Gerecht EU 31 januari 2024, T-745/20, ECLI:EU:T:2024:45
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)
31 januari 2024 ( *1 )
„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Milieu – Richtlijn \(EU\) 2019/904 – Verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent – Geen onderscheid tussen producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen en producten vervaardigd uit oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen – Effectbeoordeling – Gelijke behandeling – Evenredigheid”
In zaak T‑745/20,
Symphony Environmental Technologies plc, gevestigd te Borehamwood (Verenigd Koninkrijk),
Symphony Environmental Ltd, gevestigd te Borehamwood,
vertegenwoordigd door P. Selley, solicitor, J. Holmes, KC, en J. Williams, barrister-at-law,
verzoeksters,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door L. Visaggio, C. Ionescu Dima en W. Kuzmienko als gemachtigden,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Maceroni en M. Moore als gemachtigden,
en
Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lindenthal en L. Haasbeek als gemachtigden,
verweerders,
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. Van der Woude, president, D. Spielmann, V. Valančius, I. Gâlea (rapporteur) en T. Tóth, rechters,
griffier: I. Kurme, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 20 maart 2023,
gezien artikel 22 en artikel 24, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, na de beëindiging van het ambt van rechter Valančius op 26 september 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 268 VWEU vorderen verzoeksters, Symphony Environmental Technologies plc en Symphony Environmental Ltd, vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van artikel 5 en overweging 15 van richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu (PB 2019, L 155, blz. 1), voor zover het verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen, dat is neergelegd in artikel 5 en in overweging 15 van deze richtlijn, ook van toepassing is op oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoeksters zijn in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen die zich bezighouden met de ontwikkeling, de productie en de verkoop van bepaalde gespecialiseerde kunststofproducten, alsook van de additieven en masterbatches die bij de vervaardiging van die producten worden gebruikt.
3 Een masterbatch is een samenstelling van verschillende chemische stoffen die in een polymeerdrager is verwerkt en in de vorm van korrels wordt geleverd aan fabrikanten van kunststofproducten, die deze verwerken in de polymeren waarmee zij hun producten vervaardigen.
4 Een van de door verzoeksters geproduceerde masterbatches, die zij op de markt brengen onder de merknaam d2w (hierna: „d2w-masterbatch”), bevat een additief dat volgens hen de abiotische afbraak van de kunststof waarin het is verwerkt en vervolgens de biologische afbraak ervan aan het einde van de nuttige levensduur bevordert.
5 Een oxo-degradeerbare kunststof is volgens de definitie van artikel 3, punt 3, van richtlijn 2019/904 een kunststof waaraan een of meer additieven zijn toegevoegd die er via oxidatie voor zorgen dat de kunststof afbreekt tot microfragmenten of chemisch wordt ontbonden.
6 Een biologisch afbreekbare kunststof is volgens artikel 3, punt 16, van deze richtlijn een kunststof die zodanig fysisch of biologisch afbreekbaar is dat zij uiteindelijk uiteenvalt in kooldioxide (CO2), biomassa en water.
7 Volgens verzoeksters zorgt het additief in de d2w-masterbatch ervoor dat de kunststof waarin het is verwerkt, via oxidatie afbreekt tot deeltjes (oxo-degradatie) waarvan de molecuulmassa voldoende is gereduceerd om door micro-organismen te worden opgenomen (biologische afbraak). Zij menen dat dit additief het dus mogelijk maakt om de kunststof waarin het is verwerkt, om te zetten in biologisch afbreekbaar materiaal.
8 Op 5 juni 2019 is richtlijn 2019/904 vastgesteld.
9 In overweging 15 van deze richtlijn wordt verklaard: „[…] De in deze richtlijn ingevoerde beperkingen van het in de handel brengen moeten ook gelden voor producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen, aangezien dat soort kunststoffen niet naar behoren biologisch wordt afgebroken en dus bijdraagt aan de milieuvervuiling door microplastics, niet composteerbaar is, de recycling van conventionele kunststoffen negatief beïnvloedt en geen aantoonbaar milieuvoordeel oplevert. […]”
10 Artikel 5 („Beperking van het in de handel brengen”) van richtlijn 2019/904 bepaalt: „De lidstaten verbieden dat de in deel B van de bijlage opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik en producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen in de handel worden gebracht.”
II. Conclusies van partijen
11 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – vast te stellen dat het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie niet-contractueel aansprakelijk zijn op grond van artikel 340, tweede alinea, VWEU en/of artikel 41, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), wat betreft de vaststelling van artikel 5 en overweging 15 van richtlijn 2019/904, voor zover deze bepalingen van toepassing zijn op oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen; – het Parlement, de Raad en de Commissie te gelasten om hen te vergoeden voor de geleden schade, daaronder begrepen alle extra schade die zij lijden in de loop van de procedure en/of alle redelijkerwijs voorzienbare schade, vermeerderd met rente ten belope van een bedrag dat en tegen een rentevoet die in de loop van deze procedure moeten worden bepaald; – subsidiair, het Parlement, de Raad en de Commissie te gelasten om binnen een redelijke termijn na de uitspraak van het arrest in deze zaak cijfers over te leggen met betrekking tot het bedrag van de schadevergoeding die bij overeenkomst tussen partijen is vastgelegd of, bij gebreke van overeenkomst, partijen te gelasten om binnen dezelfde termijn hun opmerkingen met cijfers in te dienen; – het Parlement, de Raad en de Commissie hoe dan ook in de kosten te verwijzen.
12 Het Parlement en de Raad verzoeken het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
13 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het de Commissie betreft en het hoe dan ook ongegrond te verklaren; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
14 Met dit beroep vorderen verzoeksters vergoeding voor de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het in artikel 5 van richtlijn 2019/904 neergelegde verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen, voor zover dit verbod ook geldt voor producten vervaardigd uit kunststoffen die zij als oxo-biologisch afbreekbaar omschrijven. Een oxo-biologisch afbreekbare kunststof is volgens hen een soort kunststof die, dankzij een pro-oxidatieadditief zoals dat in hun d2w-masterbatch, veel sneller biologisch afbreekbaar is dan oxo-degradeerbare kunststoffen. Door geen onderscheid te maken tussen oxo-degradeerbare kunststoffen en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen en door, in voorkomend geval, het verbod op producten gemaakt van oxo-degradeerbare kunststoffen uit te breiden tot producten gemaakt van oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen, hebben de drie betrokken instellingen op voldoende gekwalificeerde wijze verschillende rechtsregels geschonden die ertoe strekken rechten toe te kennen aan particulieren. Daarmee hebben zij verzoeksters schade berokkend. Naar de opvatting van verzoeksters bestaat er een voldoende rechtstreeks causaal verband tussen deze schade en de onrechtmatige gedraging van die instellingen.
15 De drie betrokken instellingen betogen dat aan geen van de drie voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie is voldaan en vorderen dat het beroep wordt verworpen. Zij stellen met name dat er geen reden is om onderscheid te maken tussen oxo-degradeerbare en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen, aangezien deze twee termen duiden op een en dezelfde soort kunststof, namelijk een conventionele kunststof waarin een additief is verwerkt dat via oxidatie de afbraak of chemische ontbinding van die kunststof in zeer kleine deeltjes versnelt. Dit soort kunststof is volgens hen niet binnen een redelijke termijn naar behoren biologisch afbreekbaar.
A. Verzoek tot weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek
16 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 december 2020, hebben verzoeksters overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek, teneinde het zakengeheim te beschermen wat hun eigen gegevens en de gegevens van derden betreft.
17 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 juni 2021, hebben verzoeksters overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering een tweede verzoek tot weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek ingediend. Dit verzoek heeft betrekking op de in hun repliek vermelde gegevens en beoogt eveneens de bescherming van het zakengeheim met betrekking tot hun eigen gegevens en de gegevens van derden.
18 Met deze verzoeken wensen verzoeksters in wezen dat de volgende soorten gegevens worden weggelaten: – de gevolgen voor hun klanten van het verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen, zoals die met name blijken uit de verklaringen van hun handelsagenten; – de raming van het bedrag van de schade die zij als gevolg van dat verbod menen te hebben geleden, alsmede de gegevens waarop die raming is gebaseerd, met name de evolutie van hun winsten en verliezen, hun marktaandeel en de waarde van hun aandelen; – de tekst van Europese, Amerikaanse, Britse en internationale normen inzake biologische afbreekbaarheid, oxo-degradatie en compostering van kunststoffen, en een glossarium betreffende de afbraak en biologische afbraak van kunststoffen.
19 Anders dan het verzoek tot weglating van de eerste twee in punt 18 hierboven genoemde categorieën gegevens, dat volgens verzoeksters is bedoeld om hun eigen gegevens te beschermen, is het verzoek tot weglating van de derde categorie gegevens bedoeld ter bescherming van gegevens waarop derden eigendomsrechten hebben.
20 In dit verband zij eraan herinnerd dat de rechter, bij de afweging tussen het belang van de openbaarheid van rechterlijke beslissingen en het recht op bescherming van persoonsgegevens en van het zakengeheim, in de omstandigheden van het concrete geval het juiste evenwicht moet zoeken en er daarbij tevens rekening mee moet houden dat het publiek overeenkomstig de in artikel 15 VWEU neergelegde beginselen recht heeft op toegang tot rechterlijke beslissingen (arrest van 27 april 2022, Sieć Badawcza Łukasiewicz – Port Polski Ośrodek Rozwoju Technologii/Commissie, T‑4/20, EU:T:2022:242, punt 29).
21 In casu komen de gegevens die tot de eerste twee in punt 18 genoemde categorieën behoren, in het onderhavige arrest niet voor.
22 Wat de gegevens van de derde categorie betreft, bevat het onderhavige arrest alleen de gegevens die ook zijn vermeld in een op de website van de Commissie gepubliceerde studie van april 2017, die Eunomia Research & Consulting Ltd in opdracht van het directoraat-generaal Milieu van de Commissie heeft uitgevoerd, getiteld „The Impact of the Use of ‚Oxo-degradable’ Plastic on the Environment” („De milieu-impact van het gebruik van ‚oxo-degradeerbare’ kunststoffen”) (hierna: „Eunomia-studie”). Aangezien de in deze studie genoemde gegevens al openbaar zijn, is weglating ervan niet nodig voor de bescherming van het zakengeheim, in tegenstelling tot wat verzoeksters beweren.
23 Derhalve is er geen gegronde reden om het verzoek van verzoeksters in te willigen.
B. Opmerkingen vooraf
24 Alvorens de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep worden onderzocht, moet er een opmerking worden gemaakt over de terminologie.
25 Kunststoffen waaraan een pro-oxidatieadditief is toegevoegd, zoals dat in de d2w-masterbatch, worden door de partijen in het geding verschillend omschreven. Verzoeksters omschrijven deze als „oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen”, die volgens hen moeten worden onderscheiden van oxo-degradeerbare kunststoffen, waarbij de biologische afbraak veel trager verloopt. Ook het Parlement bezigt in zijn memories de uitdrukking „oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen”, maar preciseert dat deze uitdrukking doelt op kunststoffen die volgens verzoeksters biologisch afbreekbaar zijn, een bewering die het Parlement niet onderschrijft. De Raad gebruikt de uitdrukking „PA-kunststoffen” ter aanduiding van kunststoffen waarin „pro-oxidatieadditieven” vervat zijn. De Commissie spreekt van „oxo‑(biologisch) afbreekbare kunststoffen” en laat met het gebruik van haakjes doorschemeren dat zij betwijfelt of dat soort kunststoffen biologisch afbreekbaar is.
