende kracht dat is genomen ter uitvoering van een vernietigingsarrest, en dat tot doel heeft de door dat arrest vastgestelde onrechtmatigheid op te heffen, beoogt te voldoen aan een doelstelling van algemeen belang, aangezien de nietigverklaring van een handeling door de Unierechter vereist dat de instelling die de nietig verklaarde handeling heeft vastgesteld de door de nietigverklaring van die handeling ontstane rechtsleemte vult en de verzoekende partij in de rechtspositie brengt waarin zij zich vóór die handeling bevond (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 september 2014, Éditions Odile Jacob/Commissie,T‑471/11, EU:T:2014:739, punt 106).

128 In casu volgt uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel, met name uit punt 103 hierboven, dat de Commissie aan haar verplichting om uitvoering te geven aan het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), kon voldoen door procedurele maatregelen te nemen met als doel haar in staat te stellen de door het Hof vastgestelde onregelmatigheid te verhelpen en eventueel een nieuwe handeling vast te stellen ter vervanging van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 die het Hof nietig had verklaard, nadat zij de gegevens had verkregen die zij nodig achtte om dat nieuwe besluit juridisch en feitelijk te onderbouwen.

129 Aangezien de Commissie het bestreden besluit heeft vastgesteld om de onrechtmatigheid van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 te verhelpen en een rechtsleemte na de nietigverklaring ervan door het Hof te voorkomen, bevond zij zich dus in de uitzonderlijke situatie dat zij aan het bestreden besluit terugwerkende kracht kon verlenen.

130 Bovendien was die terugwerkende kracht des te noodzakelijker omdat het Hof, zoals blijkt uit punt 23 van de beschikking van 9 juni 2020, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P-INT, EU:C:2020:507), in het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), geen uitspraak had gedaan over de vraag of op basis van een analyse die niet was aangetast door een onjuiste rechtsopvatting en van alle relevante factoren moest worden geoordeeld of integendeel moest worden uitgesloten dat verzoekster ten tijde van de vaststelling van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 de status van internationale organisatie had.

131 Het feit dat het bestreden besluit geen terugwerkende kracht had, zou dus twijfel hebben laten bestaan over de vraag of verzoekster in de periode tussen 16 december 2014 en de datum van vaststelling van het bestreden besluit aanspraak kon maken op de status van internationale organisatie op grond waarvan zij overeenkomstig de financiële regelgeving van de Unie de begroting van de Unie in indirect beheer kon uitvoeren.

132 Uit de punten 57 tot en met 59, 61 en 88 tot en met 90 van het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), en uit punt 111 van het arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie (C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722), volgt echter duidelijk dat de Commissie verplicht is om zich ervan te vergewissen dat de entiteiten waaraan zij taken tot uitvoering van de begroting heeft toevertrouwd of voornemens is toe te vertrouwen op grond van de financiële regelgeving van de Unie betreffende het indirecte beheer van de begroting van de Unie door internationale organisaties, een dergelijke hoedanigheid in de zin van die regelgeving hebben.

133 Gelet op de rol en de verantwoordelijkheid die artikel 310, lid 5, artikel 317, eerste alinea, VWEU en de financiële regelgeving aan de Commissie toekennen in verband met de uitvoering van de begroting van de Unie, is deze instelling verantwoordelijk voor de naleving van het beginsel van goed financieel beheer. Hieruit volgt dat de Commissie, wanneer zij kiest voor een wijze van uitvoering van de begroting waarbij een beroep wordt gedaan op een derde, er in elk geval op moet toezien dat bij die uitvoering en vervolgens gedurende de gehele uitvoering van de betrokken begrotingstaken wordt voldaan aan de toepasselijke voorwaarden, met name de voorwaarden voor de toekenning van de benodigde middelen en het daaropvolgende gebruik ervan (zie in die zin arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 151 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

134 Bijgevolg vormden de verduidelijking van de juridische status van verzoekster en de verplichting om de onrechtmatigheid van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 te verhelpen, doelstellingen van algemeen belang die de Commissie in staat stelden om een nieuw besluit vast te stellen met terugwerkende kracht tot het besluit van 16 december 2014, zodat aan de eerste van de in punt 125 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan.

