HvJ EU 4 februari 2021, C-324/19, ECLI:EU:C:2021:94
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
4 februari 2021 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijke handelspolitiek – Antidumpingrechten – Verordening (EG) nr. 384/96 – Artikel 3, lid 9 – Dreiging van aanmerkelijke schade – Factoren – Artikel 9, lid 4 – Verordening (EG) nr. 926/2009 – Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China – Ongeldigheid”
In zaak C‑324/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) bij beslissing van 3 april 2019, ingekomen bij het Hof op 19 april 2019, in de procedure
eurocylinder systems AG
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Stadt,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra (rapporteur), D. Šváby, S. Rodin en K. Jürimäe, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– eurocylinder systems AG, vertegenwoordigd door C. Salder en M. Oldiges, Rechtsanwälte,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door H. Marcos Fraile en J. Bauerschmidt als gemachtigden, bijgestaan door N. Tuominen, avocat,
– de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Demeneix en M. N. Kuplewatzky, vervolgens door P. Němečková als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 262, blz. 19; hierna: „litigieuze verordening”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen eurocylinder systems AG (hierna: „eurocylinder”) en het Hauptzollamt Hamburg-Stadt (douanehoofdkantoor van de stad Hamburg, Duitsland; hierna: „douaneautoriteit”) over de rechtmatigheid van een antidumpingrecht dat eurocylinder op basis van de litigieuze verordening heeft betaald over de invoer van naadloze stalen pijpen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (hierna: „VRC”).
Toepasselijke bepalingen
Basisverordening
3 De overwegingen 2, 4, en 10 van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (PB 2004, L 77, blz. 12) (hierna: „basisverordening”), op basis waarvan de litigieuze verordening is vastgesteld, luiden: „(2) Overwegende dat [de bij verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1) vastgestelde gemeenschappelijke regels] werden vastgesteld overeenkomstig de bestaande internationale verplichtingen, in het bijzonder die welke voortvloeien uit artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT), de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT (Anti-dumping-code van 1979) en de Overeenkomst inzake de uitlegging en de toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van de GATT (Code inzake subsidies en compenserende rechten); [...] (4) Overwegende dat het bij de toepassing van deze bepalingen van wezenlijk belang is, ter handhaving van het evenwicht tussen rechten en verplichtingen waarin de GATT voorziet, dat de [Europese Unie] rekening houdt met de interpretatie van de desbetreffende bepalingen door haar belangrijkste handelspartners; [...] (10) Overwegende dat het wenselijk is om duidelijk en gedetailleerd aan te geven welke factoren relevant kunnen zijn ter bepaling of de invoer met dumping aanmerkelijke schade heeft veroorzaakt dan wel dreigt te veroorzaken; dat, bij het aantonen van het oorzakelijk verband tussen de omvang en de prijzen van de betrokken invoer en de schade die de bedrijfstak van de [Unie] lijdt, aandacht dient te worden geschonken aan de gevolgen van andere factoren en in het bijzonder aan de marktomstandigheden in de [Unie]”.
4 Artikel 1 van de basisverordening bepaalt: „1. Een antidumpingrecht kan worden toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de [Unie] in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt. 2. Ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de [Unie] lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld. [...]”
5 Artikel 3 van deze verordening, met als opschrift „Vaststelling van schade”, luidt: „1. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚schade’, tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de [Unie], dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de [Unie] of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel uitgelegd. [...] 5. Het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken bedrijfstak van de [Unie] omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, zoals het feit dat een bedrijfstak nog steeds herstellende is van de gevolgen van invoer met dumping of subsidiëring die in het verleden heeft plaatsgevonden, de werkelijke hoogte van de dumpingmarge, de werkelijke en potentiële daling van de verkoop, de winst, de productie, het marktaandeel, de productiviteit, de rentabiliteit en de bezettingsgraad, alsmede de factoren die van invloed zijn op de prijzen in de [Unie], de werkelijke en potentiële negatieve gevolgen voor de ‚cash flow’, de voorraden, de werkgelegenheid, de lonen, de groei en het vermogen om kapitaal of investeringen aan te trekken. Deze lijst is niet limitatief, noch zijn één of meer van deze factoren noodzakelijkerwijze doorslaggevend. [...] 7. Andere gekende factoren dan de invoer met dumping die de bedrijfstak van de [Unie] terzelfder tijd schade toebrengen, worden ook onderzocht, om te voorkomen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade overeenkomstig het bepaalde in lid 6 aan de invoer met dumping wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn onder andere de hoeveelheden en de prijzen van de niet tegen dumpingprijzen verkochte invoer, een inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumentengedrag, handelsbeperkende praktijken van en de concurrentie tussen buitenlandse producenten en producenten in de [Unie], technologische ontwikkelingen en exportprestaties en productiviteit van de bedrijfstak van de [Unie]. [...] 9. De vaststelling dat aanmerkelijke schade dreigt, is op feiten gebaseerd en niet enkel op veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden. De verandering van omstandigheden waardoor een situatie zou ontstaan waarin dumping schade veroorzaakt, moet duidelijk zijn te voorzien en ophanden zijn. Ten behoeve van de vaststelling van dreigende aanmerkelijke schade worden onder meer de volgende factoren in aanmerking genomen: a) een aanzienlijke toename van de invoer met dumping op de markt van de [Unie] waardoor de invoer waarschijnlijk nog aanzienlijk in omvang zal toenemen; b) voldoende vrij beschikbare productiecapaciteit van de exporteur of een aanmerkelijke toename daarvan in de nabije toekomst, waardoor de uitvoer met dumping naar de [Unie] waarschijnlijk nog aanzienlijk zal toenemen waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van andere exportmarkten die de extra voor uitvoer beschikbare hoeveelheden kunnen absorberen; c) het feit dat de producten al dan niet worden ingevoerd tegen prijzen die een sterke druk op de binnenlandse prijzen zullen uitoefenen of een stijging van deze prijzen zullen verhinderen en de vraag naar importproducten vermoedelijk nog zullen doen toenemen; d) de bestaande voorraad van het product waarop het onderzoek betrekking heeft. Geen van deze factoren behoeft op zich doorslaggevend te zijn, maar alle in aanmerking genomen factoren tezamen moeten tot de conclusie leiden, dat de invoer met dumping op korte termijn zal toenemen en dat deze invoer, tenzij beschermende maatregelen worden genomen, aanmerkelijke schade zal veroorzaken.”
