Gerecht EU 12 december 2014, T-558/08, ECLI:EU:T:2014:1080

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

12 december 2014 ( *1 )

„Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van paraffinewas — Beschikking waarbij een inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld — Vaststelling van de prijzen — Bewijs van het bestaan van een mededingingsregeling — Richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006 — Gelijke behandeling — Verzwarende omstandigheden — Recidive — Motiveringsplicht — Verzachtende omstandigheden — Zeer beperkte deelname — Uit onachtzaamheid gepleegde inbreuk — Rechten van de verdediging — Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑558/08,

Eni SpA, gevestigd te Rome (Italië), vertegenwoordigd door M. Siragusa, D. Durante, G. Rizza, S. Valentino en L. Bellia, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en V. Di Bucci als gemachtigden,

verweerster,

betreffende, primair, een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 5476 def. van de Commissie van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.181 – Kaarsenwas), en, subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring of verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: O. Czúcz (rapporteur), president, I. Labucka en D. Gratsias, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 maart 2013,

het navolgende

Arrest

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

1. Administratieve procedure en vaststelling van bestreden beschikking

1 Bij beschikking C(2008) 5476 def. van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.181 – Kaarsenwas) (hierna: „bestreden beschikking”) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat verzoekster, Eni SpA, samen met andere ondernemingen inbreuk heeft gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door deel te nemen aan een mededingingsregeling op de markt van paraffinewas in de EER en op de markt van „slack wax” in Duitsland.

2 De adressaten van de bestreden beschikking zijn, afgezien van verzoekster, de volgende vennootschappen: Esso Deutschland GmbH, Esso Société anonyme française, ExxonMobil Petroleum and Chemical BVBA en Exxon Mobil Corp. (hierna tezamen: „ExxonMobil”); H&R ChemPharm GmbH, H&R Wax Company Vertrieb GmbH en Hansen & Rosenthal KG (hierna tezamen: „H&R”), Tudapetrol Mineralölerzeugnisse Nils Hansen KG; MOL Nyrt.; Repsol YPF Lubricantes y Especialidades SA, Repsol Petróleo SA en Repsol YPF SA (hierna tezamen: „Repsol”); Sasol Wax GmbH, Sasol Wax International AG, Sasol Holding in Germany GmbH en Sasol Ltd (hierna tezamen: „Sasol”); Shell Deutschland Oil GmbH, Shell Deutschland Schmierstoff GmbH, Deutsche Shell GmbH, Shell International Petroleum Company Ltd, The Shell Petroleum Company Ltd, Shell Petroleum NV en The Shell Transport and Trading Company Ltd (hierna tezamen: „Shell”); RWE Dea AG en RWE AG (hierna tezamen: „RWE”), en Total SA en Total France SA (hierna tezamen: „Total”) (punt 1 van de bestreden beschikking).

3 Paraffinewas wordt gefabriceerd door raffinage van ruwe olie. Het wordt gebruikt voor de vervaardiging van producten als kaarsen, chemicaliën, banden en auto-onderdelen maar ook in sectoren als rubber, verpakkingen, zelfklevend materiaal en kauwgom (punt 4 van de bestreden beschikking).

4 „Slack wax” is de grondstof die nodig is voor de productie van paraffinewas. Het wordt in raffinaderijen geproduceerd als bijproduct bij de vervaardiging van basisoliën uit ruwe olie. Het wordt ook aan eindafnemers verkocht, bijvoorbeeld aan producenten van spaanplaat (punt 5 van de bestreden beschikking).

5 De Commissie is met haar onderzoek gestart nadat Shell Deutschland Schmierstoff haar bij brief van 17 maart 2005 had geïnformeerd over het bestaan van een mededingingsregeling en haar om immuniteit had verzocht overeenkomstig de mededeling van 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”) (punt 72 van de bestreden beschikking).

6 Op 28 en 29 april 2005 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), inspecties verricht in de bedrijfsruimten van „H&R/Tudapetrol”, van Eni, van MOL en in de bedrijfsruimten van de vennootschappen van de groepen Sasol, ExxonMobil, Repsol en Total (punt 75 van de bestreden beschikking).

7 Tussen 25 en 29 mei 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gezonden aan de in punt 2 hierboven genoemde vennootschappen, waaronder verzoekster (punt 85 van de bestreden beschikking). Bij brief van 14 augustus 2007 heeft Eni op de mededeling van punten van bezwaar geantwoord.

8 Op 10 en 11 december 2007 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden, die Eni heeft bijgewoond (punt 91 van de bestreden beschikking).

9 In de bestreden beschikking heeft de Commissie, gelet op de bewijzen die zij bezat, geoordeeld dat de adressaten, die binnen de EER de meerderheid vormden van de producenten van paraffinewas en „slack wax”, deel hadden genomen aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst, die het grondgebied van de EER bestreek. Deze inbreuk bestond in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij de prijzen zijn vastgesteld en commercieel gevoelige informatie is uitgewisseld en openbaar gemaakt met betrekking tot paraffinewas (hierna: „eerste deel van de inbreuk”). Wat RWE (later Shell), ExxonMobil, MOL, Repsol, Sasol en Total betreft, had de inbreuk inzake paraffinewas tevens betrekking op de verdeling van klanten of markten (hierna: „tweede deel van de inbreuk”). Voorts had de door RWE, ExxonMobil, Sasol en Total gepleegde inbreuk ook betrekking op aan eindafnemers op de Duitse markt verkochte „slack wax” (hierna: „‚slack wax’-deel van de inbreuk”) (punten 2, 95, 328 en artikel 1 van de bestreden beschikking).

10 De inbreukmakende gedragingen hebben plaatsgevonden tijdens mededingingsverstorende bijeenkomsten die door de deelnemers „technische bijeenkomsten” of soms „Blauer Salon”-bijeenkomsten werden genoemd, en tijdens „slack wax-bijeenkomsten”, die specifiek aan kwesties betreffende „slack wax” waren gewijd.

11 Het bedrag van de in casu opgelegde geldboeten is berekend op basis van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”), die van kracht waren ten tijde van de betekening van de mededeling van punten van bezwaar aan de in punt 2 hierboven genoemde vennootschappen.

12 De bestreden beschikking bevat onder meer de volgende bepalingen: „Artikel 1 De volgende ondernemingen hebben artikel 81, lid 1, [EG] en vanaf 1 januari 1994 artikel van de 53 EER-Overeenkomst geschonden door tijdens de aangegeven perioden deel te nemen aan één enkele [voortdurende] overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de sector paraffinewas op de gemeenschappelijk markt en vanaf 1 januari 1994 in de EER: Eni SpA: van [30 en 31] oktober 1997 en van 21 februari 2002 tot 28 april 2005; [...] Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd: Eni SpA: 29120000 EUR; Esso Société anonyme française: 83588400 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met ExxonMobil Petroleum and Chemical BVBA en ExxonMobi1 Corporation 34670400 EUR waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met Esso Deutschland GmbH 27081600 EUR; Tudapetrol Mineralölerzeugnisse Nils Hansen KG: 12000000 EUR; Hansen & Rosenthal KG hoofdelijk en gezamenlijk met H&R Wax Company Vertrieb GmbH: 24000000 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met H&R ChemPharm GmbH voor 22000000 EUR; MOL Nyrt.: 23700000 EUR; Repsol YPF Lubricantes y Especialidades SA hoofdelijk en gezamenlijk met Repsol Petróleo SA en Repsol YPF SA: 19800000 EUR; Sasol Wax GmbH: 318200000 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met Sasol Wax International AG, Sasol Holding in Germany GmbH en Sasol [Ltd] 250700000 EUR; Shell Deutschland Oil GmbH, Shell Deutschland Schmierstoff GmbH, Deutsche Shell GmbH, Shell International Petroleum Company Limited, the Shell Petroleum Company Limited, Shell Petroleum NV en The Shell Transport and Trading Company Limited: 0 EUR; RWE-Dea AG hoofdelijk en gezamenlijk met RWE AG: 37440000 EUR; Total France SA hoofdelijk en gezamenlijk met Total SA: 128163000 EUR.”

2. De groep Eni

13 De Commissie heeft in de bestreden beschikking het volgende overwogen ten aanzien van verzoeksters deelname aan de inbreuk: „[...] (342) In hoofdstuk 4 is vastgesteld dat Eni gedurende de periode van haar deelname, aan de inbreuk heeft deelgenomen door middel van werknemers van AgipPetroli SpA en Eni SpA [...] (343) AgipPetroli SpA was vertegenwoordigd op een bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 en tussen 21 en 22 februari 2002 en 31 december 2002 (toen zij met Eni SpA is gefuseerd en dus heeft opgehouden te bestaan), en Eni SpA heeft deelgenomen van 1 januari 2003 (vanaf die datum werden de divisies raffinage en marketing van Eni belast met de verkoop van paraffinewas en ‚slack wax’) tot en met 28 april 2005 (de einddatum van de inbreuk). (344) AgipPetroli SpA is op 31 december 2002 opgegaan in Eni SpA. Overeenkomstig de beginselen in punt 334 moet Eni SpA dus worden geacht de verantwoordelijkheid voor de activiteiten van AgipPetroli SpA van vóór 31 december 2002 te hebben overgenomen [...] (345) Bijgevolg moet Eni SpA niet alleen verantwoordelijk worden gehouden voor haar directe deelname aan de mededingingsregeling na de overname van AgipPetroli SpA (op 31 december 2002), maar ook de aan die datum voorafgaande activiteiten van AgipPetroli SpA binnen het kartel. (346) In haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar heeft Eni de conclusies van de Commissie ten aanzien van haar verantwoordelijkheid niet ter discussie gesteld. (347) Om bovengenoemde redenen is Eni SpA aansprakelijk voor haar deelname aan een bijeenkomst op 30 en 31 oktober 1997 en die van 21 en 22 februari 2002 tot en met 28 april 2005 (de einddatum van de inbreuk).”

Procesverloop en conclusies van partijen

14 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 december 2008, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

15 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht schriftelijke vragen gesteld aan de partijen en hun verzocht, bepaalde stukken over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

16 Partijen hebben ter terechtzitting van 19 maart 2013 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

17 Gezien de feitelijke verbanden met de zaken T‑540/08, Esso e.a./Commissie, T‑541/08, Sasol e.a./Commissie, T‑543/08, RWE en RWE Dea/Commissie, T‑544/08, Hansen & Rosenthal en H&R Wax Company Vertrieb/Commissie, T‑548/08, Total/Commissie, T‑550/08, Tudapetrol/Commissie, T‑551/08, H&R ChemPharm/Commissie, T‑562/08, Repsol YPF Lubricantes y especialidades e.a./Commissie, en T‑566/08, Total Raffinage et Marketing/Commissie, en de nauw verwante rechtsvragen die zij doen rijzen, heeft het Gerecht beslist om het arrest in deze zaak pas uit te spreken na de terechtzitting in die verwante zaken, waarvan de laatste is gehouden op 3 juli 2013.

18 Verzoekster concludeert tot: — gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking en het daaraan verbinden van consequenties voor het bedrag van de aan haar opgelegde geldboete; — subsidiair, nietigverklaring of verlaging van het bedrag van de aan haar opgelegde geldboete; — verwijzing van de Commissie in de kosten.

