HvJ EU 31 januari 2019, C-183/17, ECLI:EU:C:2019:78

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

31 januari 2019 ( *1 )

„Hogere voorziening – Ontwikkelingssamenwerking – Uitvoering van de begroting van de Europese Unie in indirect beheer – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Handelingen waartegen kan worden opgekomen – Besluit om een taak tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan een andere persoon dan degene die aanvankelijk was geselecteerd – Besluit om geen nieuwe taken tot uitvoering van de begroting meer toe te vertrouwen aan de entiteit die aanvankelijk was geselecteerd – Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 – Artikel 43 – Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 – Artikel 43 – Begrip ,internationale organisatie’ – Voorwaarden – Vordering tot schadevergoeding”

In de gevoegde zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 11 april 2017,

International Management Group, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door L. Levi en J.‑Y. de Cara, avocats,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en J. Baquero Cruz als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J. Malenovský (rapporteur), L. Bay Larsen, M. Safjan en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 juni 2018,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 september 2018,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorzieningen verzoekt International Management Group (hierna: „IMG”) om vernietiging van de arresten van het Gerecht van de Europese Unie van 2 februari 2017, International Management Group/Commissie (T‑29/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:56; hierna: „bestreden arrest T‑29/15”), en 2 februari 2017International Management Group/Commissie (T‑381/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:57; hierna: „bestreden arrest T‑381/15”) (hierna gezamenlijk: „bestreden arresten”), waarbij het Gerecht in zaak T‑29/15 haar beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C(2014) 9787 final van de Commissie van 16 december 2014 tot wijziging van uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 inzake het uit de algemene begroting van de Europese Unie te financieren jaarlijks actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma (hierna: „besluit van 16 december 2014”) heeft verworpen, en in zaak T‑381/15 haar beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie dat is vervat in haar aan IMG gerichte brief van 8 mei 2015 (hierna: „besluit van 8 mei 2015”, en tezamen met het besluit van 16 december 2014: „litigieuze besluiten”) heeft verworpen en haar vordering tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door het besluit van 8 mei 2015 heeft afgewezen.

Toepasselijke bepalingen

Financiële regelgeving van 2002

Verordening nr. 1605/2002

2 Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 van de Raad van 13 december 2006 (PB 2006, L 390, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1605/2002”), is met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken bij verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1). In artikel 212, onder a), van verordening nr. 966/2012 was echter bepaald dat onder meer de artikelen 53 en 53 quinquies van verordening nr. 1605/2002 van toepassing zouden blijven op alle tot 31 december 2013 gedane vastleggingen.

3 Artikel 53 van verordening nr. 1605/2002 bepaalt: „De Commissie voert de begroting, in overeenstemming met de artikelen 53 bis tot en met 53 quinquies, op één van de volgende wijzen uit: a) op gecentraliseerde wijze, b) onder gedeeld of gedecentraliseerd beheer, c) in gezamenlijk beheer met internationale organisaties.”

4 In artikel 53 quinquies van die verordening staat met name te lezen: „1. Wanneer de Commissie de begroting in gezamenlijk beheer uitvoert, worden [...] bepaalde uitvoeringstaken aan internationale organisaties gedelegeerd [...] [...] 2. De individuele overeenkomst die voor de toekenning van de financiering met de internationale organisatie wordt gesloten, bevat gedetailleerde bepalingen inzake de uitoefening van de aan de internationale organisatie opgedragen taken. [...]”

Verordening nr. 2342/2002

5 Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening nr. 1605/2002 (PB 2002, L 357, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 van de Commissie van 23 april 2007 (PB 2007, L 111, blz. 13) (hierna: „verordening nr. 2342/2002”, en tezamen met verordening nr. 1605/2002: „financiële regelgeving van 2002”), is met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken bij gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 (PB 2012, L 362, blz. 1) (hierna samen met verordening nr. 966/2012: „financiële regelgeving van 2012”).

6 Artikel 43 van verordening nr. 2342/2002, met als opschrift „Gezamenlijk beheer”, omvatte een lid 2 waarin stond te lezen: „De in artikel 53 quinquies van [verordening nr. 1605/2002] bedoelde internationale organisaties zijn: a) de internationale publiekrechtelijke organisaties die zijn opgericht bij intergouvernementele overeenkomsten en hun gespecialiseerde agentschappen; [...]”

Financiële regelgeving van 2012

Verordening nr. 966/2012

7 Verordening nr. 966/2012 is overeenkomstig artikel 214, eerste alinea, op 27 oktober 2012 in werking getreden. Overeenkomstig de tweede alinea van dat artikel werd die verordening van toepassing met ingang van 1 januari 2013, onverminderd de specifieke data waarop andere artikelen van die verordening van toepassing werden.

8 Een van die andere artikelen is artikel 58, met als opschrift „Wijzen van uitvoering van de begroting”, dat slechts van toepassing is op vanaf 1 januari 2014 gedane vastleggingen en waarvan lid 1 als volgt is verwoord: „De Commissie voert de begroting op de volgende wijzen uit: a) op directe wijze (,direct beheer’) via haar diensten [...]; b) in gedeeld beheer met de lidstaten (,gedeeld beheer’); of c) op indirecte wijze (,indirect beheer’), [...] door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan: i) derde landen of de door hen aangewezen organen; ii) internationale organisaties en hun agentschappen; [...]”

9 De artikelen 84 tot en met 86 van verordening nr. 966/2012 zijn sinds 1 januari 2013 van toepassing.

10 Artikel 84, van deze verordening, met als opschrift „Financieringsbesluiten” bepaalt: „1. Elke uitgave is voorwerp van een vastlegging, een betaalbaarstelling, een betalingsopdracht en een betaling. 2. Behalve in het geval van kredieten die zonder een basishandeling kunnen worden besteed [...], wordt de vastlegging van een uitgave voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling of de door haar gedelegeerde autoriteiten. 3. In het in lid 2 genoemde financieringsbesluit worden de doelstellingen, de verwachte resultaten, de wijze van uitvoering en het totaalbedrag van de uitgave vermeld. Tevens bevat het een beschrijving van de te financieren maatregelen en een vermelding van het aan elke maatregel toegewezen bedrag, alsmede een indicatief tijdschema voor de uitvoering. In gevallen van indirect beheer worden in het financieringsbesluit tevens de krachtens artikel 58, lid 1, onder c), belaste entiteit of persoon, de gehanteerde criteria om de entiteit of persoon te kiezen en de hun toevertrouwde taken vermeld. [...]”

11 Lid 1 van artikel 85 van deze verordening, met als opschrift „Soorten vastleggingen”, luidt: „De vastlegging in de begroting is de handeling waarbij de kredieten worden gereserveerd die nodig zijn voor de latere betalingen ter uitvoering van juridische verbintenissen. Het aangaan van een juridische verbintenis is de handeling waarbij de ordonnateur een verplichting doet ontstaan of constateert die tot een last leidt. [...]”