6 Artikel 6 van die verordening, „Het onderzoek”, bepaalt in lid 1: „Na de inleiding van de procedure maakt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een aanvang met het onderzoek op het niveau van de [Unie]. Dit onderzoek heeft zowel betrekking op de dumping als op de schade en deze beide elementen worden terzelfder tijd onderzocht. Om ervoor te zorgen dat de bevindingen representatief zijn, wordt een onderzoektijdvak vastgesteld, dat normaal een onmiddellijk aan de procedure voorafgaande periode van ten minste zes maanden beslaat. Informatie die betrekking heeft op een na het onderzoektijdvak volgende periode wordt normaal niet in aanmerking genomen.”
7 Artikel 7 van de basisverordening, „Voorlopige maatregelen”, luidt als volgt: „1. Voorlopige rechten kunnen worden ingesteld indien een procedure is ingeleid overeenkomstig artikel 5, hiervan bericht is gegeven en belanghebbenden overeenkomstig artikel 5, lid 10, voldoende gelegenheid hebben gehad, inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken, er voorlopig is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voor een bedrijfstak van de [Unie] voortvloeit, en het belang van de [Unie] maatregelen ter voorkoming van dergelijke schade noodzakelijk maakt. Voorlopige rechten worden niet eerder dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure ingesteld. [...] 4. De Commissie stelt voorlopige rechten in na overleg of, in bijzonder dringende omstandigheden, na de lidstaten hiervan in kennis te hebben gesteld. In het laatste geval geschiedt dit overleg uiterlijk tien dagen na de datum waarop de lidstaten van de door de Commissie genomen maatregelen in kennis zijn gesteld. [...] 7. Een voorlopig recht kan voor zes maanden worden ingesteld en vervolgens met drie maanden worden verlengd, dan wel voor negen maanden worden ingesteld. [...]”
8 Artikel 9 van deze verordening, „Beëindiging zonder maatregelen; instelling van definitieve rechten”, bepaalt in lid 4: „Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de [Unie] is om maatregelen in de zin van artikel 21 te nemen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief antidumpingrecht in. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt ten minste één maand voor het vervallen van deze rechten een voorstel voor definitieve maatregelen ingediend. Het antidumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en moet lager zijn dan deze marge als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de [Unie].”
9 Artikel 11, lid 2, eerste alinea, van die verordening luidt als volgt: „Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de [Unie] geopend en de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn.”
10 De basisverordening is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51), die op haar beurt is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21).
Voorlopige verordening
11 Op 7 april 2009 heeft de Commissie, op basis van artikel 7 van de basisverordening, verordening (EG) nr. 289/2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 94, blz. 48; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld.
12 De voorlopige antidumpingrechten op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal (hierna: „NBP”) zijn in artikel 1, lid 2, van de voorlopige verordening vastgesteld op 15,6 % voor Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd (hierna: „Hubei”), op 15,1 % voor Shandong Luxing Steel Pipe Co. Ltd, op 22,3 % voor de in de bijlage bij deze verordening opgenomen ondernemingen en op 24,2 % voor alle andere ondernemingen.
13 In overweging 13 van die verordening heeft de Commissie aangegeven dat het onderzoek naar dumping en naar de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade betrekking had op de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 (hierna: „onderzoektijdvak”) en dat het onderzoek naar de ontwikkelingen die van belang zijn voor de schadebeoordeling, betrekking had op de periode van 1 januari 2005 tot het eind van het onderzoektijdvak (hierna: „beoordelingsperiode”).
14 In de overwegingen 89 en 126 van voornoemde verordening is de Commissie tot de slotsom gekomen dat er geen sprake was van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie, maar er wel sprake was van dreigende aanmerkelijke schade voor deze bedrijfstak ingeval geen antidumpingmaatregelen zouden worden vastgesteld.
Litigieuze verordening
15 Op grondslag van artikel 9 van de basisverordening is in artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde NBP van oorsprong uit de VRC en is in lid 2 dat recht vastgesteld op 17,7 % voor Shandong Luxing Steel Pipe Co. Ltd, op 27,2 % voor de andere medewerkende ondernemingen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening en op 39,2 % voor alle andere ondernemingen.
16 In de overwegingen 35 tot en met 81 van de litigieuze verordening is de conclusie in de voorlopige verordening bevestigd, volgens welke, ten eerste, de bedrijfstak van de Unie kwetsbaar was aan het einde van het onderzoektijdvak, ook al had zij in dat tijdvak geen schade geleden, en, ten tweede, indien geen antidumpingmaatregelen zouden worden vastgesteld, de invoer met dumping van bepaalde NBP uit de VRC op zeer korte termijn aanmerkelijke schade voor deze bedrijfstak zou veroorzaken. In deze verordening is rekening gehouden met gegevens betreffende de periode van juli 2008 tot en met maart 2009 (hierna: „tijdvak na het onderzoektijdvak”).
