Gerecht EU 2 februari 2022, T-616/18, ECLI:EU:T:2022:43

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

2 februari 2022 ( *1 )

„Mededinging – Misbruik van machtspositie – Midden‑ en Oost-Europese gasmarkten – Besluit waarbij door een onderneming gedane individuele toezeggingen verbindend worden verklaard – Artikel 9 van verordening (EG) nr. 1/2003 – Toereikendheid van de toezeggingen ten aanzien van de oorspronkelijk in de mededeling van punten van bezwaar vastgestelde bezorgdheden in verband met de mededinging – Afzien door de Commissie van het eisen van toezeggingen ten aanzien van bepaalde aanvankelijke bezorgdheden – Beginsel van behoorlijk bestuur – Transparantie – Motiveringsplicht – Doelstellingen van het energiebeleid van de Unie – Beginsel van energiesolidariteit – Misbruik van bevoegdheid”

In zaak T‑616/18,

Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A., gevestigd te Warschau (Polen), vertegenwoordigd door K. Karasiewicz, radca prawny, T. Kaźmierczak, K. Kicun en P. Moskwa, advocaten,

verzoekster,

ondersteund door

Republiek Litouwen, vertegenwoordigd door K. Dieninis en R. Dzikovič als gemachtigden,

Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Nowacki als gemachtigden,

en

Overgas Inc., gevestigd te Sofia (Bulgarije), vertegenwoordigd door S. Gröss en S. Cappellari, advocaten,

interveniënten,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Meessen en J. Szczodrowski als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Gazprom PJSC, gevestigd te Moskou (Rusland),

en

Gazprom export LLC, gevestigd te Sint-Petersburg (Rusland),

vertegenwoordigd door J. Karenfort, J. Hainz, B. Evtimov, N. Tuominen en J. Heithecker, advocaten, en D. O’Keeffe, solicitor,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2018) 3106 final van de Commissie van 24 mei 2018 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39816 – Upstream gasleveringen in Midden‑ en Oost-Europa),

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, J. Svenningsen (rapporteur), R. Barents, C. Mac Eochaidh en T. Pynnä, rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 en 19 mei 2021,

het navolgende

Arrest

I. Voorgeschiedenis van het geding en ontwikkelingen na de instelling van het beroep

1 Verzoekster, Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A., is de moedervennootschap van de PGNiG-groep, die – voornamelijk in Polen – actief is in de aardgas‑ en aardoliesector. Deze groep houdt zich met name bezig met de exploratie en de productie van aardgas en ruwe aardolie en met de invoer, de verkoop en de distributie van aardgas.

2 Verzoekster vordert nietigverklaring van besluit C(2018) 3106 final van de Europese Commissie van 24 mei 2018 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39816 – Upstream gasleveringen in Midden‑ en Oost-Europa) (hierna: „bestreden besluit”), waarbij de door Gazprom PJSC en Gazprom export LLC (hierna samen: „Gazprom”) gedane toezeggingen verbindend zijn verklaard.

3 Met het bestreden besluit is een administratieve procedure afgesloten waarmee de Commissie, in het licht van het in artikel 102 VWEU vervatte verbod op misbruik van een machtspositie, de conformiteit heeft onderzocht van bepaalde praktijken van Gazprom die van invloed zijn op de aardgassector in bepaalde landen van Midden‑ en Oost-Europa (hierna: „LMOE’s”), namelijk Bulgarije, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen en Slowakije (hierna samen: „betrokken LMOE’s”).

A. Administratieve procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid

4 Tussen 2011 en 2015 heeft de Commissie verschillende maatregelen genomen om het functioneren van de gasmarkten in Midden‑ en Oost-Europa te onderzoeken. In het bijzonder heeft zij, krachtens de artikelen 18 en 20 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), verzoeken om inlichtingen gestuurd naar verschillende marktdeelnemers, met inbegrip van Gazprom en een aantal van haar afnemers, waaronder verzoekster, en heeft zij, onder meer in 2011, inspecties verricht in verzoeksters gebouwen. De administratieve procedure die met dit onderzoek overeenstemt en die in deze zaak rechtstreeks aan de orde is, is geregistreerd onder de referentie „zaak AT.39816 – Upstream gasleveringen in Midden‑ en Oost-Europa” (hierna: „zaak AT.39816”).

5 In het kader van deze zaak heeft de Commissie op 31 augustus 2012 formeel een procedure ingeleid teneinde, overeenkomstig artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 en artikel 2 van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18), een besluit op grond van hoofdstuk III van verordening nr. 1/2003 vast te stellen.

6 Op 22 april 2015 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 773/2004 Gazprom een mededeling van punten van bezwaar (hierna: „MPB”) toegezonden. In deze mededeling was de Commissie tot de voorlopige conclusie gekomen dat Gazprom een machtspositie innam op de nationale markten voor de upstream levering van groothandelsgas in de betrokken LMOE’s, en dat zij in strijd met artikel 102 VWEU misbruik maakte van deze positie door een mededingingsverstorende strategie toe te passen teneinde deze markten op te delen en te isoleren en zo het vrije verkeer van gas in de betrokken LMOE’s te verhinderen.

7 De Commissie was van mening dat deze strategie van Gazprom bestond uit drie mededingingsverstorende praktijken die van invloed waren op haar afnemers in de betrokken LMOE’s (hierna: „betrokken afnemers”) en op de met deze afnemers gesloten overeenkomsten (hierna: „betrokken overeenkomsten”): – Ten eerste heeft Gazprom in het kader van haar gasleveringsovereenkomsten met groothandelaren en bepaalde industriële afnemers in de betrokken LMOE’s territoriale beperkingen opgelegd (hierna: „bezwaren inzake territoriale beperkingen”). Deze beperkingen vloeien voort uit contractbepalingen die verbieden dat het geleverde gas uit het leveringsgebied wordt uitgevoerd of die de verplichting opleggen dat het gas binnen een bepaald gebied wordt gebruikt. Daarnaast heeft Gazprom nog van andere maatregelen gebruikgemaakt om grensoverschrijdende gasstromen te verhinderen. – Ten tweede hebben deze territoriale beperkingen Gazprom in staat gesteld een oneerlijk prijsbeleid te voeren in vijf van de betrokken LMOE’s, namelijk Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen en Polen (hierna: „vijf door de prijsstellingspraktijken getroffen LMOE’s”), door buitensporige prijzen op te leggen, die kennelijk hoger waren dan haar kostenniveau en bepaalde referentieprijzen (hierna: „bezwaren inzake prijsstellingspraktijken”). – Ten derde was Gazprom enkel bereid gas te leveren aan Bulgarije en Polen indien de betrokken groothandelaren bepaalde voorwaarden aanvaardden met betrekking tot de gastransportinfrastructuur. Deze voorwaarden hadden, allereerst, betrekking op de investeringen van de Bulgaarse groothandelaar in het South Stream-gasleidingproject. Voorts diende de Poolse groothandelaar, namelijk verzoekster, ermee in te stemmen dat Gazprom meer zeggenschap kreeg over het beheer van het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding, een van de belangrijkste gastransportleidingen in Polen (hierna: „bezwaren inzake Yamal”).

8 Op 29 september 2015 heeft Gazprom op de MPB geantwoord, waarbij zij de door de Commissie geuite bezorgdheden in verband met de mededinging betwistte. Vervolgens is zij overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 773/2004 gehoord ter terechtzitting van 15 december 2015.

9 Op 14 februari 2017 heeft Gazprom, die de in de MPB vermelde bezorgdheden in verband met de mededinging bleef betwisten, overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1/2003 formeel ontwerptoezeggingen ingediend (hierna: „aanvankelijke toezeggingen”). Aan deze ontwerptoezeggingen waren informele voorstellen voor toezeggingen voorafgegaan.

10 Op 16 maart 2017 heeft de Commissie, teneinde opmerkingen van belanghebbenden over de aanvankelijke toezeggingen te ontvangen, overeenkomstig artikel 27, lid 4, van verordening nr. 1/2003, in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2017, C 81, blz. 9) een mededeling gepubliceerd met een samenvatting van zaak AT.39816 en de essentie van de aanvankelijke toezeggingen. Overeenkomstig diezelfde bepaling beschikten de belanghebbenden vanaf de publicatiedatum van deze mededeling over een termijn van zeven weken om hun opmerkingen in te dienen (hierna: „marktconsultatie”). De Commissie heeft 44 reeksen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen, onder meer van verzoekster, de Poolse regering, de voorzitter van de Urząd Regulacji Energetyki (Poolse energietoezichthouder; hierna: „Poolse toezichthouder”) en Gaz-System S.A., de beheerder van het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding.

11 Op 15 maart 2018 heeft Gazprom, na de niet-vertrouwelijke versies van de opmerkingen van de belanghebbenden over de aanvankelijke toezeggingen te hebben ontvangen, gewijzigde ontwerptoezeggingen ingediend (hierna: „definitieve toezeggingen”).

12 Overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 1/2003 heeft de Commissie het adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities (hierna: „adviescomité”) geraadpleegd en heeft zij dit comité een voorontwerp voor een besluit meegedeeld. Op 2 mei 2018 heeft het adviescomité een gunstig advies over dit voorontwerp uitgebracht. Verder heeft de raadadviseur-auditeur, overeenkomstig artikel 16 van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB 2011, L 275, blz. 29), op 2 mei 2018 zijn eindverslag ingediend.

13 Op 24 mei 2018 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld, waarbij de definitieve toezeggingen zijn gevoegd. Bij dit besluit heeft zij deze toezeggingen goedgekeurd en verbindend verklaard en de administratieve procedure beëindigd, door te concluderen dat er niet langer gronden bestonden om op te treden met betrekking tot de aanvankelijk in de MPB vastgestelde mogelijke misbruikpraktijken.

B. Bestreden besluit

14 In het bestreden besluit heeft de Commissie eerst een voorlopige beoordeling van de praktijken van Gazprom gegeven, alvorens de aanvankelijke toezeggingen, de resultaten van de marktconsultatie en de definitieve toezeggingen voor te stellen. Vervolgens heeft zij haar beoordeling van de definitieve toezeggingen uiteengezet, alsmede de redenen waarom zij deze toezeggingen, in het licht van haar bezorgdheden in verband met de mededinging, bevredigend achtte.

1. Voorlopige beoordeling van de betrokken praktijken

15 In afdeling 4 van het bestreden besluit, waarin de voorlopige beoordeling wordt uiteengezet, heeft de Commissie de relevante markten omschreven als de nationale markten voor de upstream levering van groothandelsgas. In dit verband heeft zij ook vastgesteld dat Gazprom een machtspositie innam op de relevante markten in de betrokken LMOE’s.

16 De Commissie was van mening dat Gazprom, in strijd met artikel 102 VWEU, mogelijk misbruik had gemaakt van haar machtspositie door een mededingingsverstorende strategie toe te passen teneinde het vrije verkeer van gas in de betrokken LMOE’s te verhinderen en zo de relevante markten van deze landen te isoleren. Meer in het bijzonder was zij van mening dat deze strategie bestond uit drie mededingingsverstorende praktijken die in wezen overeenkwamen met de in de MPB vastgestelde bezorgdheden in verband met de mededinging, die in punt 7 hierboven zijn weergegeven.

17 Hoewel sommige belanghebbenden in het kader van de marktconsultatie kritiek hebben geleverd op het ontbreken van toezeggingen die tegemoetkwamen aan de bezwaren inzake Yamal, heeft de Commissie in overweging 138 van het bestreden besluit uiteengezet dat haar voorlopige bezorgdheden in verband met de mededinging na verder onderzoek niet waren bevestigd. Ten eerste heeft zij opgemerkt dat de Poolse toezichthouder, in een besluit van 19 mei 2015 waarbij Gaz-System is gecertificeerd als onafhankelijke systeembeheerder (hierna: „OSB”) van het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding (hierna: „certificeringsbesluit”), met name had geconcludeerd dat Gaz-System beslissende zeggenschap uitoefende over investeringsbesluiten met betrekking tot dit gedeelte van de gasleiding en over de uitvoering daarvan. Bijgevolg kon noch System Gazociągów Tranzytowych EuRoPol GAZ s.a. (hierna: „EuRoPol”), als eigenaar van de gasleiding, noch Gazprom, als aandeelhouder van EuRoPol, deze besluiten blokkeren. Ten tweede heeft de Commissie gewezen op het intergouvernementele karakter van de betrekkingen tussen de partijen die actief zijn in de gassector in Polen, met name wat de aanleg en het beheer van het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding betreft, en heeft zij geconcludeerd dat het mogelijk is dat deze omstandigheid de handelwijze van de betrokken partijen in hoge mate had bepaald.