135 Wat in de tweede plaats de tweede voorwaarde inzake de eerbiediging van het gewettigd vertrouwen betreft, zij eraan herinnerd dat de vaststelling van schending van dit beginsel volgens vaste rechtspraak veronderstelt dat de bevoegde autoriteiten van de Unie de belanghebbende nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen hebben gedaan die afkomstig zijn uit gezaghebbende en betrouwbare bronnen (zie in die zin beschikking van 2 juni 2022, Arnautu/Parlement, C‑573/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:448, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

136 In dat verband staat het aan het Gerecht om na te gaan of de handelingen van een administratieve instantie bij de voorzichtige en bezonnen betrokkene een redelijk vertrouwen hebben gewekt, en zo ja, of dit vertrouwen gewettigd is (zie beschikking van 2 juni 2022, Arnautu/Parlement, C‑573/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:448, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

137 Uit het dossier blijkt echter niet dat de Commissie verzoekster na het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot de vaststelling van een besluit waarbij haar met terugwerkende kracht vanaf 16 december 2014 de status van internationale organisatie zou worden verleend.

138 Bijgevolg kan het bestreden besluit niet worden geacht in strijd met het vertrouwensbeginsel te zijn vastgesteld, zodat het evenmin kan worden geacht het verbod van terugwerkende kracht te hebben geschonden, aangezien aan de twee in punt 125 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan.

139 Wat in de derde plaats het argument betreft dat de terugwerkende kracht van het bestreden besluit niet wordt gerechtvaardigd door de feiten van de zaak, maar door nieuwe feiten, geanalyseerd in het licht van nieuwe regelgeving, is het juist dat de herbeoordeling van de juridische status van verzoekster formeel door de Commissie is ingeleid na het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), en dat de antwoorden van de staten die in de loop van die procedure zijn ondervraagd, dus dateren van na de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015.

140 In dat verband volgt uit de rechtspraak dat bij de vaststelling van een besluit met terugwerkende kracht ter eerbiediging van het beginsel van de toepassing van de wet in de tijd, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel de toepassing geboden is van de materiële bepalingen die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, ook al gelden deze bepalingen niet meer op de datum waarop die handeling wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a.,C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

141 In het bijzonder moet de betrokken instelling in het kader van een procedure ter vervanging van een nietig verklaarde handeling voor de vaststelling van de vervangende handeling uitgaan van het tijdstip waarop zij de nietig verklaarde handeling had vastgesteld, onverminderd de mogelijkheid om in haar nieuwe besluit andere gronden aan te voeren dan waarop zij haar eerste besluit had gebaseerd (zie in die zin arrest van 5 september 2014, Éditions Odile Jacob/Commissie,T‑471/11, EU:T:2014:739, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

142 Aldus kan verzoekster aanvoeren dat het verbod van terugwerkende kracht, dat een van de bestanddelen van het rechtszekerheidsbeginsel vormt, zich ertegen verzet dat een instelling bij de uitvoering van een vernietigingsarrest een besluit met terugwerkende kracht vaststelt op basis van feiten die niet relevant waren voor de temporele werkingssfeer van dat besluit of op basis van materiële bepalingen die niet van kracht waren in de periode waarop dat besluit betrekking had.

143 In casu heeft verzoekster echter niet aangetoond dat het bestreden besluit, voor zover het terugwerkende kracht heeft, is gebaseerd op materiële bepalingen die niet van kracht waren tijdens de periode waarop dat besluit betrekking had, of op feiten die dateren van na de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015.

144 Allereerst blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat de Commissie zich heeft gebaseerd op de bepalingen van de financiële regelgeving van de Unie die op 16 december 2014 op verzoekster van toepassing waren, en vervolgens op de bepalingen van diezelfde regelgeving die op de periode na die datum van toepassing waren.

