Gerecht EU 25 oktober 2011, T-192/08, ECLI:EU:T:2011:619
Tekst
Zaak T‑192/08
Transnational Company „Kazchrome” AO en
ENRC Marketing AG
tegen
Raad van de Europese Unie
„Dumping – Invoer van ferrosilicium van oorsprong uit voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, China, Egypte, Kazachstan en Rusland – Causaal verband – Belang van Gemeenschap – Gebrek aan medewerking – Beschikbare gegevens – Status van marktgerichte onderneming – Rechten van verdediging – Motiveringsplicht”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Schade – Vaststelling van causaal verband – Criteria
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 3, leden 6 en 7, en nr. 1225/2009, art. 3, leden 6 en 7)
2. Internationale overeenkomsten – Overeenkomst tot oprichting van Wereldhandelsorganisatie – GATT 1994 – Rechtstreekse werking – Geen – Onmogelijkheid om rechtmatigheid van gemeenschapshandeling te betwisten op basis van WTO-overeenkomsten – Uitzonderingen – Gemeenschapshandeling die uitvoering ervan beoogt te verzekeren of uitdrukkelijk en specifiek ernaar verwijst
(Art. 230 EG; Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Schade – Beoordelingsvrijheid van instellingen – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 3, en nr. 1225/2009, art. 3)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Schade – Vaststelling van causaal verband – Verplichtingen van instellingen
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 3, lid 7, en nr. 1225/2009, art. 3, lid 7)
5. Recht van Unie – Beginselen – Rechten van verdediging – Eerbiediging in kader van administratieve procedures – Antidumping
6. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Schade – Vaststelling van causaal verband – Verplichtingen van instellingen
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 3, lid 7, nr. 172/2008 en nr. 1225/2009, art. 3, lid 7)
7. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Vaststelling van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Algemene verwijzing naar andere stukken, zelfs gevoegd bij verzoekschrift – Niet-ontvankelijkheid
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21, eerste alinea, en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
8. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Beoordeling van gemeenschapsbelang – Inaanmerkingneming van inlichtingen betreffende periode na onderzoek – Toelaatbaarheid
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 6, lid 1, en 21, lid 1, en nr. 1225/2009, art. 6, lid 1, en 21, lid 1)
9. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Beoordeling van gemeenschapsbelang – Beoordelingsvrijheid van instellingen – Factoren die in aanmerking moeten worden genomen
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 21, lid 1, en nr. 1225/2009, art. 21, lid 1)
10. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Verordening tot instelling van antidumpingrechten
(Art. 253 EG)
11. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Verloop van onderzoek – Beschikbare gegevens – Mogelijk gebruik bij nietigverklaring van controlebezoek
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 18, leden 1 en 3, en nr. 1225/2009, art. 18, leden 1 en 3)
12. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Omvang van verplichting van Commissie om juistheid van door belanghebbenden verstrekte inlichtingen na te gaan – Inlichtingen verstrekt in kader van verlening van status van marktgerichte onderneming – Daaronder begrepen
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 2, lid 7, sub b, 6, lid 8, en 16, lid 1, en nr. 1225/2009, art. 2, lid 7, sub b, 6, lid 8, en 16, lid 1)
13. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Beoordeling van gemeenschapsbelang – Schending van rechten van verdediging – Geen invloed op rechtmatigheid van verordening die definitief recht instelt – Voorwaarden
(Verordeningen van de Raad nr. 384/96, art. 3, lid 7, en nr. 1225/2009, art. 3, lid 7)
1. Uit artikel 3, lid 6, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 3, lid 6, van verordening 1225/2009) blijkt dat de instellingen moeten aantonen dat de invoer met dumping een aanmerkelijke schade toebrengt aan de bedrijfstak van de Gemeenschap, gelet op de omvang en de prijzen van die invoer (analyse van toerekening). Verder moeten de instellingen blijkens artikel 3, lid 7, van deze basisverordening (thans artikel 3, lid 7, van verordening 1225/2009) enerzijds alle andere bekende factoren die de bedrijfstak van de Gemeenschap op hetzelfde tijdstip als de invoer met dumping schade toebrengen, onderzoeken, en anderzijds ervoor zorgen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade niet aan die invoer wordt toegerekend (analyse van niet-toerekening).
Het doel van deze bepalingen is ervoor te zorgen dat de instellingen de schadelijke gevolgen van invoer met dumping scheiden en onderscheiden van die van andere factoren.
Hiervoor is in bepaalde omstandigheden een collectief onderzoek van deze factoren noodzakelijk. Dat is met name het geval indien de instellingen na een individueel onderzoek vaststellen dat elk van die andere factoren een negatieve invloed heeft gehad op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, maar dat die invloed niet als aanmerkelijk kan worden beschouwd.
De beoordeling van het bestaan van een causaal verband hoeft niet noodzakelijkerwijs op het niveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel te worden verricht, zodat schade die één enkele producent in de Gemeenschap lijdt door een andere factor dan de invoer met dumping niet in aanmerking zou kunnen worden genomen. De instellingen moeten namelijk enerzijds alle andere bekende factoren onderzoeken die de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd als de invoer met dumping schade toebrengen, en moeten anderzijds ervoor zorgen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade niet aan die invoer wordt toegerekend. Artikel 3, lid 7, van de basisverordening preciseert niet dat bij dit onderzoek enkel rekening mag worden gehouden met schade door andere factoren die de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel betreft. Bijgevolg is het mogelijk dat in bepaalde omstandigheden schade die een producent in de Gemeenschap individueel lijdt door een andere factor dan de invoer met dumping in aanmerking moet worden genomen, indien deze heeft bijgedragen aan de schade die is waargenomen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel. Die mogelijkheid betekent evenwel niet dat de instellingen de individuele situatie van elke gemeenschapsproducent systematisch moeten onderzoeken.
(cf. punten 30‑31, 37, 41‑45, 88, 180, 194‑195, 209)
2. De overeenkomsten van de wereldhandelsorganisatie (WTO) behoren wegens hun aard en opzet in beginsel niet tot de normen waaraan de Unierechter de rechtmatigheid van handelingen van de instellingen van de Unie toetst uit hoofde van artikel 230, eerste alinea, EG. Ingeval de Gemeenschap evenwel uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de Uniehandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst, dient de Unierechter de rechtmatigheid van de betrokken Uniehandeling aan de WTO-regels te toetsen. Dat is het geval met antidumpingbasisverordening nr. 384/96 die tot doel heeft de bepalingen van de antidumpingovereenkomst van 1994, voor zover mogelijk, in Unierecht om te zetten. Weliswaar is het Gerecht bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van een toepassingsverordening niet gebonden aan de uitlegging van de antidumpingovereenkomst door het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, doch staat niets eraan in de weg dat het Gerecht hieraan refereert wanneer het erom gaat, een bepaling van de basisverordening uit te leggen.
(cf. punten 32‑33, 36)
3. Voor een antwoord op de vraag of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft geleden en of deze schade is veroorzaakt door invoer met dumping, en of andere bekende factoren hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, moeten ingewikkelde economische situaties worden onderzocht, waarbij de instellingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken. Hieruit volgt dat de Unierechter bij zijn toezicht op de beoordelingen van de instellingen enkel dient na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
(cf. punten 51, 90, 164)
4. Niet kan worden gesteld dat wanneer het causaal verband tussen de invoer met dumping en de door de communautaire bedrijfstak geleden schade wordt beoordeeld op grond van de theoretische nominale capaciteit en niet de werkelijke capaciteit, noodzakelijkerwijs de regel van niet-toerekening wordt geschonden. Wanneer productiemiddelen voor een andere markt worden bestemd, moeten de gegevens over de productiecapaciteit namelijk gecorrigeerd worden, maar hoeven deze gegevens niet alle tijdelijke stilleggingen weer te geven. Daarentegen moeten de instellingen in dergelijke omstandigheden zorgen voor naleving van de verplichtingen van artikel 3, lid 7, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 3, lid 7, van verordening 1225/2009) en naar behoren een analyse van de niet-toerekening uitvoeren die in voorkomend geval de door het tijdelijk stilliggen van de productie veroorzaakte schade scheidt en onderscheidt van de schade veroorzaakt door de invoer met dumping.
(cf. punten 105, 109)
5. De eisen inzake inachtneming van de rechten van de verdediging gelden niet alleen in het kader van procedures die tot de oplegging van sancties leiden, maar ook in onderzoekprocedures die voorafgaan aan de vaststelling van antidumpingverordeningen, die de betrokken ondernemingen rechtstreeks en individueel kunnen raken en nadelige gevolgen voor hen kunnen hebben. In het bijzonder moeten de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en omtrent het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade.
Wat het feit betreft dat de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de instelling van voorlopige antidumpingrechten wordt overwogen, inconsequenties en anomalieën bevatten, mag een belanghebbende de niet-naleving van zijn rechten van verdediging niet verwarren met het bestaan van inhoudelijke fouten die de rechtmatigheid van de verordening tot instelling van een definitief antidumpingrecht kunnen aantasten. Deze omstandigheid toont namelijk nog niet aan dat de Commissie die rechten heeft geschonden. De naleving van de rechten van verdediging vereist geenszins van de instellingen dat zij op ieder argument dat door een producent/exporteur in de procedure is aangevoerd, ingaan, maar alleen dat zij de belanghebbenden in staat stellen om hun belangen behoorlijk te verdedigen.
(cf. punten 110, 319, 321, 326‑327, 332)
6. De instellingen schenden artikel 3, lid 7, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 3, lid 7, van verordening 1225/2009) door te verzuimen de gevolgen van grote investeringen door de communautaire bedrijfstak tijdens het onderzoektijdvak te scheiden en te onderscheiden van die van de invoer met dumping. Dat is ook het geval met het verzuim van de instellingen om de invloed te beoordelen van het feit dat bepaalde communautaire producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel niet winstgevend zijn.
Een dergelijke schending rechtvaardigt evenwel slechts de nietigverklaring van een toepassingsverordening als verordening nr. 172/2008 wanneer zij de rechtmatigheid ervan kan aantasten omdat de gehele beoordeling van het causaal verband door de instellingen ongeldig wordt. Dat is niet het geval wanneer deze investeringen niet significant hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak geleden schade.
(cf. punten 116, 119‑120, 180‑182, 211)
7. Volgens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op het Gerecht, en artikel 44, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil, de conclusies van de verzoekende partij en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk, dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken. Ofschoon het verzoekschrift op specifieke punten kan worden vervolledigd en aangevuld met verwijzingen naar passages in bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, in dat verband geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële elementen van het betoog rechtens, die in het verzoekschrift moeten staan.
(cf. punt 212)
8. Artikel 6, lid 1, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 6, lid 1, van verordening 1225/2009) is niet van toepassing op de vaststelling of sprake is van een belang van de Gemeenschap in de zin van artikel 21, lid 1, van deze basisverordening (thans artikel 21, lid 1, van verordening 1225/2009), hetgeen betekent dat in het kader van deze vaststelling rekening kan worden gehouden met gegevens over een recenter tijdvak dan het onderzoektijdvak. De vaststelling van een onderzoektijdvak en het verbod om rekening te houden met feiten die zich daarna hebben voorgedaan, hebben immers tot doel representatieve en betrouwbare onderzoeksresultaten te waarborgen. Het onderzoektijdvak bedoeld in artikel 6, lid 1, van de basisverordening beoogt met name te waarborgen dat de feiten op basis waarvan de dumping en de schade worden vastgesteld, niet worden beïnvloed door het gedrag van de betrokken producenten naar aanleiding van het inleiden van de antidumpingprocedure, en derhalve dat het aan het einde van de procedure opgelegde definitieve antidumpingrecht de door de dumping berokkende schade daadwerkelijk opheft.