2. Inhoud van de definitieve toezeggingen

18 Met de definitieve toezeggingen, die als bijlage bij het bestreden besluit zijn gevoegd, moet worden tegemoetgekomen aan de bezorgdheden van de Commissie in verband met de mededinging.

19 Wat ten eerste de toezeggingen betreft om tegemoet te komen aan de bezorgdheden in verband met de territoriale beperkingen (hierna: „toezeggingen inzake territoriale beperkingen”), heeft Gazprom zich er in wezen toe verbonden om in gasleveringsovereenkomsten die zij met haar in de betrokken LMOE’s gevestigde afnemers heeft gesloten, alle bepalingen te schrappen die het vrije verkeer van gas in de door deze landen gevormde regio direct of indirect verbieden of verhinderen.

20 Verder heeft Gazprom, teneinde een gasstroom tussen Bulgarije en de Baltische staten enerzijds en de andere betrokken LMOE’s anderzijds – ondanks het infrastructurele isolement van eerstgenoemde landen – mogelijk te maken, zich ertoe verbonden maatregelen te nemen om de betrokken afnemers de mogelijkheid te bieden hun contractuele gasvolumes die op bepaalde leveringspunten in Hongarije, Polen en Slowakije worden geleverd, in plaats daarvan geheel of gedeeltelijk te laten leveren op een ander leveringspunt in Bulgarije of in de Baltische staten. Naar aanleiding van de marktconsultatie heeft Gazprom in de definitieve toezeggingen met name haar voorstel betreffende de wijziging van de leveringspunten aangescherpt.

21 Teneinde de beheerder van het Bulgaarse transportsysteem in staat te stellen de stromen in Bulgarije te controleren, heeft Gazprom zich er voorts met name toe verbonden maatregelen te nemen om de relevante overeenkomsten voor de levering en het transport van gas te wijzigen om zo het sluiten van interconnectieovereenkomsten tussen Bulgarije en andere lidstaten, in het bijzonder Griekenland, mogelijk te maken en de methode voor de toewijzing van gas aan te passen.

22 Wat ten tweede de toezeggingen betreft om tegemoet te komen aan de bezorgdheden in verband met prijzen (hierna: „toezeggingen inzake prijsstellingspraktijken”), heeft Gazprom zich ertoe verbonden prijsherzieningsclausules in te voegen of, in voorkomend geval, de bestaande clausules te wijzigen in de overeenkomsten met haar betrokken afnemers in Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen en Polen. Deze nieuwe of gewijzigde prijsherzieningsclausules bepalen met name dat, indien de partijen niet binnen 120 dagen overeenstemming bereiken over een nieuwe prijs, elk van de partijen het geschil kan voorleggen aan een binnen de Europese Unie opgericht scheidsgerecht, dat zich moet baseren op de in deze clausules opgenomen prijsrichtsnoeren. De herziene prijzen worden bovendien met terugwerkende kracht toegepast vanaf de datum van kennisgeving van het prijsherzieningsverzoek.

23 Wat ten derde de toezeggingen betreft inzake de bezorgdheden in verband met de mededinging die betrekking hebben op het feit dat de gasbevoorrading tegen een bepaalde prijs afhankelijk was gesteld van het verkrijgen van een toezegging van de Bulgaarse groothandelaar met betrekking tot investeringen in het South Stream-gasleidingproject, heeft Gazprom zich ertoe verbonden de bij dit project betrokken Bulgaarse partners toestemming te geven om zich uit het project terug te trekken zonder dat hun wettelijke aansprakelijkheid wordt ingeroepen en zonder dat de aan deze partners als tegenprestatie voor hun deelname aan het project toegekende kortingen op de gasprijzen worden teruggevorderd. Voorts heeft Gazprom, gelet op de aangekondigde stopzetting van het Bulgaarse gedeelte van het gasleidingproject, zich ertoe verbonden geen schadevergoeding te eisen als specifieke compensatie voor deze stopzetting.

3. Beoordeling en uitvoering van de definitieve toezeggingen

24 In het bestreden besluit heeft de Commissie in wezen geconcludeerd dat de definitieve toezeggingen doeltreffend en noodzakelijk waren om tegemoet te komen aan haar bezorgdheden in verband met de mededinging, zonder disproportioneel te zijn, waarbij zij erop wees dat zij in dit verband rekening had gehouden met de ontwikkelingen op de gasmarkten sinds de kennisgeving van de MPB. Met name heeft zij erop gewezen, ten eerste, dat Gazprom reeds bepaalde maatregelen had genomen om haar gedrag meer in overeenstemming met het mededingingsrecht te brengen, ten tweede, dat de situatie op het gebied van gasinfrastructuur in sommige van de betrokken LMOE’s, namelijk Tsjechië, Hongarije, Polen en Slowakije, was verbeterd zodat grensoverschrijdende gasstromen mogelijk werden ook al bleven de gasmarkten in de Baltische staten en Bulgarije geïsoleerd van de andere gasmarkten van de Unie, en ten derde, dat ten gevolge van de daling van de aardolieprijzen ook sommige langetermijngasprijzen, die werden berekend via formules met een indexering op basis van de prijzen van aardolieproducten, waren gedaald.

25 Bijgevolg heeft de Commissie besloten om, overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1/2003, de definitieve toezeggingen verbindend te maken. Wat de geldigheidsduur van deze toezeggingen betreft, bepaalt het bestreden besluit dat zij van toepassing zijn voor een termijn van acht jaar vanaf de datum van de kennisgeving van het besluit aan Gazprom, met uitzondering van de in punt 23 hierboven genoemde toezeggingen betreffende het South Stream-gasleidingproject, die verbindend zijn voor een termijn van vijftien jaar vanaf diezelfde datum.

26 Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt: „Artikel 1 De in de bijlage vermelde toezeggingen zijn gedurende een termijn van acht jaar verbindend voor [Gazprom] en voor elke juridische entiteit die direct of indirect onder haar zeggenschap staat, met uitzondering van de in punt 21 van de bijlage opgenomen toezeggingen, die verbindend zijn voor een termijn van vijftien jaar vanaf de in de toezeggingen vastgestelde datum. Artikel 2 Geconcludeerd wordt dat er in deze zaak niet langer gronden [voor een optreden van de Commissie] bestaan […]”.

C. Klacht

27 Parallel aan de door de Commissie ingeleide administratieve procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid, had verzoekster op 9 maart 2017, overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 773/2004, een klacht ingediend wegens vermeende misbruikpraktijken van Gazprom (hierna: „klacht”). Deze praktijken, die grotendeels overeenkwamen met die welke reeds in de MPB aan de orde waren gesteld, omvatten met name vermeend misbruik door Gazprom met betrekking tot het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding.

28 Op 29 maart 2017 heeft de Commissie de ontvangst van de klacht bevestigd, waarna de klacht is geregistreerd onder de referentie „zaak AT.40497 – Poolse gasprijzen” (hierna: „zaak AT.40497”).

29 In een brief van 31 maart 2017 aan verzoekster heeft de Commissie opgemerkt dat de in de klacht vermelde praktijken en die waarop de aanvankelijke toezeggingen betrekking hadden, elkaar leken te overlappen, en heeft zij verzoekster verzocht om over deze toezeggingen opmerkingen in te dienen in het kader van de op 16 maart 2017 gestarte marktconsultatie. Na een verlenging van de toepasselijke termijn te hebben verkregen, heeft verzoekster op 19 mei 2017 haar opmerkingen ingediend.

30 Op 15 mei 2017 heeft Gazprom haar opmerkingen over de klacht aan de Commissie meegedeeld.

31 Bij brief aan verzoekster van 23 januari 2018 (hierna: „intentieverklaring tot afwijzing”) heeft de Commissie overeenkomstig artikel 7, lid 1, van verordening nr. 773/2004 te kennen gegeven dat zij voornemens was de klacht af te wijzen en heeft zij verzoekster verzocht om binnen vier weken na ontvangst van deze brief haar standpunt kenbaar te maken. De Commissie heeft ook een niet-vertrouwelijke versie van de MPB opgestuurd, alsmede een niet-vertrouwelijke versie van de in punt 30 hierboven genoemde opmerkingen van Gazprom betreffende de klacht.

32 Op 2 maart 2018 heeft verzoekster in antwoord op de intentieverklaring tot afwijzing haar opmerkingen ingediend. Daarin uitte zij haar ontevredenheid over de conclusies in bovengenoemde brief, bekritiseerde zij de wijze waarop de Commissie het onderzoek had gevoerd en merkte zij op dat de Commissie haar rechten als klager in zaak AT.39816 had geschonden, met name omdat de Commissie haar, ondanks talrijke verzoeken, bijna een jaar lang geen inzage in de MPB had gegeven en haar evenmin de mogelijkheid had geboden opmerkingen over die mededeling in te dienen.

33 Op 5 september 2018, dus na de vaststelling van het bestreden besluit, heeft verzoekster bij de raadadviseur-auditeur een met redenen omkleed verzoek in de zin van artikel 7, lid 2, onder b), van besluit 2011/695 ingediend, waarin zij verzocht om inzage in alle documenten waarop de Commissie haar voorlopige beoordeling, zoals uiteengezet in de intentieverklaring tot afwijzing, had gebaseerd. In het bijzonder wenste zij inzage in een versie van de MPB waaruit minder informatie was weggelaten. Op 17 september 2018 heeft de raadadviseur-auditeur deze op 5 september 2018 ontvangen verzoeken om inzage doorgezonden naar het directoraat-generaal (DG) Concurrentie van de Commissie. Bij brief van 25 september 2018 heeft de Commissie de door verzoekster in haar brieven van 2 maart en 5 september 2018 gedane verzoeken om inzage in de documenten afgewezen.

34 Op 24 januari 2019 heeft verzoekster de voor mededinging bevoegde commissaris een brief gestuurd waarin zij de Commissie, overeenkomstig artikel 265, tweede alinea, VWEU, uitnodigde tot handelen, hetzij door vaststelling van een besluit tot afwijzing van de klacht, hetzij door voortzetting van de procedure in zaak AT.40497. Op 8 februari 2019 heeft de Commissie op deze brief geantwoord, waarbij zij eraan herinnerde dat naar aanleiding van de klacht reeds verschillende uitwisselingen tussen hen hadden plaatsgevonden. Verder heeft de Commissie, wat zaak AT.39816 betreft, verklaard dat zij het bestreden besluit had vastgesteld, waarin met name rekening was gehouden met de door verzoekster in het kader van de marktconsultatie ingediende opmerkingen, en wat zaak AT.40497 betreft, dat zij de intentieverklaring tot afwijzing had verstuurd, waarop verzoekster had geantwoord, en dat zij de laatste hand legde aan haar analyse van de klacht.

35 Op 17 april 2019 heeft de Commissie besluit C(2019) 3003 final houdende afwijzing van een klacht (zaak AT.40497 – Poolse gasprijzen) vastgesteld.

36 Op 25 juni 2019 heeft verzoekster tegen dit besluit tot afwijzing van de klacht een beroep bij het Gerecht ingesteld dat is ingeschreven onder zaaknummer T‑399/19.

II. Procedure en conclusies van partijen

37 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 oktober 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. Het verweerschrift, de repliek en de dupliek zijn respectievelijk op 9 januari, 27 februari en 8 mei 2019 ingediend.