145 Uit het derde onderdeel van het eerste deel van de eindbeoordeling volgt namelijk dat de Commissie voor de periode tussen 16 december 2014 en 31 december 2015 artikel 58 van verordening nr. 966/2012 en artikel 43 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 heeft toegepast; voor de periode van 1 januari 2016 tot 1 augustus 2018, dezelfde verordeningen zoals gewijzigd bij respectievelijk verordening (EU, Euratom) 2015/1929 van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 2015 (PB 2015, L 286, blz. 1) en gedelegeerde verordening (EU) 2015/2462 van de Commissie van 30 oktober 2015 (PB 2015, L 342, blz. 7), en, voor de periode vanaf 2 augustus 2018, de artikelen 62 en 156 van verordening 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).

146 Voorts heeft verzoekster niet aangetoond dat de standpunten van de staten die volgens verzoekster deel uitmaken of deel uitmaakten van haar leden en die de Commissie bij de vaststelling van het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen, tussen 16 december 2014 en de datum van vaststelling van dat besluit zijn gewijzigd met betrekking tot de vraag of verzoekster een internationale organisatie was.

147 Het is juist dat de Commissie voor de vaststelling van het bestreden besluit, na het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), de staten heeft geraadpleegd waarvan zij meende dat zij deel uitmaakten of deel hadden uitgemaakt van de leden van verzoekster. Uit het onderzoek van de antwoorden van deze staten blijkt evenwel dat zij weliswaar niet in precies dezelfde bewoordingen zijn gesteld als de antwoorden die dezelfde staten hebben gegeven toen zij in 2014 door OLAF werden ondervraagd, maar de inhoud ervan in wezen identiek is.

148 Bijgevolg bevatten de standpunten die de staten in antwoord op de raadplegingsprocedure voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden besluit hebben ingenomen, geen nieuwe feiten waarop de Commissie zich met terugwerkende kracht zou hebben gebaseerd. Zij weerspiegelen het standpunt van deze staten over de vraag of verzoekster een internationale organisatie is zoals dat vóór de vaststelling van het besluit van 16 december 2014 aan OLAF was meegedeeld.

149 Gelet op het voorgaande moet de tweede grief ongegrond worden verklaard.

2) Eerste grief, ontleend aan schending van het beginsel van goede trouw en van het adagium nemo auditur

150 Tot staving van de eerste grief betoogt verzoekster dat het bestreden besluit, voor zover daarbij wordt geweigerd om haar sinds 16 december 2014 als internationale organisatie te erkennen, in strijd is met het beginsel van goede trouw en het adagium nemo auditur.

151 In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het in eerste aanleg ingediende verzoekschrift „de aangevoerde middelen en argumenten alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen” moet bevatten. Zo staat het volgens vaste rechtspraak niet aan de Unierechter om te antwoorden op de door een partij aangevoerde argumenten die onvoldoende duidelijk en nauwkeurig zijn omdat zij niet nader worden uitgewerkt of worden onderbouwd met een specifiek betoog (zie arrest van 18 november 2021, Griekenland/Commissie, C‑107/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:937, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

152 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat verzoekster heeft nagelaten enige uitleg te geven over de gevolgen van het adagium nemo auditur, dat inhoudt dat niemand zich op zijn eigen ongeoorloofd handelen mag beroepen, voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

153 Het op schending van het adagium nemo auditur gebaseerde argument is dus onvoldoende onderbouwd in het licht van de uit artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering voortvloeiende vereisten.

154 Hoe dan ook, ervan uitgaande dat verzoekster heeft willen betogen dat de Commissie zich ten onrechte heeft gebaseerd op het arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie (C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78), om de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 a posteriori te rechtvaardigen, volgt uit het onderzoek van de tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel dat het bestreden besluit niet op dezelfde gronden is gebaseerd als die besluiten, en uit het onderzoek van de tweede grief van dit onderdeel dat de Commissie het verbod van terugwerkende kracht van de handelingen van de Unie niet heeft geschonden.