26 De keuze van de uitdrukking ter aanduiding van de betrokken soort kunststoffen is niet neutraal, aangezien die keuze mogelijk een stellingname inhoudt over de biologische afbreekbaarheid van dit soort kunststoffen. Daarom dient er in dit arrest een zo neutraal mogelijke term te worden gebruikt. Met uitzondering van de passages waarin de argumenten van partijen worden uiteengezet, waar de door hen gekozen terminologie zal worden gehandhaafd, en met uitzondering van de verwijzingen naar artikel 5 van richtlijn 2019/904, waarin de in dat artikel gehanteerde uitdrukking „oxo-degradeerbare kunststoffen” zal worden gebruikt, zal bijgevolg de uitdrukking „kunststof(fen) die een pro-oxidatieadditief bevat(ten)” of „kunststof(en) met een pro-oxidatieadditief” worden gebruikt.
C. Ontvankelijkheid
27 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering op te werpen, stelt de Commissie dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het tegen haar is gericht.
28 De Commissie, hierin ondersteund door de Raad, betoogt dat de onwettigheid van het in artikel 5 van richtlijn 2019/904 neergelegde verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen haar niet kan worden toegerekend. Zij voert aan dat richtlijn 2019/904 overeenkomstig artikel 192, lid 1, VWEU niet door haar, maar door het Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure is vastgesteld en dat dit verbod niet was opgenomen in het voorstel dat zij op 28 mei 2018 bij het Parlement en de Raad heeft ingediend [COM(2018) 340 final – 2018/0172 (COD); hierna: „voorstel voor een richtlijn”], maar is ingevoerd bij een amendement van het Parlement, waarmee de Raad heeft ingestemd. De Commissie wijst er ook op dat zij haar voorstel niet kon intrekken, aangezien in casu niet aan de voorwaarden daarvoor was voldaan.
29 Ten slotte is de Commissie van mening dat noch het feit dat zij de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1; hierna: „Reach-verordening”) heeft ingeleid en vervolgens heeft beëindigd, noch het feit dat de effectbeoordeling gebrekkig is en dat zij haar verplichtingen op het gebied van het onderzoek en de beoordeling van het bewijsmateriaal niet is nagekomen – zo dit al wordt aangetoond – tot gevolg heeft dat het in artikel 5 van richtlijn 2019/904 neergelegde verbod op het in de handel brengen haar kan worden toegerekend.
30 Verzoeksters stellen dat het beroep wel ontvankelijk is ten aanzien van de Commissie.
31 Volgens de rechtspraak strekken de beroepen tot nietigverklaring en wegens nalaten ertoe de onrechtmatigheid van een juridisch bindende handeling of het ontbreken van een dergelijke handeling te bestraffen, terwijl het beroep tot schadevergoeding de vordering betreft tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een onrechtmatige handeling of gedraging die aan een instelling of een orgaan van de Unie toe te rekenen is (arresten van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P tot en met C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punt 55, en 23 mei 2019, Steinhoff e.a./ECB, T‑107/17, EU:T:2019:353, punt 51).
32 Aangezien de vaststelling van richtlijn 2019/904 overeenkomstig artikel 294 VWEU een handeling van het Parlement en de Raad was, is het irrelevant dat de Commissie geen juridisch bindende handeling heeft vastgesteld. De Commissie kan namelijk reeds worden geacht de aansprakelijkheid van de Unie te hebben doen ontstaan of daartoe te hebben bijgedragen wanneer een onrechtmatige handeling, ook als deze niet juridisch bindend is, of een onrechtmatige gedraging aan haar kan worden toegerekend.
33 In het voorstel voor een richtlijn is er geen spoor te bekennen van een dergelijke handeling of gedraging. Artikel 5 van dat voorstel bepaalt namelijk enkel dat „de lidstaten verbieden dat de in deel B van de bijlage opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik in de handel worden gebracht”, en in deel B van die bijlage wordt niet verwezen naar oxo-degradeerbare kunststoffen.
34 Niettemin verwijten verzoeksters de Commissie dat zij in het kader van het interinstitutioneel compromis van 19 december 2018 te kennen heeft gegeven dat zij „alle amendementen [op haar voorstel voor een richtlijn] aanvaardde”. In dit verband moet worden opgemerkt dat het verbod op producten van oxo-degradeerbare kunststoffen in dat voorstel is opgenomen bij amendement nr. 83 van het Parlement – aangenomen op 24 oktober 2018 – op het voorstel voor een richtlijn betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu [COM(2018) 340 final – C8‑0218/2018-2018/0172(COD); hierna „amendement van het Parlement”]. De drie betrokken instellingen zijn vervolgens in het kader van dat compromis overeengekomen om dit amendement in de tekst van de toekomstige richtlijn op te nemen. De Commissie heeft bij die gelegenheid verklaard dat zij alle amendementen aanvaardde.
35 Verzoeksters verwijten de Commissie ook dat zij het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) bij brief van 30 april 2019 (hierna: „brief van 30 april 2019”) heeft verzocht om de aldaar aanhangige procedure voor beperkingen met betrekking tot kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, te beëindigen. Volgens verzoeksters zouden – indien ECHA deze procedure had voltooid en met name overeenkomstig artikel 69, lid 1, van de Reach-verordening een dossier had samengesteld – de aldus ter kennis van de drie betrokken instellingen gebrachte aanvullende gegevens hen ertoe hebben aangezet om ten aanzien van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten andere maatregelen dan een verbod op het in de handel brengen of zelfs helemaal geen maatregelen te nemen.
36 Ten slotte verwijten verzoeksters de Commissie dat zij geen specifieke effectbeoordeling heeft verricht voor kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten en voor producten die daarmee zijn vervaardigd, en dat zij geen relevant bewijsmateriaal heeft verzameld of in aanmerking heeft genomen betreffende die kunststoffen en het risico ervan voor het milieu en de menselijke gezondheid. In de zienswijze van verzoeksters zouden de drie betrokken instellingen hun beoordeling hebben gewijzigd indien zij over aanvullende informatie hadden beschikt.
37 De kwesties of de in de punten 34 tot en met 36 hierboven vermelde gedragingen onrechtmatig zijn en of het Parlement en de Raad zonder dergelijke gedragingen het in de handel brengen van producten vervaardigd uit kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten alsnog zouden hebben verboden, betreffen de vaststelling van het feit dat tot aansprakelijkheid aanleiding geeft en van het causale verband tussen dit feit en de gestelde schade. De kwesties die verband houden met het onderzoek van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, zoals de vaststelling van het feit dat tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft en van het causale verband, komen aan bod bij het onderzoek ten gronde van het onderhavige beroep en zijn derhalve niet van belang voor de beoordeling van de ontvankelijkheid ervan (zie in die zin en naar analogie arrest van 23 mei 2019, Steinhoff e.a./ECB, T‑107/17, EU:T:2019:353, punten 42‑47).
38 Bijgevolg moet het betoog van de Commissie dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het tegen haar is gericht, worden afgewezen.
D. Ten gronde
39 Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 340, tweede alinea, VWEU bepaalt dat de Unie, in geval van niet-contractuele aansprakelijkheid, overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade moet vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
40 Volgens vaste rechtspraak moet voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, te weten dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, dat er werkelijke schade is geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen de schending van de verplichting die op de auteur van de handeling rust en de schade die door de benadeelde personen is geleden (zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Het beroep moet in zijn geheel worden verworpen wanneer aan een van die voorwaarden niet is voldaan, zonder dat de overige voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie hoeven te worden onderzocht. Bovendien bestaat er voor de Unierechter geen verplichting om die voorwaarden in een bepaalde volgorde te onderzoeken (zie in die zin arresten van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punten 13, 63 en 64, en 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punt 148).
42 Wat de eerste voorwaarde betreft, heeft het Hof geoordeeld dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, wanneer de betrokken instelling de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk en ernstig heeft overschreden, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel en de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de autoriteit van de Unie laat (arresten van 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad, C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 30, en 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 33).
43 In dit verband moet in de context van de onderhavige zaak worden gepreciseerd dat een eventuele voldoende gekwalificeerde schending van de betrokken rechtsregels moet berusten op een kennelijke en ernstige overschrijding van de grenzen van de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Uniewetgever bij de uitoefening van de bevoegdheden op milieugebied uit hoofde van de artikelen 191 en 192 VWEU beschikt. Bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid gaat het er immers om dat de Uniewetgever enerzijds de ingewikkelde en onzekere ecologische, wetenschappelijke, technische en economische ontwikkelingen moet zien aankomen en evalueren, en anderzijds de verschillende in artikel 191 VWEU beoogde doelstellingen, beginselen en belangen tegen elkaar afweegt en met elkaar verzoent (arrest van 2 maart 2010, Arcelor/Parlement en Raad, T‑16/04, EU:T:2010:54, punt 143).
44 Om te beginnen moet worden beoordeeld of aan de eerste voorwaarde voor de aansprakelijkheid van de Unie is voldaan.
45 In dit verband voeren verzoeksters vijf middelen inzake onwettigheid aan, namelijk voldoende gekwalificeerde schending van 1) de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening, 2) de punten 12 en 14 tot en met 16 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Parlement, de Raad en de Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016 (PB 2016, L 123, blz. 1; hierna: „Interinstitutioneel Akkoord”), 3) het in artikel 5, lid 4, VEU en artikel 191 VWEU neergelegde algemene evenredigheidsbeginsel (alsmede kennelijke beoordelingsfouten), 4) het algemene beginsel van gelijke behandeling, en 5) de artikelen 16 en 17 en artikel 41, lid 1, van het Handvest alsook artikel 49 VWEU.
1. Eerste middel inzake onwettigheid: schending van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening
46 Met hun eerste middel inzake onwettigheid betogen verzoeksters dat het in artikel 5 van richtlijn 2019/904 neergelegde verbod om producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen in de handel te brengen, is vastgesteld met omzeiling van de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening. Zij benadrukken in dit verband dat er bij ECHA een procedure voor beperkingen liep toen het Parlement, zonder daarmee rekening te houden, het amendement aannam waarbij producten van oxo-degradeerbare kunststoffen zijn toegevoegd aan de producten die door het voorstel voor een richtlijn van de markt werden geweerd. Die procedure was nog steeds gaande toen het Parlement en de Raad overeenstemming bereikten over dit amendement en het Parlement een wetgevingsresolutie aannam waarin het betrokken amendement werd overgenomen.
47 Bijgevolg is het verbod van artikel 5 van richtlijn 2019/904 volgens verzoeksters vastgesteld zonder dat de drie betrokken instellingen naar behoren zijn nagegaan of aan oxo-degradeerbare kunststoffen een „onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu is verbonden dat een aanpak op [Unieniveau] vereist”, zonder dat zij „rekening [hebben] gehouden met het sociaaleconomische effect van de beperking, met inbegrip van de beschikbaarheid van alternatieven”, zoals artikel 68, lid 1, van de Reach-verordening vereist, en zonder dat zij zelf zijn verzocht om overeenkomstig artikel 69, lid 6, van die verordening hun opmerkingen aan ECHA toe te zenden. De vaststelling van dat verbod is dus voorbarig en onwettig.
48 Naar de opvatting van verzoeksters hebben de drie betrokken instellingen, door de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening te omzeilen terwijl enkel ECHA technisch bevoegd is om te onderzoeken of oxo-degradeerbare kunststoffen en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen vanuit milieuoogpunt al dan niet gerechtvaardigd zijn, een voldoende gekwalificeerde schending van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening begaan. Ten slotte benadrukken verzoeksters dat deze verordening rechten toekent aan particulieren, aangezien artikel 69, lid 1, ervan bepaalt dat ECHA alle belanghebbende partijen oproept om opmerkingen te maken over de dossiers en de voorgestelde beperkingen en om een sociaaleconomische analyse in te dienen.
49 Het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten het betoog van verzoeksters.
50 In dit verband zij erop gewezen dat krachtens artikel 68, lid 1, van de Reach-verordening beperkingen kunnen worden gesteld aan de vervaardiging, het gebruik of het in de handel brengen van stoffen wanneer daar een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu aan is verbonden dat een aanpak op Unieniveau vereist. Deze beperkingen zijn opgenomen in bijlage XVII bij die verordening.