38 In een afzonderlijke akte bij het verzoekschrift heeft verzoekster het Gerecht overeenkomstig artikel 152 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht volgens de versnelde procedure uitspraak te doen. Bij beslissing van 30 november 2018 heeft het Gerecht dit verzoek afgewezen.

39 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 februari 2019, heeft Gazprom verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij aktes, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 25, 27 en 28 februari 2019, hebben Overgas Inc., de Republiek Litouwen en de Republiek Polen verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van verzoekster.

40 Bij beslissing van 5 april 2019 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht, de hoofdpartijen gehoord, de Republiek Polen toegelaten tot interventie. Bij beschikkingen van 17 mei 2019 heeft deze president, de hoofdpartijen gehoord, de Republiek Litouwen, Gazprom en Overgas toegelaten tot interventie.

41 De memories in interventie zijn ingediend respectievelijk op 30 augustus 2019 voor de Republiek Litouwen, op 6 september 2019 voor de Republiek Polen en voor Overgas en op 4 oktober 2019 voor Gazprom. Verzoekster en de Commissie hebben op 15 november 2019 hun opmerkingen over de memories in interventie ingediend. De Commissie heeft evenwel geen opmerkingen ingediend over de memorie in interventie van Gazprom.

42 Op 4 oktober 2019 is de rechter-rapporteur, bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht, toegevoegd aan de Achtste kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

43 Bij brieven van de griffie van het Gerecht van 17 december 2019 is verzoekster, in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang, verzocht om verscheidene documenten over te leggen en is de Commissie verzocht om schriftelijk te antwoorden op een vraag over de vertrouwelijkheid van bepaalde gegevens in de vertrouwelijke versie van de MPB.

44 Bij beschikking van dezelfde datum heeft het Gerecht de Commissie gelast om, krachtens artikel 24, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en artikel 91, onder b), en artikel 92, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, onverminderd artikel 103 van het Reglement, een volledig afschrift van de vertrouwelijke versie van de MPB over te leggen.

45 Partijen hebben binnen de gestelde termijnen naar behoren gevolg gegeven aan de op 17 december 2019 vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang en aan de op diezelfde datum door het Gerecht gegeven beschikking houdende een maatregel van instructie.

46 Bij brieven van de griffie van het Gerecht van 6 mei 2020 is verzoekster en de Commissie verzocht om documenten over te leggen en schriftelijk te antwoorden op de vragen die het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang had gesteld. Beide partijen hebben binnen de gestelde termijn gevolg gegeven aan deze maatregelen.

47 Bij beslissing van 28 mei 2020 heeft de president van de Achtste kamer, krachtens artikel 67, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Reglement, beslist om de onderhavige zaak, gelet op de bijzondere omstandigheden ervan, bij voorrang te behandelen.

48 Op 8 juni 2020 heeft het Gerecht, op voorstel van de Achtste kamer, overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering, beslist om deze zaak naar de Achtste kamer (uitgebreid) te verwijzen. Omdat een lid van deze uitgebreide kamer verhinderd was, is de president van het Gerecht bij beslissing van 15 juni 2020 aangewezen om de kamer te vervolledigen.

49 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht beslist om tot de mondelinge behandeling over te gaan. In dat kader is verzoekster, de Commissie en Overgas verzocht om documenten over te leggen en schriftelijk te antwoorden op de vragen die het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang had gesteld. In reactie op deze maatregelen heeft Overgas op 26 november 2020 haar opmerkingen ingediend, terwijl verzoekster en de Commissie op 8 december 2020 hun respectieve opmerkingen hebben ingediend en een aantal documenten hebben overgelegd (hierna: „reacties van 8 december 2020”).

50 Voorts heeft het Gerecht, wat betreft het volledige afschrift van de door de Commissie overgelegde vertrouwelijke versie van de MPB (zie de punten 43 en 45 hierboven), overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist dit document ter kennis van de vertegenwoordigers van verzoekster te brengen, op voorwaarde dat zij vooraf een vertrouwelijkheidsovereenkomst ondertekenen, zodat verzoekster opmerkingen over het document kon indienen. Deze vertegenwoordigers hebben ondertekende vertrouwelijkheidsovereenkomsten overgelegd, waarna het betrokken document aan hen is betekend en verzoekster op 8 december 2020 haar opmerkingen heeft ingediend.

51 Om redenen in verband met de COVID-19-gezondheidscrisis en op verzoek van bepaalde partijen, heeft de president van de Achtste kamer (uitgebreid) beslist de terechtzitting, die aanvankelijk voor 20 en 21 januari 2021 was gepland, uit te stellen.

52 Partijen hebben ter terechtzitting van 18 en 19 mei 2021 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht. Bij die gelegenheid heeft het Gerecht tevens aangegeven dat het nota had genomen van de op 27 april 2021 door de Commissie ingediende opmerkingen betreffende het rapport ter terechtzitting.

53 Op de tweede dag van de terechtzitting heeft de Commissie, naar aanleiding van vragen van het Gerecht over de ontvankelijkheid van het beroep, haar standpunt over die ontvankelijkheid herzien en heeft zij gesteld dat verzoekster niet had aangetoond dat zij in de onderhavige zaak een procesbelang had, zodat het beroep niet ontvankelijk was.

54 Verzoekster heeft, met betrekking tot bepaalde informatie in verscheidene processtukken, verzoeken om vertrouwelijke behandeling ingediend ten aanzien van de Republiek Litouwen, de Republiek Polen, Gazprom en Overgas. Deze laatste hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze verzoeken.

55 Verzoekster, ondersteund door de Republiek Litouwen, de Republiek Polen en Overgas, verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

56 De Commissie, ondersteund door Gazprom, verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

57 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan, die in wezen zijn ontleend aan: – het eerste middel: schending van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, en van het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat de bezwaren inzake Yamal ongegrond zijn en door toezeggingen te aanvaarden die geenszins tegemoetkomen aan deze bezwaren; – het tweede middel: schending van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, en van het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie de definitieve toezeggingen heeft aanvaard terwijl deze niet adequaat tegemoetkomen aan de bezwaren inzake prijsstellingspraktijken; – het derde middel: schending van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, en van het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie de definitieve toezeggingen heeft aanvaard terwijl deze niet op adequaat tegemoetkomen aan de bezwaren inzake territoriale beperkingen; – het vierde middel: schending van artikel 194, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 7 VWEU, doordat het bestreden besluit in strijd is met de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie en doordat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de negatieve gevolgen van dit besluit voor de Europese gasleveringsmarkt; – het vijfde middel: schending van artikel 18, lid 1, VWEU en van het beginsel van gelijke behandeling, doordat de Commissie de afnemers van Gazprom die actief zijn in de West-Europese lidstaten enerzijds en de afnemers die actief zijn in de betrokken LMOE’s anderzijds ongelijk heeft behandeld; – het zesde middel: misbruik van bevoegdheid en schending van wezenlijke vormvoorschriften, doordat de Commissie met het bestreden besluit de doelstelling van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 en de grenzen van haar bevoegdheden bij het beheer van de administratieve procedure heeft overschreden.

A. Verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang

58 In haar memories heeft verzoekster verzocht om de Commissie te gelasten om, primair, de handelingen van procedure AT.39816, de handelingen van procedure AT.40497 en, voor zover zij niet reeds onder een van deze twee categorieën vallen, bepaalde meer specifiek geïdentificeerde documenten over te leggen. Subsidiair dient de Commissie laatstbedoelde documenten over te leggen, alsmede een niet-vertrouwelijke versie van de MPB waaruit minder informatie is weggelaten dan uit die waarover verzoekster reeds beschikt. De gevraagde documenten zijn nuttig omdat het Gerecht de rechtmatigheid van het bestreden besluit alleen kan toetsen door rekening te houden met de context die wordt gevormd door de volledige dossiers in de zaken AT.39816 en AT.40497.

59 De Commissie is van mening dat, met uitzondering van de MPB, geen van de betrokken documenten of informatie van nut is voor de procedure, en zij stelt dat verzoekster haar verzoeken niet voldoende onderbouwt.

60 In dit verband zij eraan herinnerd dat een klager of een tot de procedure toegelaten derde in de zin van de artikelen 5 en 11 van verordening nr. 773/2004 geen recht op toegang tot het dossier heeft zoals het recht waarin artikel 15 van deze verordening voorziet voor de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar, voor wie deze toegang er met name voor moet zorgen dat zij kennis kunnen nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij zich op basis van dit materiaal op zinvolle wijze kunnen uitspreken over de conclusies die de Commissie in haar mededeling van punten van bezwaar heeft geformuleerd (zie met name arrest van 14 mei 2020, NKT Verwaltungs en NKT/Commissie, C‑607/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:385, punt 261 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Overeenkomstig artikel 6 van deze verordening heeft een klager daarentegen het recht een afschrift te ontvangen van de niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar met betrekking tot een zaak waarover de Commissie een klacht heeft ontvangen.

61 Deze regels zijn echter niet van toepassing op de gerechtelijke procedure bij het Gerecht, die wordt beheerst door artikel 24 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en door het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. In dit verband komt de beoordeling van de opportuniteit om een maatregel tot organisatie van de procesgang of een maatregel van instructie te treffen, toe aan de rechter en niet aan partijen, waarbij laatstgenoemden in het kader van een hogere voorziening eventueel de in eerste aanleg gemaakte keuze kunnen betwisten (arrest van 12 mei 2010, Commissie/Meierhofer, T‑560/08 P, EU:T:2010:192, punt 61). Zo kan het Gerecht de partijen verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken die het overeenkomstig artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering wenselijk acht. Daartoe kan de verzoekende partij het Gerecht verzoeken de verwerende partij te gelasten stukken die in haar bezit zijn, over te leggen. Opdat het Gerecht evenwel zou kunnen bepalen of het voor het goede verloop van de procedure nuttig is deze overlegging van stukken te gelasten, moet de verzoekende partij de betrokken stukken identificeren en ten minste een minimum aan gegevens verstrekken die aannemelijk maken dat deze stukken voor de beslechting van het geschil van nut zijn (zie in die zin arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, EU:C:1998:608, punten 90‑93).

62 In het onderhavige geval beperkt verzoekster zich er grotendeels toe grote hoeveelheden documenten op te vragen zonder voldoende nauwkeurig aan te geven om welke documenten het precies gaat en zonder duidelijk te maken waarom de gevraagde documenten nuttig kunnen zijn in het kader van de procedure, anders dan door te stellen dat zij „de context” vormen waarmee het Gerecht bij zijn beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit rekening moet houden.

63 Derhalve concludeert het Gerecht, na verzoeksters verzoeken in het licht van de aangevoerde middelen en argumenten te hebben onderzocht, dat er geen reden is om de gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 89, lid 3, onder d), van het Reglement voor de procesvoering vast te stellen. In dit verband moet evenwel worden opgemerkt dat het Gerecht, zoals in de punten 43, 46 en 49 hierboven is opgemerkt, met het oog op de behandeling van de ter ondersteuning van het beroep aangevoerde middelen, verscheidene maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft vastgesteld, waaronder met name verzoeken om overlegging van documenten.

64 Wat de behandeling van de MPB en met name die van de vertrouwelijke versie daarvan betreft, deze kwestie zal hierna worden onderzocht in het kader van de behandeling van het zesde middel.

B. Eerste middel: schending van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, en van het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat de bezwaren inzake Yamal ongegrond zijn en door toezeggingen te aanvaarden die geenszins tegemoetkomen aan deze bezwaren

65 Het eerste middel betreft de wijze waarop de Commissie de bezwaren inzake Yamal heeft behandeld. Dit middel bestaat in wezen uit twee onderdelen.

