Gerecht EU 7 juni 2011, T-217/06, ECLI:EU:T:2011:251

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑217/06

Arkema France e.a.

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Methacrylaatmarkt – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag – Motiveringsplicht – Beginsel van gelijke behandeling – Beginsel van behoorlijk bestuur – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Concrete weerslag op markt – Afschrikkende werking van geldboete – Recidive – Ne-bis-in-idembeginsel – Evenredigheidsbeginsel – Verzachtende omstandigheden – Niet-daadwerkelijke toepassing van overeenkomsten – Toewijzing van aansprakelijkheid voor betaling binnen groep ondernemingen – Volledige rechtsmacht”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

2. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

3. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

4. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking houdende toepassing van mededingingsregels – Beschikking met meer dan één adressaat

(Art. 81 EG, 82 EG en 253 EG)

5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Inaanmerkingneming van concrete weerslag op markt – Omvang

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht van rechter van Unie

(Art. 81, lid 1, EG en 229 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31)

9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Omzet van inbreukmakende onderneming

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad)

11. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie houdende vaststelling van inbreuk, vastgesteld na andere beschikkingen houdende veroordeling waarin factor recidive in aanmerking is genomen – Schending van beginsel ne bis in idem – Geen

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 50; art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Verzachtende omstandigheden – Gedrag dat afwijkt van in kader van mededingingsregeling overeengekomen gedrag

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3, tweede streepje)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Omzet die in aanmerking is genomen – Grens bepaald in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 – Toepassingsmodaliteiten

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

1. Het gedrag van een dochteronderneming kan aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen. De reden daarvoor is dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie deel uitmaken van één economische eenheid en derhalve één enkele onderneming vormen, hetgeen de Commissie in staat stelt een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij te richten, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was.

In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, kan die moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochter, en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij metterdaad beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter. In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het volledige kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, om aan te nemen dat deze laatste beslissende invloed heeft op het commerciële beleid van de dochter. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt.

De toepassing van dit vermoeden hangt niet af van het bestaan van extra aanwijzingen.

De situatie van een moedermaatschappij die nagenoeg het volledige kapitaal van haar dochter in handen heeft, is in beginsel met die van een 100 %-eigenaar vergelijkbaar waar het gaat om haar vermogen om een beslissende invloed uit te oefenen op het gedrag van haar dochter, gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die haar met die dochter verenigen. De Commissie mag op die situatie dan ook dezelfde bewijsregeling toepassen, dat wil zeggen uitgaan van het vermoeden dat de genoemde moedermaatschappij metterdaad gebruik maakt van haar vermogen beslissende invloed uit te oefenen op het gedrag van haar dochter.

(cf. punten 43‑46, 50, 53)

2. Wanneer de Commissie uitgaat van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed voor toerekening van een op het mededingingsrecht inbreukmakende gedraging van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij, kan zij deze laatste hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete.

Voor de weerlegging van dat vermoeden is vereist dat de betrokken vennootschap „afdoende bewijzen” overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt. Het is aan de Commissie om die bewijzen te onderzoeken en niet om zelf materiaal aan te dragen waaruit de uitoefening van een dergelijke invloed blijkt. Het betrokken vermoeden zou ook volstrekt betekenisloos worden als de belanghebbende partij ter weerlegging ervan kon volstaan met loutere, niet-gestaafde beweringen.

(cf. punten 101, 110)

3. De omstandigheid dat een onderneming een holding is, kan niet volstaan om uit te sluiten dat een moedermaatschappij een beslissende invloed op haar dochters had door met name de coördinatie van de financiële investeringen in de groep. In de context van een groep ondernemingen is een holding namelijk een onderneming die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en tot taak heeft ervoor te zorgen dat deze onder één enkel bestuur staan.

De opsplitsing van een groep ondernemingen in takken, waarbij bovendien de tussen de ondernemingen van de groep bestaande kapitaalbanden ongemoeid worden gelaten, vormt een sterke aanwijzing dat het hoofd van de groep tot taak heeft de activiteiten van de verschillende takken te coördineren. Een dergelijke taak van de moedermaatschappij sluit autonoom marktgedrag van de dochteronderneming uit.

De omstandigheid dat een moedermaatschappij de voornaamste investeringen van haar dochter moet goedkeuren, vormt een aanwijzing dat de dochteronderneming bij de bepaling van haar marktgedrag rekening houdt met de belangen van de moedermaatschappij.

(cf. punten 107,113‑114)

4. De door artikel 253 EG vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die door de handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.

Wanneer een beschikking tot toepassing van artikel 81 EG meer dan één adressaat heeft en de vraag rijst aan wie de inbreuk moet worden toegerekend, moet deze beschikking een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking voor de inbreuk aansprakelijk zijn. Voor een toereikende motivering ten aanzien van de moedermaatschappijen van de ondernemingen die worden vervolgd wegens inbreuken op het mededingingsrecht, moet de beschikking van de Commissie derhalve onder meer een omstandige uiteenzetting bevatten van de redenen die kunnen rechtvaardigen dat de inbreuk aan die moedermaatschappijen wordt toegerekend. Verder moeten die ondernemingen, voor zover deze toerekening gevolgen heeft voor hun situatie, zij deze toerekening in de administratieve periode hebben betwist en zij er derhalve belang bij hebben de jegens hen vastgesteld beschikking aan te vechten, net zoals hun moedermaatschappijen kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden voor het standpunt van de Commissie. Daaruit volgt dat wanneer de Commissie de toerekening baseert op het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed en de betrokken ondernemingen in de administratieve procedure gegevens hebben aangevoerd om dit vermoeden te weerleggen, die beschikking een toereikende uiteenzetting moet bevatten van de redenen die het standpunt kunnen rechtvaardigen dat deze gegevens daartoe onvoldoende waren.

Krachtens artikel 253 EG is de Commissie weliswaar gehouden haar beschikkingen met redenen te omkleden door vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de rechtmatigheid van de maatregel afhangt, en van de overwegingen die haar tot het nemen van haar beschikking hebben geleid, maar zij hoeft niet in te gaan op alle feitelijke en rechtspunten die door elke betrokkene tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen. Hoewel de Commissie in haar beschikking dus duidelijk moet maken waarom zij de aangedragen gegevens ontoereikend acht om het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed te weerleggen, betekent dit niet dat zij steeds specifiek op elk van de door de betrokken ondernemingen aangevoerde gegevens dient in te gaan. Een globaal antwoord kan al naargelang de omstandigheden van de zaak volstaan om een zinvolle verdediging door de onderneming van haar rechten en toetsing door het Gerecht mogelijk te maken.

(cf. punten 133‑135, 141)

5. De zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld. Tot de factoren die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuken, behoren het gedrag van elk van de ondernemingen, de rol die elk van hen heeft gespeeld bij de totstandkoming van de mededingingsregeling, de winst die zij hieruit hebben kunnen behalen, hun omvang, de waarde van de betrokken goederen en het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de doelstellingen van de Unie.

Het gevolg van een mededingingsverstorende praktijk is derhalve op zich geen beslissende maatstaf om te beoordelen of het bedrag van de geldboete passend is. In het bijzonder kan de bedoeling van een praktijk belangrijker zijn dan de gevolgen ervan, vooral wanneer het gaat om op zich zware inbreuken. Mededingingsregelingen verdienen op grond van hun aard de zwaarste geldboeten. Hun eventuele concrete weerslag op de markt, met name de vraag in hoeverre de mededingingsbeperking tot een hogere marktprijs heeft geleid dan het geval zou zijn geweest indien er geen kartel was, is geen doorslaggevend criterium voor de bepaling van het niveau van de geldboeten. In deze situatie vormt de concrete weerslag van de inbreuk slechts één van de factoren aan de hand waarvan de Commissie, indien die weerslag meetbaar is, het uitgangsbedrag van de boete kan verhogen tot boven het mogelijke minimumbedrag.

Het feit dat de Commissie in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag, worden opgelegd, haar benadering met betrekking tot de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk heeft gepreciseerd, verzet zich er niet tegen dat zij die zwaarte globaal beoordeelt aan de hand van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met inbegrip van factoren die niet uitdrukkelijk in die richtsnoeren worden genoemd.

(cf. punten 178‑182)

6. De afschrikking is een van de factoren waarmee bij de berekening van de geldboete rekening moet worden gehouden. Het is immers vaste rechtspraak dat geldboeten die worden opgelegd wegens schending van artikel 81 EG, zoals die zijn geregeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, tot doel hebben onwettige handelingen van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel de betrokken ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan te weerhouden om in de toekomst de mededingingsregels van de Unie te schenden. Derhalve kan de Commissie, wanneer zij de geldboete berekent, met name rekening houden met de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming.

Verder vormt de totale omzet van de onderneming – zij het ook bij benadering en onvolledig – een aanwijzing voor haar omvang en economische macht. Aldus mag de Commissie, om het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau vast te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat, de totale omzet van de betrokken onderneming in aanmerking nemen.

De noodzaak om te garanderen dat de geldboete een voldoende afschrikkende werking heeft, voor zover dit geen grond is om het algemene niveau van de geldboeten te verhogen in het kader van de uitvoering van een mededingingsbeleid, vereist immers dat het bedrag van de boete wordt aangepast teneinde rekening te houden met de beoogde impact ervan op de onderneming waaraan zij wordt opgelegd, ter voorkoming dat de boete in het niet valt of integendeel buitensporig is gelet op onder meer het financiële vermogen van de betrokken onderneming, zulks overeenkomstig de vereisten om zowel de doelmatigheid van de boete te waarborgen als het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen.

Bijgevolg kan met name de mogelijkheid voor de betrokken onderneming om gemakkelijker de voor de betaling van haar geldboete vereiste middelen bijeen te brengen, met het oog op een voldoende afschrikkende werking daarvan de toepassing van een vermenigvuldigingsfactor rechtvaardigen. Hieruit volgt dat van de Commissie niet kan worden verlangd dat zij daarnaast een verband tussen het gebruik van de middelen van de onderneming en de door deze onderneming gepleegde inbreuk vaststelt, willen deze middelen in aanmerking kunnen worden genomen voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat. Het zijn immers de omvang en de economische macht van de inbreukmakende onderneming als zodanig die in dit verband van belang zijn.

