Gerecht EU 13 juli 2018, T-680/13, ECLI:EU:T:2018:486
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
13 juli 2018 ( *1 )
„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Economisch en monetair beleid – Programma ter ondersteuning van de stabiliteit van Cyprus – Besluit van de raad van bestuur van de ECB betreffende het verstrekken van noodliquiditeitssteun op verzoek van de centrale bank van Cyprus – Verklaringen van de Eurogroep van 25 maart, 12 april, 13 mei en 13 september 2013 betreffende Cyprus – Besluit 2013/236/EU – Memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 over de specifieke voorwaarden inzake economisch beleid gesloten tussen Cyprus en het Europees Stabiliteitsmechanisme – Bevoegdheid van het Gerecht – Ontvankelijkheid – Vormvereisten – Uitputting van de interne rechtsmiddelen – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent – Eigendomsrecht – Gewettigd vertrouwen – Gelijke behandeling”
In zaak T‑680/13,
Dr. K. Chrysostomides & Co. LLC, gevestigd te Nicosia (Cyprus), en de andere verzoekers wier namen zijn opgenomen in de bijlage ( 1 ), vertegenwoordigd door P. Tridimas, barrister,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. de Gregorio Merino, E. Dumitriu-Segnana, E. Chatziioakeimidou en E. Moro als gemachtigden,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Smulders, J.‑P. Keppenne en M. Konstantinidis en vervolgens door J.‑P. Keppenne, M. Konstantinidis en L. Flynn als gemachtigden,
Europese Centrale Bank (ECB), aanvankelijk vertegenwoordigd door N. Lenihan en F. Athanasiou, vervolgens door P. Papapaschalis en P. Senkovic en ten slotte door M. Szablewska en K. Laurinavičius als gemachtigden, bijgestaan door H.‑G. Kamann, advocaat,
Eurogroep, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. de Gregorio Merino, E. Dumitriu-Segnana, E. Chatziioakeimidou en E. Moro als gemachtigden,
en
Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Smulders, J.‑P. Keppenne en M. Konstantinidis en vervolgens door J.‑P. Keppenne, M. Konstantinidis en L. Flynn als gemachtigden,
verweerders,
betreffende een verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot verkrijging van vergoeding van de schade die verzoekers zouden hebben geleden als gevolg van het besluit van de raad van bestuur van de ECB van 21 maart 2013 betreffende het verstrekken van noodliquiditeitssteun op verzoek van de centrale bank van Cyprus, de verklaringen van de Eurogroep van 25 maart, 12 april, 13 mei en 13 september 2013 betreffende Cyprus, besluit 2013/236/EU van de Raad van 25 april 2013 gericht tot Cyprus inzake specifieke maatregelen om de financiële stabiliteit en de duurzame groei te herstellen (PB 2013, L 141, blz. 32), het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 over de specifieke voorwaarden inzake economisch beleid gesloten tussen de Republiek Cyprus en het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), alsmede andere handelingen en gedragingen van de Commissie, de Raad, de ECB en de Eurogroep in verband met de toekenning van een financiëlebijstandfaciliteit aan de Republiek Cyprus,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: H. Kanninen (rapporteur), president, J. Schwarcz, C. Iliopoulos, L. Calvo-Sotelo Ibáñez-Martín en I. Reine, rechters,
griffier: S. Spyropoulos, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 september 2017,
het navolgende
Arrest
I. Achtergrond van het geschil
A. ESM-Verdrag
1 Op 2 februari 2012 is te Brussel (België) het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland (hierna: „ESM-Verdrag”) gesloten. Dit verdrag is op 27 september 2012 in werking getreden.
2 Overweging 1 van het ESM-Verdrag luidt als volgt: „De Europese Raad heeft op 17 december 2010 overeenstemming bereikt over de noodzaak voor de lidstaten van de eurozone een permanent stabiliteitsmechanisme in te stellen. Dit Europees Stabiliteitsmechanisme (‚ESM’) zal de taken overnemen die momenteel door de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (‚EFSF’) en het Europees financieel stabilisatiemechanisme (‚EFSM’) worden vervuld bij het verstrekken, indien nodig, van financiële bijstand aan lidstaten van de eurozone.”
3 Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 32, lid 2, van het ESM-Verdrag richten de verdragsluitende partijen – te weten de lidstaten die de euro als munt hebben – samen een internationale financiële instelling, het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), met rechtspersoonlijkheid op.
4 Artikel 3 van het ESM-Verdrag beschrijft het doel van het ESM als volgt: „Het doel van het ESM is het vrijmaken van middelen en het verstrekken van stabiliteitssteun, onder stringente voorwaarden die passend zijn voor het gekozen financiëlebijstandinstrument, ten gunste van ESM-leden die te maken hebben met of worden bedreigd door ernstige financieringsproblemen, indien zulks onontbeerlijk is om de financiële stabiliteit van de eurozone in haar geheel en van de lidstaten ervan te vrijwaren. Daartoe wordt het ESM gemachtigd middelen te verwerven door financiële instrumenten uit te geven, dan wel door financiële of andere overeenkomsten of regelingen aan te gaan met ESM-leden, financiële instellingen of andere derden.”
5 Artikel 4, leden 1 en 3 en lid 4, eerste alinea, van het ESM-Verdrag bepaalt: „1. Het ESM heeft een raad van gouverneurs en een raad van bewind, alsmede een directeur en ander specifiek personeel dat noodzakelijk wordt geoordeeld. [...] 3. Voor de aanneming van een besluit in onderlinge overeenstemming is eenparigheid van stemmen vereist van de leden die aan de stemming deelnemen. Onthoudingen beletten niet dat een besluit in onderlinge overeenstemming wordt aangenomen. 4. In afwijking van lid 3 wordt gebruikgemaakt van een spoedstemprocedure indien de Commissie en de [Europese Centrale Bank (ECB)] beide concluderen dat als niet dringend een besluit tot verlening of tenuitvoerlegging van financiële bijstand, zoals gedefinieerd in de artikelen 13 tot en met 18, wordt vastgesteld, zulks de economische en financiële duurzaamheid van de eurozone in gevaar kan brengen. [...]”
6 Artikel 5, lid 3, van het ESM-Verdrag bepaalt dat „[h]et lid van de Europese Commissie belast met economische en monetaire zaken en de president van de ECB, alsook de voorzitter van de Eurogroep (indien hij niet de voorzitter van de raad van gouverneurs of een gouverneur is), [...] aan de vergaderingen van de raad van gouverneurs [van het ESM] [mogen] deelnemen als waarnemers.”
7 Volgens artikel 6, lid 2, van het ESM-Verdrag kunnen „[h]et lid van de Europese Commissie belast met economische en monetaire zaken en de president van de ECB [...] elk een waarnemer [bij de raad van bewind van het ESM] aanwijzen”.
8 Artikel 12 van het ESM-Verdrag bepaalt volgens welke beginselen de stabiliteitssteun wordt verleend en preciseert in lid 1 het volgende: „Indien zulks onontbeerlijk is om de financiële stabiliteit van de eurozone als geheel en van de lidstaten ervan te waarborgen, kan het ESM stabiliteitssteun aan een ESM-lid verstrekken op basis van stringente voorwaarden die passend zijn voor het gekozen financiëlebijstandinstrument. Deze voorwaarden kunnen gaan van een macro-economisch aanpassingsprogramma tot de voortdurende inachtneming van vooraf vastgestelde voorwaarden om voor stabiliteitssteun in aanmerking te komen.”
9 Artikel 13 van het ESM-Verdrag beschrijft de procedure voor toekenning van stabiliteitssteun aan een ESM-lid in de volgende bewoordingen: „1. Een ESM-lid kan tot de voorzitter van de raad van gouverneurs een verzoek om stabiliteitssteun richten. In een dergelijk verzoek word(t)(en) [het/de] te overwegen financiëlebijstandinstrument(en) aangegeven. Na ontvangst van een dergelijk verzoek vertrouwt de voorzitter van de raad van gouverneurs de [...] Commissie toe om, in overleg met de ECB: a) te onderzoeken of er een risico voor de financiële stabiliteit van de eurozone als geheel of van de lidstaten ervan bestaat, tenzij de ECB reeds een analyse overeenkomstig artikel 18, lid 2, heeft voorgelegd; b) te onderzoeken of de overheidsschuld houdbaar is. Verwacht wordt dat een dergelijk onderzoek, steeds als dit passend en mogelijk is, samen met het [Internationaal Monetair Fonds (IMF)] wordt verricht; c) de reële of potentiële financieringsbehoeften van het betrokken ESM-lid. 2. Op grond van het verzoek van het ESM-lid en de in lid 1 bedoelde beoordeling kan de raad van gouverneurs besluiten om, in beginsel, stabiliteitssteun aan het betrokken ESM-lid toe te kennen in de vorm van een financiëlebijstandfaciliteit. 3. Indien een besluit overeenkomstig lid 2 wordt vastgesteld, draagt de raad van gouverneurs de [...] Commissie op om – in overleg met de ECB en, steeds als dit mogelijk is, samen met het IMF – met het betrokken ESM-lid te onderhandelen over een memorandum van overeenstemming waarin de aan de financiëlebijstandfaciliteit verbonden voorwaarden worden beschreven. In de inhoud van het memorandum van overeenstemming worden de ernst van de aan te pakken zwakke punten en het gekozen financiëlebijstandinstrument aangegeven. Tegelijkertijd stelt de directeur van het ESM een door de raad van gouverneurs aan te nemen voorstel voor een akkoord over een financiëlebijstandfaciliteit op waarin de financiële en andere voorwaarden en de keuze van instrumenten zijn vastgelegd. Het memorandum van overeenstemming is volledig consistent met de maatregelen tot coördinatie van het economische beleid waarin het VWEU voorziet, in het bijzonder met alle rechtsbesluiten van de Europese Unie, met inbegrip van adviezen, waarschuwingen, aanbevelingen of besluiten die tot het betrokken ESM-lid worden gericht. 4. De [...] Commissie ondertekent het memorandum van overeenstemming namens het ESM, mits vooraf aan de voorwaarden van lid 3 is voldaan en de raad van gouverneurs daarmee instemt. 5. De raad van bewind hecht zijn goedkeuring aan het akkoord over de financiëlebijstandfaciliteit, dat de financiële aspecten van de toe te kennen stabiliteitssteun bevat, en, in voorkomend geval, aan de uitbetaling van de eerste tranche van de bijstand. [...] 7. De [...] Commissie wordt ermee belast om – in overleg met de ECB en, steeds als dit mogelijk is, samen met het IMF – toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden die aan de financiëlebijstandfaciliteit verbonden zijn.”
B. Financiële moeilijkheden van de Republiek Cyprus en verzoek om financiële bijstand
10 In de eerste maanden van 2012 hebben de Helleense Republiek en haar particuliere obligatiehouders overeenstemming bereikt over een aanzienlijke vermindering van de nominale waarde van de Griekse schuldbewijzen in het bezit van particuliere investeerders (Private Sector Involvement; hierna: „PSI”) en zijn zij vervolgens overgegaan tot een ruil van die Griekse schuldbewijzen.
11 Omdat zij in het bezit waren van effecten waarop het PSI was toegepast, hebben verschillende op Cyprus gevestigde banken, waaronder de Cyprus Popular Bank Public Co Ltd (hierna: „Laïki”) en de Trapeza Kyprou Dimosia Etaireia LTD (hierna: „BoC”), aanzienlijke verliezen geleden. Deze verliezen beliepen in totaal meer dan vier miljard EUR en vertegenwoordigden ongeveer 25 % van het bruto binnenlands product (bbp) van de Republiek Cyprus.
12 Laïki, BoC en andere op Cyprus gevestigde banken kregen vervolgens te maken met kapitaaltekort. Omdat zij niet meer in staat was voldoende garanties te verstrekken om financiering door de Europese Centrale Bank (ECB) te krijgen, heeft Laïki de Kentriki Trapeza tis Kyprou (centrale bank van Cyprus; hierna: „KTK”) verzocht om toekenning van noodliquiditeitssteun (Emergency Liquidity Assistance) en deze ook verkregen. Het totale bedrag van de aan Laïki toekende noodliquiditeitssteun bedroeg 3,8 miljard EUR in mei 2012 en nagenoeg 9,6 miljard EUR op 3 juli 2012.
13 In die omstandigheden heeft de Republiek Cyprus het nodig geacht de banksector op Cyprus te ondersteunen, met name door Laïki in juni 2012 1,8 miljard EUR extra kapitaal te verstrekken. In dezelfde maand heeft BoC laten weten dat zij de Cypriotische autoriteiten eveneens om extra kapitaal had verzocht, maar dit niet had verkregen.