155 Derhalve moet het argument dat is gebaseerd op schending van het adagium nemo auditur worden afgewezen.

156 In de tweede plaats moet met betrekking tot het beginsel van goede trouw worden opgemerkt dat verzoekster de draagwijdte van dit beginsel of de bepalingen waarop het zou zijn gebaseerd, niet nader heeft toegelicht.

157 Ten eerste, ervan uitgaande dat verzoekster heeft willen verwijzen naar de verplichting die op de partijen bij een overeenkomst rust om de bepalingen van die overeenkomst, die hen bindt, te goeder trouw uit te voeren, moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet is genomen in het kader van een overeenkomst die zij met de Commissie heeft gesloten.

158 Voorts zij opgemerkt dat de nietigverklaring door het Hof van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 niet van invloed is op het ontbreken van contractuele betrekkingen tussen verzoekster en de Commissie sinds 16 december 2014.

159 Het besluit van 16 december 2014 strekte namelijk tot intrekking van de status van verzoekster als adressaat van uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 final inzake het jaarlijks actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma, en dus tot voorkoming van de sluiting van een daartoe strekkende overeenkomst tussen verzoekster en de Commissie.

160 Evenzo had het besluit van 8 mei 2015 tot doel de deelname van verzoekster aan andere door de Unie gefinancierde projecten op te schorten totdat de Commissie haar juridische status had opgehelderd.

161 De nietigverklaring van de besluiten van 16 december 2014 en 8 mei 2015 heeft dus niet tot gevolg gehad dat de contractuele banden tussen de Commissie en verzoekster zijn hersteld, maar heeft voor hen slechts de mogelijkheid gecreëerd om een overeenkomst te sluiten voor de uitvoering van het programma voor de ontwikkeling van de handel in Myanmar/Birma en, in voorkomend geval, andere overeenkomsten voor wederopbouw en ontwikkeling, op voorwaarde dat de Commissie, na een herbeoordeling van de juridische status van verzoekster, haar als internationale organisatie zou erkennen.

162 Ten tweede, ervan uitgaande dat verzoekster heeft willen verwijzen naar het beginsel van goede trouw voor zover dat overeenkomt met een internationaal gewoonterechtelijk beginsel, zij eraan herinnerd dat dit beginsel, zoals neergelegd in artikel 18 van het Verdrag van Wenen, vereist dat een staat zich onthoudt van handelingen die een verdrag voor de inwerkingtreding ervan zijn voorwerp en doel zouden ontnemen, wanneer die staat het verdrag heeft ondertekend of de akten heeft uitgewisseld die het verdrag vormen onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, totdat die staat zijn bedoeling geen partij te willen worden bij het verdrag kenbaar heeft gemaakt of wanneer die staat ermee heeft ingestemd door het verdrag te worden gebonden.

163 Hoewel het beginsel van goede trouw bindend is voor de instellingen van de Unie (zie arrest van 17 januari 2007, Griekenland/Commissie,T‑231/04, EU:T:2007:9, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak), heeft verzoekster in het kader van haar betoog betreffende het onderhavige middel niet aangetoond of zelfs aangevoerd dat de Unie een verdrag waarbij zij als internationale organisatie wordt opgericht, had ondertekend of de akten die een dergelijk verdrag vormen, had uitgewisseld onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, dan wel ermee had ingestemd om door een dergelijk verdrag te worden gebonden.

164 In dat verband volgt uit de rechtspraak dat de verzoekende partij gehouden is om voor elk van de middelen die zij aanvoert, voldoende duidelijk de argumenten feitelijk en rechtens uiteen te zetten die dat middel kunnen rechtvaardigen, zonder dat het Gerecht gehouden is, wegens een gebrek aan structuur in het verzoekschrift of onvoldoende nauwkeurigheid of zorgvuldigheid in de redenering, deze te reconstrueren door verschillende in het verzoekschrift verspreide elementen bijeen te brengen, met het risico dat die redenering een draagwijdte krijgt die de verzoekende partij niet had bedoeld. Een beslissing in andere zin zou in strijd zijn met zowel een goede rechtsbedeling als het lijdelijkheidsbeginsel en de rechten van verweer van de verwerende partij (zie in die zin arrest van 12 november 2020, Fleig/EDEO, C‑446/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:918, punten 60 en 61).