(cf. punten 210‑211, 213‑214)

7. De noodzaak om de afschrikkende werking te waarborgen van geldboeten die wegens schending van het mededingingsrecht van de Unie worden opgelegd, vormt een algemeen vereiste waardoor de Commissie zich moet laten leiden gedurende de gehele berekening van het bedrag van de geldboete. Op grond daarvan is niet noodzakelijkerwijs vereist dat er in deze berekening een specifieke fase is waarin alle voor de verwezenlijking van die doelstelling relevante omstandigheden tezamen worden beoordeeld. De verhoging van het uitgangsbedrag van de geldboete om ervoor te zorgen dat deze een voldoende afschrikkende werking garandeert, rekening houdend met de omvang en de economische macht van elke onderneming, vormt een fase van de berekening van de geldboete die voortvloeit uit de noodzaak het uitgangsbedrag op zodanige wijze aan te passen, dat de geldboete een voldoende afschrikkende werking heeft gelet op de totale middelen van de onderneming en op haar vermogen om de nodige middelen ter betaling van deze geldboete bijeen te brengen.

Wat de vraag betreft of de Commissie in een beschikking waarbij een onderneming een sanctie wordt opgelegd, in de context van de afschrikkende werking rekening moet houden met geldboeten die dezelfde onderneming eerder werden opgelegd voor feiten die hebben plaatsgevonden in dezelfde periode als de inbreuk waarop die beschikking betrekking heeft, in die zin dat het zinloos is om wederom een verhoging van de voor de nieuwe inbreuk opgelegde geldboete omwille van de afschrikkende werking toe te passen, aangezien een voldoende afschrikkende werking uitging van de vroegere geldboeten, dient te worden vastgesteld dat een dergelijke oplossing in strijd is met het afschrikkingsdoel dat de Commissie met haar boetebeleid nastreeft. Deze oplossing zou leiden tot een paradoxale situatie, waarin een onderneming de marginale kosten van elke aan haar opgelegde sanctie progressief zou zien dalen naarmate zij bij meer mededingingsregelingen betrokken was.

Voorts is een dergelijke oplossing gebaseerd op het uitgangspunt dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete de kans op recidive door de betrokken onderneming had moeten laten meewegen en dat zij daartoe rekening had moeten houden met het totale bedrag aan geldboeten dat deze onderneming in een bepaald tijdsbestek opgelegd had gekregen. Een dergelijk uitgangspunt is echter onverenigbaar met het in het mededingingsrecht gehanteerde begrip afschrikking.

De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, is een van de middelen die de Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het Unierecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen. Tot deze taak behoort stellig de verplichting om individuele inbreuken te onderzoeken en te bestraffen, maar zij omvat ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop is gericht, op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen. Geldboeten die worden opgelegd wegens schending van artikel 81 EG, zoals die zijn geregeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, hebben derhalve tot doel onrechtmatige handelingen van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel de betrokken ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan te weerhouden om in de toekomst de mededingingsregels van de Unie te schenden. Dit betekent dat de afschrikkingsfactor wordt bepaald aan de hand van een groot aantal feiten en omstandigheden, en niet alleen op grond van de specifieke situatie van de betrokken onderneming. Bij haar beoordeling van de noodzaak om het bedrag van de geldboeten te verhogen ter waarborging van de afschrikkende werking, is de Commissie dan ook geenszins verplicht om in te schatten of herhaling van de inbreuk door de betrokken ondernemingen waarschijnlijk is. Deze fase van de berekening van de geldboete houdt bijgevolg in dat het uitgangsbedrag van de geldboete wordt verhoogd aan de hand van objectieve factoren, zoals de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming, en niet op basis van subjectieve factoren die verband houden met de inschatting van de waarschijnlijkheid dat in de toekomst opnieuw een inbreuk zal worden begaan.

(cf. punten 224‑225, 228, 231‑235)

8. Wat het toezicht door de rechter van de Unie op beschikkingen van de Commissie op mededingingsgebied betreft, is deze rechter in het kader van de uitoefening van de volledige rechtsmacht die hem krachtens artikel 229 EG is toebedeeld bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003, bevoegd om de bestreden handeling te wijzigen, zelfs als deze niet nietig wordt verklaard, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden, en daarbij bijvoorbeeld het bedrag van de opgelegde geldboete te wijzigen.

De bepalingen van artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kunnen niet eraan in de weg staan dat het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht een door een verzoekende partij ter terechtzitting aangevoerd argument in aanmerking neemt teneinde te beoordelen of de verhoging van de aan de verzoekende onderneming opgelegde geldboete omwille van de afschrikkende werking in het licht van het aangevoerde feitelijke gegeven gerechtvaardigd was, te meer wanneer de Commissie de gelegenheid heeft gehad zich over deze vraag uit te spreken.

(cf. punten 252‑253)

9. De afschrikkende werking die de Commissie bij de bepaling van het bedrag van een geldboete wegens schending van het mededingingsrecht mag nastreven, kan slechts worden bereikt wanneer rekening wordt gehouden met de situatie van de bestrafte onderneming op het tijdstip waarop de geldboete wordt opgelegd. Om de beoogde afschrikkende werking te bereiken zonder voorbij te gaan aan het evenredigheidsbeginsel, moet het geheel van de ter beschikking van een onderneming staande middelen, dat in relatief korte tijd aanzienlijk kan stijgen of dalen, met name tussen de beëindiging van de inbreuk en de vaststelling van de boetebeschikking, derhalve worden gewaardeerd op de dag waarop de geldboete wordt opgelegd.

Het is juist dat de Commissie bij de vaststelling van het boetebedrag rekening mag houden met het feit dat grote ondernemingen meestal juridische en economische kennis en infrastructuur bezitten die het voor hen gemakkelijker maakt te overzien of hun gedrag een inbreuk is en wat daarvan de consequenties zijn uit het oogpunt van het mededingingsrecht. In dat geval moet voor de omzet, op basis waarvan de Commissie de omvang van de betrokken ondernemingen, en dus hun vermogen om de aard en gevolgen van hun gedragingen vast te stellen, bepaalt, worden gezien naar de situatie van die ondernemingen op het tijdstip van de inbreuk en niet op het tijdstip van vaststelling van de beschikking.

De inaanmerkingneming van het element betreffende de juridische en economische infrastructuur die grote ondernemingen in staat stelt in te zien dat hun handelwijze een inbreuk vormt, is evenwel een andere rechtvaardigingsgrond voor de verhoging van de geldboete dan de noodzaak om te garanderen dat de geldboete voldoende afschrikkende werking heeft, waarmee ook een ander doel wordt beoogd.

Voor zover de rechtvaardiging voor de toepassing van een vermenigvuldigingsfactor bij de vaststelling van het boetebedrag is gebaseerd op de beoogde impact van de geldboete op de betrokken onderneming en niet op overwegingen inzake juridische en economische infrastructuur en voor zover de economische eenheid die de betrokken onderneming met haar moedermaatschappij vormde, is verbroken voor de datum van vaststelling van de beschikking waarbij de geldboete wordt opgelegd, kunnen de middelen van de moedermaatschappij niet in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de ten aanzien van die onderneming toe te passen vermenigvuldigingsfactor.

Hieruit volgt dat met het oog op de toepassing van een vermenigvuldigingsfactor moet worden gezien naar de omvang en de economische macht van een dergelijke onderneming op de datum van vaststelling van de beschikking waarbij de geldboete wordt opgelegd.

(cf. punten 260, 263‑265, 270‑272)

10. Zelfs indien een vergissing bij de vaststelling van de aan een onderneming op te leggen geldboete aan deze laatste te wijten zou zijn, kan dit niet rechtvaardigen dat het bedrag van de aan haar opgelegde geldboete in stand wordt gelaten, aangezien dit bedrag het resultaat is van de inaanmerkingneming van een onjuist feitelijk element.

(cf. punt 274)

11. Het ne-bis-in-idembeginsel, een grondbeginsel van het Unierecht, dat bovendien is neergelegd in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verbiedt op het gebied van de mededinging dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd wegens een met de mededinging strijdige gedraging waarvoor zij is gestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing waartegen geen beroep meer openstaat. De toepassing van dit beginsel is afhankelijk van de drievoudige voorwaarde dat de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed dezelfde zijn.

Dit beginsel wordt niet geschonden door het feit dat een beschikking van de Commissie waarbij een onderneming een geldboete wordt opgelegd, gebaseerd is op eerdere veroordelingen die reeds in een aantal vroegere beschikkingen een verhoging van de geldboete voor deze onderneming wegens recidive hadden gerechtvaardigd. Dat de Commissie in een aantal beschikkingen op basis van dezelfde eerdere veroordelingen heeft vastgesteld dat er sprake was van recidive, betekent immers niet dat de Commissie de betrokken onderneming verschillende keren voor dezelfde inbreuk heeft veroordeeld.

De inaanmerkingneming van recidive als verzwarende omstandigheid bij de beoordeling van de zwaarte van elk van de door een onderneming gepleegde inbreuken, vormt een noodzakelijk onderdeel van de beoordeling van de zwaarte van elk van deze inbreuken die elk en onafhankelijk van de andere een herhaling van het met de mededinging strijdige gedrag vormen en getuigen van de neiging van die onderneming om niet de juiste consequenties uit die veroordelingen te trekken.

De inaanmerkingneming van recidive wordt derhalve in een dergelijk geval gerechtvaardigd door de noodzaak van een hogere afschrikkende werking, gelet op het feit dat verschillende eerdere vaststellingen van een inbreuk niet voldoende zijn gebleken om te verhinderen dat een nieuwe inbreuk werd gepleegd.

(cf. punten 292‑293, 295‑296, 299)

12. Het feit dat een onderneming erkent dat zij bepaalde mededingingsverstorende overeenkomsten ten dele heeft toegepast, is op zich een onvoldoende grond om te weigeren haar het voordeel van een verzachtende omstandigheid toe te kennen. Om vast te stellen of een beroep kan worden gedaan op de verzachtende omstandigheid die is gelegen in het feit dat de inbreukmakende overeenkomsten niet daadwerkelijk zijn toegepast, overeenkomstig punt 3, tweede streepje van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag, worden opgelegd, moet worden nagegaan of de betrokken onderneming tijdens de periode waarin zij bij die overeenkomsten partij was, zich daadwerkelijk aan de toepassing ervan heeft onttrokken door op de markt de concurrentie aan te gaan, of, althans, dat zij zo duidelijk en in aanzienlijke mate in haar verplichting tot toepassing van de mededingingsregeling is tekortgeschoten, dat zij de werking zelf ervan heeft verstoord.

(cf. punten 308‑309)

13. Volgens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 is voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald.

Alleen wanneer blijkt dat meerdere adressaten van de beschikking waarbij de geldboete wordt opgelegd, de onderneming in de zin van de voor de bestrafte inbreuk verantwoordelijke economische eenheid vormden op het tijdstip dat de beschikking werd gegeven, kan volgens de rechtspraak het plafond worden berekend op basis van de totale omzet van die onderneming, dat wil zeggen op basis van al haar bestanddelen bij elkaar genomen. Indien daarentegen deze economische entiteit inmiddels is verbroken, heeft elke adressaat van de beschikking het recht om dat plafond individueel op zich te laten toepassen.