14 Op dat ogenblik had de Republiek Cyprus zelf al met aanzienlijke financiële en budgettaire problemen te kampen. Nadat de ratingbureaus Fitch, Moody’s en Standard & Poor’s haar rating in het eerste kwartaal van 2011 een- of tweemaal naar beneden hadden bijgesteld, met name omdat haar banksector gevoelig was voor de evolutie van Griekse economie, was de Republiek Cyprus vanaf mei 2011 niet meer in staat zich op de markt te herfinancieren tegen tarieven die budgettair op lange termijn houdbaar waren. In die omstandigheden heeft de Republiek Cyprus in haar financieringsbehoeften voorzien door de uitgifte van zeer kortlopend schatkistpapier en door in oktober 2011 een officiële leningsovereenkomst voor een bedrag van 2,5 miljard EUR te sluiten met de Russische Federatie.
15 Op 25 juni 2012 heeft het ratingbureau Fitch, na de ratingbureaus Moody’s en Standard & Poor’s, de rating van de Republiek Cyprus verlaagd tot het niveau speculatief, daar de schuldbewijzen van deze laatste niet meer voldeden aan de voorwaarden om te worden aanvaard als garantie voor de monetaire transacties van het Eurosysteem, dat bestaat uit de centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben en de ECB, die het monetaire beleid van de Europese Unie voeren. Dezelfde dag heeft de Republiek Cyprus de voorzitter van de Eurogroep verzocht om financiële bijstand van het ESM of van de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF). Volgens de verklaringen van de Cypriotische regering was de gevraagde bijstand bedoeld om „de risico’s voor de Cypriotische economie, met name die welke voortvloeien uit de negatieve overloopeffecten in haar financiële sector, die erg gevoelig is voor de evolutie van de Griekse economie, te beperken”.
16 In haar verklaring van 27 juni 2012 heeft de Eurogroep aangegeven dat de gevraagde financiële bijstand aan de Republiek Cyprus zou worden verleend door de EFSF of door het ESM in het kader van een macro-economisch aanpassingsprogramma dat moest worden geconcretiseerd in een memorandum van overeenstemming waarover zou worden onderhandeld tussen, enerzijds, de Europese Commissie, samen met de ECB en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), en, anderzijds, de Cypriotische autoriteiten.
17 Op 29 november 2012 hebben vertegenwoordigers van de Commissie, van de ECB, van het IMF en van de Republiek Cyprus een ontwerp van memorandum van overeenstemming opgesteld.
18 In haar verklaring van 21 januari 2013 heeft de Eurogroep, enerzijds, aangegeven dat in maart 2013 een definitief akkoord over een macro-economisch aanpassingsprogramma zou kunnen worden gevonden, en anderzijds, de betrokken partijen aangemoedigd om voortgang te boeken bij het afwerken van de bestanddelen van het ontwerp van memorandum van overeenstemming.
19 In maart 2013 hebben de Republiek Cyprus en de andere lidstaten die de euro als munt hebben, een politiek akkoord bereikt over dit ontwerp van memorandum van overeenstemming.
20 In haar verklaring van 16 maart 2013 heeft de Eurogroep dit akkoord begroet en hetzelfde gedaan met de toezegging van de Cypriotische autoriteiten om bij wege van aanvullende maatregelen interne middelen vrij te maken om de omvang van financiële bijstand in verband met het in punt 18 hierboven bedoelde macro-economische aanpassingsprogramma te beperken. Tot deze maatregelen behoorden met name de instelling van een belasting op de bankdeposito’s op Cyprus, de herstructurering en de herkapitalisatie van de banken en het opleggen van een verplichte bijdrage aan de houders obligaties van lagere rang (bail‑in). De Eurogroep heeft ook beklemtoond dat de Cypriotische financiële sector op passende wijze zou worden verkleind om de kwetsbaarheid ervan en de zeer grote omvang ervan ten opzichte van bbp van de Republiek Cyprus weg te werken. In deze context heeft de Eurogroep aangegeven dat zij het in beginsel gerechtvaardigd achtte, een financiële bijstand te verlenen die de financiële stabiliteit van de Republiek Cyprus en van de eurozone kon garanderen, en heeft zij de belanghebbenden verzocht, de lopende onderhandelingen te bespoedigen.
21 Op 18 maart 2013 heeft de Republiek Cyprus gelast, de banken op de werkdagen 19 en 20 maart 2013 gesloten te houden. Later hebben de Cypriotische autoriteiten besloten, die sluiting te verlengen tot 28 maart 2013 om te vermijden dat massaal geld wordt afgehaald aan de loketten.
22 Op 19 maart 2013 heeft het Cypriotische parlement het wetsontwerp van de Cypriotische regering inzake de invoering van een belasting op alle bankdeposito’s op Cyprus afgewezen. Daarop heeft de Cypriotische regering een nieuw wetsontwerp opgesteld, dat alleen voorzag in herstructurering van twee Cypriotische banken, te weten BoC en Laïki (hierna: „betrokken banken”).
23 Op 21 maart 2013, toen de uit de noodliquiditeitssteun voortvloeiende schulden van Laïki en BoC respectievelijk 9,5 miljard EUR en 1,9 miljard EUR bedroegen, heeft de ECB een perscommuniqué gepubliceerd waarin zij heeft verklaard: „De raad van bestuur van de ECB heeft beslist, het huidige niveau aan noodliquiditeitssteun te handhaven tot [...] 25 maart 2013. Een verlenging van de termijn voor terugbetaling kan slechts worden overwogen indien een programma van [de Unie of van het IMF] wordt opgesteld dat de solvabiliteit van de betrokken banken garandeert.”
24 Op 22 maart 2013 heeft het Cypriotische parlement de O peri exiyiansis pistotikon kai allon idrimaton nomos [nr. 17(I)/2013] [wet inzake de sanering van kredietinstellingen en andere instellingen, EE, bijlage I (I), nr. 4379, 22.3.2013, blz. 117] (hierna: „wet van 22 maart 2013”) vastgesteld. Krachtens punt 3, lid 1, en punt 5, lid 1, van deze wet werd de KTK, samen met het Cypriotische ministerie van Financiën, ermee belast, de in die wet bedoelde instellingen te saneren. Daartoe is in punt 12, lid 1, van de wet van 22 maart 2013 allereerst bepaald dat de KTK bij decreet de schulden en de verbintenissen mag herstructureren van instellingen die aan een afwikkelingsprocedure zijn onderworpen, inclusief door het nominale of het uitstaande bedrag van om het even welke bestaande of toekomstige schuldvordering op die instellingen te verminderen, te wijzigen, te herschikken of te vernieuwen, of door schuldbewijzen in eigen vermogen om te zetten. Vervolgens worden in dat punt van deze maatregelen uitgesloten de gewaarborgde deposito’s in de zin van punt 2, vijfde alinea, van de wet van 22 maart 2013, te weten de deposito’s tot en met 100000 EUR. In punt 3, lid 2, onder a) en b), van deze wet wordt bepaald dat de aandeelhouders van een instelling die aan een afwikkelingsprocedure is onderworpen, als eersten de uit de toepassing van de afwikkelingsmaatregelen voortvloeiende verliezen dragen, terwijl de schuldeisers van een dergelijke instelling pas na de aandeelhouders deze verliezen dragen. Ten slotte bepaalt punt 3, lid 2, onder d), van deze wet dat de op grond van deze wet genomen maatregelen de schuldeisers van de betrokken banken niet in een minder gunstige positie mogen brengen dat die waarin zij in geval van liquidatie van deze banken zouden hebben verkeerd. Punt 12, lid 14, van de betrokken wet preciseert dat, in geval van toepassing van de in punt 12, lid 1, van deze wet bepaalde maatregel, de getroffen partijen in betaling van hun vorderingen minimaal het bedrag ontvangen dat zij naar Cypriotisch recht in geval van liquidatie van die banken zouden hebben ontvangen.
25 Bij verklaring van 25 maart 2013 heeft de Eurogroep aangegeven dat zij met de Cypriotische autoriteiten een akkoord had bereikt over de voornaamste punten van een toekomstig programma van macro-economische aanpassing dat de steun geniet van alle lidstaten die de euro als munt hebben, alsook van de Commissie, van de ECB en van het IMF.
26 Deze verklaring bevat met name het volgende: „De Eurogroep is tevreden met de in de bijlage vermelde plannen voor de herstructurering van de financiële sector. Die maatregelen zullen als basis dienen voor het herstellen van de levensvatbaarheid van de financiële sector. Zij garanderen met name alle deposito’s van minder dan 100000 EUR overeenkomstig de beginselen van de Unie. Het programma zal een aanpak omvatten die van beslissend belang is om het verstoorde evenwicht van de financiële sector te herstellen. De financiële sector zal op passende wijze worden verkleind [...]. De Eurogroep verzoekt met aandrang, het akkoord tussen [de Republiek Cyprus] en de [Helleense Republiek] betreffende de Griekse filialen van de Cypriotische banken, dat de stabiliteit van zowel het Griekse als het Cypriotische bankstelsel beschermt, onverwijld ten uitvoer te leggen.”
27 De bijlage bij deze verklaring luidt als volgt: „Nadat de autoriteiten [van de Republiek Cyprus] hun politieke plannen hadden voorgesteld – plannen die door de Eurogroep erg gunstig zijn onthaald – is het volgende overeengekomen: 1. Laïki wordt – met volledige bijdrage van de aandeelhouders, de obligatiehouders en de bezitters van niet-gegarandeerde deposito’s – onmiddellijk ontmanteld volgens een resolutie van [KTK] op basis van het recentelijk vastgestelde kader voor de afwikkeling van banken. 2. Laïki wordt opgesplitst in een ‚bad bank’ en een ‚good bank’. De activiteiten van de ‚bad bank’ zullen geleidelijk aan volledig worden afgebouwd. 3. De ‚good bank’ wordt met gebruikmaking van bepalingen betreffende de afwikkeling van banken, en na raadpleging van de raden van bestuur van BoC en Laïki, geïntegreerd in [BoC]. Zij zal 9 miljard EUR aan [noodliquiditeitssteun] inbrengen. Alleen de [niet-gegarandeerde] deposito’s van BoC zullen bevroren blijven tot de herkapitalisatie is doorgevoerd, en kunnen daarna aan passende voorwaarden worden onderworpen. 4. De raad van bestuur van de ECB zal aan BoC liquide middelen ter beschikking stellen overeenkomstig de geldende regels. 5. BoC zal door een omzetting van de [niet-gegarandeerde] deposito’s in eigen vermogen worden geherkapitaliseerd met volledige bijdrage van de aandeelhouders en de obligatiehouders. 6. De omzetting zal aldus gebeuren dat de kapitaalratio aan het einde van het programma 9 % bedraagt. 7. Alle houders van [gegarandeerde] deposito’s in de banken zullen volledige bescherming genieten in overeenstemming met de relevante wettelijke regeling van [de Unie]. 8. De kredieten van het programma (tot 10 miljard EUR) zullen niet worden gebruikt voor de herkapitalisatie van Laïki of [BoC].”
28 Zoals in antwoord op de door het Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang is gepreciseerd, was geraamd dat van de 10 miljard EUR kredieten van het programma, 3,4 miljard EUR zou worden gebuikt voor de begrotingsbehoeften van de Republiek Cyprus, 4,1 miljard EUR voor de terugkoop van schuldbewijzen door de Republiek Cyprus en 2,5 miljard EUR voor de herkapitalisatie en de herstructurering van andere dan de betrokken Cypriotische banken.
C. Maatregelen die de Republiek Cyprus ter herstructurering van de banken heeft genomen
29 Op 25 maart 2013 heeft de gouverneur van KTK een procedure ter sanering van de betrokken banken gestart.
30 Vervolgens zijn daartoe op grond van de wet van 22 maart 2013 vier decreten bekendgemaakt, te weten: – het Kanonistiki Dioikitiki Praxi 96/2013, peri tis polisis ergasion ton en elladi ergasion tis Trapezas Kyprou Dimosias Etaireias Ltd Diatagma tou 2013 (decreet 96/2013 betreffende de verkoop van bepaalde bedrijfsonderdelen van BoC in Griekenland, regelgevende bestuurshandeling nr. 96) van 26 maart 2013 [EE, bijlage III (I), nr. 4640, 26.3.2013, blz. 745] (hierna: „decreet nr. 96”); – het Kanonistiki Dioikitiki Praxi 97‑2013, peri tis polisis ergasion ton en elladi ergasion tis Cyprus Popular Bank Public Co Ltd Diatagma tou 2013 (decreet 97/2013 betreffende de verkoop van bepaalde bedrijfsonderdelen van Laïki in Griekenland, regelgevende bestuurshandeling nr. 97) van 26 maart 2013 [EE, bijlage III (I), nr. 4640; 26.3. 2013, blz. 749] (hierna: „decreet nr. 97”]; – het Kanonistiki Dioikitiki Praxi 103/2013, peri diasosis me idia mesa tis Trapezas Kyprou Dimosias Etaireias Ltd Diatagma tou 2013 (decreet 103/2013 betreffende de sanering met eigen middelen van BoC, regelgevende bestuurshandeling nr. 103) van 29 maart 2013 [EE, bijlage III (I), nr. 4645, 29.3.2013, blz. 769] (hierna: „decreet nr. 103”); – het Kanonistiki Dioikitiki Praxi 104/2013, peri tis Polisis Orismenon Ergasion tis Cyprus Popular Bank Public Co Ltd Diatagma tou 2013 (decreet 104/2013 betreffende de verkoop van bepaalde bedrijfsonderdelen van Laïki, regelgevende bestuurshandeling nr. 104) van 29 maart 2013 [EE, bijlage III (I), nr. 4645, 29.3.2013, blz. 781] (hierna: „decreet nr. 104”).