19 De Commissie concludeert tot: — verwerping van het beroep; — verwijzing van verzoekster in de kosten.

In rechte

20 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

21 Verzoekster voert eerst twee middelen aan waarmee zij bestrijdt dat zij aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, gebaseerd op schending van artikel 81 EG. Het eerste heeft betrekking op het bewijs van haar deelname als gevolg van haar aanwezigheid op de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997. Het tweede betreft haar deelname aan de inbreuk tussen 21 februari 2002 en 28 april 2005.

22 Verzoekster voert daarnaast vier middelen aan die betrekking hebben op de berekening van het bedrag van de voor haar bestemde geldboete. Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 81 EG, artikel 23 van verordening nr. 1/2003, de richtsnoeren van 2006, alsook het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, als gevolg van de onjuiste vaststelling van de coëfficiënt voor ernst van de inbreuk en het aanvullend bedrag dat ook wel „leergeld” wordt genoemd, op 17 %. Het vierde middel is gebaseerd op schending van artikel 81 EG, artikel 23 van verordening nr. 1/2003, de richtsnoeren van 2006, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, alsook misbruik van bevoegdheid, als gevolg van de verhoging van het bedrag van de geldboete met 60 % voor de verzwarende omstandigheid recidive. Het vijfde middel is ontleend aan schending van artikel 81 EG, artikel 23 van verordening nr. 1/2003, de richtsnoeren van 2006, het beginsel van gelijke behandeling en de motiveringsplicht, doordat de Commissie niet heeft erkend dat sprake was van de verzachtende omstandigheid dat zij slechts zeer beperkt aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen en niet aan de tenuitvoerlegging daarvan heeft deelgenomen. Het zesde middel is gebaseerd op schending van artikel 81 EG, artikel 23 van verordening nr. 1/2003 en de richtsnoeren van 2006, als gevolg van het verzuim om als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen dat zij de inbreuk uit onachtzaamheid heeft begaan.

23 Aangezien het eerste en het tweede middel betrekking hebben op de beoordeling van het bewijs van de deelname van Eni aan de mededingingsregeling, acht het Gerecht het dienstig om deze middelen tezamen te onderzoeken.

1. Eerste en tweede middel inzake verzoeksters deelname aan de mededingingsregeling, gebaseerd op schending van artikel 81 EG

24 Met haar eerste middel geeft verzoekster te kennen dat de Commissie op onrechtmatige wijze haar deelname aan een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging heeft vastgesteld op basis van haar aanwezigheid tijdens de technische bijeenkomst op 30 en 31 oktober 1997 te Hamburg (Duitsland). Met haar tweede middel voert zij aan dat haar deelname aan de mededingingsregeling tussen 21 februari 2002 en 28 april 2005 op onrechtmatige wijze is vastgesteld.

Begrippen overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging

25 Volgens artikel 81, lid 1, EG zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

26 Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 256, en 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T-9/99, Jurispr. blz. II-1487, punt 199).

27 Aangenomen kan worden dat een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is gesloten wanneer er een wilsovereenstemming bestaat over het beginsel zelf van de mededingingsbeperking, zelfs indien over de specifieke elementen van de voorgenomen beperking nog onderhandelingen worden gevoerd (arrest Gerecht van 16 juni 2011, Heineken Nederland en Heineken/Commissie, T-240/07, Jurispr. blz. II-3355, punt 45; zie in die zin ook arrest HFB e.a./Commissie, punt 26 supra, punten 151‑157 en 206).

28 De onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (arresten Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, T-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 115, en Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 158).

29 In dat verband staat artikel 81, lid 1, EG in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken ondernemer zelf vertoont of zich heeft voorgenomen, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft de mededinging te beperken (arrest Heineken Nederland en Heineken/Commissie, punt 27 supra, punt 47; zie in die zin ook arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 28 supra, punten 116 en 117).

Beginselen voor de beoordeling van bewijzen

30 Volgens de rechtspraak dient de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en de elementen te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen (zie arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 58, en arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, is het vaste rechtspraak dat het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG aanhangig is, in het algemeen een volledig onderzoek moet instellen naar de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG is voldaan (zie arrest Gerecht van 26 oktober 2000, Bayer/Commissie, T-41/96, Jurispr. blz. II-3383, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 In die context dient twijfel bij de rechter in het voordeel te werken van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, indien daarover bij hem twijfel blijft bestaan, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd (arrest Gerecht Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 30 supra, punt 60, en arrest van 12 juli 2011, Hitachi e.a./Commissie, T-112/07, Jurispr. blz. II-3871, punt 58).

33 In het laatstgenoemde geval moet immers rekening worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die de algemene beginselen van het Unierecht vormen. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties, is het onschuldvermoeden inzonderheid van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 59; zie in die zin ook arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 30 supra, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 De Commissie moet dus nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren om het bestaan van de inbreuk aan te tonen. Evenwel dient te worden beklemtoond dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het volstaat dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 30 supra, punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 De aanwijzingen die de Commissie in de bestreden beschikking aanvoert om schending van artikel 81, lid 1, EG door een onderneming te bewijzen, dienen niet afzonderlijk maar in hun geheel te worden bezien (zie arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T-53/03, Jurispr. blz. II-1333, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Ook dient te worden opgemerkt dat de Commissie in de praktijk vaak verplicht is het bestaan van de inbreuk in moeilijke omstandigheden te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt. De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een onrechtmatige prijsvaststellingsovereenkomst is gesloten, maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel diende te worden bereikt. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een onrechtmatige overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsbeperkende doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. In een dergelijk geval kunnen de ondernemingen zich nuttig verweren wanneer zij de gelegenheid krijgen een verklaring te geven voor alle door de Commissie tegen hen aangevoerde bewijselementen (arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T-67/00, T-68/00, T-71/00 en T-78/00, Jurispr. blz. II-2501, punt 203).

37 Met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG aan te tonen, primeert in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering (arrest Gerecht van 8 juli 2004, Dalmine/Commissie, T-50/00, Jurispr. blz. II-2395, punt 72, en arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 64).

38 Wat de bewijskracht van de verschillende bewijsstukken aangaat, is het enige voor de beoordeling van de aangevoerde bewijzen relevante criterium de geloofwaardigheid ervan (arrest Dalmine/Commissie, punt 37 supra, punt 72).

39 Volgens de algemene bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en bijgevolg de bewijskracht van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het gericht is en van de inhoud ervan (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punten 1053 en 1838, en arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 70).

40 Wanneer de Commissie uitsluitend op basis van het marktgedrag van de betrokken ondernemingen een inbreuk vaststelt, is het voldoende dat deze ondernemingen omstandigheden aantonen die een ander licht werpen op de door de Commissie vastgestelde feiten en een andere plausibele verklaring van de feiten bieden die in de plaats kan worden gesteld van die op basis waarvan zij tot de conclusie is gekomen dat sprake is van schending van de mededingingsregels van de Unie (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 36 supra, punt 186).

41 Wanneer de Commissie zich daarentegen heeft gebaseerd op schriftelijke bewijzen, dienen de betrokken ondernemingen niet louter een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen van de inbreuk in de bestreden beschikking ontoereikend zijn (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 36 supra, punt 187). Een dergelijke bewijslevering schendt het beginsel van het vermoeden van onschuld niet (zie in die zin arrest Hof van 8 juli 1999, Montecatini/Commissie, C-235/92 P, Jurispr. blz. I-4539, punt 181).

42 Daar het verbod op deelname aan mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten en de sancties die overtreders riskeren, algemeen bekend zijn, worden de activiteiten die met die gedragingen en overeenkomsten verband houden, doorgaans clandestien verricht, worden de bijeenkomsten in het geheim gehouden en wordt de desbetreffende documentatie tot een minimum beperkt. Bijgevolg kan niet van de Commissie worden gevraagd dat zij stukken overlegt waaruit uitdrukkelijk blijkt dat de betrokken marktdeelnemers overleg hebben gepleegd. Zelfs wanneer de Commissie dergelijke stukken ontdekt, zullen deze doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst kan derhalve worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die, in hun totaliteit beschouwd en bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, Jurispr. blz. I-123, punten 55‑57; zie arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 30 supra, punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Bij de beoordeling van de bewijskracht van schriftelijke bewijzen moet er groot belang aan worden gehecht dat deze documenten in rechtstreeks verband met de feiten zijn opgesteld (arresten Gerecht van 11 maart 1999, Ensidesa/Commissie, T-157/94, Jurispr. blz. II-707, punt 312, en 16 december 2003, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie/Commissie, T-5/00 en T-6/00, Jurispr. blz. II-5761, punt 181) of door een directe getuige van die feiten (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 36 supra, punt 207).

44 Het feit dat een document niet gedateerd of niet ondertekend of slecht geschreven is, ontneemt hieraan evenwel niet elke bewijskracht mits de herkomst, de waarschijnlijke datum en de inhoud ervan met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld (arrest Gerecht van 13 december 2006, FNCBV/Commissie, T-217/03 en T-245/03, Jurispr. blz. II-4987, punt 124; zie in die zin ook arrest Gerecht van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T-11/89, Jurispr. blz. II-757, punt 86).

45 Uit het beginsel van de vrije bewijslevering vloeit voort dat, ook al kan het ontbreken van schriftelijke bewijzen in het kader van de globale beoordeling van de door de Commissie ingeroepen bundel van aanwijzingen van belang blijken, deze omstandigheid er op zich niet toe leidt dat de betrokken onderneming het betoog van de Commissie ter discussie kan stellen door een andere uitleg aan de feiten te geven. Dat is enkel het geval indien uit de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een inbreuk, zonder dat daarvoor enige interpretatie hoeft te worden verricht (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 65; zie in die zin ook arrest Gerecht van 12 september 2007, Coats Holdings en Coats/Commissie, T‑36/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).

46 Bovendien verbiedt geen bepaling en geen algemeen beginsel van Unierecht de Commissie om zich jegens een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere ondernemingen die zij verwijt aan het kartel te hebben deelgenomen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met artikel 81 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met de haar opgedragen taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen (arresten JFE Engineering e.a./Commissie, punt 36 supra, punt 192, en Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 67).

47 Een bijzonder grote bewijskracht kan worden toegekend aan verklaringen die, ten eerste, betrouwbaar zijn, ten tweede, in naam van een onderneming zijn gegeven, ten derde, zijn afgelegd door een persoon die de professionele verplichting had om in het belang van deze vennootschap te handelen, ten vierde, tegen de belangen van diezelfde persoon ingaan, ten vijfde, van een directe getuige van de beschreven omstandigheden afkomstig zijn, en ten zesde, schriftelijk en na weloverwogen en rijp beraad zijn afgelegd (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 71; zie in die zin ook arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 36 supra, punten 205‑210).

48 De verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan evenwel niet worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijselementen wordt gestaafd. Gezien hun betrouwbaarheid behoeven deze verklaringen echter een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig waren geweest (arresten JFE Engineering e.a./Commissie, punt 36 supra, punten 219 en 220, en Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 68).

49 Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is omdat deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage aan de inbreuk te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, neemt dit niet weg dat het feit dat wordt verzocht om toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 teneinde immuniteit of een vermindering van de geldboete te verkrijgen, er niet noodzakelijkerwijs toe aanzet om bewijzen ten aanzien van de andere leden van de mededingingsregeling vertekend weer te geven. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker, en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt te hebben bij de mededeling inzake medewerking van 2002 in gevaar brengen (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 32 supra, punt 72; zie in die zin ook arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T-120/04, Jurispr. blz. II-4441, punt 70).