17 De litigieuze verordening is nietig verklaard bij het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), voor zover daarbij een antidumpingrecht werd ingesteld op de door Hubei vervaardigde producten. De tegen dat arrest ingestelde hogere voorzieningen zijn afgewezen bij het arrest van het Hof van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209).
Uitvoeringsverordening 2015/2272
18 Op 3 oktober 2014 heeft de Commissie een nieuw onderzoek geopend in verband met het vervallen van de bij de litigieuze verordening ingestelde antidumpingrechten, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009. Met dit nieuwe onderzoek, dat betrekking had op de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014, werd beoogd te beoordelen of het vervallen van de geldende maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping zou leiden.
19 Na afloop van dit nieuwe onderzoek heeft de Commissie op 7 december 2015 uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009 (PB 2015, L 322, blz. 21) vastgesteld. De bij deze uitvoeringsverordening vastgestelde antidumpingrechten waren gelijk aan die van de litigieuze verordening.
Uitvoeringsbesluit 2018/928
20 Op 28 juni 2018 heeft de Commissie uitvoeringsbesluit (EU) 2018/928 tot beëindiging van de heropening van het onderzoek betreffende het arrest in de gevoegde zaken C‑186/14 P en C‑193/14 P in verband met verordening nr. 926/2009 en uitvoeringsverordening 2015/2272 (PB 2018, L 164, blz. 51) vastgesteld.
21 In de overwegingen 7, 36 en 37 van dit uitvoeringsbesluit heeft de Commissie in essentie benadrukt dat de heropening van het nieuwe onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009, dat tot de vaststelling van uitvoeringsverordening 2015/2272 heeft geleid, niet tot doel had om de geldigheid van de litigieuze verordening voor de andere Chinese producenten-exporteurs dan Hubei te onderzoeken, maar om vast te stellen of de uitvoeringsverordening gelet op de arresten van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), en 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), diende te worden ingetrokken.
22 Voorts heeft de Commissie in overweging 67 van dat besluit aangegeven dat de bij uitvoeringsverordening 2015/2272 ingestelde antidumpingrechten die van toepassing waren op andere Chinese producenten-exporteurs dan Hubei, niet hoefden te worden ingetrokken, gelet op de negatieve gevolgen die een dergelijke intrekking zou hebben voor de bedrijfstak van de Unie.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
23 Eurocylinder, fabrikant van hogedrukstalen flessen, heeft op 4 november 2014 NBP uit de VRC geïmporteerd, die werden vervaardigd door Tianjin Pipe (Group) Corporation.
24 Bij een aanslag invoerrechten van 4 november 2014 heeft de douaneautoriteit eurocylinder een antidumpingrecht ten bedrage van 22123,10 EUR opgelegd, onder toepassing van het in artikel 1, lid 2, van de litigieuze verordening vastgestelde tarief van 27,2 %.
25 Op 6 november 2017 heeft eurocylinder de douaneautoriteit om terugbetaling van dat antidumpingrecht verzocht, op grond dat de litigieuze verordening gedeeltelijk nietig was verklaard bij het arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), dat is bevestigd bij het arrest van het Hof van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209). Volgens eurocylinder waren de redenen voor de nietigverklaring door het Gerecht van algemene aard, waardoor zij niet alleen betrekking hebben op Hubei.
26 Bij besluit van 12 december 2017 heeft de douaneautoriteit het verzoek van eurocylinder afgewezen op grond dat het Gerecht de litigieuze verordening alleen nietig had verklaard voor zover daarbij een antidumpingrecht werd opgelegd voor de producten die werden vervaardigd door Hubei, de verzoekende partij in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35).
27 Nadat het tegen dit besluit ingediende bezwaar op 23 augustus 2018 was afgewezen door de douaneautoriteit, heeft eurocylinder beroep ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg (belastingrechter Hamburg, Duitsland), waarbij zij aanvoerde dat de litigieuze verordening nietig was met werking erga omnes.
28 De verwijzende rechter brengt in herinnering dat het Gerecht, om deze verordening nietig te verklaren voor zover daarbij antidumpingrechten werden ingesteld op de door Hubei vervaardigde producten, in zijn arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), heeft geoordeeld dat die verordening in strijd met artikel 3, lid 9, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening een kennelijke beoordelingsfout bevatte met betrekking tot het bestaan van dreigende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie. Voor zover een dergelijke grond een algemene strekking heeft, volstaat deze om de nietigheid erga omnes van voornoemde verordening vast te stellen.
29 De verwijzende rechter merkt voorts op dat eurocylinder niet bevoegd zou zijn geweest om rechtstreeks beroep in te stellen tegen de litigieuze verordening op grond van artikel 263 VWEU, aangezien het antidumpingonderzoek dat tot de vaststelling van die verordening heeft geleid, geen betrekking had op haar. Derhalve zou deze vennootschap zich ter ondersteuning van haar beroep tegen het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit van de douaneautoriteit kunnen beroepen op de ongeldigheid van voornoemde verordening.