12 Artikel 86 van dezelfde verordening, met als opschrift „Regels betreffende vastleggingen”, bepaalt in lid 1: „Voor elke maatregel waardoor een uitgave ten laste van de begroting ontstaat, verricht de bevoegde ordonnateur een vastlegging in de begroting alvorens een individuele juridische verbintenis met derden te sluiten [...]”

Gedelegeerde verordening nr. 1268/2012

13 In lid 1 van artikel 43 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, met als opschrift „Specifieke bepalingen voor indirect beheer met internationale organisaties”, staat te lezen: „De in artikel 58, lid 1, onder c), ii), van [verordening nr. 966/2012] bedoelde internationale organisaties zijn: a) internationale publiekrechtelijke organisaties die zijn opgericht bij intergouvernementele overeenkomsten en hun gespecialiseerde agentschappen; [...]”

Verordening nr. 883/2013

14 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1) is op 1 oktober 2013 in werking getreden.

15 Artikel 7 van deze verordening, met als opschrift „Uitvoering van de onderzoeken”, bepaalt in lid 6: „Wanneer in de loop van een onderzoek blijkt dat het wenselijk zou kunnen zijn om administratieve voorzorgsmaatregelen te nemen om de financiële belangen van de Unie te beschermen, stelt [OLAF] de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie onverwijld in kennis van het lopende onderzoek. Hierbij wordt de volgende informatie verstrekt: [...] De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan te allen tijde, in nauwe samenwerking met [OLAF], besluiten alle passende voorzorgsmaatregelen te nemen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen, en stelt [OLAF] onverwijld in kennis van dit besluit.”

Voorgeschiedenis van de gedingen

Rekwirante

16 Volgens de statuten van IMG zoals die in het aan het Hof overgelegde dossier zijn opgenomen, is IMG op 25 november 1994 opgericht als internationale organisatie genaamd „International Management Group – Infrastructure for Bosnia and Herzegovina” met zetel in Belgrado (Servië), opdat staten die meewerken aan de wederopbouw van Bosnië en Herzegovina daartoe over een specifieke entiteit zouden beschikken. Sindsdien heeft IMG haar activiteiten geleidelijk uitgebreid en vervolgens op 13 juni 2012 een zetelovereenkomst met het Koninkrijk België gesloten.

Oorspronkelijk besluit

17 Op 7 november 2013 heeft de Commissie op grond van artikel 84 van verordening nr. 966/2012 uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 final inzake het uit de algemene begroting van de Europese Unie te financieren jaarlijks actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld.

18 Artikel 1 van dat besluit bepaalt dat het actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma, zoals dat is gepreciseerd in de bijlagen 1 en 2 bij dat besluit, is goedgekeurd.

19 In artikel 3 van dat besluit is bepaald dat taken tot uitvoering van de begroting in gezamenlijk beheer kunnen worden toevertrouwd aan de in de bijlagen 1 en 2 bij dat besluit bedoelde entiteiten, onder voorbehoud van het sluiten van een delegatieovereenkomst.

20 Bijlage 2 bij datzelfde besluit beschrijft de tweede actie die deel uitmaakt van het actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma. In de afdelingen 5 en 8 van die bijlage staat in wezen te lezen dat die actie behoort tot een programma voor de ontwikkeling van de handel waarvan de kosten, die worden geraamd op 10 miljoen EUR, zullen worden gefinancierd door de Europese Unie en dat die in gezamenlijk beheer met IMG ten uitvoer zal worden gelegd. In punt 8.3.1 van die bijlage wordt IMG voorgesteld als een internationale organisatie die reeds in Myanmar/Birma is gevestigd en die bij de tenuitvoerlegging van verschillende door de Unie gefinancierde projecten in die staat is betrokken.

Besluit van 16 december 2014 en de voorgeschiedenis daarvan

21 Op 17 februari 2014 heeft OLAF de Commissie meegedeeld dat het een onderzoek naar de status van IMG had ingesteld.

22 Op 24 februari 2014 heeft de secretaris-generaal van de Commissie die informatie doorgegeven aan de directeur-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van die instelling, waarbij hij diens aandacht heeft gevestigd op de mogelijkheid om op grond van artikel 7, lid 6, van verordening nr. 883/2013 voorzorgsmaatregelen te nemen.

23 Op 26 februari 2014 heeft die directeur-generaal op grond van genoemde bepaling voorzorgsmaatregelen genomen en ter rechtvaardiging daarvan verwezen naar de oorspronkelijke analyse van OLAF, waaruit was gebleken dat twijfel over de status van IMG was gerezen (hierna: „voorzorgsmaatregelen van 26 februari 2014”). Die voorzorgsmaatregelen bestonden in hoofdzaak in het tijdelijk verbieden van ten eerste het sluiten van nieuwe delegatieovereenkomsten met IMG voor het indirecte beheer van de begroting van de Unie op grond van verordening nr. 966/2012 en ten tweede het verlengen van delegatieovereenkomsten die reeds met IMG waren gesloten voor het indirecte beheer van de begroting van de Unie op grond van verordening nr. 1605/2002.

24 Op 25 april 2014 heeft dezelfde directeur-generaal een brief gericht aan IMG (hierna: „brief van 25 april 2014”), waarin hij IMG ervan in kennis heeft gesteld dat op drie punten nieuwe gegevens in het dossier van de Commissie waren opgenomen: ten eerste het feit dat vijf lidstaten van de Unie die volgens IMG tot haar leden behoorden, zich niet als leden beschouwden; ten tweede het feit dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN) erop had gewezen dat IMG geen gespecialiseerd agentschap van de VN was, en ten derde het feit dat er onzekerheid bestond over de bevoegdheden van de personen die bepaalde staten die aanwezig waren bij de ondertekening van de oprichtingsakte van IMG hadden vertegenwoordigd. De directeur-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie heeft eveneens erop gewezen dat hij, gelet op de twijfels die door de bovenvermelde gegevens zijn ontstaan over de status van IMG, zijn diensten de opdracht had gegeven tijdelijk de procedures waarmee taken tot uitvoering van de begroting door internationale organisaties konden worden uitgevoerd, wat IMG betreft op te schorten.

25 Op 15 december 2014 heeft de Commissie het verslag dat door OLAF na zijn onderzoek was opgesteld (hierna: „verslag van OLAF”), samen met een reeks aanbevelingen, ontvangen. In dat verslag heeft OLAF zich in wezen op het standpunt gesteld dat IMG geen internationale organisatie in de zin van de financiële regelgevingen van 2002 en 2012 was en de Commissie aanbevolen om IMG sancties op te leggen en over te gaan tot de terugvordering van de bedragen die aan IMG in die hoedanigheid waren betaald.