50 In het bijzonder impliceert het feit dat een persoon toegeeft dat hij een inbreuk heeft gepleegd en aldus meer feiten bekent dan rechtstreeks uit de betrokken stukken had kunnen worden afgeleid, automatisch, behoudens bijzondere omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt, dat de betrokkene vastbesloten is om de waarheid te spreken. Zo moeten verklaringen die ingaan tegen de belangen van degene die ze heeft afgelegd, in beginsel als bijzonder betrouwbare bewijzen worden beschouwd (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 36 supra, punten 211 en 212, en arresten Gerecht van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T-109/02, T-118/02, T-122/02, T-125/02, T-126/02, T-128/02, T-129/02, T-132/02 en T-136/02, Jurispr. blz. II-947, punt 166, en 8 juli 2008, Lafarge/Commissie, T‑54/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 59).

51 Voornoemde rechtspraak geldt naar analogie voor artikel 53 van de EER-Overeenkomst.

Omschrijving van het eerste deel van de inbreuk in de bestreden beschikking

52 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de Commissie in punt 2 van de bestreden beschikking, onder het opschrift „Samenvatting van de inbreuk”, tot de bevinding is gekomen dat de adressaten van die beschikking deel hadden genomen aan één enkele, complexe en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Het eerste deel van deze inbreuk bestond in „overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij de prijzen zijn vastgesteld en commercieel gevoelige informatie is uitgewisseld en openbaar gemaakt” met betrekking tot paraffinewas. Dit eerste deel was volgens de bestreden beschikking het enige bestanddeel van de inbreuk waaraan verzoekster heeft deelgenomen.

53 Onder het opschrift „4.1. Basisbeginselen en werking van de mededingingsregeling” heeft de Commissie het eerste deel van de inbreuk als volgt omschreven in de punten 106 en volgende van de bestreden beschikking: „[...] (106) De technische bijeenkomsten vielen altijd uiteen in twee delen: eerst werden technische kwesties besproken, gevolgd door besprekingen van mededingingsverstorende aard over onder meer prijsafspraken, verdeling van de markten en de klanten (in bepaalde gevallen), en uitwisseling en openbaarmaking van commercieel gevoelige informatie, zoals het huidige en toekomstige prijsbeleid, de klanten, de productiecapaciteit en verkoopvolumes. (107) De besprekingen over de prijzen en potentiële prijsverhogingen vonden doorgaans plaats aan het einde van de technische bijeenkomsten. In het algemeen nam Sasol het voortouw bij de prijsbesprekingen, maar vervolgens werden de prijzen en de prijsbeleidsstrategieën door alle deelnemers besproken in de vorm van een rondvraag. [...] Het ging daarbij zowel om prijsverhogingen en indicatieve prijzen voor specifieke klanten als om algemene prijsverhogingen alsook minimumprijzen en indicatieve prijzen voor de gehele markt. [...] Normaal gesproken werden de prijsverhogingen overeengekomen in absolute cijfers en niet in percentages (bijvoorbeeld 60 EUR per ton voor volledig geraffineerde paraffinewas). [...] De minimumprijzen werden niet alleen overeengekomen wanneer er een overeenkomst over prijsverhoging bestond, maar ook wanneer een prijsverhoging niet mogelijk was (bijvoorbeeld wanneer de prijzen daalden) [...] [...] (109) De vertegenwoordigers van de ondernemingen wisselden voorts commercieel gevoelige informatie uit en maakten hun algemene strategie bekend [...] (110) De ondernemingen, met uitzondering van MOL, werden vertegenwoordigd door leidinggevenden die bevoegd waren de prijsstrategie van hun respectieve onderneming te bepalen en prijzen voor individuele klanten vast te stellen [...] (111) Tijdens de meeste technische bijeenkomsten hadden de gesprekken over de prijzen in het algemeen betrekking op paraffinewas en slechts zelden op de verschillende soorten paraffinewas (zoals volledig geraffineerde paraffinewas, gedeeltelijk geraffineerde paraffinewas, wasmengsels/wasspecialiteiten, harde paraffinewas of „hydrofinished” was). Het was voor alle ondernemingen duidelijk dat de prijzen voor alle soorten paraffinewas met hetzelfde bedrag of hetzelfde percentage zouden stijgen [...] [...] (113) Het resultaat van de technische bijeenkomsten werd in het algemeen uitgevoerd door de aankondiging van prijsverhogingen aan de klanten of ongeldigverklaring van de bestaande tariefformules. [...] Incidentele gevallen van ontduiking of niet-toepassing werden besproken tijdens volgende bijeenkomsten (zie bijvoorbeeld de punten 149 en 157). In het algemeen nam een van de vertegenwoordigde ondernemingen het initiatief en begon haar prijzen te verhogen. Doorgaans was dit Sasol, maar zij vroeg soms een andere deelnemer om te beginnen. Kort nadat een onderneming haar klanten op de hoogte had gesteld van haar voornemen de prijzen te verhogen, volgden de andere leveranciers en kondigden ook zij prijsverhogingen aan. [...] De personen die de ondernemingen tijdens de technische bijeenkomsten vertegenwoordigden, informeerden de anderen over de genomen stappen ter uitvoering van het resultaat van de technische bijeenkomsten. Deze informatie werd mondeling verstrekt [...] of door toezending van een kopie van de aankondiging van de prijsverhogingen of ongeldigverklaring van de betrokken prijzen aan een van de andere [deelnemende] ondernemingen of aan al deze ondernemingen. De Commissie heeft namelijk ontdekt dat dergelijke aankondigingen werden uitgewisseld tussen partijen. Bij een steekproef van ongeveer 150 van dit soort brieven is vastgesteld dat zij binnen zes weken na de technische bijeenkomsten zijn uitgewisseld. [...] Ook werd verklaard dat de vertegenwoordigde ondernemingen op grond van een overeenkomst de toepassing van een afgesproken prijsverhoging niet mochten aangrijpen om hun eigen marktaandeel te vergroten. [...] Deze stelling is niet betwist in de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar.”

54 Onder het opschrift „4.2. Gedetailleerde informatie betreffende de technische bijeenkomsten” heeft de Commissie in de bestreden beschikking eerst een overzichtstabel gepresenteerd met de plaats en de datum van de technische bijeenkomsten en de aanwezige ondernemingen (punt 124 van de bestreden beschikking). Daarna heeft zij de beschikbare bewijzen inzake elk van de technische bijeenkomsten onderzocht (punten 126‑177 van de bestreden beschikking).

55 Onder het opschrift „5.3. Aard van de betrokken inbreuk” heeft de Commissie in de bestreden beschikking de in casu toepasselijke beginselen met betrekking tot de kwalificatie van mededingingsverstorende gedragingen toegelicht: „5.3.1. Beginselen [...] (205) [I]n het geval van een complexe inbreuk van aanzienlijke duur hoeft de Commissie haar niet te kwalificeren als overeenkomst [of] onderling afgestemde feitelijke gedraging. De begrippen overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging zijn vaag en kunnen elkaar overlappen. Het mededingingsverstorend gedrag kan heel goed op gezette tijden zijn gewijzigd en de mechanismen kunnen zijn aangepast of versterkt om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen. Het kan namelijk zelfs onmogelijk zijn dit onderscheid te maken, daar een inbreuk tegelijkertijd de kenmerken kan vertonen van elk van de vormen van verboden gedrag, terwijl sommige van de manifestaties ervan, op zichzelf beschouwd, juist eerder als behorend tot de ene dan tot de andere vorm kunnen worden gedefinieerd. Een onderverdeling van wat duidelijk de uitvoering van gedragingen met eenzelfde algemene doelstelling is in een aantal afzonderlijke inbreukvormen, zou gekunsteld zijn. Een mededingingsregeling kan dus tegelijk een overeenkomst en een onderling afgestemde feitelijke gedraging zijn. Artikel 81 [EG] houdt geen specifieke kwalificatie in voor een complexe inbreuk van het type als beschreven in deze beschikking [...] (206) Wanneer sprake is van een groot aantal deelnemers aan een mededingingsregeling wier mededingingsverstorend gedrag naar de duur kan worden aangemerkt als een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging (complexe inbreuken), hoeft de Commissie niet precies aan te geven tot welke categorie elk type gedrag behoort.”

56 Vervolgens heeft de Commissie, nog steeds onder datzelfde opschrift binnen de bestreden beschikking, de inhoud van de inbreuk als volgt beschreven: „5.3.2. Toepassing (210) Uit de in hoofdstuk 4 van deze beschikking beschreven feiten is gebleken dat alle ondernemingen waarop deze procedure betrekking heeft, hebben deelgenomen aan mededingingsbeperkende activiteiten betreffende paraffinewas en, wat de in punt 2 genoemde ondernemingen betreft, inzake ‚slack wax’ [...] en dat zij regelmatig hebben deelgenomen aan bijeenkomsten waarin de volgende punten werden besproken: 1) de vaststelling van de prijzen[;] 2) [...] de verdeling van klanten en/of de verdeling van markten[;] 3) de openbaarmaking en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie, met name over klanten, tarifering, productiecapaciteit en verkoopvolumes [...] 5.3.2.2. Vaststelling van de prijzen (240) De punten 98, 107, 126, 128, 131, 133, 135, 137, 139, 140, 142, 145, 147, 149, 152, 153, 156, 157, 163, 168, 174, 176 en 177 tonen aan dat de betrokken ondernemingen minimumprijzen vaststelden en prijsverhogingen overeenkwamen (‚vaststelling van de prijzen’). (241) ExxonMobil, Repsol, Sasol en Shell hebben het bestaan van gedragingen inzake vaststelling van de prijzen bevestigd (zie punt 107) en dit tijdens hun hoorzitting en in hun schriftelijk antwoord op de mededeling van punten van bezwaar opnieuw bevestigd.”

57 In punt 298 van de bestreden beschikking is de Commissie tot een conclusie ten aanzien van de deelname van Eni aan de mededingingsregeling gekomen, die als volgt is verwoord: „Zoals is aangetoond in hoofdstuk 4, heeft Eni aan een bijeenkomst deelgenomen in 1997 en aan 11 bijeenkomsten tussen februari 2002 en februari 2005. De bijeenkomst van 1997 (zie punt 145) heeft het mogelijk gemaakt om tot een overeenkomst over de prijzen in de zin van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst te komen. Wat de bijeenkomsten van na februari 2002 betreft (zie punten 165‑178), komt de Commissie in het licht van de beschikbare bewijzen en na de algemene omschrijving van de gebruikelijke structuur van de technische bijeenkomsten tot de conclusie dat Eni de vaststelling van de prijzen en de uitwisseling van gevoelige informatie heeft bijgewoond en daaraan heeft deelgenomen en bijgedragen. Aangezien Eni na 2002 aan 11 van de 13 bijeenkomsten heeft deelgenomen, is de Commissie van oordeel dat Eni wist van het mededingingsverstorende doel en de maatregelen die tijdens de technische bijeenkomsten waren getroffen, of daarvan had moeten weten. Hoewel er geen bewijs is dat Eni aan de bijeenkomsten van 14 en 15 januari 2004 en van 11 en 12 mei 2004 heeft deelgenomen, meent de Commissie dat de voortdurende deelname van Eni aan de inbreuk is aangetoond voor de periode van 21 en 22 februari 2002 tot en met 28 april 2005 [...] De Commissie is met name van oordeel dat de gebeurtenissen die in punt 165 zijn omschreven, aantonen dat Eni rekening heeft gehouden met de informatie die zij over het gedrag van haar concurrenten op de markt heeft gekregen, haar eigen gedrag daaraan heeft aangepast en uitvoeringsmaatregelen heeft getroffen. Deze situatie kan worden gekwalificeerd als onderling afgestemde feitelijke gedraging.”