(cf. punt 352)

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

7 juni 2011 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Methacrylaatmarkt – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag – Motiveringsplicht – Beginsel van gelijke behandeling – Beginsel van behoorlijk bestuur – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Concrete weerslag op markt – Afschrikkende werking van geldboete – Recidive – Ne-bis-in-idembeginsel – Evenredigheidsbeginsel – Verzachtende omstandigheden – Niet-daadwerkelijke toepassing van overeenkomsten – Toewijzing van aansprakelijkheid voor betaling binnen groep ondernemingen – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑217/06,

Arkema France, gevestigd te Colombes (Frankrijk),

Altuglas International SA, gevestigd te Puteaux (Frankrijk),

Altumax Europe SAS, gevestigd te Puteaux,

aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Winckler, S. Sorinas Jimeno en P. Geffriaud, vervolgens door Sorinas Jimeno en E. Jégou, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Arbault en V. Bottka, vervolgens door Bottka en F. Castillo de la Torre, als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een beroep strekkende tot, primair, nietigverklaring van beschikking C(2006) 2098 def. van de Commissie van 31 mei 2006 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/F/38.645 – Methacrylaat), voor zover zij verzoeksters betreft, en, subsidiair, nietigverklaring dan wel verlaging van de bij deze beschikking aan verzoeksters opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: O. Czúcz, kamerpresident, I. Labucka (rapporteur) en K. O’Higgins, rechters,

griffier: T. Weiler, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 december 2009,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

Inleiding

1 Bij beschikking C(2006) 2098 def. van de Commissie van 31 mei 2006 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/F/38.645 – Methacrylaat) (hierna: „bestreden beschikking”) heeft de Commissie Arkema SA en haar dochterondernemingen Altuglas International SA (hierna: „Altuglas”) en Altumax Europe SAS (hierna: „Altumax” en, samen: „Arkema”) hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een geldboete van 219 131 250 EUR wegens deelname aan een kartel in de methacrylaatsector in de periode van 23 januari 1997 tot en met 12 september 2002 (hierna: „het betrokken kartel”). Hun moedermaatschappijen, Total SA en Elf Aquitaine SA, zijn hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de betaling van 140,4 miljoen EUR respectievelijk 181,35 miljoen EUR van die geldboete (artikel 2 van de bestreden beschikking).

2 Arkema (voorheen Atofina SA) is een naamloze vennootschap naar Frans recht met drie kernactiviteiten: vinylproducten, chemische industrie en hoogwaardige materialen. Ten tijde van de feiten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, was Arkema in handen van Elf Aquitaine, aanvankelijk voor 97,6 % en vervolgens, nadat de groep Elf op 17 april 2000 door Total Fina SA was overgenomen, voor 96,48 %. Vanaf die datum en gedurende het resterende deel van de inbreukperiode was Elf Aquitaine zelf voor 99,43 % in handen van Total (voorheen Total Fina, later TotalFinaElf SA) (punten 265 en 266 van de bestreden beschikking).

3 Bij haar beursgang op 18 mei 2006 is Arkema’s naam gewijzigd in Arkema France.

4 Altuglas (voorheen Atohaas en Atoglas SA) en Altumax zijn Arkema’s belangrijkste in de methacrylaatsector, en dan met name in de sector polymethyl-methacrylaat (hierna: „PMMA”), actieve dochterondernemingen die aan de in de bestreden beschikking beschreven geheime afspraken hebben deelgenomen (punt 259 van de bestreden beschikking). Altumax was gedurende de gehele inbreukperiode voor 100 % in handen van Arkema. Voor Altuglas is dit sinds 1998 het geval. Vóór die tijd was zij slechts voor de helft eigendom van Elf Atochem SA, die wel verantwoordelijk was voor haar dagelijks beheer (punt 263 van de bestreden beschikking).

Administratieve procedure

5 Het onderzoek dat tot de vaststelling van de bestreden beschikking heeft geleid, werd ingesteld nadat Degussa AG op 20 december 2002 had verzocht om immuniteit krachtens de mededeling van de Commissie van 19 februari 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking”).

6 Op 25 en 26 maart 2003 heeft de Commissie onder meer in de kantoren van Arkema inspecties uitgevoerd. Daarop heeft Arkema op 3 april 2003 een verzoek om immuniteit of boetevermindering krachtens de mededeling inzake medewerking ingediend (punt 60 van de bestreden beschikking).

7 Op 17 augustus 2005 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar betreffende een inbreuk in de methacrylaatsector vastgesteld, die zij heeft toegezonden aan onder meer Total, Elf Aquitaine, Arkema, Altuglas en Altumax (punt 85 van de bestreden beschikking).

8 Op 15 en 16 december 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waaraan alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben deelgenomen (punt 87 van de bestreden beschikking).

9 Op 31 mei 2006 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld.

Bestreden beschikking

10 Voor het onderhavige geding zij twee aspecten van de bestreden beschikking van bijzonder belang: de identificatie van de adressaten van de beschikking en de berekening van de geldboete.

Adressaten van de bestreden beschikking

11 Na te hebben gewezen op de noodzaak te bepalen welke juridische entiteiten voor de inbreuk aansprakelijk moesten worden gehouden (punt 245 van de bestreden beschikking), heeft de Commissie Altuglas, Altumax, Arkema en Elf Aquitaine hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de inbreuk waaraan Altuglas en Altumax zich in de periode van 23 januari 1997 tot en met 12 september 2002 schuldig hadden gemaakt. Total is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door Altuglas en Altumax in de periode van 1 mei 2000 tot en met 12 september 2002 gepleegde inbreuk (punt 277 van de bestreden beschikking).

12 Wat meer bepaald de aansprakelijkheid van Elf Aquitaine betreft, is de Commissie gelet op het feit dat de leden van Arkema’s raad van bestuur werden aangewezen door Elf Aquitaine en dat deze onderneming eerst 97,6 % en vanaf april 2000 96,48 % van het kapitaal van haar dochter in handen had, uitgegaan van het vermoeden dat Elf Aquitaine beslissende invloed had op en daadwerkelijke controle uitoefende over het gedrag van Arkema (punt 265 van de bestreden beschikking).

13 Aangaande de aansprakelijkheid van Total heeft de Commissie vastgesteld dat deze onderneming vanaf april 2000 tot het moment waarop de inbreuk werd beëindigd, directe dan wel indirecte zeggenschap had gehad over het kapitaal van alle werkmaatschappijen van de groep, waaronder die welke een rechtstreekse rol bij het betrokken kartel hadden gespeeld. Daarom is zij uitgegaan van het vermoeden dat Total een beslissende invloed uitoefende op het gedrag van haar dochtermaatschappijen Elf Aquitaine, Arkema, Altuglas en Altumax, en heeft zij naar al die entiteiten een mededeling van punten van bezwaar doen uitgaan (punt 267 van de bestreden beschikking).

14 Arkema, enerzijds, en Total en Elf Aquitaine, anderzijds, hebben onafhankelijk van elkaar op de mededeling van punten van bezwaar gereageerd, waarbij zij onder meer hebben opgemerkt dat Arkema de enige adressaat van de bestreden beschikking moest zijn (punten 268 en 269 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft hun argumenten van de hand gewezen en de aansprakelijkheid van de vijf in het voorgaande punt genoemde entiteiten bevestigd (punten 270‑277 van de bestreden beschikking). Al deze ondernemingen samen zullen hierna worden aangeduid als de „groep Total”.

Berekening van de geldboete

15 Bij de berekening van de geldboete heeft de Commissie in de eerste plaats de zwaarte van de inbreuk onderzocht. Zij heeft om te beginnen vastgesteld dat de inbreuk, gelet op haar aard en op het feit dat zij het gehele grondgebied van de EER bestreek, een zeer ernstige inbreuk was in de zin van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag, worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) (punten 319‑331 van de bestreden beschikking). Vervolgens heeft zij een gedifferentieerde behandeling toegepast op de ondernemingen die aan de inbreuk hadden deelgenomen, waarbij zij de groep Total, gelet op Arkema’s omzet voor de drie PMMA-producten in de EER, in de eerste categorie heeft geplaatst. Op basis daarvan heeft zij voor de groep Total het uitgangsbedrag bepaald op 65 miljoen EUR (punten 332‑336 van de bestreden beschikking). Tot slot heeft de Commissie met het oog op een voldoende afschrikkende werking dit bedrag met een factor 3 vermenigvuldigd, gelet op de mondiale omzet van Total. Het uitgangsbedrag van de geldboete bedraagt derhalve 195 miljoen EUR (punten 337‑350 van de bestreden beschikking).

16 In de tweede plaats heeft de Commissie de duur van de inbreuk onderzocht en vastgesteld dat, aangezien Arkema gedurende vijf jaar en zeven maanden aan de inbreuk had deelgenomen, het uitgangsbedrag met 55 % moest worden verhoogd. Deze verhoging is toegepast ten aanzien van Elf Aquitaine, Arkema, Altuglas en Altumax. Voor Total, die het kapitaal van haar dochterondernemingen gedurende een kortere periode in handen had gehad, heeft de Commissie de geldboete met 20 % verhoogd (punten 351‑353 van de bestreden beschikking). Het basisbedrag van de voor Arkema (inclusief Elf Aquitaine) berekende boete bedraagt derhalve 302,25 miljoen EUR. Total wordt hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de betaling van 234 miljoen EUR van dit bedrag (punt 354 van de bestreden beschikking).

17 In de derde plaats heeft de Commissie onderzocht of er verzwarende omstandigheden waren. Zij heeft vastgesteld dat Arkema, gelet op drie eerdere beschikkingen waarbij zij was veroordeeld, zich schuldig had gemaakt aan recidive door opnieuw een vergelijkbare inbreuk te begaan, en om die reden het basisbedrag van de geldboete voor haar met 50 % verhoogd. De Commissie heeft daarbij echter aangetekend dat Total en Elf Aquitaine geen recidivist waren en dat die verhoging dus enkel gold voor Arkema, Altuglas en Altumax (punt 369 van de bestreden beschikking en bijbehorende voetnoot nr. 250).

18 In de vierde plaats heeft de Commissie het beroep van de groep Total op verzachtende omstandigheden verworpen.

19 In die fase bedroeg de geldboete dus 365 218 750 EUR voor Arkema, Altuglas en Altumax. Voor Total en Elf Aquitaine bleef het bedrag op 234 miljoen EUR respectievelijk 302,25 miljoen EUR (punt 397 van de bestreden beschikking). Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), heeft de Commissie vastgesteld dat de geldboete niet meer dan 10 % van de omzet van de betrokken onderneming bedroeg (punten 398 en 399 van de bestreden beschikking).

20 In de vijfde en laatste plaats heeft de Commissie de mededeling inzake medewerking toegepast en overeenkomstig punt 23, sub b, eerste streepje, van deze mededeling het bedrag van de geldboete die de groep Total anders zou zijn opgelegd, met 40 % verlaagd (punten 403‑410 van de bestreden beschikking).