30 Tegen deze achtergrond heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Is [de litigieuze verordening] geldig?”
Ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
31 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat de gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze verordening bij het arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), dat is uitgesproken in het kader van een door Hubei krachtens artikel 263 VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring, geen invloed heeft op de rechtmatigheid van andere bepalingen van die verordening, met name die tot instelling van antidumpingrechten op andere producten dan die welke door die vennootschap worden vervaardigd, geëxporteerd of geïmporteerd. Zolang deze bepalingen niet zijn ingetrokken of niet ongeldig zijn verklaard ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid, sorteren zij ten volle rechtsgevolgen voor alle andere personen (zie in die zin arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punten 183 en 184 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Volgens vaste rechtspraak veronderstelt het algemene beginsel op grond waarvan iedere justitiabele het recht heeft om zich in het kader van een beroep tegen een voor hem bezwarende nationale maatregel te beroepen op de ongeldigheid van de Uniehandeling waarop die maatregel is gebaseerd, dat deze justitiabele niet op grond van artikel 263 VWEU beschikt over het recht om de Unierechter rechtstreeks om nietigverklaring van die handeling te verzoeken. Omgekeerd kan een justitiabele zich niet voor de bevoegde nationale rechter beroepen op de ongeldigheid van die handeling indien kan worden aangenomen dat die justitiabele zonder enige twijfel beroep tot nietigverklaring van die handeling had kunnen instellen bij de Unierechter (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Trace Sport, C‑251/18, EU:C:2019:766, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, is eurocylinder in casu een importeur op wie het onderzoek dat tot de vaststelling van de litigieuze verordening heeft geleid geen betrekking had en die daarin zelfs niet wordt genoemd. Bovendien blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat eurocylinder een met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde exporteur van NBP geassocieerde importeur is. In ieder geval heeft het Hof reeds gepreciseerd dat de hoedanigheid van importeur, zelfs als deze is geassocieerd met exporteurs van het betrokken product, als zodanig niet volstaat om te oordelen dat een importeur individueel is geraakt door een verordening houdende instelling van een antidumpingrecht (arrest van 19 september 2019, Trace Sport, C‑251/18, EU:C:2019:766, punt 37).
34 Uit het voorgaande volgt dat eurocylinder niet zonder enige twijfel gerechtigd zou zijn geweest om op grond van artikel 263 VWEU nietigverklaring van de litigieuze verordening te vorderen.
35 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dus ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
36 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de litigieuze verordening, voor zover daarbij een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld en het voorlopige recht op de invoer van bepaalde NBP uit de VRC definitief wordt geïnd, geldig is gelet op artikel 9, lid 4, juncto artikel 3, lid 9, van de basisverordening.
37 Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat volgens de rechtspraak van het Hof de instellingen van de Unie, op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de complexiteit van de economische en politieke situaties die zij moeten onderzoeken (arrest van 19 september 2019, Trace Sport, C‑251/18, EU:C:2019:766, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Bij het rechterlijk toezicht op de uitoefening van een dergelijke beoordelingsbevoegdheid dient, in het kader van zowel een beroep krachtens artikel 263 VWEU als een verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid op grond van artikel 267 VWEU, alleen te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 162 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Voorts stelt de Raad krachtens artikel 9, lid 4, juncto artikel 3, lid 1, van de basisverordening, een definitief antidumpingrecht in wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en er sprake is van aanmerkelijke schade of dreigende aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Unie. Om vast te stellen of er sprake is van dreigende aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Unie dienen, overeenkomstig artikel 3, lid 9, eerste en tweede alinea, van die verordening, onder andere de vier uitdrukkelijk in die bepaling genoemde factoren in aanmerking te worden genomen en dient niet enkel te worden uitgegaan van veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden.
40 Bovendien heeft het Hof reeds gepreciseerd dat het bestaan van dreigende schade, net als het bestaan van schade, moet worden aangetoond op de datum van vaststelling van de antidumpingmaatregel, gelet op de situatie van de bedrijfstak van de Unie op die datum. De instellingen van de Unie kunnen immers alleen uit het oogpunt van deze situatie bepalen of de toename in de nabije toekomst van invoer met dumping aanmerkelijke schade zal veroorzaken voor deze bedrijfstak indien geen enkele maatregel ter bescherming van de handel wordt genomen (zie in die zin arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel, C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209, punten 31 en 71).
41 De instellingen van de Unie mogen echter in bepaalde omstandigheden de gegevens daterend van na een onderzoektijdvak in aanmerking nemen. Een dergelijke machtiging is des te meer gerechtvaardigd in het kader van onderzoeken die niet de vaststelling van schade als voorwerp hebben, maar wel de vaststelling dat schade dreigt, wat uit zichzelf een prospectieve analyse vereist. Deze gegevens kunnen dus worden gebruikt om de prognoses in de verordening van de Commissie tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht te bevestigen of te ontkrachten en om, in het eerste geval, een definitief antidumpingrecht te kunnen instellen. Het gebruik dat de instellingen van de Unie van gegevens daterend van na het onderzoektijdvak maken, blijft echter onderworpen aan de toetsing door de Unierechter (zie in die zin arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel, C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209, punten 71‑73).
42 Ten slotte blijft de conclusie van de Raad met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Unie, die is vastgesteld in het kader van het onderzoek naar aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening, in beginsel relevant in het kader van het onderzoek naar dreigende aanmerkelijke schade voor deze bedrijfstak in de zin van artikel 3, lid 9, van die verordening (zie in die zin arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel, C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209, punt 31).
43 De geldigheid van de litigieuze verordening moet in het licht van voorgaande overwegingen worden getoetst, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 9, lid 4, juncto artikel 3, lid 9, van de basisverordening.
44 In casu heeft de Raad in de overwegingen 47 tot en met 49 van de litigieuze verordening de beoordeling van de Commissie bevestigd die was opgenomen in de overwegingen 88 en 89 van de voorlopige verordening, volgens welke de bedrijfstak van de Unie gedurende het onderzoektijdvak geen aanmerkelijke schade had geleden, ook al bevond deze bedrijfstak zich aan het einde van dat tijdvak in een kwetsbare situatie. De Raad was echter, met het oog op met name het onderzoek van de feiten die zich na dat tijdvak hebben voorgedaan, in de punten 76 tot en met 81 van de litigieuze verordening van mening dat er op die datum sprake was van dreigende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie, zoals de Commissie had opgemerkt in overweging 126 van de voorlopige verordening.