Enerzijds bevat artikel 21 van deze basisverordening geen beperking in tijd wat de informatie betreft die de instellingen in aanmerking kunnen nemen om vast te stellen of er een belang van de Gemeenschap bestaat. Anderzijds vereist het onderzoek van het belang van de Gemeenschap een beoordeling van de vermoedelijke consequenties van zowel de toepassing als de niet-toepassing van de voorgenomen maatregelen voor het belang van de communautaire bedrijfstak en voor de overige in geding zijnde belangen. Deze beoordeling impliceert een voorspelling die is gebaseerd op veronderstellingen met betrekking tot toekomstige gebeurtenissen, waarvoor ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld. Dit valt onder een ruime beoordelingsbevoegdheid van de Commissie zodat de toetsing door de Unierechter beperkt is tot de vraag of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
(cf. punten 221‑224, 227)
9. De beoordeling van het belang van de Gemeenschap in de zin van artikel 21, lid 1, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 21, lid 1, van verordening 1225/2009) vereist een afweging van de belangen van de verschillende betrokken partijen en het algemeen belang. De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de beoordeling van het belang van de Gemeenschap. Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten. Niettemin kan een eerder besluit volgens hetwelk de in het verleden vastgestelde antidumpingmaatregelen op de invoer van hetzelfde product uit dezelfde landen als die waarop de onderzoeksprocedure is gericht, niet heilzaam waren, relevant zijn in het kader van de toepassing van artikel 21, lid 1, van de basisverordening, indien dit besluit bijdraagt aan het bewijs dat de vaststelling van antidumpingmaatregelen niet in het algemeen belang is.
(cf. punten 240‑241)
10. De door artikel 253 EG vereiste motivering moet de redenering van de instantie van de Unie die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel teneinde hun rechten te verdedigen en de Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen. De instellingen zijn echter niet gehouden, in de motivering van een voorlopige of definitieve verordening betreffende antidumpingrechten in te gaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die door de belanghebbenden in de loop van de administratieve procedure zijn aangevoerd. Als de Commissie duidelijk en ondubbelzinnig de gevolgen van de antidumpingmaatregelen voor de betrokken gebruikers heeft onderzocht, en de Raad een summierder, maar niet minder duidelijk onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de instelling van antidumpingrechten voor die gebruikers, kan de instellingen geen schending van de motiveringsplicht worden verweten.
(cf. punten 256‑257)
11. Op het gebied van onderzoeken tijdens een antidumpingprocedure moet de annulering van een controlebezoek door een belanghebbende niet worden bezien in het licht van artikel 18, lid 3, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 18, lid 3, van verordening 1225/2009), maar in het licht van lid 1 van dit artikel (thans artikel 18, lid 1, van verordening 1225/2009). Enerzijds, hoewel de annulering van een controlebezoek niet is te rangschikken onder de laatste drie in artikel 18, lid 1, van deze verordening genoemde gevallen, moet zij, behoudens overmacht, namelijk worden beschouwd als een weigering tot toegang tot informatie die de Commissie noodzakelijk acht, in de zin van het eerste in deze bepaling beschreven geval. Anderzijds kan artikel 18, lid 3, van de basisverordening niet dienen ter omzeiling van de verplichting om een controlebezoek te ontvangen, wanneer dat bezoek door de diensten van de Commissie noodzakelijk wordt geacht. Krachtens dit artikel is het gebruik van de beschikbare informatie, ingeval de informatie niet in alle opzichten de beste is, slechts uitgesloten indien de belanghebbende naar beste vermogen heeft gehandeld. In het geval dat een controlebezoek niet wordt ontvangen, kan een belanghebbende evenwel niet worden geacht zodanig te hebben gehandeld.
Wat het doel van artikel 18, lid 1, van de basisverordening betreft, zijn de Raad en de Commissie afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de partijen om hun binnen de voorgeschreven termijn de benodigde informatie te verstrekken, aangezien de Commissie aan de basisverordening geen onderzoeksbevoegdheid ontleent op grond waarvan zij de in een klacht genoemde producenten of exporteurs zou kunnen dwingen hun medewerking te verlenen aan het onderzoek of informatie over te leggen. Het niet ontvangen van een controlebezoek gaat in tegen het bij artikel 18, lid 1, van de basisverordening nagestreefde doel van loyale en zorgvuldige medewerking.
Ten slotte volgt uit een onderzoek van de systematiek van de basisverordening enerzijds dat het aan de instellingen staat om te beslissen of zij het voor de verificatie van de door een belanghebbende verstrekte informatie noodzakelijk achten bevestiging van deze informatie te verkrijgen door een controlebezoek aan het bedrijf van deze belanghebbende, en anderzijds dat ingeval een belanghebbende de verificatie van de door hem verstrekte informatie belet, artikel 18 van de basisverordening van toepassing is en de beschikbare informatie kan worden gebruikt.
(cf. punten 270‑276)
12. Aangezien artikel 6, lid 8, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 6, lid 8, van verordening nr.1255/2009) geen beperking bevat aangaande de omvang van de verplichting tot verificatie van de informatie die ten grondslag wordt gelegd aan de conclusies van de instellingen, is die verplichting ook van toepassing op de door een belanghebbende verstrekte informatie in een verzoek ingediend voor een behandeling als marktgerichte onderneming. Bovendien beperkt artikel 16, lid 1, van de basisverordening (thans artikel 16, lid 1, van verordening nr.1255/2009) op generlei wijze de mogelijkheid om bezoeken in de lokalen van de belanghebbenden af te leggen naargelang van de informatie die de Commissie bevestigd wil zien, indien zij dit nuttig vindt. Bijgevolg staat deze tweede bepaling de Commissie toe om, indien zij dit nodig vindt, een bezoek aan het bedrijf van een producent/exporteur te brengen in verband met de behandeling van zijn verzoek ingediend voor een behandeling als marktgerichte onderneming en zich ervan te overtuigen dat de hierin verstrekte informatie juist is.
Het feit dat artikel 2, lid 7, sub b, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 (thans artikel 2, lid 7, sub b, van verordening nr. 1255/2009) niet vereist dat een controlebezoek wordt gebracht aan het bedrijf van de producent/exporteur die een behandeling als marktgerichte onderneming heeft aangevraagd, betekent derhalve niet dat dat bezoek niet mag plaatsvinden. Ook kan de organisatie van een controlebezoek in het kader van de behandeling van een verzoek ingediend voor een behandeling als marktgerichte onderneming niet worden beschouwd als extra voorwaarde ten opzichte van die van artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening.
(cf. punten 294‑296)
13. In het kader van een antidumpingprocedure zijn de instellingen niet verplicht om de producenten in de Gemeenschap uitleg te vragen over de ontwikkeling inzake hun economische situatie, aangezien het niet aan die producenten staat om overeenkomstig artikel 3, lid 7, van antidumpingbasisverordening (thans artikel 3, lid 7, van verordening nr. 1225/2009) een analyse van de niet-toerekening te maken. Die analyse moet daarentegen door de instellingen worden gemaakt met het oog op hetgeen zij voorlopig en definitief vaststellen. Al aangenomen dat het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist dat de producenten/exporteurs in kennis worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de instelling van voorlopige rechten wordt overwogen, kan het niet eerbiedigen van deze rechten als zodanig niet tot gevolg hebben dat de verordening waarbij de definitieve rechten worden ingesteld, ongeldig is, wanneer bij de vaststelling van een dergelijke verordening het gebrek in de procedure tot vaststelling van de overeenkomstige verordening tot instelling van een voorlopig recht is hersteld.
(cf. punten 314, 319)
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
25 oktober 2011 (*)
„Dumping – Invoer van ferrosilicium van oorsprong uit voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, China, Egypte, Kazachstan en Rusland – Causaal verband – Belang van de Gemeenschap – Gebrek aan medewerking – Beschikbare gegevens – Behandeling als marktgerichte onderneming – Rechten van verdediging – Motiveringsplicht”
In zaak T‑192/08,
Transnational Company „Kazchrome” AO, gevestigd te Aqtöbe (Kazachstan),
ENRC Marketing AG, gevestigd te Kloten (Zwitserland),
aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Ruessmann en A. Willems, vervolgens door A. Willems en S. de Knop, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door J.‑P. Hix, vervolgens door J.‑P. Hix en B. Driessen als gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door G. Berrisch en G. Wolf, vervolgens door G. Berrisch, advocaten,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. van Vliet en K. Talabér-Ritz als gemachtigden,
en
Euroalliages, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door J. Bourgeois, Y. van Gerven en N. McNelis, advocaten,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 172/2008 van de Raad van 25 februari 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland (PB L 55, blz. 6), voor zover deze verordening verzoeksters betreft,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, K. Jürimäe (rapporteur) en S. Soldevila Fragoso, rechters,
griffier: N. Rosner, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 december 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoeksters, Transnational Company Kazchrome AO (hierna: „Kazchrome”) en ENRC Marketing AG (hierna: „ENRC”), zijn actief op het gebied van de productie en verkoop van ferrosilicium, een van de grondstoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van ijzer en staal. Kazchrome, gevestigd in Kazachstan, verkoopt haar hele productie aan ENRC, die in Zwitserland is gevestigd en de productie van Kazchrome in de hele wereld verkoopt.
2 Naar aanleiding van een klacht die Euroalliages (Liaison Committee of the Ferro-Alloy Industry) op 16 oktober 2006 had ingediend, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen een antidumpingprocedure betreffende de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, China, Egypte, Kazachstan en Rusland ingeleid overeenkomstig verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd (hierna: „basisverordening”) [vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51, rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22)], en in het bijzonder overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening (thans artikel 5 van verordening nr. 1225/2009). Het bericht van inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 30 november 2006 (PB C 291, blz. 34). Het onderzoek naar de dumping en de daaruit voortvloeiende schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de trends die relevant waren voor de beoordeling van de schade, bestreek de periode van januari 2003 tot het einde van het onderzoektijdvak (hierna: „beoordelingsperiode”).
3 In het kader van deze procedure hebben verzoeksters op 15 december 2006 bij de diensten van de Commissie een verzoek ingediend voor een behandeling als marktgerichte onderneming (hierna: „BMO”) overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening (thans artikel 2, lid 7, sub b en c, van verordening nr. 1225/2009).
4 Op 12 januari 2007 hebben verzoeksters hun antwoorden op de antidumpingvragenlijst van de Commissie en een document over de schade ingediend. Op 25 januari 2007 hebben verzoeksters de Commissie aanvullende opmerkingen over de schade verstrekt.