21 Daarmee heeft de Commissie in artikel 2, sub b, van de bestreden beschikking het uiteindelijke bedrag van de geldboete als volgt vastgesteld:

„Arkema [...], Altuglas [...] en Altumax [...], hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk: 219,13125 miljoen EUR; van dit bedrag is Total [...] hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor 140,4 miljoen EUR en is Elf Aquitaine [...] hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor 181,35 miljoen EUR.”

Procesverloop en conclusies van partijen

22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 augustus 2006, hebben verzoeksters, Arkema France, Altuglas en Altumax, het onderhavige beroep ingesteld.

23 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vierde kamer, waaraan de onderhavige zaak bijgevolg is toegewezen.

24 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten om tot de mondelinge behandeling over te gaan en om bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang partijen uit te nodigen een aantal vragen te beantwoorden, alsook de Commissie te verzoeken een document over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan.

25 Partijen hebben ter terechtzitting van 15 december 2009 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht. Na deze terechtzitting is de mondelinge behandeling gesloten.

26 Bij beschikking van 26 november 2010 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten de mondelinge behandeling te heropenen teneinde bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang partijen uit te nodigen bepaalde documenten over te leggen en vragen te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen aan deze verzoeken voldaan. De mondelinge behandeling is vervolgens gesloten op 9 maart 2011.

27 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:

– primair, de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover zij op hen betrekking heeft;

– subsidiair, de bij de bestreden beschikking aan hen opgelegde geldboete nietig te verklaren dan wel te verlagen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

28 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

29 Verzoeksters baseren hun beroep in wezen op acht middelen: 1) schending van de regels inzake toerekenbaarheid van de door een dochteronderneming toegepaste praktijken aan haar moedermaatschappij en van het beginsel van non-discriminatie; 2) onjuiste opvatting van de feiten bij de toerekening van de door Arkema begane inbreuk aan Total en Elf Aquitaine; 3) schending van de motiveringsplicht en van het beginsel van behoorlijk bestuur bij de toepassing van de toerekeningsregels; 4) miskenning van het criterium van de concrete weerslag op de markt bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete op 65 miljoen EUR; 5) onjuiste opvatting van het recht en van de feiten bij de verhoging van het uitgangsbedrag van de geldboete omwille van de afschrikkende werking; 6) onjuiste opvatting van het recht bij de verhoging van de geldboete wegens recidive; 7) onjuiste opvatting van de feiten in zoverre verzoeksters geen boetevermindering is toegekend op grond dat sommige van de gewraakte praktijken niet daadwerkelijk door Arkema zijn toegepast, en 8) onjuiste opvatting van het recht en van de feiten in zoverre verzoeksters geen boetevermindering is toegekend uit hoofde van „andere factoren”. Daarnaast hebben verzoeksters ter terechtzitting nog een bijkomende grief aangevoerd ter betwisting van de verhoging van de geldboete omwille van de afschrikkende werking.

Eerste middel: schending van de regels inzake toerekenbaarheid van de door een dochteronderneming toegepaste praktijken aan haar moedermaatschappij en van het beginsel van non-discriminatie

30 Volgens verzoeksters heeft de Commissie van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven in zoverre zij is uitgegaan van het vermoeden dat een moedermaatschappij die het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen heeft, metterdaad een beslissende invloed op die onderneming uitoefent (hierna: „vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed”), zonder dat zij het bewijs van een daadwerkelijke zeggenschap heeft geleverd (eerste onderdeel van het middel). Daarmee heeft de Commissie volgens verzoeksters ook het beginsel van non-discriminatie geschonden, omdat zij ten aanzien van Arkema een andere bewijsstandaard heeft toegepast dan ten aanzien van de overige dochterondernemingen die aan de gewraakte praktijken hebben deelgenomen (tweede onderdeel van het middel).

Eerste onderdeel: schending van de regels inzake toerekenbaarheid van de door een dochteronderneming toegepaste praktijken aan haar moedermaatschappij

– Argumenten van partijen

31 Volgens verzoeksters volgt uit vaste rechtspraak en uit de beschikkingspraktijk van de Commissie dat wanneer de onderneming die zich schuldig maakt aan een inbreuk, tot een groep ondernemingen behoort, in beginsel uitsluitend de betrokken dochteronderneming voor die inbreuk aansprakelijk is. Het is slechts in bepaalde omstandigheden dat de gedragingen van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kunnen worden toegerekend. Dit is het geval wanneer de moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter, gelet op het feit dat deze laatste haar commercieel beleid niet volledig vrij kan bepalen, dan wel wanneer de moedermaatschappij bij de door haar dochter gepleegde inbreuk betrokken is geweest (actief of passief, dat wil zeggen op grond van het enkele feit dat zij van de feiten op de hoogte was).

32 Verzoekster betogen dat volgens de relevante rechtspraak het bezit van 100 % (en, a fortiori, 99,43, 97,6 of 96,48 %) van het kapitaal op zich niet automatisch de conclusie wettigt dat de moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent op het commercieel beleid van haar dochteronderneming. Volgens verzoeksters heeft de rechtspraak in dit verband altijd nog andere factoren van belang geacht, zoals het feit dat de moedermaatschappij zich in de administratieve procedure namens de groep als enige gesprekspartner van de Commissie had opgeworpen, het feit dat niet was betwist dat de moedermaatschappij daadwerkelijk controle uitoefende over haar dochteronderneming, en het feit dat geen enkel bewijs voor de autonomie van de dochteronderneming was geleverd.

33 Afgezien van het feit dat nagenoeg het volledige kapitaal van Arkema direct dan wel indirect in handen was van haar toenmalige moedermaatschappijen, heeft de Commissie volgens verzoeksters in de bestreden beschikking geen enkele aanwijzing verstrekt waaruit blijkt dat Total en/of Elf Aquitaine in de betrokken periode daadwerkelijk een beslissende invloed hebben gehad op het commercieel beleid van Arkema of op de uitvoering van de gewraakte praktijken. Met name het door de Commissie in de bestreden beschikking genoemde feit dat de leden van Arkema’s raad van bestuur destijds door Elf Aquitaine werden aangewezen, was slechts het logische gevolg van het meerderheidsbelang in Arkema en toonde niet aan dat een beslissende invloed op deze dochteronderneming werd uitgeoefend.

34 Verzoeksters zijn dan ook van mening dat de Commissie, door de in de bestreden beschikking bedoelde praktijken aan Total en Elf Aquitaine toe te rekenen op grond van het vermoeden van uitoefening van beslissende invloed en dit vermoeden uitsluitend te baseren op het feit dat deze ondernemingen – direct dan wel indirect – nagenoeg het volledige kapitaal van Arkema in handen hadden, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting die de nietigverklaring van de bestreden beschikking rechtvaardigt.

35 Tot slot hebben verzoeksters in antwoord op vragen van het Gerecht over de consequenties voor deze zaak van het arrest van het Hof van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237), ter terechtzitting verklaard dat de feiten in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, en dan met name de invloed van de moedermaatschappij op haar dochterondernemingen die aan de inbreuk hadden deelgenomen, verschilden van die van de onderhavige zaak. Zij hebben bovendien opgemerkt dat in die zaak de moedermaatschappij 100 % van het kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, terwijl dit percentage niet wordt gehaald in de onderhavige zaak (waar het gaat om 99,43, 97,6 en 96,48 %). Verzoeksters zijn hoe dan ook van mening dat indien het betrokken arrest aldus moest worden uitgelegd dat de loutere band op het niveau van het kapitaal volstaat om een door een dochteronderneming gepleegde inbreuk aan haar moedermaatschappij te kunnen toerekenen, deze rechtspraak zou moeten worden herzien in zoverre daarbij een met verordening nr. 1/2003 onverenigbare regeling van aansprakelijkheid zonder schuld in het leven zou zijn geroepen.

36 De Commissie verklaart dat zij evenals verzoeksters van mening is dat de inbreukmakende gedragingen van een dochteronderneming slechts in bepaalde omstandigheden aan de moedermaatschappij kunnen worden toegerekend. Die mogelijkheid bestaat als de moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed op het gedrag van haar dochter uitoefent. Volgens de Commissie volgt echter uit vaste rechtspraak dat zij mag concluderen dat een vennootschap die het volledige of nagenoeg het volledige kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, metterdaad een beslissende invloed op die onderneming uitoefent, tenzij de moedermaatschappij het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed heeft weerlegd door te bewijzen dat haar dochteronderneming haar gedrag autonoom bepaalt.

– Beoordeling door het Gerecht

37 Blijkens de punten 245 tot en met 252 en 259 tot en met 277 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de betrokken inbreuk aan Total en Elf Aquitaine toegerekend op grond dat zij één enkele onderneming vormden met Arkema en haar dochterondernemingen Altuglas en Altumax, die aan de geheime afspraken hadden deelgenomen. Daartoe is de Commissie uitgegaan van het in de mededeling van punten van bezwaar tot uitdrukking gebrachte vermoeden dat Total en Elf Aquitaine een beslissende invloed uitoefenden op het gedrag van hun dochterondernemingen. Voor Elf Aquitaine was dit vermoeden gebaseerd op het feit dat de leden van Arkema’s raad van bestuur door haar werden aangewezen en dat zij aanvankelijk 97,6 % en later 96,48 % van het kapitaal van Arkema in handen had (punt 265 van de bestreden beschikking). Voor Total was het vermoeden gebaseerd op de omstandigheid dat deze onderneming sinds april 2000 99,43 % van het kapitaal van Elf Aquitaine in handen had en daardoor directe of indirecte zeggenschap had over het kapitaal van alle ondernemingen van de groep, dus ook van die welke een rechtstreekse rol bij het betrokken kartel hadden gespeeld (punten 266 en 267 van de bestreden beschikking). Blijkens de bestreden beschikking hebben de betrokken ondernemingen in hun reactie op de mededeling van punten van bezwaar een aantal argumenten aangevoerd om het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed te weerleggen, maar heeft de Commissie deze ontoereikend geacht (zie onder meer punten 272 en 274 van de bestreden beschikking).

38 Thans dient te worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof op dit gebied.

39 De mededingingregels van de Unie zien op de activiteiten van ondernemingen en het begrip onderneming omvat elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat onder het begrip onderneming in deze context moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Een inbreuk van een dergelijke economische entiteit op de mededingingsregels is haar toerekenbaar overeenkomstig het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 De inbreuk op de mededingingregels van de Unie moet op ondubbelzinnige wijze worden toegerekend aan een rechtspersoon waaraan eventueel een geldboete zal worden opgelegd, en de mededeling van punten van bezwaar dient aan die rechtspersoon te worden toegezonden. Van belang is ook dat de mededeling van punten van bezwaar vermeldt in welke hoedanigheid de gestelde feiten aan een rechtspersoon worden verweten (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Volgens vaste rechtspraak kan het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 De reden daarvoor is dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie deel uitmaken van één economische eenheid en derhalve één enkele onderneming vormen in voormelde zin. Dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, stelt de Commissie in staat een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij te richten, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 59).