51 Daartoe biedt artikel 69 van de Reach-verordening de Commissie de mogelijkheid ECHA te verzoeken een dossier op te stellen. Indien uit dit dossier blijkt dat een aanpak op Unieniveau vereist is, zal ECHA binnen twaalf maanden na ontvangst van het verzoek van de Commissie beperkingen voorstellen. Het dossier wordt dan gepubliceerd op de website van ECHA, samen met de door ECHA geformuleerde voorstellen voor beperkingen, en de belanghebbende partijen wordt verzocht hun opmerkingen aan ECHA mee te delen.
52 Vervolgens wordt over het dossier advies uitgebracht, uiterlijk negen maanden na publicatie door het Comité risicobeoordeling van ECHA, en uiterlijk twaalf maanden na publicatie door het Comité sociaaleconomische analyse van ECHA, zoals is voorgeschreven door de artikelen 70 en 71 van de Reach-verordening. Beide adviezen worden overeenkomstig artikel 72 van die verordening aan de Commissie voorgelegd en op de website van ECHA gepubliceerd.
53 Indien aan de voorwaarden van artikel 68, lid 1, van de Reach-verordening is voldaan, stelt de Commissie in overeenstemming met artikel 73, lid 1, van die verordening een ontwerp tot wijziging van bijlage XVII op. Het uiteindelijke besluit wordt genomen volgens de regelgevingsprocedure met toetsing, overeenkomstig artikel 73, lid 2, en artikel 133, lid 4, van die verordening.
54 In dit geval is een dergelijke procedure wel gestart, maar niet afgerond.
55 Bij brief van 22 december 2017 heeft de Commissie ECHA namelijk verzocht om overeenkomstig artikel 69, lid 1, van de Reach-verordening een dossier op te stellen met betrekking tot oxo-degradeerbare kunststoffen. De Commissie en ECHA zijn vervolgens overeengekomen om de indiening van dat dossier uit te stellen tot eind juli 2019, teneinde de belanghebbende partijen in staat te stellen aanvullende informatie aan ECHA mee te delen, zoals blijkt uit een e-mail die een personeelslid van ECHA op 30 oktober 2018 aan verzoeksters heeft gezonden. Zoals in punt 35 hierboven is vermeld, heeft de Commissie vervolgens bij brief van 30 april 2019 ECHA echter verzocht de voorbereiding van het betrokken dossier stop te zetten omdat een interventie op grond van de Reach-verordening niet langer nodig was nu er op 19 december 2018, in het kader van de opstelling van de richtlijn betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu, een interinstitutioneel compromis was gevonden om het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen te verbieden.
56 Zoals in de considerans van richtlijn 2019/904 is aangegeven, is het verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen dus vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure van artikel 294 VWEU.
57 Verzoeksters betogen dat de drie betrokken instellingen, door het verbod van artikel 5 van richtlijn 2019/904 vast te stellen zonder de uitkomst van de lopende procedure voor beperkingen af te wachten, de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening hebben omzeild. Dat verbod is op voorbarige en onwettige wijze vastgesteld, zonder dat ECHA – dat in tegenstelling tot deze instellingen over wetenschappelijke deskundigheid ter zake beschikt – hen in kennis kon stellen van het bewijsmateriaal dat het had verzameld en zonder verzoeksters te horen. Een dergelijke gedraging vormt volgens verzoeksters een voldoende gekwalificeerde schending van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening, die ertoe strekken rechten toe te kennen aan particulieren.
58 Een dergelijk argument kan niet worden gevolgd aangezien er geen sprake is van schending van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening en deze artikelen geen rechtsregels vormen die ertoe strekken rechten toe te kennen aan particulieren.
59 Ten eerste kan niet worden geoordeeld dat het verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen moest worden vastgesteld overeenkomstig de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening.
60 Richtlijn 2019/904 is namelijk vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure van artikel 294 VWEU. Bovendien wordt in de considerans van deze richtlijn aangegeven dat zij artikel 192, lid 1, VWEU als rechtsgrondslag heeft. Dit artikel bepaalt dat het Parlement en de Raad een besluit nemen volgens genoemde procedure.
61 Verder bepaalt artikel 2, lid 4, van de Reach-verordening dat deze verordening „van toepassing [is] onverminderd […] [de Uniewetgeving] inzake […] het milieu, met inbegrip van” verschillende richtlijnen die daarin worden opgesomd. In die verordening wordt de toepassing van handelingen van Unierecht met betrekking tot de bescherming van het milieu dus uitdrukkelijk voorbehouden. Richtlijn 2019/904 wordt weliswaar niet vermeld bij de in artikel 2, lid 4, van de Reach-verordening genoemde bepalingen, maar is na deze verordening vastgesteld. Bovendien wijst het gebruik van de uitdrukking „met inbegrip van” erop dat de opsomming in dit artikel niet uitputtend is.
62 Ten tweede kan evenmin worden geoordeeld dat de drie betrokken instellingen verplicht waren, zoniet de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening te volgen, dan toch ten minste de uitkomst van de lopende procedure voor beperkingen af te wachten alvorens het verbod van artikel 5 van richtlijn 2019/904 vast te stellen.
63 Het initiatiefrecht inzake wetgeving dat de Commissie op grond van artikel 17, lid 2, VEU en artikel 289 VWEU bezit, impliceert dat het aan haar staat om uit te maken of zij een voorstel voor een wetgevingshandeling indient, en om het voorwerp, het doel en de inhoud van dit voorstel te bepalen (arrest van 6 september 2017, Slowakije en Hongarije/Raad, C‑643/15 en C‑647/15, EU:C:2017:631, punt 146).
64 Bovendien houdt de wetgevende bevoegdheid die in artikel 14, lid 1, VEU en artikel 16, lid 1, VEU is voorbehouden aan het Parlement en de Raad, in dat het uitsluitend aan deze instellingen toekomt om de inhoud van een wetgevende handeling te bepalen (arrest van 21 juni 2018, Polen/Parlement en Raad, C‑5/16, EU:C:2018:483, punt 84).
65 Indien de Commissie, het Parlement en de Raad zouden worden verplicht om de uitkomst van de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening af te wachten alvorens het voorstel voor een richtlijn respectievelijk het amendement tot invoering in dit voorstel van een verbod op het in de handel brengen van uit oxo-degradeerbare kunststoffen vervaardigde producten aan te nemen, zou dit dus neerkomen op een beperking van het initiatiefrecht inzake wetgeving van de Commissie en van de wetgevende bevoegdheid van het Parlement en de Raad.
66 Ten derde kan de rechtmatigheid van richtlijn 2019/904 niet worden getoetst aan de Reach-verordening.
67 Volgens de rechtspraak kan de interne rechtmatigheid van een Uniehandeling namelijk niet worden getoetst aan een andere Uniehandeling met dezelfde normatieve rang, behalve wanneer zij is vastgesteld ter uitvoering van laatstgenoemde handeling of indien in een van beide handelingen uitdrukkelijk is bepaald dat de ene voorrang heeft op de andere (arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C‑160/20, EU:C:2022:101, punt 38).
68 Uit artikel 289, leden 1 en 3, VWEU volgt dat rechtshandelingen die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, wetgevingshandelingen vormen. Dat is het geval met richtlijn 2019/904, zoals in punt 56 hierboven is aangegeven. De Reach-verordening heeft als rechtsgrondslag artikel 95 EG, dat voorzag in de toepassing van de medebeslissingsprocedure van artikel 251 EG. De in artikel 294 VWEU omschreven procedure neemt in grote lijnen de medebeslissingsprocedure over (beschikking van 6 september 2011, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, T‑18/10, EU:T:2011:419, punt 61), zodat ook de Reach-verordening als een wetgevingshandeling moet worden beschouwd. Bijgevolg moeten richtlijn 2019/904 en de Reach-verordening worden geacht gelijke normatieve rang te hebben (zie naar analogie arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a., C‑160/20, EU:C:2022:101, punt 38).
69 Bovendien is richtlijn 2019/904 niet vastgesteld op grond van de Reach-verordening.
70 Voor zover de Reach-verordening volgens artikel 2, lid 4, ervan van toepassing is onverminderd de bepalingen van Unierecht inzake milieu, zoals is aangegeven in punt 61 hierboven, is ook duidelijk dat de verordening niet bepaalt dat zij voorrang heeft op dergelijke bepalingen, zoals richtlijn 2019/904. Overigens bepaalt deze richtlijn evenmin dat de Reach-verordening voorrang heeft op haar bepalingen.
71 Uit de punten 59 tot en met 70 hierboven volgt dat de drie betrokken instellingen de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening niet hebben geschonden.
72 Nu er geen sprake is van schending van deze bepalingen, hoeft niet te worden onderzocht of die schending voldoende gekwalificeerd is, zoals vereist door de in punt 42 aangehaalde rechtspraak betreffende de eerste voorwaarde voor aansprakelijkheid van de Unie.
73 De artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening kunnen hoe dan ook niet worden beschouwd als rechtsregels die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen.
74 In dit verband baseren verzoeksters zich op artikel 69, lid 6, van de Reach-verordening, dat bepaalt dat ECHA alle belanghebbende partijen oproept om binnen zes maanden na de publicatie van het dossier hun opmerkingen over het dossier en de voorgestelde beperkingen te maken, alsook een sociaaleconomische analyse of informatie die tot een dergelijke analyse kan bijdragen in te dienen. Naar de mening van verzoeksters verleent deze bepaling particulieren het recht dat hun standpunt in aanmerking wordt genomen voordat een beperking wordt vastgesteld.
75 Bovendien roept ECHA volgens artikel 71, lid 1, van de Reach-verordening de belanghebbende partijen op om hun opmerkingen over het ontwerpadvies van het Comité sociaaleconomische analyse in te dienen.
76 Het is juist dat het recht om te worden gehoord een rechtsregel is die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren (arrest van 28 oktober 2021, Vialto Consulting/Commissie, C‑650/19 P, EU:C:2021:879, punt 140).
77 Geen van de bepalingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening garandeert belanghebbenden echter een recht om te worden gehoord in strikte zin. In het bijzonder doet het feit dat artikel 69, lid 6, onder a), en artikel 71, lid 1, van die verordening in een openbare raadpleging voorzien, er niet aan af dat noch ECHA, noch de Commissie verplicht is om een mogelijk door de wijziging van bijlage XVII bij de Reach-verordening geraakte particulier te horen in aanvulling op die openbare raadpleging (zie in die zin en naar analogie arrest van 25 september 2015, VECCO e.a./Commissie, T‑360/13, EU:T:2015:695, punten 81 en 82).
78 Bijgevolg moet het eerste middel inzake onwettigheid worden afgewezen.
2. Tweede middel inzake onwettigheid: voldoende gekwalificeerde schending van de punten 12 en 14 tot en met 16 van het Interinstitutioneel Akkoord
79 Met hun tweede middel inzake onwettigheid betogen verzoeksters dat de drie betrokken instellingen de punten 12 en 14 tot en met 16 van het Interinstitutioneel Akkoord hebben geschonden door geen effectbeoordeling uit te voeren voor het in artikel 5 van richtlijn 2019/904 neergelegde verbod op het in de handel brengen van producten die zijn vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen. De bij het voorstel voor een richtlijn gevoegde effectbeoordeling heeft volgens hen namelijk alleen betrekking op vistuig en op de in deel B van de bijlage bij dat voorstel opgenomen kunststofproducten voor eenmalig gebruik, waartoe de oxo-degradeerbare kunststoffen niet behoren. Het Parlement en de Raad hebben punt 15 van het Interinstitutioneel Akkoord geschonden door geen effectbeoordeling voor het door het Parlement op het voorstel voor een richtlijn aangebrachte amendement te verrichten. De Commissie heeft inbreuk gemaakt op punt 16 ervan door de oorspronkelijke effectbeoordeling niet aan te vullen.