31 De decreten nr. 96 en nr. 97 voorzagen respectievelijk in de verkoop van de in Griekenland gevestigde filialen van BoC en Laïki (hierna samen: de „Griekse filialen”).
32 De punten 5 en 6 van decreet nr. 103 voorzien in herkapitalisatie van BoC op kosten van met name de houders van niet-gegarandeerde deposito’s en de aandeelhouders van deze bank, opdat deze laatste bankdiensten kan blijven aanbieden. Aldus zijn de niet-gegarandeerde deposito’s van BoC omgezet in aandelen van BoC (37,5 % van elk niet-gegarandeerd deposito), in effecten die door KTK in aandelen of in deposito’s kunnen worden omgezet (22,5 % van elk niet-gegarandeerd deposito), en in effecten die door KTK in deposito’s kunnen worden omgezet (40 % van elk niet-gegarandeerd deposito). Van de effecten die door KTK in deposito’s kunnen worden omgezet, is 25 % (10 % van elk niet-gegarandeerd deposito) vrijgegeven. De overige 75 % (30 % van elk niet-gegarandeerd deposito) bleven voor de depositogevers geblokkeerd. In punt 6, lid 5, van decreet nr. 103 wordt gepreciseerd dat, indien de bijdragen van de houders van niet-gegarandeerde deposito’s meer bedragen dan nodig is om het eigen vermogen van BoC te herstellen, de afwikkelingsautoriteit het met de overkapitalisatie overeenkomende bedrag bepaalt en dit behandelt alsof nooit omzetting heeft plaatsgevonden. Decreet nr. 103 is, overeenkomstig punt 10 ervan, in werking getreden op 29 maart 2013 om 6.00 uur.
33 Ten vervolge op de wijzigingen die op 30 juli 2013 aan decreet nr. 103 zijn aangebracht, zijn, enerzijds, 10 % van de niet-garandeerde deposito’s, die eerder waren omgezet in effecten die hetzij in aandelen hetzij in deposito’s konden worden omgezet, omgezet in aandelen van BoC. Van de overige effecten die door KTK hetzij in aandelen hetzij in deposito’s konden worden omgezet (12,5 % van elk niet-gegarandeerd deposito) en van de effecten die door KTK in deposito’s konden worden omgezet en nog niet waren vrijgegeven (30 % van elk niet-gegarandeerd deposito), zijn 12 % op een nieuwe rekening-courant geplaatst, terwijl de resterende 88 % in gelijke delen op termijnrekeningen van respectievelijk zes, negen en twaalf maanden is geplaatst.
34 Anderzijds is de nominale waarde van elk gewoon aandeel van BoC, dat één euro bedroeg, verminderd tot één eurocent. Vervolgens zijn elke honderd gewone aandelen met een normale waarde van één eurocent samengevoegd in één gewoon aandeel met een normale waarde van één euro. Gewone aandelen met een nominale waarde van één eurocent waarvan het aantal minder dan 100 bedroeg en die dus niet konden worden samengevoegd tot een nieuw gewoon aandeel met een nominale waarde van één euro, zijn vernietigd.
35 De punten 2 en 5 van decreet nr. 104, in hun onderlinge samenhang gelezen, bepalen dat op 29 maart 2013 om 6.10 uur bepaalde activa en passiva van Laïki aan BoC worden overgedragen, onder meer de deposito’s van minder dan 100000 EUR en de schuld in verband de noodliquiditeitssteun. De deposito’s van meer dan 100000 EUR werden bij Laïki gehouden in afwachting van de liquidatie van deze bank.
36 Ten vervolge op de wijzigingen die op 30 juli 2013 aan decreet nr. 104 zijn aangebracht, is ongeveer 18 % van het nieuwe vennootschappelijke kapitaal van BoC in de loop van het jaar 2013 toegekend aan Laïki.
37 Na de vaststelling van de decreten 96, 97, 103 en 104 (hierna samen: „schadelijke decreten”) zijn de Commissie, de ECB en het IMF nieuwe besprekingen begonnen met de Cypriotische autoriteiten met het oog op het afsluiten van een memorandum van overeenstemming.
D. Toekenning van financiële bijstand aan de Republiek Cyprus
38 In een verklaring van 12 april 2013 heeft de Eurogroep, ten eerste, de totstandkoming van een akkoord de tussen de Cypriotische autoriteiten enerzijds en het IMF, de Commissie en de ECB anderzijds begroet. Zij heeft verklaard dat, gelet op dit akkoord, alle elementen aanwezig waren die nodig zijn voor het starten van de nationale procedures van formele goedkeuring van het akkoord betreffende de door de Republiek Cyprus gevraagde financiële bijstand. Zij heeft er ook op gewezen dat zij verwachtte dat de raad van gouverneurs van het ESM dit akkoord uiterlijk op 24 april 2013 formeel zou kunnen goedkeuren, mits de „nationale procedures” tegen die tijd zijn voltooid. Ten tweede heeft de Eurogroep erop gewezen dat de Cypriotische autoriteiten afdoende afwikkelings-, herstructurerings- en herkapitalisatiemaatregelen hadden getroffen om de zwakke en unieke situatie van de financiële sector op Cyprus te verbeteren.
39 Tijdens zijn vergadering van 24 april 2013 heeft de raad van gouverneurs van het ESM, ten eerste, bevestigd dat, enerzijds, de Commissie en de ECB waren belast met verrichten van de in artikel 13, lid 1, van het ESM-verdrag bedoelde evaluaties, en anderzijds, de Commissie in samenwerking met de ECB en het IMF ermee was belast, met de Republiek Cyprus te onderhandelen over een memorandum van overeenstemming. Ten tweede heeft hij besloten, overeenkomstig het voorstel van de directeur van het ESM aan de Republiek Cyprus stabiliteitssteun toe te kennen in de vorm van een financiëlebijstandfaciliteit. Ten derde heeft hij een nieuw ontwerp van memorandum van overeenstemming goedgekeurd dat tussen de Commissie in samenwerking met de ECB en het IMF enerzijds en de Republiek Cyprus anderzijds was onderhandeld. Ten vierde heeft hij de Commissie ermee belast, dit memorandum namens het ESM te ondertekenen.
40 Op 25 april 2013 heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 136, lid 1, VWEU besluit 2013/236/EU, gericht tot Cyprus, inzake specifieke maatregelen om de financiële stabiliteit en de duurzame groei te herstellen (PB 2013, L 141, blz. 32) vastgesteld. Dit besluit voorziet in een aantal „maatregelen en resultaten” om het begrotingstekort van de Republiek Cyprus af te bouwen en de gezondheid van het financiële stelsel van de Republiek Cyprus te herstellen.
41 Op 26 april 2013 is het nieuwe memorandum van overeenstemming (hierna: „memorandum van overeenstemming van 26 april 2013”) door de vicevoorzitter van de Commissie namens het EMS, door de minister van Financiën van de Republiek Cyprus en door de gouverneur van de KTK ondertekend.
42 Onder het opschrift „Herstructurering en afwikkeling van [de betrokken banken]” wordt in de punten 1.23 tot en met 1.28 van dit memorandum van overeenstemming bepaald: „1.23 Uit het reeds vermelde onderzoek van de financiële en boekhoudkundige waarde is gebleken dat de twee grootste banken van Cyprus insolvent waren. Om deze situatie recht te trekken, heeft de regering een omvangrijk afwikkelings- en herstructureringsplan ten uitvoer gelegd. Teneinde de verdere opeenstapeling van wanverhoudingen in de toekomst te voorkomen, de levensvatbaarheid van de sector te herstellen en tegelijk een normale mededinging te vrijwaren, is gekozen voor een strategie met vier onderdelen, in het kader waarvan geen belastinggeld wordt gebruikt. 1.24 Ten eerste zijn alle activa (met inbegrip van de leningen op het gebied van de scheepvaart) en passiva die verband houden met Griekenland, waarvan de geraamde waarde – in het ongunstige scenario – respectievelijk 16,4 en 15 miljard EUR bedraagt, overgedragen. De Griekse activa en passiva zijn gekocht door Piraeus Bank, die door de Griekse autoriteiten zal worden geherstructureerd. De overdracht is gebeurd krachtens een op 26 maart 2013 ondertekende overeenkomst. Gelet op het feit dat de boekwaarde van de betrokken activa 19,2 miljard EUR bedroeg, kon de wederzijdse gevoeligheid van Griekenland en Cyprus door deze overdracht sterk worden verminderd. 1.25 Alle deposito’s van het filiaal van [Laïki] in het [Verenigd Koninkrijk] zijn overgedragen aan de dochteronderneming van [BoC] in het [Verenigd Koninkrijk]. De daarmee verband houdende activa zijn geïntegreerd binnen [BoC]. 1.26 Ten tweede neemt [BoC] – via een zogenaamde ‚purchase and assumption’-operatie – de Cypriotische activa van [Laïki] over tegen marktwaarde ervan en de gegarandeerde deposito’s en de uitstaande noodliquiditeitssteun tegen nominale waarde ervan. De niet-gegarandeerde deposito’s van [Laïki] worden binnen de oude entiteit gehouden. Het is de bedoeling dat de overgedragen activa meer waard zijn dan de overgedragen passiva, zodat [BoC] ten belope van dit positieve verschil wordt geherkapitaliseerd [door Laïki] a rato van 9 % van haar risicogewogen activa. [BoC] wordt geherkapitaliseerd teneinde op het einde van het programma een ‚core tier one ratio’ van 9 % te bereiken, in het ongunstige scenario van de stresstest. Dat moet bijdragen aan het herstel van het vertrouwen en aan de normalisering van de financieringsvoorwaarden. In het overgrote deel van de kapitaalbehoefte wordt voorzien door de omzetting van 37,5 % van de niet-gegarandeerde deposito’s van [BoC] in gewone aandelen, waaraan een volwaardig stemrecht en recht op dividenduitkering is verbonden. Voorts is een gedeelte van het eigen kapitaal afkomstig van de oude entiteit [Laïki]. Een deel van de overige niet-gegarandeerde deposito’s van [BoC] zal tijdelijk worden bevroren. 1.27 Ten derde zal, teneinde te garanderen dat de doelstellingen op het gebied van kapitalisatie worden bereikt, tegen eind juni 2013 een meer gedetailleerde en bijgewerkte onafhankelijke waardering van de activa van [de betrokken banken] plaatsvinden, zoals vereist door de bepalingen betreffende de afwikkeling van banken. Daartoe zal het referentiekader voor de onafhankelijke waardering uiterlijk midden april 2013 worden vastgelegd in overleg met de [Commissie], de [ECB] en het [IMF]. Na afloop van die waardering zullen, zo nodig, nog meer niet-gegarandeerde deposito’s in gewone aandelen worden omgezet teneinde te verzekeren dat de bank op het einde van het programma wel degelijk over de beoogde ‚core tier one ratio’ van 9 % in het scenario van de stresstest beschikt. Indien wordt vastgesteld dat [BoC] over meer eigen kapitaal beschikt dan is beoogd, zullen aandelen worden teruggekocht om de depositohouders te vergoeden naar rato van de overkapitalisatie. 1.28 Gelet op het op het feit dat [BoC] een systeembank is, is het van belang dat de transacties van [Laïki] snel worden geïntegreerd, dat de operationele doelmatigheid wordt verbeterd, dat de inning van de leningen waarvoor betalingsachterstand bestaat, wordt geoptimaliseerd, dat inning door de levensvatbare entiteit zal worden verricht, en dat de financieringsvoorwaarden geleidelijk worden genormaliseerd. Om deze doelstellingen te bereiken en te waarborgen dat [BoC] met maximale garanties kan werken teneinde de stabiliteit en de levensvatbaarheid ervan tijdens een overgangsperiode te handhaven, zal KTK in overleg met het ministerie van Financiën een nieuwe raad van bestuur en een nieuwe directeur-generaal ad interim aanwijzen totdat de nieuwe aandeelhouders van [BoC] in het kader een algemene vergadering zijn georganiseerd. KTK zal van de raad van bestuur eisen dat deze een herstructureringsplan opstelt waarin de commerciële doelstellingen en het kredietbeleid van de bank tot eind september 2013 worden omschreven. Om te waarborgen dat de normale commerciële activiteiten niet ongunstig worden beïnvloed, zullen tegen eind juni 2013 overeenkomstig het Cypriotische recht institutionele regelingen worden opgesteld om [BoC] tegen reputatie- en bestuursrisico’s te beschermen.”
43 Op 30 april 2013 heeft het Cypriotische parlement het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 goedgekeurd.