Deelname van Eni aan de mededingingsregeling wegens haar aanwezigheid op de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997

58 Verzoekster geeft te kennen dat de Commissie niet geldig kan uitgaan van haar aanwezigheid op de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 om daaruit haar deelname aan de mededingingsregeling af te leiden. Haar aanwezigheid wordt namelijk verklaard door het feit dat zij een bezoek aan haar vertegenwoordiger in Hamburg heeft afgelegd met het oog op rechtmatige onderhandelingen met Sasol. Bedoelde vertegenwoordiger heeft zich van de mededingingsverstorende inhoud van de technische bijeenkomst in kwestie gedistantieerd.

Onderzoek van het bewijs

59 In punt 145 van de bestreden beschikking, over de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997, baseert de Commissie zich op een verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol, waarin het volgende is opgenomen:

„Datum Verhoging Min. prijs.

√ SCHS, D

√ Dea, D

√ SRS-Tuda, D

√ MOL, HU 1.1.

√ Total, F 1.1. DEM 10,- DEM 120

Mobil-Bp, F

√ Repsol, E

√ Agip, I 1.1. DEM 10”

60 Sasol heeft verklaard dat uit dit verslag blijkt dat alle deelnemers het eens waren geworden over een verhoging van de prijzen met 10 à 12 Duitse mark (DEM) per 100 kg, dat Total en Agip de prijzen met 10 DEM wensten te verhogen en dat dit tot een minimumprijs van 120 DEM per 100 kg zou leiden, voor Total althans.

61 De niveaus en data van de verhogingen worden volledig bevestigd door twee aantekeningen met betrekking tot deze bijeenkomsten, die zijn gevonden in de bedrijfsruimten van MOL.

62 In punt 145 van de bestreden beschikking is de Commissie op basis van deze documenten en de verklaringen van ondernemingen die deze hebben toegelicht, tot de volgende conclusie gekomen: „[D]e deelnemende ondernemingen zijn een strategie voor de harmonisatie en verhoging van de prijzen overeengekomen. De aantekeningen hebben zowel op paraffinewas als op „slack wax” betrekking. Bovendien blijkt uit de aantekeningen [van MOL] dat de ondernemingen informatie over de instandhouding van en de algemene strategie inzake de prijzen hebben uitgewisseld.”

63 In dat verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat Sasol en Repsol hebben verklaard dat de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 een mededingingsverstorende inhoud had. Voorts heeft Sasol bij de door de Commissie gevonden documenten een toelichting gegeven, waarbij zij met name heeft aangegeven dat alle deelnemers zich ertoe hadden verbonden om de prijzen te verhogen (zie punt 60 hierboven). Deze verklaringen zijn, na rijp beraad, afgelegd door personen die aan de technische bijeenkomsten hebben deelgenomen, en beschuldigen ook de ondernemingen in naam waarvan zij zijn afgelegd. Bijgevolg zijn zij bijzonder betrouwbaar in de zin van de hierboven in punt 47 aangehaalde rechtspraak.

64 In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat de inhoud van de discussies tijdens de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 bijzonder goed is gedocumenteerd als gevolg van de aantekeningen van MOL en het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol. Daaraan moet worden toegevoegd dat de aantekeningen van MOL, zoals de Commissie in punt 215 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, tijdens de bijeenkomsten waren opgesteld door de persoon die daaraan had deelgenomen en dat de inhoud ervan gestructureerd en tamelijk gedetailleerd is. De bewijskracht van die aantekeningen is dus zeer groot. Wat de verslagen van de „Blauer Salon”-bijeenkomsten van Sasol betreft, zijn dat stukken die dateren van de periode van de feiten en die zijn opgesteld in tempore non suspecto, dus kort na elke technische bijeenkomst. Mocht de persoon die ze heeft opgesteld de technische bijeenkomsten niet hebben bijgewoond, dan heeft hij zich gebaseerd op de van een deelnemer verkregen informatie. De bewijskracht van deze verslagen is dus ook groot.

65 Bijgevolg komt het Gerecht tot de conclusie dat op basis van alle door de Commissie in punt 145 van de bestreden beschikking gepresenteerde bewijzen kan worden bevestigd dat de deelnemers ook daadwerkelijk tijdens de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 prijsverhogingen voor paraffinewas zijn overeengekomen.

Aanwezigheid van Eni op de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 en de vraag of zij zich daarvan heeft gedistantieerd

66 Verzoekster betwist niet dat haar vertegenwoordiger, DS., aan de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 heeft deelgenomen.

67 Zij geeft evenwel te kennen dat de DS. toevallig op die technische aanwezig was. Na een bilaterale vergadering met de vertegenwoordiger van Sasol, een klant van Eni, heeft laatstgenoemde hem uitgenodigd om eveneens aan een door Sasol georganiseerde grotere bijeenkomst deel te nemen, met andere Europese paraffineproducenten.

68 Bovendien heeft verzoekster zich van de mededingersverstorende inhoud van de betrokken technische bijeenkomst gedistantieerd. DS., voor wie de kwesties van de vaststelling van de gehanteerde prijzen en aangeboden hoeveelheden niet van belang waren, heeft niet aan het overleg deelgenomen, maar is uit beleefdheid tegenover Sasol tot aan het einde van de bijeenkomst gebleven. Hij heeft evenwel vanaf het begin af aan zijn collega’s bij Sasol kenbaar gemaakt dat noch Eni noch hijzelf geïnteresseerd waren in dergelijke bijeenkomsten, zoals volgt uit zijn verklaring. Dat Sasol zijn distantiëring ook zo heeft opgevat, blijkt uit het feit dat Eni tot 21 februari 2002 niet voor latere technische bijeenkomsten is uitgenodigd. Daarnaast heeft Eni zelfs haar lidmaatschap van de brancheorganisatie European Wax Federation (EWF) op 12 juni 1998 opgezegd.

69 Volgens de rechtspraak is bij mededingingsverstorende overeenkomsten waarvan blijkt tijdens bijeenkomsten van concurrerende ondernemingen, zoals in casu, sprake van een inbreuk op artikel 81 EG wanneer deze bijeenkomsten tot doel hebben de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, en aldus een kunstmatige regulering van de werking van de markt beogen. In een dergelijk geval volstaat het voor de Commissie om aan te tonen dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, teneinde de deelname van deze onderneming aan de mededingingsregeling te bewijzen. Wanneer de deelname aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, staat het aan deze onderneming om aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelname aan die bijeenkomsten niet de bedoeling had de mededinging te beperken, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (arresten Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 29 supra, punt 81, en arrest Hof van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C-403/04 P en C-405/04 P, Jurispr. blz. I-729, punt 47).

70 Aan deze regel ligt de gedachte ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst deelneemt zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk wekt dat zij het eens is met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zal houden (arresten Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 42 supra, punt 82, en Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, punt 69 supra, punt 48).

71 Er dient op te worden gewezen dat zowel de aantekeningen van MOL als het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst van Sasol naar Eni verwijzen, aangezien daarin zowel de naam van de vennootschap Agip, de dochteronderneming van Eni die actief is op het gebied van de productie van paraffinewas, als de voorgenomen omvang van de prijsverhoging van Agip (volgens de aantekeningen van MOL, 100 DEM per ton, en volgens het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomst, 10 DEM per 100 kg) en de voorgenomen datum van de prijsverhoging (1 januari 1998) voorkomen. De overeenstemming tussen deze aantekeningen op die detailpunten toont zonder enige twijfel aan dat de vertegenwoordiger van Eni ook daadwerkelijk de omvang en de datum van de prijsverhoging voor zijn producten op het gebied van paraffinewas heeft aangekondigd, net als de vertegenwoordigers van de andere ondernemingen die op die technische bijeenkomst aanwezig waren. Deze vaststelling wordt bevestigd door de verklaring van Sasol, volgens welke de tabellen in de betrokken documenten zo moeten worden uitgelegd dat alle deelnemers zich ertoe hadden verbonden om de prijzen met 10 à 12 DEM per 100 kg te verhogen (zie punt 60 hierboven).

72 Voorts stelt verzoekster dat DS. ten overstaan van de vertegenwoordigers van Sasol niet méér heeft aangegeven dan dat hij geen belangstelling had. De vermelding van de omvang en de datum van de prijsverhoging die Eni voornemens was door te voeren, in twee aantekeningen die onafhankelijk van elkaar door twee ondernemingen zijn opgesteld en die de inhoud van de discussies tijdens die technische bijeenkomst weergeven, wijst erop dat de overige deelnemers van mening waren dat Eni zich aan de mededingsafspraken zou houden. Verzoeksters argument dat zij zich publiekelijk heeft gedistantieerd van de mededingingsverstorende inhoud van die technische bijeenkomst, moet dus worden verworpen.

Conclusie ten aanzien van verzoeksters deelname aan de mededingingsregeling op 30 en 31 oktober 1997

73 Gelet op een en ander moet worden geconstateerd dat verzoekster op 30 en 31 oktober 1997 aan een technische bijeenkomst heeft deelgenomen waarvan de inhoud viel onder het eerste deel van de inbreuk, namelijk overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen en uitwisseling en openbaarmaking van gevoelige commerciële gegevens met betrekking tot paraffinewas. Naast het directe bewijs van verzoeksters deelname aan de afspraken over de vaststelling van de prijzen van paraffinewas, moet ervan worden uitgegaan dat zij zich niet publiekelijk van de mededingsverstorende inhoud van genoemde technische bijeenkomst heeft gedistantieerd. Bijgevolg heeft de Commissie met recht vastgesteld dat verzoekster aan het eerste deel van de inbreuk heeft deelgenomen op 30 en 31 oktober 1997.

74 Aan die vaststelling kan niet worden afgedaan door de overige argumenten die verzoekster aanvoert.

75 Wat het ontbreken van een uitnodiging aan verzoekster door Sasol voor de latere technische bijeenkomsten en de opzegging van haar lidmaatschap van EWF betreft, volstaat het erop te wijzen dat het feit dat Eni niet voor latere technische bijeenkomsten is uitgenodigd, juist is weergegeven in de bestreden beschikking bij de vaststelling van de duur van de deelname aan de inbreuk. De Commissie heeft immers niet méér vastgesteld dan dat Eni op 30 en 31 oktober 1997 aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, zonder daaraan een bijkomende periode na de bewuste technische bijeenkomst toe te voegen.

76 Datzelfde geldt voor verzoeksters argument dat de Commissie zich vergist heeft in de mate waarin zij haar prijzen na de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 heeft verhoogd. Aangezien er niet van uit is gegaan dat Eni in de periode van 1 november 1997 tot 20 februari 2002 aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, kunnen de argumenten over de omvang van de prijsverhoging van Eni op 1 januari 1998 niet afdoen aan de geldigheid van de vaststelling dat zij op 30 en 31 oktober 1997 aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen, hetgeen duidelijk wordt bevestigd door het aan de Commissie ter beschikking staande bewijs.