1. Eerste onderdeel van het eerste middel: fouten van de Commissie met betrekking tot het laten vallen van de bezwaren inzake Yamal en het ontbreken van een toezegging in antwoord op die bezwaren

66 Verzoekster, ondersteund door de Republiek Polen, verwijt de Commissie dat zij de aanvankelijke bezwaren inzake de Yamal-gasleiding heeft laten vallen en dat met betrekking tot deze bezwaren derhalve geen toezeggingen zijn gedaan. Zij is van mening dat de Commissie, anders dan zij in het kader van het onderhavige beroep stelt, deze handelwijze diende te rechtvaardigen. Bovendien bevatten de twee gronden die in overweging 138 van het bestreden besluit in dit verband niettemin worden vermeld, een kennelijke beoordelingsfout.

67 De Commissie stelt dat dit onderdeel ongegrond moet worden verklaard.

a) Bezwaar inzake de verplichting voor de Commissie om het ontbreken van een toezegging in antwoord op de bezwaren inzake Yamal te rechtvaardigen

68 Verzoekster stelt dat de Commissie niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 wat de behandeling en meer in het bijzonder het laten vallen van de bezwaren inzake Yamal betreft.

69 In de MPB heeft de Commissie immers gewezen op de handelwijze van Gazprom, die bestond in het blokkeren van de besluiten van EuRoPol die nodig waren voor de verwezenlijking van bidirectionele gasstromen – virtueel of fysiek – op het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding, en heeft zij geoordeeld dat rechtens genoegzaam was aangetoond dat deze handelwijze een mededingingsverstorende praktijk was. Gelet op de vereisten van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 kon de Commissie, volgens verzoekster, dan ook geen toezeggingen aanvaarden die geenszins tegemoetkwamen aan de bezwaren inzake Yamal. In essentie heeft de Commissie de draagwijdte van de bezwaren tegen Gazprom gewijzigd zonder de daartoe voorziene procedure te volgen en zonder de redenen voor deze wijziging toe te lichten.

70 Voorts betwist verzoekster het standpunt van de Commissie waarbij de in de „voorlopige beoordeling” van het bestreden besluit (afdeling 4) vermelde bezorgdheden in verband met de mededinging voorrang krijgen boven die welke in de MPB zijn uiteengezet. Volgens punt 123 van de mededeling van de Commissie inzake goede praktijken voor procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU (PB 2011, C 308, blz. 6; hierna: „goede praktijken”), voldoet een in voorkomend geval aan de betrokken onderneming betekende mededeling van punten van bezwaar „aan de vereisten van een voorlopige beoordeling”. Er zijn in casu geen aanwijzingen dat de Commissie, na de MPB te hebben betekend, een nieuwe voorlopige beoordeling zou hebben meegedeeld, waaruit de bezwaren inzake Yamal waren weggelaten. Derhalve heeft zij de reikwijdte van de MPB nooit formeel gewijzigd.

71 Op dit punt is verzoekster van mening dat de Commissie niet mag voorbijgaan aan de fasen van de administratieve procedure die aan de vaststelling van het bestreden besluit zijn voorafgegaan, waaronder met name de kennisgeving van de MPB. Een dergelijke handelwijze zou immers in de weg staan aan een toetsing door de Unierechter, die de juistheid, de volledigheid en de betrouwbaarheid moet nagaan van de aan een besluit van de Commissie ten grondslag liggende feiten en die niet mag worden verhinderd om bij de uitlegging van dit besluit een mededeling van punten van bezwaar te gebruiken. Volgens de door de Commissie voorgestane aanpak zou haar een arbitraire bevoegdheid worden verleend bij de goedkeuring van toezeggingen, in die zin dat zij de inhoud van een voorlopige beoordeling zou kunnen „afstemmen” op de toezeggingen waartoe een onderneming zich bereid zou tonen.

72 De Commissie herinnert eraan dat haar rol bij de toepassing van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 erin bestaat de door de betrokken onderneming gedane toezeggingen te onderzoeken in het licht van de bezorgdheden in verband met de mededinging waarvan zij deze onderneming via een „voorlopige beoordeling” in kennis heeft gesteld. De Commissie maakt onderscheid tussen de in de MPB vermelde bezorgdheden en die welke in de voorlopige beoordeling van het bestreden besluit zijn uiteengezet, in die zin dat deze laatste niet langer de bezwaren inzake Yamal omvatten. Zodra deze bezwaren waren weggelaten, kon de Commissie dus, zonder een fout te begaan, overgaan tot het onderzoek van de toezeggingen, zelfs indien deze laatste niet tegemoetkwamen aan die bezwaren.

73 De Commissie wijst er voorts op dat er niet alleen sprake is van een onjuiste uitlegging door verzoekster van het arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, EU:C:2008:392), doordat zij aan de MPB een waarde toekent die verder gaat dan het procedurele en voorbereidende karakter dat normaliter aan dit soort documenten wordt toegekend, maar dat het bestreden besluit in de onderhavige zaak, dat is vastgesteld krachtens artikel 9 van deze verordening, anders dan de krachtens artikel 7 van verordening nr. 1/2003 vastgestelde besluiten, ook geen enkele bindende vaststelling bevat over het bestaan van een inbreuk. Derhalve moet de premisse worden verworpen van een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, dat een voorlopige beoordeling omvat in het licht van de bezorgdheden die zijn uiteengezet in de MPB, die een voorlopig karakter heeft.

74 Wat de gestelde arbitraire aard van haar aanpak betreft, merkt de Commissie op dat zij het laten vallen van de bezwaren inzake Yamal niet hoefde te motiveren, noch in het licht van de rechtspraak over het recht om te worden gehoord, noch in het kader van de motiveringsplicht betreffende een krachtens artikel 9 van verordening nr. 1/2003 vastgesteld besluit. Aangezien de belanghebbende partijen haar echter opheldering hadden gevraagd over het ontbreken van toezeggingen met betrekking tot de Yamal-gasleiding, heeft zij overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur en transparantie de redenen opgegeven waarom haar voorlopige bezorgdheden niet waren bevestigd.

75 Krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kan de Commissie, wanneer zij voornemens is een besluit tot beëindiging van een inbreuk te geven en de betrokken ondernemingen toezeggingen doen om tegemoet te komen aan de bezorgdheden die de Commissie hun in haar voorlopige beoordeling te kennen heeft gegeven, bij besluit die toezeggingen een verbindend karakter ten aanzien van deze ondernemingen verlenen.

76 In dit verband is het bij artikel 9 van verordening nr. 1/2003 ingevoerde mechanisme bedoeld om te zorgen voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels, waarbij de door de Commissie vastgestelde bezorgdheden in verband met de mededinging sneller kunnen worden opgelost dan via de formele vaststelling van een inbreuk. Deze bepaling is ingegeven door proceseconomische overwegingen en zorgt ervoor dat ondernemingen ten volle aan de procedure kunnen deelnemen door de oplossingen voor te stellen die hun het meest aangewezen en geschikt lijken om tegemoet te komen aan die bezorgdheden (zie in die zin arresten van 29 juni 2010, Commissie/Alrosa, C‑441/07 P, EU:C:2010:377; hierna: „arrest Alrosa”, punt 35, en 15 september 2016, Morningstar/Commissie, T‑76/14, EU:T:2016:481; hierna: „arrest Morningstar”, punt 39).

77 Hoewel artikel 9 van verordening nr. 1/2003, anders dan artikel 7 ervan, dat ziet op besluiten tot vaststelling van inbreuken, niet uitdrukkelijk naar het begrip evenredigheid verwijst, neemt dit niet weg dat het evenredigheidsbeginsel, als algemeen beginsel van het Unierecht, een maatstaf vormt voor de rechtmatigheid van alle handelingen van de instellingen van de Unie. De specifieke kenmerken van de mechanismen waarin de artikelen 7 en 9 van deze verordening respectievelijk voorzien, en de mogelijkheden om op te treden die door elk van deze respectieve bepalingen worden geboden, zijn evenwel verschillend. Het eerste mechanisme is immers bedoeld om een einde te maken aan een inbreuk, terwijl het tweede tot doel heeft tegemoet te komen aan de bezorgdheden van de Commissie zoals die uit haar voorlopige beoordeling naar voren komen. Derhalve heeft de verplichting van de Commissie om toe te zien op de naleving van het evenredigheidsbeginsel een andere draagwijdte en inhoud naargelang zij in het kader van de ene dan wel de andere van deze bepalingen wordt beschouwd (zie in die zin arrest Alrosa, punten 36‑38 en 46, en arrest Morningstar, punten 43 en 44).

78 In geval van de toepassing van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 moet de in deze bepaling genoemde voorlopige beoordeling er dus voor zorgen dat de aan het onderzoek van de Commissie onderworpen ondernemingen kunnen overwegen of het zinvol is om adequate toezeggingen voor te stellen. Wat de Commissie betreft, zij is vrijgesteld van de verplichting om inbreuken vast te stellen en te kwalificeren. Haar rol is er immers toe beperkt om, in het licht van de in deze beoordeling vastgestelde bezorgdheden in verband met de mededinging en van de door haar nagestreefde doelstellingen, de voorgestelde toezeggingen te onderzoeken en eventueel te aanvaarden. In dit verband is de toepassing van het evenredigheidsbeginsel ertoe beperkt dat wordt geverifieerd of de betrokken toezeggingen tegemoetkomen aan deze bezorgdheden en of de betrokken ondernemingen geen toezeggingen hebben gedaan die minder belastend zijn maar net zo adequaat tegemoetkomen aan deze bezorgdheden. Bij deze verificatie dient de Commissie rekening te houden met de omstandigheden van het geval, met name de belangen van derden en de omvang van de vastgestelde bezorgdheden (zie in die zin arrest Alrosa, punten 40 en 41; arrest van 9 december 2020, Groupe Canal +/Commissie, C‑132/19 P, EU:C:2020:1007, punt 105, en arrest Morningstar, punt 45).

79 In het onderhavige geval moet allereerst worden opgemerkt dat de MPB, in weerwil van wat de Commissie mogelijk heeft gesuggereerd, heeft gefungeerd als een voorlopige beoordeling in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, hetgeen duidelijk blijkt uit het bestreden besluit en overigens overeenkomt met de hypothese van punt 123 van de goede praktijken.

80 Derhalve kan de Commissie niet volhouden dat de ontwikkelingen die zijn uiteengezet onder het opschrift „Voorlopige beoordeling” (afdeling 4) in het bestreden besluit, dat aan het einde van de administratieve procedure is vastgesteld en deze procedure heeft afgesloten, het referentiepunt vormen waaraan moet worden getoetst of vóór de vaststelling van dit besluit gedane toezeggingen toereikend zijn. De Commissie wijst ook niet op enig ander, tussen de kennisgeving van de MPB en de vaststelling van het bestreden besluit opgesteld document waarin zij Gazprom een herziene voorlopige beoordeling heeft verstrekt, met name wat de bezwaren inzake Yamal betreft, voordat deze onderneming in de loop van 2015 en 2016 informele voorstellen voor toezeggingen en vervolgens in februari 2017 de aanvankelijke toezeggingen indiende.

81 In het licht van deze vaststelling betreffende de MPB moet worden opgemerkt dat het vereiste om het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen niet kan betekenen dat de betrokken ondernemingen in hun toezeggingen een antwoord moeten geven op álle bezorgdheden in verband met de mededinging die in een voorlopige beoordeling aan bod zijn gekomen, zelfs wanneer deze beoordeling de vorm aanneemt van een mededeling van punten van bezwaar, zoals verzoekster heeft erkend voor andere situaties dan die welke betrekking hebben op de bezwaren inzake Yamal in de onderhavige zaak.