44 Op 8 mei 2013 hebben het ESM, de Republiek Cyprus en KTK de overeenkomst betreffende de financiëlebijstandfaciliteit gesloten. Dezelfde dag heeft de raad van bewind van het ESM deze overeenkomst, alsmede een voorstel betreffende de wijze van betaling van een eerste steuntranche ten belope van 3 miljard EUR aan de Republiek Cyprus, goedgekeurd. Deze tranche is in twee betalingen gesplitst. De eerste betaling, ten belope van 2 miljard EUR, is verricht op 13 mei 2013. De tweede betaling, ten belope van 1 miljard EUR, is verricht op 26 juni 2013.
45 In een verklaring van 13 mei 2013 heeft de Eurogroep het besluit van de raad van gouverneurs van het ESM houdende goedkeuring van de eerste steuntranche begroet en verklaard dat de Republiek Cyprus de in het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 overeengekomen maatregelen ten uitvoer had gelegd.
46 In een verklaring van 13 september 2013 heeft de Eurogroep, enerzijds, de conclusie van de eerste controleopdracht van de Commissie, de ECB en het IMF, en anderzijds de stopzetting van de procedure van afwikkeling van BoC op 30 juli 2013 begroet. Voorts heeft de Eurogroep verklaard, dat zij zich achter de betaling van een tweede steuntranche schaarde. Die tranche, ten belope van 1,5 miljard EUR, is betaald op 27 september 2013.
II. Procedure en conclusies van partijen
47 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 december 2013, hebben verzoekers, Dr. K. Chrysostomides & Co. LLC en de andere partijen wier namen zijn opgenomen in de bijlage, het onderhavige beroep ingesteld.
48 Verzoekers verzoeken het Gerecht: – primair, verweerders ertoe te veroordelen, hun de in de bijlage bij het verzoekschrift vermelde bedragen, vermeerderd met rente over de periode van 16 maart 2013 tot aan de datum van uitspraak van het arrest van het Gerecht, te betalen; – subsidiair, vast te stellen dat de Unie en/of verweerders niet-contractueel aansprakelijk zijn, en aan te geven welke procedure moet worden gevolgd voor de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende verliezen die zij hebben geleden; – verweerders te verwijzen in de kosten.
49 In hun verzoekschrift hebben verzoekers tevens verzocht, de onderhavige zaak bij voorrang te berechten overeenkomstig artikel 55, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991.
50 Bij afzonderlijke akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 14 juli 2014, 16 juli 2014 en 18 augustus 2014, hebben de Raad, de ECB en de Commissie excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991.
51 In zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt de Raad het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
52 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt de ECB het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk verklaren of het te verwerpen omdat het kennelijk rechtens ongegrond is in de zin van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
53 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt de Commissie het Gerecht: – primair, het beroep wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid te verwerpen; – subsidiair, het beroep te verwerpen omdat het kennelijk rechtens ongegrond is in de zin van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991; – in elk geval, verzoekers te verwijzen in de kosten.
54 Op 2 oktober 2014 hebben verzoekers hun opmerkingen over deze excepties ingediend. In deze opmerkingen verzoeken zij het Gerecht: – de excepties van niet-ontvankelijkheid te verwerpen; – subsidiair, de excepties van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde te voegen; – de in het verzoekschrift geformuleerde vorderingen toe te wijzen.
55 Bij beschikking van 3 juni 2015 heeft het Gerecht (Eerste kamer) de door verweerders opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid overeenkomstig artikel 114, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 bij de zaak ten gronde gevoegd.
56 Op respectievelijk 28 juli 2015, 30 juli 2015 en 31 juli 2015 hebben de Raad, de ECB en de Commissie verweerschriften ingediend.
57 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; – subsidiair, het beroep wegens kennelijke ongegrondheid te verwerpen; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
58 De ECB verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk te verklaren; – subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
59 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk en/of ongegrond te verklaren; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
60 Op 23 september 2015 heeft het Gerecht op grond van artikel 83, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beslist dat een tweede memoriewisseling niet nodig was.
61 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 oktober 2015, hebben verzoekers krachtens artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht, een repliek te mogen indienen.
62 Bij beslissing van 28 oktober 2015 heeft het Gerecht dit verzoek ingewilligd.
63 Op 9 december 2015 hebben verzoekers hun repliek ingediend. Op respectievelijk 29 januari 2016, 11 februari 2016 en 12 februari 2016 hebben de Raad, de Commissie en de ECB hun duplieken ingediend.
64 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 maart 2016, hebben verzoekers enerzijds verzocht, een terechtzitting te houden, en anderzijds verzocht, de onderhavige zaak en zaak T‑786/14, Bourdouvali e.a./Raad e.a., te voegen voor de mondelinge behandeling. Verweerders hebben het Gerecht laten weten dat zij geen enkel bezwaar hadden tegen de gevraagde voeging.
65 Op 18 april 2016 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht krachtens artikel 69, onder d), van het Reglement voor de procesvoering beslist, de behandeling van de onderhavige zaak te schorsen tot aan de eindbeslissing in de zaken C‑8/15 P, Ledra Advertising/Commissie en ECB, C‑9/15 P, Eleftheriou e.a./Commissie en ECB, C‑10/15 P, Theophilou en Theophilou/Commissie en ECB, C‑105/15 P, Mallis en Malli/Commissie en ECB, C‑106/15 P, Tameio Pronoias Prosopikou Trapezis Kyprou/Commissie en ECB, C‑107/15 P, Chatzithoma/Commissie en ECB, C‑108/15 P, Chatziioannou/Commissie en ECB, en C‑109/15 P, Nikolaou/Commissie en ECB.
66 Na de arresten van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB (C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701), en Mallis e.a./Commissie en ECB (C‑105/15 P–C‑109/15 P, EU:C:2016:702), waarbij het Hof de in punt 65 hierboven bedoelde procedures heeft afgedaan, is de onderhavige procedure voortgezet.
67 Op 27 oktober 2016 heeft het Gerecht, in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, partijen verzocht, opmerkingen in te dienen over de gevolgen die zij voor het onderhavige geding aan die twee arresten verbonden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
68 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vierde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.
69 Op 27 april 2017 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht de onderhavige zaak met zaak T‑786/13, Bourdouvali e.a./Raad e.a., gevoegd voor de mondelinge behandeling.
70 Op 17 mei 2017 heeft het Gerecht, op voorstel van de Vierde kamer, de onderhavige zaak krachtens artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering naar een uitgebreide kamer verwezen.
71 Op 18 mei 2017 heeft het Gerecht, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en het door verzoekers geformuleerde verzoek om de zaak bij voorrang te berechten niet in te willigen. Dezelfde dag heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht beslist dat de terechtzitting zou plaatsvinden op 12 juli 2017.
72 Op 14 juni 2017 heeft het Gerecht, in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, schriftelijke vragen gesteld aan partijen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn hierop geantwoord.
73 Bij brief van 20 juni 2017 hebben verzoekers verzocht om uitstel van de terechtzitting die op 12 juli 2017 zou plaatsvinden (zie punt 71 hierboven). Op 26 juni 2017 heeft de president van de Vierde kamer dit verzoek ingewilligd en de terechtzitting uitgesteld tot 11 september 2017.
74 Ter terechtzitting van 11 september 2017 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
III. In rechte
75 Ten tijde van de inwerkingtreding van de schadelijke decreten (zie punten 30‑36 hierboven) waren verzoekers hetzij houders van deposito’s bij de betrokken banken hetzij aandeelhouders van deze banken.
76 De toepassing van de maatregelen waarin de schadelijke decreten, zoals gewijzigd op 30 juli 2013 (hierna samen: „schadelijke maatregelen”), voorzagen, zou hebben geleid tot een aanzienlijke daling van de waarde van de deposito’s, de aandelen en de obligaties van verzoekers, welke daling door deze laatsten in een bijlage bij het verzoekschrift nauwkeurig is becijferd.
77 Verzoekers voeren allereerst aan dat de vaststelling van de schadelijke maatregelen is toe te rekenen aan verweerders. Deze laatsten zouden een aantal handelingen (hierna: „litigieuze handelingen”) hebben gesteld waarmee zij, ten eerste, de Republiek Cyprus zouden hebben gedwongen de schadelijke maatregelen te treffen om in aanmerking te komen voor steun die deze broodnodig had, ten tweede de vaststelling van die maatregelen hebben goedgekeurd, en ten derde de toepassing van die maatregelen hebben begunstigd of bestendigd. Het zou meer in het bijzonder gaan om de volgende handelingen: – de verklaring van de Eurogroep van 25 maart 2013; – het „akkoord van de Eurogroep van 25 maart 2013”; – het „besluit van de raad van bestuur van de ECB van 21 maart 2013 volgens hetwelk de noodliquiditeitssteun uiterlijk op 26 maart [2013] moest worden terugbetaald tenzij een akkoord over reddingspakket zou worden bereikt”. – de „besluiten van de ECB om verder noodliquiditeitssteun toe te kennen”; – de onderhandeling over en het sluiten van het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 door de Commissie; – de andere handelingen waarmee verweerders de schadelijke maatregelen hebben bekrachtigd en goedgekeurd, te weten de verklaringen van de Eurogroep van 12 april, 13 mei en 13 september 2013, de „overwegingen van de Commissie volgens welke de door de Cypriotische autoriteiten vastgestelde maatregelen aan de gestelde voorwaarden voldeden”, besluit 2013/236 en de goedkeuring door de Commissie en de ECB van de betaling van de verschillende tranches van de financiëlebijstandfaciliteit aan de Republiek Cyprus.
78 Vervolgens betogen verzoekers dat de litigieuze handelingen zijn gesteld zonder rekening te houden met de belangen van de gesloten groep van depositohouders of aandeelhouders van de betrokken banken, hetgeen een ernstige en gekwalificeerde schending van het Unierecht zou opleveren.
79 Ten slotte en enerzijds wijzen verzoekers erop dat er een rechtstreeks verband is tussen de schadelijke maatregelen en de verliezen die zij hebben geleden. Anderzijds vorderen zij vergoeding van deze verliezen.
A. Bevoegdheid van het Gerecht
80 Volgens verweerders is het Gerecht niet bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige beroep.
81 Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede en derde alinea, VWEU het Gerecht op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid slechts bevoegd is om kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van schade die de instellingen, organen of instanties van de Unie of personeelsleden ervan in de uitoefening van hun functies hebben veroorzaakt (zie in die zin beschikking van 1 april 2008, Ayyanarsamy/Commissie en Duitsland, T‑412/07, niet gepubliceerd, EU:T:2008:84, punt 24).
82 Volgens de rechtspraak mag de term „instelling” in artikel 340, tweede alinea, VWEU niet aldus worden opgevat dat hij alleen ziet op de in artikel 13, lid 1, VEU genoemde instellingen van de Unie (zie in die zin arrest van 2 december 1992, SGEEM en Etroy/EIB, C‑370/89, EU:C:1992:482, punt 16). Gelet op het in het VEU neergelegde stelsel van niet-contractuele aansprakelijkheid vallen onder deze term ook alle andere organen en instanties van de Unie die bij de Verdragen zijn ingesteld om de doeleinden van de Unie te verwezenlijken. Bijgevolg kunnen de handelingen die door deze organen en instanties in de uitoefening van de hun door het Unierecht toegekende bevoegdheden zijn vastgesteld, overeenkomstig de in artikel 340, tweede alinea, VWEU bedoelde algemene beginselen welke de lidstaten gemeen hebben, aan de Unie worden toegerekend (zie in die zin arrest van 10 april 2002, Lamberts/Ombudsman, T‑209/00, EU:T:2002:94, punt 49).
83 Hieruit volgt dat het Gerecht niet kennis kan nemen van een vordering tot schadevergoeding die tegen de Unie is gericht en is gebaseerd op de onrechtmatigheid van een handeling of een gedraging waarvan de auteur noch een instelling, orgaan of instantie van de Unie noch een van de personeelsleden ervan in de uitoefening van zijn functies is. Voor schade die door de nationale autoriteiten in de uitoefening van hun eigen bevoegdheden is veroorzaakt, kunnen dus alleen deze autoriteiten aansprakelijk worden gesteld, en alleen de nationale rechterlijke instanties zijn bevoegd om vergoeding daarvan te verzekeren (zie in die zin arresten van 7 juli 1987, L’Étoile commerciale en CNTA/Commissie, 89/86 en 91/86, EU:C:1987:337, punt 17en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 februari 1998, Laga/Commissie, T‑93/95, EU:T:1998:22, punt 47).