26 De volgende dag heeft de Commissie krachtens artikel 84 van verordening nr. 966/2012 het besluit van 16 december 2014 vastgesteld. In artikel 1 van dat besluit wordt bijlage 2 bij het oorspronkelijke besluit vervangen door een nieuwe bijlage, waarin in de onderdelen 1 en 4.3 in wezen is bepaald dat het programma voor de ontwikkeling van de handel dat in dat oorspronkelijke besluit was vastgesteld, in indirect beheer zal worden uitgevoerd, echter niet meer door IMG maar door Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit GmbH (hierna: „GIZ”).

Besluit van 8 mei 2015

27 Op 16 januari 2015 heeft de juridische dienst van de Commissie een nota opgesteld met als opschrift „Juridische analyse van het [verslag van OLAF] in het onderzoek [...] naar [IMG]” (hierna: „advies van de juridische dienst”).

28 Op 8 mei 2015 heeft de Commissie IMG een brief geschreven om haar in te lichten over de gevolgen die zij voornemens was te geven aan het verslag van OLAF. Daarin heeft zij haar ervan in kennis gesteld dat zij weliswaar het merendeel van de aanbevelingen van OLAF naast zich neer zou leggen, maar onder meer had besloten dat haar diensten geen nieuwe delegatieovereenkomst volgens de methode van indirect beheer met een internationale organisatie van verordening nr. 966/2012 met IMG zouden sluiten totdat er volstrekte zekerheid bestond over de status van IMG als internationale organisatie. Dat gedeelte van die brief vormt het in punt 1 van het onderhavige arrest genoemde besluit van 8 mei 2015.

Bestreden arresten

Bestreden arrest T‑29/15

29 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 januari 2015 en ingeschreven onder het nummer T‑29/15, heeft IMG beroep tot nietigverklaring van het besluit van 16 december 2014 ingesteld.

30 Bij op 24 maart 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen dat beroep, op grond dat het besluit van 16 december 2014 geen voor beroep vatbare handeling was, daar het ten eerste geen bindende rechtsgevolgen had en het ten tweede een loutere bevestiging was van de brief van 25 april 2014, waarbij IMG in kennis was gesteld van de voorzorgsmaatregelen van 26 februari 2014.

31 Bij beschikking van 30 juni 2015 heeft het Gerecht die exceptie met de zaak ten gronde gevoegd en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

32 Op 2 februari 2017 heeft het Gerecht het bestreden arrest T‑29/15 gewezen, waarbij het beroep van IMG is verworpen en zij is verwezen in de kosten. In dat kader heeft het Gerecht in de punten 28 tot en met 78 van dat arrest allereerst geoordeeld dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid niet gegrond was, aangezien het besluit van 16 december 2014 bindende rechtsgevolgen in het leven had geroepen, doordat IMG daardoor definitief de mogelijkheid was ontnomen om een delegatieovereenkomst te sluiten en omdat het besluit geen loutere bevestiging was van de brief van 25 april 2014, zodat het beroep dat IMG tegen dat besluit had ingesteld, ontvankelijk moest worden geacht. Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 79 tot en met 169 en 174 van dat arrest geoordeeld dat geen van de zeven door IMG aangevoerde middelen kon slagen en dat haar beroep dus moest worden verworpen.

Bestreden arrest T‑381/15

33 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 juli 2015 en ingeschreven onder het nummer T‑381/15, heeft IMG beroep tot nietigverklaring van het besluit van 8 mei 2015 en tot vergoeding van de door dat besluit veroorzaakte schade ingesteld.

34 Bij op 25 september 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen dat beroep opgeworpen, op grond dat het besluit van 8 mei 2015 geen voor beroep vatbare handeling was, met name omdat het geen bindende rechtsgevolgen had.

35 Bij beschikking van 29 januari 2016 heeft het Gerecht deze exceptie met de zaak ten gronde gevoegd en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

36 Op 2 februari 2017 heeft het Gerecht het bestreden arrest T‑381/15 gewezen, waarbij het heeft vastgesteld dat niet meer hoefde te worden beslist over een gedeelte van het beroep van IMG, het beroep voor het overige heeft verworpen en IMG heeft verwezen in de kosten. In dat kader heeft het Gerecht allereerst in de punten 41 tot en met 53 en 75 van dat arrest geoordeeld dat het besluit van 8 mei 2015 bindende rechtsgevolgen in het leven had geroepen, voor zover IMG daarbij de mogelijkheid was ontnomen om nieuwe taken tot uitvoering van de begroting toegewezen te krijgen volgens de methode van indirect beheer met een internationale organisatie, zoals voorzien in artikel 58, lid 1, van verordening nr. 966/2012, en dat het beroep tot nietigverklaring van IMG op die grond ontvankelijk was. Voorts heeft het Gerecht in de punten 76 tot en met 160 van dat arrest geoordeeld dat geen van de acht door IMG aangevoerde middelen kon slagen en dat haar beroep tot nietigverklaring dus moest worden verworpen. Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 170 tot en met 173 van datzelfde arrest de vordering tot schadevergoeding van IMG afgewezen.

37 Daarnaast heeft het Gerecht in de punten 174 tot en met 184 van het bestreden arrest T‑381/15 uitspraak gedaan over een verzoek van de Commissie om twee door IMG overgelegde stukken, te weten het verslag van OLAF en het advies van de juridische dienst, uit het procesdossier te verwijderen. Het Gerecht heeft dat verzoek wat betreft het eerste in geding zijnde stuk afgewezen en wat betreft het tweede stuk toegewezen.

Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

38 Met haar hogere voorziening in zaak C‑183/17 P verzoekt IMG het Hof: – het bestreden arrest T‑29/15 te vernietigen voor zover haar beroep tot nietigverklaring daarbij is verworpen; – de zaak zelf af te doen door het besluit van 16 december 2014 nietig te verklaren, en – de Commissie te verwijzen in de kosten, zowel die in eerste aanleg als die in hogere voorziening.

39 Met haar hogere voorziening in zaak C‑184/17 P verzoekt IMG het Hof: – het bestreden arrest T‑381/15 te vernietigen voor zover haar beroep tot nietigverklaring is verworpen en haar vordering tot schadevergoeding is afgewezen; – de zaak zelf af te doen door het besluit van 8 mei 2015 nietig te verklaren en de Unie te veroordelen tot vergoeding van de door dat besluit veroorzaakte schade, en – de Commissie te verwijzen in de kosten, zowel die in eerste aanleg als die in hogere voorziening.

40 De Commissie verzoekt het Hof de twee hogere voorzieningen af te wijzen en IMG te verwijzen in de desbetreffende kosten.

41 Daarnaast heeft de Commissie twee incidentele hogere voorzieningen ingesteld, waarmee zij het Hof verzoekt om: – in beide zaken de bestreden arresten te vernietigen voor zover daarbij de excepties van niet-ontvankelijkheid zijn verworpen, de zaken zelf af te doen door de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren en IMG te verwijzen in de kosten; – in zaak C‑184/17 P daarnaast te gelasten dat het verslag van OLAF uit het procesdossier wordt verwijderd.

42 IMG verzoekt het Hof die twee incidentele hogere voorzieningen af te wijzen en Commissie te verwijzen in de desbetreffende kosten.