5 Bij brief van 14 februari 2007 hebben verzoeksters de Commissie laten weten dat zij niet aan het onderzoek zouden meewerken, maar bereid waren uitleg te geven over de reeds door hen aan de Commissie verstrekte gegevens. Per fax van diezelfde dag heeft de Commissie verzoeksters medegedeeld dat zij het geplande controlebezoek van 22 februari tot 2 maart 2007 annuleerde. Zij heeft benadrukt dat dit betekende dat de door verzoeksters aan haar diensten verstrekte gegevens, nu zij niet waren gecontroleerd, niet konden worden aanvaard en dat het wellicht noodzakelijk zou zijn om de conclusies van het onderzoek te baseren op de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening (thans artikel 18 van verordening nr. 1225/2009). Bij brief van 20 februari 2007 hebben verzoeksters de Commissie laten weten dat, hoewel zij niet volledig aan het onderzoek konden meewerken, zij haar voor zover mogelijk bij dit onderzoek wilden helpen.
6 Op 5 juli 2007 heeft de Commissie verzoeksters laten weten dat, aangezien zij de door hen ingediende gegevens niet op hun bedrijf had kunnen controleren, verzoeksters niet in aanmerking kwamen voor een BMO. Op 16 juli 2007 hebben verzoeksters de Commissie hun opmerkingen toegezonden, onder meer met betrekking tot het feit dat hun geen BMO werd verleend.
7 Op 29 augustus 2007 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 994/2007 van 28 augustus 2007 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland (PB L 223, blz. 1; hierna: „voorlopige verordening”) bekendgemaakt. De voorlopige verordening heeft onder meer een voorlopig antidumpingrecht van 33,9 % ingesteld op ferrosilicium afkomstig uit Kazachstan. In punt 25 van de voorlopige verordening heeft de Commissie gepreciseerd dat het BMO-verzoek van verzoeksters niet in aanmerking was genomen, nu zij niet hadden ingestemd met een controlebezoek.
8 Bij brief van 30 augustus 2007 heeft de Commissie verzoeksters de voornaamste feiten en overwegingen meegedeeld op grond waarvan de voorlopige antidumpingmaatregelen waren ingesteld (hierna: „voorlopige mededeling”). Bij brief van 15 september 2007 heeft de Commissie verzoeksters een mededeling toegezonden die de voorlopige mededeling aanvulde. Op 5 oktober 2007 hebben verzoeksters de Commissie hun opmerkingen over de voorlopige mededeling laten weten.
9 Op 18 december 2007 heeft de Commissie verzoeksters een brief toegezonden met de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan zij overwoog de instelling van definitieve maatregelen aan te bevelen (hierna: „definitieve mededeling”). Bij brief van 3 januari 2008 aan de Commissie hebben verzoeksters hun opmerkingen over de definitieve mededeling overgelegd.
10 Op 25 februari 2008 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 172/2008 van 25 februari 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Egypte, Kazachstan, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Rusland (PB L 55, blz. 6; hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld. Krachtens de bestreden verordening is het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de uit Kazachstan afkomstige producten vastgesteld op 33,9 %.
Procesverloop en conclusies van partijen
11 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 mei 2008, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
12 Bij op respectievelijk 1 en 3 september 2008 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben Euroalliages en de Commissie verzocht om toelating tot interventie in deze zaak ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
13 Bij akte, neergelegd ter griffie op 28 oktober 2008, hebben verzoeksters overeenkomstig artikel 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om bepaalde vertrouwelijke onderdelen van het dossier niet aan Euroalliages mede te delen. In verband hiermee hebben verzoeksters een niet-vertrouwelijke versie van de betrokken memories en stukken overgelegd.
14 Bij beschikkingen van 2 december 2008 en 16 februari 2009 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht de interventieverzoeken van respectievelijk de Commissie en Euroalliages toegewezen.
15 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 maart 2009, heeft Euroalliages verklaard geen bezwaar te maken tegen het verzoek van verzoeksters om vertrouwelijke behandeling.
16 Bij brief, neergelegd ter griffie op 26 juni 2009, heeft de Commissie het Gerecht meegedeeld dat zij geen memorie in interventie zou indienen, maar aan de terechtzitting zou deelnemen.
17 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover deze op hen van toepassing is;
– de Raad te verwijzen in de kosten.
18 De Raad, ondersteund door de Commissie, concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
19 Euroalliages concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters in de kosten te verwijzen, met inbegrip van de door haar in verband met haar interventie gedragen kosten.
In rechte
20 Ter ondersteuning van hun vordering tot nietigverklaring voeren verzoeksters vier middelen aan. In het eerste middel komen zij op tegen de vaststelling van een causaal verband tussen de invoer met dumping en de schade. In het tweede middel trekken zij de beoordeling van het gemeenschapsbelang in twijfel. In het derde middel bekritiseren zij de beoordeling door de instellingen van hun medewerking aan het onderzoek, de toepassing van artikel 18 van de basisverordening en de behandeling van de BMO-aanvraag. In het vierde middel voeren zij een schending van hun rechten van verdediging aan.
A – Eerste middel: causaal verband tussen de invoer met dumping en de schade
21 De door verzoeksters in het kader van het eerste middel aangevoerde grieven kunnen in drie groepen worden onderverdeeld:
– ten eerste de grieven tegen de uitlegging van de rechtsbeginselen die van toepassing zijn op de beoordeling van het causaal verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, waartoe verzoeksters zich in het eerste middelonderdeel beroepen op onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening (thans artikel 3, leden 6 en 7, van verordening nr. 1225/2009);
– ten tweede de grieven die betrekking hebben op het individuele onderzoek door de instellingen van een aantal andere factoren dan de invoer met dumping, die de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade hebben kunnen veroorzaken of daaraan hebben kunnen bijdragen, waartoe verzoeksters, in het tweede tot achtste onderdeel, kennelijke beoordelingsfouten aanvoeren en verschillende schendingen die door de instellingen bij het individuele onderzoek van bepaalde schadefactoren zijn gemaakt.
– ten derde de grieven die betrekking hebben op het ontbreken van een collectief onderzoek van de verschillende andere schadefactoren dan de invoer met dumping, waartoe verzoeksters, meer in het bijzonder in het eerste en achtste onderdeel, een kennelijke beoordelingsfout van de instellingen aanvoeren, doordat zij geen collectief onderzoek van deze factoren hadden verricht.
22 Deze drie groepen grieven zullen achtereenvolgens worden onderzocht.
1. Uitlegging van de rechtsbeginselen die van toepassing zijn op de beoordeling van het causaal verband (eerste onderdeel van het eerste middel)
a) Argumenten van partijen
23 In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voeren verzoeksters aan dat de wijze waarop de Raad te werk is gegaan bij de vaststelling van het causaal verband tussen de invoer met dumping en de schade op twee onjuiste rechtsopvattingen berust.
24 In de eerste plaats stellen verzoeksters dat de aanpak van de Raad een kunstmatig onderscheid laat zien tussen toerekenbaarheid en niet-toerekenbaarheid van de schade. Volgens artikel 3, lid 7, van de basisverordening zou voor een juiste beoordeling van het causaal verband rekening gehouden moeten worden met andere, van meet af aan reeds bekende factoren om te voorkomen dat de invloed van de invoer waarop de onderzoeksprocedure betrekking heeft, niet met die van andere factoren wordt verward. De instellingen zouden derhalve niet hebben mogen vaststellen dat de invoer waarop de onderzoeksprocedure betrekking heeft, de schade had veroorzaakt zonder eerst te hebben onderzocht of er geen andere factoren waren die deze schade werkelijk hadden veroorzaakt.
25 In de tweede plaats betogen verzoeksters dat uit de rapporten van de beroepsinstantie van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: „WTO”) en de rechtspraak van het Hof en het Gerecht blijkt dat de invloed van de causale factoren gezamenlijk moet worden onderzocht.
26 De Raad, ondersteund door interveniënten, repliceert enerzijds, dat het voor de vaststelling of de invoer met dumping aanzienlijke schade heeft veroorzaakt, noodzakelijk is eerst te onderzoeken of de schade is veroorzaakt door die invoer, gelet in het bijzonder op de omvang en de prijzen van de invoer met dumping en de berekening van de onderbieding. Enkel wanneer dat causaal verband is vastgesteld, zou het vervolgens nodig zijn te onderzoeken of andere factoren eventueel zodanig aan de schade hebben bijgedragen dat hierdoor het causaal verband is verbroken. Anderzijds is er volgens de Raad juridisch gezien geen enkele verplichting om de andere factoren gezamenlijk te onderzoeken, wordt dit in de praktijk niet gedaan en heeft de Unierechter dit ook niet als beginsel neergelegd.
b) Beoordeling door het Gerecht
27 Bij het eerste onderdeel van het eerste middel gaat het in wezen om de toepassingsvoorwaarden van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening. Krachtens deze bepaling zijn de Commissie en de Raad verplicht te onderzoeken of de vastgestelde schade inderdaad door de invoer met dumping is veroorzaakt, en alle schade die door andere factoren is veroorzaakt, buiten beschouwing te laten (arrest Hof van 11 juni 1992, Extramet Industrie/Raad, C‑358/89, Jurispr. blz. I‑3813, punt 16, en arrest Gerecht van 14 maart 2007, Aluminium Silicon Mill Products/Raad, T‑107/04, Jurispr. blz. II‑669, punt 72).
28 In de eerste plaats moet worden vastgesteld of, zoals verzoeksters stellen, de instellingen volgens deze bepaling eerst de invloed van de invoer met dumping en van de andere bekende factoren op de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade moeten onderzoeken en vervolgens bepalen of er sprake is van een causaal verband tussen die invoer en de dumping, dan wel of, zoals de Raad stelt, eerst moet worden onderzocht of de schade door die invoer wordt veroorzaakt en vervolgens, wanneer dit verband is vastgesteld, of andere factoren zodanig aan de schade kunnen hebben bijgedragen dat dit causaal verband hierdoor wordt verbroken.
29 Voor de beantwoording van deze vraag moeten de bewoordingen, het doel, en de context van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening worden onderzocht.
30 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van deze bepaling betreft, blijkt uit artikel 3, lid 6, van de basisverordening dat de instellingen moeten aantonen dat de invoer met dumping een aanmerkelijke schade toebrengt aan de bedrijfstak van de Gemeenschap, gelet op de omvang en de prijzen van die invoer. Het gaat hier om de zogenoemde analyse van „toerekening”. Verder moeten de instellingen blijkens artikel 3, lid 7, van de basisverordening enerzijds alle andere bekende factoren die de bedrijfstak van de Gemeenschap op hetzelfde tijdstip als de invoer met dumping schade toebrengen, onderzoeken, en anderzijds ervoor zorgen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade niet aan die invoer wordt toegerekend. Dit is de zogenoemde analyse van „niet-toerekening”.
31 In de tweede plaats is, zoals zowel verzoeksters als de Raad in hun stukken hebben opgemerkt, het doel van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening ervoor te zorgen dat de instellingen de schadelijke gevolgen van invoer met dumping scheiden en onderscheiden van die van andere factoren. Indien de instellingen de invloed van de verschillende schadefactoren niet van elkaar zouden scheiden en onderscheiden, zouden zij niet op goede gronden kunnen vaststellen dat de invoer met dumping schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft veroorzaakt.
32 Wat in de derde plaats de context van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening betreft, deze bepalingen geven volgens punt 5 van deze verordening (thans punt 3 van verordening nr. 1225/2009) uitvoering aan artikel 3.5 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT) (PB L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”), opgenomen als bijlage 1 A bij de overeenkomst tot oprichting van de WTO (PB 1994, L 336, blz. 3). Gelet hierop moet worden verwezen naar dit artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst alsmede naar de uitlegging ervan door het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO.