84 Daarentegen is het niet uitgesloten dat het Gerecht kennis kan nemen van een beroep strekkende tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een handeling of een gedraging waarmee een nationale autoriteit een Unieregeling uitvoert. In een dergelijk geval dient, om uit te maken of het Gerecht bevoegd is, te worden nagegaan of de ter ondersteuning van het beroep gestelde onrechtmatigheid wel degelijk is uitgegaan van een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie of van een van de personeelsleden ervan in de uitoefening van zijn functies, en in feite niet aan de betrokken nationale autoriteit kan worden toegerekend (zie in die zin en naar analogie arrest van 26 februari 1986, Krohn Import-Export/Commissie, 175/84, EU:C:1986:85, punt 19). Dit is het geval wanneer de nationale autoriteiten over geen enkele beoordelingsmarge beschikken voor de uitvoering van een Unieregeling die een dergelijke onrechtmatigheid bevat (zie in die zin arrest van 11 januari 2002, Biret International/Raad, T‑174/00, EU:T:2002:2, punt 33een aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 Bovendien is het Gerecht bevoegd om kennis te nemen van een beroep strekkende tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door onrechtmatige handelingen of gedragingen van de Commissie of van de ECB die verband houden met de taken die hun in het kader van het ESM-Verdrag zijn toevertrouwd (zie in die zin arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punten 54‑60).
86 Onverminderd de vaststelling van de beslissende oorzaak van de gestelde schade, staat in het onderhavige geval vast dat het vermogensverlies dat verzoekers naar eigen zeggen als aandeelhouders of depositiehouders van de betrokken banken hebben geleden, rechtstreeks kan voortvloeien uit de toepassing van de schadelijke maatregelen. Verzoekers geven toe dat deze maatregelen zijn ingevoerd bij wege van de schadelijke decreten. De schadelijke decreten, die op 29 maart 2013 zijn bekendgemaakt (zie punt 30 hierboven) en waarvan sommige op 30 juli 2013 daaraanvolgend zijn gewijzigd, zijn echter door een Cypriotische autoriteit, namelijk de gouverneur van KTK, vastgesteld krachtens een Cypriotische wet, namelijk de wet van 22 maart 2013. De vaststelling van deze wet en van deze decreten dateert van voor de ondertekening van het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 en was niet formeel vereist door een handeling van de Unie, anders dan bijvoorbeeld het geval is met een nationale handeling ter omzetting van een richtlijn in nationaal recht. De schadelijke decreten kunnen dus niet formeel worden toegerekend aan de Unie.
87 Dienaangaande voeren verweerders ten eerste aan dat de vaststelling van de schadelijke decreten ook in feite niet kan worden toegerekend aan de Unie en dus niet tot aansprakelijkheid van de Unie kan leiden. Deze decreten zouden uitsluitend kunnen worden toegerekend aan de Cypriotische autoriteiten, die ze eenzijdig zouden hebben vastgesteld in de uitoefening van hun soevereine bevoegdheid. De Commissie en de ECB preciseren dat het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 de schadelijke maatregelen vermeldt ter beschrijving van de inhoud en de wordingsgeschiedenis ervan, en dat de verlening van de financiëlebijstandfaciliteit slechts afhankelijk was gesteld van de vaststelling van toekomstige maatregelen. Verder herinneren de Commissie en de ECB eraan dat in de loop van een nationale procedure verstrekte technische raadgevingen niet tot aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden.
88 Ten tweede beklemtonen de Raad en de Commissie dat de Eurogroep een informele intergouvernementele vergadering is waarvan de verklaringen, die geen rechtsgevolgen sorteren, aan elke vertegenwoordigde lidstaat zijn toe te rekenen en dus niet tot aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden.
89 Ten derde herinnert de ECB eraan dat de noodliquiditeitssteun onder de bevoegdheid van de nationale centrale banken van het Eurosysteem valt. De ECB zou zich ertoe beperken, na te gaan of die steun interfereert met de taken en de doelstellingen van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB). Aangezien de ECB niet bevoegd was om de solvabiliteit van de Cypriotische banken te onderzoeken, diende zij daarvoor uit te gaan van de door KTK verrichte beoordeling, die in grote mate berustte op het vooruitzicht dat op korte termijn een steunprogramma zou worden vastgesteld. De ECB moest dan ook wel oordelen dat haar aanpak zou veranderen indien geen dergelijk programma werd vastgesteld.
90 In elk geval zou de ECB op 21 maart 2013 geen besluit op grond van artikel 14.4 van protocol nr. 4 van 30 maart 2010 betreffende de statuten van het [ESCB] en van de [ECB] (PB 2010, C 83, blz. 230; hierna: „statuten van de ECB”) hebben vastgesteld, maar een gewone intentieverklaring hebben afgelegd die geen rechtsgevolgen had en vrijelijk kon worden gewijzigd, ook al kan die verklaring de druk op de Cypriotische autoriteiten hebben verhoogd wegens de erbarmelijke toestand waarin de openbare financiën van Cyprus en de Cypriotische banken verkeerden.
91 Ten vierde wijst de Commissie erop dat zij noch op grond het ESM-Verdrag noch op grond van de rechtspraak verplicht is, ervoor te zorgen dat de al wat onder dat verdrag valt, in overeenstemming is met het Unierecht. Aangezien de Commissie in het kader van het ESM-Verdrag haar in artikel 17 VEU verankerde rol van hoedster van de Verdrag behoudt, zou zij er echter op hebben toegezien dat het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 in overeenstemming was met het Unierecht Uit de rechtspraak zou echter blijken dat artikel 17 VEU geen rechten verleent aan particulieren, en dat een schending van dit artikel niet tot aansprakelijkheid van de Unie kan leiden.
92 Verzoekers antwoorden hierop het Gerecht bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige beroep.
93 Ten eerste voeren zij aan dat, ook al zijn de schadelijke decreten formeel soevereine en eenzijdige handelingen van de Republiek Cyprus, de schadelijke maatregelen in feite aan verweerders kunnen worden toegerekend. In haar verklaring van 25 maart 2013 zou de Eurogroep de financiëlebijstandfaciliteit immers afhankelijk hebben gesteld van de vaststelling van die maatregelen, en gelet op het „verzoek van de ECB tot terugbetaling van de noodliquiditeitssteun tegen 26 maart 2013” zou de financiëlebijstandfaciliteit namelijk absoluut noodzakelijk zijn geweest ter voorkoming van het faillissement van de Republiek Cyprus, die geen enkele speelruimte meer had. Aangezien de Eurogroep aldus de vaststelling van de schadelijke maatregelen heeft geëist, zou de omstandigheid dat deze maatregelen vóór de ondertekening van het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 zijn vastgesteld, van geen enkel belang zijn voor de toerekenbaarheid van die maatregelen aan de Unie. Omgekeerd zou het feit dat de schadelijke maatregelen in het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 zijn genoemd en dat de Commissie overeenkomstig artikel 1, lid 2, van besluit 2013/236 en de teneur van artikel 2, lid 6, van dit besluit toezicht heeft gehouden op de tenuitvoerlegging van die maatregelen, aantonen dat het ging om voorwaarden waarvan de verlening van de financiëlebijstandfaciliteit afhankelijk was gesteld.
94 Ten tweede wijzen verzoekers erop dat handelingen van de Eurogroep tot aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden, aangezien de Eurogroep een orgaan is waarin het primaire recht voorziet en dat zijn taken uitoefent in het kader van de monetaire unie, die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. Aangezien de Eurogroep doorgaans vergadert op de avond van de vergadering van ECOFIN-Raad en bestaat uit lidstaten die 215 van de 255 stemmen vertegenwoordigen die ten tijde van de feiten voor een gekwalificeerde meerderheid noodzakelijk waren, zouden zijn beslissingen steeds door de Raad worden gevolgd.
95 Verzoekers voegen daaraan toe dat een niet-verbindende handeling, zoals een bekendmaking, tot aansprakelijkheid van de Unie kan leiden. De verklaring van de Eurogroep van 25 maart 2013 zou in elk geval verbindend zijn. De Eurogroep zou hebben beslist, de financiëlebijstandfaciliteit afhankelijk te stellen van nauwkeurige voorwaarden die de Cypriotische autoriteiten, het ESM en de betrokken instellingen van de Unie als verbindend hebben ervaren. In het bijzonder kon de raad van gouverneurs van het ESM, die dezelfde samenstelling heeft als de Eurogroep, volgens verzoekers deze beslissing slechts bekrachtigen of was hij zelfs aan deze beslissing gebonden. Dit zou verder blijken uit de verklaring van 25 maart 2013 zelf en uit de resolutie van het Parlement van 13 maart 2014 over het rapport van het onderzoek naar de rol en de activiteiten van de troïka, te weten de Commissie, de ECB en het IMF, in de landen van eurozone „die onder een programma vallen”. Verzoekers zijn dienaangaande van mening dat daarop in het onderhavige geval naar analogie van toepassing is de rechtspraak volgens welke, wanneer een Uniehandeling een lidstaat toestaat een actie te ondernemen, deze handeling de rechtspositie van de betrokken particulieren rechtstreeks aantast indien er geen twijfel bestaat over de wijze waarop de lidstaat zijn beoordelingsbevoegdheid zal uitoefenen.
96 Verder wijzen verzoekers erop dat het verlenen van de financiëlebijstandfaciliteit niet buiten het kader van de Unie valt. Allereerst zou de verlening van de financiëlebijstandfaciliteit immers door de Eurogroep, een orgaan van de Unie, zijn beslist om doelstellingen van de Unie te verwezenlijken. Vervolgens zou de financiëlebijstandfaciliteit formeel zijn verleend door het ESM, een mechanisme dat door de Europese Raad noodzakelijk is geacht, waarvan de doelstellingen nauw verband houden met die van de Unie en dat onder de controle en het toezicht van de Commissie en de ECB is geplaatst. Ten slotte zou de financiëlebijstandfaciliteit gepaard zijn gegaan met besluit 2013/236, dat de dag vóór de ondertekening het memorandum van overeenstemming van 26 april 2013 is vastgesteld.
97 Ten derde wijzen verzoekers erop dat, volgens artikel 14.4 van de statuten van de ECB, deze laatste op de hoogte moet worden gebracht van elke voorgenomen verlening van noodliquiditeitssteun en een dienaangaande een vetorecht heeft. Dat de ECB niet bevoegd is om de solvabiliteit van de banken na te gaan, zou niet betekenen dat haar beslissing willekeurig mag zijn.
98 Ten vierde voeren verzoekers aan dat de Unie aansprakelijk is wanneer de instellingen van de Unie bij handelingen in het kader van het ESM het Unierecht schenden, meewerken aan de vaststelling van een in strijd met het Unierecht vastgestelde handeling of nalaten toezicht uit te oefenen op de verenigbaarheid van de betrokken handeling met het Unierecht. De Unie zou ook aansprakelijk zijn omdat verweerders de schadelijke maatregelen hebben goedgekeurd.
99 De discussie tussen partijen doet in wezen twee vragen rijzen, die het Gerecht achtereenvolgens zal behandelen. Enerzijds dient het Gerecht uit te maken of de schadelijke maatregelen, die formeel aan de Republiek Cyprus zijn toe te rekenen, in feite geheel of ten dele aan verweerders kunnen worden toegerekend (zie punten 101‑193 hieronder).
100 Anderzijds dient het Gerecht uit te maken of bepaalde handelingen en gedragingen van verweerders, los van de vraag aan wie de schadelijke maatregelen zijn toe te rekenen, tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden (zie punten 194‑207 hieronder).
1. Toerekenbaarheid van de schadelijke maatregelen aan verweerders
101 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat het onderzoek of een litigieuze handeling of gedraging aan de Unie kan worden toegerekend, relevant kan zijn in het kader van, enerzijds, de beoordeling van de bevoegdheid van het Gerecht, aangezien het Gerecht niet bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van schade die niet kan worden toegerekend aan de instellingen, organen of instanties van de Unie of aan de personeelsleden ervan in de uitoefening van hun functies, maar moet worden toegerekend aan een lidstaat of aan een andere entiteit buiten de Unie, en, anderzijds, het onderzoek ten gronde van een beroep, aangezien de toerekenbaarheid behoort tot de elementen aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of is voldaan aan een van de drie voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Unie, namelijk het bestaan van een causaal verband tussen het aan deze instellingen, organen of instanties of aan de personeelsleden ervan in de uitoefening van hun functies verweten gedrag en de gestelde schade (zie in die zin arrest van 3 mei 2017, Sotiropoulou e.a./Raad, T‑531/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:297, punt 57). In het onderhavige geval is het Gerecht, met name gelet op het betoog van partijen (zie punten 87‑98 hierboven), van mening dat de toerekening moet worden behandeld in het kader van het onderzoek van de bevoegdheid van het Gerecht.
102 Verzoekers voeren in wezen aan dat verweerders in feite door middel van de litigieuze handelingen (zie punt 77 hierboven) de Republiek Cyprus hebben gedwongen, de schadelijke maatregelen vast te stellen. Hieruit zou volgen dat kan worden geoordeeld dat het verlies dat verzoekers ten gevolge van die maatregelen als aandeelhouders of depositohouders van de betrokken banken hebben geleden, door instellingen, organen of instanties van de Unie of door personeelsleden ervan in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, wat verweerders betwisten.