43 Bij brief van 8 februari 2018 is partijen verzocht om hun opmerkingen over een eventuele voeging van beide zaken voor de mondelinge behandeling en voor de beslissing van het Hof in te dienen. In haar antwoord heeft IMG verklaard hiertegen geen bezwaren te hebben. De Commissie heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.

44 Bij beslissing van 20 maart 2018 zijn die zaken, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, gevoegd voor de mondelinge behandeling en de beslissing van het Hof.

Incidentele hogere voorzieningen

Argumenten van partijen

45 De Commissie voert in de eerste plaats aan dat het Gerecht in de punten 57 tot en met 63 van het bestreden arrest T‑29/15 en in de punten 44 tot en met 48 van het bestreden arrest T‑381/15 ten onrechte heeft geoordeeld dat de litigieuze besluiten bindende rechtsgevolgen hadden gehad doordat IMG daardoor de mogelijkheid was ontnomen om nieuwe delegatieovereenkomsten te sluiten met betrekking tot projecten die via indirect beheer uit de begroting van de Unie worden gefinancierd. Het besluit van 16 december 2014 heeft het oorspronkelijke besluit weliswaar gewijzigd doordat GIZ in de plaats van IMG is aangeduid als entiteit waarmee een specifieke delegatieovereenkomst zou worden gesloten en doordat in het besluit van 8 mei 2015 is vermeld dat de Commissie voornemens is geen nieuwe delegatieovereenkomsten meer met IMG te sluiten, maar dat neemt niet weg dat IMG er geen aanspraak op kon maken dat dergelijke overeenkomsten met haar zouden worden gesloten, waaruit moet worden afgeleid dat de litigieuze besluiten hoogstens feitelijke gevolgen voor haar hebben gehad.

46 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat een financieringsbesluit zoals het besluit van 16 december 2014, in tegenstelling tot wat het Gerecht in de punten 49 tot en met 52 van het bestreden arrest T‑29/15 heeft geoordeeld, moet worden beschouwd als een louter interne handeling die geen enkel bindend rechtsgevolg tegenover derden sorteert.

47 In de derde en laatste plaats voert de Commissie aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 16 december 2014 geen loutere bevestiging was van de brief van 25 april 2014, waarbij IMG was meegedeeld dat er op 26 februari 2014 voorzorgsmaatregelen waren genomen. In dat besluit waren immers geen nieuwe feitelijke of juridische elementen aangedragen, in tegenstelling tot wat het Gerecht in de punten 70 tot en met 73 van het bestreden arrest T‑29/15 heeft geoordeeld. Hoewel die voorzorgsmaatregelen en dat besluit op verschillende rechtsgrondslagen berusten en zijn vastgesteld in het kader van onderscheiden procedures, zoals het Gerecht heeft opgemerkt in de punten 74 tot en met 76 van dat arrest, doet dat er niet aan af dat het besluit het directe en automatische gevolg van die voorzorgsmaatregelen was.

48 Voorts betoogt de Commissie in haar incidentele hogere voorziening in zaak C‑184/17 P dat IMG geen toegang had mogen krijgen tot het verslag van OLAF.

49 Bijgevolg verzoekt zij het Hof om dat verslag uit het procesdossier te verwijderen.

50 IMG bestrijdt de gegrondheid van die verschillende argumenten.

Beoordeling door het Hof

51 Aangaande in de eerste plaats de in punt 45 van het onderhavige arrest vermelde argumenten van de Commissie dat de litigieuze besluiten geen bindende rechtsgevolgen hebben, volgt uit vaste rechtspraak dat alle door de instellingen, de organen of instanties van de Unie vastgestelde bepalingen of maatregelen, ongeacht de vorm, die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van een natuurlijke persoon of rechtspersoon kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, als vatbaar voor beroep tot nietigverklaring zijn te beschouwen (arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9; 12 september 2006, Reynolds Tobacco e.a./Commissie, C‑131/03 P, EU:C:2006:541, punt 54, en 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 37).

52 Wat in casu het besluit van 16 december 2014 betreft, heeft het Gerecht allereerst in de punten 37 tot en met 42 van het bestreden arrest T‑29/15, die niet worden bekritiseerd door de Commissie, opgemerkt dat het besluit in kwestie een financieringsbesluit was dat door die instelling op grond van artikel 84 van verordening nr. 966/2012 was vastgesteld, en dat het niet enkel tot rechtsgevolg, maar eveneens juist tot doel had om het oorspronkelijke besluit te wijzigen door GIZ in de plaats van IMG aan te wijzen als entiteit die instond voor de uitvoering van de actie voor de ontwikkeling van de handel in het kader van het actieprogramma 2013 voor Myanmar/Birma.

53 In het kader van die analyse heeft het Gerecht in punt 38 van dat arrest met name geconstateerd dat partijen het erover eens waren dat IMG in het oorspronkelijke besluit slechts „onder voorbehoud van het sluiten van een delegatieovereenkomst” was aangewezen als belaste entiteit.

54 Gelet op een en ander heeft het Gerecht vervolgens in de punten 44 tot en met 48 en 57 tot en met 63 van hetzelfde arrest geoordeeld dat het besluit van 16 december 2014 een bindend rechtsgevolg in het leven riep dat de belangen van IMG kon aantasten doordat haar de mogelijkheid werd ontnomen een dergelijke delegatieovereenkomst te sluiten.

55 In dat verband zij opgemerkt dat artikel 84, lid 2, van verordening nr. 966/2012, op grond waarvan zowel het oorspronkelijke besluit als het besluit van 16 december 2014 is vastgesteld, bepaalt dat die besluiten aan de vastlegging van een uitgave voorafgaan. Die vastlegging stemt, zoals blijkt uit artikel 85, lid 1, en artikel 86, lid 1, van die verordening, overeen met de handeling waarbij degene die instaat voor de begroting eerst de uitgave vastlegt in de begroting en vervolgens een individuele juridische verbintenis aangaat met de derde voor wie de betalingen zijn bestemd waardoor die uitgave wordt geconcretiseerd. Bijgevolg betoogt de Commissie terecht dat met IMG geen juridische verbintenis was aangegaan op het moment dat het besluit van 16 december 2014 is vastgesteld en derhalve dat IMG er geen aanspraak op kon maken dat met haar een delegatieovereenkomst zou worden gesloten.

56 Zoals het Gerecht heeft opgemerkt in de punten 42 en 59 van het bestreden arrest T‑29/15 worden in een besluit tot vastlegging, overeenkomstig artikel 84, lid 3, van verordening nr. 966/2012 evenwel nog steeds „de [...] belaste entiteit of persoon, de gehanteerde criteria om de entiteit of persoon te kiezen en de hun toevertrouwde taken” gepreciseerd. Zo was IMG in het oorspronkelijke besluit geselecteerd als entiteit die met een van de acties in het kader van het actieprogramma 2013 voor Myanmar/Birma is belast.