77 Tot slot kunnen verzoeksters argumenten dat haar deelname aan een voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging onjuist is vastgesteld op basis van de aanwezigheid op de technische bijeenkomst van 30 en 31 oktober 1997 evenmin slagen. Het adjectief „voortdurend” is immers in artikel 1 van de bestreden beschikking gebruikt wegens de vaststelling van lange periodes van geregelde deelname aan de mededingingsregeling door de ondernemingen waaraan die deelname wordt verweten. In het geval van Eni is er vanuit gegaan dat zij aan een voortdurende overeenkomst en/of onderling feitelijke gedraging heeft deelgenomen in de periode van 21 februari 2002 tot en met 28 april 2005. Daarentegen kon de Commissie met recht uitgaan van de deelname van Eni aan de mededingingsregeling op 30 en 31 oktober 1997, op basis van het directe bewijs van de technische bijeenkomst in kwestie, zonder dat zij elementen hoefde te verzamelen die onder het begrip voortdurende inbreuk vallen.

78 Gelet op een en ander moet de vaststelling van de Commissie dat verzoekster op 30 en 31 oktober 1997 aan de inbreuk heeft deelgenomen, worden bevestigd.

Deelname van Eni aan de inbreuk tussen 21 februari 2002 en 28 april 2005

79 Verzoekster erkent dat zij tussen 21 februari 2002 en 28 april 2005 aan 10 technische bijeenkomsten heeft deelgenomen. Zij is evenwel van mening dat de Commissie uit haar aanwezigheid op die technische bijeenkomsten niet de conclusie mocht trekken dat zij aan een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging tot de vaststelling van de prijzen (eerste onderdeel) en/of de uitwisseling van gevoelige informatie (tweede onderdeel) had deelgenomen.

Geen deelname van Eni aan een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas

– Onderzoek van het bewijs

80 Verzoekster geeft te kennen dat de Commissie niet heeft bewezen dat zij aan een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas heeft deelgenomen.

81 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat de Commissie beschikt over bewijzen die aantonen dat er tijdens de technische bijeenkomsten meestal ten minste één discussie over de prijzen werd gevoerd.

82 Volgens de verklaring van Sasol van 12 mei 2005 leidden de technische bijeenkomsten in het algemeen tot onderlinge afstemming, omdat er werd gesproken over prijsverhogingen en -verlagingen en er informatie werd uitgewisseld over de brutoprijzen en de planning op het gebied van capaciteit.

83 Volgens de verklaring van Repsol van 19 mei 2005 werden tijdens de technische bijeenkomsten de door de deelnemers gehanteerde prijsniveaus besproken.

84 Shell heeft verklaard dat alle technische bijeenkomsten betrekking hadden op de vaststelling van de prijzen. Volgens haar verklaring van 14 juni 2006 zijn de prijzen van paraffinewas sinds ten minste 1999, toen haar vertegenwoordiger die als getuige is opgetreden, aan de technische bijeenkomsten begon deel te nemen, nooit meer eenzijdig vastgesteld, maar zijn zij altijd door de concurrenten tijdens de technische bijeenkomsten overeengekomen.

85 Voorts hebben dezelfde ondernemingen in dezelfde verklaringen ook bevestigd dat de deelnemers tijdens meerdere technische bijeenkomsten inderdaad overeenstemming hadden bereikt over de minimumprijzen of prijsverhogingen, en soms zelfs over de maatregelen waarmee de prijsverhoging moest worden doorgevoerd.

86 Deze verklaringen, waarnaar de Commissie overigens verwijst in de punten 107 en 113 van de bestreden beschikking, zijn na rijp beraad afgelegd op basis van getuigenissen van personen die hebben deelgenomen aan de technische bijeenkomsten, en zij beschuldigen ook de ondernemingen in naam waarvan zij zijn afgelegd. Bovendien stemmen de verklaringen met elkaar overeen wat de hoofdlijnen van de beschrijving van de inbreuk betreft, hetgeen de betrouwbaarheid ervan nog meer verhoogt. Bijgevolg zijn zij bijzonder betrouwbaar in de zin van de hierboven in punt 47 aangehaalde rechtspraak.

87 Voorts moet worden benadrukt dat in de hierboven in de punten 82 tot en met 84 genoemde verklaringen, alsook in andere verklaringen waarnaar in de punten 107, 109, 111 en 113 van de bestreden beschikking is verwezen en waarvan de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht uittreksels heeft overgelegd, wordt verwezen naar de aanwezigheid van Eni op de betrokken technische bijeenkomsten en naar de deelname van haar vertegenwoordiger aan de discussies die daar werden gevoerd.

88 Verzoekster geeft niettemin te kennen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de passage in de verklaring van Shell van 14 juni 2006, volgens welke „[S.], wat de tijdens de technische bijeenkomsten overeengekomen prijzen betreft, niet [wist] of Eni en Repsol, die een eerder passieve rol vervulden tijdens de technische bijeenkomsten, zich bij de overeengekomen datum en het bedrag voor de prijsverhoging [hadden] aangesloten”. Verzoekster leidt hieruit af dat er geen bewijs van is dat zij zich aan de tijdens de technische overeenkomsten gemaakte prijsafspraken heeft gehouden.

89 Opgemerkt moet worden dat Shell in diezelfde verklaring ook Eni vermeldt als een van de ondernemingen die overeenstemming hebben bereikt over de prijsverhogingen en de minimumprijzen. In die verklaring is nader aangegeven dat MOL, Repsol en Eni na de technische bijeenkomsten geen brieven over de prijsverhogingen aan de klanten hebben gestuurd, maar de prijsverhogingen eerder mondeling hebben meegedeeld.

90 Deze verklaring maakt dus deel uit van het geheel van bewijzen dat aantoont dat Eni aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen en meer bepaald aan de overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas. Dat er bij S. van Shell geen zekerheid meer over was hoe de overeenkomsten door Eni zijn uitgevoerd, kan niet de bewijskracht ontnemen aan de overige verklaringen, die juist zien op de deelname van Eni aan dergelijke overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

91 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de verklaringen die hierboven in de punten 82 tot en met 84 zijn vermeld, worden bevestigd door schriftelijke aantekeningen die dateren van de technische bijeenkomsten en die de Commissie tijdens de inspecties heeft gevonden, waartoe verzoekster toegang heeft gehad tijdens de administratieve procedure en waarvan een deel is geciteerd in met name de punten 165 en 177 van de bestreden beschikking. De aantekeningen van Eni die in punt 165 van de bestreden beschikking worden aangehaald, zijn een document dat dateert van de inbreukperiode, dat is opgesteld in tempore non suspecto, dus kort na de technische bijeenkomst waarnaar daarin wordt verwezen. Bijgevolg is de bewijskracht ervan groot. De aantekeningen van MOL die in punt 177 van de bestreden beschikking worden aangehaald, zijn tijdens de bijeenkomsten met de hand geschreven door de persoon die daaraan had deelgenomen en zij hebben een gestructureerde en tamelijk gedetailleerde inhoud. De bewijskracht van die aantekeningen is dus zeer groot.

92 Wat in de eerste plaats de inhoud van de aantekeningen van Eni betreffende de technische bijeenkomst van 21 en 22 februari 2002 aangaat, heeft de Commissie in punt 165 van de bestreden beschikking de volgende passage aangehaald: „De bijeenkomst, die zeer transparant is verlopen, heeft bevestigd dat – rekening houdend met de verschillen tussen de individuele markten en de verschillende strategieën op het gebied van de producten en de markt – de inkomsten in overeenstemming met de door ons reeds gestarte acties kunnen worden verhoogd. Dus kunnen wij doorgaan met de lopende acties tot herziening van de contractuele kaders en de prijzen, die uiteraard onze belangrijkste klanten en distributeurs van paraffine betreffen.”

93 Volgens de bestreden beschikking toont de inhoud van die aantekeningen aan dat over de prijsniveaus van paraffinewas is gesproken.

94 Deze uitlegging moet worden bevestigd. Het feit dat de aantekeningen van Eni de herziening van de prijzen vermelden als initiatief dat moet worden voortgezet in het licht van de discussies tijdens de bijeenkomst, wijst erop dat de deelnemers daarop informatie over de prijzen hebben uitgewisseld. Dit wordt overigens bevestigd door de verklaring van Shell van 30 maart 2005, waarin de betrokken technische bijeenkomst voorkomt in de lijst getiteld „Overzicht van de bijeenkomsten en de mededelingen inzake de prijzen”.

95 Verzoekster geeft te kennen dat haar aantekeningen in kwestie juist aantonen dat zij haar commerciële strategie onafhankelijk van de technische bijeenkomsten heeft gedefinieerd. Zoals immers volgt uit het laatste deel van het uittreksel in punt 92 hierboven, had zij reeds voordat zij enig contact met haar Europese concurrenten had opgenomen, beslist om haar commerciële strategieën te wijzigen.

96 Het Gerecht is van oordeel dat dit geen plausibele uitlegging is gezien de bewoordingen van het betrokken uittreksel.

97 De bevestiging door Eni dat zij haar inkomsten kan blijven verhogen, dankzij de „herziening van de contractuele kaders en de prijzen” door de informatie die zij heeft gekregen tijdens de „bijeenkomst, die zeer transparant is verlopen” en waarvan Shell en Sasol onafhankelijk van elkaar hebben bevestigd dat deze mededingingsverstorend was, geeft zonder redelijke twijfel aan dat de prijsinformatie die Eni tijdens de technische bijeenkomst heeft gekregen, voor haar van nut was en haar commercieel gedrag kon beïnvloeden.

98 In de tweede plaats moeten de in punt 177 van de bestreden beschikking aangehaalde aantekeningen van MOL worden onderzocht, betreffende de technische bijeenkomst van 23 en 24 februari 2005 te Hamburg, waarop Eni aanwezig was.

99 In deze aantekeningen is het volgende aangegeven:

„ExxonMobil [=1 april] € 15/t

Shell Prijs verhoogd

Sasol [= 12 april] Prijsverhoging”

100 Sasol heeft verklaard dat er een discussie over een prijsverhoging en een mededeling harerzijds aan de overige deelnemers over haar eigen prijsverhoging is geweest. Zowel Shell als Sasol hebben deze bijeenkomst als afstemming aangemerkt in hun verklaringen waarnaar in de bestreden beschikking wordt verwezen.

101 Op die grondslag moet de conclusie luiden dat de Commissie beschikt over handgeschreven aantekeningen betreffende de verweten feiten en betreffende de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas die plaats hadden tijdens de technische bijeenkomsten waarop Eni aanwezig was.

– Aanwezigheid van Eni op de mededingingsverstorende bijeenkomsten en het zich daar niet van distantiëren

102 Volgens de bestreden beschikking was verzoekster in de loop van de belangrijkste periode van haar deelname aan de inbreuk, namelijk 21 februari 2002 tot en met 28 april 2005, op 11 van de 13 technische bijeenkomsten die in die periode hebben plaatsgvonden, vertegenwoordigd door MO. Verzoekster erkent dat hij aanwezig was op 10 technische bijeenkomsten, maar betwist dat hij op die van 27 en 28 februari 2003 in München aanwezig was.