103 Bijgevolg dient overeenkomstig de in de punten 81‑85 hierboven aangehaalde rechtspraak te worden onderzocht of de Raad, de Commissie de ECB en de Eurogroep, voor zover deze laatste als een instelling van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU kan worden beschouwd, door middel van de litigieuze handelingen (zie punt 77 hierboven) de vaststelling van de schadelijke maatregelen hebben geëist (zie punten 104‑182 hieronder), en, in voorkomend geval, of de Republiek Cyprus een beoordelingsmarge had om een dergelijke eis naast zich neer te leggen (zie punten 183‑191 hieronder). In dit verband preciseert het Gerecht meteen dat de beoordeling van het dwingend karakter van de litigieuze handelingen en van de economische en financiële druk waaronder de Republiek Cyprus stond, verband houdt met de vaststelling of deze laatste een beoordelingsmarge had, en dus in voorkomend geval in het aan deze kwestie gewijde gedeelte van het onderhavige arrest zal worden verricht.
a) Vraag of verweerders door middel van de litigieuze handelingen de vaststelling van de schadelijke maatregelen hebben geëist
104 Elk van de litigieuze handelingen (zie punt 77 hierboven) dient te worden onderzocht om uit te maken of kan worden geoordeeld dat de Raad, de Commissie, de ECB en de Eurogroep, voor zover deze laatste als een instelling van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU kan worden beschouwd, de Republiek Cyprus hebben verplicht de schadelijke maatregelen vast te stellen.
1) Verklaring van de Eurogroep van 25 maart 2013
105 Verzoekers betogen, zakelijk weergegeven, dat de Eurogroep met haar verklaring van 25 maart 2013 de verlening van de financiëlebijstandfaciliteit afhankelijk heeft gesteld van de vaststelling van de schadelijke maatregelen.
106 Alvorens de inhoud van deze verklaring te onderzoeken, dient te worden uitgemaakt of de Eurogroep als een instelling van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU kan worden beschouwd. Volgens de in punt 82 hierboven aangehaalde rechtspraak kan een handeling van de Eurogroep, zoals die verklaring, immers alleen in dat geval tot aansprakelijkheid van de Unie leiden. In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, zoals in punt 82 hierboven is gezegd, de in artikel 340, tweede alinea, VWEU gebruikte term „instelling” niet alleen de in artikel 13, lid 1, VEU genoemde instellingen van de Unie omvat, maar ook alle andere organen en instanties van de Unie die bij de Verdragen zijn ingesteld om de doeleinden van de Unie te verwezenlijken.
107 De Raad en de Commissie zijn, zakelijk weergegeven, van mening dat de Eurogroep geen instelling van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU is. Voor die stelling baseert de Raad zich met name op punt 61 van het arrest van 20 september 2016, Mallis e.a./Commissie en ECB (C‑105/15 P–C‑109/15 P, EU:C:2016:702), waaruit zou blijken dat de Eurogroep niet kan worden gelijkgesteld met een formatie van de Raad en evenmin kan worden aangemerkt als een orgaan of een instantie van de Unie. Voor zover de Eurogroep geen formatie van de Raad en evenmin een orgaan of instantie de Unie zou zijn, zouden zijn handelingen niet tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden.
108 Dienaangaande staat vast dat het Hof in punt 61 van het arrest van 20 september 2016, Mallis e.a./Commissie en ECB (C‑105/15 P–C‑109/15 P, EU:C:2016:702) heeft gepreciseerd dat de Eurogroep niet als een orgaan of een instantie van de Unie „in de zin van artikel 263 VWEU” kon worden aangemerkt.
109 De bevoegdheid die de Unierechter in het kader van de rechtmatigheidstoetsing op grond van artikel 263 VWEU uitoefent, verschilt echter zowel wat het voorwerp van het beroep als wat de voor te dragen grieven betreft, van de bevoegdheid die de Unierechter heeft op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid bedoeld in de artikelen 268 en 340 VWEU (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 juli 1961, Vloeberghs/Hoge Autoriteit, 9/60 en 12/60, EU:C:1961:18, blz. 447). Zoals verzoekers beklemtonen, vormt het beroep tot schadevergoeding op basis van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor het handelen of het nalaten van haar instellingen immers een autonome beroepsweg ten opzichte van andere vorderingen in rechte, heeft het een eigen functie binnen het stelsel van de beroepswegen en gelden daarvoor voorwaarden die verband houden met specifieke voorwerp van dat beroep (arresten van 28 april 1971, Lütticke/Commissie, 4/69, EU:C:1971:40, punt 6; 12 april 1984, Unifrex/Commissie en Raad, 281/82, EU:C:1984:165, punt 11, en 7 juni 2017, Guardian Europe/Europese Unie, T‑673/15, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2017:377, punt 53). Waar het beroep tot nietigverklaring bedoeld in artikel 263 VWEU ertoe strekt, een bepaalde maatregel ongedaan te maken, strekt het beroep tot schadevergoeding op grond van artikel 340 VWEU tot vergoeding van de door een instelling veroorzaakte schade (zie in die zin arresten van 2 december 1971, Zuckerfabrik Schöppenstedt/Raad, 5/71, EU:C:1971:116, punt 3, en 18 september 2014, Georgias e.a./Raad en Commissie, T‑168/12, EU:T:2014:781, punt 32).
110 Ongeacht of het gaat om een handeling waartegen een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU kan worden ingesteld, kan aldus in beginsel tegen met betrekking tot elke handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie of van een van de persoonsleden ervan in de uitoefening van zijn functies, een beroep tot schadevergoeding op grond van artikel 268 VWEU worden ingesteld (zie in die zin arrest van 18 december 2009, Arizmendi e.a./Raad en Commissie, T‑440/03, T‑121/04, T‑171/04, T‑208/04, T‑365/04 en T‑484/04, EU:T:2009:530, punt 65). Evenzo kan een beroep tot schadevergoeding worden ingesteld met betrekking tot een gedraging die geen besluit vormt, maar van dien aard is dat zij tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden, ook al kan een dergelijke gedraging niet het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring zijn (zie in die zin arrest van 15 januari 2003, Philip Morris International/Commissie, T‑377/00, T‑379/00, T‑380/00, T‑260/01 en T‑272/01, EU:T:2003:6, punt 123).
111 Hieruit blijkt dat in het door het VWEU ingestelde stelsel van beroepswegen het beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid is gericht op vergoeding en met name is bedoeld om de justitiabele ook effectieve rechterlijke bescherming te verlenen tegen handelingen en gedragingen van de instellingen, organen of instanties van de Unie of van de personeelsleden ervan in de uitoefening van hun functies, waartegen geen beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU kan worden ingesteld. Gelet op de uiteenlopende en aanvullende doelstellingen van deze twee vormen van beroep, kan aldus niet worden geoordeeld dat de inhoud van het begrip „instelling” in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU noodzakelijkerwijze beperkt is de instellingen, organen en instanties van de Unie bedoeld in artikel 263, eerste alinea, VWEU.
112 Integendeel, de entiteiten van de Unie die als „instelling” in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU kunnen worden aangemerkt, moeten worden vastgesteld aan de hand van criteria die specifiek zijn voor deze bepaling en verschillen van de criteria voor de vaststelling van de organen en instanties bedoeld in artikel 263, eerste alinea, VWEU. Voor de toepassing van artikel 263 VWEU is het relevante criterium de bevoegdheid van de verwerende entiteit om handelingen vast te stellen die rechtsgevolgen beogen te sorteren ten aanzien van derden (zie in die zin arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, EU:C:1986:166, punten 23‑25). Omgekeerd dient voor de toepassing van artikel 340, tweede alinea, VWEU te worden uitgemaakt, of de entiteit van de Unie waaraan de gelaakte handeling of gedraging zou kunnen worden toegerekend, door de Verdragen is ingesteld om de doeleinden van de Unie te helpen verwezenlijken (zie in die zin arrest van 10 april 2002, Lamberts/Ombudsman, T‑209/00, EU:T:2002:94, punt 49).
113 Welnu, in artikel 137 VWEU en in protocol nr. 14 van 26 oktober 2012 betreffende de Eurogroep (PB 2012, C 326, blz. 283), dat als bijlage bij het VWEU is gevoegd, worden met name het bestaan, de samenstelling, de wijze van vergaderen en de functies van de Eurogroep geregeld. In dit verband bepaalt artikel 1 van dit protocol dat de Eurogroep vergadert „om van gedachten te wisselen over aangelegenheden die verband houden met de specifieke bevoegdheden van de ministers [waaruit zij is samengesteld] inzake de ene munt”. Deze aangelegenheden vallen volgens artikel 119, lid 2, VWEU onder het optreden van de Unie voor het bereiken van de in artikel 3 VEU genoemde doelstellingen, waaronder de instelling van een economische en monetaire unie die de euro als munt heeft. Hieruit volgt dat Eurogroep een entiteit van de Unie is die formeel door de Verdragen is ingesteld om de doeleinden van de Unie te helpen verwezenlijken. De handelingen en gedragingen van de Eurogroep in de uitoefening van de bevoegdheden die die het Unierecht aan de Uniegroep heeft verleend, kunnen dus worden toegerekend aan de Unie.
114 De tegenovergestelde oplossing zou indruisen tegen het beginsel van een op het recht gebaseerde Unie doordat zij het mogelijk zou maken dat binnen de rechtsorde van de Unie entiteiten worden ingesteld waarvan de handelingen en de gedragingen niet tot aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden.
115 In die omstandigheden dient te worden nagegaan of de Eurogroep met haar verklaring van 25 maart 2013 heeft geëist dat de Republiek Cyprus de schadelijke maatregelen vaststelt. In dit verband dient er ten eerste op te worden gewezen dat de Eurogroep in haar verklaring van 25 maart 2013 een zeer algemeen overzicht gegeven van bepaalde maatregelen die op politiek vlak met de Republiek Cyprus waren overeengekomen ter stabilisering van de financiële situatie van deze lidstaat, en bepaalde in toekomst te zetten stappen heeft aangekondigd of aangemoedigd.
116 De Eurogroep heeft echter geen definitief standpunt tot uitdrukking gebracht over de verlening van de financiëlebijstandfaciliteit of over de voorwaarden waaraan de Republiek Cyprus zou moeten voldoen om daarvoor in aanmerking te komen. In het bijzonder heeft de Eurogroep niet aangegeven, dat de financiëlebijstandfaciliteit slechts zou worden verleend indien de Republiek Cyprus de schadelijke maatregelen zou vaststellen of ten uitvoer zou leggen, of dat de in de bijlage bij de betrokken verklaring gespecificeerde plannen voor herstructurering van de financiële sector worden beschouwd als een onderdeel van het macro-economische aanpassingsprogramma dat de Republiek Cyprus krachtens artikel 12, lid 1, van het ESM-Verdrag moet uitvoeren.
117 Ten tweede blijkt uit de betrokken verklaring dat de Eurogroep van mening was dat zij niet bevoegd was om de gevraagde bijstand te verlenen of te weigeren, maar dat de raad van gouverneurs van het ESM daarvoor bevoegd was. Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de verklaring van de Eurogroep van 25 maart 2013, anders dan verzoekers stellen en niettegenstaande het feit dat de bijlage bij die verklaring formuleringen bevat die categorisch kunnen lijken – zoals die volgens welke, enerzijds, Laïki met volledige bijdrage van de aandeelhouders, de obligatiehouders en de houders van niet-gegarandeerde deposito’s onmiddellijk wordt ontmanteld, en anderzijds, BoC met een volledige bijdrage van de aandeelhouders en de obligatiehouders zal worden geherkapitaliseerd door de omzetting van niet-gegarandeerde deposito’s in eigen vermogen (zie punt 27 hierboven) –, louter informatief was. De Eurogroep heeft zich ertoe beperkt, het publiek op de hoogte te brengen van het bestaan van bepaalde op politiek vlak tot stand gekomen akkoorden en zijn advies te geven over de waarschijnlijkheid dat het ESM een financiëlebijstandfaciliteit zou verlenen (zie in die zin beschikking van 16 oktober 2014, Mallis en Malli/Commissie en ECB, T‑327/13, EU:T:2014:909, punten 56‑61).
118 Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de Eurogroep met haar verklaring van 25 maart 2013 heeft geëist dat de Republiek Cyprus de schadelijke maatregelen vaststelt.
2) „Akkoord van de Eurogroep van 25 maart 2013”
119 Zoals zij in hun antwoord op de door het Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben verklaard, zijn verzoekers ook van mening dat de verklaring van de Eurogroep van 25 maart 2013 doet blijken van het bestaan van een akkoord van dezelfde dag volgens hetwelk de leden van de Eurogroep vooraf zouden zijn overeengekomen dat de Republiek Cyprus de financiëlebijstandfaciliteit slechts zal krijgen indien zij de schadelijke maatregelen vaststelt, zonder dat zij de mogelijkheid krijgt daarover te onderhandelen.