45 Het Hof heeft ook geoordeeld dat in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, die moedermaatschappij beslissende invloed kan uitoefenen op het gedrag van deze dochter, en dat er een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij metterdaad beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Het Hof heeft dus gepreciseerd dat het in die omstandigheden volstaat dat de Commissie bewijst dat het volledige kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, om aan te nemen dat deze laatste beslissende invloed heeft op het commercieel beleid van de dochter. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Gelet op deze rechtspraak van het Hof moet worden vastgesteld dat de in punt 37 hierboven uiteengezette methode die de Commissie in casu heeft gevolgd om de inbreuk toe te rekenen aan verzoeksters’ moedermaatschappijen, correct is.

48 Enerzijds berust deze toerekening niet, zoals verzoeksters lijken te stellen, alleen op de structuur van het bezit van het kapitaal, maar ook op de vaststelling dat het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed niet is weerlegd (zie met name punten 272 en 274 van de bestreden beschikking).

49 Anderzijds blijkt uit deze rechtspraak (zie met name punten 45 en 46 hierboven) duidelijk dat de structuur van het bezit van het kapitaal van een dochteronderneming een voldoende criterium voor dit vermoeden is, zonder dat de Commissie extra aanwijzingen voor de daadwerkelijke uitoefening van invloed door de moedermaatschappij behoeft te verstrekken, zoals verzoeksters eisen.

50 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters’ betoog dat de feiten die ten grondslag lagen aan het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, en dan met name de zeggenschap die de moedermaatschappij in die zaak over haar dochteronderneming had, verschilden van die van de onderhavige zaak. Met name moet worden opgemerkt dat, ook al konden in die zaak dergelijke extra aanwijzingen worden gevonden (arrest Gerecht van 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑112/05, Jurispr. blz. II‑5049, punten 13 en 54), zowel uit het arrest van 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, reeds aangehaald (punten 61 en 62), als uit het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven (punten 61 en 62) ondubbelzinnig blijkt dat de toepassing van het betrokken vermoeden niet afhangt van het bestaan van dergelijke aanwijzingen.

51 Ook moet worden opgemerkt dat voormelde rechtspraak specifiek betrekking heeft op „het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming” (arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 60). In het onderhavige geval hebben Total en Elf Aquitaine niet het volledige kapitaal van hun respectieve dochters in handen.

52 Hoewel verzoeksters ter terechtzitting op dit feitelijke verschil hebben gewezen (zie punt 35 hierboven), hebben zij geen enkel specifiek argument aangevoerd om zich tegen de toepassing van dezelfde bewijsregeling in de twee situaties te verzetten, terwijl deze problematiek van de toepassing van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed op andere gevallen dan die waarin de moedermaatschappij het volledige kapitaal van haar dochter in handen heeft, toch het voorwerp is geweest van een schriftelijke vraag van het Gerecht aan de Commissie en er later ook ter terechtzitting over is gedebatteerd.

53 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de situatie van de moedermaatschappij die nagenoeg het volledige kapitaal van haar dochter in handen heeft, in beginsel met die van een 100 %-eigenaar vergelijkbaar is waar het gaat om haar vermogen om een beslissende invloed uit te oefenen op het gedrag van haar dochter, gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die haar met die dochter verenigen. De Commissie mag op die situatie dan ook dezelfde bewijsregeling toepassen, dat wil zeggen uitgaan van het vermoeden dat de genoemde moedermaatschappij metterdaad gebruik maakt van haar vermogen beslissende invloed uit te oefenen op het gedrag van haar dochter. Het is stellig niet uitgesloten dat in sommige gevallen minderheidsaandeelhouders ten opzichte van de dochteronderneming over rechten beschikken waardoor bedoelde analogie ter discussie kan worden gesteld. Echter, nog afgezien van het feit dat dergelijke rechten doorgaans niet zijn verbonden aan zeer geringe deelnemingen als die waarvan in deze zaak sprake is, hebben verzoeksters in casu ook geen enkel gegeven van die aard aangedragen. De Commissie heeft ten aanzien van verzoeksters’ moedermaatschappijen dus terecht het vermoeden van uitoefening van beslissende invloed toegepast.

54 Aangaande het argument ten slotte dat de uit het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (punt 35 hierboven), voortgekomen rechtspraak in wezen zou moeten worden herzien, is het Gerecht de mening toegedaan dat het in de omstandigheden van het onderhavige geval niet op zijn weg ligt om terug te komen op een rechtspunt dat het Hof in een recent arrest duidelijk heeft beslecht.

55 Het eerste onderdeel van dit middel moet bijgevolg worden afgewezen.

Tweede onderdeel: schending van het beginsel van non-discriminatie

– Argumenten van partijen

56 Verzoeksters betogen dat de Commissie in hun geval uitsluitend van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed is uitgegaan om de inbreuk aan de moedermaatschappij toe te rekenen, terwijl zij voor de meeste andere dochterondernemingen die adressaat van de bestreden beschikking zijn, extra bewijzen in aanmerking heeft genomen. Verzoeksters wijzen in dit verband op de behandeling die Degussa, ICI plc en Lucite International Ltd. in de bestreden beschikking ten deel is gevallen.

57 Verzoeksters verwijten de Commissie daarom een ongerechtvaardigde discriminatie bij de bewijsvoering. Zij beklemtonen dat indien de Commissie ten aanzien van Arkema dezelfde bewijsstandaard had gehanteerd als ten aanzien van de andere ondernemingen, zij wel had moeten concluderen dat de inbreuk uitsluitend toerekenbaar was aan Arkema.

58 Met betrekking tot het argument dat de Commissie ontleent aan het in de bestreden beschikking vermelde feit dat de leden van de raad van bestuur van Atofina werden benoemd door Elf Aquitaine, beklemtonen verzoeksters dat dit slechts een logisch gevolg van het meerderheidsbelang in Arkema is en dat deze aanwijzing in geen enkele verhouding staat tot de aanwijzingen die de Commissie heeft genoemd in verband met Degussa, waarvoor zij de actieve deelname van de moedermaatschappij aan de inbreuk in aanmerking heeft genomen. Verzoeksters merken hoe dan ook op dat bedoelde aanwijzing uitsluitend voor Elf Aquitaine en niet voor Total geldt.

59 De Commissie betwist dit betoog.

– Beoordeling door het Gerecht

60 Volgens vaste rechtspraak vereist het beginsel van gelijke behandeling of non‑discriminatie dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld (zie arrest Hof van 11 september 2007, Lindorfer/Raad, C‑227/04 P, Jurispr. blz. I‑6767, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 Vastgesteld moet worden dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de Commissie dit beginsel heeft geschonden door de betrokken inbreuk aan de adressaten van de bestreden beschikking toe te rekenen.

62 Ten eerste is de situatie van ICI Acrylics niet vergelijkbaar met die van verzoeksters. Uit de bestreden beschikking blijkt immers duidelijk dat ICI Acrylics – de entiteit die rechtstreeks aan de inbreuk deelnam – slechts een bedrijfseenheid van ICI was, zonder eigen rechtspersoonlijkheid, en niet een dochteronderneming waarvan het volledige of nagenoeg het volledige kapitaal in handen was van ICI (zie met name punten 280, 287 en 288 van de bestreden beschikking). Wat ICI betreft, is de Commissie dan ook niet uitgegaan van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed (al dan niet gestaafd door ander bewijs), maar heeft zij slechts de rechtspersoon geïdentificeerd waarvan de bedrijfseenheid die de inbreuk had gepleegd, ten tijde van de feiten deel uitmaakte (punten 288 en 289 van de bestreden beschikking).

63 Wat voorts Degussa betreft, heeft de Commissie in punt 255 van de bestreden beschikking het volgende vastgesteld:

„Röhm GmbH & Co. KG (100 %-dochteronderneming van Degussa) en Para-Chemie GmbH (100 %-dochteronderneming van Röhm) zijn zelfstandige juridische entiteiten. Aangezien deze twee ondernemingen, direct dan wel indirect, volledig in handen waren van Degussa [...] en aangezien de raad van toezicht van Röhm voor een deel bestaat uit leden van de directie van Degussa [...], houdt de Commissie Degussa aansprakelijk voor de inbreukmakende gedragingen van Röhm [...] en Para-Chemie [...]”

64 Over Lucite International heeft de Commissie in punt 294 van de bestreden beschikking het volgende gezegd:

„Lucite International UK Ltd is een van haar 100 %-dochterondernemingen. Bovendien waren tijdens de inbreukperiode de leden van de raad van bestuur van Lucite International [...] tevens lid van de raad van bestuur van Lucite International UK [...]”

65 Het is dus juist dat de Commissie zich voor de toerekening aan Degussa en Lucite International van het inbreukmakend gedrag van hun respectieve dochterondernemingen heeft gebaseerd op het uit de 100 %-deelneming in het kapitaal voortvloeiende vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed, maar daarnaast nog een bijkomend element heeft genoemd, namelijk het feit dat leden van de directie van de moedermaatschappij zitting hadden in de raad van toezicht van de dochter, respectievelijk het feit dat de leden van de raad van bestuur van de twee ondernemingen dezelfde waren.

66 Hieruit volgt echter niet dat Degussa en Lucite International en hun dochterondernemingen anders zijn behandeld dan verzoeksters en hun moedermaatschappijen en dat daardoor het beginsel van gelijke behandeling is geschonden.

67 Evenals verzoeksters’ moedermaatschappijen zijn Degussa en Lucite International immers aansprakelijk gesteld voor het inbreukmakend gedrag van hun respectieve dochters (punten 258 en 296 van de bestreden beschikking) en niets in de bestreden beschikking wijst erop dat dit zonder de door de Commissie gevonden extra aanwijzingen niet zou zijn gebeurd.

68 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie in de punten 245 tot en met 252 van de bestreden beschikking de beginselen heeft uiteengezet die zij heeft toegepast om de adressaten van deze beschikking te identificeren. Daaruit blijkt duidelijk dat de Commissie van mening was dat zij in een situatie van volledige of nagenoeg volledige zeggenschap over het kapitaal van een dochteronderneming het ontbreken van autonomie van die dochter mocht vaststellen op basis van het enkele vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed, op voorwaarde dat dit niet tijdens de administratieve procedure was weerlegd, en dat zij het inbreukmakend gedrag van de dochter dus aan de moedermaatschappij mocht toerekenen op grond dat deze laatste tot dezelfde onderneming behoorde (zie met name punten 247 en 248 van de bestreden beschikking).