33 Het Gerecht brengt op dit punt in herinnering dat de bepalingen van de WTO-overeenkomsten wegens hun aard en opzet volgens vaste rechtspraak in beginsel niet behoren tot de normen waaraan de Unierechter de rechtmatigheid van handelingen van de instellingen van de Unie toetst uit hoofde van artikel 230, eerste alinea, EG (arresten Hof van 23 november 1999, Portugal/Raad, C‑149/96, Jurispr. blz. I‑8395, punt 47, en 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, Jurispr. blz. I‑79, punt 53). Ingeval de Gemeenschap evenwel uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst, dient de Unierechter de rechtmatigheid van de betrokken Uniehandeling aan de WTO-regels te toetsen (reeds aangehaalde arresten Hof Portugal/Raad, punt 49, en Petrotub en Republica/Raad, punt 54, en arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, Jurispr. blz. I‑7723, punt 30).
34 Blijkens punt 5 van de basisverordening heeft deze verordening echter met name tot doel de bepalingen van de antidumpingovereenkomst van 1994, in het bijzonder die inzake de vaststelling van het bestaan van schade en een causaal verband tussen de invoer met dumping en de schade, voor zover mogelijk in gemeenschapsrecht om te zetten (zie in die zin arrest Petrotub en Republica/Raad, punt 33 supra, punt 55).
35 Bijgevolg moeten de bepalingen van de basisverordening zoveel mogelijk worden uitgelegd in het licht van de overeenkomstige bepalingen van de antidumpingovereenkomst (zie in die zin arresten Hof van 14 juli 1998, Bettati, C‑341/95, Jurispr. blz. I‑4355, punt 20, en Petrotub en Republica/Raad, punt 33 supra, punt 57).
36 Weliswaar is het Gerecht bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden verordening niet gebonden aan de uitlegging van de antidumpingovereenkomst door het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (zie in die zin, arrest Hof van 1 maart 2005, Van Parys, C‑377/02, Jurispr. blz. I‑1465, punt 54), doch staat niets eraan in de weg dat het Gerecht hieraan refereert wanneer het, zoals in casu, erom gaat om een bepaling van de basisverordening uit te leggen (zie in die zin, arrest Gerecht van 24 september 2008, Reliance Industries/Raad en Commissie, T‑45/06, Jurispr. blz. II‑2399, punt 107).
37 In die context moet worden opgemerkt dat het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO in zijn rapport inzake het geschil „Verenigde Staten – warmgewalst staal” van 23 augustus 2001 (WT/DS184AB/R, punt 226), van mening was dat om aan de bewoordingen van artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst met betrekking tot de niet-toerekening te voldoen, de onderzoeksinstanties moeten overgaan tot een passende beoordeling van de schade die andere bekende factoren aan de nationale bedrijfstak hebben toegebracht, en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping moeten scheiden en onderscheiden van de door die andere factoren veroorzaakte schadelijke gevolgen.
38 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening de instellingen geen verplichting oplegt wat betreft de vorm of de volgorde van het door hen te verrichten onderzoek van de toerekenbaarheid en de niet-toerekenbaarheid. Anderzijds moeten deze analyses volgens deze bepalingen zodanig geschieden dat de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping kunnen worden gescheiden en onderscheiden van die veroorzaakt door andere factoren.
39 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het meningsverschil tussen partijen in casu van semantische en niet van inhoudelijke aard is. De manier waarop de Raad in zijn stukken de werkwijze beschrijft die de instellingen bij de analyses van toerekening en niet-toerekening toepassen, is namelijk van weinig belang, aangezien de Raad en de Commissie door de werkwijze die zij in casu daadwerkelijk hebben toegepast, hebben verzekerd dat de schade die veroorzaakt is door andere factoren dan de invoer met dumping niet aan die invoer is toegerekend. Aldus hebben de instellingen in eerste instantie, in de punten 112 tot en met 114 van de voorlopige verordening en in de punten 85 en 86 van de bestreden verordening, het gevolg van de invoer met dumping onderzocht. In tweede instantie hebben zij in de punten 115 tot en met 136 van de voorlopige verordening en in de punten 87 tot en met 101 van de bestreden verordening de gevolgen van de andere factoren onderzocht. In derde instantie hebben zij in de punten 137 tot en met 140 van de voorlopige verordening en in de punten 102 tot en met 104 van de bestreden verordening summier het onderzoek van de toerekenbaarheid en de niet-toerekenbaarheid samengevat en hieruit hun conclusies getrokken wat het causaal verband betreft. Al zijn de andere schadefactoren dan de invoer met dumping weliswaar enkel in tweede instantie in aanmerking genomen, toch hebben de instellingen hun eindconclusie wat betreft de toerekenbaarheid van de schade eerst na afloop van die tweede fase getrokken, waardoor de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping konden worden gescheiden en onderscheiden van die veroorzaakt door andere factoren.
40 Bijgevolg berust de beoordeling van het causaal verband in de punten 111 tot en met 140 van de voorlopige verordening en in de punten 83 tot en met 104 van de bestreden verordening niet op een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de instellingen eerst de toerekenbaarheid hebben onderzocht en daarna de niet-toerekenbaarheid.
41 In de tweede plaats moet worden vastgesteld of, zoals verzoeksters stellen, de andere schadefactoren dan de invoer met dumping gezamenlijk dan wel, zoals de Raad stelt, individueel moeten worden onderzocht. Evenals de vorige vraag moet deze vraag beantwoord worden in het licht van de bewoordingen, de doelstelling en de context van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening.
42 Wat om te beginnen de bewoordingen van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening betreft, zoals weergegeven in punt 30 supra, moet worden opgemerkt dat deze bepalingen niet preciseren of de andere schadefactoren dan de invoer met dumping gezamenlijk of individueel moeten worden onderzocht.
43 In de tweede plaats is het doel van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening, zoals in punt 31 supra is aangegeven, om de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping zodanig te scheiden en te onderscheiden van die van de andere factoren, dat de door die andere factoren veroorzaakte schade niet aan die invoer wordt toegerekend. Hiervoor is in bepaalde omstandigheden een collectief onderzoek van de andere factoren noodzakelijk. Dat is met name het geval indien de instellingen na een individueel onderzoek vaststellen dat elk van die andere factoren een negatieve invloed heeft gehad op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, maar dat die invloed niet als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Indien een tiental andere factoren dan de invoer met dumping gezamenlijk 99 % van de schade hebben veroorzaakt, maar geen van die factoren van aanmerkelijke invloed is geweest op de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, zouden de instellingen, zoals verzoeksters in hun stukken hebben opgemerkt, nog steeds de mening zijn toegedaan dat die invoer de materiële schade heeft veroorzaakt, daar immers geen van de andere tien factoren, afzonderlijk bezien, de schade heeft veroorzaakt. Dat standpunt zou in strijd zijn met de doelstelling van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening.
44 In de derde plaats bevestigt het onderzoek van de context van deze bepalingen dat in bepaalde gevallen een collectief onderzoek van de andere factoren noodzakelijk is. Zoals reeds is opgemerkt, heeft artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening tot doel artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst om te zetten in het Unierecht. In zijn rapport inzake het geschil „Europese Gemeenschappen – hulpstukken voor buizen en pijpen/buisleidingen” van 18 augustus 2003 (WT/DS219/AB/R, punten 190 en 192) was het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO van mening dat artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst niet in alle gevallen vereist dat de gevolgen van de andere causale factoren collectief worden beoordeeld en dat er gevallen kunnen zijn waarin, op grond van de daarin spelende specifieke feitelijke omstandigheden, achterwegelating van het onderzoek van de collectieve invloed van de andere causale factoren ertoe leidt dat de met het onderzoek belaste instantie ten onrechte de gevolgen van de andere causale factoren aan de invoer met dumping toerekent. Volgens het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO is een met het onderzoek belaste instantie niet verplicht om de collectieve invloed van de andere causale factoren te onderzoeken, mits zij, gelet op de specifieke feitelijke omstandigheden van de zaak, zich evenwel houdt aan haar verplichting om de door de andere causale factoren veroorzaakte schade niet aan de invoer met dumping toe te rekenen.
45 Bijgevolg kan, zoals verzoeksters menen, een collectief onderzoek naar de gevolgen van de andere schadefactoren dan de invoer met dumping in bepaalde omstandigheden vereist zijn. Dat is met name het geval wanneer de instellingen hebben vastgesteld dat er vele andere schadefactoren dan de invoer met dumping aan de schade hebben kunnen bijdragen, maar dat de invloed van elke factor afzonderlijk niet als aanmerkelijk kan worden beschouwd.
46 Derhalve moet worden vastgesteld dat de door de Raad, niet in de bestreden verordening, maar uitsluitend in zijn stukken bepleite uitlegging van artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening onjuist is. Toch betekent dat nog niet dat de bestreden verordening op een onjuiste rechtsopvatting berust die de nietigverklaring van de bestreden verordening rechtvaardigt. In de bestreden verordening heeft de Raad weliswaar de verschillende schadefactoren individueel onderzocht, maar niet aangegeven of volgens hem een collectief onderzoek van deze factoren niet vereist was. Daarom kan alleen worden vastgesteld dat de bestreden verordening op een onjuiste rechtsopvatting berust, indien eveneens wordt vastgesteld dat in casu dat collectieve onderzoek vereist was.
47 Uit punt 45 supra blijkt dat eerst de door verzoeksters aangevoerde grieven betreffende het individuele onderzoek van elk van de andere bekende schadefactoren moeten worden geanalyseerd voordat kan worden bepaald of een collectief onderzoek in casu vereist was. Eerst nadat is vastgesteld – zie de punten 49 tot en met 215 hierna – of het individuele onderzoek van elk van de andere bekende schadefactoren geen onrechtmatigheid bevat, en of de omstandigheden van de zaak een collectief onderzoek van de andere schadefactoren vereisten, kan derhalve pas worden geconcludeerd dat de Raad blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich te beperken tot een individueel onderzoek van de schadefactoren.
48 Daarentegen moet thans reeds het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen, voor zover het betrekking heeft op een onjuiste rechtsopvatting betreffende de werkwijze van de instellingen bij de beoordeling van het causaal verband.
2. Individueel onderzoek van de andere schadefactoren dan de invoer met dumping (tweede tot en met achtste onderdeel van het eerste middel)
49 Om te beginnen moet worden herinnerd aan de in de rechtspraak neergelegde beginselen, in het licht waarvan de verschillende door verzoeksters aangevoerde grieven met betrekking tot het individuele onderzoek van de diverse andere schadefactoren dan de invoer met dumping moeten worden onderzocht.
50 Volgens de in punt 27 supra aangehaalde rechtspraak zijn de Raad en de Commissie verplicht te onderzoeken of de vastgestelde schade inderdaad door de invoer met dumping is veroorzaakt, en alle schade die door andere factoren is veroorzaakt, buiten beschouwing te laten.