82 Een andere uitlegging van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 en van het evenredigheidsbeginsel zou er immers toe kunnen leiden dat de voorlopige beoordeling van de Commissie, die niet definitief is, wordt gefixeerd en dat de toezeggingsprocedure in bepaalde omstandigheden nietig wordt. Zo blijkt uit de rechtspraak ook dat een mededeling van punten van bezwaar een procedureel, voorbereidend document is dat het voorwerp van de door de Commissie ingeleide administratieve procedure afbakent. De Commissie moet rekening houden met het resultaat van de administratieve procedure door met name niet gegrond gebleken bezwaren te laten vallen (zie in die zin arresten van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 januari 2021, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, C‑466/19 P, EU:C:2021:76, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83 Dit neemt niet weg dat de Commissie, anders dan zij stelt, in de omstandigheden van het onderhavige geval en met name bij gebreke van een herziene voorlopige beoordeling, krachtens artikel 9 van verordening nr. 1/2003 redenen diende te hebben die rechtvaardigden dat er ten aanzien van de bezwaren inzake Yamal geen toezeggingen werden gedaan. Evenzo oordeelt het Gerecht dat, voor zover de Commissie stelt dat haar fout niet kan leiden tot de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden besluit, deze fout wel degelijk het dispositief van dit besluit betreft, aangezien deze bezwaren weliswaar niet onder artikel 1 vallen, waarbij de definitieve toezeggingen verbindend worden verklaard, maar wel onder artikel 2, waarin is geconcludeerd dat in zaak AT.39816 niet langer hoeft te worden opgetreden.

84 Overigens mag deze verplichting om het ontbreken van toezeggingen te rechtvaardigen niet zo ver reiken dat van de Commissie wordt verwacht dat zij aantoont dat het onmogelijk is om een inbreuk vast te stellen. Een dergelijke benadering zou niet verenigbaar zijn met de aard van een toezeggingsprocedure, met dien verstande dat, overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1/2003, gelezen in het licht van overweging 13 van deze verordening, een toezeggingsbesluit niet vaststelt of er al dan niet een inbreuk is gepleegd of nog steeds wordt gepleegd en een dergelijk besluit de bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten om dat al dan niet vast te stellen, onverlet laat (zie in die zin arresten van 23 november 2017, Gasorba e.a., C‑547/16, EU:C:2017:891, punten 26 en 30, en 9 december 2020, Groupe Canal +/Commissie, C‑132/19 P, EU:C:2020:1007, punt 108).

85 In casu moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de Commissie de redenen heeft uiteengezet waarom zij geen toezeggingen ten aanzien van de bezwaren inzake Yamal had opgelegd. Het betreft de twee in overweging 138 van het bestreden besluit vermelde gronden. De eerste grond heeft betrekking op het certificeringsbesluit en de tweede op het intergouvernementele karakter van de betrekkingen in de gassector in Polen (zoals uiteengezet in punt 17 hierboven).

b) Bezwaren tegen de geldigheid van de twee in overweging 138 van het bestreden besluit uiteengezette gronden

86 In het kader van een eerste bezwaar stelt verzoekster, ondersteund door de Republiek Polen, dat de Commissie zich ten onrechte op het certificeringsbesluit heeft gebaseerd om te concluderen dat de bezwaren inzake Yamal geen toezeggingen van Gazprom vereisten.

87 Ten eerste stelt verzoekster dat de vaststelling van het certificeringsbesluit door de Poolse toezichthouder geen omstandigheid is die rechtvaardigt dat de beoordeling door de Commissie van de bezwaren inzake Yamal werd gewijzigd tussen de kennisgeving van de MPB op 22 april 2015 en de indiening van de aanvankelijke toezeggingen, die niet tegemoetkwamen aan deze bezwaren, op 14 februari 2017. Ondanks de vaststelling van dit besluit door deze toezichthouder op 19 mei 2015 werd de Commissie immers geconfronteerd met een geheel van omstandigheden dat in wezen niet was gewijzigd tussen het tijdstip waarop zij haar bezorgdheden in de MPB had geformuleerd en het tijdstip waarop dit besluit was vastgesteld (enkele weken na de kennisgeving van deze MPB) of zelfs het tijdstip waarop zaak AT.39816 werd beëindigd.

88 Ten tweede was de Commissie in het bijzonder op de hoogte van de kwesties in verband met de invloed van Gazprom op het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding, met name gelet op haar tussenkomst in de procedure voor de certificering van Gas-System. Zo heeft de Commissie in twee adviezen aan de Poolse toezichthouder, van respectievelijk 9 september 2014 en 19 maart 2015, betreffende ontwerpbesluiten die vergelijkbaar zijn met het certificeringsbesluit, de voorwaarden onderzocht waaronder Gaz-System dit gedeelte van de gasleiding beheerde, en heeft zij uitdrukkelijk aanbevolen om de exploitatie van de compressor‑ en meetstations op dit gedeelte aan laatstgenoemde over te dragen teneinde concurrentievervalsing in het voordeel van Gazprom te voorkomen.

89 In dit verband is de uiteindelijk in het bestreden besluit opgenomen beoordeling van de Commissie opmerkelijk, aangezien de overdracht van de exploitatie van de compressor‑ en meetstations uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, ondanks de in het certificeringsbesluit vastgestelde termijn van 24 maanden, die in mei 2017 afliep. Het is irrelevant dat deze overdracht slechts een „aanbeveling” was. Wat telt is immers dat de blokkering aan Gazprom toe te schrijven was en dat de Commissie, in het kader van de marktconsultatie, daarvan in kennis was gesteld door de Poolse regering, de voorzitter van de Poolse toezichthouder, Gaz-System en verzoekster.

90 Ten derde heeft de Commissie ook geen rekening gehouden met het feit dat gedreigd werd met opschorting van de gaslevering in geval van uitvoering van de exploitatieoverdracht, waarvan verzoekster haar in de klacht op de hoogte had gesteld. De realiteit van deze dreigementen is echter gebleken uit het feit dat Gazprom kort na het verstrijken van de termijn van 24 maanden waarin deze overdracht had moeten plaatsvinden, gas in de Yamal-gasleiding heeft geïnjecteerd van een kwaliteit die ongeschikt was voor het Poolse gasnet, en uit een brief die de Russische minister van Energie op 30 augustus 2016 aan zijn Poolse ambtsgenoot heeft gestuurd, waarin hij dreigde de levering van gas door Gazprom op te schorten indien deze laatste verplicht zou worden de overdracht uit te voeren.

91 In deze brief zou de Russische minister van Energie eraan hebben herinnerd dat de leveringen van gas aan Polen ervan afhankelijk waren dat de regering van de Republiek Polen voldeed aan haar verplichtingen uit hoofde van een reeks intergouvernementele overeenkomsten tussen de Republiek Polen en de Russische Federatie, met betrekking tot onder meer de volumes van de gasleveringen aan Polen en de aanleg en het beheer van de Yamal-gasleiding (hierna: „overeenkomsten tussen Polen en Rusland”), meer bepaald de verplichtingen op grond waarvan de exploitatie van de compressor‑ en meetstations in handen van EuRoPol moest blijven. Verzoekster wijst er echter op dat deze exploitatie aan Gaz-System toekwam opdat de onafhankelijkheid van deze onderneming, overeenkomstig de regelgeving van de Unie op het gebied van gas, zou worden gewaarborgd. De Commissie heeft in haar advies van 19 maart 2015 zelf geoordeeld dat deze exploitatie een van de centrale functies van de beheersbevoegdheden van een OSB was.

92 De Commissie is van mening dat dit bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

93 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie bij het aanvaarden van toezeggingen op grond van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 over een beoordelingsmarge beschikt, in die zin dat zij een analyse moet verrichten waarbij een groot aantal economische factoren in aanmerking wordt genomen, zoals een prospectieve analyse om de geschiktheid van de door de betrokken onderneming gedane toezeggingen te beoordelen, en dat het Gerecht bij zijn toetsing hiermee rekening moet houden. Deze toetsing strekt zich dus enkel uit tot de vraag of de beoordeling van de Commissie kennelijk onjuist is, en de Unierechter mag zijn eigen beoordeling niet in de plaats van die van de Commissie stellen door zijn eigen evaluatie van ingewikkelde economische omstandigheden weer te geven en zich zo de beoordelingsmarge van de Commissie toe te eigenen, in plaats van de rechtmatigheid van de beoordeling in kwestie te toetsen (zie in die zin arrest Alrosa, punten 42, 60 en 67, en arrest Morningstar, punt 41).

94 In het onderhavige geval zijn de bezwaren inzake Yamal hoofdzakelijk onderzocht in de afdelingen 13 en 15.9 van de MPB. De bezorgdheden van de Commissie bleken vooral betrekking te hebben op de gestelde handelwijze van Gazprom, die gericht was op het behoud of de versterking van haar zeggenschap over de investeringen in het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding en die er met name in bestond dat deze onderneming zou hebben geprobeerd om aanzienlijke beslissingsbevoegdheden binnen EuRoPol te verkrijgen en om de investeringsbevoegdheden voor dit gedeelte bij EuRoPol te houden in plaats van deze bij de voor dit gedeelte verantwoordelijke OSB, namelijk Gaz-System, te leggen. In deze context heeft de Commissie de in 2010 tussen EuRoPol en Gaz-System gesloten beheersovereenkomst, de in 2011 vastgestelde nieuwe statuten van EuRoPol en [vertrouwelijk] ( 1 ) onderzocht.

95 Zoals met name blijkt uit afdeling 15.9.2 van de MPB, zou de gestelde onrechtmatige handelwijze van Gazprom, waarmee zij haar zeggenschap over de investeringen in het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding wilde behouden, in het bijzonder tot doel hebben gehad te verhinderen dat infrastructuur werd gebouwd die de diversificatie van gasbronnen en ‑leveranciers (namelijk concurrenten van Gazprom) mogelijk maakte. Gazprom is er met name in geslaagd de invoering van virtuele en fysieke bidirectionele gasstromen op dit gedeelte te vertragen en heeft zo een dergelijke diversificatie verhinderd. Daarom had de Commissie voorlopig geconcludeerd dat Gazprom zich, door het verwerven van investeringsbevoegdheden, op zijn minst potentieel schuldig had gemaakt aan misbruik op het gebied van exploitatie door, in strijd met artikel 102, onder d), VWEU, concurrenten de toegang tot dit gedeelte te ontzeggen.

96 Vervolgens heeft de Commissie er echter mee ingestemd om de definitieve toezeggingen verbindend te verklaren, terwijl deze geen maatregelen omvatten om tegemoet te komen aan de bezwaren inzake Yamal. In het bestreden besluit heeft de Commissie, na in overweging 137 te hebben opgemerkt dat bepaalde belanghebbende partijen zich in het kader van de marktconsultatie hadden verwonderd over het ontbreken van maatregelen, in overweging 138 van dit besluit verklaard dat haar voorlopige bezorgdheden in verband met de mededinging niet waren bevestigd, en wel om de twee in deze laatste overweging uiteengezette redenen.

97 Wat de eerste reden betreft, die betrekking heeft op het certificeringsbesluit, heeft de Commissie in het bijzonder opgemerkt dat de Poolse toezichthouder in het certificeringsbesluit met name had geconcludeerd dat Gaz-System beslissende zeggenschap uitoefende over de investeringsbesluiten met betrekking tot het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding en over de uitvoering ervan. Bijgevolg kon noch EuRoPol, als eigenaar van de gasleiding, noch Gazprom, als aandeelhouder van EuRoPol, deze besluiten blokkeren.

98 In dit verband moet, ten eerste, worden opgemerkt dat het certificeringsbesluit, zoals de Commissie terecht stelt, verscheidene bevindingen bevat betreffende de zeggenschap van Gaz-System over de investeringen in het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding, die zijn gebaseerd op een gedetailleerd onderzoek van de relevante omstandigheden, waaronder de beheersovereenkomst van 25 oktober 2010 en de statuten van EuRoPol. Op basis van deze bevindingen heeft de voorzitter van de Poolse toezichthouder uiteindelijk aan Gaz-System een onafhankelijkheidscertificaat toegekend, waarin wordt verklaard dat deze onderneming voldoet aan de vereisten inzake de rol van OSB, met name wat de zeggenschap over investeringen betreft.

99 Verzoekster en de Republiek Polen wijzen weliswaar op verschillende omstandigheden waardoor Gaz-System ervan zou kunnen worden weerhouden om bepaalde investeringsbesluiten voor dit gedeelte vast te stellen of zou kunnen worden geconfronteerd met aanzienlijke kosten in verband met administratieve of gerechtelijke procedures die met name door EuRoPol zouden worden ingeleid. Op die manier trekken zij de beoordeling door de Commissie van het certificeringsbesluit in twijfel.