Bestaan van een kwetsbare situatie van de bedrijfstak van de Unie aan het eind van het onderzoektijdvak
45 Om in overweging 89 van de voorlopige verordening tot de slotsom te komen dat de bedrijfstak van de Unie zich aan het einde van het onderzoektijdvak in een kwetsbare situatie bevond, heeft de Commissie in de overwegingen 66 tot en met 87 van die verordening, onder toepassing van artikel 3, lid 5, van de basisverordening, de relevante economische factoren en indicatoren beoordeeld die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, zoals de productie, de capaciteit, de bezettingsgraad, de voorraden, het verkoopvolume, de marktaandelen, de groei, de werkgelegenheid, de productiviteit, de lonen, de factoren die van invloed zijn op de verkoopprijzen, de winstgevendheid en het rendement van investeringen, de kasstroom en het vermogen om kapitaal aan te trekken, de investeringen, alsmede, ten slotte, de hoogte van de dumpingmarge en het herstel van de bedrijfstak van de Unie van de gevolgen van eerdere dumping.
46 Wat in het bijzonder deze laatste factor betreft, heeft de Commissie in overweging 87 van de voorlopige verordening benadrukt dat in 2006 weliswaar antidumpingmaatregelen waren ingesteld om de door de invoer met dumping uit verschillende landen veroorzaakte schade te neutraliseren, maar dat de bedrijfstak van de Unie niet ten volle had kunnen profiteren van de buitengewone marktexpansie tijdens de beoordelingsperiode, omdat het marktaandeel van de invoer waarop maatregelen van toepassing waren, was overgenomen door invoer uit China. Volgens de Commissie had dit tot gevolg dat de bedrijfstak van de Unie zich niet volledig had kunnen herstellen en weinig geneigd was te investeren en zijn productiecapaciteit uit te breiden om de groei van de markt te volgen.
47 De Raad heeft in de overwegingen 47 tot en met 49 van de litigieuze verordening de beoordeling van de Commissie inzake de kwetsbare situatie van de bedrijfstak van de Unie aan het eind van het onderzoektijdvak, bevestigd. Daartoe heeft de Raad met name opgemerkt dat de bedrijfstak van de Unie weliswaar geen aanmerkelijke schade had geleden in het onderzoektijdvak, maar die bedrijfstak desalniettemin aan de schadelijke gevolgen van dergelijke invoer met dumping zou worden blootgesteld vanwege het grote aandeel van de invoer met dumping op de markt van de Unie, en dat zijn marktaandeel gedurende de beoordelingsperiode met vijf procentpunten was teruggelopen.
48 Evenwel moet worden opgemerkt dat de beoordeling van de Raad volgens welke, in wezen, de bedrijfstak van de Unie nog niet volledig was hersteld van de dumping die vóór 2006 had plaatsgevonden, door geen enkel concreet element wordt gestaafd en in ieder geval niet kan worden afgeleid uit de in punt 45 van het onderhavige arrest aangeduide economische indicatoren en factoren, die – samen genomen – daarentegen aantonen dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie zich gedurende de beoordelingsperiode positief heeft ontwikkeld.
49 Ten eerste mag de omstandigheid dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode met vijf procentpunten is teruggelopen, niet afzonderlijk in aanmerking worden genomen. Tevens moet immers rekening worden gehouden met het feit dat dit marktaandeel in het onderzoektijdvak aanzienlijk is gebleven, namelijk 63,6 % (overweging 75 van de voorlopige verordening), en dat de omvang en de prijs van de verkopen van deze bedrijfstak in die periode zijn gestegen (overwegingen 73 en 80 van de voorlopige verordening).
50 Ten tweede is de beoordeling van de Raad over de invloed van invoer uit de VRC op de investeringen van de bedrijfstak van de Unie en op het vermogen van deze bedrijfstak om productiecapaciteit te ontwikkelen in directe tegenspraak met het feit dat de investeringen van die bedrijfstak gedurende de beoordelingsperiode met ongeveer 185 % zijn toegenomen (overweging 85 van de voorlopige verordening).
51 Ten derde heeft de Commissie weliswaar aangegeven dat, indien de economische tendens zou omkeren, de bedrijfstak van de Unie zou worden blootgesteld aan de potentieel schadelijke gevolgen van invoer met dumping (overweging 89 van de voorlopige verordening), maar kan op basis van een dergelijke omstandigheid, aangezien op grond daarvan in voorkomend geval alleen een toekomstige kwetsbare situatie kan worden aangeduid, niet worden vastgesteld dat deze bedrijfstak zich aan het einde van het onderzoektijdvak in een kwetsbare situatie bevond.
52 Bijgevolg heeft de Raad blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door de conclusie van de Commissie te bevestigen volgens welke de bedrijfstak van de Unie zich aan het einde van het onderzoektijdvak in een kwetsbare situatie bevond, aangezien een dergelijke conclusie niet wordt onderbouwd door de relevante gegevens van het onderhavige geval.
Bestaan van dreigende aanmerkelijke schade aan het einde van het onderzoektijdvak
53 Om tot de slotsom te komen dat aan het einde van het onderzoektijdvak sprake was van dreigende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie, heeft de Raad in de overwegingen 66 tot en met 74 van de litigieuze verordening, in essentie aan de hand van de vier in artikel 3, lid 9, tweede alinea, van de basisverordening bedoelde factoren, onderzocht hoe de omvang van de invoer met dumping, de beschikbare reservecapaciteit van de exporteurs, de prijzen van de invoer uit de VRC en het niveau van de voorraden zich ontwikkelden.