165 Derhalve moet het argument inzake schending van het beginsel van goede trouw worden verworpen, aangezien het onvoldoende is onderbouwd in het licht van de vereisten van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, en bijgevolg moet de eerste grief van dit onderdeel in zijn geheel worden afgewezen.

c) Derde onderdeel, ontleend aan schending van het gelijkheidsbeginsel

166 In haar repliek betoogt verzoekster dat zij, anders dan vele rechtspersonen die door de Commissie niet als internationale organisaties zijn erkend maar die wel overheidsinstanties zijn, als gevolg van de twijfels van de Commissie na het onderzoek van OLAF betreffende haar, niet meer in aanmerking is gekomen voor enige opdracht in indirect beheer of voor enige onderhands gegunde opdracht op grond van andere bepalingen van de financiële regelgeving voor crisis- of noodsituaties, zonder de redenen voor deze discriminerende behandeling te kennen.

167 Verzoekster betoogt ook dat de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) niet wordt erkend als een internationale organisatie door alle staten die hebben bijgedragen aan haar oprichting en activiteiten, en dat zij evenmin beschikt over een oprichtingsakte naar internationaal recht, en dat deze omstandigheden de Commissie niet hebben belet haar als internationale organisatie te erkennen.

168 In dat verband moet worden opgemerkt dat het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet een algemeen beginsel van het Unierecht is dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 14 juli 2022, Commissie/VW e.a.,C‑116/21 P–C‑118/21 P en C‑138/21 P en C‑139/21 P, EU:C:2022:557, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

169 Het vereiste dat de situaties vergelijkbaar zijn om uit te maken of er sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle elementen die deze situaties kenmerken en met name in het licht van het voorwerp en het doel van de handeling waarbij het betrokken onderscheid wordt ingevoerd, met dien verstande dat daartoe rekening moet worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waaronder deze handeling valt. Voor zover de situaties niet vergelijkbaar zijn, is een verschillende behandeling van de betrokken situaties niet in strijd met het in artikel 20 van het Handvest verankerde beginsel van gelijkheid voor de wet (zie arrest van 14 juli 2022, Commissie/VW e.a.,C‑116/21 P–C‑118/21 P en C‑138/21 P en C‑139/21 P, EU:C:2022:557, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

170 In de eerste plaats zij erop gewezen dat het bestreden besluit uitsluitend tot doel heeft verzoekster de erkenning te weigeren van de status van internationale organisatie waarin de financiële regelgeving van de Unie voorziet voor de uitvoering van de fondsen van de Unie volgens de methode van indirect beheer, onverminderd de mogelijkheid voor verzoekster om zich te beroepen op andere in die regelgeving bepaalde modaliteiten met het oog op haar eventuele deelname aan de uitvoering van die begroting.

171 Aangezien het bestreden besluit verzoekster niet belet om deel te nemen aan het indirecte beheer van de begroting van de Unie volgens andere bepalingen dan die van de financiële regelgeving van de Unie ten behoeve van internationale organisaties, kan zij dus niet stellen dat dit besluit een discriminerende behandeling als beschreven in punt 166 hierboven inhoudt.

172 Bijgevolg zijn de in punt 166 hierboven samengevatte argumenten van verzoekster, ook al zouden zij gegrond zijn, niet van invloed op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat zij geen effect sorteren.

173 In de tweede plaats, afgezien van het feit dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de OVSE door de Commissie is erkend als internationale organisatie met het oog op indirect beheer van de begroting van de Unie, moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van deze organisatie.

174 Verzoekster heeft het argument van de Commissie dat de OVSE, anders dan zijzelf, door een groot aantal internationaalrechtelijke subjecten, met name door een meerderheid van de leden van die organisatie, als internationale organisatie is erkend, niet betwist.