100 Verzoekster en de Republiek Polen betwisten evenwel niet de geldigheid als zodanig van het door de Poolse toezichthouder vastgestelde certificeringsbesluit en hebben niet gewezen op eventuele fouten die deze toezichthouder zou hebben gemaakt met betrekking tot specifieke bevindingen in dit besluit, noch hebben zij aangegeven welke bevindingen zij onjuist achten. In deze context, en gelet op de rol die in het kader van de Unieregelgeving voor de gassector, met name richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB 2009, L 211, blz. 94; hierna: „gasrichtlijn”), aan de nationale regelgevingsinstanties van de lidstaten is toegekend, kon de Commissie redelijkerwijs met de bevindingen van een dergelijke instantie rekening houden en kon zij zich in het onderhavige geval baseren op het genoemde besluit, waarin de Poolse toezichthouder heeft geconcludeerd dat Gaz-System de zeggenschap had over de investeringen in het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding en hij deze exploitant als een OSB heeft gecertificeerd.

101 Ten tweede zijn de argumenten van verzoekster en de Republiek Polen met betrekking tot het certificeringsbesluit vooral gericht op het bestaan en de aard van de in dit besluit opgenomen aanbeveling betreffende de overdracht van de exploitatie van de compressor‑ en meetstations, en op de gestelde niet-naleving van deze aanbeveling. Noch uit dit besluit, noch uit de argumenten van verzoekster en de Republiek Polen blijkt echter dat de zeggenschap van Gaz-System over de investeringen in het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding afhangt van de uitvoering van die aanbeveling.

102 In dit verband moet worden opgemerkt dat de dagelijkse exploitatie van de compressor‑ en meetstations moet worden onderscheiden van de kwestie van de zeggenschap over de gasstromen op het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding. In antwoord op de vraag of Gaz-System de daadwerkelijke zeggenschap over de gasstromen op dit gedeelte had, heeft verzoekster bevestigd dat dit inderdaad het geval was. Het feit dat de aanbeveling betreffende deze exploitatie niet is uitgevoerd, hoeft dus niet te betekenen dat Gazprom op die manier, via EuRoPol, mogelijk de controle over deze stromen zou verwerven, waardoor twijfel zou kunnen ontstaan over de relevantie van de zeggenschap van Gaz-System over de investeringen met betrekking tot dit gedeelte van de gasleiding, en dus over de mogelijkheden om de gasbronnen te diversifiëren.

103 In deze omstandigheden kunnen de argumenten met betrekking tot de niet-uitvoering van de aanbeveling betreffende de overdracht van de exploitatie en betreffende de obstructieve wijze waarop Gazprom, via EuRoPol, zich tegenover deze uitvoering zou hebben opgesteld, geen afbreuk doen aan de beoordeling door de Commissie van de zeggenschap over de investeringen door Gaz-System.

104 Evenzo kunnen verzoeksters argumenten met betrekking tot de twee adviezen die de Commissie, in het kader van de procedure voor de certificering van Gaz-System als OSB, aan de Poolse toezichthouder heeft gericht, geen afbreuk doen aan de beoordeling door deze instelling van de betwiste grond. In verscheidene overwegingen van het uiteindelijk vastgestelde certificeringsbesluit heeft de Poolse toezichthouder immers gereageerd op de opmerkingen die de Commissie in deze adviezen heeft geformuleerd.

105 Voorts had de Commissie in die twee adviezen weliswaar opmerkingen geformuleerd over de noodzaak om de dagelijkse exploitatie van de compressor‑ en meetstations over te dragen, en was zij van mening dat deze exploitatie een van de „kerntaken” van een systeembeheerder vormde, maar deze opmerkingen hadden geen betrekking op de planning van en de zeggenschap over investeringen. Veeleer waren zij ingegeven door overwegingen met betrekking tot andere uit de gasrichtlijn voortvloeiende vereisten, die met name verband hielden met het risico dat EuRoPol toegang zou krijgen tot vertrouwelijke informatie over andere exploitanten. Een dergelijk risico werd echter niet beschreven in de bezorgdheden die de Commissie in de bezwaren inzake Yamal had geformuleerd.

106 Bovendien heeft de dienst van de Commissie die de twee adviezen heeft opgesteld, de ontwerpbesluiten van de Poolse toezichthouder onderzocht in het licht van de Unieregelgeving voor de gassector, terwijl het DG Concurrentie de relevante feiten heeft onderzocht in het kader van een procedure met betrekking tot de toepassing van artikel 102 VWEU. Hoewel althans sommige van de in deze adviezen geformuleerde voorbehouden van belang kunnen zijn voor dit directoraat-generaal, kunnen zij dus niet bepalend zijn voor zijn analyse uit het oogpunt van het mededingingsrecht en met name wat betreft de handhaving van de bezwaren inzake Yamal en de eventuele noodzaak van een toezegging daarover. In dit verband heeft de Commissie weliswaar zelf, in punt 1016 van de MPB, gewezen op een kennelijke tegenstrijdigheid tussen de inhoud van de beheersovereenkomst van 25 oktober 2010 en de voorschriften van de gasrichtlijn, maar de voorzitter van de Poolse toezichthouder heeft in het certificeringsbesluit opgemerkt dat het door EuRoPol opgestelde netwerkontwikkelingsplan in wezen betrekking had op renovatiekwesties en dat het hoe dan ook geen beperking inhield voor de bevoegdheden van Gaz-System op het gebied van investeringen, waaronder de voorbereiding van het tienjarenontwikkelingsplan waarin deze richtlijn voorziet.

107 Ten derde kan verzoekster niet worden gevolgd wanneer zij stelt dat, terwijl de relevante omstandigheden zich niet hadden gewijzigd, de Commissie haar beoordeling van de bezwaren inzake Yamal ten onrechte heeft gewijzigd tussen april 2015, toen zij de MPB aan Gazprom heeft meegedeeld, en mei 2018, toen zij het bestreden besluit heeft vastgesteld. De vaststelling van het certificeringsbesluit vormde immers een dergelijke relevante omstandigheid. Bovendien vond deze vaststelling plaats in een context waarin aanzienlijke investeringen in of met betrekking tot het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding hadden plaatsgevonden, die juist bedoeld waren om de diversificatie van de gasvoorzieningsbronnen mogelijk te maken. Zo had de voorzitter van de Poolse toezichthouder in dit besluit vastgesteld dat de investeringen voor de totstandbrenging van fysieke bidirectionele gasstromen op het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding reeds waren uitgevoerd. Op dit punt had de Commissie reeds voorlopig vastgesteld dat de vertragingsmethoden van Gazprom tussen 2009 en 2013 werden toegepast, en dat Gaz-System verscheidene investeringen had verricht om dergelijke bidirectionele gasstromen vanaf 2014 mogelijk te maken (zie de punten 734 en 1033 van de MPB).

108 Hieruit volgt dat de Commissie, in het licht van de in punt 83 hierboven uiteengezette verplichting en van de bovenstaande overwegingen betreffende de bevindingen in het certificeringsbesluit en de investeringen die zijn verricht met betrekking tot het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, op basis van dit certificeringsbesluit, de definitieve toezeggingen kon aanvaarden, ook al bevatten zij geen maatregelen om tegemoet te komen aan de bezwaren inzake Yamal. Derhalve moet het onderhavige bezwaar worden afgewezen.

109 In deze omstandigheden en gelet op het feit dat de twee door de Commissie in overweging 138 van het bestreden besluit aangevoerde gronden autonoom zijn, is het niet nodig om de gegrondheid van het tweede bezwaar in het eerste onderdeel van het eerste middel te onderzoeken, waarbij wordt opgekomen tegen de grond die is ontleend aan de overeenkomsten tussen Polen en Rusland en aan de toepassing van de zogenoemde state action defence (verweer waarmee wordt aangevoerd de mededingingsbeperkende handelingen slechts worden verricht om te voldoen aan een nationale wettelijke verplichting of wegens overheidsdwang, zodat de mededingingsregels buiten toepassing blijven). Zelfs indien dit tweede bezwaar gegrond was, zou het immers niet kunnen leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover daarbij zaak AT.39816 is afgesloten, zodat het als irrelevant moet worden afgewezen.

110 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

2. Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, transparantie en loyale samenwerking

111 Tot staving van verzoeksters argumenten betreffende de omvang van de rechterlijke toetsing inzake het laten vallen van bezwaren tijdens een toezeggingsprocedure, heeft de Republiek Polen een argument aangevoerd betreffende de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, transparantie en loyale samenwerking.

112 De Commissie, die erop wijst dat dit argument in wezen een nieuw middel is, is voorts van mening dat het tweede onderdeel ongegrond moet worden verklaard.

113 In dit verband moet, wat de ontvankelijkheid van de door de Republiek Polen aangevoerde argumenten betreft, worden opgemerkt dat zij een afzonderlijk middel kunnen vormen ten aanzien van het eerste middel dat in het verzoekschrift is aangevoerd en is ontleend aan de schending van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 en het evenredigheidsbeginsel.

114 Deze argumenten passen evenwel in het kader van de betwisting door verzoekster met betrekking tot het ontbreken van toezeggingen die tegemoetkomen aan de bezwaren inzake Yamal, zodat zij het voorwerp van het geding, zoals omschreven in de conclusies en de middelen van de hoofdpartijen, niet wijzigen. Derhalve zijn deze argumenten ontvankelijk krachtens artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat van toepassing is op het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut, en artikel 142, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zoals uitgelegd in de rechtspraak (zie in die zin arresten van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 september 2019, Port autonome du Centre et de l’Ouest e.a./Commissie, T‑673/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:643, punten 44 en 45, en beschikking van 15 november 2019, Front Polisario/Raad, T‑279/19, niet gepubliceerd, EU:T:2019:808, punt 41).

a) Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en transparantie

115 De Republiek Polen betwist niet het recht van de Commissie om bepaalde aanvankelijk in een mededeling van punten van bezwaar uiteengezette bezwaren in te trekken, maar stelt dat de Commissie, in strijd met artikel 1 en artikel 10, lid 3, VEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de beginselen van behoorlijk bestuur en transparantie heeft geschonden. Deze beginselen zouden met name de verplichting voor de administratie inhouden om haar besluiten te motiveren. De algemene bevindingen in de overwegingen 137 en 138 van het bestreden besluit kunnen echter niet als toereikende motivering worden beschouwd, en deze ontoereikendheid is des te moeilijker te rechtvaardigen daar de Commissie jarenlang tegen de Poolse instanties haar bezorgdheid heeft geuit over het beheer van het Poolse gedeelte van de Yamal-gasleiding.

116 Bovendien is overweging 138 van het bestreden besluit misleidend voor zover daarin de indruk wordt gewekt dat het certificeringsbesluit, en niet de toepassing van de state action defence op de onderhavige zaak, de voornaamste reden is voor het laten vallen van de bezwaren inzake Yamal. Op dit punt werd naar de overeenkomsten tussen Polen en Rusland verwezen in algemene bewoordingen waaruit niet kon worden opgemaakt dat de Commissie zich op dat verweer beriep, hetgeen pas in het kader van het onderhavige beroep duidelijk is geworden. Bovendien heeft de Commissie niet uitgelegd welke maatregelen naar Russisch recht, naar zij meent, de handelwijze van Gazprom sturen en of het, in het licht van de rechtspraak en de doeltreffendheid van het mededingingsrecht, mogelijk is zich op dat verweer te beroepen wanneer de overheidsdwang van een derde staat uitgaat.