120 Het bestaan van een dergelijk akkoord blijkt niet duidelijk en ondubbelzinnig uit de verklaring van de Eurogroep van 25 maart 2013. Verzoekers leiden het bestaan van dit akkoord echter af uit bepaalde stukken, waaronder een brief van de Duitse minister van Economische Zaken aan het Duitse parlement van 13 april 2013 waarin wordt verzocht om goedkeuring van het besluit van het ESM om de Republiek Cyprus een financiëlebijstandfaciliteit te verlenen. Deze brief bevat een passage die luidt als volgt: „De Eurogroep is tot de slotsom gekomen dat, in de context van de afwijzing van het aanvankelijke akkoord door het parlement van Cyprus en van de onzekerheid over de ontwikkelingen die sindsdien, in het bijzonder in de Cypriotische banksector, hebben plaatsgevonden, een programma slechts kan worden overwogen nadat de volgende maatregelen ten uitvoer zijn gelegd: – de Griekse filialen worden afgesplitst van de Cypriotische banksector; de Griekse filialen van de grootste Cypriotische banken worden overgenomen door de Griekse banksector; – [Laïki] wordt geliquideerd en [BoC] wordt geherstructureerd zonder dat gebruik wordt gemaakt van de middelen van een eventueel bijstandsprogramma [...]. De eigenaars en andere schuldeisers van de banken zijn dus als volgt betrokken bij bovengenoemde herstructureringsmaatregelen: – alle eigenaars, houders van achtergestelde schuldvorderingen en obligatiehouders zullen verlies dragen in verhouding tot hun aandeel; – de deposito’s van meer dan 100000 EUR [bij Laïki], die niet onder de bescherming van de bankdeposito’s vallen, zullen bijdragen aan het dekken van de voor de liquidatie noodzakelijke financiële middelen. De deposito’s van minder dan 100000 EUR, die onder de bescherming van bankdeposito’s vallen, zullen worden overgedragen aan [BoC]; – de activa van [Laïki] zullen worden overgedragen aan [BoC]. De overgedragen activa zullen wellicht meer waard zijn dan de overgedragen passiva zodat [Laïki] dus ook bijdraagt aan de versterking van het kapitaal van [BoC]; – 37,5 % van de deposito’s bij [BoC] die niet onder de bescherming van de bankdeposito’s vallen, zal worden omgezet in aandelen van de bank. [Nog eens 22,5 % van deze deposito’s] kan ook in aandelen worden omgezet indien dat nodig is. Het doel is, ervoor te zorgen dat [BoC] een core tier ratio van 9 % bereikt.”
121 Uit deze passage blijkt dat de Duitse minister van Economische Zaken het Duitse parlement op de hoogte heeft gebracht van een akkoord tussen de leden van de Eurogroep om het verlenen van de financiëlebijstandfaciliteit afhankelijk te stellen van de vaststelling van de schadelijke maatregelen of althans van maatregelen die daar zeer erg op lijken. Het bestaan van een dergelijk akkoord blijkt verder uit verschillende verklaringen van de Cypriotische autoriteiten en uit getuigenverklaringen afgelegd voor een onderzoekscommissie van het Cypriotische parlement.
122 Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat, ten eerste, tussen de vertegenwoordigers van de lidstaten die de euro als munt hebben, een akkoord (hierna: „akkoord inzake stringente voorwaarden”) tot stand was gekomen volgens hetwelk de Republiek Cyprus de financiëlebijstandfaciliteit slechts zou krijgen indien zij de schadelijke maatregelen (of althans maatregelen die daar zeer erg op lijken) vaststelt, ten tweede, dat akkoord een informeel akkoord was, aangezien het niet volgens een bepaalde procedure of op een bepaalde rechtsgrondslag tot stand was gekomen, ten derde, dit akkoord tot stand was gekomen hetzij tijdens een vergadering van de Eurogroep op 25 maart 2013, hetzij omstreeks die datum, en ten vierde, de Duitse minister van Economische zaken van mening was dat het betrokken akkoord binnen de Eurogroep tot stand was gekomen.
123 Ten eerste dient er echter op te worden gewezen dat, volgens artikel 137 VWEU juncto artikel 1 van protocol nr. 14 betreffende de Eurogroep, de Eurogroep een informele vergadering is van de ministers van de lidstaten die de euro als munt hebben, om de gedachtewisseling over aangelegenheden die verband houden met de specifieke bevoegdheden van de ministers inzake de ene munt, te vergemakkelijken (zie in die zin beschikking van 16 oktober 2014, Mallis en Malli/Commissie en ECB, T‑327/13, EU:T:2014:909, punt 41). In dit protocol wordt gepreciseerd dat de vergaderingen van de Eurogroep worden voorbereid door de vertegenwoordigers van de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben. Gelet op deze bepalingen kan redelijkerwijs tot de slotsom worden gekomen dat de Eurogroep in beginsel bestaat uit de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben. Zoals de Raad ter terechtzitting heeft bevestigd, was dit in casu het geval en waren op de vergadering van de Eurogroep van 25 maart 2013 de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben, aanwezig.
124 Ten tweede bestaat de raad van gouverneurs van het ESM volgens artikel 5, lid 1, van het ESM-Verdrag uit de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben.
125 Bijgevolg zijn, zoals verzoekers terecht beklemtonen, de leden van de raad van gouverneurs van het ESM en de ministers die binnen de Eurogroep vergaderen, in beginsel en in elk geval in casu, dezelfde natuurlijke personen. Hieruit volgt dat het in de praktijk onmogelijk is, a priori uit te maken of een „informeel” akkoord, zoals het akkoord inzake stringente voorwaarden, tot stand is gekomen tussen deze natuurlijke personen als vertegenwoordigers van de lidstaten die de euro als munt hebben binnen de Eurogroep, of tussen deze natuurlijke personen als leden van de raad van gouverneurs van het ESM.
126 Er dient echter aan te worden herinnerd dat de financiëlebijstandfaciliteit door het ESM volgens de regels en procedures neergelegd in het ESM-Verdrag is verleend, en niet door de Eurogroep.
127 Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat het akkoord inzake stringente voorwaarden is tot stand gekomen tussen op de vergadering van 25 maart 2013 aanwezige ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben, als leden van de raad van gouverneurs van het ESM en niet als leden van de Eurogroep. Dat in de in punt 120 hierboven bedoelde brief van de Duitse minister van Economische Zaken melding wordt gemaakt van de Eurogroep, kan worden verklaard door de omstandigheid dat de vertegenwoordigers van de lidstaten die de euro als munt hebben, die op die datum als Eurogroep vergaderden, in feite dezelfde natuurlijke personen waren als de leden van de raad van gouverneurs van het ESM.
128 Hieraan dient te worden toegevoegd dat de lidstaten die de euro als munt hebben, bij de oprichting het ESM ervoor hebben geopteerd, deze internationale organisatie, die rechtspersoonlijkheid heeft, concrete en exclusieve bevoegdheid ter verlenen ter zake van het verlenen van financiële bijstand aan lidstaten die de euro als munt hebben en in moeilijkheden verkeren. De uitoefening van deze bevoegdheid wordt geregeld door de specifieke regels van het internationale publiekrecht voor een intergouvernementele organisatie, waarbij het Unierecht slechts van toepassing is voor zover dit in het ESM-Verdrag uitdrukkelijk is bepaald. De lidstaten die de euro als munt hebben, hebben het verlenen van een financiëlebijstandfaciliteit dus duidelijk buiten de werkingssfeer en de regelgeving van de Unie geplaatst.
129 De lidstaten die de euro als munt hebben, hebben weliswaar een beroep gedaan op instellingen van de Unie, te weten de Commissie en de ECB, om een aantal taken te vervullen ten behoeve van het ESM. De taken die in het kader van het ESM-Verdrag aan deze instellingen zijn opgedragen, omvatten echter geen enkele eigen beslissingsbevoegdheid en de door deze instellingen in het kader van dat verdrag verrichte activiteiten binden alleen het ESM (arresten van 27 november 2012, Pringle, C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 161, en 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punt 53).
130 De Eurogroep wordt, anders dan de Commissie en de ECB, in het ESM-Verdrag zelfs niet genoemd als orgaan dat taken voor rekening van het ESM kan verrichten.
131 Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat de ministers van Financiën van de lidstaten die de euro als munt hebben, wanneer zij als leden van de Eurogroep vergaderen, kunnen vooruitlopen op of voorwaarden kunnen verbinden aan de besluiten van de raad van gouverneurs van het ESM; zij kunnen dit slechts als leden van deze raad, ook al zou het akkoord over de voorwaarden voor toekenning van een financiëlebijstandfaciliteit tot stand zijn komen in het kader van een vergadering van de Eurogroep.
132 Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat het akkoord inzake stringente voorwaarden tot stand is gekomen tussen vertegenwoordigers van de lidstaten die de euro als munt hebben als leden van de raad van gouverneurs van het ESM.
133 Gelet op een en ander kan niet worden geoordeeld dat de Eurogroep door middel het akkoord inzake stringente voorwaarden de vaststelling van de schadelijke maatregelen heeft geëist.
3) „Besluit van de raad van bestuur van de ECB van 21 maart 2013 volgens hetwelk de noodliquiditeitssteun uiterlijk op 26 maart [2013] moest worden terugbetaald, tenzij een akkoord over een reddingspakket werd bereikt”
134 Verzoekers doelen ook op het perscommuniqué van de ECB van 21 maart 2013 (zie punt 23 hierboven). Zoals zij ter terechtzitting hebben gepreciseerd, zijn verzoekers van mening dat dit perscommuniqué het besluit van de raad van bestuur van de ECB aankondigt waarbij wordt gevorderd, de noodliquiditeitssteun uiterlijk op 26 maart 2013 terug te betalen, tenzij er een akkoord over een reddingspakket tot stand komt.
135 Ter herinnering, het betrokken perscommuniqué luidt als volgt: „De raad van bestuur van de ECB heeft beslist, het huidige niveau aan noodliquiditeitssteun te handhaven tot [...] 25 maart 2013. Een verlenging van de termijn voor terugbetaling kan slechts worden overwogen indien een programma van [de Unie of van het IMF] wordt opgesteld dat de solvabiliteit van de betrokken banken garandeert.”
136 In de eerste plaats dient de strekking van dit communiqué worden vastgesteld. Daartoe dient te worden herinnerd aan de belangrijkste regels ter zake van noodliquiditeitssteun.
137 Uit de overeenkomst van 7 februari 2013 betreffende noodliquiditeitssteun blijkt dat noodliquiditeitssteun wordt omschreven als de verstrekking „van geld van de centrale bank” of elke andere steun die resulteren in een toename van het „geld van de centrale bank”, aan een financiële instelling of een groep van financiële instellingen, die met liquiditeitsproblemen wordt geconfronteerd, zonder dat deze verrichting deel uitmaakt van het gemeenschappelijke monetaire beleid.
138 Volgens deze overeenkomst berust de verantwoordelijkheid voor noodliquiditeitssteun bij de betrokken centrale bank, die de kosten en de risico’s ervan draagt. De noodliquiditeitssteun berust dus in beginsel op een nationale rechtsgrondslag. In het onderhavige geval blijkt uit de door de ECB opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid en uit het antwoord van de ECB op de door het Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang dat de noodliquiditeitssteun aan de door KTK genoemde banken is toegekend op grond van punt 6, lid 2, onder e), en punt 46, lid 3, van O peri tis Kentrikis Trapezas tis Kyprou nomos tou 2002 (No. 138(I)/2002) [van wet betreffende de centrale bank van Cyprus van 2002, EE, bijlage I(I), nr. 3624, 19.7.2002] (hierna: „wet van 19 juli 2002”). Volgens eerstgenoemde bepaling heeft KTK met name als taak, de stabiliteit van het financiële stelsel te verzekeren. De tweede bepaling machtigt KTK, „voor een bepaalde tijd en op gronden die [zij] kan aangeven, voorschotten tegen zekerheden of leningen tegen zekerheden te verstrekken aan banken”.
139 Zoals blijkt uit de brief van KTK van 25 juli 2017, die als bijlage bij het antwoord van KTK op de door Gerecht vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang is gevoegd, heeft de raad van bestuur van KTK in een document van 31 januari 2011 de beginselen en procedures inzake noodliquiditeitssteun nader toegelicht. In dit document staat met name dat KTK punt 46, lid 3, van de wet van 19 juli 2002 kan toepassen om een onder toezicht staande solvente, maar niet liquide kredietinstelling tijdelijke bijstand te verlenen. In dit document wordt gepreciseerd dat een dergelijke bijstand de financiële stabiliteit beoogt te waarborgen, slechts in geval van een potentieel systeemrisico kan worden overwogen en doorgaans slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt verleend.
140 Uit dit document blijkt ook dat, zoals verzoekers toegeven, de noodliquiditeitssteun niet deel uitmaakt van het gemeenschappelijke monetaire beleid en dus binnen de werkingssfeer van artikel 14.4 van de statuten van de ECB valt. Deze bepaling luidt als volgt: „De nationale centrale banken mogen andere functies vervullen dan die omschreven in [de statuten van de ECB], tenzij de raad van bestuur met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen vaststelt dat deze functies de doelstellingen en taken van het ESCB doorkruisen. Bedoelde functies worden onder verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de nationale centrale banken vervuld en worden niet geacht deel uit te maken van de functies van het ESCB.”