80 Verzoeksters erkennen dat het Parlement en de Raad niet gebonden zijn door de effectbeoordeling van de Commissie en dat de drie betrokken instellingen over een zekere beoordelingsmarge beschikken om te bepalen of er een aanvullende effectbeoordeling noodzakelijk is wanneer er een amendement op het voorstel van de Commissie voor een richtlijn wordt ingediend. Zij wijzen er echter op dat het uitvoeren van een effectbeoordeling het principe, en het niet uitvoeren ervan de uitzondering is. In casu hadden de drie betrokken instellingen een effectbeoordeling voor oxo-degradeerbare kunststoffen moeten uitvoeren, aangezien zij niet over voldoende wetenschappelijke bewijzen beschikten. Bijgevolg hebben deze instellingen een voldoende gekwalificeerde schending begaan van het Interinstitutioneel Akkoord, dat rechten toekent aan particulieren.
81 Het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten het betoog van verzoeksters.
82 Het betoog van verzoeksters kan niet worden aanvaard. Het Interinstitutioneel Akkoord is namelijk niet geschonden en de bepalingen ervan kunnen niet worden geacht ertoe te strekken aan particulieren rechten toe te kennen.
83 Dienaangaande stelt het Gerecht in de eerste plaats vast dat de Commissie een effectbeoordeling van haar voorstel voor een richtlijn heeft verricht. Deze effectbeoordeling heeft echter geen betrekking op oxo-degradeerbare kunststoffen.
84 Het staat buiten kijf dat de goedkeuring van het amendement van het Parlement niet vergezeld ging van een effectbeoordeling voor dit soort kunststoffen.
85 Derhalve moet worden onderzocht of de punten 12 en 14 tot en met 16 van het Interinstitutioneel Akkoord de drie betrokken instellingen of een van hen verplichtten om specifiek voor het amendement van het Parlement een effectbeoordeling uit te voeren.
86 Uit de bewoordingen van deze punten blijkt duidelijk dat dit niet het geval was.
87 In punt 12 van het Interinstitutioneel Akkoord staat namelijk onder meer dat effectbeoordelingen een instrument vormen dat het Parlement, de Raad en de Commissie helpt om tot goed onderbouwde besluiten te komen en niet in de plaats treden van de politieke besluiten van het democratische besluitvormingsproces.
88 Volgens punt 13 van dat akkoord verricht de Commissie effectbeoordelingen voor onder meer de wetgevingsinitiatieven die naar verwachting significante economische, ecologische of sociale gevolgen zullen hebben.
89 In punt 14 van dit akkoord staat dat het Parlement en de Raad ten volle rekening houden met de effectbeoordelingen van de Commissie.
90 Volgens de rechtspraak is een effectbeoordeling echter niet bindend voor het Parlement of de Raad, zodat de wetgever van de Unie vrij blijft om andere maatregelen vast te stellen dan de maatregelen die aan bod zijn gekomen in deze effectbeoordeling (arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38, C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 65).
91 Voorts bepaalt punt 15 van het Interinstitutioneel Akkoord dat het Parlement en de Raad, wanneer zij dit passend en noodzakelijk achten voor het wetgevingsproces, effectbeoordelingen opstellen over hun wezenlijke wijzigingen van het Commissievoorstel. Volgens datzelfde punt 15 moet elke instelling zelf definiëren wat zij onder een „wezenlijke” wijziging verstaat.
92 Volgens de rechtspraak houdt punt 15 van het Interinstitutioneel Akkoord echter geen categorische verplichting in voor het Parlement en de Raad. Dit punt voorziet enkel in de mogelijkheid om de effectbeoordeling te actualiseren wanneer het Parlement en de Raad „dit passend en noodzakelijk achten voor het wetgevingsproces” (arrest van 13 maart 2019, Polen/Parlement en Raad, C‑128/17, EU:C:2019:194, punt 43).
93 In casu betogen zowel het Parlement als de Raad dat zij over voldoende wetenschappelijke informatie beschikten en dat een dergelijke actualisering dus niet noodzakelijk was. Bijgevolg kan hun niet worden verweten dat zij geen effectbeoordeling voor het amendement van het Parlement hebben verricht.
94 Wat het vermeende verzuim van de Commissie betreft, zij erop gewezen dat in punt 16 van het Interinstitutioneel Akkoord is bepaald dat de Commissie op eigen initiatief of op verzoek van het Parlement of de Raad haar eigen effectbeoordeling „kan” aanvullen of verdere analysen kan verrichten die zij noodzakelijk acht. Uit de bewoordingen van punt 16 blijkt duidelijk dat de Commissie niet verplicht is om de effectbeoordeling te actualiseren. Bijgevolg kan haar niet worden verweten dat zij dit niet heeft gedaan om rekening te houden met het amendement van het Parlement.
95 Uit het voorgaande volgt dat de drie betrokken instellingen de punten 12 en 14 tot en met 16 van het Interinstitutioneel Akkoord niet hebben geschonden.
96 Nu er geen sprake is van schending van deze bepalingen, hoeft niet te worden onderzocht of die schending voldoende gekwalificeerd is, zoals vereist door de in punt 42 aangehaalde rechtspraak betreffende de eerste voorwaarde voor aansprakelijkheid van de Unie.
97 In de tweede plaats kunnen de punten 12 en 14 tot en met 16 van het Interinstitutioneel Akkoord hoe dan ook niet worden geacht ertoe te strekken aan particulieren rechten toe te kennen, aangezien de effectbeoordelingen een instrument vormen dat de drie betrokken instellingen helpt om tot goed onderbouwde besluiten te komen, zoals in punt 12 wordt gepreciseerd.
98 Bijgevolg moet het tweede middel inzake onwettigheid worden afgewezen.
3. Derde middel inzake onwettigheid: voldoende gekwalificeerde schending van het in artikel 5, lid 4, VEU neergelegde algemene evenredigheidsbeginsel en van artikel 191 VWEU alsmede kennelijke beoordelingsfouten
99 Met hun derde middel inzake onwettigheid voeren verzoeksters aan dat het verbod van artikel 5 van richtlijn 2019/904, voor zover het van toepassing is op oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen, in strijd is met het in artikel 5, lid 4, VEU en artikel 191 VWEU verankerde algemene evenredigheidsbeginsel en op kennelijke beoordelingsfouten berust. Door dit verbod vast te stellen hebben de drie betrokken instellingen dus een voldoende gekwalificeerde schending begaan van rechtsregels die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen.
100 Dit middel bestaat uit drie onderdelen.
101 Met het eerste onderdeel betogen verzoeksters dat de drie betrokken instellingen niet beschikten over een grondige wetenschappelijke beoordeling van de risico’s van oxo-degradeerbare kunststoffen en dat het verbod van artikel 5 van richtlijn 2019/904 dus op zich in strijd is met het in artikel 5, lid 4, VEU en artikel 191 VWEU neergelegde algemene evenredigheidsbeginsel en dat het op kennelijke beoordelingsfouten berust.
102 Volgens verzoeksters konden deze instellingen een dergelijke ingrijpende maatregel niet nemen zonder te beschikken over het bewijsmateriaal dat in de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening zou zijn verzameld. De drie betrokken instellingen hadden ook moeten beschikken over een effectbeoordeling die specifiek betrekking had op oxo-degradeerbare kunststoffen en over elke andere wetenschappelijke beoordeling van de voor- en nadelen van dit soort kunststoffen. Door het in de handel brengen van die kunststoffen te verbieden zonder over dat bewijsmateriaal te beschikken, hebben deze instellingen de risico’s ervan louter hypothetisch beoordeeld.
103 Verzoeksters beklemtonen dat de omstandigheid dat de drie betrokken instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken op milieugebied, hen niet ontslaat van de verplichting om alle relevante factoren in aanmerking te nemen. De wetenschappelijke studies waarvan deze instellingen in hun verweerschriften beweren dat zij zich erop hebben gebaseerd om het verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen vast te stellen, maken echter geen onderscheid tussen oxo-degradeerbare en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen en in die studies wordt niet aanbevolen de tweede soort kunststoffen volledig te verbieden. Bovendien hebben deze instellingen met name geen rekening gehouden met de economische en sociale gevolgen van dat verbod. Ten slotte zijn er voldoende bewijzen om de evenredigheid van dit verbod in twijfel te trekken.
104 Met het tweede onderdeel van dit middel betogen verzoeksters dat de drie betrokken instellingen niet of onvoldoende hebben aangetoond dat er een rationeel verband bestaat tussen het verbod op het in de handel brengen van producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen en de doelstelling van richtlijn 2019/904, te weten de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid. Bijgevolg is dit verbod in strijd met het in artikel 5, lid 4, VEU neergelegde algemene evenredigheidsbeginsel.
105 Volgens verzoeksters wordt geen van de vier beweringen in overweging 15 van deze richtlijn gestaafd.
106 Ten eerste is de bewering dat oxo-degradeerbare kunststoffen niet naar behoren biologisch afbreken, niet gebaseerd op enig bewijs, aangezien dergelijk bewijs had moeten worden aangedragen in het kader van de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening. De slotsom van de wetenschappelijke studies waarop de drie betrokken instellingen zich naar eigen zeggen hebben gebaseerd, is niet dat oxo-degradeerbare kunststoffen niet naar behoren biologisch afbreekbaar zijn, maar enkel dat er geen sluitend bewijs is voor de biologische afbreekbaarheid ervan. Bovendien wordt deze bewering tegengesproken door andere wetenschappelijke studies en door laboratoriumtests die aantonen dat oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen naar behoren biologisch afbreekbaar zijn.
107 Ten tweede is de bewering dat oxo-degradeerbare kunststoffen niet composteerbaar zijn, volgens verzoeksters onjuist. Ook hebben de drie betrokken instellingen niet aangegeven in welk opzicht de omstandigheid dat oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen niet composteerbaar zijn, een risico voor het milieu of de menselijke gezondheid vormt, noch waarom deze omstandigheid rechtvaardigt dat oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen verboden worden terwijl conventionele kunststoffen, die evenmin composteerbaar zijn, niet verboden zijn.
108 Wat ten derde de bewering betreft dat oxo-degradeerbare kunststoffen de recycling van conventionele kunststoffen negatief beïnvloedt, wordt in de wetenschappelijke studies waarop de drie betrokken instellingen zich naar eigen zeggen hebben gebaseerd, niet ontkend dat het mogelijk is oxo-degradeerbare kunststoffen te recyclen en blijkt daaruit dat het gebruik van stabilisatoren kan voorkomen dat dit soort kunststoffen de recycling van conventionele kunststoffen negatief beïnvloedt. Volgens verzoeksters blijkt uit andere studies dat oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen op dezelfde wijze kunnen worden gerecycled als conventionele kunststoffen.
109 Ten vierde is de bewering dat oxo-degradeerbare kunststoffen geen aantoonbaar milieuvoordeel opleveren, niet gebaseerd op enige wetenschappelijke studie.
110 Met het derde onderdeel van dit middel betogen verzoeksters in essentie dat een volledig verbod op het in de handel brengen verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het doel van deze richtlijn en dat er andere, minder belastende maatregelen bestaan. Bijgevolg is dit verbod in strijd met het in artikel 5, lid 4, VEU neergelegde algemene evenredigheidsbeginsel.
111 Ter ondersteuning van dit derde onderdeel voeren verzoeksters aan dat het mogelijk was geweest om dit soort kunststoffen van het betrokken verbod uit te sluiten, te eisen dat volgens een erkende norm tests werden uitgevoerd om de biologische afbreekbaarheid ervan te beoordelen, te eisen dat deze kunststoffen een merkstof bevatten die het mogelijk maakt deze vóór recycling automatisch te sorteren, voor deze kunststoffen te voorzien in een van de niet-verbodsmaatregelen van de artikelen 4, 7, 8 en/of 10 van richtlijn 2019/904 of een etikettering op te leggen die elk gevaar voor verwarring bij de consument uitsluit. Verzoeksters betogen ook dat de drie betrokken instellingen, in plaats van het in de handel brengen zonder meer te verbieden, in een overgangsperiode hadden moeten voorzien.