117 De Commissie betwist deze argumenten.

118 In dit verband moet worden opgemerkt dat een van de door het Unierecht in administratieve procedures geboden waarborgen met name het beginsel van behoorlijk bestuur is, dat is verankerd in artikel 41 van het Handvest en waarmee voor de bevoegde instelling de verplichting samenhangt om alle relevante gegevens van de zaak zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 27 september 2012, Applied Microengineering/Commissie, T‑387/09, EU:T:2012:501, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

119 In casu betwist de Republiek Polen weliswaar duidelijk de beoordeling door de Commissie betreffende de intrekking van de bezwaren inzake Yamal, maar zij geeft niet aan welke relevante gegevens van de zaak niet zorgvuldig en onpartijdig door deze instelling zouden zijn onderzocht, temeer daar zij geen specifieke schending van de procedurele regels van de verordeningen nr. 1/2003 en nr. 773/2004 aanvoert. Evenmin zet de Republiek Polen uiteen in welke zin de Commissie het in die verordeningen vervatte transparantiebeginsel zou hebben geschonden.

120 Ook de grief waarbij de Republiek Polen en, in wezen, verzoekster de toereikendheid van de motivering in overweging 138 van het bestreden besluit betwisten, moet worden afgewezen.

121 Opgemerkt zij immers dat de motiveringsplicht in beginsel geldt voor iedere handeling van de Unie die rechtsgevolgen heeft. De motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van het genomen besluit kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en de rechter van de Unie toezicht kan uitoefenen op de wettigheid van dit besluit (zie arrest van 19 december 2019, Puppinck e.a./Commissie, C‑418/18 P, EU:C:2019:1113, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen met procesbevoegdheid bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

122 In het onderhavige geval heeft de Commissie in overweging 138 van het bestreden besluit de twee redenen uiteengezet voor het ontbreken van toezeggingen die tegemoetkomen aan de bezwaren inzake Yamal. Wat de eerste grond betreft, die betrekking heeft op het certificeringsbesluit, blijkt uit de behandeling van het op deze grond betrekking hebbende bezwaar (zie de punten 86-110 hierboven), dat verzoekster en de Republiek Polen – die zich in een bijzonder goede positie bevonden om op de hoogte te zijn van de situatie in de Poolse gassector en van de activiteiten van de Poolse toezichthouder – de rechtvaardigingen met betrekking tot deze reden konden kennen, teneinde hun rechten te kunnen verdedigen, en dat het Gerecht de rechtmatigheid van het bestreden besluit, met name wat overweging 138 betreft, heeft kunnen toetsen. De Commissie heeft derhalve voldaan aan haar motiveringsplicht ter zake.

123 Wat de tweede reden betreft, die verband houdt met de intergouvernementele aard van de betrekkingen tussen de partijen in de gassector in Polen, waarop de verwijten van verzoekster en van de Republiek Polen voornamelijk zijn gericht, zijn deze laatste in wezen van mening dat de Commissie haar standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd doordat zij zich hoofdzakelijk beroept op de mogelijke toepassing van de state action defence wegens de invloed van de overeenkomsten tussen Polen en Rusland, de Russische regelgeving en het gedrag van de regering van de Russische Federatie op de handelwijze van Gazprom.

124 In dit verband heeft het Gerecht, zoals uiteengezet in de punten 108 en 109 hierboven, geconcludeerd dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door, om de reden inzake het certificeringsbesluit, de definitieve toezeggingen te aanvaarden, ook al bevatten zij geen maatregelen om tegemoet te komen aan de bezwaren inzake Yamal, en dat het om die reden en gelet op het autonome karakter van elk van de twee in overweging 138 van het bestreden besluit genoemde redenen, niet nodig was om de gegrondheid van verzoeksters bezwaar met betrekking tot de tweede reden te onderzoeken. Hieruit volgt dat de argumenten van verzoekster en van de Republiek Polen betreffende de ontoereikendheid van de motivering met betrekking tot deze tweede reden eveneens irrelevant zijn.

125 Voor zover de Republiek Polen in feite de beoordeling door de Commissie van het laten vallen van de bezwaren inzake Yamal wenst aan te vechten, volstaat het ten slotte op te merken dat een dergelijk bezwaar reeds is afgewezen in het kader van de behandeling van het eerste onderdeel van het eerste middel.

126 Derhalve moeten de argumenten inzake schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en transparantie worden afgewezen.

b) Schending van het beginsel van loyale samenwerking

127 Volgens de Republiek Polen en verzoekster houdt het bestreden besluit schending in van het in artikel 4, lid 3, VEU verankerde beginsel van loyale samenwerking. Door te concluderen dat de bezwaren inzake Yamal „niet [waren] bevestigd”, heeft de Commissie immers daadwerkelijk vastgesteld dat er in dit verband geen sprake was van een inbreuk op artikel 102 VWEU en heeft zij een besluit vastgesteld dat verder ging dan hetgeen op grond van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 was toegestaan. Op die wijze heeft zij een beslissing genomen over een kwestie die niet onder de definitieve toezeggingen viel en die door de nationale mededingingsautoriteiten of de nationale rechterlijke instanties – in voorkomend geval, anders – had kunnen worden beoordeeld. In feite heeft de Commissie deze autoriteiten en instanties belet op te treden ten aanzien van de in de genoemde bezwaren bedoelde praktijken, ofschoon zij een essentiële functie vervullen bij de toepassing van de mededingingsregels van de Unie.

128 Deze schending zou des te betreurenswaardiger zijn daar de nationale mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties niet konden optreden zolang de zaak AT.39816 liep. Krachtens artikel 11, lid 6, respectievelijk artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 was aan deze autoriteiten en instanties immers reeds gedurende een periode van bijna zes jaar, namelijk vanaf de inleiding van de formele procedure op 31 augustus 2012 tot de vaststelling van het bestreden besluit op 24 mei 2018, de bevoegdheid ontnomen om op te treden. Aangezien de draagwijdte van de MPB door de Commissie niet formeel is gewijzigd, konden de nationale mededingingsautoriteit en de Poolse rechterlijke instanties er terecht van uitgaan dat de Commissie met betrekking tot deze bezwaren zou optreden, met name gelet op de standpunten die Gaz-System, de voorzitter van de Poolse toezichthouder en de Poolse regering in het kader van de marktconsultatie dienaangaande naar voren hebben gebracht. Met name zouden de nationale rechterlijke instanties vertragingen hebben toegestaan, met het risico dat bepaalde vorderingen thans verjaard zijn.

129 De Commissie betwist deze argumenten.

130 In dit verband is het juist dat de mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties, overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 1/2003, geen beslissingen kunnen geven die in strijd zijn met het bestreden besluit. Bovendien kunnen zij niet voorbijgaan aan een krachtens artikel 9 van verordening nr. 1/2003 vastgesteld besluit, aangezien een dergelijke handeling hoe dan ook het karakter van een beslissing bezit en zowel het in artikel 4, lid 3, VEU vastgelegde beginsel van loyale samenwerking als de doelstelling van een doeltreffende en eenvormige toepassing van het mededingingsrecht van de Unie deze autoriteiten en deze rechterlijke instanties ertoe verplicht om rekening te houden met een voorlopige beoordeling van de Commissie en om die te beschouwen als een aanwijzing, of zelfs als een begin van bewijs, van het bestaan van een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU (zie in die zin arrest van 23 november 2017, Gasorba e.a., C‑547/16, EU:C:2017:891, punt 29).

131 In de onderhavige zaak heeft de Commissie, in overweging 138 van het bestreden besluit, weliswaar gepreciseerd dat haar voorlopige bezorgdheden in verband met de mededinging, die zij had geformuleerd in de vorm van de bezwaren inzake Yamal, „niet [waren] bevestigd”.

132 De mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties moeten weliswaar rekening houden met overweging 138 van het bestreden besluit, eventueel als een aanwijzing dat er geen sprake is van een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU, maar noch uit de bewoordingen van deze overweging, noch meer in het algemeen uit de inhoud van de rest van het bestreden besluit, blijkt evenwel dat de Commissie met betrekking tot de bezwaren inzake Yamal uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat er geen inbreuk was gemaakt op artikel 102 VWEU. Derhalve moeten de litigieuze bewoordingen veeleer aldus worden opgevat dat de Commissie heeft besloten deze bezwaren in te trekken en genoegen te nemen met de definitieve toezeggingen, ook al kwamen deze toezeggingen niet tegemoet aan die bezwaren.

133 Hoe dan ook kunnen de litigieuze bewoordingen in overweging 138 van het bestreden besluit de aard van het bestreden besluit niet wijzigen en kunnen zij de mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties niet verhinderen op te treden. Volgens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1/2003, gelezen in het licht van overweging 13 van deze verordening, kan de Commissie zich immers beperken tot louter een „voorlopige beoordeling” van de situatie op mededingingsgebied, zonder dat vervolgens in het op grond van dit artikel vastgestelde toezeggingsbesluit wordt vastgesteld of er een inbreuk is gepleegd. Het kan dus niet worden uitgesloten dat een nationale rechterlijke instantie tot de conclusie komt dat een handelwijze die het voorwerp uitmaakt van een toezeggingsbesluit, in strijd is met de artikelen 101 en 102 VWEU, en dat zij daarbij, anders dan de Commissie, een inbreuk op een van deze artikelen wil vaststellen. In dezelfde zin wordt in de overwegingen 13 en 22 van verordening nr. 1/2003, in onderlinge samenhang gelezen, uitdrukkelijk vermeld dat toezeggingsbesluiten de bevoegdheid van de mededingingsautoriteiten en van de rechterlijke instanties van de lidstaten om een beslissing over de zaak te nemen en hun bevoegdheid om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen, onverlet laten (zie in die zin arrest van 23 november 2017, Gasorba e.a., C‑547/16, EU:C:2017:891, punten 26 en 27).

134 Bijgevolg heeft de Commissie het beginsel van loyale samenwerking niet geschonden, en aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de andere argumenten van de Republiek Polen en van verzoekster.

135 Ten eerste is het feit dat de nationale mededingingsautoriteiten zes jaar lang niet hebben kunnen optreden, slechts het gevolg van de toepassing van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003, dat bepaalt dat, door het inleiden van de formele procedure, aan deze autoriteiten de bevoegdheid tot toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU wordt ontnomen. Zij worden opnieuw bevoegd zodra de door de Commissie gevoerde procedure is beëindigd (zie in die zin arrest van 14 februari 2012, Toshiba Corporation e.a., C‑17/10, EU:C:2012:72, punten 80 en 83‑87).

136 Wat de nationale rechterlijke instanties betreft, daaraan wordt, in geval van inleiding van een formele procedure, niet voorgoed de mogelijkheid ontnomen om op te treden in zaken met betrekking tot feiten die verband houden met of verwant zijn aan de bezwaren inzake Yamal. Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 bepaalt alleen dat deze rechterlijke instanties moeten vermijden beslissingen te geven die in strijd zijn met een besluit dat de Commissie overweegt vast te stellen in een door haar ingeleide procedure, en dat zij te dien einde de afweging kunnen maken of het nodig is hun procedures op te schorten. De stelling dat bepaalde nationale vorderingen thans zijn verjaard wegens vertragingen bij de Poolse rechterlijke instanties, is irrelevant, aangezien de betrokken verjaringstermijnen en de gerechtelijke behandeling van deze vorderingen, bij gebreke van toepasselijk Unierecht, onder de procedurele autonomie van de Republiek Polen vallen.

137 Voorts is in de verordeningen nr. 1/2003 en nr. 773/2004 niet bepaald dat de Commissie de nationale mededingingsautoriteiten of, meer in het algemeen, belanghebbende derde partijen formeel ervan in kennis moet stellen wanneer zij tijdens de procedure bepaalde bezwaren ten aanzien van een betrokken onderneming laat vallen. Hoe dan ook maakt noch verzoekster noch de Republiek Polen gewag van een specifieke nationale procedure die door de handelwijze van de Commissie in casu zou zijn beïnvloed.