57 Daarnaast blijkt uit artikel 53 quinquies, lid 2, van verordening nr. 1605/2002, die van toepassing was op de datum waarop het oorspronkelijke besluit is vastgesteld, dat een delegatieovereenkomst, zoals die welke in dat besluit wordt bedoeld, tot doel heeft om nader te bepalen hoe uitvoering moet worden gegeven aan de taken in verband met de begroting die eerder in een gegeven geval aan een internationale organisatie zijn opgedragen. Het sluiten van die overeenkomst moet dus noodzakelijkerwijs worden voorafgegaan door de vaststelling van een financieringsbesluit waarbij die taken aan die organisatie worden toevertrouwd en die overeenkomst kan enkel met die organisatie worden gesloten. Tegelijkertijd betekent dit dat het verlies van de hoedanigheid van entiteit die is belast met de taken in kwestie, automatisch het verlies van de mogelijkheid om de bijbehorende delegatieovereenkomst te sluiten tot gevolg heeft. Het besluit van 16 december 2014 had juist tot doel en tot rechtsgevolg dat GIZ als belaste entiteit werd aangewezen opdat de Commissie een delegatieovereenkomst met die entiteit in plaats van met IMG zou kunnen sluiten.

58 In die omstandigheden heeft het Gerecht terecht in de punten 44, 45, 57, 59, 60 en 62 van het bestreden arrest T‑29/15 geoordeeld dat IMG door het besluit van 16 december 2014 zowel haar juridische hoedanigheid van entiteit die was geselecteerd om te worden belast met een taak die verband houdt met de begroting als elke daadwerkelijke mogelijkheid tot het sluiten van de bijbehorende delegatieovereenkomst heeft verloren.

59 Het verlies van die juridische hoedanigheid vormt duidelijk een bindend rechtsgevolg dat de belangen van IMG kan aantasten. Het verlies van elke daadwerkelijke mogelijkheid tot het sluiten van de bijbehorende delegatieovereenkomst is dan weer het automatische gevolg van dat verlies van de juridische hoedanigheid, zoals is opgemerkt in punt 57 van het onderhavige arrest, en daarom eveneens een bindend rechtsgevolg.

60 Dientengevolge moet het door de Commissie ter ondersteuning van haar incidentele hogere voorziening in zaak C‑183/17 P aangevoerde middel dat het besluit van 16 december 2014 geen bindende rechtsgevolgen heeft, worden afgewezen.

61 Wat het besluit van 8 mei 2015 betreft, zij allereerst opgemerkt dat daarin geen voornemen kenbaar wordt gemaakt, zoals de Commissie niettemin stelt, maar een concreet en bestaand besluit om geen delegatieovereenkomst meer te sluiten „totdat er volstrekte zekerheid bestaat over de status van IMG als internationale organisatie”. Op die manier ontneemt het de betrokkene elke reële kans dat haar nieuwe taken tot uitvoering van de begroting worden toevertrouwd en dat haar de bijbehorende fondsen in het kader van een indirect beheer van de begroting van de Unie worden toegekend, zoals het Gerecht in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest T‑381/15 heeft verklaard.

62 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat wanneer een besluit dat door de Commissie in de uitoefening van haar eigen bevoegdheden ten aanzien van een specifieke persoon wordt vastgesteld, door het enkele feit van die vaststelling tot gevolg heeft dat die persoon elke reële kans verliest om financiering van de Unie te ontvangen, dat gevolg moet worden beschouwd als een juridisch bindend gevolg van dat besluit (zie in die zin arrest van 22 april 1997, Geotronics/Commissie, C‑395/95 P, EU:C:1997:210, punten 14 en 15).

63 Dientengevolge moet het door de Commissie ter ondersteuning van haar incidentele hogere voorziening in zaak C‑184/17 P aangevoerde middel dat het besluit van 8 mei 2015 geen bindende rechtsgevolgen heeft, eveneens worden afgewezen.

64 Wat in de tweede plaats het in punt 46 van het onderhavige arrest uiteengezette argument van de Commissie betreft, volgens hetwelk een financieringsbesluit zoals dat wat in de onderhavige zaken aan de orde is, moet worden beschouwd als een handeling die geen enkel bindend rechtsgevolg tegenover derden in het leven roept, zij in herinnering gebracht dat handelingen die erop zijn gericht enkel rechtsgevolgen te scheppen binnen de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die de handeling heeft gesteld, volgens vaste rechtspraak in beginsel geen handelingen vormen waartegen beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU kan worden ingesteld (zie in die zin arresten van 25 februari 1988, Les Verts/Parlement, 190/84, EU:C:1988:94, punt 8, en 6 april 2000, Spanje/Commissie, C‑443/97, EU:C:2000:190, punt 28).

65 In casu volstaat het evenwel vast te stellen dat aangezien het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 16 december 2014 erop was gericht bindende rechtsgevolgen tegenover IMG te scheppen, om de redenen die in de punten 57 tot en met 59 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, het deze rechter niet kan worden verweten dat hij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 49 tot en met 52 van het bestreden arrest T‑29/15 het argument van de Commissie dat het besluit in kwestie enkel rechtsgevolgen schept binnen de Commissie, ongegrond te achten.

66 In de derde en laatste plaats betoogt de Commissie, zoals is vermeld in punt 47 van het onderhavige arrest, dat het besluit van 16 december 2014 had moeten worden aangemerkt als „loutere bevestiging van een eerdere handeling”, te weten de brief van 25 april 2014 waarbij IMG was meegedeeld dat er op 26 februari 2014 voorzorgsmaatregelen waren genomen.

67 In dat verband dient een handeling louter als een bevestiging van een eerdere handeling te worden beschouwd als zij vergeleken met die eerdere handeling geen nieuw feitelijk of juridisch element bevat (zie in die zin arresten van 14 april 1970, Nebe/Commissie, 24/69, EU:C:1970:22, punt 8, en 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep, C‑224/12 P, EU:C:2014:213, punt 69).

68 In casu heeft het Gerecht in de punten 70 tot en met 73 van het bestreden arrest T‑29/15 geoordeeld dat terwijl uit het onderzoek van de inhoud van de voorzorgmaatregelen van 26 februari 2014 was gebleken dat die maatregelen tot gevolg hadden gehad dat het sluiten van een delegatieovereenkomst met IMG zoals bedoeld in het oorspronkelijke besluit tijdelijk was geschorst, de analyse van het besluit van 16 december 2014 uitwees dat de inhoud ervan het bindende rechtsgevolg had gehad dat IMG specifiek en definitief de mogelijkheid was ontnomen om een dergelijke overeenkomst te sluiten.

69 Daarbij heeft het Gerecht belicht welke voor het besluit van 16 december 2014 kenmerkende juridische en feitelijke elementen nieuw waren in vergelijking met de voorzorgsmaatregelen van 26 februari 2014.