112 Het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten het betoog van verzoeksters.
113 Het Gerecht stelt vast dat schending van artikel 191 VWEU weliswaar alleen wordt aangevoerd in het kader van het eerste onderdeel van het derde middel inzake onwettigheid, maar dat schending van het in artikel 5, lid 4, VEU neergelegde algemene evenredigheidsbeginsel wordt aangevoerd in het kader van de drie onderdelen van dit middel. Bijgevolg moeten deze drie onderdelen worden gegroepeerd en moeten ten eerste schending van artikel 191 VWEU en ten tweede schending van artikel 5, lid 4, VEU worden onderzocht.
a) Eerste onderdeel: voldoende gekwalificeerde schending van artikel 191 VWEU
114 Om te beginnen beschikt de Uniewetgever, zoals in punt 43 hierboven is aangegeven, bij de uitoefening van de bevoegdheden op milieugebied uit hoofde van de artikelen 191 en 192 VWEU over een ruime beoordelingsbevoegdheid.
115 De toetsing van de Unierechter moet derhalve beperkt blijven tot de vraag of er bij de uitoefening van deze bevoegdheid geen sprake is geweest van een kennelijke fout of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de Uniewetgever de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet klaarblijkelijk heeft overschreden (arrest van 8 juli 2010, Afton Chemical, C‑343/09, EU:C:2010:419, punt 28).
116 Bovendien berust het beleid op milieugebied volgens artikel 191, lid 2, VWEU met name op het voorzorgsbeginsel. Volgens artikel 191, lid 3, VWEU houdt de Unie bij het bepalen van dat beleid onder meer rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens.
117 Volgens het voorzorgsbeginsel kunnen bij onzekerheid over het bestaan of de omvang van risico’s voor het milieu of de menselijke gezondheid, beschermende maatregelen worden genomen zonder dat hoeft te worden gewacht totdat de realiteit en de ernst van deze risico’s volledig zijn aangetoond. Wanneer het bestaan of de omvang van het gestelde risico niet met zekerheid kan worden bepaald omdat de verrichte onderzoeken niet concludent zijn, maar reële schade voor het milieu of de menselijke gezondheid waarschijnlijk blijft ingeval het risico intreedt, rechtvaardigt het voorzorgsbeginsel dat beperkende maatregelen worden getroffen (arrest van 6 mei 2021, Bayer CropScience en Bayer/Commissie, C‑499/18 P, EU:C:2021:367, punt 80). In dit verband mogen de instellingen niet een louter hypothetische benadering van het risico hanteren en hun besluiten op een „nulrisico” afstemmen (zie naar analogie arresten van 9 september 2003,Monsanto Agricoltura Italia e.a., C‑236/01, EU:C:2003:431, punt 106; 12 december 2014, Xeda International/Commissie, T‑269/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1069, punten 55 en 56, en 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punt 69).
118 Om geen willekeurige maatregelen te treffen die in geen geval door het voorzorgsbeginsel worden gedekt, moet de bevoegde overheidsinstantie er dus voor zorgen dat de maatregelen die zij treft – ook als het gaat om preventieve maatregelen – zijn gebaseerd op een zo grondig mogelijke wetenschappelijke beoordeling van de risico’s, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval (zie in die zin arrest van 8 juli 2010, Afton Chemical, C‑343/09, EU:C:2010:419, punt 60; zie ook naar analogie arrest van 12 december 2014, Xeda International/Commissie, T‑269/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1069, punt 57).
119 Deze wetenschappelijke beoordeling moet worden gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en moet op onafhankelijke, objectieve en transparante wijze worden uitgevoerd (zie naar analogie arrest van 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punt 70). Zij moet de bevoegde overheidsinstantie voldoende betrouwbare en solide informatie verstrekken om haar in staat te stellen de draagwijdte van de wetenschappelijke vraag ten volle te vatten en haar beleid met kennis van zaken te bepalen (zie naar analogie arresten van 14 november 2013, ICdA e.a./Commissie, T‑456/11, EU:T:2013:594, punt 52, en 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punt 71).
120 Bijgevolg mochten de drie betrokken instellingen het in artikel 5 van richtlijn 2019/904 neergelegde verbod op het in de handel brengen alleen vaststellen wanneer zij, op basis van een zo grondig mogelijke wetenschappelijke beoordeling van de risico’s van producten vervaardigd uit kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken konden oordelen dat er een risico voor het milieu of de menselijke gezondheid bestond. Tevens zij eraan herinnerd dat volgens de in punt 42 hierboven aangehaalde rechtspraak de Unie slechts niet-contractueel aansprakelijk is wanneer de schending van de betrokken rechtsregel voldoende gekwalificeerd is.
121 In dit verband is het Gerecht van oordeel dat, anders dan verzoeksters stellen, noch de omstandigheid dat er geen effectbeoordeling is uitgevoerd voor producten vervaardigd uit kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, noch het feit dat de Commissie de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening heeft beëindigd en dat de drie betrokken instellingen bijgevolg niet beschikten over een door ECHA opgesteld dossier, over een voorstel van beperking of over de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse waarin de Reach-verordening voorziet, aantoont dat het in artikel 5 van richtlijn 2019/904 neergelegde verbod op deze producten is vastgesteld zonder een zo grondig mogelijke wetenschappelijke beoordeling van de risico’s die deze producten inhouden. Uit de punten 78 en 98 hierboven blijkt immers dat die instellingen voor de vaststelling van dat verbod niet verplicht waren een dergelijke effectbeoordeling uit te voeren of de procedure van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening te volgen. Om te voldoen aan de vereisten van de in de punten 118 en 119 hierboven aangehaalde rechtspraak, volstaat het dat de drie betrokken instellingen tijdens de wetgevingsprocedure over voldoende betrouwbare en solide informatie beschikten om hen in staat te stellen de draagwijdte van de wetenschappelijke vraag ten volle te vatten en hun beleid met kennis van zaken te bepalen, ongeacht de oorsprong en de vorm van die informatie.
122 In overweging 15 van richtlijn 2019/904 wordt de uitbreiding van het verbod van artikel 5 tot producten vervaardigd uit oxo-degradeerbare kunststoffen gerechtvaardigd door het feit dat, ten eerste, dit soort kunststoffen niet naar behoren biologisch wordt afgebroken en dus bijdraagt aan de milieuvervuiling door microplastics, ten tweede, niet composteerbaar is, ten derde, de recycling van conventionele kunststoffen negatief beïnvloedt en, ten vierde, geen aantoonbaar milieuvoordeel oplevert.
123 Bijgevolg moet worden onderzocht of elk van deze vier beweringen, hoewel er geen effectbeoordeling is uitgevoerd en de procedure voor beperkingen van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening niet is afgerond, niettemin berust op een zo grondig mogelijke wetenschappelijke beoordeling van de risico’s van producten die zijn vervaardigd uit kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, en of de drie betrokken instellingen op basis van een dergelijke beoordeling zonder kennelijke beoordelingsfouten te maken tot de slotsom konden komen dat er risico’s voor het milieu en de menselijke gezondheid bestonden.
1) Bewering dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten niet naar behoren biologisch worden afgebroken
124 Met betrekking tot de bewering dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten niet naar behoren biologisch worden afgebroken, moet vooraf worden gepreciseerd dat volgens een definitie die niet door partijen wordt betwist en die is opgenomen in een verslag van de Commissie aan het Parlement en de Raad betreffende de impact van het gebruik van onder invloed van zuurstof afbreekbare kunststof, inclusief onder invloed van zuurstof afbreekbare plastic draagtassen, op het milieu [COM(2018) 35 final] van 16 januari 2018 (hierna: „verslag van 16 januari 2018”), „biodegradatie” het proces is waarbij materiaal desintegreert en door micro-organismen wordt ontbonden in elementen die voorkomen in de natuur, te weten CO2, water en biomassa. Biodegradatie kan plaatsvinden in een zuurstofrijk milieu (aerobe biodegradatie) of in een zuurstofarm milieu (anaerobe biodegradatie).
125 In hun verweerschriften stellen de drie betrokken instellingen dat zij zich voor hun bevinding dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten niet naar behoren biologisch worden afgebroken, hebben gebaseerd op het volgende bewijsmateriaal: de in punt 22 hierboven genoemde Eunomia-studie, het in punt 124 hierboven genoemde verslag van 16 januari 2018; een rapport van de Ellen MacArthur-stichting van 6 november 2017, met als titel „Oxo Statement” („oxo-verklaring”) (hierna: „oxo-verklaring”); een studie van S. Deconinck en B. De Wilde voor PlasticsEurope AISBL, een Europese vereniging van kunststofproducenten, met als titel „Benefits and challenges of bio- and oxo-degradable plastics” („Voordelen en moeilijkheden in verband met biologisch afbreekbare kunststoffen en oxo-degradeerbare kunststoffen”) van 9 augustus 2013 (hierna: „studie De Wilde”), en een studie van de universiteit van Loughborough (Verenigd Koninkrijk) voor het Department for Environment, Food & Rural Affairs van de regering van het Verenigd Koninkrijk, met als titel „Assessing the Environmental Impacts of Oxo-degradable Plastics Across Their Life Cycle” („Beoordeling van de milieueffecten van oxo-degradeerbare kunststoffen gedurende hun hele levenscyclus”) van januari 2010 (hierna: „studie van de universiteit van Loughborough”).
126 Ten eerste verduidelijkt de Eunomia-studie dat daarin niet de term „oxo-biologisch afbreekbare” kunststoffen wordt gebruikt, aangezien deze term door de kunststoffabrikanten wordt gebruikt om hun producten als biologisch afbreekbaar in de handel te brengen, maar wel de uitdrukking „die een pro-oxidatieadditief bevatten”, waarbij deze uitdrukking enkel een fysisch kenmerk van de betrokken kunststoffen beschrijft, zonder aan te geven of zij biologisch afbreekbaar zijn.
127 Uit de Eunomia-studie blijkt dat de biologische afbraak van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, niet mogelijk is zonder een voorafgaande fase waarin die kunststoffen aan ultraviolette straling en warmte worden blootgesteld. Het doel van deze voorafgaande fase is om door oxidatie de molecuulmassa van de kunststoffen te reduceren, zodat deze in deeltjes uiteenvallen. Uit deze studie blijkt dat er zonder deze voorafgaande fase geen biologische afbraak plaatsvindt dan wel op veel langere termijn plaatsvindt, omdat de kunststoffen niet voldoende zijn uiteengevallen om door micro-organismen te worden opgenomen. Aangezien licht en warmte variëren naargelang van de plaatselijke omstandigheden, is het zeer moeilijk om de tijd en de mate van fragmentatie te ramen die nodig zijn om biologische afbraak te laten plaatsvinden. Het pro-oxidatieadditief versnelt echter de fragmentatie van kunststoffen in deze voorafgaande fase, zodat kunststoffen die een dergelijk additief bevatten sneller uiteenvallen dan conventionele kunststoffen wanneer zij worden blootgesteld aan ultraviolette straling en warmte.
128 Wat de volgende fase betreft, namelijk de eigenlijke biodegradatie (opname door micro-organismen), blijkt uit de Eunomia-studie dat biodegradatie in de openlucht van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten slechts gedeeltelijk is aangetoond. Hoewel het erop lijkt dat kunststoffen in de openlucht kunnen worden afgebroken, is het niet zeker dat dit volledig en binnen een redelijke termijn zal gebeuren. Een bevredigende biologische afbraak (bijna volledige afbraak binnen twee jaar, de kortste periode die werd waargenomen) werd namelijk enkel in het kader van laboratoriumexperimenten bereikt. Een dergelijke biologische afbraak is nooit waargenomen onder reële omstandigheden. Als ervan kan worden uitgegaan dat de biologische afbraak in de openlucht van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, sneller verloopt dan die van conventionele kunststoffen, zou de negatieve impact op het milieu in deze fase van biologische afbraak bovendien nog groter kunnen zijn.