141 In een door de ECB ter ondersteuning van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerd document met als titel „Procedures betreffende de noodliquiditeitssteun” staat te lezen dat op grond van artikel 14.4 van de statuten van de ECB aan de raad van bestuur van de ECB de taak is opgedragen, de noodliquiditeitssteunoperaties te beperken indien hij van mening is dat deze de doelstellingen en taken van het ESCB doorkruisen. Daartoe voorzien het besluit van de raad van bestuur van de ECB van 3 november 2011 betreffende de procedures inzake noodliquiditeitssteun en de overeenkomst van 7 februari 2013 betreffende noodliquiditeitssteun (zie punt 137 hierboven) in een systeem van informatie en samenwerking tussen de nationale centrale banken en de ECB.
142 De informatie die de betrokken nationale centrale bank uit dien hoofde over elke noodliquiditeitssteunoperatie aan de ECB moet verstrekken, bestaat onder meer uit „de beoordeling door de prudentiële controleur van de liquiditeit en de solvabiliteit op korte en middellange termijn van de kredietinstelling die noodliquiditeitssteun ontvangt, daaronder begrepen de criteria die zijn gehanteerd om tot een positieve slotsom over de solvabiliteit te komen”. Deze eis moet worden begrepen tegen de achtergrond van het verbod van monetaire financiering in artikel 123 VWEU, waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 21.1 van de statuten van de ECB. Dienaangaande wijst de ECB er in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid op dat zij steeds van oordeel is geweest dat dit verbod niet in de weg stond aan de financiering van solvente financiële instellingen door middel van noodliquiditeitssteun, maar wel aan financiering van insolvente financiële instellingen door middel van noodliquiditeitssteun. Het in punt 139 hierboven aangehaalde document van KTK van 31 januari 2011, waarin staat dat elke verlening van noodliquiditeitssteun in geval van onderliggende solvabiliteitsproblemen duidelijk in strijd is met artikel 123 VWEU en artikel 21.1 van de statuten van de ECB, biedt steun voor deze stelling.
143 Ten tijde van de feiten was de ECB echter niet bevoegd voor het prudentiële toezicht op de kredietinstellingen in de Unie, dat uitsluitend onder de bevoegdheid van de nationale toezichthoudende autoriteiten viel. In die omstandigheden was de ECB afhankelijk van de informatie die deze autoriteiten haar over de solvabiliteit van de noodliquiditeitssteun ontvangende banken verstrekte, om de inachtneming van het verbod van monetaire financiering te waarborgen.
144 In de tweede plaats dient te worden onderzocht of uit het perscommuniqué van 21 maart 2013 het bestaan blijkt van een krachtens artikel 14.4 van de statuten van de ECB genomen besluit, zoals verzoekers in wezen stellen (zie punt 134 hierboven), dan wel van een gewone intentieverklaring, zoals de ECB stelt (zie punt 90 hierboven).
145 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 14.4 van de statuten van de ECB de raad van bestuur van de ECB bevoegd is om een nationale centrale bank te verbieden, noodliquiditeitssteun te verlenen wanneer deze de doelstellingen en taken van de ESCB doorkruist. In het perscommuniqué van 21 maart 2013 staat echter dat de raad van bestuur van de ECB heeft „besloten”, een bepaald niveau aan noodliquiditeitssteun te handhaven tot 25 maart 2013. Hieruit volgt impliciet maar noodzakelijk dat vanaf 26 maart 2013 de handhaving van dit niveau aan noodliquiditeitssteun niet meer was toegestaan en dat, zoals in dit perscommuniqué wordt gepreciseerd, „[e]en verlenging van de termijn voor terugbetaling slechts kan worden overwogen ingeval een programma van [de Unie of van het IMF] wordt opgesteld dat de solvabiliteit van de betrokken banken garandeert”.
146 Bijgevolg dient met verzoekers te worden geoordeeld dat uit het perscommuniqué van 21 maart 2013 het bestaan blijkt van een besluit van de raad van bestuur van de ECB waarbij deze zich verzet tegen de handhaving van het bestaande niveau aan liquiditeitssteun vanaf 26 maart 2013 en de eventuele verlenging van de termijn voor terugbetaling van die steun afhankelijk stelt van de opstelling van een programma van financiële bijstand dat de solvabiliteit van de betrokken banken garandeert (hierna: „besluit van de raad van bestuur van de ECB van 21 maart 2013”).
147 In de derde plaats dient te worden onderzocht of uit deze lezing van het perscommuniqué van 21 maart 2013 kan worden afgeleid dat de ECB de vaststelling van de schadelijke maatregelen door de Republiek Cyprus heeft geëist.
148 In dit verband dient erop te worden gewezen dat in het perscommuniqué van 21 maart 2013 slechts sprake is van een resultaatsverplichting. In dit perscommuniqué van de ECB wordt immers rechtstreeks noch indirect verwezen naar de schadelijke maatregelen, maar wordt slechts de eventuele verlenging van de termijn voor terugbetaling van de noodliquiditeitssteun afhankelijk gesteld van de toepassing van een met de Unie en het FMI overeengekomen programma dat de solvabiliteit van de betrokken banken zou waarborgen. In dat communiqué worden de kenmerken van een dergelijk programma niet nader aangegeven en wordt ook geen melding gemaakt van de verklaringen van de Eurogroep, van de handelingen van het ESM of van de lopende onderhandelingen over de vaststelling van de schadelijke maatregelen.
149 Anders dan verzoekers stellen, wordt aan dit oordeel niet afgedaan door het op 17 oktober 2014 in de pers verschenen artikel met als titel „Before a bailout, E.C.B. minutes showed doubts over keeping a Cyprus bank afloat” (Vóór een redding, uit de notulen van de ECB blijkt twijfel over het overeind houden van een Cypriotische bank). In dat artikel wordt immers slechts bericht dat „uit een nauwgezette lezing van de notulen van de [vergaderingen van de raad van bestuur van de ECB] blijkt dat de vertegenwoordigers van de ECB herhaaldelijk hebben verklaard dat zij het programma [van aan Laïki verleende noodliquiditeitssteun] zouden beëindigen indien [de Republiek] Cyprus niet de nodige voortgang maakt met een economisch reddingsprogramma”, zonder dat deze vertegenwoordigers op enig moment hebben geëist dat een dergelijk programma een specifieke vorm of bijzondere kenmerken dient te hebben.
150 De stelling van verzoekers wordt evenmin onderbouwd door de verklaringen die een lid van de raad van bestuur van de ECB tijdens de vergaderingen van de Eurogroep van 15 en 16 maart 2013 zou hebben afgelegd, gesteld dat die verklaringen inderdaad zouden zijn afgelegd. Volgens een op 19 februari 2015 in de pers verschenen artikel met als titel „Did the troika defraud billions at the expense of thousands of depositors in Cyprus?” (Heeft de troïka miljarden ontfutseld aan duizenden depositohouders op Cyprus?), waarnaar verzoekers verwijzen, zou dit lid van de raad van bestuur van de ECB ermee hebben gedreigd, de Cypriotische banken de toegang tot noodliquiditeitssteun te ontnemen. Uit de verklaringen waarvan dit artikel melding maakt, blijkt echter niet dat dit lid van de raad van bestuur van de ECB daarmee het uitstel van het verzet van de ECB tegen de handhaving van de noodliquiditeitssteun afhankelijk heeft willen stellen van de vaststelling van de schadelijke maatregelen. Hooguit kan, gelet op de getuigenverklaring die de minister van Financiën van de Republiek Cyprus ten tijde van de feiten voor een onderzoekscommissie van het Cypriotische parlement heeft afgelegd, worden geoordeeld dat die verklaringen betrekking hadden op de invoering van een belasting op alle bankdeposito’s op Cyprus. Deze belasting, waarvan het Cypriotische parlement op 19 maart 2013 de invoering heeft afgewezen (zie punt 22 hierboven), maakt echter geen deel uit van de schadelijke maatregelen.
151 In die omstandigheden dient tot de slotsom te worden gekomen dat, zoals de ECB in wezen opmerkt, uit het perscommuniqué van 21 maart 2013 blijkt dat de Republiek Cyprus de mogelijkheid had, de solvabiliteit van de betrokken banken met andere maatregelen dan met de schadelijke maatregelen te verzekeren (zie in die zin en naar analogie beschikking van 14 juli 2016, Alcimos Consulting/ECB, T‑368/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:438, punt 38). Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de ECB met dit perscommuniqué of met het besluit waarvan daarin melding wordt gemaakt, heeft geëist dat de Republiek Cyprus deze maatregelen vaststelt.
4) „[Besluiten] om verder noodliquiditeitssteun te verlenen” die de ECB zou hebben genomen
152 Verzoekers maken een onderscheid tussen het besluit van de raad van bestuur van de ECB van 21 maart 2013 (zie punten 134‑151 hierboven) en wat zij de besluiten van de ECB „om verder noodliquiditeitssteun te verlenen” noemen. Ter terechtzitting hebben verzoekers nader aangegeven dat deze besluiten aan het perscommuniqué van 21 maart 2013 voorafgingen.
153 Destijds viel de noodliquiditeitssteun echter uitsluitend onder de bevoegdheid van de nationale prudentieel toezicht houdende autoriteiten (zie punten 137‑143 hierboven), en was de raad van bestuur van de ECB ter zake slechts bevoegd voor het beperken van de noodliquiditeitssteunoperaties die volgens hem de doelstellingen en de taken van het ESCB zouden doorkruisen. Bijgevolg dient ervan te worden uitgegaan dat de door verzoekers bedoelde handelingen van de ECB de handelingen zijn waarmee de ECB vóór 21 maart 2013 heeft besloten, zich niet te verzetten tegen noodliquiditeitssteun.
154 Vast staat echter dat uit de stukken niet blijkt dat de ECB met dergelijke besluiten zou hebben geëist dat de Republiek Cyprus de schadelijke maatregelen vaststelt. Integendeel, verzoekers hebben ter terechtzitting zelf erkend dat die zij besluiten gewoon hebben aangevoerd om duidelijk te doen uitkomen dat het besluit van de raad van bestuur van de ECB van 21 maart 2013 op willekeur berustte.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 18 VWEU
- Artikel 119 VWEU
- Artikel 123 VWEU
- Artikel 126 VWEU
- Artikel 136 VWEU
- Artikel 137 VWEU
- Artikel 263 VWEU
- Artikel 268 VWEU
- Artikel 282 VWEU
- Artikel 296 VWEU
- Artikel 340 VWEU
- Artikel 13 VvL
- Artikel 17 VvL
- Artikel 3 VvL
- Artikel 3 ESM
- Artikel 5 ESM
- Artikel 6 ESM
- Artikel 12 ESM
- Artikel 13 ESM
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 13 juni 2017, C-258/14, ECLI:EU:C:2017:448
- Gerecht EU 7 juni 2017, T-673/15, ECLI:EU:T:2017:377
- HvJ EU 20 september 2016, C-8/15, ECLI:EU:C:2016:701
- HvJ EU 20 september 2016, C-105/15, ECLI:EU:C:2016:702
- HvJ EU 19 juli 2016, C-526/14, ECLI:EU:C:2016:570
- Gerecht EU 7 oktober 2015, T-79/13, ECLI:EU:T:2015:756
- Gerecht EU 23 september 2015, T-245/11, ECLI:EU:T:2015:675
- HvJ EU 16 juni 2015, C-62/14, ECLI:EU:C:2015:400
- Gerecht EU 18 september 2014, T-168/12, ECLI:EU:T:2014:781
- Gerecht EU 18 september 2014, T-317/12, ECLI:EU:T:2014:782
- Gerecht EU 27 februari 2014, T-256/11, ECLI:EU:T:2014:93
- HvJ EU 19 september 2013, C-373/11, ECLI:EU:C:2013:567
- HvJ EU 13 december 2012, C-226/11, ECLI:EU:C:2012:795
- HvJ EU 27 november 2012, C-370/12, ECLI:EU:C:2012:756
- HvJ EU 5 september 2012, C-83/11, ECLI:EU:C:2012:519
- HvJ EU 13 maart 2012, C-380/09, ECLI:EU:C:2012:137
- HvJ EU 24 maart 2011, C-369/09, ECLI:EU:C:2011:175
- HvJ EU 14 september 2010, C-550/07, ECLI:EU:C:2010:512
- HvJ EU 12 januari 2010, C-341/08, ECLI:EU:C:2010:4
- Gerecht EU 18 december 2009, T-440/03, ECLI:EU:T:2009:530
Aangehaald in
- HvJ EU 16 december 2020, C-597/18, ECLI:EU:C:2020:1028
- Gerecht EU 28 april 2021, T-843/19, ECLI:EU:T:2021:221
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-570/17, ECLI:EU:T:2022:314
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-535/22, ECLI:EU:C:2024:819
- Gerecht EU 5 juni 2024, T-134/21, ECLI:EU:T:2024:362
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-628/17, ECLI:EU:T:2022:315
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-523/17, ECLI:EU:T:2022:313
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-510/17, ECLI:EU:T:2022:312
- Gerecht EU 1 juni 2022, T-481/17, ECLI:EU:T:2022:311
- Gerecht EU 6 mei 2026, T-185/24, ECLI:EU:T:2026:318