51 Verder is het vaste rechtspraak dat voor een antwoord op de vraag of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft geleden en deze schade is veroorzaakt door invoer met dumping dan wel of andere bekende factoren hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, ingewikkelde economische situaties moeten worden onderzocht, waarbij de instellingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken. De toetsing van de beoordelingen van de instellingen door de Unierechter dient zich dus te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten Gerecht Aluminium Silicon Mill Products/Raad, punt 27 supra, punt 71, en van 17 december 2008, HEG en Graphite India/Raad, T‑462/04, Jurispr. blz. II‑3685, punt 120).
a) Tweede onderdeel van het eerste middel: de ontwikkeling van de vraag naar staal en van de prijzen op de markt in de Gemeenschap en de wereldmarkt.
Argumenten van partijen
52 Verzoeksters voeren aan dat punt 85 van de bestreden verordening een kennelijk onjuiste beoordeling bevat en artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening schendt, aangezien de druk op de prijzen in de Gemeenschap niet is toe te rekenen aan de invoer met dumping, maar aan de ontwikkeling van de wereldmarktprijzen en van de vraag naar staal.
53 In de eerste plaats zou de prijs van ferrosilicium zich namelijk op elk van de grote wereldmarkten op dezelfde wijze ontwikkeld hebben en zou de ontwikkeling van de prijs in de Gemeenschap de dynamiek van de wereldmarkt weergeven. Aangezien de prijzen op alle markten daalden, met name tussen 2005 en het einde van het onderzoektijdvak, was het volgens verzoeksters kennelijk onredelijk te stellen dat zonder de invoer met dumping, de prijzen in de Gemeenschap waren gestegen om de stijgende kosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap, plus een redelijke winstmarge, te dekken.
54 In de tweede plaats werd het lage prijspeil voor ferrosilicium niet door de invoer met dumping bepaald, maar door de ontwikkeling van de vraag. De Raad zou zelf in de bestreden verordening erkend hebben dat de prijs van ferrosilicium door fluctuaties in de vraag werd bepaald. Toch heeft hij ten onrechte de ontwikkeling van de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap vergeleken met die van de wereldwijde productie van ruw staal, hoewel deze prijzen worden bepaald door de productie van staal in de Gemeenschap. De ontwikkeling van de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap zou juist precies de ontwikkeling van de vraag naar staal hebben weerspiegeld, en die prijs zou evenredig zijn gedaald met de stagnerende en krimpende vraag in de Gemeenschap. Verzoeksters zijn derhalve van mening dat, ook als er geen onderbieding was geweest door de invoer met dumping, de bedrijfstak van de Gemeenschap verlies had geleden wegens de stijgende kosten en de tegelijkertijd dalende vraag.
55 In de derde plaats merken verzoeksters op dat ferrosilicium tijdens het onderzoektijdvak in de Gemeenschap tegen een hogere prijs is verkocht dan op de andere markten. Op een wereldmarkt waar de prijzen neigen naar een evenwicht, zou echter niet kunnen worden gesteld dat op de markt waar de prijzen het hoogst zijn, deze prijs op onrechtmatige wijze is onderboden of verlaagd.
56 De Raad, ondersteund door interveniënten, betwist de argumenten van verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
57 Het tweede onderdeel van het eerste middel betreft in wezen de beoordeling door de instellingen van de wereldwijde ontwikkeling van de prijs van ferrosilicium en van de vraag in de staalindustrie, als andere bekende factoren die de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade hebben kunnen veroorzaken of hieraan hebben kunnen bijdragen.
58 Dienaangaande moet enerzijds worden opgemerkt dat de Raad in punt 85 van de bestreden verordening van mening was dat de bedrijfstak van de Gemeenschap wegens de invoer met dumping niet in staat was zijn verkoopprijzen te verhogen tot een niveau dat nodig was om alle kosten te dekken. Anderzijds heeft de Raad in de punten 87 tot en met 90 van de bestreden verordening de redenen uiteengezet waarom hij het argument had afgewezen dat het lage prijspeil van ferrosilicium te maken had met de dynamiek van de wereldmarkt, die zelf het gevolg is van fluctuaties in de vraag van de staalindustrie, en niet met de invoer met dumping. Eerst heeft de Raad uitgelegd dat in markteconomieën prijzen worden bepaald door het niveau van vraag en aanbod, maar dat er nog andere factoren kunnen meespelen, zoals de aanwezigheid van producten die met dumping zijn ingevoerd. Vervolgens heeft hij gepreciseerd dat, hoewel zeker waar is dat de mondiale vraag naar ferrosilicium, met name in de staalindustrie, op bepaalde tijdstippen in de beoordelingsperiode van invloed was op de prijsvorming, er ook perioden waren waarin de prijs van ferrosilicium ondanks een toegenomen vraag daalde. Ten slotte heeft hij vastgesteld dat zelfs op communautair niveau de prijs voor ferrosilicium in bepaalde perioden daalde, hoewel de vraag van de staalindustrie toenam.
59 Verzoeksters betwisten deze conclusie met drie argumenten. In de eerste plaats hadden de prijzen in de Gemeenschap ook zonder invoer met dumping niet kunnen stijgen, omdat de prijzen op de wereldmarkt, met name tussen 2005 en het einde van het onderzoektijdvak, waren gedaald. In de tweede plaats had de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap de fluctuaties gevolgd van de communautaire productie van staal en was deze tegelijk met de stagnerende of afnemende vraag van de staalindustrie in de Gemeenschap gedaald. In de derde plaats waren de prijzen op de gemeenschapsmarkt de hoogste ter wereld, hetgeen iedere onderbieding of verlaging zou uitsluiten.
60 Geen van deze drie argumenten kan echter aantonen dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan en artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft geschonden.
61 Wat in de eerste plaats het argument van de ontwikkeling van de prijzen op de wereldmarkt betreft, verwijzen verzoeksters ter ondersteuning hiervan naar een in het verzoekschrift opgenomen tabel die volgens hen laat zien dat de prijs van ferrosilicium zich hetzelfde ontwikkelt op alle relevante wereldmarkten en dat de prijsontwikkeling van ferrosilicium in de Gemeenschap alleen de dynamiek van de wereldmarkt weergeeft. Weliswaar laat deze tabel zien dat de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap globaal dezelfde ontwikkeling volgt als de prijzen in de Verenigde Staten en Japan, maar hiermee wordt geenszins bevestigd dat de prijzen op de wereldmarkt gedurende de gehele beoordelingsperiode, dat wil zeggen van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2006 of althans tussen januari 2005 en het einde van het onderzoektijdvak, 30 september 2006, daalden. Integendeel, uit deze tabel blijkt dat de prijzen tussen 2003 en 2004 en tijdens het onderzoektijdvak zijn gestegen. Deze ontwikkelingen worden bevestigd door de informatie betreffende de gemiddelde prijs in de Gemeenschap, vermeld in punt 96 van de voorlopige verordening, die niet door verzoeksters is betwist. Verzoeksters kunnen derhalve niet aanvoeren dat het wegens de algemene daling van de prijs van ferrosilicium onredelijk was te stellen dat zonder de invoer van producten met dumping de prijzen in de Gemeenschap tot een niveau zouden zijn gestegen waarop de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn stijgende kosten had kunnen dekken en tevens een redelijke winst behalen.
62 Wat in de tweede plaats het argument betreft van de fluctuaties in de vraag van de staalindustrie en de analyse van de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap vergeleken met de wereldwijde productie van ruw staal, moet worden opgemerkt dat verzoeksters de grafiek in de definitieve mededeling van de instellingen, die de ontwikkeling laat zien van de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap bezien vanuit de ontwikkeling van de wereldwijde productie van ruw staal, afwijzen, en ter ondersteuning van hun argumentatie verwijzen naar een grafiek, overgelegd in een bijlage bij het verzoekschrift, die de ontwikkeling van de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap laat zien in vergelijking met de ontwikkeling van de productie van staal in de Gemeenschap. Anders dan verzoeksters stellen, toont deze grafiek niet aan dat de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap de fluctuaties van de productie van staal in de Gemeenschap heeft gevolgd en is teruggelopen tegelijk met de stagnerende of afnemende vraag van de staalindustrie in de Gemeenschap.
63 Zoals de Raad opmerkt, laat deze grafiek in de eerste plaats zien dat de prijzen in de Gemeenschap niet altijd de fluctuaties van de productie van staal in de Gemeenschap hebben gevolgd. De grafiek geeft bijvoorbeeld aan dat in 2004, toen de staalproductie in de Gemeenschap toenam, de prijzen nog steeds daalden. Evenzo is, volgens de grafiek, in 2006 de staalproductie afgenomen, terwijl de prijzen zijn gestegen. Deze voorbeelden bevestigen dat de door verzoeksters overgelegde grafiek niet voldoende steun biedt voor hun stelling dat de prijzen zijn gedaald als gevolg van de afnemende vraag.
64 In de tweede plaats laat de grafiek niet zien dat de vraag gedurende de gehele beoordelingsperiode is gedaald. Zo beschrijft deze een stijging van de staalproductie van het derde kwartaal van 2003 tot het tweede kwartaal van 2004, van het vierde kwartaal van 2004 tot het tweede kwartaal van 2005, en gedurende de eerste drie kwartalen van het onderzoektijdvak, dat loopt van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006. De grafiek laat ook zien dat de prijs van ferrosilicium in de Gemeenschap is gestegen van het derde kwartaal van 2003 tot en met het tweede kwartaal van 2004 en tijdens het gehele onderzoektijdvak. Gelet op deze positieve ontwikkelingen bewijst de enkele stelling dat de prijzen in de Gemeenschap zijn teruggelopen tegelijk met de stagnerende of afnemende vraag van de staalindustrie in de Gemeenschap niet dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te menen dat wegens de invoer van producten met dumping de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verkoopprijzen niet heeft kunnen verhogen tot een niveau dat nodig was om zijn kosten te dekken. Verzoeksters hadden moeten aantonen dat de toename van de staalproductie tijdens de aangehaalde tijdvakken te gering was geweest om tot een prijsstijging te leiden waardoor de producenten van ferrosilicium in de Gemeenschap de toegenomen productiekosten op de consumenten konden afwentelen, hetgeen zij niet hebben gedaan.
65 Wat in de derde plaats het argument betreft dat het niveau van de prijzen in de Gemeenschap van dien aard was dat niet kan worden gesteld dat zij op onrechtmatige wijze zijn onderboden of verlaagd, moet eraan worden herinnerd dat de onderbieding en verlaging van prijzen rechtsbegrippen zijn, genoemd in artikel 3, lid 3, van de basisverordening (thans artikel 3, lid 3, van verordening nr.1225/2009). Kort gezegd gaan de instellingen ter bepaling van een onderbieding in de zin van deze bepaling over tot een vergelijking van de prijzen in de Gemeenschap met de gecorrigeerde prijzen van de ingevoerde producten, om een onderbiedingsmarge in de vorm van een percentage te verkrijgen. Wanneer is vastgesteld dat de prijzen in de Gemeenschap zijn gedaald en niet voldoende zijn gestegen, vergelijken de instellingen, eveneens kort gezegd, de invoerprijzen met een communautaire richtprijs, dat wil zeggen met de prijs die zonder invoer met dumping zou zijn verkregen, teneinde een schademarge te verkrijgen, die zelf ook in een percentage wordt uitgedrukt. In casu blijkt uit de punten 87 tot en met 89 en 112 van de voorlopige verordening dat de instellingen de prijsonderbieding hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 3, van de basisverordening. Aldus heeft de Commissie in punt 89 van de voorlopige verordening vermeld dat zij onderbiedingsmarges van 4 tot 11 % had berekend, naargelang de producent/exporteur, met uitzondering van drie producenten/exporteurs bij wie geen onderbieding werd vastgesteld. Verzoeksters voeren echter geen enkel argument aan waardoor de berekening van de onderbiedingsmarges door de instellingen in twijfel kan worden getrokken. De enkele stelling dat de prijzen in de Gemeenschap de hoogste ter wereld zijn, is daartoe niet geschikt.