129 Ten aanzien van de biologische afbraak van kunststoffen met een pro-oxidatieadditief die worden gestort komt de Eunomia-studie tot de slotsom dat de hypothese wordt aangetoond dat er geen biologische afbraak plaatsvindt. Volgens deze studie kan er weliswaar biologische afbraak plaatsvinden in de buitenste lagen van de stortplaats, waar die kunststoffen in contact komen met zuurstof (aerobe biodegradatie), maar is er weinig of geen biologische afbraak in de diepere lagen van de stortplaats, waar er weinig zuurstof is. In deze diepe lagen is echter anaerobe biodegradatie mogelijk. Anaerobe biodegradatie produceert methaan, een broeikasgas dat 25 keer schadelijker is dan het koolstofdioxide dat vrijkomt bij aerobe biodegradatie. Kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, zijn dus iets problematischer dan conventionele kunststoffen, omdat zij, in tegenstelling tot conventionele kunststoffen, broeikasgasemissies kunnen veroorzaken.
130 Tot slot zijn er volgens de Eunomia-studie onvoldoende wetenschappelijke gegevens voorhanden om te bepalen of kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten al dan niet biologisch afbreken in het mariene milieu. Die studie vermeldt echter dat de resultaten van bepaalde experimenten erop wijzen dat dit soort kunststoffen in het mariene milieu sneller afbreekt dan conventionele kunststoffen, maar dat de biologische afbraak ervan veel trager verloopt dan op het land, in de openlucht, wat betekent dat er deeltjes voor onbepaalde tijd in het milieu kunnen blijven of gedurende een periode die lang genoeg is om ernstige schade aan het milieu toe te brengen.
131 Ten tweede kunnen volgens het verslag van 16 januari 2018, waarin de conclusies van de Eunomia-studie worden herhaald, kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, pas biologisch worden afgebroken nadat zij aan warmte en/of ultraviolette straling zijn blootgesteld. Uit dit verslag blijkt in de eerste plaats ook dat er geen enkel stellig bewijs is dat de biologische afbraak in de openlucht van dit soort kunststoffen daadwerkelijk plaatsvindt onder reële omstandigheden. In de tweede plaats is volgens dit verslag de biologische afbraak op stortplaatsen van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, mogelijk in de buitenste lagen van de stortplaats, maar is deze gering of zelfs onbestaande in de diepere lagen, waar dit soort kunststoffen vanuit broeikasgasoogpunt problematischer is dan conventionele kunststoffen. In de derde plaats blijkt uit dat verslag dat op basis van de beschikbare gegevens niet met zekerheid kan worden gesteld dat er binnen een redelijke termijn biologische afbraak in het mariene milieu plaatsvindt en dat deze afbraak in elk geval waarschijnlijk veel trager verloopt dan aan land, in de openlucht, en aanzienlijke milieuschade veroorzaakt.
132 Zowel de Eunomia-studie als het verslag van 16 januari 2018 stond ter beschikking van de drie betrokken instellingen toen richtlijn 2019/904 werd voorbereid en vastgesteld. De Commissie heeft dat verslag immers op 16 januari 2018, dat wil zeggen vóór deze richtlijn op 5 juni 2019 is vastgesteld, bij het Parlement en de Raad ingediend overeenkomstig artikel 20 bis, lid 2, van richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB 1994, L 365, blz. 10), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2015/720 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 (PB 2015, L 115, blz. 11). De Eunomia-studie vormt dan weer de basis voor het verslag van 16 januari 2018, waarin herhaaldelijk naar deze studie wordt verwezen. Hieruit volgt dat ook die studie vóór 5 juni 2019 ter beschikking stond van de drie betrokken instellingen.
133 Ten derde bevestigt de oxo-verklaring dat niet is aangetoond dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, binnen een redelijke termijn naar behoren biologisch afbreekbaar zijn. Deze verklaring, die is ondertekend door talrijke ondernemingen en beroepsorganisaties, niet-gouvernementele organisaties, instellingen, onderzoeksinstellingen, wetenschappers en leden van het Europees Parlement, is te vinden op de website van de Ellen MacArthur-stichting, die tot doel heeft de circulaire economie te bevorderen. Daaruit volgt dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, ten onrechte op de markt worden gebracht als oplossing voor kunststofvervuiling en worden gepresenteerd als biologisch afbreekbaar binnen een redelijke termijn. Na de fragmentatie van deze kunststoffen in kleine deeltjes hangt de biologische afbraak immers af van de milieuomstandigheden, die variabel zijn, en duurt deze vaak langer of zelfs veel langer dan enkele maanden, tot zelfs meerdere jaren. Gedurende die tijd blijven er deeltjes in het milieu aanwezig, wat negatieve gevolgen kan hebben voor het milieu en voor de menselijke gezondheid.
134 Het doet niet ter zake dat de oorspronkelijke versie van de oxo-verklaring, die op 6 november 2017 is gepubliceerd en in het vorige punt is samengevat, in juni 2018 van de website van de Ellen MacArthur-stichting is verwijderd om deze stichting in staat te stellen de klacht van een derde te onderzoeken, of dat die verklaring in gewijzigde vorm weer online is gezet in mei 2019. De in 2019 aangebrachte wijzigingen verduidelijken namelijk de inhoud van deze verklaring, maar veranderen niets aan de betekenis ervan.
135 De oxo-verklaring is gepubliceerd op de website van de Ellen MacArthur-stichting, dat wil zeggen dat deze verklaring openbaar is. Verder dateert de publicatie ervan, of het nu gaat om de oorspronkelijke dan wel om de gewijzigde versie van die verklaring, van vóór de vaststelling van richtlijn 2019/904 op 5 juni 2019.
136 Bovendien wordt in het verslag van 16 januari 2018, waarvan in punt 132 hierboven is vastgesteld dat de drie betrokken instellingen er toegang toe hadden, verwezen naar de oxo-verklaring.
137 Bijgevolg moet worden aangenomen dat de oxo-verklaring openbaar was en dus toegankelijk was voor de drie betrokken instellingen toen richtlijn 2019/904 werd voorbereid en vastgesteld (zie in die zin arrest van 8 juli 2010, Afton Chemical, C‑343/09, EU:C:2010:419, punt 39).
138 Ten vierde bevestigt ook de studie De Wilde de conclusies van de Eunomia-studie en van het verslag van 16 januari 2018 met betrekking tot de biologische afbraak van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten.
139 Zoals de Commissie opmerkt, blijkt namelijk uit de studie De Wilde dat slechts twee artikelen – een van Jakubowicz, I., Yarahmadi, N., en Arthurson, V., getiteld „Kinetics of abiotic and biotic degradability of low-density polyethylene containing prodegradant additives and its effect on the growth of Microbial communities” („Kinetica van abiotische en biotische afbreekbaarheid van lagedichtheidpolyethyleen die pro-degradatieadditieven bevatten en het effect ervan op de groei van microbiële gemeenschappen”), gepubliceerd in mei 2011 (hierna: „studie van Jakubowicz van 2011”), en het andere van Chiellini, E., Corti, A., en Swift, G., getiteld „Biodegradation of Thermally-oxidised, Fragmented Low-density Polyethylenes” („Biologische afbraak van thermisch geoxideerde, gefragmenteerde lagedichtheidpolyethyleen”), van 2003 (hierna: „studie van Chiellini en Corti”) – melding maakten van een hoog percentage biologische afbraak van dit soort kunststoffen, terwijl de biologische afbraak volgens alle andere beschikbare artikelen onbestaand of (zeer) gering is. De conclusie van deze studie luidt dat de vraag welke mate van biologische afbraak kan worden bereikt met kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, openstaat voor discussie.
140 Anders dan verzoeksters betogen, is het enkele feit dat de studie De Wilde van augustus 2013 dateert, niet voldoende om aan te tonen dat deze studie achterhaald is. Verzoeksters beperken zich dienaangaande immers tot een algemene, niet-onderbouwde bewering zonder te verwijzen naar specifieke passages van die studie.
141 Bovendien kan de conclusie van de studie De Wilde met betrekking tot de geringe of zelfs onbestaande biologische afbraak van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, niet worden ontkracht door de omstandigheid dat de tests waarop deze studie is gebaseerd, in een laboratorium en niet onder reële omstandigheden zijn uitgevoerd. Deze omstandigheid is in die studie namelijk in aanmerking genomen. Verder blijkt met name uit de punten 127 en 133 hierboven dat de milieuomstandigheden variabel zijn en daarom moeilijk in een laboratorium kunnen worden gereproduceerd.
142 Ten slotte is de studie De Wilde op internet gepubliceerd, zoals blijkt uit de hyperlink in de voetnoot van het verweerschrift van de Commissie, wat betekent dat deze studie openbaar is. In de Eunomia-studie, waarvan in punt 132 hierboven is vastgesteld dat de drie betrokken instellingen er toegang toe hadden vóór de vaststelling van richtlijn 2019/904, wordt tevens verwezen naar de studie De Wilde. Hieruit volgt dat de studie De Wilde overeenkomstig de in punt 137 hierboven aangehaalde rechtspraak ook toegankelijk was voor deze instellingen toen deze richtlijn werd voorbereid en vastgesteld.
143 Ten vijfde ondersteunt ook de studie van de universiteit van Loughborough de conclusies van de Eunomia-studie en van het verslag van 16 januari 2018 met betrekking tot de biologische afbraak van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten.
144 Zoals het Parlement opmerkt, blijkt immers uit die studie dat de fragmentatie in deeltjes van dit soort kunststoffen afhangt van de milieuomstandigheden en dat het dus onmogelijk is om de duur ervan te beoordelen, maar dat deze in de openlucht en onder de omstandigheden zoals die zich in het Verenigd Koninkrijk voordoen niettemin twee tot vijf jaar lijkt te duren. Volgens dezelfde studie verloopt de biologische afbraak van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten – die pas na die fragmentatie kan plaatsvinden – zeer traag, zodat de term „biologisch afbreekbaar” vrijwel geen betekenis heeft, tenzij daarbij wordt vermeld in welke mate en onder welke omstandigheden de biologische afbraak plaatsvindt – bij voorkeur onder verwijzing naar een algemeen erkende norm. In de studie van de universiteit van Loughborough wordt aanbevolen aanvullende studies uit te voeren om na te gaan of er volledige biologische afbraak plaatsvindt en, zo ja, binnen welke termijn.
145 Anders dan verzoeksters stellen, kan uit het enkele feit dat de studie van de universiteit van Loughborough van januari 2010 dateert, niet worden afgeleid dat deze achterhaald is. In dit verband beperken verzoeksters zich tot een algemene bewering zonder aan te geven welke aspecten van deze studie achterhaald zijn en zonder enig bewijs aan te dragen dat hun bewering zou kunnen staven. Overigens lijkt het feit dat in de Eunomia-studie van april 2017 herhaaldelijk wordt gerefereerd aan de studie van de Loughborough University, er integendeel op te wijzen dat deze studie nog steeds relevant is.
146 Bovendien kan de conclusie van de studie van de universiteit van Loughborough met betrekking tot de onzekerheid over de biologische afbraak van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, niet in twijfel worden getrokken door het document „OPA Response to Loughborough Report” („Antwoord van de OPA op de studie van de universiteit van Loughborough”), dat verzoeksters als bijlage bij hun memories van repliek aan het Parlement en de Raad hebben overgelegd. Volgens dit document werd in die studie oxo-biologische afbraak verward met hydro-biodegradatie.
147 Er zij immers aan herinnerd dat in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijswaardering, dat van toepassing is op beroepsprocedures, primeert, waarbij het enige criterium voor beoordeling van de waarde van het aangevoerde bewijs de geloofwaardigheid ervan is. Bij de beoordeling van de bewijskracht van een stuk moet worden gekeken naar de waarschijnlijkheid van de daarin vervatte informatie en met name rekening worden gehouden met de herkomst van het stuk, de omstandigheden waarin het tot stand is gekomen en degene aan wie het is gericht, en moet worden onderzocht of het stuk, gelet op zijn inhoud, redelijk en geloofwaardig overkomt (arrest van 16 mei 2019, GMPO/Commissie, T‑733/17, EU:T:2019:334, punt 60).