69 Vastgesteld moet dus worden dat de Commissie, zoals zij zelf betoogt, slechts ten overvloede heeft gewezen op het bestaan van andere aanwijzingen dan de kapitaalband, wanneer deze beschikbaar waren. Overigens heeft de Commissie ook met betrekking tot de groep Total gewezen op het feit dat de leden van de raad van bestuur van Arkema waren aangewezen door Elf Aquitaine. Zij heeft evenwel op geen enkele wijze de toerekening van het inbreukmakend gedrag van een 100 %‑ of nagenoeg 100 %-dochter aan de moedermaatschappij afhankelijk gesteld van het bestaan van dergelijke aanvullende gegevens, wat overigens wordt bevestigd door het feit dat zij in de bestreden beschikking voor sommige moedermaatschappijen uitsluitend de kapitaalband noemt. Dit geldt voor Total (punt 266) en voor de ondernemingen die tot de groep Barlo behoren, te weten Barlo Plastics Europe NV, Barlo Plastics NV en Barlo Group plc (punt 301).

70 Overigens zij eraan herinnerd dat de methode die de Commissie in casu heeft gevolgd om de inbreuk toe te rekenen aan verzoeksters’ moedermaatschappijen, correct is (zie punt 47 hierboven).

71 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van dit middel, en daarmee ook het eerste middel in zijn geheel, worden afgewezen.

Tweede middel: onjuiste opvatting van de feiten bij de toerekening van de door Arkema gepleegde inbreuk aan Total en Elf Aquitaine

72 Volgens verzoeksters had de Commissie, gesteld al dat zij jegens hen mocht uitgaan van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed, feitelijk geen goede gronden om de inbreuk aan Total en Elf Aquitaine toe te rekenen. Verzoeksters hebben namelijk in de eerste plaats aangetoond dat de leiding van Elf Aquitaine en Total volstrekt niet bij de gewraakte praktijken betrokken was, en in de tweede plaats dat Arkema haar commercieel beleid autonoom bepaalde.

Eerste onderdeel: miskenning van het feit dat de leiding van Total en Elf Aquitaine niet bij de in de bestreden beschikking bedoelde praktijken betrokken was

– Argumenten van partijen

73 Verzoeksters beklemtonen dat de Commissie in de bestreden beschikking niet beweert dat de leiding van Elf Aquitaine of Total op enigerlei wijze bij de gewraakte praktijken betrokken was of weet had van het inbreukmakend gedrag. Ook wijzen zij erop dat de Commissie in de loop van het onderzoek geen enkel verzoek om inlichtingen aan die ondernemingen heeft doen toekomen, noch in hun kantoren inspecties heeft uitgevoerd.

74 Volgens verzoeksters blijkt uit de beschikkingspraktijk van de Commissie dat het feit dat de moedermaatschappij actief noch passief bij de inbreuk betrokken is geweest, voor de Commissie reden kan zijn om aansprakelijkstelling van de moedermaatschappij voor de door de dochter gepleegde inbreuk uit te sluiten, zelfs in een situatie van volledige of nagenoeg volledige zeggenschap.

75 Verzoeksters merken in dit verband bovendien op dat de groep waartoe zij ten tijde van de feiten behoorden, erop aandrong dat de mededingingsregels strikt werden geëerbiedigd, wat overigens voor Arkema aanleiding is geweest om reeds in januari 2001, dat wil zeggen slechts enkele maanden nadat de groep Elf door Total Fina was overgenomen, een programma tot naleving van het mededingingsrecht in te voeren. Dit betekent volgens hen dat, als Total en/of Elf Aquitaine al van de mededingingsverstorende praktijken van Arkema op de hoogte hadden kunnen zijn, zij de onmiddellijke beëindiging daarvan zouden hebben gelast.

76 Verzoeksters menen dan ook dat de Commissie dit gegeven had kunnen aanvoeren om de genoemde ondernemingen, ook al hadden zij in de betrokken periode het volledige of nagenoeg het volledige kapitaal van Arkema in handen, niet aansprakelijk te houden voor haar inbreukmakend gedrag op de PMMA-markt.

77 De Commissie betwist dit betoog.

– Beoordeling door het Gerecht

78 Blijkens de punten 245 tot en met 252 en 259 tot en met 277 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de inbreuk aan Total en Elf Aquitaine toegerekend op grond dat zij ten tijde van de feiten één economische entiteit en dus één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht vormden met Arkema en haar dochterondernemingen Altuglas en Altumax, die aan de geheime afspraken hadden deelgenomen. De Commissie heeft die conclusie gebaseerd op het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed en op de vaststelling dat dit vermoeden in de administratieve procedure niet was weerlegd. Zoals bij het onderzoek van het eerste middel is gebleken, heeft de Commissie terecht deze methode gehanteerd.

79 Volgens de rechtspraak nu stelt het feit dat een moedermaatschappij en haar dochter één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, de Commissie in staat een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij te richten, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punt 50). Bijgevolg behoefde de Commissie niet aan te tonen dat de leiding van de moedermaatschappij rechtstreeks bij de feiten betrokken was of kennis had van die feiten. Het gedrag van de Commissie tijdens de administratieve procedure, in het bijzonder het feit dat zij geen verzoek om inlichtingen tot de moedermaatschappijen heeft gericht noch hun kantoren heeft doorzocht, is evenmin van invloed op de vraag of deze moedermaatschappijen met hun dochter één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen.

80 Wat de door verzoeksters ingeroepen beschikkingspraktijk van de Commissie betreft, moet worden vastgesteld dat, gesteld al dat de Commissie daarin de toerekening van de inbreuk aan de moedermaatschappij afhankelijk had gesteld van de rechtstreekse betrokkenheid van de leiding van de moedermaatschappij bij de inbreuk, dit geen enkele consequentie zou hebben voor de rechtmatigheid van de bestreden beschikking op dit punt, aangezien de in casu door de Commissie toegepaste methode correct was. Bovendien hebben verzoeksters in repliek verduidelijkt dat zij niet beweren dat het feit dat een moedermaatschappij niet bij de door haar dochter gepleegde inbreuk betrokken is geweest, op zich volstaat om de aansprakelijkheid van die moedermaatschappij uit te sluiten, maar enkel dat dit een gegeven is dat de Commissie daartoe in aanmerking kan nemen.

81 Ten slotte kan, zoals de Commissie terecht stelt, de omstandigheid dat de leiding van de moedermaatschappij niet rechtstreeks bij de gewraakte feiten betrokken is geweest dan wel daarvan geen weet heeft gehad, ook al zou het bewijs daarvoor kunnen worden geleverd, niet volstaan om het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed te weerleggen.

82 Het eerste onderdeel van dit middel faalt derhalve.

Tweede onderdeel: miskenning van de gegevens waaruit blijkt dat Arkema haar commercieel beleid werkelijk autonoom heeft bepaald

– Argumenten van partijen

83 Verzoeksters betogen dat Arkema in de administratieve procedure heeft aangetoond dat in de periode waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, haar commercieel beleid nooit door Elf Aquitaine of Total was bepaald. Dat Arkema ten tijde van de feiten juridisch een dochteronderneming van Elf Aquitaine was en dat de leden van haar raad van bestuur door deze onderneming werden aangewezen, heeft volgens verzoeksters dus geen gevolgen gehad voor Arkema’s autonomie bij de bepaling van haar commercieel beleid. Verzoeksters menen dan ook dat de Commissie de feiten onjuist heeft beoordeeld door de door Arkema gepleegde inbreuk toe te rekenen aan haar toenmalige moedermaatschappijen.

84 Volgens verzoeksters blijkt in de eerste plaats uit de structuur van de groep dat Total noch Elf Aquitaine het commercieel beleid van haar dochters bepaalt. Deze ondernemingen zijn namelijk holdingmaatschappijen, dat wil zeggen houdsters van de aandelen van verscheidene groepen ondernemingen die in de respectieve sectoren waarin zij actief zijn, autonoom opereren.

85 In de tweede plaats heeft Arkema volgens verzoeksters aangetoond dat zij bij de bepaling van haar commercieel beleid met betrekking tot PMMA, en dan met name wat haar prijsbeleid en de keuze van haar afnemers betrof, volstrekt autonoom was. Verzoeksters merken in dit verband op dat Arkema de moedermaatschappij van de chemietak was en dat zij degene was die haar eigen dochterondernemingen, zoals Altuglas en Altumax, daadwerkelijk instructies gaf. Met haar eigen moedermaatschappijen had Arkema uitsluitend het soort relatie dat doorgaans bestaat tussen een aandeelhouder die zijn financiële belangen wil beschermen en een zelfstandig opererend management, belast met het beheer van de chemieactiviteit. De rol van Total en Elf Aquitaine beperkte zich derhalve tot de goedkeuring van belangrijke investeringen en de inontvangstneming van boekhoudkundige en financiële informatie over de resultaten van hun dochter, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen. Verzoeksters verwijzen in dit verband naar de interne nota met het opschrift „Interne bevoegdheden en aangaan van betalingsverplichtingen”, die zij als bijlage bij het verzoekschrift hebben gevoegd.

86 Verzoeksters onderscheiden in dit verband twee periodes, namelijk 1992‑2000 en 2001‑2004.

87 Met betrekking tot de periode 1992‑2000 merken zij op dat het commercieel beleid inzake de PMMA-activiteiten op autonome wijze werd bepaald door Elf Atochem, via de divisie „synthetische organische tussenproducten” (hierna: „DIOS”). De grote lijnen van dat commercieel beleid, neergelegd in een vijfjarig bedrijfsplan, werden jaarlijks vooraf goedgekeurd door het directiecomité van Elf Atochem, dat ook de begroting van de DIOS goedkeurde.

88 In de periode 2001‑2004 werd het commercieel beleid inzake de PMMA-activiteiten op autonome wijze bepaald door Arkema, en wel via Atoglas (thans Altuglas). De grote lijnen van dat commercieel beleid, neergelegd in een vijfjarig bedrijfsplan, werden jaarlijks vooraf goedgekeurd door het directiecomité chemie, uitvoerend orgaan van de chemietak. De begroting van de PMMA-activiteiten werd in het kader van de presentatie van de totaalbegroting van Atoglas gepresenteerd aan het uitvoerend comité van Total. Dit uitvoerend comité had bemoeienis met beslissingen over investeringen waarmee een bedrag van meer dan 10 miljoen EUR gemoeid was, en had tot taak de risico’s en de rentabiliteit van die investeringen te beoordelen.