70 Dientengevolge moet het door de Commissie ter ondersteuning van haar incidentele hogere voorziening in zaak C‑183/17 P aangevoerde middel worden afgewezen voor zover daarmee wordt betoogd dat het besluit van 16 december 2014 een „loutere bevestiging van een eerdere handeling” vormde.

71 Aangezien geen van de door de Commissie ter ondersteuning van haar incidentele hogere voorzieningen aangevoerde middelen kan worden aanvaard, moeten die hogere voorzieningen in hun geheel worden afgewezen.

72 Voorts hoeft niet te worden beslist op het verzoek van de Commissie om het verslag van OLAF uit het dossier te verwijderen, aangezien dat verzoek zonder voorwerp is geraakt omdat de Commissie het Hof tijdens de terechtzitting ervan in kennis heeft gesteld dat zij IMG dat verslag op eigen initiatief heeft toegezonden.

Principale hogere voorzieningen

73 Ter ondersteuning van haar hogere voorzieningen strekkende tot vernietiging van de bestreden arresten voor zover haar beroepen tot nietigverklaring daarin zijn verworpen, voert IMG respectievelijk vier middelen in zaak C‑183/17 P en vijf middelen in zaak C‑184/17 P aan. Zij uit tevens verschillende bezwaren ten aanzien van de beslissing van het Gerecht met betrekking tot bepaalde stukken uit de procesdossiers.

74 Voorts voert IMG een zesde middel in zaak C‑184/17 P aan ter ondersteuning van haar hogere voorziening strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest T‑381/15 voor zover het Gerecht haar vordering tot schadevergoeding heeft afgewezen.

75 Om te beginnen moet het tweede middel dat door IMG is aangevoerd in elk van de gevoegde zaken worden onderzocht.

Tweede middel in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P

Argumenten van partijen

76 IMG betoogt in de eerste plaats dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie het recht niet had geschonden en evenmin een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door de litigieuze besluiten vast te stellen op basis van de twijfels die deze instelling had over de status van IMG als internationale organisatie in de zin van de financiële regelgevingen van 2002 en 2012. De punten die de Commissie heeft aangehaald om haar twijfel te onderbouwen hadden immers slechts betrekking op een deel van de zestien leden van IMG en niet op de status van die entiteit als internationale organisatie als zodanig in de zin van die regelgevingen.

77 In de tweede plaats heeft het Gerecht de feiten onjuist opgevat door de argumenten die IMG heeft aangevoerd om de gegrondheid van de litigieuze besluiten te bestrijden, op grond van een beknopte motivering van de hand te wijzen in plaats van de vele stukken die de betrokkene als bijlagen bij haar memories heeft overgelegd (statuten, oprichtingsakte, zetelovereenkomst met het Koninkrijk België, verklaringen van ambassadeurs, enz.) als bewijs van haar status van internationale organisatie te onderzoeken. Die stukken, waarover de Commissie beschikte op het moment waarop zij de litigieuze besluiten heeft vastgesteld, tonen aan dat IMG een internationale publiekrechtelijke organisatie is die in 1994 door zestien staten en het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO) bij intergouvernementele overeenkomst is opgericht, na een vergadering van een werkgroep van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, opdat de staten die meewerken aan de wederopbouw van Bosnië en Herzegovina daartoe over een specifieke entiteit zouden beschikken.

78 In haar antwoord voert de Commissie aan dat de met het oog op de rechtmatigheidstoetsing van de bestreden arresten te beantwoorden de vraag niet is of IMG al dan niet de status van internationale organisatie in de zin van de financiële regelgevingen van 2002 en 2012 heeft, maar veeleer of die instelling, gelet op de twijfels die daarover bestonden, kon besluiten om IMG geen taken tot uitvoering van de begroting meer toe te vertrouwen op basis van die status. In die context beperken de argumenten van IMG die zijn vermeld in punt 76 van het onderhavige arrest zich ertoe de beoordeling van de feiten en de bewijzen door het Gerecht in twijfel te trekken, zodat die niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij in het kader van een hogere voorziening door het Hof niet kunnen worden getoetst. Daarnaast is het argument dat de door de Commissie aangevoerde elementen ter rechtvaardiging van de in de litigieuze besluiten geuite twijfels slechts betrekking hebben op een deel van de zestien leden van IMG, in eerste aanleg niet aangevoerd, zodat dit in het stadium van de hogere voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het een nieuw argument is. Hoe dan ook heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het evenmin de door IMG overgelegde stukken onjuist opgevat door te oordelen dat de twijfels over de status van IMG als internationale organisatie de litigieuze besluiten rechtvaardigden.

79 In repliek voegt IMG daaraan toe dat zij met haar argumenten opkomt tegen de gegrondheid in rechte van de redenering van het Gerecht in de bestreden arresten ten aanzien van de rechtmatigheid van de litigieuze besluiten in het licht van de financiële regelgevingen van 2002 en 2012, zodat zij ontvankelijk zijn.

Beoordeling door het Hof

– Ontvankelijkheid

80 Daar de Commissie de ontvankelijkheid bestrijdt van een deel van de bezwaren die door IMG ter ondersteuning van het tweede middel van elk van haar hogere voorzieningen zijn uitgewerkt, zij allereerst in herinnering gebracht dat een rekwirant voor het Hof de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht in eerste aanleg kan bestrijden (zie in die zin arresten van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie, C‑210/98 P, EU:C:2000:397, punt 43, en 12 september 2006, Reynolds Tobacco e.a./Commissie, C‑131/03 P, EU:C:2006:541, punt 51), en in dat kader middelen in hogere voorziening kan aanvoeren die ertoe strekken om in rechte de gegrondheid van de beoordelingen van die rechter in het bestreden arrest te betwisten (zie in die zin arresten van 9 juni 2011, Diputación Foral de Vizcaya e.a./Commissie, C‑465/09 P–C‑470/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:372, punt 146, en 4 september 2014, Spanje/Commissie, C‑197/13 P, EU:C:2014:2157, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81 In casu voert IMG met haar in punt 76 van het onderhavige arrest vermelde bezwaren aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de financiële regelgevingen van 2002 en 2012 in de punten 102 tot en met 106 en 113 van het bestreden arrest T‑29/15 en in de punten 98 tot en met 103, 108 en 109 van het bestreden arrest T‑381/15, in antwoord op de middelen waarmee zij de rechtmatigheid van de litigieuze besluiten in het licht van die regelgevingen ter discussie had gesteld.

82 Voorts zij opgemerkt dat het argument dat de door de Commissie aangevoerde elementen om de twijfels die zij in die besluiten heeft geuit te rechtvaardigen slechts betrekking hebben op een deel van de zestien leden van IMG, erop is gericht de gegrondheid in rechte aan te vechten van de beoordeling van het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest T‑29/15, waarin wordt verwezen naar punt 89 van dat arrest, dat op zijn beurt een verwijzing naar punt 85 van dat arrest bevat, en in punt 98 van het bestreden arrest T‑381/15, waarin wordt verwezen naar punt 85 van dat laatste arrest, volgens hetwelk die besluiten, gelet op de context waarin zij zijn vastgesteld, op basis van onder andere die elementen gerechtvaardigd moeten worden geacht. In het licht van de in punt 80 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, kan dat bezwaar daarom niet in het stadium van de hogere voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat het niet is aangevoerd in eerste aanleg.