148 Zoals het Parlement echter onweersproken opmerkt, is het document waarnaar in punt 146 hierboven wordt verwezen, opgesteld door de Oxo-Biodegradable Plastics Association (OPA), waarvan de enige actieve kaderleden de financieel directeur en de directeur van Symphony Environmental zijn. Bovendien gaat het document niet vergezeld van enig bewijs dat de daarin vervatte beweringen staaft.
149 Bijgevolg heeft het betrokken document slechts geringe bewijskracht (zie naar analogie arrest van 14 maart 2017, Bank Tejarat/Raad, T‑346/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:164, punten 85 en 86).
150 Ten slotte is de studie van de universiteit van Loughborough beschikbaar op de website van het Department for Environment, Food & Rural Affairs van de regering van het Verenigd Koninkrijk. Verder wordt die studie herhaaldelijk geciteerd in de Eunomia-studie, waarvan in punt 132 hierboven is vastgesteld dat zij vóór de vaststelling van richtlijn 2019/904 ter beschikking van de drie betrokken instellingen stond. Hieruit volgt dat ook de studie van de universiteit van Loughborough overeenkomstig de in punt 137 aangehaalde rechtspraak voor deze instellingen toegankelijk was.
151 Uit de punten 124 tot en met 150 hierboven volgt dat de drie betrokken instellingen bij de voorbereiding en vaststelling van richtlijn 2019/904 beschikten over een grondige wetenschappelijke beoordeling van het risico dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten niet naar behoren biologisch worden afgebroken, en dat zij, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, een dergelijk risico als bewezen konden beschouwen.
152 Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het argument van verzoeksters dat de Eunomia-studie, het verslag van 16 januari 2018 en de oxo-verklaring geen rekening houden met het onderscheid tussen oxo-degradeerbare en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen. Zoals in punt 14 hierboven is aangegeven, wordt de veel snellere biologische afbraak van de tweede soort kunststoffen en dus het bestaan van een onderscheid tussen oxo-degradeerbare en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen volgens verzoeksters aangetoond door verschillende bewijzen, die zij de drie betrokken instellingen verwijten buiten beschouwing te hebben gelaten. Het gaat hierbij om de volgende bewijzen: 1) de punten 23 en 24 van de getuigenis van de algemeen directeur van verzoeksters van 16 december 2020 (hierna: „getuigenis van de algemeen directeur van verzoeksters”); 2) een advies over de technologie met betrekking tot oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen van 2 november 2018 (hierna: „advies van 2 november 2018”); 3) de in 2020 gepubliceerde studie van de Queen Mary University of London, met als titel „Microbial Degradation of Plastic in Aqueous Solutions demonstrated by CO2 Evolution and Quantification” („Microbiële afbraak van kunststoffen in waterige oplossingen, aangetoond door de evolutie en kwantificering van CO2”) (hierna: „studie van de Queen Mary University”); 4) het rapport van het Laboratoire d’Océanographie microbienne de Banyuls-sur-Mer (Laboratorium voor microbiële oceanografie in Banyuls-sur-Mer, Frankrijk) van 4 september 2020; 5) het antwoord van Ignacy Jakubowicz van 21 augustus 2017 op een document van de Ellen MacArthur-stichting betreffende oxo-degradeerbare en onder invloed van licht afbreekbare additieven in kunststoffen (hierna: „antwoord van Jakubowicz aan de Ellen MacArthur-stichting”); 6) de getuigenis van de senior wetenschapper van Symphony Environmental van 23 juni 2021 (hierna: „getuigenis van de senior wetenschapper van Symphony Environmental”), en 7) de studie van het Laboratoire d’Océanographie Microbienne te Banyuls-sur-Mer, met als titel „Degradation, Biodegradation and toxicity of Oxo-biodegradable Plastics in the oceans” („Afbraak, biologische afbraak en toxiciteit van oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen in de oceanen”) van 10 maart 2021 (hierna: „Oxomar-studie”).
153 Wat ten eerste de punten 23 en 24 van de getuigenis van de algemeen directeur van verzoeksters betreft, zet deze directeur met betrekking tot de biologische afbraak van kunststoffen met een pro-oxidatieadditief uiteen dat de drie betrokken instellingen niet hebben aangetoond dat dit soort kunststoffen niet naar behoren biologisch afbreekbaar is; dat een algeheel verbod op het in de handel brengen derhalve niet gerechtvaardigd is; dat deze instellingen de economische, sociale en milieugevolgen van hun optreden onvoldoende hebben geëvalueerd en niet hebben aangetoond dat producten vervaardigd uit kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, tot het afval behoren dat het vaakst op stranden wordt aangetroffen. De algemeen directeur benadrukt tevens dat de drie betrokken instellingen zijn voorbijgegaan aan het advies van ECHA, dat er niet van overtuigd was dat de betrokken kunststoffen afbraken tot microplastics.
154 De wettigheid van een Uniehandeling moet evenwel worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie op de datum waarop die handeling werd vastgesteld. Inzonderheid mogen ingewikkelde beoordelingen die door de auteur zijn verricht enkel worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover hij beschikte op het ogenblik waarop hij die beoordelingen heeft verricht (zie naar analogie arrest van 11 september 2018, Apimab Laboratoires e.a./Commissie, T‑14/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:524, punten 124 en 137).
155 Bijgevolg kan de drie betrokken instellingen niet worden verweten dat zij geen rekening hebben gehouden met de door de algemeen directeur van verzoeksters afgeleverde getuigenis, die specifiek voor het onderhavige beroep is opgesteld en dus dateert van na de vaststelling van richtlijn 2019/904.
156 Aangezien de getuigenis in kwestie afkomstig is van de algemeen directeur van verzoeksters, kan bovendien overeenkomstig de in de punten 147 en 149 hierboven aangehaalde rechtspraak niet worden gesteld dat de auteur daarvan onafhankelijk is ten opzichte van hen, zodat deze getuigenis slechts geringe bewijskracht heeft.
157 De algemeen directeur van verzoeksters beroept zich ter ondersteuning van zijn beweringen op drie documenten die als bijlage bij zijn getuigenis zijn gevoegd: 1) een door Eunomia Research & Consulting uitgevoerde studie met als titel „Analysis of Branded Items found on UK beaches” („Analyse van merkartikelen gevonden op Britse stranden”) van 9 mei 2019, 2) een door een personeelslid van ECHA aan verzoeksters verzonden e-mail van 30 oktober 2018, en 3) de in de punten 35 en 55 hierboven genoemde brief van 30 april 2019.
158 Wat de in punt 157 hierboven genoemde studie betreft, stelt de algemeen directeur van verzoeksters dat deze studie geen producten vervaardigd uit kunststoffen met een pro-oxidatieadditief heeft geïdentificeerd onder het afval dat op Britse stranden is gevonden. Er moet evenwel op worden gewezen dat deze studie enkel tot doel had de merken te identificeren van de verschillende voorwerpen die op deze stranden zijn aangetroffen, teneinde vast te stellen welke ondernemingen deze voorwerpen op de markt hebben gebracht. In deze studie wordt dus niet verduidelijkt uit welke soorten kunststoffen de aangetroffen voorwerpen eventueel zijn samengesteld.
159 Wat de in punt 157 hierboven vermelde e-mail betreft, volstaat het op te merken dat dit agentschap daarin aangeeft dat het „er in dit stadium niet van overtuigd is dat microplastics worden gevormd” uit kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten – met dien verstande dat de term „microplastics” in het algemeen verwijst naar fragmenten kleiner dan 5 mm die de neiging hebben om zich in het milieu op te hopen in plaats van binnen een redelijke termijn biologisch af te breken. Bijgevolg kan ECHA niet worden geacht in deze e-mail een resoluut standpunt te hebben ingenomen. Integendeel, voor zover ECHA daarin aangeeft dat het meer tijd nodig heeft om te bepalen of de ontvangen informatie de vorming van microplastics aantoont en voornemens is om verzoeksters om aanvullende informatie te verzoeken, benadrukt die e-mail dat ECHA twijfels heeft over dit punt.
160 Wat de brief van 30 april 2019 betreft, zij eraan herinnerd dat de Commissie ECHA daarin verzoekt de op grond van de artikelen 68 tot en met 73 van de Reach-verordening ingeleide procedure voor beperkingen te beëindigen. Deze brief kan echter niet worden beschouwd als een uiting van gebrek aan belangstelling van de kant van de Commissie voor het verkrijgen van wetenschappelijke gegevens, aangezien zij wetenschappelijke gegevens uit andere bronnen kan verzamelen, zoals blijkt uit punt 121 hierboven.
161 Bijgevolg kan de drie betrokken instellingen niet worden verweten dat zij geen rekening hebben gehouden met de punten 23 en 24 van de getuigenis van de algemeen directeur van verzoeksters.
162 Ten tweede stellen verzoeksters met betrekking tot het advies van 2 november 2018 dat zij zich baseren op het in dat advies aangehaalde bewijsmateriaal. Het gaat om een door Eyheraguibel en anderen verrichte studie met als titel „Characterisation of oxidised oligomers from polyethylene films by mass spectometry and NMR spectroscopy before and after biodegradation by a Rhodococcus rhodochrous strain” („Karakterisering van geoxideerde oligomeren uit polyethyleenfolie door massaspectometrie en NMR-spectroscopie voor en na biologische afbraak door een stam Rhodococcus rhodochrous”) van 23 mei 2017, waarin na blootstelling gedurende 240 dagen aan een specifieke bodembacterie een biologische afbraak van 95 % wordt geconstateerd voor een monster hogedichtheidpolyethyleen dat een pro-oxidatieadditief bevatte. Ook wordt volgens het advies van 2 november 2018 in een door Dussud en anderen verrichte studie van 18 juli 2018 met als titel „Colonisation of Non-biodegradable and Biodegradable Plastics by Marine Organisms” („Kolonisatie van niet-biologisch afbreekbare en biologisch afbreekbare kunststoffen door mariene organismen”) vastgesteld dat na 6 weken blootstelling aan bepaalde mariene bacteriën de kolonisatie van monsters van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, 30 keer hoger is dan de kolonisatie van monsters van conventionele kunststoffen.
163 De tekst van het verzoekschrift mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken – ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd – kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken. Het is dus niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en aan te wijzen die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (arresten van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punten 40 en 41, en 15 oktober 2020, Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals/Commissie, T‑307/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:487, punt 239).
164 In casu is de enige vermelding in het verzoekschrift van het advies van 2 november 2018 een verwijzing, in een voetnoot, naar de bijlage van 14 bladzijden waarin dit advies is opgenomen. In deze voetnoot vermelden verzoeksters enkel het volgende: „zie bijvoorbeeld het in [het advies van 2 november 2018] aangehaalde bewijsmateriaal”. In die voetnoot wijzen verzoeksters er hoogstens op dat dit advies hun conclusie versterkt dat „het verbod van artikel 5 op een onjuiste en/of onvoldoende gefundeerde grondslag berust, voor zover het van toepassing is op oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen”, en dat het de aandacht vestigt op „de kwesties die in aanmerking hadden moeten worden genomen”. In hun repliek aan het Parlement, de Raad en de Commissie beperken verzoeksters zich ofwel tot een algemene verwijzing naar de bijlage die het advies van 2 november 2018 bevat, ofwel tot een verwijzing naar 6 bladzijden van dat advies, zonder te preciseren welk het relevante argument binnen dat geheel van 6 bladzijden is.
165 Aangezien dit advies is opgesteld door een advocaat zonder wetenschappelijke opleiding, kan het overigens niet worden gerekend tot de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens in de zin van de in punt 119 hierboven aangehaalde rechtspraak. Verder verklaart die advocaat weliswaar te zijn aangemoedigd om zich bij het opstellen van zijn advies als een onafhankelijke rechter te gedragen en zijn bezwaren kenbaar te maken, maar feit blijft dat hij door Symphony Environmental Technologies is gemandateerd en betaald om dit advies op te stellen. Volgens de in de punten 147 en 149 hierboven aangehaalde rechtspraak kan aan het betrokken advies dus slechts geringe bewijskracht worden toegekend.