54 Wat in de eerste plaats de ontwikkeling van de omvang van de invoer met dumping betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat de in artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder a), van de basisverordening bedoelde factor betrekking heeft op het bestaan van „een aanzienlijke toename van de invoer met dumping op de markt van de [Unie] waardoor de invoer waarschijnlijk nog aanzienlijk in omvang zal toenemen”.
55 De beoordeling van de Commissie in de overwegingen 115 en 116 van de voorlopige verordening, volgens welke de algemene situatie van de markt van de Unie geen „grote” invloed zal hebben op „de ontwikkeling van het volume” van de invoer uit de VRC en volgens welke de druk van deze invoer op de markt van de Unie waarschijnlijk „aanzienlijk” zal toenemen, die de Raad heeft bevestigd in de overwegingen 66 tot en met 68 van de litigieuze verordening, wordt weerlegd door de van na het onderzoektijdvak daterende gegevens, die ook in aanmerking zijn genomen in laatstgenoemde verordening.
56 Meer in het bijzonder heeft de Raad in overweging 52 van de litigieuze verordening opgemerkt dat de invoer uit de VRC in absolute hoeveelheden sterk was afgenomen, aangezien deze invoer, zoals blijkt uit de in die overweging opgenomen tabel, was gedaald van 542840 ton gedurende het onderzoektijdvak naar 306866 ton in de periode na het onderzoektijdvak.
57 Het klopt dat de Raad in overweging 68 van de litigieuze verordening heeft benadrukt dat, „[z]oals in overweging 52 ook [was] gezegd, [...] het marktaandeel van het betrokken product uit de VRC in de tijd na het onderzoektijdvak licht [was] toegenomen hoewel het volume in absolute cijfers terugliep”. Deze „lichte toename”, die overeenkwam met slechts 0,7 % van het marktaandeel van deze invoer, wettigt op zich echter niet de conclusie dat er sprake was van een aanzienlijke toename van de invoer met dumping op de markt van de Unie waardoor de invoer waarschijnlijk nog aanzienlijk in omvang zou toenemen. Zoals de Raad in overweging 53 van de litigieuze verordening heeft aangegeven, is het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tussen het onderzoektijdvak en de periode na het onderzoektijdvak overigens slechts met 0,1 % gedaald, van 63,6 % naar 63,5 %.
58 Gelet op de in punt 41 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof, moet in deze context worden benadrukt hoe belangrijk de gegevens van na het onderzoektijdvak zijn voor de prospectieve analyse van het bestaan van dreigende schade, aangezien zij kunnen worden gebruikt om de prognoses in de voorlopige verordening te bevestigen of te ontkrachten.
59 In casu bieden deze gegevens, die in herinnering zijn gebracht in de punten 56 en 57 van het onderhavige arrest, geen bevestiging van het bestaan van een aanzienlijke toename van de invoer met dumping op de markt van de Unie waardoor de invoer waarschijnlijk nog aanzienlijk in omvang zou toenemen, in de zin van artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder a), van de basisverordening.
60 Wat in de tweede plaats de ongebruikte reservecapaciteit van de exporteurs betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat de in artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder b), van de basisverordening genoemde factor is omschreven als „voldoende vrij beschikbare productiecapaciteit van de exporteur of een aanmerkelijke toename daarvan in de nabije toekomst, waardoor de uitvoer met dumping naar de Unie waarschijnlijk nog aanzienlijk zal toenemen waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van andere exportmarkten die de extra voor uitvoer beschikbare hoeveelheden kunnen absorberen”.
61 In casu heeft de Commissie in punt 118 van de voorlopige verordening aangegeven dat „de Chinese exporteurs in de beoordelingsperiode de neiging hadden hun uitvoer flink op te voeren, wat tot uiting kwam in een zeer grote uitvoerstijging in absolute cijfers”. In overweging 119 van deze verordening heeft de Commissie vastgesteld, ten eerste, dat „[h]et aandeel van de uitvoer naar de [Unie] in de totale Chinese uitvoer [...] in de beoordelingsperiode aanzienlijk [was] gegroeid”, wat bevestigde „dat er in de beoordelingsperiode een flinke verschuiving in de uitvoeractiviteiten [had] plaatsgevonden en dat de [Unie] aan belang gewonnen [had] in de algemene marktstrategie van de Chinese exporteurs”, en, ten tweede, dat „[d]e andere belangrijke markten [...] de Verenigde Staten (36 %, in 2007 nog 31 %), Algerije (6 %, in 2006 nog 2 %) en Zuid-Korea (6 %, in 2005 nog 3 %) [waren]”.
62 Op grond hiervan is de Commissie tot de slotsom gekomen dat kon worden verwacht dat „een groot deel van de onlangs gecreëerde extra capaciteit voor de [Europese markt] bestemd is” en „dat enkele van deze markten, en vooral die van de Verenigde Staten, binnenkort sterk zullen krimpen, zodat de hoeveelheden die tot nu toe naar die markten gingen, gemakkelijk kunnen worden verlegd naar de [Unie]”. Deze conclusies zijn door de Raad bevestigd in de overwegingen 69 tot en met 71 van de litigieuze verordening.