138 Ten tweede moet het argument van de Republiek Polen worden afgewezen dat de Poolse mededingingsautoriteit en de Poolse rechterlijke instanties terecht konden verwachten dat de Commissie zou optreden met betrekking tot de bezwaren inzake Yamal, aangezien de Commissie de reikwijdte van de MPB niet formeel had gewijzigd. Het gevolg waarin artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 voorziet, namelijk dat door het inleiden van de formele procedure aan de nationale mededingingsautoriteiten de bevoegdheid wordt ontnomen tot toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU op de in deze procedure aan de orde zijnde feiten, bestaat er immers in dat de betrokken ondernemingen worden beschermd tegen parallelle vervolging door deze autoriteiten (zie in die zin arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 18, en beschikking van 15 maart 2019, Silgan Closures en Silgan Holdings/Commissie, T‑410/18, EU:T:2019:166, punt 20), maar dit kan niet betekenen dat de Commissie verplicht was om, krachtens hetzij artikel 7 hetzij artikel 9 van deze verordening, een besluit vast te stellen (zie in die zin arrest van 26 september 2018, EAEPC/Commissie, T‑574/14, EU:T:2018:605, punt 86).

139 Ten slotte, gesteld dat de Republiek Polen zich op het vertrouwensbeginsel beroept, zij eraan herinnerd dat iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie, door hem nauwkeurige toezeggingen te doen, gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op dit beginsel kan beroepen (zie arrest van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie, C‑630/11 P–C‑633/11 P, EU:C:2013:387, punt 132 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Republiek Polen vermeldt echter geen nauwkeurige toezeggingen die de Commissie zou hebben gedaan. Voor het overige kan de MPB geen dergelijke toezeggingen bevatten, daar dit document tot Gazprom was gericht en slechts een voorlopig karakter had. Evenzo vormen de organisatie van de marktconsultatie en het feit dat bepaalde belanghebbenden in het kader van deze consultatie opmerkingen hebben ingediend, geen dergelijke toezeggingen, aangezien deze omstandigheden onder de gewone toepassing van artikel 27, lid 4, van verordening nr. 1/2003 vallen.

140 Derhalve moet het argument inzake schending van het beginsel van loyale samenwerking, alsook het tweede onderdeel van het eerste middel, worden afgewezen.

141 Gelet op al het voorgaande moet het eerste middel in zijn geheel deels ongegrond en deels niet ter zake dienend worden verklaard.

C. Tweede middel: schending van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, en van het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie de definitieve toezeggingen heeft aanvaard terwijl zij niet adequaat tegemoetkwamen aan de bezwaren inzake prijsbeleid

142 Verzoekster, ondersteund door de Republiek Polen en de Republiek Litouwen, betoogt dat de Commissie, in strijd met artikel 9 van verordening nr. 1/2003, gelezen in samenhang met artikel 102 VWEU, en in strijd met het evenredigheidsbeginsel, verscheidene kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt en het recht op verschillende punten onjuist heeft toegepast, doordat deze instelling heeft geconcludeerd dat de toezeggingen met betrekking tot het prijsbeleid (punten 18 en 19 van de definitieve toezeggingen) toereikend waren, ook al maakten die toezeggingen, volgens verzoekster, de Republiek Polen en de Republiek Litouwen, het niet mogelijk om de gasprijzen snel en doeltreffend op een met concurrerende referentieprijzen vergelijkbaar niveau te handhaven of te herstellen. Dit middel bestaat in wezen uit vier onderdelen.

143 De Commissie, ondersteund door Gazprom, is van mening dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.

1. Eerste onderdeel van het tweede middel: fout in het voorwerp van de toezeggingen inzake prijsstellingspraktijken, in die zin dat deze toezeggingen niet tegemoetkomen aan de essentie van de bezwaren inzake deze praktijken

144 Verzoekster is van mening dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door toezeggingen te aanvaarden die beperkt blijven tot wijzigingen in de prijsherzieningsclausules (price revision clauses) in de overeenkomsten van Gazprom met haar afnemers in de vijf door de prijsstellingspraktijken getroffen LMOE’s, terwijl de in de MPB genoemde bezorgdheden in verband met de mededinging geen betrekking hadden op prijsherzieningen, maar op het onbillijke en buitensporige karakter van de door Gazprom in het kader van deze overeenkomsten toegepaste prijzen (hierna: „contractuele prijzen”). Deze toezeggingen, die beperkt blijven tot de invoering van een nieuwe prijsherzieningsprocedure, pakken niet de bron van het probleem aan, namelijk het bestaan van tariefregelingen (price formulae) die aan de prijs van bepaalde aardolieproducten zijn gekoppeld.

145 Zo wijst verzoekster er in de eerste plaats op dat de Commissie in de MPB de betrokken praktijken heeft aangemerkt als strijdig met het eerste deel van artikel 102, onder a), VWEU, dat betrekking heeft op „onbillijke […] prijzen”, en niet met het tweede deel van deze bepaling, dat verwijst naar „andere onbillijke contractuele voorwaarden”. Het waren dus de buitensporige prijzen, en niet de prijsherzieningsprocedure, die het voorwerp vormden van de bezorgdheden betreffende de mededinging.

146 In dit verband heeft de Commissie zelf in de MPB opgemerkt dat de bestaande, aan de aardolieprijzen gekoppelde tariefregelingen, de belangrijkste factor waren die bijdroeg tot de buitensporige contractuele prijzen. Zij heeft ook vastgesteld dat de koppeling van de gasprijzen aan de prijzen van aardolieproducten een achterhaalde praktijk was die kon leiden tot prijzen die de economische waarde van gas niet weerspiegelden. In dezelfde zin heeft zij in de MPB uitdrukkelijk voorzien in corrigerende maatregelen, met name een wijziging van deze regelingen, zodat deze prijzen opleveren die niet hoger zijn dan die van het Nederlandse platform Title Transfer Facility (TTF) of die aan de kosten van Gazprom zijn gekoppeld. Door in de definitieve toezeggingen geen wijziging van de tariefregelingen op te leggen, en daardoor de terugkeer van buitensporige prijzen mogelijk te maken, heeft de Commissie er dus niet voor gezorgd dat aan de essentie van haar aanvankelijke bezorgdheden in verband met de prijsstellingspraktijken wordt tegemoetgekomen en dat de oorzaken van die buitensporige prijzen worden weggenomen, zodat de toezeggingen inzake prijsstellingspraktijken ontoereikend zijn en het bestreden besluit in strijd is met de doelstellingen van artikel 102 VWEU.

147 In dezelfde zin herinnert de Republiek Litouwen eraan dat de onbillijke en buitensporige prijzen in de vijf door de prijsstellingspraktijken getroffen LMOE’s, het gevolg waren van het feit dat de prijsstelling voor gas in deze landen verschilde van die welke in West-Europa van toepassing was. Om dit resultaat te vermijden, zou een tariefregeling op zichzelf tot concurrerende prijzen moeten leiden. Deze regeling had dus moeten worden gewijzigd in plaats van de prijsherzieningsprocedure, die ten minste 6 maanden zou duren en afhankelijk zou zijn van de welwillendheid van Gazprom.

148 In de tweede plaats acht verzoekster de enige echte reden die de Commissie, in overweging 165 van het bestreden besluit, heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van haar beslissing om de tariefregelingen niet te wijzigen, ongegrond. De Commissie kon immers niet op grond van het enkele feit dat de uit deze regelingen voortvloeiende prijzen in 2015 en 2016 waren gedaald en een „zekere convergentie” hadden bereikt met de tarieven op de handelsplaatsen, concluderen dat er voor haar geen reden meer was om op te treden.

149 Deze grond wordt namelijk op geen enkele wijze gestaafd door met name economische analyses, en houdt geenszins rekening met het inherent veranderlijke karakter van aardolieprijzen, met het feit dat deze prijzen niet aan het toezicht door de instellingen van de Unie zijn onderworpen en dus met de mogelijkheid dat de contractuele prijzen opnieuw buitensporig hoog kunnen worden. De Commissie zou niet op de hoogte zijn geweest van het feit dat rond 2015 en 2016 de aardolieprijzen zich om verschillende redenen op een minimumniveau bevonden, dat afweek van het gemiddelde niveau van deze prijzen.

150 De Commissie ontkent dat zij er niet voor heeft gezorgd dat werd tegemoetgekomen aan de essentie van de in de bezwaren inzake prijsstellingspraktijken aan de orde gestelde bezorgdheden in verband met de mededinging.

151 Opgemerkt zij dat de toezeggingen inzake prijsstellingspraktijken zijn opgenomen in de punten 18 en 19 van de definitieve toezeggingen. Punt 18 bepaalt in wezen dat Gazprom binnen tien weken na de inwerkingtreding van de betrokken overeenkomsten moet voorstellen deze te wijzigen, in die zin dat er een nieuwe prijsherzieningsclausule wordt ingevoegd of dat de bestaande clausules worden gewijzigd met eenzelfde doel, namelijk, in concreto, dat een nieuwe herzieningsprocedure wordt ingevoerd voor de tariefregelingen op basis waarvan de contractuele prijzen voor gas worden bepaald. Gazprom moet dit voorstellen voor alle gasleveringsovereenkomsten met een looptijd van ten minste drie jaar, ongeacht of het lopende of nieuwe overeenkomsten betreft. Punt 19 van de definitieve toezeggingen voorziet in vijf elementen die deel moeten uitmaken van deze nieuwe procedure opdat deze, bij activering, leidt tot nieuwe tariefregelingen.

152 Uit de punten 18 en 19 van de definitieve toezeggingen volgt derhalve dat de Commissie er inderdaad voor heeft gekozen een nieuwe prijsherzieningsprocedure toe te staan in plaats van te zorgen voor een onmiddellijke wijziging van de tariefregelingen.

153 In dit verband is het juist dat de Commissie zich in de MPB niet op de prijsherzieningsprocedures heeft geconcentreerd, maar de bestaande tariefregelingen in de betrokken overeenkomsten en met name de in deze regelingen opgenomen koppeling aan de prijzen van aardolieproducten heeft onderzocht, door te kijken naar de inflatoire gevolgen van deze koppeling op de contractuele gasprijzen, zoals met name blijkt uit afdeling 11.4 van de MPB, met als opschrift „[vertrouwelijk]”. De Commissie had opgemerkt dat de redenen die aanvankelijk de koppeling van de tariefregelingen aan de prijzen van aardolieproducten hadden gerechtvaardigd, met name de ontoereikende „rijpheid” van de gasmarkten, grotendeels waren verdwenen (punt 545 van de MPB), zoals in wezen ook blijkt uit overweging 76 van het bestreden besluit. Feit blijft echter dat de bezorgdheden in verband met de mededinging die de Commissie – voorlopig – in de MPB had uiteengezet, bovenal betrekking hadden op het bestaan van mogelijk buitensporige contractuele prijzen, en dat de Commissie niet had [vertrouwelijk] (zie met name punten 949 en 981 van de MPB). Dit blijkt in wezen uit de samenvatting van de voorlopige beoordeling die is opgenomen in het bestreden besluit (overwegingen 62 en 63).

154 Ongeacht het standpunt dat de Commissie tijdens haar voorlopige beoordeling heeft ingenomen betreffende de koppeling van de tariefregelingen, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat, in de fase van de administratieve procedure waarin de door Gazprom voorgestelde toezeggingen werden onderzocht, de contractuele prijzen, in samenhang met de prijsdaling voor aardolieproducten, waren gedaald, zodat deze prijzen convergeerden met de tarieven op de gashandelsplaatsen in West-Europa. Deze vaststelling, die door de Commissie en door Gazprom in het kader van het onderhavige beroep naar voren is gebracht, blijkt uit het bestreden besluit (zie overweging 76 en voetnoot 49, alsmede de overwegingen 162 en 164), en wordt in werkelijkheid niet betwist door verzoekster, die veeleer wijst op het risico van een toekomstige stijging van de aardolieprijzen en, daarmee samenhangend, een stijging van de contractuele prijzen tot een mogelijk buitensporig niveau.

155 Gezien het prijsniveau ten tijde van de vaststelling van de definitieve toezeggingen, was er dus geen sprake van mogelijk buitensporige prijzen die een wijziging van de tariefregelingen met onmiddellijke ingang noodzakelijk maakten.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in