83 Daarom moet worden geoordeeld dat de door IMG aangevoerde bezwaren ter ondersteuning van haar tweede middel in elk van de gevoegde zaken, en derhalve die middelen zelf, ontvankelijk zijn.

– Ten gronde

84 Ten gronde moet worden vastgesteld dat het tweede middel van de principale hogere voorzieningen is gericht tegen de punten 102 tot en met 106 en 113 van het bestreden arrest T‑29/15 respectievelijk de punten 98 tot en met 103, 108 en 109 van het bestreden arrest T‑381/15.

85 Dienaangaande heeft IMG voor het Gerecht de rechtmatigheid van het besluit van 16 december 2014 in het licht van de financiële regelgevingen van 2002 en 2012, alsook de rechtmatigheid van het besluit van 8 mei 2015 in het licht van de financiële regelgeving van 2012 bestreden. In dat kader heeft zij onder meer aangevoerd, zoals het Gerecht in de punten 102 en 104 van het bestreden arrest T‑29/15 en in punt 96 van het bestreden arrest T‑381/15 heeft geconstateerd, dat zij een internationale publiekrechtelijke organisatie was die is opgericht bij intergouvernementele overeenkomst in de zin van die regelgevingen, zoals blijkt uit de verschillende stukken die zij zowel bij de Commissie als bij het Gerecht heeft ingediend.

86 Om die argumenten te verwerpen heeft het Gerecht om te beginnen in de punten 103 en 105 van het bestreden arrest T‑29/15 en in punt 98 van het bestreden arrest T‑381/15 uiteengezet dat de Commissie in de litigieuze besluiten twijfels had geuit over de status van IMG als internationale organisatie, waarbij zij zich had gebaseerd op de gegevens in de brief van 25 april 2014, in de bewoordingen die zijn aangehaald in punt 24 van het onderhavige arrest.

87 Voorts heeft het Gerecht in de punten 104 tot en met 105 van het bestreden arrest T‑29/15 en in punt 102 van het bestreden arrest T‑381/15 geoordeeld dat, uitgaande van de argumenten en de stukken die IMG heeft aangedragen, niet kon worden vastgesteld dat de twijfels die de Commissie in de litigieuze besluiten had geuit op basis van de gegevens in kwestie ongegrond waren.

88 In dat verband zij opgemerkt dat uit de artikelen 53 en 53 quinquies, lid 1, van verordening nr. 1605/2002, en uit artikel 58, lid 1, van verordening nr. 966/2012, die is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1605/2002, volgt dat de Commissie de begroting van de Unie onder meer kan uitvoeren door taken tot uitvoering van de begroting aan internationale organisaties toe te vertrouwen.

89 Uit die bepalingen vloeit voort dat wanneer de Commissie voornemens is een besluit vast te stellen waarbij zij op die grondslag taken tot uitvoering van de begroting aan een gegeven entiteit toevertrouwt, zij de plicht heeft zich ervan te vergewissen dat die entiteit de status van internationale organisatie heeft.

90 Wanneer de Commissie voorts, nadat zij een besluit heeft vastgesteld waarbij taken tot uitvoering van de begroting aan een bepaalde entiteit in de hoedanigheid van internationale organisatie zijn toevertrouwd, besluiten zoals de litigieuze besluiten vaststelt op basis van gegevens die volgens haar die hoedanigheid in twijfel trekken, moeten die besluiten zowel rechtens als feitelijk gerechtvaardigd zijn.

91 Dienaangaande is het begrip „internationale organisatie” als bedoeld in de artikelen 53 en 53 quinquies van verordening nr. 1605/2002 en in artikel 58 van verordening nr. 966/2012 in dezelfde bewoordingen gedefinieerd in artikel 43, lid 2, van verordening nr. 2342/2002 en vervolgens in artikel 43, lid 1, van verordening nr. 1268/2012, die is ingetrokken en gewijzigd bij verordening nr. 2342/2002. Krachtens die laatste twee bepalingen omvat dat begrip onder meer „de internationale publiekrechtelijke organisaties die zijn opgericht bij intergouvernementele overeenkomsten en hun gespecialiseerde agentschappen”.

92 In casu moet worden vastgesteld dat het Gerecht de rechtmatigheid van de litigieuze besluiten niet aan die definitie heeft getoetst, maar slechts heeft verklaard dat de door IMG aangevoerde argumenten en bewijzen niet afdeden aan de twijfels die de Commissie over de status van IMG als internationale organisatie had.

93 Met die verklaring wordt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien geen van de elementen die door het Gerecht naar voren zijn gebracht om de twijfels van de Commissie als gerechtvaardigd te beschouwen, zoals die in punt 86 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, als juridische onderbouwing van die twijfels kan dienen.

94 Wat betreft het eerste element, met betrekking tot de vraag of meerdere staten die volgens IMG tot haar leden behoorden dat ook daadwerkelijk waren, vloeit uit de eigen vaststellingen van het Gerecht immers voort dat de twijfels van de Commissie hieromtrent enkel betrekking hadden op „bepaalde” leden van IMG en meer in het bijzonder op vijf van hen op een totaal van zestien. Die twijfels, gesteld dat zij gegrond zijn, hebben in het internationale recht niet tot gevolg dat de entiteit waarvan die staten geen – of niet langer – lid zijn, haar hoedanigheid van „internationale organisatie” wordt ontnomen en al helemaal niet wanneer de betrokken staten, zoals in casu, slechts een klein deel van de entiteit in kwestie vormen.

95 Wat betreft het tweede element, dat verband houdt met het bestaan van twijfels omtrent de bevoegdheden van de personen die bepaalde staten bij de ondertekening van de oprichtingsakte van IMG hebben vertegenwoordigd, zij eveneens opgemerkt dat dit eventueel twijfel kan doen ontstaan over de geldigheid van die ondertekening, door die staten in het bijzonder, van de oprichtingsakte van IMG, maar niet over de geldigheid van de oprichting van IMG als zodanig, aangezien de eventuele onregelmatigheden op het punt van de vertegenwoordiging die zojuist zijn genoemd, slechts betrekking hebben op een beperkt aantal van de deelnemende staten.

96 Wat betreft het derde element, volgens hetwelk de secretaris-generaal van de VN OLAF erop heeft gewezen dat IMG geen gespecialiseerd agentschap van de VN was, volstaat het vast te stellen dat dit juridisch irrelevant was. Zoals uit punt 91 van het onderhavige arrest voortvloeit, vereisen de financiële regelgevingen van 2002 en 2012 immers geenszins dat een bepaalde entiteit een agentschap van de VN is om als „internationale organisatie” te kunnen worden aangemerkt. Daarnaast staat in casu vast dat IMG nooit had beweerd een dergelijk agentschap te zijn, maar wel de hoedanigheid van „internationale publiekrechtelijke organisatie die is opgericht bij intergouvernementele overeenkomst” claimde, zoals duidelijk blijkt uit de vaststellingen van het Gerecht die in punt 85 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht.