103 Bijgevolg staat vast dat verzoekster heeft deelgenomen aan 10 van de 13 technische bijeenkomsten die tussen 21 februari 2002 en 28 april 2005 zijn gehouden.

104 Volgens de hierboven in de punten 69 en 70 aangehaalde rechtspraak volstaat het voor het bewijs van de deelname van een onderneming aan een mededingingsregeling, dat zij heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten. Wanneer de deelname aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, staat het aan deze onderneming om aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam. Aan deze regel ligt de gedachte ten grondslag dat een onderneming die aan deze bijeenkomsten heeft deelgenomen zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden.

105 In de onderhavige zaak stelt verzoekster echter niet dat zij zich van de inhoud van deze mededingingsverstorende bijeenkomst heeft gedistantieerd.

106 Benadrukt moet worden dat wanneer er direct bewijs is van het bestaan van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tijdens de technische bijeenkomsten waaraan verzoekster heeft deelgenomen, zonder zich van de mededingingsverstorende inhoud daarvan te hebben gedistantieerd, dit op zich reeds volstaat als grondslag voor haar aansprakelijkheid voor een inbreuk op artikel 81 EG.

107 In de onderhavige zaak beschikt de Commissie over een geheel van bewijzen dat aantoont dat tijdens de technische bijeenkomsten waarop verzoekster aanwezig was, sprake was van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen en de uitwisseling en openbaarmaking van commercieel gevoelige informatie betreffende paraffinewas.

– Vermeend ontbreken van een belang voor verzoekster om aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas deel te nemen

108 Verzoekster roept het feit in dat zij geen belang bij deelname aan het kartel had. Doordat zij uitsluitend op de Italiaanse markt van paraffinewas actief is, die erdoor wordt gekenmerkt dat de vraag veel groter is dan de binnenlandse productie, heeft zij steeds haar volledige productie op die markt kunnen afzetten. Bovendien was een volume van 60 à 70 % van haar productie bestemd voor haar belangrijkste klanten, de wederverkoper SIMP en het verwerkingsbedrijf SER, waarmee zij sinds respectievelijk 1 januari 2004 en 1 januari 2005 handelsbetrekkingen had. Op die handelsbetrekkingen waren contracten van toepassing waarin was voorzien in „prijsformules die afhingen van de koersen in de officiële ICIS-LOR-berichten”, welke formules direct of indirect gebaseerd waren op de gemiddelde „Chinese Origin CIF NWE”-prijzen (cif-prijzen voor Noordwest-Europa voor producten van oorsprong uit China) voor paraffinewas.

109 Bijgevolg had zij er geen belang bij om aan een afstemming met de andere Europese producenten deel te nemen, aangezien zij geen voordeel had kunnen halen uit de gezamenlijke vaststelling van de prijzen op een hoog niveau, dat zij in de praktijk niet zou hebben kunnen toepassen. Het belangrijkste commerciële probleem van Eni was dat de Chinese invoer tegen lage kosten in Italië kon doordringen, wat geen enkel kartel had kunnen verhelpen.

110 Voorts had Eni geen belang bij deelname aan een afstemming die tot doel had om de prijzen op de nationale markten van de kartelleden algemeen te verhogen, aangezien zij niet genoeg capaciteit had om naar de andere lidstaten uit te voeren. Ook was er voor de concurrerende producenten geen noodzaak om met Eni tot overeenstemming te komen over een verhoging van hun verkoopprijzen in Italië, aangezien de Italiaanse markt behoefte had aan paraffinewas uit het buitenland.

111 Dienaangaande volstaat het op te merken dat het volgens de rechtspraak voor het bestaan van een inbreuk niet uitmaakt of de sluiting van de overeenkomst of de voortzetting van de onderling afgestemde feitelijke gedraging al of niet in het commerciële belang van de betrokken ondernemingen is. Een dergelijk argument van verzoekster kan voor het Gerecht geen aanleiding zijn om aan de Commissie strengere eisen te stellen ten aanzien van het over te leggen bewijs. Wanneer de Commissie immers schriftelijk bewijs ter onderbouwing van de gestelde inbreuk heeft kunnen verzamelen en dat bewijs, tezamen met de verklaringen van de ondernemingen, voldoende blijkt om aan te tonen dat er een mededingingsverstorende overeenkomst was, zoals in casu, hoeft niet te worden onderzocht of de betrokken beschuldigde onderneming commercieel belang bij genoemde overeenkomst had (zie in die zin arrest Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, punt 69 supra, punten 44‑46).

112 Daarnaast is verzoeksters argument ook niet plausibel, aangezien zij gedurende een periode van meer dan drie jaar geregeld heeft deelgenomen aan technische bijeenkomsten ten aanzien waarvan vier karteldeelnemers onafhankelijk van elkaar hebben erkend dat de inhoud ervan mededingingsverstorend was. Verzoekster legt niet uit hoe een redelijk denkende marktdeelnemer ertoe kon worden gebracht om aan ongeoorloofde gedragingen te gaan deelnemen, en zich dus bloot te stellen aan de oplegging van een aanzienlijke geldboete, wannneer hij niet het perspectief zou hebben gehad dat hij uit die afspraken voordeel kon halen.

113 Bovendien wordt verzoeksters stelling dat zij geen belang bij deelname aan het kartel had, direct weersproken door haar aantekeningen van de technische bijeenkomst van 21 en 22 februari 2002, aangehaald in punt 92 hierboven, waaruit blijkt dat zij in het licht van de discussie tijdens die technische bijeenkomst verwachtte dat zij dankzij de „herzieningen” van de prijzen haar inkomsten kon verhogen.

114 Bijgevolg moet dit argument worden verworpen.

– Verzoeksters alternatieve verklaring

115 Verzoekster geeft te kennen dat de enige rechtvaardiging voor haar deelname aan de technische bijeenkomsten was dat zij het strategische besluit had genomen om uit haar internationale isolement te komen en om relaties aan te knopen met de belangrijkste Europese spelers, door weer contact op te nemen met de EWF, en dat zij belang had bij de technische kwesties, met name de kenmerken van de paraffineproducten.

116 Wanneer de Commissie zich op schriftelijk bewijs baseert, staat het volgens de hierboven in punt 41 aangehaalde rechtspraak aan de betrokken ondernemingen om de ontoereikendheid van het in de bestreden beschikking gebruikte bewijs aan te voeren, en niet om slechts een plausibel alternatief voor de stelling van de Commissie aan te reiken.

117 Verzoekster voert geen enkele argumentatie aan ter weerlegging van de juistheid of de relevantie van de door de Commissie verzamelde verklaringen van ondernemingen of de handgeschreven aantekeningen van ten tijde van de verweten feiten, die als basis hebben gediend voor de conclusie dat Eni aan de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas heeft deelgenomen.

118 De loutere stelling dat de enige rechtvaardiging voor verzoeksters belang bij deelname aan de technische bijeenkomsten haar wens was om internationale contacten te leggen en om de besprekingen op technisch vlak te volgen, kan niet aantonen dat de bestreden beschikking onrechtmatig is.

119 Bovendien legt verzoekster niet uit waarom haar vertegenwoordiger de technische bijeenkomsten niet heeft verlaten na de technische discussie, toen mededingingsverstorende onderwerpen aan de orde kwamen.

120 Daarnaast is in de aantekeningen van Eni over de technische bijeenkomst van 21 en 22 februari 2002 (zie punten 92 en volgende en punt 113 hierboven) zonder redelijke twijfel aangegeven dat zij bij de herziening van haar prijzen en met het oog op de verhoging van haar inkomsten rekening heeft gehouden met de mededingingsverstorende inhoud van die technische bijeenkomst. Dit op zich weerlegt reeds de stelling dat zij alleen aanwezig was omdat zij belang had bij de discussies op technisch vlak betreffende paraffinewas.

121 Bijgevolg moet dit argument van verzoekster worden afgewezen.

– Vermeend ontbreken van wilsovereenstemming

122 Verzoekster geeft te kennen dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor een overeenkomst tot vaststelling van de prijzen wanneer er tussen haar en de overige kartelleden geen wilsovereenstemming was.

123 Haar vertegenwoordiger, MO., was zich er zeer wel bewust van dat het voor Eni onmogelijk was om haar prijzen in de door de overige kartelleden gewenste zin te verhogen, gezien de concurrentiedruk van de Chinese producten en het feit dat 60 à 70 % van verzoeksters verkopen bestemd waren voor twee afnemers (SIMP en SER), waarvoor prijzen waren vastgesteld onder verwijzing naar de internationale koersen die in de ICIS-LOR-berichten bekend waren gemaakt. De verhogingen had zij evenmin kunnen toepassen op de paar eindafnemers die direct door Eni worden beleverd, omdat die zich bij SIMP hadden kunnen bevoorraden.

124 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden benadrukt dat de concurrentiedruk van de Chinese producenten volgens de verklaring van Shell van 14 juni 2006 voor alle karteldeelnemers een zorg was, en dat een van de redenen om minimumprijzen en beperkte prijsverhogingen vast te stellen was om deze druk het hoofd te bieden. Zij waren dus niet alleen voor verzoekster een zorg – hetgeen er in het andere geval aan in de weg had kunnen staan dat er een gemeenschappelijke wil werd gevormd –, maar eerder een marktontwikkeling die op alle deelnemers zijn weerslag had en een aanzet kon zijn om toenadering tot elkaar te zoeken.

125 Voorts heeft verzoekster verklaard dat zij slechts 60 à 65 % van de verkopen in Italië dekte, daaronder begrepen de door haar geproduceerde paraffineproducten die vervolgens door SIMP en SER werden wederverkocht of verwerkt. Volgens haar eigen opgave kwam tussen 2002 en 2004 tussen 18 en 33 % van de in Italië verkochte paraffinewas van producenten die in andere lidstaten van de Unie waren gevestigd. Ook waren Eni’s directe verkopen aan andere Italiaanse klanten dan SER en SIMP aanzienlijk, namelijk 20 of 22 % van de Italiaanse markt.

126 Bijgevolg ondervond verzoekster wat de directe verkopen aan eindafnemers betreft niet alleen concurrentie van SIMP, SER of de Chinese producenten, maar ook de overige in de Unie gevestigde producenten. Vrijwel alle belangrijke Europese producenten waren echter lid van het kartel. Zoals de Commissie in de punten 67 en 68 van de bestreden beschikking heeft verklaard, hadden de kartelleden ongeveer 75 % van de markt van paraffinewas in de EER in handen, waarbij de rest van de markt voornamelijk door Chinese invoer werd gedekt.

127 Ook moet erop worden gewezen dat Eni ter terechtzitting heeft verklaard dat zij in het kader van de mededingingsregeling niet aan een geografische verdeling van de markten heeft deelgenomen, aangezien de „overige Europese producenten” in Italië verkochten. Eni heeft daarmee indirect toegegeven dat de overige kartelleden in Italië verkopen realiseerden. In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat de kartelleden de productie in de EER domineerden en dat 18 à 33 % van de in Italië verkochte paraffinewas van de Europese producenten afkomstig was.