66 Gelet op het voorgaande kan geen van de door verzoeksters aangevoerde argumenten aantonen dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door te stellen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet wegens de dynamiek van de wereldmarkt en de fluctuaties van de vraag van de staalindustrie, maar wegens de invoer van producten met dumping niet in staat was zijn verkoopprijzen te verhogen tot een niveau dat nodig was om alle kosten te dekken.
67 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond te worden verklaard.
b) Derde onderdeel van het eerste middel: de schadelijke gevolgen die de bedrijfstak van de Gemeenschap zich zelf zou hebben toegebracht
Eerste grief: de omschakeling van de productie door een aantal producenten in de Gemeenschap
– Argumenten van partijen
68 Verzoeksters voeren aan dat de Raad niet op passende wijze rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade van de vrijwillige omschakeling van de productie die door Huta Laziska S.A., OFZ a.s. en Vargön Alloys AB in gang is gezet in 2004, een jaar dat in de bestreden verordening als „buitengewoon voorspoedig” wordt aangemerkt.
69 In de eerste plaats zouden de instellingen een grove feitelijke vergissing hebben gemaakt die aanmerkelijk invloed heeft gehad op de beoordeling van het causaal verband, aangezien volgens punt 135 van de voorlopige verordening in 2004 twee producenten in de Gemeenschap op de productie van mangaanlegeringen waren overgeschakeld, terwijl volgens punt 93 van diezelfde verordening met deze vermindering van de productie van ferrosilicium slechts vanaf 2005 rekening was gehouden. Het besluit om de productie van ferrosilicium te verlagen op een tijdstip waarop de marktvoorwaarden gunstig waren, had geleid tot een kostenstijging van ferrosilicium per eenheid product, tot een verlaging van de productie en de verkoop alsmede tot een grotere schaarste op de markt. Anderzijds zou, doordat er geen rekening was gehouden met de omschakeling van de productie in 2004, een verkeerd beeld zijn ontstaan van de ontwikkeling van de productiecapaciteit, de productie en de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
70 In de tweede plaats zouden de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door te stellen dat de omschakeling van de productie een reactie op de invoer met dumping was. Enerzijds was het jaar 2004 namelijk een buitengewoon jaar geweest, waarin de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap tot het hoogste niveau in de beoordelingsperiode was gestegen en het rendement op investeringen bijna 20 % was geweest, en anderzijds had Huta Laziska ervoor gekozen haar productie om te schakelen naar siliciummangaan, een product dat minder energie verbruikt en meer winst oplevert. Derhalve wordt, volgens verzoeksters, de in 2005 en tijdens het onderzoektijdvak door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade verklaard door deze vrijwillige omschakeling van de productie, waardoor de productiekosten zijn gestegen, hetgeen op zijn beurt tot een extra productieverlaging heeft geleid.
71 De Raad, ondersteund door interveniënten, betwist de argumenten van verzoeksters.
– Beoordeling door het Gerecht
72 Deze grief betreft in wezen de wijze waarop de instellingen de gevolgen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap hebben beoordeeld, doordat een aantal producenten in de Gemeenschap in 2004 ovens die voorheen bestemd waren voor de vervaardiging van ferrosilicium, hebben omgebouwd voor de productie van siliciummangaan.
73 De Commissie heeft de gevolgen van deze omschakeling beoordeeld in de punten 135 en 136 van de voorlopige verordening. Hierin heeft zij gesteld dat, ondanks de kosten die een productieverandering meebrengt, in 2004 een omschakeling had plaatsgevonden, toen de communautaire markt met een tekort aan mangaanlegeringen kampte en er tegelijkertijd voldoende aanbod van ferrosilicium was. Op grond hiervan heeft zij de conclusie getrokken dat het besluit van een aantal communautaire producenten tot productievermindering niet vrijwillig was geweest, maar was ingegeven door de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet langer erin slaagde ferrosilicium met winst te verkopen. Bovendien heeft zij, om rekening te houden met de gewijzigde bestemming van de oven, in punt 93 van de voorlopige verordening vanaf 2005 de gegevens over de productiecapaciteit die in de grafiek betreffende de productiecapaciteit en de bezettingsgraad zijn opgenomen, gecorrigeerd.
74 Verzoeksters betwisten zowel punt 93 als de punten 135 en 136 van de voorlopige verordening.
75 Waar het om te beginnen gaat om het argument van verzoeksters inzake de feitelijke vergissing die ten grondslag ligt aan punt 93 van de voorlopige verordening, heeft de Raad in antwoord op een schriftelijke vraag die hem was gesteld als maatregel tot organisatie van de procesgang, uitgelegd dat de productie in het begin van de maand december van 2004 was omgeschakeld. Ook heeft hij ter terechtzitting erkend dat de bij deze omschakeling betrokken productiecapaciteit niet gebruikt had kunnen worden voor de productie van ferrosilicium in de maand december 2004. Daarom moet worden vastgesteld dat de cijfers met betrekking tot de productiecapaciteit niet vanaf 2005, maar vanaf 2004 hadden moeten worden gecorrigeerd. Bijgevolg bevat punt 93 van de voorlopige verordening een feitelijke onjuistheid.
76 Toch deelt het Gerecht niet het standpunt van verzoeksters waar het gaat om de uit deze onjuistheid te trekken gevolgen. Zoals de Raad ter terechtzitting heeft opgemerkt, zou namelijk enerzijds, nu de productiecapaciteit eerst in de maand december van 2004 is verminderd, de algemene correctie van die capaciteit voor het hele jaar 2004 slechts zeer gering zijn geweest, namelijk gelijk aan een twaalfde van de correctie voor het jaar 2005. Anderzijds zou, indien de productiecapaciteit ook voor 2004 was gecorrigeerd, de economische situatie van de markt voor ferrosilicium voor 2004 in de Gemeenschap als volgt zijn geweest: stijging van de vraag, stijging van de omvang van de invoer met dumping, lagere productie, geringe vermindering van de productiecapaciteit, daling van de verkoop en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap, stijging van hun prijzen, hun winstmarge en hun investeringsrendement. Met andere woorden, met uitzondering van de productiecapaciteit, de productie, de verkoop en het marktaandeel zouden alle economische indicatoren een gunstige ontwikkeling hebben laten zien. In die omstandigheden is het zeker denkbaar dat het besluit van een aantal producenten in de Gemeenschap om hun productie om te schakelen voortvloeide uit een commerciële keuze met het oogmerk om op de markt van siliciummangaan meer winst te behalen, en niet het gevolg was van de aanwezigheid van laaggeprijsde, met dumping ingevoerde producten waardoor de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap in gevaar was gebracht. Toch is het ook aannemelijk dat het besluit van een aantal producenten in de Gemeenschap om hun productie om te schakelen niet alleen rekening hield met de vooruitzichten van een betere winstgevendheid op de markt van siliciummangaan, maar ook met de aanwezigheid van laaggeprijsde, met dumping ingevoerde producten waarvan de omvang reeds sterk was toegenomen in 2004 en waardoor de winstvooruitzichten op de markt van ferrosilicium minder aantrekkelijk werden dan op die van siliciummangaan.
77 Derhalve kan de feitelijke onjuistheid in punt 93 van de voorlopige verordening de beoordeling van het causaal verband niet hebben vertekend.
78 Waar het in de tweede plaats gaat om het argument van verzoeksters, dat de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door in punt 136 van de voorlopige verordening te stellen dat de omschakeling van de productie een reactie was op de invoer met dumping, is in punt 76 supra vastgesteld dat het weliswaar denkbaar is dat de omschakeling voortvloeide uit een commerciële keuze met het oogmerk meer winst op de markt van siliciummangaan te behalen, en niet het gevolg was van de aanwezigheid van laaggeprijsde, met dumping ingevoerde producten op de markt van ferrosilicium waardoor de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap in gevaar was gebracht, maar dat het evenzeer aannemelijk is dat het besluit tot omschakeling niet alleen was ingegeven door de vooruitzichten van een betere winstgevendheid op de markt van siliciummangaan, maar ook door de aanwezigheid van laaggeprijsde, met dumping ingevoerde producten op de markt van ferrosilicium.
79 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat geen van de door verzoeksters aangevoerde argumenten kan aantonen dat de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt.
80 Gelet op het voorgaande dient de eerste grief ongegrond te worden verklaard.
Tweede grief: de onderbreking van de productie door een aantal producenten in de Gemeenschap
– Argumenten van partijen
81 Verzoeksters stellen dat de Raad geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade van de onderbrekingen van de productie die door een aantal producenten vrijwillig in gang zijn gezet, en deze gevolgen ten onrechte aan de litigieuze invoer heeft toegerekend.
82 In de eerste plaats zou de Raad een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door in punt 101 van de bestreden verordening de gevolgen van de productieonderbrekingen bij Huta Laziska niet in aanmerking te willen nemen met het argument dat een causaal verband op het niveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel moest worden beoordeeld, hoewel juist die factor op de prestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel van invloed was geweest. Dienaangaande merken verzoeksters in de eerste plaats op dat Huta Laziska haar productie herhaaldelijk heeft onderbroken tijdens de beoordelingsperiode wegens moeilijkheden met haar stroomleverancier, in de tweede plaats dat zij noodgedwongen is overgeschakeld op de productie van producten, zoals siliciummangaan, die minder energie-intensief en winstgevender zijn, en in de derde plaats dat de instellingen in het kader van verordening (EG) nr. 1420/2007 van de Raad van 4 december 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op siliciummangaan van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Kazachstan en tot beëindiging van de procedure met betrekking tot siliciummangaan van oorsprong uit Oekraïne (PB L 317, blz. 5), de ontwikkeling van de situatie van Huta Laziska apart hebben beoordeeld.
83 In de tweede plaats zouden de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door geen rekening te houden met de gevolgen van de productieonderbrekingen bij enerzijds FerroAtlántica SL gedurende periodes van hoog energieverbruik waarin deze producent zijn winst vergrootte door energie te verkopen, en anderzijds Vargön Alloys die tijdens het onderzoektijdvak haar productie van ferrosilicium heeft beëindigd. Wat FerroAtlántica betreft merken verzoeksters in repliek op dat de Raad voor het eerst in zijn verweerschrift heeft aangevoerd dat het stilleggen van de productie van ferrosilicium tijdens pieken in het elektriciteitsverbruik altijd al onderdeel was geweest van het bedrijfsmodel van de vennootschap. Bovendien zou deze stelling worden weersproken in punt 81 van de bestreden verordening, waarin de Raad stelt dat productieverminderingen door stroomstoringen niet regelmatig voorkwamen.