166 Dit geldt temeer daar het in het advies van 2 november 2018 aangehaalde bewijsmateriaal niet als bijlage bij dat advies is gevoegd. De tweede studie, te weten die van Dussud en anderen, is niet in het dossier opgenomen, terwijl de eerste studie, die van Eyheraguibel en anderen, zich alleen maar in het dossier bevindt omdat zij door verzoeksters in repliek is overgelegd. Het is derhalve niet mogelijk de betrouwbaarheid van dit advies nauwkeurig te controleren.
167 Bijgevolg kan de drie betrokken instellingen niet worden verweten dat zij geen rekening hebben gehouden met het advies van 2 november 2018.
168 Wat ten derde de studie van de Queen Mary University betreft, baseren verzoeksters zich op een passage daarvan waaruit zou blijken dat dit soort kunststoffen in een waterige oplossing 90 keer sneller wordt afgebroken dan conventionele kunststoffen.
169 In dit verband moet worden opgemerkt dat in de studie van de Queen Mary University staat dat een nieuwe methode is toegepast om de biologische afbreekbaarheid te testen van een monster van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten. Bij deze nieuwe methode wordt het monster niet in de bodem geplaatst, dat wil zeggen in een milieu waarvan noch de bacterieconcentratie, noch het type bacteriën dat het bevat, bekend is, maar wordt een specifieke bacterie op het monster gedeponeerd. De Queen Mary University heeft verklaard bij toepassing van die methode te hebben vastgesteld dat een dergelijk monster, dat gedurende 450 uur aan ultraviolette straling en vervolgens aan een specifieke bodembacterie werd blootgesteld, na 35 dagen 90 keer meer biologische afbraak vertoonde dan een monster van conventionele kunststoffen dat dezelfde behandeling had gekregen.
170 De drie betrokken instellingen hebben echter geen rekening gehouden met de studie van de Queen Mary University, die nog niet beschikbaar was, maar op zijn minst wél met de inhoud daarvan. De Eunomia-studie verwijst namelijk naar informatie die is verstrekt door dokter R. Rose, een van de auteurs van de studie van de Queen Mary University. In dit verband wordt in de Eunomia-studie benadrukt dat er verre van eensgezindheid bestaat over de door de Queen Mary University gebruikte methode en dat het niet zeker is dat de resultaten die door deze universiteit in een laboratorium zijn waargenomen ook onder reële omstandigheden kunnen worden verkregen.
171 Daarnaast dateert de studie van de Queen Mary University van na de vaststelling van richtlijn 2019/904, aangezien zij dateert van augustus 2019 en is gepubliceerd in 2020. Overeenkomstig de in punt 154 hierboven aangehaalde rechtspraak kan de drie betrokken instellingen dus niet worden verweten dat zij geen rekening hebben gehouden met die studie.
172 Wat ten vierde het rapport van het laboratorium te Banyuls-sur-Mer betreft, beklemtonen verzoeksters dat daarin staat dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, met name de door verzoeksters geproduceerde kunststoffen, in het mariene milieu veel doeltreffender biologisch afbreekbaar zijn dan conventionele kunststoffen.
173 Het rapport van het laboratorium te Banyuls-sur-Mer van 4 september 2020 dateert evenwel van na de vaststelling van richtlijn 2019/904. Overeenkomstig de in punt 154 hierboven aangehaalde rechtspraak konden de drie betrokken instellingen er dus geen rekening mee houden. Hoe dan ook is dit rapport geen wetenschappelijke studie waarin resultaten van uitgevoerde tests worden uiteengezet, maar een document van anderhalve bladzijde waarin het project „Oxomar” wordt voorgesteld.
174 Ten vijfde baseren verzoeksters zich op het antwoord van Jakubowicz, universitair docent van het Research Institutes of Sweden (RISE), aan de Ellen MacArthur-stichting. Daarin stelde hij dat volgens hem „het afbraakproces [van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten] niet beperkt is tot fragmentatie, maar inhoudt dat het materiaal volledig verandert[:] polymeren met een hoge molecuulmassa vallen uiteen in monomere en oligomere fragmenten; koolwaterstofmoleculen worden zuurstofhoudende moleculen, die biologisch kunnen worden opgenomen”.
175 Dienaangaande volstaat het op te merken dat het antwoord van Jakubowicz aan de Ellen MacArthur-stichting een eenvoudige uiteenzetting van anderhalve bladzijde is, waarin niet naar wetenschappelijke studies wordt verwezen. Gesteld al dat, zoals de Commissie opmerkt, dit antwoord is gebaseerd op twee eerdere artikelen, namelijk de studie van Jakubowicz uit 2011 en de studie van Chiellini en Corti, is in punt 139 hierboven opgemerkt dat volgens de studie De Wilde het in die twee artikelen geformuleerde standpunt een geïsoleerd standpunt is. Bovendien worden deze artikelen wel degelijk vermeld in de Eunomia-studie.
176 Derhalve kan de drie betrokken instellingen niet worden verweten dat zij geen rekening hebben gehouden met het antwoord van Jakubowicz aan de Ellen MacArthur-stichting.
177 Wat ten zesde de getuigenis van de senior wetenschapper van Symphony Environmental betreft, baseren verzoeksters zich in de eerste plaats op deze getuigenis om te antwoorden op de bewijzen die de drie betrokken instellingen in hun verweerschriften hebben aangedragen, meer bepaald om aan te tonen dat er een onderscheid bestaat tussen oxo-degradeerbare en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen. De senior wetenschapper van Symphony Environmental merkt ten eerste op dat in norm TR 15351, die door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) is opgesteld en in de Eunomia-studie wordt aangehaald, oxo-degradatie, omschreven als „afbraak ten gevolge van oxidatieve splitsing van macromoleculen”, wordt onderscheiden van oxo-biologische afbraak, gedefinieerd als „afbraak als gevolg van gelijktijdig of achtereenvolgens optredende oxidatieve en celgemedieerde verschijnselen”. Ten tweede verschilt de chemische samenstelling van oxo-degradeerbare kunststoffen van die van oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen, aangezien laatstgenoemde kunststoffen dankzij het pro-oxidatieadditief voldoen aan de definitie van oxo-biologische afbraak in norm TR 15351. Ten derde is er weliswaar geen Europese norm inzake oxo-biologische afbraak, maar wordt in verschillende nationale normen en methoden onderscheid gemaakt tussen oxo-degradeerbare en oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen. Ten vierde stellen verschillende wetenschappers dat een dergelijk onderscheid bestaat.
178 In de tweede plaats baseren verzoeksters zich op die getuigenis om aan te tonen dat kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten biologisch afbreekbaar zijn. De senior wetenschapper van Symphony Environmental betoogt ten eerste dat in de Eunomia-studie wordt erkend dat de cruciale vraag niet is of dit soort kunststoffen volledig biologisch afbreekbaar zijn, maar wel of de tijdspanne die daarvoor nodig is, als aanvaardbaar kan worden beschouwd. Ten tweede wordt de biologische afbreekbaarheid van kunststoffen die een pro-oxidatieadditief bevatten, door tal van bewijzen aangetoond. Ten derde is het onmogelijk de biologische afbraak in een reële omgeving te testen en zijn de laboratoriumomstandigheden over het algemeen minder gunstig voor biologische afbraak dan reële omstandigheden. Ten vierde tonen verschillende studies aan dat die kunststoffen biologisch afbreekbaar zijn in het mariene milieu.
179 Er moet op worden gewezen dat de getuigenis van de senior wetenschapper van Symphony Environmental afkomstig is van een werknemer van een van verzoeksters die verantwoordelijk is voor het product d2w, dat zij specifiek voor het onderhavige beroep is opgesteld in opdracht van verzoeksters, en dat zij bedoeld is om hun belangen te verdedigen. Overeenkomstig de in de punten 147 en 149 hierboven aangehaalde rechtspraak heeft zij dus slechts geringe bewijskracht. Aangezien die getuigenis dateert van na de vaststelling van richtlijn 2019/904, kan de drie betrokken instellingen bovendien overeenkomstig de in punt 154 hierboven aangehaalde rechtspraak niet worden verweten dat zij daarmee geen rekening hebben gehouden.
180 Het is juist dat de verklaringen van de senior wetenschapper van Symphony Environmental zijn gebaseerd op stukken die als bijlage bij zijn getuigenis zijn gevoegd, en dat verzoeksters zich in repliek op drie van deze bijlagen baseren, te weten: 1) het door het laboratorium Intertek voor ECHA opgestelde rapport met als titel „Oxo-biodegradable plastics and the microplastics: towards a logical approach” („Oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen en microplastics: naar een logische benadering”) van 24 mei 2018 (hierna: „rapport van het laboratorium Intertek”); 2) een bijdrage van een wetenschapper, met als titel „Evidence in Response to the UK Government’s July 2019 Call for Evidence on Standards for Bio-Based, Biodegradable, and Compostable Plastics” („Bewijsstukken naar aanleiding van de in juli 2019 door de regering van het Verenigd Koninkrijk gedane oproep tot het leveren van bijdragen inzake normen voor biogebaseerde, biologisch afbreekbare en composteerbare kunststoffen”) van 7 oktober 2019 (hierna: „bijdrage van 7 oktober 2019”), en 3) de uitkomst van een test die op 25 juli 2017 door het laboratorium Eurofins is uitgevoerd (hierna: „test van het laboratorium Eurofins van 25 juli 2017”).
181 Geen van deze drie bijlagen bij de getuigenis van de senior wetenschapper van Symphony Environmental staaft de argumenten van verzoeksters echter op zinvolle wijze.
182 Met betrekking tot het rapport van het laboratorium Intertek, waarin met name wordt opgemerkt dat „ongeacht de afbraaksnelheid [van oxo-biologisch afbreekbare kunststoffen], deze snelheid hoger is dan die van conventionele kunststoffen” en dat „de verschillen tussen de resultaten van de tot dusver verrichte onderzoeken een kwestie van gradatie zijn”, moet worden benadrukt dat dit rapport op verzoek van Symphony Environmental is opgesteld. Overeenkomstig de in de punten 147 en 149 hierboven aangehaalde rechtspraak kan aan dit rapport dus slechts geringe bewijskracht worden toegekend.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 27 april 2022, T-4/20, ECLI:EU:T:2022:242
- HvJ EU 22 februari 2022, C-160/20, ECLI:EU:C:2022:101
- HvJ EU 21 december 2021, C-124/20, ECLI:EU:C:2021:1035
- HvJ EU 28 oktober 2021, C-650/19, ECLI:EU:C:2021:879
- HvJ EU 6 mei 2021, C-499/18, ECLI:EU:C:2021:367
- Gerecht EU 17 maart 2021, T-719/17, ECLI:EU:T:2021:143
- Gerecht EU 10 maart 2020, T-251/18, ECLI:EU:T:2020:89
- HvJ EU 19 december 2019, C-460/18, ECLI:EU:C:2019:1119
- HvJ EU 10 september 2019, C-123/18, ECLI:EU:C:2019:694
- HvJ EU 5 september 2019, C-447/17, ECLI:EU:C:2019:672
- HvJ EU 29 juli 2019, C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625
- Gerecht EU 23 mei 2019, T-107/17, ECLI:EU:T:2019:353
- Gerecht EU 16 mei 2019, T-733/17, ECLI:EU:T:2019:334
- HvJ EU 13 maart 2019, C-128/17, ECLI:EU:C:2019:194
- HvJ EU 21 juni 2018, C-5/16, ECLI:EU:C:2018:483
- HvJ EU 6 september 2017, C-643/15, ECLI:EU:C:2017:631
- HvJ EU 30 mei 2017, C-45/15, ECLI:EU:C:2017:402
- HvJ EU 20 september 2016, C-8/15, ECLI:EU:C:2016:701
- HvJ EU 4 mei 2016, C-477/14, ECLI:EU:C:2016:324
- Gerecht EU 25 september 2015, T-360/13, ECLI:EU:T:2015:695