128 Eni had er op zijn minst mee moeten rekenen dat de Italiaanse vraag naar paraffinewas waaraan zij niet kon voldoen, door de overige kartelleden is voldaan, zodat zij met hen in concurrentie stond. Ook is duidelijk dat de kartelleden als gevolg van onderling afgestemde gedragingen beslissende invloed op het prijsniveau van paraffinewas in de EER hadden, gezien de omvang van hun gezamenlijke marktaandeel. In die omstandigheden kan verzoekster niet ontkennen dat zij kon verwachten dat zij als gevolg van haar deelname aan het kartel voordelen zou kunnen plukken.

129 Ook verzoeksters stelling ten aanzien van de concurrentiedruk van SIMP kan niet slagen. Aangezien het kartel 75 % van de verkopen van paraffinewas in de EER en een zeer groot deel van de productie dekte, kon een algemene verhoging van de prijzen van paraffinewas in de EER als gevolg van het kartel een invloed hebben op de prijzen waartegen SIMP deze was bij andere producenten dan verzoekster kon inkopen, hetgeen op zijn beurt een invloed kon hebben op de door SIMP ten aanzien van haar klanten toegepaste prijzen. Bijgevolg kon verzoekster er logischerwijze op rekenen dat een algemene verhoging van het prijsniveau voor paraffinewas als gevolg van het kartel voor haar gunstig zou kunnen zijn.

130 Tot slot moet erop worden gewezen dat de indexering van verzoeksters prijzen voor SIMP aan de hand van de koersen gebaseerd op de gemiddelde „Chinese Origin CIF NWE”-prijzen voor paraffinewas pas op 1 januari 2004 is ingegaan. Daarnaast is de indexering van verzoeksters prijzen voor SER, gebaseerd op „de beste prijs voor de beste distributeur”, aangevangen op 1 januari 2005. Daaruit volgt dat verzoekster de commerciële beperkingen als gevolg van haar contracten met SIMP en SER sterk overdrijft. Die hebben immers alleen in de laatste maanden van verzoeksters deelname aan de inbreuk, tussen 1 januari en 28 april 2005, naast elkaar bestaan. Aangezien het kartel bovendien het overgrote deel van de productie van paraffinewas in de EER dekte, en 75 % van de verkopen, kan worden aangenomen dat dit een weerslag heeft gehad op het algemene prijsniveau (de „beste offertes” daaronder begrepen) en op de door verzoekster gehanteerde prijzen als gevolg van bovengenoemde indexering.

131 Verzoeksters argumenten kunnen dus niet overtuigen.

132 In de tweede plaats en hoe dan ook moet eraan worden herinnerd dat de argumenten inzake het ontbreken van een belang bij deelname aan het kartel, daaronder begrepen het argument dat er geen wil was om ongeoorloofde overeenkomsten te sluiten, gezien de beweerde onmogelijkheid om daar in de praktijk naar te handelen, niet kunnen rechtvaardigen dat het Gerecht van de Commissie bewijzen verlangt die verder gaan dan nodig is om deelname aan de mededingingsregeling aan te tonen, zulks overeenkomstig de rechtspraak die hierboven is aangehaald in de punten 30 tot en met 50, 69 en 70. In de onderhavige zaak blijkt dat de Commissie voldoende bewijzen heeft verzameld ter onderbouwing van haar conclusie dat verzoekster in de periode van 21 februari 2002 tot en met 28 april 2005 aan het eerste deel van de inbreuk heeft deelgenomen, en meer bepaald de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas.

133 Tevens moet eraan worden herinnerd dat het volgens de hierboven in punt 27 aangehaalde rechtspraak voor het bewijs van een met artikel 81 EG strijdige overeenkomst volstaat dat er wilsovereenstemming is over het beginsel zelf van de mededingingsbeperking, zelfs indien over de specifieke elementen van de voorgenomen beperking nog onderhandelingen worden gevoerd. Irrelevant zijn dus verzoeksters argumenten dat zij in de beweerde onmogelijkheid verkeerde om de prijsverhogingen toe te passen waartoe tijdens de technische bijeenkomsten werd beslist, aangezien de wilsovereenstemming over het beginsel zelf van de vaststelling of het op elkaar afstemmen van de prijzen, of zelfs het uitoefenen van kunstmatige invloed op hun niveau, volstaat voor de vaststelling dat er wilsovereenstemming tussen de deelnemers in de zin van de aangehaalde rechtspraak was. Verzoekster voert geen specifiek argument aan ter weerlegging van de verklaringen van Sasol, Repsol en Shell dat het doel van de technische bijeenkomsten de vaststelling van de prijzen was.

134 Bijgevolg moet verzoeksters argument dat zij niet de wil had om overeenkomsten tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas te sluiten, worden verworpen.

– Beweerd niet deelnemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging

135 Verzoekster meent dat de Commissie niet geldig heeft kunnen aantonen dat zij aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas heeft deelgenomen.

136 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat de Commissie over direct bewijs beschikt, bestaande in de verklaringen van ondernemingen die aan het kartel hebben deelgenomen en handgeschreven aantekeningen waaruit blijkt dat het op de technische bijeenkomsten waarop verzoekster aanwezig was, tot overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas is gekomen.

137 Voorts blijkt uit dit bewijs dat de deelnemers gedurende meer dan 12 jaar, waaronder de periode van deelname van Eni, tijdens technische bijeenkomsten geregeld informatie over hun prijzen en hun voorgenomen verhogingen hebben uitgewisseld. Verzoekster geeft voor die activiteiten geen coherente verklaring die zou kunnen afdoen aan het standpunt van de Commissie dat de bestaansreden van die gedragingen met name de vaststelling van de prijzen was. De lange periode waarin de bijeenkomsten systematisch zijn gehouden, vormt op zichzelf juist een aanwijzing dat de deelnemers tot doel hadden hun prijsbeleid te harmoniseren door de marktrisico’s welbewust te vervangen door hun onderlinge samenwerking.

138 In de tweede plaats meent verzoekster niettemin dat zij in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar het bewijs heeft geleverd dat haar prijsstrategieën losstonden van de keuzes die tijdens de technische bijeenkomsten zijn gemaakt. Bijgevolg had de Commissie niet geldig in punt 298 van de bestreden beschikking kunnen verklaren dat Eni „rekening [had] gehouden met de informatie die zij over het gedrag van haar concurrenten op de markt heeft gekregen, haar eigen gedrag daaraan heeft aangepast en uitvoeringsmaatregelen heeft getroffen”.

139 Verzoekster legt in dat verband een tabel over met daarin de ontwikkeling van de prijzen van haar verkopen van paraffine „133” aan SIMP tussen 2002 en 2005. Zij leidt daaruit af dat er geen synchronisme is tussen de prijzen die tijdens de technische bijeenkomsten zijn vastgesteld en de prijswijzigingen die zij heeft doorgevoerd, en dat de verhoging van haar prijzen, van 542 EUR op 1 januari 2002 naar 588 op 1 april 2005, lager is dan de inflatie en niet het resultaat kan zijn van de tenuitvoerlegging van een afstemming over de vaststelling van de prijzen. Bovendien heeft zij de verkoopprijzen voor SIMP vanaf 1 januari 2004 vastgesteld onder verwijzing „naar het gemiddelde van de maandelijkse koersen van ‚Chinese Origin CIF NWE’-paraffine zoals aangegeven in de ICIS-LOR-berichten van de maand daarvoor”. Daarna is dezelfde regeling toegepast op de verkopen aan SER. Bijgevolg kan de beweerde onderling afgestemde feitelijke gedraging geen betrekking hebben gehad op het absoluut overheersende (tussen 60 en 70 %) deel van haar productie, dat voorwerp was van contracten met de ondernemingen SIMP en SER.

140 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de door verzoekster overgelegde tabel een zeer selectieve presentatie van de ontwikkeling van haar prijzen is. Zij bevat immers alleen de informatie over paraffine „133”, een van de vele soorten paraffinewas die Eni in de handel brengt. Bovendien betreft het de op SIMP toegepaste prijzen, een onderneming die volgens verzoeksters eigen opgave over aanzienlijke inkoopmacht beschikte en dus van Eni voordelige inkoopvoorwaarden kon verkrijgen. In de tabel zijn geen aanwijzingen te vinden ten aanzien van de ontwikkeling van de prijzen van Eni voor haar eindafnemers, die logischerwijs het sterkst stonden blootgesteld aan de prijsmanipulaties door het kartel.

141 In de tweede plaats kan verzoekster niet aan de Commissie tegenwerpen dat er geen correlatie is tussen de informatie die over de technische bijeenkomsten beschikbaar is en de tabel in het verzoekschrift.

142 Uit meerdere van de hierboven aangehaalde verklaringen volgt immers dat de tijdens de technische bijeenkomsten overeengekomen prijsverhogingen in het algemeen niet volledig konden worden toegepast op de klanten. Shell heeft verklaard dat ongeveer twee derde van de overeengekomen prijsverhogingen kon worden doorgevoerd. Voorts bestaan er verschillende aanwijzingen in het dossier dat de deelnemers de overeengekomen prijsverhoging vaak helemaal niet konden uitvoeren.

143 Voorts zijn de bewijzen van mededingingsregelingen volgens de hierboven in punt 42 aangehaalde rechtspraak doorgaans fragmentarisch en schaars. Aangezien de Commissie dus geen gedetailleerde bewijzen over de inhoud van de op elke technische bijeenkomst gevoerde besprekingen bezat, kan verzoekster er geen geldig argument aan ontlenen dat er beweerdelijk geen overeenstemming is tussen de ontwikkeling van haar verkoopprijzen voor paraffine „133” voor SIMP en dat deel van de inhoud van de technische bijeenkomsten dat de Commissie heeft kunnen reconstrueren, temeer daar de prijzen van de diverse paraffinewasproducten sterk varieerden en de klanten zich logischerwijs tegen de verhogingen probeerden te verzetten.

144 In derde plaats volstaat het volgens de rechtspraak op zich reeds dat de ondernemingen de overeengekomen prijsverhogingen inderdaad hebben bekendgemaakt en dat de aldus bekendgemaakte prijzen als grondslag hebben gediend voor de vaststelling van de individuele transactieprijzen, om vast te stellen dat de heimelijke afspraak over de prijzen een ernstige beperking van de mededinging tot doel en ten gevolge heeft gehad (arrest Gerecht van 14 mei 1998, Cascades/Commissie, T-308/94, Jurispr. blz. II-925, punt 194). In een dergelijk geval is de Commissie niet verplicht om het betoog van de partijen dat moest aantonen dat de prijzen door de betrokken overeenkomsten in de praktijk niet hoger waren dan hetgeen onder normale mededingingsvoorwaarden zou zijn waargenomen, uitvoerig te onderzoeken en daarop punt voor punt te antwoorden (arrest Bolloré e.a./Commissie, punt 50 supra, punt 451).

145 Zoals blijkt uit het onderzoek van het bewijs in het kader van het onderhavige middel, heeft de Commissie rechtens afdoende aangetoond dat de afstemming in casu betrekking had op de vaststelling van de prijzen en dat het resultaat van de bijeenkomsten waarin prijsverhogingen waren besproken of vastgesteld, vaak was uitgevoerd door ongeldigverklaringen van de prijzen jegens de klanten en aankondigingen van prijsverhogingen, alsmede dat de aldus aangekondigde prijzen bij individuele transacties als basis voor de vaststelling van de prijzen hadden gediend. Ook moet het als onderdeel van de uitvoering van de onderhavige één geheel vormende complexe en voortdurende inbreuk worden beschouwd dat de kartelleden afhankelijk van de marktvoorwaarden overeenkwamen de prijzen te handhaven.