89 Verzoeksters beklemtonen in het bijzonder dat Total noch Elf Aquitaine het commercieel beleid van Arkema bepaalde met betrekking tot activiteiten als die waarom het in de onderhavige zaak gaat, die slechts een zeer gering deel van hun omzet vertegenwoordigden. Zij memoreren in dit verband dat in 2002 (het laatste inbreukjaar) de mondiale omzet van Arkema uit de verkoop van PMMA-producten 416 miljoen EUR bedroeg, wat neerkwam op 2,1 % van de totaalomzet van de chemietak en 0,4 % van de totaalomzet van de groep Elf Aquitaine/Total.

90 Verzoeksters wijzen er bovendien op dat, gesteld al dat de toepassing van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed een geldige methode was, van de betrokken onderneming ter weerlegging van dat vermoeden enkel het bewijs zou mogen worden verlangd dat de moedermaatschappij geen effectieve zeggenschap had over haar commercieel beleid op de betrokken markt, dat wil zeggen in casu op de PMMA-markt. Bij een andere benadering, waarbij het bewijs van volstrekte autonomie ten opzichte van de moedermaatschappij werd verlangd en dus de weerlegging van de abstracte mogelijkheid voor de moedermaatschappij om een beslissende invloed op haar dochter uit te oefenen in de situatie waarin deze het volledige kapitaal van die dochter in handen heeft, zou de betrokken onderneming een probatio diabolica opgelegd krijgen en daarmee een onweerlegbaar vermoeden worden ingevoerd.

91 Verzoeksters merken in de derde plaats op dat de globale zeggenschap van Total en Elf Aquitaine over Arkema contrasteert met de zeggenschap die Arkema had over haar dochterondernemingen Altuglas en Altumax, die zowel operationeel als functioneel in Arkema waren geïntegreerd. Verzoeksters beklemtonen ook dat Arkema gedurende de gehele procedure zowel namens zichzelf als namens haar dochterondernemingen is opgetreden en tijdens het onderzoek haar daadwerkelijke zeggenschap over die ondernemingen nooit heeft betwist.

92 Zo hield Arkema zich, in tegenstelling tot Elf Aquitaine en Total, die geen bemoeienis hadden met het productieproces van methyl-methacrylaat, op operationeel niveau dus bezig met de productie van methyl-methacrylaat, de grondstof die haar dochterondernemingen Altuglas en Altumax onder meer voor de productie en distributie van PMMA gebruikten.

93 Op functioneel niveau was de PMMA-activiteit, hoewel uitgeoefend door dochterondernemingen van Arkema (Altuglas en Altumax), steeds geïntegreerd in de bedrijfsorganisatie van Arkema, aanvankelijk – tot in 2000 – binnen de DIOS, en vervolgens – vanaf 2001 – via een bedrijfseenheid die zich specifiek met PMMA bezighield. Bovendien bestond de raad van bestuur van Altuglas in de betrokken periode voor het merendeel uit vertegenwoordigers van de juridische en financiële afdelingen van Arkema. Laatstgenoemden hadden overigens niet alleen taken binnen Arkema, maar ook binnen Altuglas, dat geen eigen juridische en financiële diensten had. Tot slot verstrekten alle werknemers van Altuglas die bij de in de bestreden beschikking bedoelde praktijken betrokken waren, regelmatig informatie aan een lid van het management van Arkema. Gedurende de inbreukperiode was dit de heer G., die tot in 2000 directeur van de DIOS en vanaf 2001 lid van het directiecomité chemie was.

94 Dat Arkema en haar dochterondernemingen Altuglas en Altumax op functioneel en operationeel niveau geïntegreerd waren, werd volgens verzoeksters bevestigd toen in 2004 de chemietak van de groep Total werd gereorganiseerd en Arkema werd opgericht, alsmede bij Arkema’s beursgang in mei 2006.

95 Verzoeksters beklemtonen in de vierde plaats dat uit geen van de in de loop van de procedure verzamelde stukken blijkt dat Arkema direct dan wel indirect enige instructie of aanbeveling van Elf Aquitaine of Total met betrekking tot het op de methacrylaatmarkt te voeren commercieel beleid heeft ontvangen, terwijl de Commissie bij het hoofdkantoor van Arkema toch de hand heeft weten te leggen op honderden documenten.

96 Verzoeksters betogen in de vijfde plaats dat het door de Commissie in de bestreden beschikking ingenomen standpunt afwijkt van haar eerdere praktijk. In haar beschikking C(2003) 4570 def. van 10 december 2003 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/E-2/37.857 – Organische peroxides; hierna: „organischeperoxidenbeschikking”), heeft de Commissie namelijk nagelaten de door Arkema gepleegde inbreuk toe te rekenen aan Elf Aquitaine, ondanks de kapitaalband die tussen die twee ondernemingen bestond. Daarmee heeft de Commissie volgens verzoeksters erkend dat Arkema werkelijke autonomie genoot bij de bepaling van haar commercieel beleid. Aangezien de organischeperoxidenbeschikking en de bestreden beschikking voor een deel betrekking hebben op dezelfde periode en de economische en financiële betrekkingen tussen Arkema en Elf Aquitaine in de twee zaken volstrekt identiek waren, mocht de Commissie volgens verzoeksters niet afwijken van het standpunt dat zij had ingenomen in de zaak die tot de organischeperoxidenbeschikking heeft geleid.

97 Overigens is volgens verzoeksters de beperkte en globale zeggenschap die Total en Elf Aquitaine over hun dochterondernemingen uitoefenen, recentelijk bevestigd door de Franse mededingingsraad, die in een beschikking betreffende de markt van de distributie van brandstoffen op autosnelwegen heeft vastgesteld dat Total Raffinage Distribution SA en Elf Antar France SA voldoende autonomie genieten bij de bepaling van hun commercieel beleid.

98 Verzoeksters betogen tot slot dat de Commissie van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven bij de beoordeling van de aard en de verdeling van de bewijslast. Zij zijn van mening dat, nu het door de Commissie toegepaste vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed niet vergezeld ging van enig aanvullend bewijs dat de moedermaatschappijen daadwerkelijk zeggenschap hadden over het commercieel beleid van Arkema met betrekking tot de PMMA-markt, het enkele feit dat Arkema in de administratieve procedure bewijzen had aangedragen om haar werkelijke autonomie op de markt aan te tonen, volstond om de bewijslast om te keren. Het was volgens verzoeksters dan ook aan de Commissie om aan te tonen dat Total en Elf Aquitaine niettemin een beslissende invloed uitoefenden op het gedrag van hun dochterondernemingen op de betrokken markt.

99 De Commissie betoogt dat de in de administratieve procedure door verzoeksters aangedragen en in het verzoekschrift overgenomen bewijzen, zelfs in hun totaliteit beschouwd, niet volstaan om aan te tonen dat Arkema zich ten opzichte van Elf Aquitaine op de markt autonoom heeft gedragen, en dus ook onvoldoende zijn om het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed te weerleggen.

– Beoordeling door het Gerecht

100 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de Commissie, anders dan verzoeksters beweren (zie punten 90 en 98 hierboven), in casu de bewijslastregels niet verkeerd heeft toegepast.

101 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (punt 35 hierboven, punt 61), voor de weerlegging van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed vereist is dat de betrokken vennootschap „afdoende bewijzen” overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt. Het is aan de Commissie om die bewijzen te onderzoeken en niet om zelf materiaal aan te dragen waaruit de uitoefening van een dergelijke invloed blijkt. Het betrokken vermoeden zou ook volstrekt betekenisloos worden als de belanghebbende partij ter weerlegging ervan kon volstaan met loutere, niet-gestaafde beweringen.

102 Om te beginnen dient echter erop te worden gewezen dat verzoeksters in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar nauwelijks enig concreet bewijs hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun beweringen over de autonomie van Arkema op de markt. In het bijzonder verwijst deel III.2 van dat antwoord, getiteld „Arkema heeft [gedurende de inbreukperiode] werkelijke autonomie genoten bij de bepaling van haar commercieel beleid”, naar geen enkel document ter ondersteuning van de erin vervatte stellingen. De Commissie blijkt in punt 272 van de bestreden beschikking dan ook terecht te hebben vastgesteld dat de door verzoeksters aangedragen elementen slechts onvoldoende gestaafde beweringen waren. Zoals uit het voorgaande punt blijkt, rechtvaardigt deze vaststelling de conclusie dat het vermoeden van uitoefening van beslissende invloed niet is weerlegd.

103 Anders dan verzoeksters stellen, komt de in de bestreden beschikking gevolgde benadering ook niet neer op een probatio diabolica. Uit de rechtspraak volgt immers dat, om uit te maken of een dochteronderneming autonoom haar marktgedrag bepaalt, rekening moet worden gehouden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk geval anders kunnen zijn en waarvan dus geen uitputtende opsomming mogelijk is (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punten 73 en 74). Het was bijgevolg aan verzoeksters om alle elementen over te leggen betreffende de organisatorische, economische en juridische banden tussen die dochteronderneming en de moedermaatschappij (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 50 hierboven, punt 65). Ook al zouden verzoeksters in casu niet in staat zijn geweest dergelijke bewijselementen over te leggen, dan betekent dit nog niet dat genoemd vermoeden in geen enkel geval kan worden weerlegd.

104 Tegen de achtergrond van deze algemene opmerkingen dienen de door verzoeksters aangevoerde specifieke argumenten te worden onderzocht.

105 Verzoeksters stellen in de eerste plaats dat Total en Elf Aquitaine holdingmaatschappijen zijn en dat de autonomie van hun dochterondernemingen dus voortvloeit uit de structuur van de groep.

106 Vastgesteld moet worden dat de bewering dat Total en Elf Aquitaine holdingmaatschappijen zijn, door geen enkel bewijs wordt gestaafd.

107 Bovendien, ook indien deze bewering correct was, zou bedoelde omstandigheid alleen niet kunnen volstaan om uit te sluiten dat de betrokken moedermaatschappijen een beslissende invloed op hun dochters hadden door met name de coördinatie van de financiële investeringen in de groep. In de context van een groep ondernemingen is een holding namelijk een onderneming die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en tot taak heeft ervoor te zorgen dat deze onder één enkel bestuur staan (arrest Gerecht van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, Jurispr. blz. II‑2567, punt 63). In casu geven verzoeksters zelf toe dat hun moedermaatschappijen zich bemoeiden met de voornaamste beslissingen die op het niveau van de groep als geheel een invloed konden hebben. In plaats van de stelling dat zij met hun moedermaatschappijen één economische eenheid vormden, te ontkrachten, bevestigen verzoeksters hiermee veeleer dat hun moedermaatschappijen tot taak hadden te zorgen voor één enkel bestuur en voor coördinatie, waardoor hun marktgedrag werd beïnvloed.