97 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat het tweede middel dat door IMG ter ondersteuning van elk van haar hogere voorzieningen in de zaken C‑183/17 P en C‑184/17 P is aangevoerd, waarmee wordt gesteld dat het Gerecht in de bestreden arresten ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie het recht niet had geschonden en evenmin een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door de vaststelling van de litigieuze besluiten te rechtvaardigen op basis van de twijfels die zij had over de status van IMG als „internationale organisatie” in de zin van de financiële regelgevingen van 2002 en 2012, gegrond is. Derhalve moeten de onderhavige middelen worden aanvaard, zonder dat hoeft te worden onderzocht of het Gerecht bij zijn beslissing bovendien de feiten onjuist heeft opgevat.

Gevolgen van de aanvaarding van de als tweede aangevoerde middelen

98 Met betrekking tot de gevolgen die moeten worden verbonden aan de onjuiste rechtsopvatting waarop in het vorige punt is gewezen, dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de afwijzing van de middelen van IMG waarmee werd gesteld dat de Commissie het recht had geschonden door de litigieuze besluiten te rechtvaardigen op basis van de twijfels die zij had over de status van IMG als internationale organisatie, de noodzakelijke steun biedt aan het dictum van de bestreden arresten, waarin de door die entiteit ingestelde beroepen tot nietigverklaring zijn verworpen.

99 Derhalve moeten de bestreden arresten worden vernietigd voor zover daarbij de beroepen tot nietigverklaring van IMG zijn verworpen, zonder dat de andere middelen en bezwaren die door IMG zijn opgeworpen ter ondersteuning van haar hogere voorzieningen hoeven te worden onderzocht.

100 In de tweede plaats, en zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is vermeld, had IMG in zaak T‑381/15 eveneens een vordering ingesteld tot vergoeding van de schade die zij stelde te hebben gelden door het besluit van 8 mei 2015, voor zover de Commissie daarin heeft uiteengezet dat zij geen nieuwe delegatieovereenkomsten voor het indirecte beheer van de begroting van de Unie meer met IMG zou sluiten.

101 Eveneens op grond van de onjuiste beoordeling in rechte waarnaar in punt 97 van het onderhavige arrest wordt verwezen, heeft het Gerecht beslist om als logisch gevolg ook die vordering tot schadevergoeding af te wijzen, zoals blijkt uit de punten 170 en 172 van het bestreden arrest T‑381/15.

102 Bijgevolg moet het bestreden arrest T‑381/15 eveneens worden vernietigd voor zover daarbij de vordering tot schadevergoeding is afgewezen.

Beroepen tot nietigverklaring en de vordering tot schadevergoeding

103 Wanneer de zaak deels in staat van wijzen is, kan het Hof krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie zelf dat gedeelte van de zaak afdoen en het andere gedeelte terugverwijzen naar het Gerecht.

104 In casu zal het Hof de twee beroepen tot nietigverklaring, die in staat van wijzen zijn, afdoen. Zoals uit de punten 92 tot en met 96 van het onderhavige arrest voortvloeit, zijn de litigieuze besluiten immers onrechtmatig, voor zover de door de Commissie ter ondersteuning van die besluiten aangevoerde elementen geen twijfel kunnen doen rijzen over de hoedanigheid van IMG als internationale organisatie in de zin van de financiële regelgevingen van 2002 en van 2012. Derhalve moeten die besluiten in hun geheel nietig worden verklaard.

105 Wat de in zaak T‑381/15 ingediende vordering tot schadevergoeding betreft, zij in herinnering gebracht dat het Gerecht, zoals in punt 101 van het onderhavige arrest is vermeld, de afwijzing van die vordering uitsluitend heeft gegrond op zijn beoordeling dat de Commissie het recht niet had geschonden en evenmin een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door de vaststelling van het besluit van 8 mei 2015 te rechtvaardigen op basis van de twijfels die zij had over de status van IMG als internationale organisatie. Uit de voorgaande punten van het onderhavige arrest vloeit weliswaar voort dat met die beoordeling blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar dat neemt niet weg dat de andere argumenten van partijen met betrekking tot die vordering tot schadevergoeding nog steeds moeten worden onderzocht, en met name die welke betrekking hebben op het bestaan en de omvang van de schade die IMG stelt te hebben geleden, waarover overigens geen standpunten zijn uitgewisseld voor dit Hof.

106 Gelet op een en ander zij vastgesteld dat dit gedeelte van het geding niet in staat van wijzen is en bijgevolg moet worden terugverwezen naar het Gerecht.

Kosten

107 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet.

108 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd.

109 Aangezien de Commissie in casu in de zaken C‑183/17 P, C‑184/17 P en T‑29/15 in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van IMG in die drie zaken te worden verwezen in de kosten.

110 Wat daarentegen zaak T‑381/15 betreft, zij in herinnering gebracht dat de Commissie weliswaar in het ongelijk is gesteld in het kader van het door IMG ingestelde beroep tot nietigverklaring, maar dat de vordering tot schadevergoeding waarmee dat beroep tot nietigverklaring gepaard gaat, niet in staat van wijzen is en moet worden terugverwezen naar het Gerecht.

111 Bijgevolg moet de beslissing omtrent de kosten van die zaak overeenkomstig artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, worden aangehouden.

Het Hof (Derde kamer) verklaart:

1) De arresten van het Gerecht van de Europese Unie van 2 februari 2017, International Management Group/Commissie (T‑29/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:56), en 2 februari 2017, International Management Group/Commissie (T‑381/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:57), worden vernietigd.

2) Uitvoeringsbesluit C(2014) 9787 final van de Commissie van 16 december 2014 tot wijziging van uitvoeringsbesluit C(2013) 7682 inzake het uit de algemene begroting van de Europese Unie te financieren jaarlijks actieprogramma 2013 ten gunste van Myanmar/Birma wordt nietig verklaard.

3) Het besluit van de Europese Commissie om geen nieuwe delegatieovereenkomsten voor indirect beheer meer met International Management Group te sluiten, dat is vervat in haar brief van 8 mei 2015, wordt nietig verklaard.

4) Zaak T‑381/15 wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een uitspraak over de vordering tot schadevergoeding van International Management Group met betrekking tot de schade die deze entiteit zou hebben geleden als gevolg van het besluit van de Commissie waarnaar wordt verwezen in punt 3 van het onderhavige dictum.

5) De incidentele hogere voorzieningen worden afgewezen.

6) De Commissie wordt in de zaken C‑183/17 P, C‑184/17 P en T‑29/15 verwezen in de kosten.

7) In zaak T‑381/15 wordt de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestalen: Engels en Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in