84 De Raad, ondersteund door interveniënten, betwist de argumenten van verzoeksters.
– Beoordeling door het Gerecht
85 Deze grief heeft betrekking op de wijze waarop de instellingen de gevolgen van de productieonderbrekingen die bij drie producenten in de Gemeenschap, Huta Laziska, FerroAtlántica en Vargön Alloys hebben plaatsgevonden, voor de bedrijfstak van de Gemeenschap hebben beoordeeld.
86 In wezen verwijten verzoeksters de Raad enerzijds dat hij in punt 101 van de bestreden verordening de gevolgen van de productieonderbrekingen bij Huta Laziska onjuist heeft beoordeeld, en anderzijds dat hij met de productieonderbrekingen bij FerroAtlántica en Vargön Alloys geen rekening heeft gehouden.
87 Wat in de eerste plaats de vermeende kennelijke beoordelingsfout bij de behandeling van de situatie van Huta Laziska betreft, heeft de Raad in punt 101 van de bestreden verordening gesteld dat de oorzaak van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel moest worden geanalyseerd en dat, ook al zouden de gegevens met betrekking tot deze producent van de schadebeoordeling kunnen worden uitgesloten, de voor de rest van de bedrijfstak van de Gemeenschap waargenomen ontwikkelingen zeer negatief bleven en nog steeds een aanmerkelijke schade te zien gaven.
88 Om te beginnen hoeft, zoals verzoeksters op dit punt opmerken, de beoordeling van het bestaan van een causaal verband niet noodzakelijkerwijs op het niveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel te worden verricht, zodat schade die één enkele producent in de Gemeenschap lijdt door een andere factor dan de invoer met dumping niet in aanmerking zou kunnen worden genomen. In punt 30 supra is immers reeds in het kader van de analyse van de niet-toerekenbaarheid als bedoeld in artikel 3, lid 7, van de basisverordening benadrukt dat de instellingen enerzijds alle andere bekende factoren moeten onderzoeken die de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd als de invoer met dumping schade toebrengen, en anderzijds ervoor moeten zorgen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade niet aan die invoer wordt toegerekend. Artikel 3, lid 7, van de basisverordening preciseert niet dat bij dit onderzoek enkel rekening mag worden gehouden met schade door andere factoren die de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel betreft. Gelet op de doelstelling van deze bepaling, te weten, zoals in punt 31 supra is vermeld, ervoor zorgen dat de instellingen de schadelijke gevolgen van invoer met dumping scheiden en onderscheiden van die van andere factoren, is het mogelijk dat in bepaalde omstandigheden schade die een producent in de Gemeenschap individueel lijdt door een andere factor dan de invoer met dumping in aanmerking moet worden genomen, indien deze heeft bijgedragen aan de schade die is waargenomen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel.
89 Verder heeft de Raad inderdaad in punt 101 van de bestreden verordening op niet erg subtiele wijze gesteld dat de oorzaak van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel moet worden geanalyseerd, wat de indruk kan wekken dat een schadefactor die een enkele producent in de Gemeenschap raakt, nooit in aanmerking kan worden genomen. Toch is, anders dan verzoeksters stellen, de eventuele schade bij Huta Laziska door de productieonderbreking in punt 101 naar behoren in aanmerking genomen. Zo heeft de Raad, zoals uiteengezet in punt 87 supra, in dat punt uitgelegd dat ook al zouden de gegevens met betrekking tot deze producent van de schadebeoordeling worden uitgesloten, de voor de bedrijfstak van de Gemeenschap waargenomen ontwikkelingen nog steeds het bestaan van schade te zien zouden geven. Verzoeksters hebben evenwel niet geprobeerd aan te tonen dat deze laatste overweging blijk geeft van een kennelijk onjuiste beoordeling. Zij stellen uitsluitend dat de problemen van Huta Laziska met haar stroomleverancier tot onderbrekingen van de productie hebben geleid, hetgeen de Raad in punt 101 van de bestreden verordening in aanmerking heeft willen nemen.
90 Wat ten slotte verordening nr.1420/2007 betreft, is het, zoals in de punten 50 en 51 supra in herinnering is gebracht, de taak van de instellingen om in het kader van de uitoefening van hun beoordelingsvrijheid te onderzoeken of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft geleden en of deze schade is veroorzaakt door de invoer met dumping dan wel of andere bekende factoren aan de schade hebben bijgedragen. Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten (zie in die zin, arrest Hof van 14 maart 1990, Gestetner Holdings/Raad en Commissie, C‑156/87, Jurispr. blz. I‑781, punt 43). In elk geval wordt, anders dan verzoeksters beweren, de situatie van Huta Laziska in de bestreden verordening niet aanmerkelijk anders behandeld dan in verordening nr. 1420/2007. Net als in de bestreden verordening is er in verordening nr. 1420/2007 geen aparte afdeling over Huta Laziska te vinden. Bovendien behandelt verordening nr. 1420/2007, net als de bestreden verordening, de situatie van Huta Laziska in de afdeling gewijd aan de invloed van de ontwikkeling van de productiekosten op de schade. Er is slechts één verschil tussen verordening nr. 1420/2007 en de bestreden verordening. Terwijl de Raad in de bestreden verordening als hypothese en uitsluitend om iedere invloed op de beoordeling van de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel uit te sluiten, heeft erkend dat de schade van Huta Laziska het gevolg van het geschil met haar stroomleverancier kan zijn geweest, heeft hij in verordening nr. 1420/2007 erkend dat dit geschil en ook de hogere elektriciteitskosten wel enige invloed op de prestaties van Huta Laziska kunnen hebben gehad, maar dat, over het geheel gezien, de gestegen productiekosten niet aan de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade hadden bijgedragen.
91 Bijgevolg kan geen van de door verzoeksters aangevoerde argumenten aantonen dat punt 101 van de bestreden verordening een kennelijke beoordelingsfout bevat.
92 Wat in de tweede plaats de kennelijke beoordelingsfout betreft die zou zijn gemaakt bij de behandeling van de productieonderbrekingen bij FerroAtlántica en Vargön Alloys, moet in de eerste plaats met betrekking FerroAtlántica worden opgemerkt dat verzoeksters ter terechtzitting hebben aangegeven dat huns inziens de productieonderbrekingen bij deze vennootschap „schade door eigen toedoen” opleverden, aangezien de hogere elektriciteitsprijs FerroAtlántica ertoe had gebracht liever energie te verkopen dan ferrosilicium. Het is evenwel van belang vast te stellen dat het enige document waarop verzoeksters zich ter staving van deze vermeende kennelijke beoordelingsfout beroepen een brief van FerroAtlántica aan Euroalliages is, gedateerd 26 februari 2007. In deze brief heeft FerroAtlántica verklaard dat wegens haar tariefstelsel de productie van ferrosilicium gedurende de piekuren van het elektriciteitsverbruik was stilgelegd en de door haar in die uren geproduceerde elektriciteit was verkocht. Deze brief toont geenszins aan dat FerroAtlántica haar productie onderbreekt wanneer de elektriciteitsprijs stijgt. Verzoeksters hebben derhalve niet het bewijs geleverd, dat de beperking van de productie door FerroAtlántica gedurende de piekuren van het elektriciteitsverbruik had bijgedragen aan de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel en dat de Raad hiermee rekening had moeten houden.
93 Wat in de tweede plaats Vargön Alloys betreft, voeren verzoeksters uitsluitend aan dat deze vennootschap de productie midden in het onderzoektijdvak heeft beëindigd. Weliswaar stellen zij in een document dat als bijlage is gehecht aan het verzoekschrift, dat deze onderbreking het gevolg is van de hoge elektriciteitsprijs, maar zij voeren hiervoor geen enkel bewijs aan. Zij tonen derhalve geenszins aan dat deze vennootschap zelf aan haar eigen schade heeft bijgedragen en haar productie niet als reactie op de invoer van producten met dumping heeft onderbroken. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen specifieke overwegingen te wijden aan de situatie van Vargön Alloys.
94 Gelet op het voorgaande moet de eerste grief van het derde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Derde grief: het gebruik van de theoretische nominale productiecapaciteit
– Argumenten van partijen
95 Volgens verzoeksters heeft de Raad kennelijke beoordelingsfouten gemaakt en artikel 3, lid 7, van de basisverordening en hun rechten van verdediging geschonden door niet de werkelijke productiecapaciteit te gebruiken maar in plaats daarvan de theoretische nominale productiecapaciteit.
96 In de eerste plaats zou de Raad een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt omdat hij voorbij is gegaan aan omstandigheden als de omschakeling van de productie en de onderbrekingen in de elektriciteitsvoorziening, die van aanzienlijke invloed waren geweest op belangrijke schadefactoren als de productiecapaciteit en het gebruik daarvan.
97 Ten tweede merken verzoeksters op dat het onjuist is om te stellen, zoals de Raad doet, dat zelfs wanneer de werkelijke productiecapaciteit was gebruikt, dit geen invloed zou hebben gehad op de waargenomen trend bij de ontwikkeling van de productiecapaciteit en de bezettingsgraad, noch op de conclusie van het bestaan van schade. Gesteld dat de waargenomen trend wat de productiecapaciteit en de bezettingsgraad betreft hetzelfde was gebleven, zou namelijk het feit dat bijvoorbeeld de bezettingsgraad van 50 naar 95 % stijgt, van belang zijn, aangezien een dergelijke stijging zou betekenen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet is staat is aan de vraag te voldoen.
98 Ten derde geeft de stelling van de Raad dat de capaciteit van het theoretische nominale gebruik kon worden gebruikt omdat de productieonderbrekingen of ‑verminderingen zich niet regelmatig hadden voorgedaan, volgens verzoeksters, blijk van een grove feitelijke onjuistheid en een kennelijke beoordelingsfout. Verzoeksters merken enerzijds op dat de productieonderbrekingen of ‑verminderingen zich regelmatig hadden voorgedaan en dat hiermee rekening gehouden had moeten worden. Dat gold voor de productieonderbrekingen bij FerroAtlántica gedurende de piekuren van het elektriciteitsverbruik, hetgeen tot haar ondernemingsmodel behoorde en zich derhalve regelmatig had voorgedaan. Ook zou aan de ferrosiliciumovens jaarlijks onderhoud worden gepleegd, en kunnen zij in die tijd niet worden gebruikt. Anderzijds betogen verzoeksters dat het feit dat de productiecapaciteit werd berekend door alleen rekening te houden met gebeurtenissen die zich regelmatig voordeden, blijk geeft van een kennelijke beoordelingsfout. Zo had Huta Laziska, toen haar elektriciteitsvoorziening was verminderd, met verschillende aanmerkelijke capaciteitsverminderingen te maken gekregen, waardoor zij geen ferrosilicium had kunnen produceren, ongeacht de marktvoorwaarden.
99 In de tweede plaats menen verzoeksters dat wanneer het causaal verband op grond van de theoretische nominale capaciteit en niet de werkelijke capaciteit wordt beoordeeld, noodzakelijkerwijs de regel van niet-toerekening van artikel 3, lid 7, van de basisverordening wordt geschonden, aangezien hierdoor de werkelijke oorzaak van de gewijzigde productiecijfers wordt versluierd.
100 In de derde plaats voeren verzoeksters aan dat de bestreden verordening hun rechten van verdediging schendt, aangezien de stelling dat zelfs wanneer met de werkelijke gebruikscapaciteit rekening was gehouden, dit geen invloed zou hebben gehad op de trend, niet is onderbouwd.