63 In dit verband moet echter worden opgemerkt dat de in de litigieuze verordening verrichte analyse van de waarschijnlijkheid dat de uitvoer uit de VRC naar de markt van de Unie zal worden verlegd, in twee opzichten onvolledig is. Ten eerste is bij deze analyse geen rekening gehouden met gegevens die nochtans relevant waren ter verklaring van de toename van de invoer uit de VRC naar de Unie. In het bijzonder wordt in de litigieuze verordening niet verwezen naar de in overweging 130 van de voorlopige verordening vermelde omstandigheid dat „de snelle stijging van het marktaandeel van de Chinese producten duidelijk samenviel met de sterke afbrokkeling van het marktaandeel van de invoer uit Rusland en Oekraïne, die concurreerden tegen prijzen die het dichtst bij de Chinese prijzen lagen”, terwijl deze omstandigheid relevant was om de stijging van het percentage van de Chinese uitvoer naar de Unie tijdens de beoordelingsperiode op zijn minst gedeeltelijk te verklaren. Ten tweede is in de litigieuze verordening geen rekening gehouden met de capaciteit van de andere genoemde exportmarkten om de extra uitvoer te absorberen. Zoals uit de in punt 61 van het onderhavige arrest genoemde gegevens blijkt, is de omvang van de uitvoer naar die markten gedurende deze periode gestegen.
64 In die omstandigheden kan op basis van de feiten van de onderhavige zaak niet worden geconcludeerd dat sprake was van de in artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder b), van de basisverordening bedoelde factor.
65 Wat in de derde plaats de prijzen van de invoer uit de VRC betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat de in artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder c), van de basisverordening bedoelde factor betrekking heeft op „het feit dat de producten al dan niet worden ingevoerd tegen prijzen die een sterke druk op de binnenlandse prijzen zullen uitoefenen of een stijging van deze prijzen zullen verhinderen en de vraag naar importproducten vermoedelijk nog zullen doen toenemen”.
66 In casu heeft de Commissie in de overwegingen 120 en 121 van de voorlopige verordening vastgesteld, ten eerste, dat de prijzen van invoer uit de VRC in de beoordelingsperiode aanzienlijk lager waren dan die van niet alleen de bedrijfstak van de Unie, maar ook die van derde landen en, ten tweede, dat er geen reden is om aan te nemen dat er in een economisch klimaat dat wordt gekenmerkt door een ernstige inkrimping van de vraag, een tendens zou zijn om lage prijzen te verhogen. In overweging 122 van deze verordening heeft de Commissie benadrukt dat de prijzen van de invoer uit de VRC na het onderzoektijdvak enigszins waren gestegen, wat het gevolg was van een wereldwijde stijging van de prijs van enkele belangrijke grondstoffen. In overweging 123 van die verordening is de Commissie tot de slotsom gekomen dat de „zeer lage prijzen” van de met dumping ingevoerde producten in twee opzichten een negatief effect hadden, te weten een waarschijnlijke verschuiving naar de invoer met dumping en daarnaast een daling niet alleen van de afzet maar bovendien van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en van andere leveranciers.
67 In de litigieuze verordening heeft de Raad vastgesteld dat de prijzen van invoer uit verschillende bronnen, en met name uit de VRC, na het onderzoektijdvak aanzienlijk waren gestegen, net zoals de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. De Raad heeft de in het vorige punt in herinnering gebrachte conclusies van de Commissie bevestigd door in overweging 73 van die verordening aan te geven dat uit een na het onderzoektijdvak uitgevoerde analyse van de prijslijsten van de bedrijfstak van de Unie en van de prijzen van vergelijkbare uit de VRC ingevoerde producten „is gebleken dat de prijsbewegingen parallel verliepen”.
68 Een dergelijk parallel verloop van de prijsschommelingen wordt echter niet gestaafd door de economische gegevens van de periode na het onderzoektijdvak, die in de litigieuze verordening zelf zijn opgenomen. Uit de overwegingen 52 en 53 van deze verordening blijkt immers dat het verschil tussen de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie en de verkoopprijs van de invoer uit de VRC met ongeveer 10 % is gedaald tussen het onderzoektijdvak en de periode na het onderzoektijdvak, namelijk van ongeveer 40 % (476 EUR per ton) naar ongeveer 30 % (448 EUR per ton). Daarnaast zijn de prijzen van de Chinese invoer in de periode na het onderzoektijdvak met meer dan 35 % gestegen, terwijl de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 18,7 % zijn gestegen.
69 Hoe dan ook, gesteld al dat een dergelijk parallel verloop van de prijsschommelingen kon worden vastgesteld en dat de stijging van de prijzen van het betrokken product in de periode na het onderzoektijdvak kon worden verklaard door een stijging van de prijzen voor grondstoffen, kunnen dergelijke omstandigheden geen onderbouwing vormen voor de conclusies van de Commissie in overweging 123 van de voorlopige verordening, die door de Raad zijn bevestigd in overweging 73 van de litigieuze verordening, met betrekking tot het bestaan van een negatief effect van de „zeer lage” prijzen van de invoer uit de VRC op de prijzen en de afzet van de bedrijfstak van de Unie.
70 Wat ten eerste het effect op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie betreft, is de in artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder c), van de basisverordening bedoelde factor immers het feit dat de producten al dan niet worden ingevoerd tegen prijzen die een „sterke druk” op de in de Unie gehanteerde prijzen zullen uitoefenen of „een stijging van deze prijzen zullen verhinderen”. Een dergelijke slotsom wordt niet bevestigd door de in de punten 56 en 57 van het onderhavige arrest genoemde gegevens van na het onderzoektijdvak. Wat ten tweede de druk van de „zeer lage” prijzen op de afzet van de bedrijfstak van de Unie betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat het marktaandeel van die bedrijfstak in de periode na het onderzoektijdvak met slechts 0,1 % is gedaald, zoals volgt uit overweging 53 van de litigieuze verordening.