175 Derhalve moeten het derde onderdeel en bijgevolg ook het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan (zie in die zin arrest van 18 mei 2022, TK/Commissie, T‑435/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:303, punt 42; zie ook naar analogie arrest van 26 februari 2002, Raad/Boehringer,C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punt 52).

3. Derde middel, ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel

176 Verzoekster betoogt dat de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door vóór de vaststelling van het bestreden besluit een onderzoeksprocedure in te leiden met bepaalde staten die als haar leden werden gepresenteerd, hoewel zij over de relevante documenten en de in de richtsnoeren vastgestelde beoordelingsmethode beschikte.

177 Zoals in punt 124 hierboven is aangegeven strekt het fundamentele vereiste van rechtszekerheid in zijn verschillende verschijningsvormen er in de eerste plaats toe te waarborgen dat door het Unierecht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen voorzienbaar zijn.

178 Hoewel dit vereiste er in beginsel aan in de weg staat dat een Uniehandeling reeds vóór de publicatie van die handeling van kracht is, volgt uit het onderzoek van het eerste middel, met name uit punt 149 hierboven, dat het bestreden besluit niet is vastgesteld met miskenning van het verbod van terugwerkende kracht, dat een bijzondere uitdrukking van het rechtszekerheidsbeginsel vormt.

179 In de veronderstelling dat verzoekster zich heeft willen beroepen op schending van het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover dit het verbod van terugwerkende kracht van de handelingen van de instellingen van de Unie omvat, moet dit middel derhalve ongegrond worden verklaard.

180 In de tweede plaats volgt uit het rechtszekerheidsbeginsel ook dat de wetgeving van de Unie met zekerheid kenbaar dient te zijn en de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar moet zijn. Die rechtszekerheid is in het bijzonder een dwingend vereiste in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben, teneinde de belanghebbenden in staat te stellen de omvang van hun verplichtingen nauwkeurig te kennen (zie arrest van 9 juli 2015, Cabinet Medical Veterinar Dr. Tomoiagă Andrei,C‑144/14, EU:C:2015:452, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

181 In casu moet echter worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet onder de wetgeving of regeling van de Unie in de zin van de in punt 180 hierboven aangehaalde rechtspraak valt, maar een individueel besluit vormt dat op grond van de financiële wetgeving of regelgeving van de Unie is vastgesteld.

182 Voorts blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat de door de Commissie verrichte herbeoordeling van de juridische status van verzoekster niet voortvloeit uit een wezenlijke wijziging van de financiële regelgeving van de Unie betreffende de voorwaarden voor de uitvoering van de begroting van de Unie in indirect beheer, noch uit een nieuwe uitlegging van die regelgeving door de Commissie.

183 Artikel 53, onder c), en artikel 53 quinquies van verordening nr. 1605/2002, artikel 58, lid 1, onder c), van verordening nr. 966/2012 en artikel 62 van verordening 2018/1046 geven de Commissie namelijk de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting van de Unie en voorzien in verschillende wijzen van uitvoering van deze begroting. Daarvan biedt er één, die in de eerste van die verordeningen „gezamenlijk beheer met internationale organisaties” en in de twee andere „indirect beheer” wordt genoemd, de Commissie de mogelijkheid om taken tot uitvoering van de begroting aan dergelijke organisaties toe te vertrouwen, waarbij zij over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt (zie in die zin arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie,C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722, punt 148).

184 Het begrip internationale organisatie in artikel 53, onder c), en artikel 53 quinquies van verordening nr. 1605/2002, in artikel 58, lid 1, onder c), punt ii), en artikel 58, lid 8, van verordening nr. 966/2012 en in artikel 62, lid 1, onder c), punt ii), van verordening 2018/1046 is echter in nagenoeg identieke bewoordingen gedefinieerd in artikel 43, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening nr. 1605/2002 (PB 2002, L 357, blz. 1), vervolgens in artikel 43, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, waarbij verordening nr. 2342/2002 is ingetrokken en vervangen, en in artikel 156 van verordening 2018/1046. Aldus omvat dat begrip volgens die laatste drie bepalingen de internationale publiekrechtelijke organisaties die zijn opgericht bij internationale overeenkomsten (zie in die zin arrest van 31 januari 2019, International Management Group/Commissie,C‑183/17 P en C‑184/17 P, EU:C:2019:78, punt 91).