101 De Raad, ondersteund door interveniënten, betwist de argumenten van verzoeksters.
– Beoordeling door het Gerecht
102 In het kader van deze grief betogen verzoeksters in wezen dat de instellingen door de theoretische nominale en niet de werkelijke productiecapaciteit te gebruiken, in de eerste plaats kennelijke beoordelingsfouten en een feitelijke vergissing hebben begaan, in de tweede plaats artikel 3, lid 7, van de basisverordening hebben geschonden, en in de derde plaats hun rechten van verdediging hebben geschonden.
103 Waar het in de eerste plaats gaat om de kennelijke beoordelingsfouten en de feitelijke vergissing die de instellingen zouden hebben begaan, wil het Gerecht eraan herinneren dat de Commissie in de punten 92 en 93 van de voorlopige verordening heeft uitgelegd dat zij de productiecapaciteit had vastgesteld op basis van de theoretische nominale capaciteit van de productie-eenheden van de bedrijfstak van de Gemeenschap, waarbij zij deze echter had gecorrigeerd om rekening te houden met het feit dat twee producenten in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode een deel van hun ferrosiliciumproductie op de productie van andere ijzerlegeringen hadden overgeschakeld. Bovendien heeft de Raad in punt 81 van de bestreden verordening gereageerd op de kritiek ten aanzien van de in punt 93 van de voorlopige verordening toegepaste methode, en meer in het bijzonder op de door bepaalde belanghebbenden in het kader van de administratieve procedure naar voren gebrachte voorstellen om een cijfer toe te passen dat rekening houdt met het stilleggen van de productie wegens stroomstoringen en onderhoud. Dienaangaande heeft hij verwezen naar het onderzoek waaruit, volgens hem, was gebleken dat de machines gedurende de beoordelingsperiode slechts tijdelijk en niet regelmatig voor onderhoud en door stroomstoringen stillagen. Ook heeft hij aangegeven dat zelfs wanneer er correcties op de productiecapaciteit werden aangebracht, dit niet van invloed zou zijn op de trend bij de productiecapaciteit en de bezettingsgraad, noch op de conclusies inzake het bestaan van aanmerkelijke schade.
104 Volgens verzoeksters geven deze overwegingen blijk van een kennelijke beoordelingsfout, met name omdat zij geen rekening houden met de onderbrekingen en het overschakelen van de productie. De stelling van verzoeksters mist echter nauwkeurigheid, aangezien zij niet specificeren welke onderbrekingen en overschakelingen zij bedoelen. Indien zij de gebeurtenissen zouden bedoelen die zijn genoemd in het kader van het onderzoek van de vorige twee grieven, namelijk de overschakeling en onderbreking van de productie bij Huta Laziska en de productieonderbrekingen bij FerroAtlántica en Vargön Alloys, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat verzoeksters niet betwisten dat met het besluit van Huta Laziska in 2004 om van de productie van ferrosilicium over te schakelen op die van siliciummangaan rekening is gehouden in de grafiek betreffende de productiecapaciteit en de bezettingsgraad, die is opgenomen in punt 93 van de voorlopige verordening, door middel van een correctie van deze productiecapaciteit en bezettingsgraad voor 2005 en het onderzoektijdvak.
105 Waar het verder de productieonderbrekingen bij Huta Laziska in 2005 en 2006 wegens een geschil met haar stroomleverancier, en bij Vargön Alloys in 2006 wegens, zoals verzoeksters menen, de gestegen elektriciteitskosten betreft, getuigt de aanpak van de instellingen niet alleen van gezond verstand, maar berust ook niet op een kennelijke beoordelingsfout. Uit punt 81 van de bestreden verordening blijkt namelijk dat de instellingen hebben besloten de cijfers van de productiecapaciteit niet te corrigeren, omdat deze onderbrekingen tijdelijk waren. De aanpak van de instellingen is terecht, omdat enerzijds, anders dan verzoeksters stellen, uit de informatie van het dossier blijkt dat deze onderbrekingen wel degelijk tijdelijk waren. Anderzijds, indien de cijfers van de productiecapaciteit zouden moeten weergeven dat installaties als hier bedoeld tijdelijk stillagen, zouden zij hun functie verliezen, namelijk een indicatie te geven van de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap en niet van de schommelingen van de productie die de productiecijfers laten zien. Niettemin behoort met tijdelijke stilleggingen van machines rekening te worden gehouden bij de analyse van de niet-toerekenbaarheid van artikel 3, lid 7, van de basisverordening, om te zorgen dat de aanpak van de instellingen geen kennelijke beoordelingsfout bevat.
106 In casu hebben de instellingen in punt 81 van de bestreden verordening gesteld dat zelfs wanneer er correcties in de productiecapaciteit moesten worden aangebracht, de conclusies inzake het bestaan van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap dezelfde zouden zijn gebleven. Weliswaar voeren verzoeksters aan dat deze stelling onjuist is, maar zij brengen geen omstandigheden naar voren om dit te bewijzen. Zij stellen eenvoudig dat zelfs wanneer de waargenomen trend bij de productiecapaciteit en de bezettingsgraad ongewijzigd was gebleven, het feit dat bijvoorbeeld de bezettingsgraad van 50 naar 95 % stijgt, van belang is, aangezien een dergelijke stijging betekent dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet is staat is om aan de vraag te voldoen. Afgezien van het feit dat het geval waarnaar verzoeksters verwijzen puur theoretisch is, levert de omstandigheid dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat is om aan de vraag te voldoen in een situatie als in casu, waarin bepaalde economische indicatoren laten zien dat de bedrijfstak van de Gemeenschap schade lijdt, geen indicatie op wat betreft de oorsprong van deze schade en kan als zodanig derhalve niet aantonen dat deze schade niet door de invoer met dumping is veroorzaakt.
107 Wat ten slotte de onderbrekingen van de productie betreft die zich bij FerroAtlántica hebben voorgedaan, is reeds in punt 92 supra vastgesteld dat verzoeksters niets hebben aangevoerd voor het bewijs dat deze productieverminderingen, die zich regelmatig voordeden, aan de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel hadden bijgedragen. Indien, zoals verzoeksters benadrukken, een in verband met deze onderbrekingen aangebrachte correctie van de productiecapaciteit zou hebben geleid tot een wijziging van de bezettingsgraad van de bedrijfstak in de Gemeenschap en aldus zou hebben aangetoond dat deze bedrijfstak in mindere mate in staat was om aan de vraag te voldoen, dan zou dit, zoals reeds in punt 106 supra opgemerkt, in een situatie waarin bepaalde economische indicatoren op schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap duiden, als zodanig niet kunnen aantonen dat deze schade niet door de invoer met dumping is veroorzaakt.
108 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat geen van de door verzoeksters aangevoerde argumenten kan aantonen dat er sprake is van kennelijke beoordelingsfouten waar het gaat om het gebruik van de theoretische nominale capaciteit.
109 Wat in de tweede plaats de schending van artikel 3, lid 7, van de basisverordening betreft, kan niet worden gesteld, zoals verzoeksters doen; dat wanneer het causaal verband wordt beoordeeld op grond van de theoretische nominale capaciteit en niet de werkelijke capaciteit, noodzakelijkerwijs de regel van niet-toerekening wordt geschonden. Weliswaar staat immers buiten kijf dat wanneer productiemiddelen voor een andere markt worden bestemd, zoals in casu is gebeurd, de gegevens over de productiecapaciteit gecorrigeerd moeten worden, maar in punt 105 supra is reeds benadrukt dat deze gegevens niet alle tijdelijke stilleggingen hoeven weer te geven, aangezien deze stilleggingen uit de productiecijfers blijken. Daarentegen moeten de instellingen in dergelijke omstandigheden zorgen voor naleving van de verplichtingen van artikel 3, lid 7, van de basisverordening en naar behoren een analyse van de niet-toerekening uitvoeren die in voorkomend geval de door het tijdelijk stilliggen van de productie veroorzaakte schade scheidt en onderscheidt van de schade veroorzaakt door de invoer met dumping.
110 Wat in de derde plaats de schending van de rechten van verdediging van verzoeksters betreft, gelden volgens de rechtspraak van het Hof de eisen inzake inachtneming van de rechten van de verdediging niet alleen in het kader van procedures die tot de oplegging van sancties kunnen leiden, maar ook in onderzoekprocedures die voorafgaan aan de vaststelling van antidumpingverordeningen, die de betrokken ondernemingen rechtstreeks en individueel kunnen raken en nadelige gevolgen voor hen kunnen hebben (arrest Hof van 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer/Raad, C‑49/88, Jurispr. blz. I‑3187, punt 15). In het bijzonder moeten de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en omtrent het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade (arrest Al-Jubail Fertilizer/Raad, reeds aangehaald, punt 17).
111 Zoals de Raad in dit verband opmerkt, werd in punt 80 van de definitieve mededeling, dat in wezen identiek is aan punt 81 van de bestreden verordening, aangegeven dat zelfs wanneer er correcties in de productiecapaciteit waren aangebracht, dit niet van invloed was geweest op de trend. Verzoeksters hebben evenwel in hun opmerkingen over de definitieve mededeling niet gevraagd hun de cijfers te verstrekken die aan deze stelling ten grondslag liggen. Zij kunnen derhalve niet beweren dat hun rechten van verdediging zijn geschonden.
112 Gelet op het vorengaande moet deze grief ongegrond worden verklaard.
Vierde grief: de door de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2005 en tijdens het onderzoektijdvak gedane investeringen
– Argumenten van partijen
113 Verzoeksters betogen dat de Raad de regel van niet-toerekening van artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft geschonden, aangezien hij in de bestreden verordening geen rekening zou hebben gehouden met de gevolgen van de aanzienlijke investeringen die de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2005 en tijdens het onderzoektijdvak heeft gedaan en die tijdens het onderzoektijdvak meer dan een derde van het totale verlies van de bedrijfstak van de Gemeenschap uitmaakten. Op dit punt benadrukken verzoeksters dat de instellingen in punt 99 van de voorlopige verordening hebben vermeld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2005 meer dan 10 miljoen EUR, en tijdens het onderzoektijdvak bijna 6 miljoen EUR, had geïnvesteerd in de modernisering van de productie-installaties. Volgens verzoeksters hadden in het bijzonder gelet op de omvang van deze investeringen ten opzichte van de winstgevendheid van de bedrijfstak, de gevolgen van deze investeringen moeten worden onderzocht, ook indien daarop over een langere termijn werd afgeschreven en ongeacht het antwoord op de vraag of het voldoen aan dwingende wettelijke milieunormen een schade was die de bedrijfstak van de Gemeenschap zichzelf heeft toegebracht.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaald in
- Gerecht EU 1 juni 2017, T-442/12, ECLI:EU:T:2017:372
- Gerecht EU 10 april 2019, T-301/16, ECLI:EU:T:2019:234
- Gerecht EU 4 mei 2022, T-30/19, ECLI:EU:T:2022:266
- Gerecht EU 10 april 2019, T-300/16, ECLI:EU:T:2019:235
- Gerecht EU 21 juni 2023, T-326/21, ECLI:EU:T:2023:347
- Gerecht EU 2 oktober 2024, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663