108 Verzoeksters betogen in de tweede plaats dat zij hebben aangetoond dat Arkema haar commercieel beleid met betrekking tot PMMA-producten volstrekt autonoom bepaalde. Arkema zou namelijk de moedermaatschappij van de chemietak zijn geweest en instructies hebben gegeven aan haar eigen dochterondernemingen, zoals Altuglas en Altumax. De rol van Total en Elf Aquitaine zou zich hebben beperkt tot de goedkeuring van belangrijke investeringen en de inontvangstneming van boekhoudkundige en financiële informatie over de resultaten van hun dochter, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen.

109 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoeksters’ beweringen door geen enkel bewijs worden gestaafd, terwijl in beginsel toch concrete bewijzen hadden kunnen worden overgelegd voor zover die beweringen betrekking hebben op de organisatie en de structuur van de groep Total en de respectieve bevoegdheden van de verschillende ondernemingen.

110 Verzoeksters hebben weliswaar als bijlage bij het verzoekschrift een interne nota met het opschrift „Interne bevoegdheden en aangaan van betalingsverplichtingen” overgelegd tot staving van hun argument dat de moedermaatschappij enkel de belangrijkste investeringen van Arkema goedkeurde, maar, zoals de Commissie, zonder op dit punt door verzoeksters te worden weersproken, stelt, kwam dit document in het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar niet voor. Bovendien hebben verzoeksters in antwoord op een hun ter terechtzitting gestelde vraag dienaangaande bevestigd dat dit document in de administratieve procedure niet was overgelegd. Blijkens het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven (punt 61), kan de Commissie, wanneer zij uitgaat van het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed, de moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom heeft gedragen. De Commissie kon derhalve in punt 272 van de bestreden beschikking op goede gronden concluderen dat de betrokken beweringen niet door afdoende bewijzen waren gestaafd.

111 Overigens zouden die beweringen, zelfs als zij door bewijzen waren gestaafd, hoe dan ook niet volstaan om het vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed te weerleggen, aangezien zij uitsluitend betrekking hebben op de bepaling van het commercieel beleid met betrekking tot de PMMA-producten. Teneinde uit te maken of een dochteronderneming autonoom haar marktgedrag bepaalt, moet immers, anders dan verzoeksters stellen, niet alleen rekening worden gehouden met factoren betreffende het commercieel beleid op het gebied van de producten waarop het kartel betrekking heeft, maar ook met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 35 hierboven, punten 67, 68, 73 en 74, en bijbehorende conclusie van advocaat-generaal Kokott, Jurispr. blz. I‑8241).

112 Bovendien bevatten sommige van verzoeksters’ beweringen aanwijzingen dat verzoeksters met hun moedermaatschappijen één enkele economische eenheid vormden.

113 Zo erkennen verzoeksters dat Total en Elf Aquitaine de voornaamste investeringen van hun dochter moesten goedkeuren. De uitoefening van een dergelijke bevoegdheid vormt wel degelijk een aanwijzing dat de dochteronderneming bij de bepaling van haar marktgedrag rekening houdt met de belangen van de moedermaatschappij (zie in die zin arrest Gerecht van 8 juli 2008, Lafarge/Commissie, T‑54/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 547).

114 Ook maken verzoeksters bij herhaling melding van het bestaan van een chemietak van Total. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht hebben zij bevestigd dat vanaf mei 2000 tot aan het einde van de inbreukperiode niet alleen Arkema en haar dochters, maar ook andere ondernemingen van de groep Total tot de chemietak behoorden. Zij hebben uiteengezet dat na de fusie van Total Fina en Elf Aquitaine alle chemische activiteiten van de voormalige groepen functioneel gezien onder Arkema (destijds Atofina) kwamen te vallen. Deze functionele hergroepering ging echter niet stelselmatig gepaard met een hergroepering van het kapitaal. Een dergelijke opsplitsing van de groep in takken, waarbij bovendien de tussen de ondernemingen van de groep bestaande kapitaalbanden ongemoeid worden gelaten, vormt een sterke aanwijzing dat het hoofd van de groep tot taak heeft de activiteiten van de verschillende takken te coördineren. Een dergelijke taak van de moedermaatschappij sluit autonoom marktgedrag van de dochteronderneming uit (zie in die zin arresten Lafarge/Commissie, punt 113 hierboven, punt 549, en Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, punt 107 hierboven, punt 64).

115 Met hun bewering dat de PMMA-activiteit slechts een zeer gering deel van de totaalomzet van Total en Elf Aquitaine vertegenwoordigde, tonen verzoeksters niet aan dat de moedermaatschappij haar dochteronderneming haar gedrag op de markt volledig autonoom heeft laten bepalen. Bovendien moet, zoals hierboven is opgemerkt, de autonomie van een dochteronderneming ten opzichte van haar moedermaatschappij niet uitsluitend worden beoordeeld met betrekking tot haar activiteit op het gebied van de producten waarvoor het kartel geldt. Dit betekent dat, gesteld al dat een dergelijk argument relevant was, zou moeten worden beoordeeld welk belang Arkema in haar geheel voor haar moedermaatschappijen vertegenwoordigt (zie in die zin arrest Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, punt 107 hierboven, punt 66). Verzoeksters hebben echter geen argumenten in die zin aangevoerd.

116 In de derde plaats faalt het argument dat de globale zeggenschap van Total en Elf Aquitaine over Arkema contrasteert met de zeggenschap die Arkema uitoefende over haar dochterondernemingen Altuglas en Altumax. Om te beginnen is dit wederom een bewering die niet is gestaafd door afdoende bewijzen ter zake van de betrekkingen tussen de betrokken ondernemingen. Bovendien zou, zelfs indien was aangetoond dat de betrekkingen die Total en Elf Aquitaine met Arkema onderhielden, minder nauw waren dan die welke Arkema met haar dochterondernemingen had, dit nog niet volstaan om de autonomie van Arkema’s marktgedrag aan te tonen.

117 Wat in de vierde plaats verzoeksters’ argument betreft dat de reorganisatie van de chemietak van de groep Total en de oprichting van Arkema in 2004, gevolgd door haar beursgang in 2006, de autonomie van Arkema bevestigden, volstaat de vaststelling dat dit van na de inbreukperiode daterende bewijselementen zijn, waarmee dus niet kan worden aangetoond dat Arkema zich gedurende die periode autonoom heeft gedragen. Bovendien suggereert de uitdrukking „reorganisatie van de chemietak van Total”, dat Total met betrekking tot die chemietak een coördinerende rol vervulde.

118 Wat in de vijfde plaats het argument betreft dat uit geen enkel dossierstuk blijkt dat Arkema van Elf Aquitaine of Total enige instructie of aanbeveling met betrekking tot het op de methacrylaatmarkt te voeren commercieel beleid heeft ontvangen, moet worden opgemerkt dat dit argument als zodanig niet ter zake dienend is, aangezien de autonomie van Arkema niet uitsluitend met betrekking tot deze markt moet worden beoordeeld. Bovendien, zoals reeds is vastgesteld, bewijst het feit dat uit de dossierstukken niet blijkt dat de moedermaatschappij haar dochter instructies heeft gegeven, nog niet dat dergelijke instructies niet hebben bestaan (zie in die zin arrest Lafarge/Commissie, punt 113 hierboven, punt 545).

119 In de zesde en laatste plaats moet worden ingegaan op het argument dat het door de Commissie in de bestreden beschikking ingenomen standpunt afwijkt van het standpunt dat de Commissie eerder heeft vertolkt in de organischeperoxidenbeschikking, waarin zij de door Arkema gepleegde inbreuk niet aan Elf Aquitaine heeft toegerekend.

120 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat uit de door verzoeksters ingeroepen organischeperoxidenbeschikking (punten 373‑391) blijkt dat de Commissie daarin niet is ingegaan op de problematiek van de aansprakelijkheid van Arkema’s moedermaatschappij, en in het bijzonder geen standpunt heeft bepaald over de vraag of Arkema autonoom van haar moedermaatschappij heeft geopereerd. Dus ook al zouden de feiten in die zaak vergelijkbaar zijn geweest met die van de onderhavige zaak, kan nog niet worden gesteld dat die beschikking enige garantie bood met betrekking tot de wijze waarop de Commissie de betrekkingen tussen Arkema en haar moedermaatschappijen beoordeelde, noch overigens met betrekking tot het op deze groep ondernemingen toepasselijke criterium voor toerekening.

121 Bovendien is de bestreden beschikking niet de eerste waarin de Commissie Elf Aquitaine aansprakelijk stelt voor een door Arkema gepleegde inbreuk. In haar beschikking C(2004) 4876 van 19 januari 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak C 37.773 – AMCA; hierna: „AMCA-beschikking”), had de Commissie reeds een inbreuk van Arkema aan Elf Aquitaine toegerekend, waarbij zij zich eveneens had gebaseerd op het niet-weerlegde vermoeden van uitoefening van een beslissende invloed.

122 Hoe dan ook is de Commissie volgens de rechtspraak niet gehouden systematisch na te gaan of het inbreukmakend gedrag van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij kan worden toegerekend (zie in die zin arrest Gerecht van 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, Jurispr. blz. II‑5169, punten 330 en 331, bevestigd bij arrest Hof van 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C‑125/07 P, C‑133/07 P, C‑135/07 P en C‑137/07 P, Jurispr. blz. I‑8681, punt 82). Zelfs al zouden verzoeksters en Elf Aquitaine ook ten tijde van de feiten waarom het in de organischeperoxidenbeschikking ging, één enkele onderneming hebben gevormd, verzette het enkele feit dat de Commissie zich niet heeft afgevraagd of die beschikking tot verzoeksters’ moedermaatschappij kon worden gericht en of die moedermaatschappij een sanctie kon worden opgelegd, zich dus niet ertegen dat zij het in casu overeenkomstig de in de rechtspraak ontwikkelde toerekeningsbeginselen wel deed.

123 Overigens zou, ook indien de Commissie zich wel had moeten afvragen of de inbreuk waarop de organischeperoxidenbeschikking betrekking had, aan Elf Aquitaine moest worden toegerekend, het feit dat zij dit heeft nagelaten, enkel de in die zaak gemaakte fout aantonen en dus niet met succes door verzoeksters kunnen worden ingeroepen in de onderhavige zaak.

124 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat het door verzoeksters aangedragen bewijsmateriaal, zelfs in zijn geheel genomen, onvoldoende is ter weerlegging van het vermoeden dat Total en Elf Aquitaine daadwerkelijk een beslissende invloed hebben uitgeoefend op het gedrag van hun dochterondernemingen.

125 In deze omstandigheden moet het tweede onderdeel van dit middel in zijn geheel ongegrond worden verklaard, en daarmee het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.

Derde middel: schending van de motiveringsplicht en van het beginsel van behoorlijk bestuur bij de toepassing van de regels inzake toerekening

126 Dit middel bestaat uit twee onderdelen.

Eerste onderdeel: schending van de motiveringsplicht

– Argumenten van partijen

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in