185 Bijgevolg zou verzoekster, in de veronderstelling dat zij zich heeft willen beroepen op schending van het rechtszekerheidsbeginsel zoals omschreven in punt 180 hierboven, niet kunnen aanvoeren dat het bestreden besluit voortvloeit uit wetgeving of een regeling van de Unie die niet met zekerheid kenbaar was, of een niet te voorziene toepassing van de financiële wetgeving of regelgeving van de Unie vormt.

186 In de derde plaats volgt uit punt 111 van het arrest van 22 september 2022, IMG/Commissie (C‑619/20 P en C‑620/20 P, EU:C:2022:722), waarnaar in punt 101 hierboven wordt verwezen, en uit het beginsel van goed financieel beheer, dat de Commissie verplicht is om zich ervan te vergewissen dat de entiteiten waaraan zij taken tot uitvoering van de begroting heeft toevertrouwd of voornemens is toe te vertrouwen op grond van de financiële regelgeving van de Unie betreffende het indirecte beheer van de begroting van de Unie door internationale organisaties, een dergelijke hoedanigheid in de zin van die regelgeving hebben.

187 Allereerst heeft verzoekster niet uitgelegd waarom het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat de Commissie in een situatie als de onderhavige, overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, de staten die lid zouden zijn van een internationale organisatie informatie vraagt om na te gaan of deze organisatie een dergelijke hoedanigheid heeft en voldoet aan de vereisten van de financiële regelgeving van de Unie betreffende het indirecte beheer van de begroting van de Unie.

188 Voorts volgt, gesteld dat verzoekster met het rechtszekerheidsbeginsel heeft willen verwijzen naar het vertrouwensbeginsel, uit het onderzoek van het eerste middel dat het bestreden besluit niet in strijd met dit beginsel is vastgesteld.

189 Derhalve moet het onderhavige middel ongegrond worden verklaard.

4. Vierde middel, ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en andere onjuiste rechtsopvattingen

190 Het vierde middel bestaat in wezen uit drie onderdelen, ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvattingen die voortvloeien, wat het eerste onderdeel betreft, uit het feit dat de Commissie verzoeksters leden niet correct heeft geïdentificeerd; wat het tweede onderdeel betreft, uit het feit dat zij heeft geweigerd verzoeksters oprichtingsakte als een internationale overeenkomst tot oprichting van een internationale organisatie te kwalificeren, en, wat het derde onderdeel betreft, uit het feit dat zij heeft geweigerd verzoekster als een internationale organisatie te erkennen, niettegenstaande het latere gebruik van haar leden en de erkenning van die status door de Unie en bepaalde derde staten.

191 Vooraf zij eraan herinnerd dat de Commissie, zoals aangegeven in punt 183 hierboven, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij de uitoefening van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting van de Unie, met name wanneer zij ervoor kiest die begroting in indirect beheer uit te voeren en wanneer zij in het kader van die wijze van beheer taken tot uitvoering van de begroting aan internationale organisaties toevertrouwt.

192 Wanneer de Commissie de in punt 191 hierboven uiteengezette prerogatieven uitoefent, zijn de bezwarende besluiten die zij in dat kader vaststelt, onderworpen aan een tot kennelijke beoordelingsfouten beperkte toetsing door het Gerecht, onverminderd het onderzoek van andere gronden van onwettigheid die overeenkomstig artikel 263, tweede alinea, VWEU in een beroep tot nietigverklaring kunnen worden aangevoerd.