146 Hieruit volgt dat de tabel met daarin de ontwikkeling van de verkoopprijzen van paraffine „133” voor SIMP tussen 2002 en 2005 en de door verzoekster in die context aangevoerde argumenten, irrelevant zijn.

147 Gelet op een en ander moet de conclusie luiden dat de Commissie met recht heeft vastgesteld dat Eni had deelgenomen aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas en dat het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.

Geen deelname van Eni aan een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging met het oog op de uitwisseling van informatie

148 Verzoekster bestrijdt dat de informatie die tijdens de technische bijeenkomsten is uitgewisseld van strategische aard was of betrekking had op de mededinging. Anders dan de Commissie meent, heeft zij daar dus geen rekening mee gehouden en heeft zij haar commercieel gedrag onafhankelijk van de uitgewisselde informatie bepaald. In elk geval heeft zij geen gevoelige informatie aan de overige deelnemers verstrekt.

149 In dat verband heeft het Gerecht reeds geoordeeld dat wanneer concurrenten deelnemen aan bijeenkomsten waarop zij informatie uitwisselen over met name de prijzen die zij op de markt toegepast wensten te zien, een onderneming door haar deelname aan een bijeenkomst met een mededingingsbeperkend doel, niet alleen het oogmerk heeft om de onzekerheid over het toekomstig gedrag van haar concurrenten bij voorbaat uit te sluiten, maar ook noodzakelijkerwijs – al dan niet rechtstreeks – rekening houdt met de tijdens die bijeenkomsten verkregen informatie bij de bepaling van haar marktbeleid (arresten Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T-1/89, Jurispr. blz. II-867, punten 122 en 123, en 8 juli 2008, Knauf Gips/Commissie, T‑52/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 276, niet op dat punt vernietigd).

150 Ook geldt volgens de rechtspraak het vermoeden, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld. Dit geldt temeer wanneer over een lange periode regelmatig overleg heeft plaatsgevonden (arrest Hüls/Commissie, punt 28 supra, punt 162).

151 Dit argument moet derhalve worden verworpen.

152 Verzoekster wijst daarnaast op de hoge mate van transparantie die in het algemeen kenmerkend is voor de sector van de paraffinewas. De gemiddelde prijzen die in de verschillende Europese landen werden gehanteerd, zijn regelmatig verschenen in de ICIS-LOR-berichten. Zij had er dus geen belang bij om rekening te houden met de informatie die tijdens de technische bijeenkomsten is meegedeeld.

153 Er dient op te worden gewezen dat het ICIS-LOR-bericht van 30 januari 2002, dat als bijlage bij het verzoekschrift is opgenomen, de bandbreedtes van de gemiddelde prijzen voor bepaalde soorten paraffinewas bevat, gebaseerd op marktinformatie over de ontwikkeling van de prijzen in de maand januari 2002 en enkele vage vooruitzichten met betrekking tot de toekomstige prijsontwikkeling, waarbij de redacteur van het bericht het begrip „gerucht” gebruikt.

154 Opgemerkt moet worden dat de deelnemers tijdens de technische bijeenkomsten vaak de prijsverhogingen hebben meegedeeld die zij in de toekomst wilden doorvoeren, per producent en niet alleen het gemiddelde van de bedrijfstak. Bovendien blijkt uit de door de Commissie verzamelde gegevens dat de deelnemers elkaar ook op de hoogte brachten van de datum waarop zij de nieuwe prijzen aan de klanten wilden meedelen. Bijgevolg was de informatie die zij met elkaar deelden tijdens de technische bijeenkomsten oneindig veel gedetailleerder en op de toekomst gericht, en niet het verleden.

155 Bijgevolg kan met het document dat verzoekster als bijlage heeft opgenomen, niet worden aangetoond dat de informatie die door de deelnemers tijdens de technische bijeenkomsten is uitgewisseld, niet nuttig was of dat deze uitwisselingen geoorloofd waren, zodat dit niet het vermoeden kan weerleggen dat verzoekster rekening heeft gehouden met de tijdens de technische bijeenkomsten meegedeelde informatie over de prijzen.

156 Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

157 Hoe dan ook moet eraan worden herinnerd dat het eerste deel van de inbreuk dat jegens verzoekster in aanmerking is genomen, bestond in „overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij de prijzen zijn vastgesteld en commercieel gevoelige informatie is uitgewisseld en openbaar gemaakt”. Bij de analyse van het eerste deel van dit middel is duidelijk aangetoond dat verzoekster heeft deelgenomen aan overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen. Dit rechtvaardigt op zich reeds de kwalificatie van de betrokken inbreuk als „zeer zwaar” en daarmee de oplegging van de geldboete. Daarenboven hielden deze gedragingen tevens een uitwisseling van commercieel gevoelige gegevens in, namelijk die betreffende de prijzen van paraffinewas. Bijgevolg kunnen de in het kader van dit onderdeel aangevoerde argumenten niet afdoen aan de rechtmatigheid van de bestreden beschikking.

158 Gelet op een en ander moet de vaststelling van de Commissie dat verzoekster tussen 21 februari 2002 en 28 april 2005 aan het eerste deel van de inbreuk heeft deelgenomen, worden bevestigd, zodat het tweede middel moet worden afgewezen.

2. Middelen inzake de berekening van de aan verzoekster opgelegde geldboete

159 Met de tweede groep middelen voert verzoekster grieven en argumenten aan waarmee zij zowel de rechtmatigheid van de berekening van de aan haar opgelegde geldboete als de evenredigheid van die geldboete bestrijdt. Deze grieven en argumenten strekken voor het merendeel, zonder duidelijke scheiding, tot zowel gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking als herziening ervan in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht door het Gerecht.

160 Volgens de rechtspraak wordt het toezicht op de rechtmatigheid van de door de Commissie vastgestelde besluiten aangevuld met de volledige rechtsmacht die overeenkomstig artikel 229 EG bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003 aan de Unierechter is verleend. Naast het eenvoudige wettigheidstoezicht op de sanctie is de rechter op basis van zijn volledige rechtsmacht bevoegd om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en dus de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen. Het toezicht waarin de Verdragen voorzien, houdt dus overeenkomstig de eisen van het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten neergelegde beginsel van een doeltreffende voorziening in rechte in dat de Unierechter een toetsing in feite en in rechte verricht en dat hij het bewijs kan beoordelen, de betrokken beslissing nietig kan verklaren en de hoogte van de geldboeten kan wijzigen (zie in die zin arrest Hof van 8 februari 2007, Groupe Danone/Commissie, C-3/06 P, Jurispr. blz. I-1331, punten 60‑62, en arrest Gerecht van 21 oktober 2003, General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, T-368/00, Jurispr. blz. II-4491, punt 181).

161 Het staat bijgevolg aan het Gerecht om in het kader van zijn volledige rechtsmacht te beoordelen of de verzoekende partij op de datum van vaststelling van zijn besluit een geldboete is opgelegd die de zwaarte en de duur van de betrokken inbreuk juist weergeeft, zodat genoemde geldboete evenredig is ten opzichte van de criteria in artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arresten Gerecht van 11 maart 1999, Aristrain/Commissie, T-156/94, Jurispr. blz. II-645, punten 584‑586, en 9 juli 2003, Cheil Jedang/Commissie, T-220/00, Jurispr. blz. II-2473, punt 93).

162 Benadrukt moet echter worden dat de uitoefening van de volledige rechtsmacht niet neerkomt op ambtshalve toezicht. Voorts zij eraan herinnerd dat de procedure voor de Unierechters op tegenspraak wordt gevoerd.

Derde middel: onjuiste vaststelling van de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk en voor het aanvullend bedrag aan „leergeld ” op 17 %

163 In de bestreden beschikking is de Commissie onder het opschrift „Conclusie ten aanzien van de ernst” met name van het volgende uitgegaan: „[...] (651) Wat de geografische omvang betreft bestreek de inbreuk de gehele EER, aangezien de betrokken ondernemingen in alle landen van de EER [paraffinewas] hebben verkocht [...] (653) Gelet op de omstandigheden van de zaak, de hiervoor besproken criteria ten aanzien van de aard van de inbreuk en de geografische omvang, moet het in aanmerking te nemen aandeel van de waarde van de verkopen voor Eni en H&R/Tudapetrol 17 % zijn. Voor ExxonMobil, MOL, Repsol, RWE, Sasol, Shell en Total is aangetoond dat de één geheel vormende en voortdurende inbreuk tevens gekenmerkt werd door de verdeling van klanten en/of markten. De verdeling van markten en de verdeling van klanten behoren naar hun aard tot de ernstigste mededingingsbeperkingen, aangezien dergelijke praktijken leiden tot de beperking of uitschakeling van de mededinging op bepaalde markten of voor bepaalde klanten [...] Met het oog op deze bijkomende ernst moet het aandeel van de waarde van de verkopen dat in aanmerking dient te worden genomen voor ExxonMobil, MOL, Repsol, RWE, Sasol, Shell en Total, 18 % zijn.”

164 Verzoekster uit kritiek op het feit dat de Commissie is uitgegaan van een coëfficiënt van 17 % die volgens punt 21 van de richtsnoeren van 2006 moet worden toegepast voor de ernst van de inbreuk en volgens punt 25 van genoemde richtsnoeren voor afschrikking (aanvullend bedrag dat ook wel „leergeld” wordt genoemd). Voor de ondernemingen die aan niet alleen het eerste deel maar ook het tweede deel van de inbreuk hebben deelgenomen, namelijk de verdeling van de markten en de klanten, is immers uitgegaan van een coëfficiënt van slechts 18 %. Het verschil in ernst wordt niet evenredig weergegeven door een verschil van slechts 1 procentpunt. Daarnaast heeft de Commissie artikel 81 EG, artikel 23 van verordening (EG) nr. 1/2003, het beginsel van gelijke behandeling, de richtsnoeren van 2006 en haar motiveringsplicht geschonden. Op die grondslag vraagt verzoekster het Gerecht om bedoelde coëfficiënten op een lager niveau dan 17 % vast te stellen.

165 Volgens de rechtspraak volgt uit artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten dat de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het verweten feit en dat krachtens artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 de ernst en de duur van de inbreuk in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling van de hoogte van de geldboete. Het evenredigheidsbeginsel en het beginsel dat de straf in verhouding moet staan tot de inbreuk gebieden eveneens dat het bedrag van de opgelegde geldboete evenredig is aan de ernst en de duur van de inbreuk (zie in die zin arresten Gerecht van 12 juli 2001, Tate & Lyle e.a./Commissie, T-202/98, T-204/98 en T-207/98, Jurispr. blz. II-2035, punt 106, en 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T-43/02, Jurispr. blz. II-3435, punt 226).

166 Meer bepaald impliceert het evenredigheidsbeginsel dat de Commissie de geldboete moet vaststellen in verhouding tot de factoren die bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk in aanmerking zijn genomen en dat zij daarbij deze factoren op samenhangende en objectief gerechtvaardigde wijze moet toepassen (arrest Jungbunzlauer/Commissie, punt 165 supra, punten 226‑228, en arrest Gerecht van 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie, T-446/05, Jurispr. blz. II-1255, punt 171).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in