71 Uit de feiten van het onderhavige geval volgt dus niet dat kan worden aangenomen dat sprake is van de door artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder c), van de basisverordening genoemde factor.
72 Wat in de vierde en laatste plaats het niveau betreft van de voorraden van het product waarop het onderzoek betrekking heeft, dat in artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder d), van de basisverordening uitdrukkelijk wordt genoemd als een van de factoren die relevant zijn voor de vaststelling dat aanmerkelijke schade dreigt voor de bedrijfstak van de Unie, heeft de litigieuze verordening in overweging 74 de conclusie van de Commissie in overweging 124 van de voorlopige verordening bevestigd, volgens welke deze factor „nauwelijks van belang” was voor de analyse of sprake is van dergelijke dreigende schade omdat „de voorraden zich normaliter bij de handelaren en niet bij de producenten bevinden” en „er geen bewijs [is] gevonden dat er sprake is geweest van een zodanige voorraadvorming dat deze de markt in de nabije toekomst ernstig kan beïnvloeden”.
73 Uit voorgaande overwegingen volgt dat de Raad in de litigieuze verordening ten onrechte heeft aangenomen dat er, gelet op de in artikel 3, lid 9, tweede alinea, van de basisverordening bedoelde factoren, aanmerkelijke schade dreigde voor de bedrijfstak van de Unie, waardoor hij ook inbreuk heeft gemaakt op artikel 3, lid 9, eerste alinea, van die verordening, dat bepaalt dat de vaststelling dat dergelijke schade dreigt op feiten moet zijn gebaseerd en niet enkel op veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden, en dat de verandering van omstandigheden waardoor een situatie zou ontstaan waarin dumping schade veroorzaakt, duidelijk te voorzien en op handen moet zijn.
74 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten die de Commissie en de Raad in hun krachtens artikel 23, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ingediende opmerkingen hebben aangevoerd.
75 De Commissie betoogt in de eerste plaats dat op basis van een uitlegging van artikel 3, lid 9, van de basisverordening in overeenstemming met de antidumpingovereenkomst van de Wereldhandelsorganisatie kan worden geconcludeerd dat de Uniewetgever de met het antidumpingonderzoek belaste autoriteit de vrijheid heeft gelaten om te kiezen op welke van de in die bepaling genoemde factoren zij haar conclusie omtrent het bestaan van dreigende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie baseert, mits een dergelijke conclusie wordt gebaseerd „op feiten [...] en niet enkel op veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden”. De Commissie voegt hieraan toe dat in het licht van alle relevante omstandigheden en niet alleen de vier in artikel 3, lid 9, van de basisverordening bedoelde factoren, moet worden onderzocht of er aanmerkelijke schade dreigt. Zij merkt in het bijzonder op dat hoewel het klopt dat de factor inzake de inkrimping van de vraag in de bedrijfstak van de Unie, zoals onderzocht in de overwegingen 91 tot en met 111 en 126 van de voorlopige verordening, niet uitdrukkelijk wordt vermeld in die bepaling, deze desalniettemin relevant blijft voor de vaststelling of er sprake is van dreigende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie.
76 In dit verband moet worden vastgesteld dat de Commissie met dit betoog in werkelijkheid de beoordelingen van het Gerecht in het arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), ter discussie wil stellen, terwijl dit arrest, dat is bevestigd door het arrest van het Hof van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), definitief is geworden en de Commissie dit arrest middels een hogere voorziening had kunnen betwisten maar dat niet heeft gedaan. Deze instelling kan dus niet de opmerkingen die zij in het kader van een prejudiciële procedure ter beoordeling van de geldigheid heeft ingediend, gebruiken om dit arrest van het Gerecht indirect te betwisten. Bijgevolg hoeven deze argumenten van de Commissie niet ten gronde te worden onderzocht.
77 In de tweede plaats voeren de Raad en de Commissie aan dat uitvoeringsverordening 2015/2272 en uitvoeringsbesluit 2018/928 aantonen dat er sprake is van dreigende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie en dat een dergelijke bedreiging zich zou manifesteren indien de litigieuze verordening ongeldig zou worden verklaard met werking erga omnes.
78 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat bij de beoordeling van de geldigheid van een handeling die het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing moet verrichten, normaliter moet worden uitgegaan van de situatie op het tijdstip van de vaststelling van die handeling (arrest van 9 juli 2020, Donex Shipping and Forwarding, C‑104/19, EU:C:2020:539, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Daarnaast moet, zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in het arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209, punt 71), het bestaan van dreigende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie worden bewezen op de datum van goedkeuring van een antidumpingmaatregel, welke datum in casu overeenkomt met de datum waarop de litigieuze verordening is vastgesteld.
80 Hieruit volgt dat zowel de vaststelling van uitvoeringsverordening 2015/2272 als de vaststelling van uitvoeringsbesluit 2018/928, die hebben plaatsgevonden na de vaststelling van de litigieuze verordening, niet van invloed kunnen zijn op de geldigheid daarvan.
81 Bovendien kan noch uit deze uitvoeringsverordening noch uit dat uitvoeringsbesluit worden afgeleid dat er op de datum van vaststelling van de litigieuze verordening aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie dreigde.
82 Aangezien de Raad, zoals volgt uit de punten 45 tot en met 73 van het onderhavige arrest, door de litigieuze verordening vast te stellen artikel 3, lid 9, juncto artikel 9, lid 4, van de basisverordening heeft geschonden, moet de litigieuze verordening dus ongeldig worden verklaard.
Kosten
83 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, is ongeldig.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.