193 Wanneer de Commissie echter weigert om een organisatie taken tot uitvoering van de begroting in indirect beheer toe te vertrouwen op grond dat deze organisatie niet de status van internationale organisatie heeft, zoals in casu, kan de rechtmatigheid van een dergelijk besluit door het Gerecht zowel op onjuiste rechtsopvattingen als op kennelijke beoordelingsfouten worden getoetst.

194 In een dergelijk geval wordt de toepassing door de Commissie van de algemene regels die het mogelijk maken om internationale organisaties te definiëren en te identificeren, namelijk getoetst op onjuiste rechtsopvattingen.

195 De uitlegging van de eigen regels van de organisatie die pretendeert een internationale organisatie te zijn met het oog op de uitvoering van de begroting van de Unie in indirect beheer, en de uitlegging van de standpunten van haar leden, die ingewikkeld kunnen zijn, is echter onderworpen aan een toetsing die beperkt is tot kennelijke beoordelingsfouten.

196 Na deze verduidelijkingen dient het Gerecht, alvorens de argumenten van verzoekster te onderzoeken, de definitie te verduidelijken van het begrip internationale organisatie zoals neergelegd in de financiële regelgeving van de Unie voor de uitvoering van de begroting van de Unie in indirect beheer.

a) Definitie van het begrip internationale organisatie in de financiële regelgeving van de Unie

197 Vooraf zij eraan herinnerd dat het begrip internationale organisatie zoals gedefinieerd in de bepalingen van de in punt 184 hierboven genoemde financiële regelgeving van de Unie betrekking heeft op internationale publiekrechtelijke organisaties die zijn opgericht bij internationale overeenkomsten.

198 Bij gebrek aan een nauwkeurigere definitie van de begrippen internationale organisatie en internationale overeenkomst moet worden aangenomen dat de in de financiële regelgeving van de Unie gebruikte begrippen overeenstemmen met de begrippen die in het internationaal recht worden gebruikt (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak IMG/Commissie, C‑620/20 P, EU:C:2022:158, punt 50).

199 Volgens vaste rechtspraak moet het recht van de Unie namelijk worden uitgelegd in het licht van de relevante regels van internationaal recht, dat deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie en de instellingen van deze laatste bindt (zie arrest van 15 januari 2015, Evans,C‑179/13, EU:C:2015:12, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

200 Voor zover de begrippen internationale organisatie en internationale overeenkomst in de financiële regelgeving van de Unie echter worden gebruikt met het oog op het specifieke doel haar begroting uit te voeren, moeten zij strikt worden uitgelegd om de financiële belangen van de Unie te beschermen (zie naar analogie arresten van 2 juli 2015, Demmer,C‑684/13, EU:C:2015:439, punt 85, en 20 december 2017, Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse,C‑516/16, EU:C:2017:1011, punt 58; zie in die zin ook de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak C‑620/20 P, IMG/Commissie,EU:C:2022:158, punt 51).

201 In een geding als het onderhavige moet het Gerecht dus de begrippen van internationaal publiekrecht waarnaar de financiële regelgeving van de Unie verwijst, toepassen door zich te baseren op de instrumenten van dat recht waarin die begrippen worden gedefinieerd, zoals uitgelegd in de rechtspraak.

202 Meer bepaald moeten de begrippen internationale organisatie en internationale overeenkomst in de financiële regelgeving van de Unie voor de uitvoering van haar begroting in indirect beheer in casu worden uitgelegd in het licht van de gewoonterechtelijke beginselen van internationaal publiekrecht die met name zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen en in de ontwerpartikelen.

203 In dat verband blijkt uit artikel 2, lid 1, onder i), van het Verdrag van Wenen dat met de term internationale organisatie een intergouvernementele organisatie wordt bedoeld. Voorts wordt in artikel 2, onder a), van de ontwerpartikelen gespecificeerd dat met deze uitdrukking wordt bedoeld een organisatie die is opgericht bij een verdrag of een andere volkenrechtelijke akte en die een eigen internationale rechtspersoonlijkheid heeft, en dat een internationale organisatie naast staten ook andere entiteiten dan staten onder haar leden kan tellen.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken