Gerecht EU 13 december 2001, T-45/98, ECLI:EU:T:2001:288

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1. Procedure - Maatregelen tot organisatie van procesgang - Verzoek tot overlegging van documenten - Verplichtingen van verzoeker

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64, leden 3, sub d, en 4)

2. Procedure - EGKS - Dossier door instelling aan gemeenschapsrechter overgelegd krachtens artikel 23 van Statuut van Hof van Justitie - Recht van toegang - Toegang tot interne documenten - Voorwaarden

(Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, art. 23)

3. EGKS - Beschikking waarbij geldboete of dwangsom wordt opgelegd - Administratieve procedure - Toegang tot dossier - Doel - Grenzen - Vertrouwelijke documenten

(EGKS-Verdrag, art. 36, eerste alinea)

4. EGKS - Beschikking waarbij geldboete of dwangsom wordt opgelegd - Administratieve procedure - Toegang tot dossier - Niet-toepasselijkheid van beginselen die procedure in rechte beheersen - Gevolg

(EGKS-Verdrag, art. 36, eerste alinea)

5. EGKS - Communautaire mededingingsregels - Inbreuken - Toerekening - Natuurlijke of rechtspersoon die onderneming exploiteerde ten tijde van inbreuk - Uitzondering - Restrictieve uitlegging - Gevolg

(EGKS-Verdrag, art. 36, eerste alinea, en 65)

6. EGKS - Beschikking waarbij geldboete of dwangsom wordt opgelegd - Administratieve procedure - Dispositief en motivering van beschikking - Wijziging na betekening aan adressaat - Ontoelaatbaarheid

(EGKS-Verdrag, art. 15, tweede alinea)

7. EGKS - Prijzen - Prijslijsten - Verplichte publicatie - Doel - Samenhang met beginsel van verbod van mededingingsregelingen

(EGKS-Verdrag, art. 60 en 65, lid 1)

8. Beroep tot nietigverklaring - Beroep ingesteld door onderneming in kader van EGKS-Verdrag - Middelen - Middelen van openbare orde - Ontbreken van of ontoereikende motivering - Gevolgen

(EGKS-Verdrag, art. 33, tweede alinea)

9. Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Beoordeling - Doel - EGKS-beschikking

(EGKS-Verdrag, art. 15)

10. EGKS - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Mededingingsverstorend doel - Vaststelling voldoende

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)

11. EGKS - Mededingingsregelingen - Verbod - Werkingssfeer - Mededingingsregelingen waarbij onderdeel van uiteindelijke prijs wordt vastgesteld - Daaronder begrepen

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)

12. EGKS - Mededingingsregelingen - Verbod - Mededingingsregelingen die effect blijven hebben na formele beëindiging ervan - Toepassing van artikel 65 EGKS-Verdrag

[EGKS-Verdrag, art. 65; EG-Verdrag, art. 85 (thans art. 81 EG)]

13. EGKS - Communautaire mededingingsregels - Inbreuken - Zwaarte - Beoordeling - Doel van gedraging belangrijker dan gevolgen - Opzet - Begrip

(EGKS-Verdrag, art. 65)

14. EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Houding van onderneming tijdens administratieve procedure - Beoordeling van mate waarin elke bij mededingingsregeling betrokken onderneming medewerking heeft verleend - Eerbiediging van beginsel van gelijke behandeling - Verschillende behandeling op grond van volgorde waarin ondernemingen gelaakte feiten hebben erkend - Ontoelaatbaarheid

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

15. EGKS - Mededingingsregelingen - Onderling samenhangende gedragingen - Begrip - Criteria coördinatie en samenwerking - Uitlegging

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)

16. EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Houding van onderneming tijdens administratieve procedure - Ontbreken van uitdrukkelijke betwisting van door Commissie gesteld bestaan van onderling samenhangende gedragingen - Vergemakkelijking van vaststelling van inbreuk door Commissie - Geen

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

Samenvatting

1. Ingevolge artikel 64, lid 3, sub d, en lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kunnen maatregelen tot organisatie van de procesgang door de partijen in elke stand van het geding worden voorgesteld en kunnen zij bestaan in het verzoeken om overlegging van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak. Opdat het Gerecht kan bepalen, of het gelasten van de overlegging van stukken nuttig is voor het goede verloop van de procedure, moet de partij die daarom verzoekt, evenwel de betrokken stukken identificeren en het Gerecht ten minste een minimum aan gegevens verstrekken die aannemelijk maken dat die stukken van nut zijn voor de beslechting van het geschil.

( cf. punten 30-31 )

2. Artikel 23 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, betreffende de overlegging door een van de instellingen van de Gemeenschap aan de gemeenschapsrechter van documenten betreffende een voor hem gebrachte zaak, heeft ten doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de bestreden beschikking te toetsen met inachtneming van de rechten van de verdediging, en niet, een onvoorwaardelijke en onbeperkte toegang van alle partijen tot het administratief dossier te verzekeren.

In het bijzonder worden in de procedure in rechte interne documenten van de Commissie alleen dan aan de verzoekende partijen ter inzage gegeven, indien dezen met serieuze aanwijzingen zijn gekomen dat de bijzondere omstandigheden van het geval zulks vereisen.

( cf. punten 33-34 )

3. In het kader van de toepassing van de mededingingsregels van het EG-Verdrag heeft de toegang tot het dossier met name tot doel, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij op grond daarvan hun standpunt over de conclusies van de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar nuttig kenbaar kunnen maken. Derhalve is de Commissie verplicht de adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar toegang te verlenen tot alle stukken à charge en à décharge die zij in de loop van het onderzoek heeft verzameld, met uitzondering evenwel van vertrouwelijke documenten zoals interne documenten van de Commissie.

Dat geldt ook voor de toepassing van de mededingingsregels van het EGKS-Verdrag.

( cf. punten 45-46 )

4. Zoals de algemene beginselen van gemeenschapsrecht inzake het recht op toegang tot het dossier van de Commissie tijdens de administratieve procedure in mededingingszaken als zodanig niet van toepassing zijn op de procedure in rechte, kunnen de op deze laatste procedure toepasselijke bepalingen niet worden toegepast in de administratieve procedure voor de Commissie. De Commissie is dan ook niet verplicht interne documenten toegankelijk te maken tijdens de administratieve procedure.

( cf. punten 47-48 )

5. Voor de inbreuk op de communautaire mededingingsregels moet in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk worden gehouden die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, ook al wordt deze onderneming onder verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip van goedkeuring van de beschikking waarin de inbreuk wordt vastgesteld.

Dat is echter niet het geval wanneer degene onder wiens verantwoordelijkheid de onderneming thans wordt geëxploiteerd, heeft verklaard dat hij de verantwoordelijkheid voor de aan zijn voorganger verweten feiten aanvaardt. Een dergelijke verklaring, die met name is ingegeven door economische overwegingen die eigen zijn aan concentraties van ondernemingen, impliceert dat de rechtspersoon die verantwoordelijk is geworden voor de activiteiten van een andere rechtspersoon, na de datum van de uit die activiteiten voortvloeiende inbreuk daarvoor aansprakelijk moet worden gehouden, ook al is in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd.

Voorzover een dergelijke verklaring evenwel afwijkt van het beginsel dat aan een natuurlijke of rechtspersoon slechts een sanctie kan worden opgelegd voor feiten die hem individueel ten laste worden gelegd, moet zij restrictief worden uitgelegd. In het bijzonder mag degene die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, zonder enige blijk van het tegendeel niet worden geacht te hebben afgezien van de uitoefening van zijn rechten van de verdediging, en met name van zijn recht om te worden gehoord over de feiten die aan zijn voorganger werden verweten in de aan deze laatste betekende mededeling van de punten van bezwaar.

( cf. punten 57, 62-64 )

6. Het dispositief en de motivering van de beschikking waarbij wegens inbreuk op de mededingingsregels een geldboete wordt opgelegd, zoals zij aan de adressaat of de adressaten is betekend, moeten overeenstemmen met de door het college van leden van de Commissie goedgekeurde beschikking, afgezien van zuiver grammaticale en spellingcorrecties die nog in de tekst van een handeling mogen worden aangebracht nadat deze door het college definitief is goedgekeurd.

( cf. punt 73 )

7. De in artikel 60, lid 2, EGKS-Verdrag verplicht gestelde publicatie van de prijslijsten en verkoopvoorwaarden is bedoeld om, ten eerste, verboden praktijken zo veel mogelijk te voorkomen, ten tweede, de kopers in staat te stellen zich nauwkeurig van de prijzen op de hoogte te stellen en ook aan het tegengaan van discriminatie deel te nemen, en ten derde, de ondernemingen in staat te stellen precies te weten welke prijzen hun concurrenten berekenen, zodat zij zich daarnaar kunnen richten. De in de prijslijsten genoemde prijzen moeten evenwel door elke onderneming zelfstandig worden vastgesteld zonder enige, desnoods stilzwijgende, afspraak met anderen. In het bijzonder vormt het feit dat de bepalingen van artikel 60 tenderen naar een beperking van de mededinging, geen beletsel voor de toepassing van het kartelverbod van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag.

( cf. punten 116-117 )

8. In het kader van een beroep tot nietigverklaring is een middel betreffende het ontbreken van motivering of ontoereikende motivering van een gemeenschapshandeling een middel van openbare orde dat door de gemeenschapsrechter ambtshalve moet worden behandeld, en derhalve door partijen in elke stand van het geding kan worden aangevoerd.

( cf. punt 125 )

9. De bij artikel 15 EGKS-Verdrag voorgeschreven motivering moet de betrokkene in staat stellen te vernemen waarom de maatregel is genomen, zodat hij in voorkomend geval zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beschikking gegrond is, en de gemeenschapsrechter in staat stellen zijn wettigheidstoetsing te verrichten. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van de zaak, in het bijzonder de inhoud van de betrokken handeling, de aard van de redengeving en de omstandigheden waarin zij is vastgesteld.

( cf. punt 129 )

10. De Commissie hoeft voor het bewijs van een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag geen nadelig gevolg voor de mededinging aan te tonen wanneer zij het bestaan heeft aangetoond van een overeenkomst of van onderling samenhangende gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken.

( cf. punt 154 )

11. Het verbod van mededingingsregelingen waarbij al dan niet rechtstreeks prijzen worden vastgesteld, geldt ook voor mededingingsregelingen waarbij een onderdeel van de uiteindelijke prijs wordt vastgesteld.

( cf. punt 157 )

12. Bij mededingingsregelingen die niet meer van kracht zijn, volstaat voor de toepasselijkheid van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) en naar analogie van artikel 65 EGKS-Verdrag dat deze mededingingsregelingen effect blijven hebben na de formele beëindiging ervan. Dit klemt te meer wanneer de gevolgen van de mededingingsregeling aanhielden tot aan de vaststelling van de beschikking waarbij de inbreuk wordt vastgesteld, zonder dat de mededingingsregeling formeel was beëindigd.

( cf. punt 181 )

13. De zwaarte van de inbreuken op de mededingingsregels moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld. In dit verband kunnen factoren die met de intentie en dus met het doel van een gedraging verband houden, een grotere betekenis hebben dan de gevolgen van die gedraging, in het bijzonder wanneer het gaat om naar hun aard zware inbreuken, zoals de vaststelling van prijzen. Een inbreuk op de mededingingsregels kan met name als een opzettelijke inbreuk worden beschouwd wanneer de onderneming niet onkundig kon zijn van de omstandigheid dat het gewraakte gedrag ertoe strekte de mededinging te beperken. Het is dus niet noodzakelijk dat de onderneming zich ervan bewust was dat zij inbreuk maakte op deze regels.

( cf. punten 198-200 )

14. Bij de beoordeling van de medewerking van de ondernemingen tijdens de administratieve procedure inzake de verboden mededingingsregeling mag de Commissie niet ingaan tegen het beginsel van gelijke behandeling, een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht dat volgens vaste rechtspraak slechts wordt geschonden wanneer vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.

In dat verband kan het feit alleen dat één van de bij de mededingingsregeling betrokken ondernemingen de gelaakte feiten heeft erkend door als eerste de vragen van de Commissie te beantwoorden, geen objectieve reden zijn om deze verschillend te behandelen. De beoordeling van de mate waarin ondernemingen medewerking hebben verleend, kan immers niet afhankelijk zijn van louter toevallige factoren, zoals de volgorde waarin zij door de Commissie zijn ondervraagd. De medewerking van de betrokken ondernemingen moet vergelijkbaar worden geacht voorzover deze ondernemingen de Commissie in dezelfde fase van de administratieve procedure en onder vergelijkbare omstandigheden soortgelijke gegevens betreffende de aan hen verweten feiten hebben verstrekt.

( cf. punten 237, 245-246 )

15. De criteria coördinatie en samenwerking, die voorwaarden zijn voor onderling samenhangende gedragingen, dienen te worden verstaan in het licht van de in de verdragsbepalingen inzake de mededinging besloten voorstelling dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren en welke condities hij zijn klanten zal bieden.

( cf. punt 264 )

16. Verlaging van het bedrag van een geldboete is slechts gerechtvaardigd indien het gedrag van de betrokken onderneming de Commissie in staat heeft gesteld een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en in voorkomend geval daaraan een einde te maken. Wanneer een onderneming niet uitdrukkelijk verklaart dat zij het door de Commissie gestelde bestaan van onderling samenhangende gedragingen niet betwist, draagt zij niet bij tot een vergemakkelijking van de taak van de Commissie om inbreuken op de communautaire mededingingsregels vast te stellen en tegen te gaan.

( cf. punt 270 )

Partijen

In de gevoegde zaken T-45/98 en T-47/98,

Krupp Thyssen Stainless GmbH, gevestigd te Duisburg (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Klusmann, O. Lieberknecht en K. Moosecker, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

Acciai Speciali Terni SpA, gevestigd te Terni (Italië), vertegenwoordigd door L. G. Radicati di Brozolo, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoeksters,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils en K. Leivo als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Freund en A. Dal Ferro, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 98/247/EGKS van de Commissie van 21 januari 1998 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (Zaak IV/35.814 - Legeringstoeslag) (PB L 100, blz. 55),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, M. Vilaras en N. J. Forwood, rechters,

griffier: G. Herzig, administrateur,

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 oktober 2000,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

1 Krupp Thyssen Nirosta GmbH (hierna: KTN"), een vennootschap naar Duits recht, ontstond op 1 januari 1995 door de concentratie van de activiteiten van Thyssen Stahl AG en Fried. Krupp AG Hoesch-Krupp (hierna: Krupp") in de sector zuur- en hittebestendige platte producten van roestvrij staal. Op 16 september 1997 is haar naam gewijzigd in Krupp Thyssen Stainless GmbH (hierna: KTS").

2 Acciai Speciali Terni SpA (hierna: AST"), een vennootschap naar Italiaans recht met als hoofdactiviteit onder meer de productie van platte producten van roestvrij staal, is op 1 januari 1994 opgericht in het kader van de splitsing, met het oog op de latere verkoop, van de staalactiviteiten van de Italiaanse groep ILVA in drie ondernemingen. Op 21 december 1994 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de gezamenlijke verwerving van AST door Krupp, Thyssen Stahl, AFL Falck, Tadfin SpA en FI-RE Finanziaria SpA (Riva-groep) [beschikking 95/421/EG van de Commissie van 21 december 1994 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard (Zaak IV/M.484 - Krupp/Thyssen/Riva/Falck/Tadfin/AST) (PB 1995, L 251, blz. 18)]. In december 1995 verhoogde Krupp haar deelneming in AST van 50 tot 75 %. Op 10 mei 1996 verwierf zij alle aandelen van AST [beschikking van de Commissie van 2 mei 1996 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard (Zaak nr. IV/M.740 - Krupp II) (PB C 144, blz. 3)]. Die aandelen zijn vervolgens overgedragen aan KTN, thans KTS.

3 Roestvrij staal is een bijzondere soort staal waarvan de belangrijkste eigenschap corrosiebestendigheid is. Deze eigenschap wordt verkregen door het gebruik van legeringselementen (chroom, nikkel, molybdeen) in het productieproces. Roestvrij staal wordt gebruikt in de vorm van platte producten (in platen of op rollen; warm- of koudgewalst) of lange producten (staven, walsdraad, geprofileerde producten; warmgewalst of afgewerkt). Platte producten maken 82 % van de afzet van afgewerkte producten van roestvrij staal uit. De meeste van deze producten vallen overeenkomstig artikel 81 EGKS-Verdrag onder dit verdrag.

4 Naar aanleiding van berichten in de vakpers en klachten van verbruikers verzocht de Commissie op 16 maart 1995 een aantal producenten van roestvrij staal op grond van artikel 47 EGKS-Verdrag om inlichtingen over de toepassing door die producenten van een gemeenschappelijke prijsverhoging, die bekend stond onder de naam legeringstoeslag".

5 De legeringstoeslag is een prijssupplement dat wordt berekend aan de hand van de koers van de legeringselementen en dat aan de basisprijs van roestvrij staal wordt toegevoegd. De kosten van de door de producenten van roestvrij staal gebruikte legeringselementen (nikkel, chroom en molybdeen) vormen een aanzienlijk deel van de productiekosten. De koersen van deze elementen zijn uitermate variabel.

6 De berekeningsformules van de legeringstoeslag zijn in de loop van de tijd gewijzigd en verschilden ook van producent tot producent. Bij verificaties overeenkomstig artikel 47 EGKS-Verdrag en in sommige aan de Commissie gerichte brieven hebben de producenten van platte producten van roestvrij staal bevestigd, dat zij sinds 1988 dezelfde berekeningsformule voor de legeringstoeslag hadden toegepast, met uitzondering van de referentiewaarden (of beginwaarden). In 1991, nadat de koersen voor de legeringselementen beneden de beginwaarden waren gezakt, hebben de producenten geen toeslag toegepast.

7 Op basis van de ingekomen inlichtingen, met name afschriften van rondzendbrieven van de betrokken producenten aan hun klanten waarin de wijziging van de berekeningsgrondslag van de legeringstoeslag werd aangekondigd, zond de Commissie op 19 december 1995 aan 19 ondernemingen een mededeling van punten van bezwaar. De antwoorden van die ondernemingen brachten de Commissie ertoe, een nieuw onderzoek te beginnen op grond van artikel 47 EGKS-Verdrag.

8 In december 1996 en januari 1997, nadat de Commissie een reeks verificaties had verricht, maakten de advocaten of vertegenwoordigers van een aantal ondernemingen, waaronder Krupp en AST, aan de Commissie de wens kenbaar om hun medewerking te verlenen. Daartoe zonden Compañia española para la fabricación de aceros inoxidables SA (Acerinox), ALZ NV, Avesta Sheffield AB (hierna: Avesta"), KTN en Usinor SA (hierna: Usinor" of Ugine") op 17 december 1996 en AST op 10 januari 1997 aan de Commissie verklaringen toe.

9 Op 24 april 1997 deed de Commissie aan die ondernemingen en aan Thyssen Stahl een nieuwe mededeling van punten van bezwaar toekomen, die de mededeling van 19 december 1995 verving.

10 Op 21 januari 1998 gaf de Commissie beschikking 98/247/EGKS inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (Zaak IV/35.814 - Legeringstoeslag) (PB L 100, blz. 55; hierna: beschikking").

11 Volgens de beschikking zijn de prijzen van legeringselementen van roestvrij staal in 1993 aanzienlijk gedaald. Toen de koers van nikkel vanaf september 1993 begon te stijgen, zijn de winstmarges van de producenten aanzienlijk geslonken. Om daaraan iets te doen kwamen de producenten van platte producten van roestvrij staal, met uitzondering van Outokumpu, op 16 december 1993 tijdens een bijeenkomst te Madrid (hierna: bijeenkomst van Madrid") overeen hun prijzen in onderling overleg te verhogen door de berekeningsfactoren van de legeringstoeslag te wijzigen. Daartoe beslisten zij om met ingang van 1 februari 1994 een legeringstoeslag toe te passen overeenkomstig de formule die voor het laatst in 1991 was gebruikt, waarbij voor alle producenten als referentiewaarden voor de legeringselementen de waarden werden gehanteerd van september 1993, toen de koers van nikkel een historisch dieptepunt had bereikt.

12 Volgens de beschikking verrichten de producenten voor de berekening in de diverse communautaire valuta's van het bedrag van de in een bepaalde maand (M) toe te passen toeslag de volgende bewerkingen: zij berekenen de gemiddelde koers van nikkel, ferrochroom en molybdeen in de twee maanden die aan de vorige maand voorafgaan (d.w.z. M-2 en M-3). Zij vergelijken vervolgens de aldus verkregen bedragen met de referentiebedragen (of beginwaarden), namelijk sinds februari 1994: 3 750 ECU/ton voor nikkel, 5 532 ECU/ton voor molybdeen, en 777 ECU/ton voor chroom. Wanneer het verschil tussen de gemiddelde koers en het referentiebedrag positief is, wordt volgens dit systeem de basisprijs van het betrokken staal voor maand M met een supplement verhoogd. Wanneer het verschil negatief is, wordt geen verhoging toegepast. Er bestaat dus geen negatieve toeslag. Deze situatie heeft zich voorgedaan in de periode 1991 tot 1993: de koersen voor de legeringselementen waren gezakt beneden de toentertijd toepasselijke beginwaarden en de producenten hebben dan ook geen toeslag toegepast. Het positieve verschil wordt vermenigvuldigd met het percentage van elk legeringselement in de samenstelling van de betrokken staalsoort.

13 Volgens de beschikking pasten alle producenten de op basis van de nieuw vastgestelde referentiewaarden berekende legeringstoeslag met ingang van 1 februari 1994 toe op hun verkopen in Europa, met uitzondering van Spanje en Portugal. In Spanje werd de nieuwe legeringstoeslag toegepast in juni 1994; Acerinox had tijdens de bijeenkomst van Madrid verklaard dat onmiddellijke toepassing van de nieuwe legeringstoeslag in Spanje ongunstig zou zijn voor het aanzwengelen van de vraag en voor de Spaanse ondernemingen van de sector, die op dat ogenblik een diepe crisis doormaakte. Acerinox paste de nieuwe legeringstoeslag evenwel ook vanaf 1 februari 1994 toe in andere lidstaten, met name in Denemarken. Volgens de beschikking droeg de afspraak ertoe bij, dat de prijzen voor roestvrij staal in de periode van januari 1994 tot maart 1995 bijna zijn verdubbeld.

14 Het dispositief van de beschikking bevat de volgende bepalingen:

Artikel 1

De ondernemingen [Acerinox], ALZ NV, [AST], [Avesta], [Krupp] ([KTN] vanaf 1 januari 1995), [Thyssen Stahl] ([KTN] vanaf 1 januari 1995) en Ugine SA hebben van december 1993 tot november 1996 voor wat [Avesta] betreft, en tot op de dag van deze beschikking voor wat de overige ondernemingen betreft, inbreuk op artikel 65 van het EGKS-Verdrag gemaakt door in onderlinge afstemming de referentiewaarden voor de berekeningswijze van de legeringstoeslag te wijzigen en toe te passen, welke praktijk zowel ten doel als ten gevolge had dat de normale mededinging op de gemeenschappelijke markt werd beperkt en vervalst.

Artikel 2

Voor de in artikel 1 beschreven inbreuken worden bij deze beschikking de volgende geldboeten opgelegd:

- [Acerinox]: 3 530 000 ECU,

- ALZ NV: 4 540 000 ECU,

- [AST]: 4 540 000 ECU,

- [Avesta]: 2 810 000 ECU,

- [KTN]: 8 100 000 ECU,

- [Usinor]: 3 860 000 ECU.

Artikel 3

[...]

Artikel 4

[Acerinox], ALZ NV, [AST], [KTN] en [Usinor] maken onverwijld een einde aan de in artikel 1 genoemde inbreuken en delen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking aan de Commissie mee, welke maatregelen zij daartoe hebben genomen.

De in artikel 1 genoemde ondernemingen onthouden zich ervan, de in genoemd artikel beschreven handelingen of gedragingen te herhalen of maatregelen van gelijke werking te nemen."

15 Bij faxbericht van 21 januari 1998 heeft de Commissie verzoeksters het dispositief van de beschikking meegedeeld. Bij beschikking van 2 februari 1998 heeft de Commissie de in artikel 3, eerste alinea, van het op 21 januari 1998 meegedeelde dispositief van de beschikking vermelde bankrekening waarop de geldboeten moesten worden betaald, vervangen door andere rekeningnummers (hierna: beschikking van 2 februari 1998"). De aldus gecorrigeerde beschikking is op 5 februari 1998 formeel aan de geadresseerden betekend.

Procesverloop

16 Bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 maart 1998 (zaak T-45/98) en 13 maart 1998 (zaak T-47/98) hebben KTS en AST de onderhavige beroepen ingesteld. Ook Acerinox heeft een beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld (zaak T-48/98).

17 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het de Commissie verzocht een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden.

18 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 11 oktober 2000.

19 Na partijen daarover te hebben gehoord, is het Gerecht van oordeel dat de onderhavige zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering moeten worden gevoegd voor het arrest.

Conclusies van partijen

20 In zaak T-45/98 concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:

- de beschikking, zoals gewijzigd bij de beschikking van 2 februari 1998, nietig te verklaren voorzover deze haar betreft;

- subsidiair, de haar in artikel 2 van de beschikking opgelegde geldboete in te trekken en artikel 4 juncto artikel 1 van de beschikking nietig te verklaren;

- meer subsidiair, de haar in artikel 2 van de beschikking opgelegde geldboete te verlagen en artikel 4 juncto artikel 1 van de beschikking nietig te verklaren;

- haar verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang in te willigen;

- de Commissie te verwijzen in de kosten.

21 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang af te wijzen;

- verzoekster te verwijzen in de kosten.

22 In zaak T-47/98 concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:

- de beschikking nietig te verklaren voorzover deze haar betreft;

- subsidiair, de artikelen 2 en 4 van de beschikking nietig te verklaren voorzover deze haar betreffen;

- meer subsidiair, de haar opgelegde geldboete te verlagen;

- de gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen;

- de Commissie te verwijzen in de kosten.

23 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoekster te verwijzen in de kosten.

De verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang met betrekking tot interne documenten van de Commissie

Argumenten van partijen

24 Tijdens de schriftelijke behandeling hebben KTS en AST het Gerecht verzocht, de Commissie te gelasten haar interne documenten betreffende de beschikking over te leggen waaruit zou kunnen blijken dat de Commissie kennis had van het gebruik van de legeringstoeslag. Tot staving van hun verzoek stellen zij, dat aangezien de prijsschalen overeenkomstig het EGKS-Verdrag geregeld aan de ambtenaren van de Commissie werden meegedeeld, die ambtenaren kennis hadden of hadden moeten hebben van het gebruik van de enige formule voor de legeringstoeslag.

25 AST voegt daaraan toe dat zij door de toegang tot die stukken ook het in punt 50 van de considerans van de beschikking geformuleerde verwijt zou kunnen betwisten, volgens welke de onderlinge afstemming over de prijzen niet van 1993 maar van 1988 zou dateren.

26 Verder heeft KTS, na raadpleging van het dossier dat de Commissie op 7 december 1998 ter griffie heeft ingediend, bij op 10 juni 1999 ter griffie neergelegde brief verzocht, de Commissie bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang te verzoeken een volledige lijst op te stellen van de interne documenten in de mappen XIX tot en met XXII, en telkens aan te geven waarom die documenten haar niet konden worden meegedeeld. Tot staving van haar verzoek stelt KTS dat die maatregel noodzakelijk is om haar in staat te stellen na te gaan of die mappen relevante documenten bevatten waartoe zij toegang dient te krijgen.

27 De Commissie brengt daartegen in dat zij geen kennis had van de enige berekeningsformule van de legeringstoeslag, noch van de toepassingsvoorwaarden daarvan, die haar nooit zijn meegedeeld; de betrokken ondernemingen hebben haar alleen meegedeeld welke legeringstoeslag zij toepasten. Bovendien is het niet relevant om toegang tot de interne documenten te vragen ter verificatie van de vaststelling in punt 50 van de considerans van de beschikking, dat de inbreuk van ongeveer 1988 dateert, aangezien in de beschikking bij gebreke van afdoende bewijzen december 1993, het tijdstip van de bijeenkomst van Madrid, als begin van de inbreuk wordt aangenomen.

28 In haar op 25 augustus 1999 ter griffie ingediende opmerkingen vordert de Commissie de afwijzing van het door KTS bij brief van 10 juni 1999 ingediende verzoek, op grond dat zij niet verplicht is een gedetailleerde lijst te verstrekken van haar interne documenten waartoe geen toegang wordt verleend, en dat zij niet voor elk document behoeft aan te geven om welke dwingende redenen de betrokkenen de toegang tot die delen van het dossier moet worden geweigerd. Dienaangaande stelt zij dat de beschikking van het Gerecht van 10 december 1997, NMH Stahlwerke e.a./Commissie (T-134/94, T-136/94, T-137/94, T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, T-151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-2293; hierna: beschikking stalen balken II") haar geen dergelijke verplichting oplegt.

Beoordeling door het Gerecht

29 In artikel 64, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt bepaald: De maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben tot doel, het voldingen van de zaken, het procesverloop en de afdoening van de geschillen zoveel mogelijk te bespoedigen."

30 Volgens artikel 64, lid 2, sub a en b, van het Reglement hebben de maatregelen tot organisatie van de procesgang in het bijzonder tot doel, het goede verloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling te verzekeren en de bewijsvoering te vergemakkelijken, alsmede de punten te bepalen ten aanzien waarvan partijen hun vertogen moeten aanvullen of die instructie behoeven. Ingevolge artikel 64, lid 3, sub d, en lid 4, van het Reglement kunnen die maatregelen door de partijen in elke stand van het geding worden voorgesteld en kunnen zij bestaan in het verzoeken om overlegging van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak.

31 Opdat het Gerecht kan bepalen, of het gelasten van de overlegging van stukken nuttig is voor het goede verloop van de procedure, moet de partij die daarom verzoekt, evenwel de betrokken stukken identificeren en het Gerecht ten minste een minimum aan gegevens verstrekken die aannemelijk maken dat die stukken van nut zijn voor de beslechting van het geschil (arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 93).

32 Wat in de eerste plaats de verzoeken om toegang tot interne documenten van de Commissie tijdens de procedure in rechte betreft, zij er allereerst aan herinnerd, dat ingevolge artikel 23 van het Statuut-EGKS van het Hof van Justitie, dat ingevolge artikel 46, eerste alinea, van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, de verwerende instelling gehouden is, de gemeenschapsrechter alle stukken over te leggen welke op de zaak die voor [hem] is gebracht betrekking hebben", en niet alleen de stukken die zijzelf relevant acht in verband met de feitelijke en juridische geschilpunten tussen partijen. Derhalve was de Commissie gehouden, het Gerecht alle stukken betreffende de administratieve procedure die aan de vaststelling van de beschikking is voorafgegaan, met inbegrip van haar interne documenten, over te leggen, zoals zij overigens heeft gedaan.

33 Doel van artikel 23 van het Statuut van het Hof is evenwel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de bestreden beschikking te toetsen met inachtneming van de rechten van de verdediging, en niet, een onvoorwaardelijke en onbeperkte toegang van alle partijen tot het administratief dossier te verzekeren (beschikking stalen balken II, punt 32).

34 In het bijzonder volgt uit vaste rechtspraak dat in de procedure in rechte interne documenten van de Commissie alleen dan aan de verzoekende partijen ter inzage worden gegeven, indien dezen met serieuze aanwijzingen zijn gekomen dat de bijzondere omstandigheden van het geval zulks vereisen (beschikking Hof van 18 juni 1986, BAT en Reynolds/Commissie, 142/84 en 156/84, Jurispr. blz. 1899, punt 11; arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Deere/Commissie, T-35/92, Jurispr. blz. II-957, punt 31, en beschikking stalen balken II, punten 35 en 36).

35 In casu berusten de argumenten van KTS en AST, dat de toegang tot de interne documenten van de Commissie hen in staat zou stellen aan te tonen dat de Commissie kennis had of had moeten hebben van het gebruik van de berekeningsformule van de legeringstoeslag door de producenten van roestvrij staal, op geen enkele serieuze aanwijzing en tonen zij evenmin het bestaan van bijzondere omstandigheden in de zin van die rechtspraak aan.

36 Zoals de Commissie in punt 61 van de considerans van de beschikking in antwoord op een tijdens de administratieve procedure aangevoerd soortgelijk argument heeft vastgesteld, hebben de betrokken ondernemingen haar immers alleen de bedragen van de door elk van hen toegepaste legeringstoeslagen meegedeeld. Zij hebben haar evenwel nooit de berekeningsformule zelf ter kennis gebracht, noch de toepassingsvoorwaarden. Deze vaststelling, die trouwens niet wordt betwist, sluit uit dat de Commissie kennis had van de gelaakte inbreuk, die bovendien niet tot doel had, één berekeningsformule van de legeringstoeslag met variabele calculatiepercentages te gebruiken, maar door alle ondernemingen met ingang van dezelfde datum in die berekeningsformule dezelfde referentiewaarden voor de legeringselementen (chroom, nikkel en molybdeen) te doen invoeren teneinde de prijzen te verhogen.

37 Het argument van AST dat de toegang tot de interne documenten van de Commissie haar in staat zou stellen op te komen tegen het verwijt dat de onderlinge afstemming een aanvang heeft genomen in 1988, is geheel irrelevant, daar de Commissie bij gebreke van afdoende bewijzen in de beschikking het bestaan van een onderlinge afstemming slechts heeft aangenomen vanaf december 1993 (punten 50 en 56 van de considerans van de beschikking).

38 Derhalve moet worden vastgesteld dat KTS en AST geen enkele serieuze aanwijzing hebben gegeven, noch het bestaan van bijzondere omstandigheden hebben aangetoond, op grond waarvan een uitzondering kan worden gemaakt op de algemene regel dat interne documenten van de Commissie niet toegankelijk zijn voor de verzoekende partijen. Nu zij dus geen gegevens hebben verstrekt die aannemelijk maken dat de door hen gevorderde maatregelen van nut zijn, moeten hun verzoeken worden afgewezen.

39 Wat in de tweede plaats het afzonderlijke verzoek van KTS tot overlegging van een lijst van interne documenten van de Commissie betreft, moet worden vastgesteld dat KTS dat verzoek slechts heeft ingediend om te verifiëren of het gaat om documenten waartoe zij toegang dient te krijgen. Daar een dergelijk argument evenmin aannemelijk maakt dat de gevorderde maatregel van nut is, kan dit verzoek niet worden ingewilligd.

40 Derhalve moeten de verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang met betrekking tot de interne documenten van de Commissie worden afgewezen.

De vorderingen tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking

I - De middelen inzake schending van de rechten van de verdediging

A - De toegang tot het dossier

Argumenten van partijen

41 Verzoeksters stellen dat zij tijdens de administratieve procedure geen voldoende toegang hadden tot het dossier, met name tot de als intern aangemerkte documenten. KTS stelt inzonderheid dat de Commissie haar evenmin enige aanwijzing heeft gegeven over de inhoud van de documenten die haar zijn verheeld. De Commissie heeft evenmin informatie verstrekt over het aantal, het belang en de inhoud van de interne documenten die na 8 november 1995 aan het dossier zijn toegevoegd, en heeft zelfs geen lijst van die stukken gegeven.

42 Volgens verzoeksters heeft de Commissie de desbetreffende rechtspraak van het Gerecht niet geëerbiedigd (beschikking Gerecht van 19 juni 1996, NMH Stahlwerke e.a./Commissie, T-134/94, T-136/94, T-137/94, T-138/94, T-141/94, T-145/94, T-147/94, T-148/94, T-151/94, T-156/94 en T-157/94, Jurispr. blz. II-537, hierna: beschikking stalen balken I", punten 62-78, en beschikking stalen balken II, punten 30-39). De toegang tot die interne documenten van de Commissie is immers van belang om de medeplichtigheid" aan te tonen van de personeelsleden van de Commissie die kennis hadden of hadden moeten hebben van het gebruik van de formule van de legeringstoeslag door de producenten van roestvrij staal. Volgens KTS strookt het overigens niet met het beginsel van de proceseconomie, dat zij haar recht op toegang tot interne documenten van de Commissie slechts in de fase in rechte en niet in de administratieve fase van de procedure kan uitoefenen.

43 De Commissie stelt dat verzoeksters geen toegang kunnen krijgen tot haar interne documenten (arrest Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 54). Aangaande de beschikkingen stalen balken I en II beklemtoont de Commissie, dat deze betrekking hadden op de werkingssfeer van artikel 23 van het Statuut van het Hof, met name op de vraag onder welke voorwaarden verzoekende partijen in het kader van de procedure in rechte toegang hebben tot haar interne documenten.

Beoordeling door het Gerecht

44 Allereerst zij eraan herinnerd dat de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen die het recht op toegang tot het dossier van de Commissie beheersen, een daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging beogen te waarborgen, waaronder het recht om te worden gehoord (arrest Hof van 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie, C-51/92 P, Jurispr. blz. I-4235, punt 76), dat met betrekking tot mededingingsprocedures op grond van het EGKS-Verdrag is geformuleerd in artikel 36, eerste alinea, van dat Verdrag, volgens hetwelk de Commissie verplicht is de belanghebbenden in staat te stellen opmerkingen te maken voordat zij een beschikking vaststelt waarbij zij een van de in dat verdrag voorziene geldstraffen oplegt.

45 Het is vaste rechtspraak dat in het kader van de toepassing van de mededingingsregels van het EG-Verdrag de toegang tot het dossier met name tot doel heeft, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij op grond daarvan hun standpunt over de conclusies van de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar nuttig kenbaar kunnen maken (arrest Hof van 6 april 1995, BPB Industries en British Gypsum/Commissie, C-310/93 P, Jurispr. blz. I-865, punt 21; arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punt 89, en arrest van 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punt 75).

46 Derhalve is de Commissie verplicht de adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar toegang te verschaffen tot alle stukken à charge en à décharge die zij in de loop van het onderzoek heeft verzameld, met uitzondering evenwel van vertrouwelijke documenten zoals interne documenten van de Commissie (arrest Gerecht van 1 april 1993, BPB Industries en British Gypsum/Commissie, T-65/89, Jurispr. blz. II-389, punt 29, zoals bevestigd door arrest Hof van 6 april 1995, BPB Industries en British Gypsum/Commissie, reeds aangehaald, punt 25; zie ook arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, reeds aangehaald, punt 54, en 28 april 1999, Endemol/Commissie, T-221/95, Jurispr. blz. II-1299, punt 66). Dat geldt ook voor de toepassing van de mededingingsregels van het EGKS-Verdrag.

47 In casu staat vast dat verzoeksters, die niet betwisten dat zij toegang hebben gekregen tot de stukken van het dossier waarop de Commissie de beschikking heeft gebaseerd, alleen aanvoeren dat zij tijdens de administratieve procedure ook toegang hadden moeten krijgen tot de interne documenten van de Commissie. Zoals gezegd, is de Commissie evenwel niet verplicht dergelijke documenten toegankelijk te maken tijdens de administratieve procedure.

48 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument ontleend aan de beschikkingen stalen balken I en II. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat deze rechtspraak betrekking heeft op de toepassing van artikel 23 van het Statuut van het Hof en in het bijzonder op de voorwaarden voor toegang tot interne documenten van de Commissie tijdens de procedure in rechte. Welnu, zoals de algemene beginselen van gemeenschapsrecht inzake het recht op toegang tot het dossier van de Commissie tijdens de administratieve procedure als zodanig niet van toepassing zijn op de procedure in rechte (arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punt 90), kunnen de op deze laatste procedure toepasselijke bepalingen niet worden toegepast in de administratieve procedure voor de Commissie.

49 Het argument van KTS dat het niet strookt met het beginsel van proceseconomie dat zij slechts tijdens de procedure in rechte toegang krijgt tot de interne documenten van de Commissie, is irrelevant, aangezien, zoals reeds is uiteengezet (zie hierboven punten 29-40), hoe dan ook niet is voldaan aan de in de rechtspraak gestelde voorwaarden voor toegang tijdens de procedure in rechte.

50 Uit een en ander volgt dat het middel niet gegrond is en derhalve moet worden afgewezen.

B - Schending van het recht van KTS om te worden gehoord met betrekking tot de handelingen van Thyssen Stahl

Argumenten van partijen

51 KTS stelt dat de Commissie artikel 36, eerste alinea, EGKS-Verdrag heeft geschonden, nu haar recht om te worden gehoord met betrekking tot de gelaakte handelingen van Thyssen Stahl niet is geëerbiedigd. Zij herinnert eraan dat KTN, in wier plaats zij is getreden, per 1 januari 1995 de activiteiten van Thyssen Stahl in de sector platte producten van roestvrij staal heeft overgenomen, en als overnemer de aansprakelijkheid voor eventueel door die onderneming begane inbreuken heeft aanvaard.

52 KTN heeft er echter nooit mee ingestemd, ervan af te zien dat een nieuwe procedure tegen haar wordt ingeleid indien de Commissie haar een geldboete zou opleggen wegens de handelingen van Thyssen Stahl. KTS beklemtoont dienaangaande dat de Commissie haar tijdens een op 8 oktober 1996 verrichte verificatie bij KTN niet heeft gezegd dat de procedure tegen Thyssen Stahl voortaan ook op haar betrekking had. De Commissie heeft de nieuwe mededeling van de punten van bezwaar van 24 april 1997 zelfs niet alleen aan KTN, maar ook aan Thyssen Stahl betekend, en die twee ondernemingen hebben afzonderlijk een standpunt ingenomen over die mededeling. In haar antwoord van 30 juni 1997 op de mededeling van de punten van bezwaar heeft KTN trouwens uitdrukkelijk verklaard, dat zij alleen een standpunt innam over de punten van bezwaar die op haar betrekking hadden.

53 De Commissie herinnert eraan dat KTN bij brief van 23 juli 1997 heeft verklaard dat zij na de overname van de sector platte producten van roestvrij staal van Thyssen Stahl de verantwoordelijkheid op zich nam voor de daden van laatstgenoemde met betrekking tot producten waarop deze procedure betrekking heeft, en dat ook voor de periode vanaf 1993".

54 Volgens de Commissie is het juist omdat zij twee verschillende administratieve procedures had gevolgd, dat zij naderhand aan KTN heeft gevraagd, of zij de verantwoordelijkheid voor de aan Thyssen Stahl verweten gedragingen op zich wou nemen. Ten tijde van de verklaring van KTN had Thyssen Stahl trouwens reeds een standpunt ingenomen over de mededeling van de punten van bezwaar. Aangezien niets op het tegendeel wijst, kon de verklaring van KTN dus slechts slaan op de toenmalige stand van de procedure, waarvan het referentienummer in de verklaring uitdrukkelijk wordt vermeld. Volgens de Commissie had die verklaring derhalve niet tot doel, in te staan voor de betaling van de geldboete die eventueel aan Thyssen Stahl zou worden opgelegd, maar om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de eventuele daden van Thyssen Stahl in verband met platte producten van roestvrij staal. Deze uitlegging vindt steun in het feit, dat indien KTN ontkennend had geantwoord op de vraag of zij de verantwoordelijkheid voor de daden van Thyssen Stahl op zich nam, de Commissie de geldboete alleen aan laatstgenoemde zou hebben opgelegd, maar geen nieuwe procedure zou hebben ingeleid tegen KTN.

Beoordeling door het Gerecht

55 De rechten van de verdediging waarop KTS zich beroept, worden in casu gewaarborgd door artikel 36, eerste alinea, EGKS-Verdrag, volgens hetwelk de Commissie verplicht is de belanghebbenden in staat te stellen opmerkingen te maken voordat zij een van de in dit verdrag voorziene geldstraffen oplegt.

56 Volgens vaste rechtspraak is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in een procedure die tot de oplegging van een sanctie kan leiden, een fundamenteel beginsel van het gemeenschapsrecht, dat onder alle omstandigheden in acht moet worden genomen, ook in een administratieve procedure. De daadwerkelijke eerbiediging van dat beginsel vereist dat de betrokken onderneming reeds tijdens administratieve procedure in de gelegenheid is gesteld haar standpunt met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en met betrekking tot de documenten waarmee de Commissie haar stellingen staaft, nuttig kenbaar te maken (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 10; zie ook arrest Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T-30/91, Jurispr. blz. II-1775, punt 59, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Daaruit volgt met name dat de Commissie slechts feiten in aanmerking kan nemen waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 14).

57 Verder zij eraan herinnerd dat voor de inbreuk in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk moet worden gehouden die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, ook al wordt deze onderneming onder verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip van goedkeuring van de beschikking waarin de inbreuk wordt vastgesteld (zie, met name, arrest Hof van 16 november 2000, Cascades/Commissie, C-279/98 P, Jurispr. blz. I-9693, punt 78).

58 In casu blijkt uit het dossier allereerst dat op 24 april 1997 een mededeling van punten van bezwaar is gezonden aan KTN en Thyssen Stahl, en dat die ondernemingen daar los van elkaar op hebben geantwoord bij brieven van hun respectieve vertegenwoordigers van 30 juni daaraanvolgend. In haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft KTN bovendien uitdrukkelijk verklaard, dat zij opmerkingen indiende namens en voor rekening van KTN".

59 Verder staat vast dat KTN, die door verzoekster KTS is opgevolgd, bij een aan de Commissie gerichte brief van 23 juli 1997 de verantwoordelijkheid heeft aanvaard voor de feiten die aan Thyssen Stahl ten laste zijn gelegd voor de periode vanaf 1993, hoewel de activiteiten van Thyssen Stahl in de sector van de betrokken producten slechts per 1 januari 1995 aan haar waren overgedragen.

60 In die brief verklaarde KTN immers uitdrukkelijk:

Met betrekking tot de onderhavige procedure [Zaak IV/35.814 - KTN] hebt u de wettelijke vertegenwoordiger van Thyssen Stahl [...] verzocht, dat [KTN] uitdrukkelijk zou bevestigen dat zij na de overname van de sector roestvrije platte producten van Thyssen Stahl de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de handelingen van Thyssen Stahl aangaande de roestvrije platte producten waarop deze procedure betrekking heeft, en dat ook voor de periode vanaf 1993. Hierbij bevestigen wij dat uitdrukkelijk."

61 Ten slotte heeft de Commissie in punt 102 van de considerans van de beschikking uit die verklaring geconcludeerd, dat daar in het dispositief van de beschikking rekening mee moest worden gehouden. Derhalve heeft de Commissie KTN aansprakelijk gehouden voor de handelingen van Thyssen Stahl die strijdig met artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag werden geacht (artikel 1 van de beschikking), en heeft zij haar mede wegens de aan Thyssen Stahl verweten feiten een geldboete opgelegd (artikel 2 van de beschikking). In dat verband heeft de Commissie in punt 78 van de considerans van de beschikking overwogen dat de aan Thyssen Stahl verweten inbreuk had geduurd van december 1993, tijdstip van de bijeenkomst van Madrid waar de onderlinge afstemming tussen de producenten van platte producten van roestvrij staal een aanvang had genomen, tot 1 januari 1995, de datum waarop Thyssen Stahl haar activiteiten in die sector heeft stopgezet.

62 Beklemtoond zij dat niet wordt betwist dat de Commissie, gelet op de verklaring van KTN van 23 juli 1997, deze laatste bij wijze van uitzondering verantwoordelijk mocht achten voor de aan Thyssen Stahl verweten inbreuken tussen december 1993 en 1 januari 1995. Een dergelijke verklaring, die met name is ingegeven door economische overwegingen die eigen zijn aan concentraties van ondernemingen, impliceert immers dat de rechtspersoon die verantwoordelijk is geworden voor de activiteiten van een andere rechtspersoon, na de datum van de uit die activiteiten voortvloeiende inbreuk daarvoor aansprakelijk moet worden gehouden, ook al is in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd.

63 Voorzover een dergelijke verklaring evenwel afwijkt van het beginsel dat aan een natuurlijke of rechtspersoon slechts een sanctie kan worden opgelegd voor feiten die hem individueel ten laste worden gelegd, moet zij restrictief worden uitgelegd. In het bijzonder mag degene die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, zonder enige blijk van het tegendeel niet worden geacht te hebben afgezien van de uitoefening van zijn rechten van de verdediging.

64 Anders dan de Commissie in wezen stelt, kan de verklaring van KTN van 23 juli 1997 niet aldus worden uitgelegd dat zij eveneens impliceert dat KTN afzag van haar recht om te worden gehoord over de feiten die aan Thyssen Stahl werden verweten in de mededeling van de punten van bezwaar die op 24 april 1997 aan deze laatste is betekend, feiten met betrekking tot dewelke KTN de aansprakelijkheid voor een eventuele geldboete aanvaardde.

65 Dit klemt te meer nu de mededeling van punten van bezwaar afzonderlijk aan KTN en Thyssen Stahl is gezonden en KTN in deze mededeling duidelijk niet verantwoordelijk werd gehouden voor de aan Thyssen Stahl ten laste gelegde handelingen.

66 Vaststaat derhalve dat de Commissie KTN in casu niet in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen in te dienen met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de aan Thyssen Stahl verweten feiten, en dat KTN daardoor op dit punt haar rechten van de verdediging niet heeft kunnen uitoefenen.

67 Overeenkomstig de rechtspraak mocht de Commissie KTN derhalve niet verantwoordelijk stellen voor de handelingen van Thyssen Stahl en KTN derhalve evenmin een geldboete opleggen wegens de aan Thyssen Stahl verweten feiten, aangezien de desbetreffende mededeling van de punten van bezwaar alleen aan Thyssen Stahl was gezonden (zie arrest Hof van 13 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C-395/96 P en C-396/96 P, Jurispr. blz. I-1365, punt 146).

68 Uit een en ander volgt dat dit middel van KTN slaagt, zodat artikel 1 van de beschikking nietig moet worden verklaard voorzover daarbij de aan Thyssen Stahl verweten inbreuk aan KTN is toegerekend.

II - Het middel inzake het bestaan van een vormgebrek

Argumenten van partijen

69 Verzoeksters stellen dat de beschikking niet regelmatig is vastgesteld, aangezien zij bij de beschikking van 2 februari 1998 is gecorrigeerd en gewijzigd zonder dat de juridische fouten in de beschikking zijn gepreciseerd en zonder dat is aangegeven of die fouten zijn verwijderd, hetgeen een schending van het reglement van orde van de Commissie oplevert.

70 Verder stelt AST dat de punten 38 en 40 van de considerans van de beschikking waren weggelaten in het aan haar betekende exemplaar, hetgeen een ernstig vormgebrek is, daar zij niet volledig kennis heeft kunnen nemen van de redenering van de Commissie en zich niet volledig heeft kunnen verdedigen.

71 Daar zij tijdens de administratieve fase van de procedure geen toegang hebben gehad tot het dossier, vorderen verzoeksters dat het Gerecht daartoe maatregelen tot organisatie van de procesgang zou gelasten.

72 De Commissie wijst erop dat de juridische fout die bij de beschikking van 2 februari 1998 is gecorrigeerd, betrekking had op de in artikel 3, eerste alinea, van de beschikking genoemde bankrekeningen waarop de geldboeten moeten worden betaald. Zij beklemtoont dat die correctie uitdrukkelijk is vermeld in de brief van 5 februari 1998 waarbij de beschikking formeel aan verzoeksters en de andere ondernemingen is betekend. Voor het overige was de beschikking, zoals ze bij faxbericht van 21 januari 1998 aan partijen is meegedeeld, volstrekt identiek aan die welke hun bij brief van 5 februari 1998 is betekend.

Beoordeling door het Gerecht

73 Volgens de rechtspraak moeten het dispositief en de motivering van de beschikking, zoals zij aan de adressaat of de adressaten is betekend, overeenstemmen met de door het college van leden van de Commissie goedgekeurde beschikking, afgezien van zuiver grammaticale en spellingcorrecties die nog in de tekst van een handeling mogen worden aangebracht nadat deze door het college definitief is goedgekeurd (arrest Hof van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, punten 62-70).

74 In casu bevatte artikel 3, eerste alinea, van het dispositief van de op 21 januari 1998 aan partijen meegedeelde beschikking een rekeningnummer waarop de geldboeten moesten worden betaald. Bij beschikking van 2 februari 1998 verving de Commissie dat nummer door verschillende andere rekeningnummers. Deze wijziging, de enige die bij de beschikking van 2 februari 1998 is aangebracht, kwam voor in de tekst van de beschikking die op 5 februari 1998 formeel aan verzoeksters is betekend en die vergezeld ging van een brief waarin de door het college van leden van de Commissie aangebrachte correctie trouwens uitdrukkelijk werd vermeld. Niet betwist wordt dat in de beschikking geen andere wijzigingen zijn aangebracht. Daar de beschikking, zoals die aan verzoeksters is betekend, overeenstemt met de beschikking die door het college van leden van de Commissie is vastgesteld, is het argument inzake onregelmatigheden bij de vaststelling van de beschikking dus niet gegrond.

75 Met betrekking tot de gestelde weglating van de punten 38 en 40 van de considerans van de beschikking, zoals die aan AST is betekend, volstaat de vaststelling dat het slechts om een fout in de nummering gaat die zonder belang is, daar die punten overeenkomen met de tweede alinea van de punten 37 en 39 van de aan AST betekende tekst van de beschikking.

76 Derhalve moet het onderhavige middel worden afgewezen, zonder dat het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang behoeft te worden ingewilligd.

III - De middelen inzake ontoereikende motivering, kennelijk verkeerde beoordeling van de feiten en onjuiste rechtsopvatting

A - De oorsprong van de inbreuk

Argumenten van partijen

77 Verzoeksters stellen dat de beschikking kennelijke beoordelingsfouten bevat en misbruik van bevoegdheid oplevert, omdat zij is gebaseerd op niet bewezen stellingen betreffende de oorsprong van de berekeningsformule van de legeringstoeslag, die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de inbreuk waarop de beschikking betrekking heeft, en op de bepaling van het bedrag van de geldboete.

78 Dienaangaande verwijten verzoeksters de Commissie dat zij in de punten 19, 50 en 56 van de considerans van de beschikking stelt, dat het gebruik van een enkele berekeningswijze van de legeringstoeslag door de producenten van roestvrij staal van 1988 dateert en het gevolg was van een onderlinge afstemming, zodat de onderling afgestemde wijziging van de referentiewaarden in 1994 slechts een van de stappen in de ontwikkeling ervan was. In dat verband verwijten zij haar in het bijzonder dat zij heeft verwezen naar beschikking 90/417/EGKS van de Commissie van 18 juli 1990 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende een overeenkomst en onderling samenhangende gedragingen van Europese fabrikanten van koudgewalste platte producten van roestvrij staal (PB L 220, blz. 28).

79 Verder meent AST dat de verklaring van de Commissie in punt 55 van de considerans van de beschikking, dat de berekeningswaarden in de formule van de legeringstoeslag kunnen worden gelijkgesteld met aanbevelingen in de zin van de bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende samenwerking tussen ondernemingen (PB 1968, C 75, blz. 3; hierna: bekendmaking van 1968"), slechts dient om het doel van de mededingingsregeling veel erger voor te stellen dan het in werkelijkheid is.

80 Om te kunnen nagaan waarop de Commissie die vaststellingen heeft gebaseerd, verzoekt AST het Gerecht de overlegging van de interne documenten van de Commissie te gelasten.

81 De Commissie brengt daartegen in dat aan verzoeksters geen enkele inbreuk op de mededingingsregels met betrekking tot de periode vóór 1993 wordt verweten. Bovendien heeft de beoordeling van feiten van eerdere datum geen enkele invloed gehad op de beoordeling van de vastgestelde inbreuk of op de berekening van het bedrag van de opgelegde geldboete.

Beoordeling door het Gerecht

82 Opgemerkt moet worden, dat het doel van het kartel, zoals dat met name in punt 47 van de considerans van de beschikking is omschreven, erin bestond dat alle producenten van platte producten van roestvrij staal met ingang van dezelfde datum bij de berekening van de reeds eerder gehanteerde legeringstoeslag dezelfde referentiewaarden zouden gebruiken, teneinde voor die producten tot een prijsverhoging te komen.

83 Verder moet met betrekking tot de duur van de inbreuk worden opgemerkt dat de Commissie in punt 50 van de considerans van de beschikking verklaart, dat er weliswaar goede redenen zijn om aan te nemen dat de mededingingsregeling haar oorsprong vindt in 1988, vanaf wanneer de ondernemingen een identieke berekeningswijze voor de legeringstoeslag hebben gehanteerd, maar dat de feiten op dat punt niet afdoende bewezen zijn. Zij leidde daaruit af dat de mededingingsregeling voortvloeiend uit de onderling afgestemde wijziging van de referentiewaarden in die berekeningsformule een aanvang had genomen met de bijeenkomst van Madrid in december 1993 en was voortgezet tot de dag van vaststelling van de beschikking. Derhalve heeft de Commissie aangenomen dat de inbreuk slechts vier jaar heeft geduurd, namelijk de periode tussen de datum van de bijeenkomst van Madrid en de datum van vaststelling van de beschikking, behalve voor Avesta en Thyssen Stahl, wier inbreuk volgens haar van kortere duur was (punt 78 van de considerans van de beschikking).

84 Anders dan verzoeksters stellen, volgt daaruit dat het feit dat de Commissie misschien van mening was dat de mededingingsregeling haar oorsprong vond in het gebruik door de ondernemingen van een identieke formule voor de berekening van de legeringstoeslag vanaf 1988, geen enkel rechtsgevolg heeft gehad, noch voor de kwalificatie van de inbreuk noch voor de berekening van het bedrag van de geldboete. Een dergelijke overweging kan de wettigheid van de beschikking dan ook niet aantasten.

85 Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar beschikking 90/417 in de punten 19 en 56 van de considerans van de beschikking. Die verwijzing diende alleen om de context van het gebruik van de berekeningsformule van de legeringstoeslag te schetsen, en niet om het doel, het gevolg of de duur van de mededingingsregeling waarop de beschikking betrekking heeft, te beoordelen of om het bedrag van de geldboete te berekenen.

86 Ook het argument dat de verwijzing naar de bekendmaking van 1968 slechts diende om het doel van de mededingingsregeling veel erger voor te stellen dan het in werkelijkheid was, moet worden afgewezen.

87 Dienaangaande moet immers worden vastgesteld dat de Commissie naar die bekendmaking heeft verwezen om aan te tonen dat de betrokken ondernemingen, anders dan zij hadden gesteld, haar opvatting over overeenkomsten inzake calculatieschema's hadden moeten kennen. Om die reden heeft zij er in de punten 62 en 63 van de considerans van de beschikking op gewezen, dat volgens de bekendmaking van 1968 overeenkomsten die uitsluitend het gemeenschappelijk opstellen van calculatieschema's ten doel hebben, niet als mededingingsbeperkingen moeten worden beschouwd, maar dat dit niet het geval is voor schema's die bepaalde calculatiepercentages bevatten. Zij verwees in dat verband naar haar beschikkingspraktijk en herinnerde eraan dat dit soort schema's wordt gelijkgesteld met de mededinging beperkende aanbevelingen, daar die schema's de prijspolitiek van de ondernemingen kunnen beïnvloeden doordat zij het mogelijk maken hun kosten te berekenen.

88 In casu voert AST evenwel niets aan dat twijfel kan doen rijzen omtrent de juistheid van die vaststellingen en toont zij evenmin aan dat de Commissie een ander doel nastreefde dan aantonen dat de regeling waarop de beschikking betrekking had, van dien aard was dat zij de mededinging beperkte.

89 Ten slotte moet worden vastgesteld dat AST geen enkele serieuze aanwijzing heeft gegeven voor of het bewijs heeft geleverd van het bestaan van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering kan worden gemaakt op de algemene regel dat interne documenten van de Commissie niet toegankelijk zijn voor verzoekende partijen. Derhalve moet haar verzoek strekkende tot overlegging van die documenten worden afgewezen.

90 Bijgevolg moet het onderhavige middel worden afgewezen.

B - Doel en kwalificatie van de mededingingsregeling

1. De omschrijving van de bijeenkomst van Madrid

Argumenten van partijen

91 Verzoeksters stellen dat het doel van de bijeenkomst van Madrid in punt 44 van de considerans van de beschikking onjuist en onnauwkeurig is weergegeven. Volgens die beschrijving zouden de betrokken ondernemingen namelijk niet alleen overleg hebben gepleegd over de invoering en de toepassing van referentiewaarden voor de legeringselementen in de berekeningsformule van de legeringstoeslag, maar ook over de vaststelling van een identieke berekeningsformule. Die vaststelling staat haaks op de bewering dat het gebruik van een identieke formule van ongeveer 1988 dateert.

92 AST voegt daaraan toe dat het doel van de mededingingsregeling tegenstrijdig en onnauwkeurig is weergegeven. Zo punt 70 van de considerans van de beschikking juist is voorzover daarin wordt verklaard dat de mededingingsregeling alleen tot doel had de referentiewaarden in de formule voor de berekening van de legeringstoeslag te wijzigen, zonder toezegging dat die waarden naderhand zouden worden gehandhaafd, wordt de inbreuk in artikel 1 van de beschikking evenwel omschreven als de wijziging en de toepassing van die waarden in onderlinge afstemming. Er is evenwel niets waaruit blijkt dat de bijeenkomst van Madrid ook tot doel had, de overeengekomen referentiewaarden te handhaven.

93 De Commissie stelt dat de argumenten van verzoeksters over het werkelijke doel van de bijeenkomst van Madrid niet gegrond zijn, omdat zij zich in de beschikking niet heeft uitgesproken over de vaststelling van één enkele formule voor de berekening van de legeringstoeslag, maar over het gebruik door alle betrokken ondernemingen van dezelfde nieuwe referentiewaarden in de bestaande berekeningsformule. AST zou betwisten dat het om een voortdurende inbreuk gaat.

Beoordeling door het Gerecht

94 Vastgesteld moet worden dat in punt 44 van de considerans van de beschikking staat te lezen:

[...] het doel van de bijeenkomst van Madrid [was] te komen tot een eenvormige verhoging van de prijzen van roestvrij staal ter compensatie van de stijging van de prijzen van legeringselementen. Er werd immers een uiteenzetting gegeven over de verschillende berekeningswijzen van de toeslag in het verleden en na deze bijeenkomst hebben alle ondernemingen een identieke gedragslijn aangenomen. Zij hebben met ingang van 1 februari 1994 op hun verkopen in Europa, met uitzondering van Spanje en Portugal, een legeringstoeslag toegepast overeenkomstig de formule die voor het laatst in 1991 was gebruikt, waarbij als referentiewaarden voor de legeringselementen de waarden werden gehanteerd die deze in september 1993 hadden bereikt. [...]"

95 Ook punt 45 van de considerans van de beschikking, waarin sprake is van de wederinvoering van de legeringstoeslag door de producenten van roestvrij staal op dezelfde datum en onder dezelfde voorwaarden", bevestigt dat de beoordeling van de Commissie niet sloeg op het gebruik van één enkele berekeningsformule als zodanig, dat van vóór 1993 dateert, maar op de invoering van dezelfde referentiewaarden in deze berekeningsformule door alle ondernemingen.

96 Zoals gezegd (zie hierboven, punt 82), is daaruit in punt 47 van de considerans van de beschikking afgeleid dat het doel van het kartel erin bestond, dat alle ondernemingen met ingang van dezelfde datum bij de berekening van de eerder reeds gehanteerde legeringstoeslag gebruik maken van dezelfde referentiewaarden, met het doel tot een prijsverhoging te komen.

97 Daaruit volgt dat de bijeenkomst van Madrid in de beschikking niet wordt beschreven als een bijeenkomst waar een berekeningsformule voor de legeringstoeslag werd vastgesteld, maar als een bijeenkomst die ten doel had de invoering van dezelfde referentiewaarden in deze formule door alle producenten.

98 Het argument van AST dat het doel van de mededingingsregeling tegenstrijdig en onnauwkeurig is weergegeven, omdat niet wordt aangetoond dat die regeling ook betrekking had op de handhaving van de in de formule voor de legeringstoeslag ingevoerde referentiewaarden, moet eveneens worden afgewezen. Door aan te geven dat de mededingingsregeling het gebruik van dezelfde referentiewaarden in de berekeningsformule tot doel had, heeft de Commissie noodzakelijkerwijs aangenomen dat de betrokken ondernemingen die waarden daadwerkelijk wilden toepassen. De vraag of de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat dit het geval was, moet samen met het middel inzake de duur van de vastgestelde inbreuk worden onderzocht (zie hierboven, punten 174-184).

99 Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.

2. De afstemming van de prijzen en de legeringstoeslagen

Argumenten van partijen

100 Verzoeksters betwisten de relevantie van de vaststellingen van de Commissie betreffende de wijze waarop de legeringstoeslag in de praktijk wordt toegepast. In de beschikking worden de feiten huns inziens kennelijk onjuist beoordeeld en is er sprake van een onjuiste rechtsopvatting dienaangaande, voorzover de ondernemingen daarin wordt verweten dat zij buiten hun nationale markten de prijs van hun platte producten van roestvrij staal hebben afgestemd op de prijzen van één enkele producent (punt 39, vierde alinea, van de considerans van de beschikking).

101 Verzoeksters stellen dat artikel 60 EGKS-Verdrag uitdrukkelijk voorziet in een afstemmingsmechanisme" voor de prijzen, op grond waarvan de producenten de prijzen buiten hun nationale markt in overeenstemming brengen met de prijzen van de nationale producent, of bij gebreke daarvan, van de belangrijkste leverancier. Daar die afstemming van prijzen het gevolg is van autonome handelingen, heeft zij geen bewijskracht voor het vaststellen van het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 65 van het Verdrag. Derhalve zijn ook de in de punten 38 en 40 van de considerans van de beschikking aangehaalde verklaringen van Avesta irrelevant, aangezien daarin slechts sprake is van een afstemming van de prijzen, die volgens punt 40 van de considerans van de beschikking evenwel niet onveranderlijk" plaatsvond.

102 AST stelt verder nog dat uit deze overwegingen over de afstemming van de prijzen van platte producten van roestvrij staal blijkt dat de Commissie het doel van de mededingingsregeling kennelijk onjuist heeft beoordeeld, aangezien zij heeft aangenomen dat die regeling ook betrekking had op de prijzen van platte producten, en niet alleen op de legeringstoeslag.

103 Ten slotte menen verzoeksters dat de onjuiste of ontoereikende motivering van de beschikking met betrekking tot de beoordeling van de gedragingen van de ondernemingen op de markt wordt bevestigd door de verschillen tussen de Duitse en de Italiaanse tekst van de beschikking. Volgens de Duitse taalversie van punt 39 van de considerans van de beschikking zijn de ondernemingen het eens geworden (geeinigt") over de prijslijst van een zelfde producent, terwijl zij zich volgens de Italiaanse tekst op elkaar hebben afgestemd (si sono allineate"). De Duitse taalversie van de beschikking is op dit punt kennelijk onjuist, aangezien zij evenmin overeenkomt met de verklaringen van Avesta die tot staving daarvan worden aangevoerd. In repliek beklemtoont KTS dat de Commissie erkent dat het woord geeinigt" verwarring kan scheppen, maar dat zij daaruit niet de logische conclusie trekt dat de motivering tegenstrijdig is.

104 Verzoeksters vragen in elk geval dat overeenkomstig artikel 25 van het Statuut van het Hof een deskundig onderzoek wordt gelast teneinde uit te maken of er wezenlijke verschillen zijn tussen de verschillende taalversies van de beschikking en met name tussen de Duitse en de Italiaanse tekst.

105 De Commissie antwoordt hierop dat de beschikking geen betrekking heeft op een mededingingsregeling betreffende de toepassing van een identieke prijslijst voor platte producten, maar op een mededingingsregeling betreffende het eenvormig gebruik van de formule voor de legeringstoeslag in identieke omstandigheden. Punt 39 van de considerans van de beschikking is in dit verband slechts een voorbeeld van de wijze van toepassing van de formule voor de legeringstoeslag, en of de ondernemingen een overeenkomst hadden gesloten over de prijs van platte producten, was niet van belang, met name niet bij de berekening van het bedrag van de geldboete. Dienaangaande blijkt uit de punten 29 tot en met 36 van de considerans van de beschikking duidelijk, dat de ondernemingen na de bijeenkomst van Madrid hadden besloten de legeringstoeslag toe te passen op alle nationale en buitenlandse markten, zoals trouwens wordt bevestigd in de in punt 38 van de considerans van de beschikking aangehaalde nota van Avesta. Uit de punten 42 en volgende van de considerans van de beschikking blijkt trouwens dat die wijze van toepassing van de legeringstoeslag alle producenten in staat stelde op voorhand te weten hoe alle ondernemingen zich zouden gedragen.

106 In die omstandigheden is het in artikel 60 EGKS-Verdrag bedoelde mechanisme voor de afstemming van de prijzen geenszins geschonden en kan de Duitse versie van punt 39 van de considerans van de beschikking alleen tot verwarring leiden indien zij geïsoleerd wordt beschouwd.

Beoordeling door het Gerecht

107 In de eerste plaats moet worden onderzocht, of de beschikking kennelijke beoordelingsfouten bevat met betrekking tot de beschrijving - in de punten 37 tot en met 41 van de considerans van de beschikking - van de wijze waarop de legeringstoeslag in de praktijk wordt toegepast, zoals verzoeksters stellen.

108 Dienaangaande moet meteen worden vastgesteld dat in de beschikking aan verzoeksters, anders dan dezen stellen, geen mededingingsregeling betreffende de prijs van platte producten van roestvrij staal ten laste wordt gelegd, maar alleen - zoals reeds gezegd (zie hierboven punt 82) - deelneming aan een mededingingsregeling betreffende de onderling afgestemde invoering en toepassing van dezelfde referentiewaarden voor legeringselementen in de berekeningsformule van de legeringstoeslag.

109 Dat in punt 39, vierde alinea, van de considerans van de beschikking wordt verklaard dat de betrokkenen ondernemingen de prijzen van platte producten van roestvrij staal buiten hun nationale markten hebben afgestemd op de prijslijst van een van de producenten, had derhalve geen enkele invloed op de juridische beoordeling van de inbreuk door de Commissie, noch op de vaststelling van het bedrag van de geldboeten, hetgeen verzoeksters trouwens ook niet betwisten.

110 Verder zij erop gewezen dat de Commissie in de beschikking bij de beschrijving van de wijze waarop de legeringstoeslag in de praktijk wordt toegepast, heeft gewezen op andere elementen dan de afstemming van de prijzen van platte producten van roestvrij staal, die slechts één van de factoren vormde van de context waarin de afstemming plaatsvond.

111 De beschikking is immers vooral gebaseerd op een nota van Avesta van 17 januari 1994, waarin na de bijeenkomst van Madrid de wijze van toepassing van de legeringstoeslag wordt beschreven, en die met name de volgende passage bevat: Wij zullen op elke thuismarkt van een producent de regels volgen die door de producent zijn vastgesteld, en dus ook de legeringstoeslag toepassen die deze opgeeft" (punt 38 van de considerans van de beschikking). Volgens de beschikking staat daarin ook: Op nationale markten waar [Avesta] niet de thuisproducent, of - op markten zonder thuisproducent - de belangrijkste leverancier was, richtte [Avesta] zich in de regel, maar niet onveranderlijk, naar de tarieven van de thuisproducent of de belangrijkste leverancier, zoals in de sector roestvrij staal algemeen gangbaar was" (punt 40 van de considerans van de beschikking).

112 Verder wordt in punt 41 van de considerans van de beschikking vastgesteld dat verschillende producenten hun klanten na de bijeenkomst van Madrid brieven hebben gezonden waarin zij de wijziging van de referentiewaarden voor de berekening van de legeringstoeslag aankondigden. In één van die brieven, daterend van 31 januari 1994, verklaart een van de producenten met name: Daarom hebben wij geen andere keuze dan legeringstoeslagen toe te passen op alle platte producten van roestvrij staal, zoals ook alle andere fabrikanten doen".

113 Gelet op die bewijselementen is dus niet aangetoond dat de beschikking beoordelingsfouten bevat voorzover daarin wordt vastgesteld dat de betrokken ondernemingen na de bijeenkomst van Madrid hun legeringstoeslagen vrijwillig en daadwerkelijk op elkaar hebben afgestemd.

114 Daar in de beschikking verder duidelijk de redenering is aangegeven die de Commissie tot die conclusie heeft gebracht, kan het argument inzake ontoereikende motivering op dit punt niet worden aanvaard.

115 In de tweede plaats moet worden onderzocht of, zoals verzoeksters stellen, de beschikking het bij artikel 60 EGKS-Verdrag ingestelde mechanisme voor afstemming van de prijzen schendt en daardoor blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting.

116 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de in artikel 60, lid 2, EGKS-Verdrag verplicht gestelde publicatie van de prijsschalen en verkoopvoorwaarden bedoeld is om ten eerste verboden praktijken zoveel mogelijk te voorkomen, ten tweede de kopers in staat te stellen zich nauwkeurig van de prijzen op de hoogte te stellen en ook aan het tegengaan van discriminatie deel te nemen, en ten derde de ondernemingen in staat te stellen precies te weten welke prijzen hun concurrenten berekenen, zodat zij zich daarnaar kunnen richten (zie arresten Hof van 21 december 1954, Frankrijk/Hoge Autoriteit, 1/54, blz. 7, 24, en 12 juli 1979, Rumi/Commissie, 149/78, Jurispr. blz. 2523, punt 10).

117 De in de prijslijsten genoemde prijzen moeten evenwel door elke onderneming zelfstandig worden vastgesteld zonder enige, desnoods stilzwijgende, afspraak met anderen. In het bijzonder vormt het feit dat de bepalingen van artikel 60 tenderen naar een beperking van de mededinging, geen beletsel voor de toepassing van het kartelverbod van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag (arrest Frankrijk/Hoge Autoriteit, reeds aangehaald, blz. 32, en arrest Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T-141/94, Jurispr. blz. II-347, punt 312).

118 Verder voorziet artikel 60 EGKS-Verdrag niet in enigerlei contact tussen de ondernemingen vóór de publicatie van de prijslijsten om elkaar wederzijds over hun toekomstige prijzen te informeren. Dergelijke contacten verhinderen een onafhankelijke opstelling van die prijslijsten en kunnen derhalve de normale werking van de mededinging in de zin van artikel 65, lid 1, van het Verdrag vervalsen (arrest Thyssen Stahl/Commissie, reeds aangehaald, punt 313).

119 In casu staat vast dat de producenten van roestvrij staal overeenkomstig artikel 60, lid 2, sub a, EGKS-Verdrag hun verplichting zijn nagekomen om hun prijzen en verkoopvoorwaarden bekend te maken door ze regelmatig aan de Commissie te zenden, en dat die ondernemingen in het kader daarvan aan de Commissie de bedragen hebben medegedeeld van de legeringstoeslagen die zij vanaf 1 februari 1994 zouden toepassen (punt 37 van de considerans van de beschikking).

120 Verzoeksters kunnen zich evenwel niet met succes op het in die bepalingen bedoelde afstemmingsmechanisme beroepen, aangezien de onderlinge afstemming van de referentiewaarden voor de berekening van de legeringstoeslag waarvan sprake is in de documenten waarnaar de Commissie in de punten 38, 40 en 41 van de considerans van de beschikking verwijst, niet het gevolg was van de bekendmaking van de prijsschalen, maar van voorafgaand overleg tussen de producenten tijdens de bijeenkomst van Madrid, waar is overeengekomen identieke referentiewaarden vast te stellen teneinde de legeringstoeslagen naar boven toe te harmoniseren.

121 Daaruit volgt dat de Commissie het afstemmingsmechanisme van artikel 60 EGKS geenszins heeft geschonden en dat de beschikking op dit punt derhalve geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting.

122 Met betrekking tot het argument betreffende het verschil tussen de Duitse en de Italiaanse taalversie van de beschikking volstaat de vaststelling, dat het woord overeenkomst", dat in punt 39 van de Duitse versie van de considerans van de beschikking wordt gebruikt in verband met de afstemming van de prijzen van platte producten van roestvrij staal, geen enkel gevolg heeft gehad voor de kwalificatie van de aan de betrokken ondernemingen verweten gedraging, die, zoals reeds gezegd, betrekking had op de wijze van toepassing van de berekeningsformule van de legeringstoeslag, en niet op de uiteindelijke prijs van die producten. Derhalve moet het verzoek om een deskundig onderzoek worden afgewezen.

123 Bijgevolg faalt het middel en moet het worden afgewezen.

3. Ontoereikende motivering van de kwalificatie als overeenkomst of onderling samenhangende gedragingen

De ontvankelijkheid van het middel

124 De Commissie stelt, dat aangezien het middel van KTS eerst in repliek is aangevoerd, het een nieuw middel is dat overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

125 Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat een middel betreffende het ontbreken van motivering of ontoereikende motivering een middel van openbare orde is dat door de gemeenschapsrechter ambtshalve moet worden opgeworpen (arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 67), en derhalve door partijen in elke stand van het geding kan worden aangevoerd (arrest Hof van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C-166/95 P, Jurispr. blz. I-983, punt 25).

126 Bijgevolg is het middel ontvankelijk.

Ten gronde

Argumenten van partijen

127 In repliek stelt KTS dat de Commissie artikel 15 EGKS-Verdrag, dat haar verplicht haar beschikkingen met redenen te omkleden, heeft geschonden doordat zij de bezwaren inzake onderling samenhangende gedragingen en inzake een overeenkomst door elkaar heeft gehaald.

128 De Commissie antwoordt hierop dat het feit dat een mededingingsregeling als een overeenkomst en subsidiair als onderling samenhangende gedragingen wordt gekwalificeerd, geen dubbelzinnige motivering in de zin van de rechtspraak oplevert (arrest Gerecht van 24 oktober 1991, Rhône-Poulenc/Commissie, T-1/89, Jurispr. blz. II-867, punten 119-124).

Beoordeling door het Gerecht

129 De bij artikel 15 EGKS-Verdrag voorgeschreven motivering moet de betrokkene in staat stellen te weten waarom de maatregel is genomen, zodat hij in voorkomend geval zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan of de beschikking gegrond is, en de gemeenschapsrechter in staat stellen zijn wettigheidstoetsing te verrichten. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van de zaak, in het bijzonder de inhoud van de betrokken handeling, de aard van de redengeving en de omstandigheden waarin zij is vastgesteld (arrest Gerecht van 24 september 1996, NALOO/Commissie, T-57/91, Jurispr. blz. II-1019, punten 298 en 300).

130 In casu moet worden nagegaan, of de kwalificatie van de mededingingsregeling als overeenkomst en subsidiair als onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag toereikend is gemotiveerd. Daartoe moet worden onderzocht of de beschikking afdoende aangeeft dat de bestanddelen van die twee begrippen aanwezig zijn.

131 Aangaande de kwalificatie als overeenkomst wordt er in de beschikking allereerst aan herinnerd dat er sprake is van een inbreuk op artikel 65 van het Verdrag indien de partijen tot een wilsovereenstemming komen die hun commerciële vrijheid beperkt of kan beperken doordat de lijnen van wat zij op de markt ten opzichte van elkaar doen of niet doen, worden uitgestippeld. Contractuele dwang of afdwingbaarheidsregels evenmin als een schriftelijke neerslag van de wilsovereenstemming is noodzakelijk (punt 43 van de considerans van de beschikking).

132 Met betrekking tot de feiten van de zaak worden in punt 44 van de considerans van de beschikking de gegevens vermeld waaruit het bestaan van wilsovereenstemming tussen de betrokken ondernemingen blijkt. Dienaangaande wordt eerst uiteengezet dat de bijeenkomst van Madrid tot doel had te komen tot een eenvormige verhoging van de prijzen van roestvrij staal ter compensatie van de stijging van de prijzen van de legeringselementen, en dat tijdens die bijeenkomst een uiteenzetting werd gegeven over de verschillende berekeningswijzen van de toeslag in het verleden. Vervolgens wordt vastgesteld dat na deze bijeenkomst alle ondernemingen een identieke gedragslijn hebben aangenomen in die zin dat zij met ingang van 1 februari 1994 op hun verkopen in Europa, met uitzondering van Spanje en Portugal, een legeringstoeslag hebben toegepast die was berekend overeenkomstig de formule die in 1991 was gebruikt, op grond van referentiewaarden die overeenkwamen met de waarden voor de legeringselementen in september 1993.

133 Ten slotte wordt er in de beschikking op gewezen dat de wilsovereenstemming is geconcretiseerd door een faxbericht van Ugine van 20 december 1993 aan alle producenten die op de bijeenkomst van Madrid aanwezig waren en aan Outokumpu, waarin de conclusies van deze bijeenkomst worden weergegeven, de legeringstoeslag in detail wordt berekend, met inbegrip van de drempelwaarden voor de toepassing, de wisselkoers ECU/Amerikaanse dollar (USD) en USD/ECU voor de legeringselementen (nikkel, chroom en molybdeen), de referentiemaanden en de genormaliseerde gehaltes van de legeringen.

134 Dienaangaande wordt in de beschikking ook verklaard, dat de kwalificatie als overeenkomst wordt bevestigd door de inhoud van de in punt 41 van de considerans van de beschikking geciteerde brieven, waarbij de verschillende producenten aan hun klanten hebben meegedeeld dat de legeringstoeslag opnieuw werd ingevoerd. In een van die brieven, gedateerd 28 januari 1994, verklaarde Ugine Savoie UK, dat op Europees niveau [was] besloten het stelsel van de legeringstoeslag opnieuw te activeren om rekening te houden met de stijging van de legeringskosten sinds september 1993; deze toeslag zal algemeen worden toegepast vanaf 1 februari 1994". In een andere brief, van 31 januari 1994, deelde Thyssen Fine Steels Ltd haar klanten mee, dat zij geen andere keuze had dan legeringstoeslagen toe te passen op alle platte producten van roestvrij staal, zoals ook alle andere fabrikanten doen. Zoals ook met de vorige toeslagregeling het geval was, is overeenstemming bereikt over een duidelijke basis voor de berekening van de toeslag, die rekening houdt met de gewijzigde verhouding tussen prijzen en kosten".

135 Wat vervolgens de kwalificatie als onderling samenhangende gedragingen betreft, wordt in punt 45 van de considerans van de beschikking beklemtoond dat hoe dan ook, zo mocht worden bestreden dat het om een overeenkomst gaat, [...] de wederinvoering van de legeringstoeslag door de producenten van roestvrij staal op dezelfde datum en onder dezelfde voorwaarden, met name wat de gehanteerde waarden betreft, op zijn minst en zonder enige twijfel een onderling samenhangende gedraging [vormt]". Dienaangaande wordt eraan herinnerd, dat het verbod van overeenkomsten niet kan worden omzeild door de mededinging beperkende feitelijke samenwerking waarbij de ondernemingen elkaar vooraf informeren over de houding die elk van hen voornemens is aan te nemen, zodat elk van hen zijn commerciële gedragingen kan uitstippelen, wetende dat zijn concurrenten zich op dezelfde wijze zullen gedragen.

136 Uit die punten van de considerans van de beschikking blijkt derhalve, dat in de beschikking op toereikende wijze de belangrijkste gegevens rechtens en feitelijk zijn vermeld op grond waarvan de Commissie heeft aangenomen dat de betrokken mededingingsregeling als een overeenkomst of subsidiair als onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag kon worden aangemerkt. In het bijzonder wordt in de beschikking, anders dan KTS stelt, duidelijk onderscheid gemaakt tussen de kwalificatie als overeenkomst en de kwalificatie als onderling samenhangende gedragingen doordat de bestanddelen van die twee begrippen worden vermeld.

137 Bijgevolg moet het middel worden afgewezen.

C - De gevolgen van de mededingingsregeling voor de prijzen

Argumenten van partijen

138 Verzoeksters betogen dat de Commissie de gevolgen van de formule voor de legeringstoeslag op de prijs van platte producten van roestvrij staal en derhalve de gestelde mededingingsbeperking niet afdoende heeft aangetoond. Huns inziens is de motivering op dit punt onjuist en hoe dan ook ontoereikend.

139 Volgens KTS heeft de Commissie in punt 48 van de considerans van de beschikking alleen vastgesteld dat de legeringstoeslag tot 25 % van de totale prijs van roestvrij staal kan bedragen. Daarmee wordt evenwel voorbijgegaan aan het feit dat de afnemers in de praktijk vrij zijn om de producten tegen vaste prijs in plaats van tegen variabele prijs in te kopen.

140 Van haar kant herinnert AST eraan dat de legeringstoeslag slechts één element is van de uiteindelijke prijs van roestvrij staal en dat de prijsschommelingen van de legeringselementen daarin slechts vanaf een bepaald niveau in aanmerking worden genomen. Over het grootste deel van de uiteindelijke prijs van roestvrij staal is echter geen overeenkomst gesloten.

141 Verder stelt zij, dat de Commissie haar stelling niet motiveert en niet staaft. Zo wordt niet geantwoord op het argument dat de stijging van de prijs van roestvrij staal vanaf 1994 grotendeels te wijten was aan de destijds zeer sterke stijging van de vraag (met ongeveer 30 %). Evenmin is rekening gehouden met het feit dat de te Madrid overeengekomen wijziging van de referentiewaarden vanaf juni 1994 geen gevolgen meer sorteerde, omdat de prijzen van de legeringselementen waren teruggevallen op de oorspronkelijke waarden in de berekeningsformule van de legeringstoeslag vóór zij werden gewijzigd.

142 AST stelt ook dat voor de beoordeling van de mededinging beperkende gevolgen van de regeling moet worden gekeken naar de daadwerkelijke toepassing van de nieuwe prijzen voor de afnemers, en niet naar de datum waarop de nieuwe prijzen aan de Commissie zijn meegedeeld. AST heeft de legeringstoeslag evenwel eerst in april 1994 toegepast, dus twee maanden later dan de andere producenten.

143 Ten slotte stellen verzoeksters dat de tegenspraak in de motivering van de beschikking met betrekking tot de gevolgen van de prijsafspraak ook blijkt uit de verschillen tussen de Duitse en de Italiaanse tekst van punt 49 van de considerans van de beschikking. Volgens de Duitse tekst van de beschikking was de wijziging van de referentiewaarden van de legeringstoeslag niet de oorzaak van de stijging van de prijs van roestvrij staal tussen januari 1994 en maart 1995, terwijl er volgens de Italiaanse tekst een concreet oorzakelijk verband is tussen die stijging en de wijziging van de referentiewaarden voor de legeringstoeslag. KTS vordert dan ook dat overeenkomstig artikel 25 van het Statuut van het Hof een deskundig onderzoek zou worden gelast, en AST verzoekt om overlegging van elk document dat daarvoor van nut kan zijn, overeenkomstig artikel 24 van het Statuut van het Hof.

144 De Commissie antwoordt hierop dat de beschikking op dit punt geen beoordelingsfout bevat en evenmin ontoereikend is gemotiveerd.

145 In het bijzonder wordt in de beschikking duidelijk uiteengezet dat de legeringstoeslag een onderdeel vormt van de uiteindelijke prijs van de betrokken producten en dat de mededingingsregeling derhalve tot doel heeft, een element van de prijs vast te leggen. Dienaangaande merkt de Commissie op dat niet echt wordt betwist dat de legeringstoeslag tot 25 % van de totale prijs van de producten kan bedragen. Blijkens de tijdens de administratieve procedure verstrekte gegevens bedroeg de legeringstoeslag in maart 1995 in elk geval 24 % van de uiteindelijke prijs van koudgewalste platen en 25 % van de uiteindelijke prijs van warmgewalste platen, en was het aandeel van de legeringstoeslag in de prijs van andere staalsoorten met een hoger nikkelgehalte nog groter.

146 KTS poogt tevergeefs het economische belang van de inbreuk te relativeren, daar KTN tijdens de procedure heeft verklaard dat de mededingingsregeling was bedoeld om het hoofd te bieden aan een katastrofale economische situatie. Dat in de beschikking niet uitdrukkelijk sprake is van de mogelijkheid voor de afnemers in te kopen tegen vaste prijzen in plaats van tegen variabele prijzen, betekent overigens niet dat de Commissie dat niet wist. Volgens de rechtspraak is de Commissie evenwel niet verplicht in een beschikking in te gaan op alle punten rechtens en feitelijk die partijen tijdens de administratieve procedure hebben aangevoerd.

147 Verder stelt de Commissie dat de gevolgen van de mededingingsregeling voor de uiteindelijke prijs van de producten niet zijn overdreven, daar in de beschikking in dat verband wordt gezegd dat de aanzienlijke stijging van de prijs van roestvrij staal niet uitsluitend te wijten is aan de wijziging van de drempelwaarden voor de legeringstoeslag, ook al wordt eveneens vastgesteld dat die wijziging daar in belangrijke mate heeft toe bijgedragen.

148 Aangaande de gestelde vertraging van AST bij de toepassing van de nieuwe referentiewaarden antwoordt de Commissie dat AST haar zelf officieel heeft meegedeeld dat de nieuwe legeringstoeslag, berekend volgens de nieuwe referentiewaarden, zou worden toegepast met ingang van 1 februari 1994. Die gestelde vertraging bij de toepassing van de mededingingsregeling kan hoe dan niet afdoen aan haar deelneming aan die regeling.

149 Verzoeksters' argument betreffende de gestelde verschillen tussen de Duitse en de Italiaanse taalversie van punt 49 van de considerans van de beschikking is ongegrond. Zelfs al zou worden aangenomen dat in de Duitse versie van de tweede zin van punt 49 van de considerans van de beschikking geen sprake is van een oorzakelijk verband tussen de toepassing van de formule voor de legeringstoeslag en de daaropvolgende prijsstijging, wordt in de volgende zin uitdrukkelijk verklaard dat de prijsstijging voor roestvrij staal weliswaar niet uitsluitend te wijten is (zurückgeführt") aan de wijziging van de drempelwaarden voor de legeringstoeslag, maar dat deze daar toch in belangrijke mate heeft toe bijgedragen.

Beoordeling door het Gerecht

150 Volgens artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag zijn verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van verenigingen van ondernemingen en alle onderling samenhangende gedragingen, welke er direct of indirect toe zouden kunnen leiden om op de gemeenschappelijke markt de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen en in het bijzonder:

a) de prijzen vast te leggen of te bepalen;

[...]".

151 Volgens vaste rechtspraak betreffende de toepassing van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag behoeven de concrete gevolgen van een overeenkomst niet in aanmerking te worden genomen wanneer eenmaal is gebleken dat de overeenkomst ten doel heeft de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen in de zin van dat artikel (arresten Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C-42/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 99; Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 178, en Montecatini/Commissie, C-235/92 P, Jurispr. blz. I-4539, punt 122).

152 Bovendien zijn onderling afgestemde feitelijke gedragingen, ongeacht de gevolgen ervan, verboden wanneer zij ertoe strekken de mededinging te beperken. Het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging veronderstelt immers weliswaar een marktgedrag, doch het vereist niet noodzakelijkerwijs, dat die gedraging de mededinging concreet verhindert of vervalst (arresten Commissie/Anic Partezipazioni, reeds aangehaald, punten 123 en 124; Hüls/Commissie, reeds aangehaald, punten 164 en 165, en Montecatini/Commissie, reeds aangehaald, punten 124 en 125). Wanneer de Commissie rechtens genoegzaam heeft bewezen dat een onderneming heeft deelgenomen aan een afstemming bestemd om de mededinging te beperken, hoeft zij derhalve niet te bewijzen dat die afstemming tot uiting is gekomen in marktgedragingen of de mededinging beperkende gevolgen heeft gehad. Het staat integendeel aan de betrokken onderneming, aan te tonen dat de afstemming geen enkele invloed op haar eigen marktgedrag heeft gehad (arresten Commissie/Anic Partezipazioni, reeds aangehaald, punt 126, en Hüls/Commissie, reeds aangehaald, punt 167).

153 Die beginselen gelden ook bij de toepassing van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag. In zoverre dat artikel spreekt van afspraken die zouden kunnen leiden" tot vervalsing van de normale werking van de mededinging, moet immers worden aangenomen dat deze uitdrukking mede de in artikel 85, lid 1, EG-Verdrag voorkomende formulering ertoe strekken" omvat (arrest Thyssen Stahl/Commissie, reeds aangehaald, punt 277).

154 Derhalve hoeft de Commissie voor het bewijs van een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag geen nadelig gevolg voor de mededinging aan te tonen wanneer zij het bestaan heeft aangetoond van een overeenkomst of van onderling samenhangende gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken (zie arrest Thyssen Stahl/Commissie, reeds aangehaald, punt 277).

155 In casu moeten de verschillende argumenten van verzoeksters, die alleen het ontbreken van de mededinging verstorende gevolgen aanvoeren, worden afgewezen, omdat zij zijn gebaseerd op een verkeerde opvatting van de in artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag geëiste bewijzen. Verzoeksters betwisten immers niet de juistheid van de vaststellingen waarmee de Commissie in de punten 47 en 48 van de considerans van de beschikking wil aantonen dat de betrokken mededingingsregeling ertoe strekte de mededinging te beperken.

156 Alvorens ten overvloede de voor de mededinging nadelige gevolgen van de mededingingsregeling te onderzoeken, heeft de Commissie terecht geoordeeld dat er sprake was van een mededingingsregeling die onder het verbod van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag viel, daar zij ertoe strekte dat een element van de uiteindelijke prijs van platte producten van roestvrij staal werd vastgesteld doordat de betrokken producenten vanaf dezelfde datum dezelfde referentiewaarden voor de legeringselementen in de berekeningsformule voor de legeringstoeslag zouden gebruiken.

157 Zoals immers blijkt uit de rechtspraak betreffende de toepassing van artikel 85, lid 1, sub a, EG-Verdrag geldt het verbod van mededingingsregelingen die al dan niet rechtstreeks prijzen vaststellen, ook voor mededingingsregelingen waarbij een onderdeel van de uiteindelijke prijs wordt vastgesteld (zie, met name arrest, Gerecht van 21 februari 1995, SPO e.a./Commissie, T-29/92, Jurispr. blz. II-289, punt 146). Derhalve is met name het argument van AST dat met betrekking tot het grootste deel van de uiteindelijke prijs van roestvrij staal geen overeenkomst was gesloten, irrelevant.

158 Bovendien heeft de Commissie in casu in punt 48 van de considerans van de beschikking vastgesteld dat het kartel de mededinging in aanzienlijke mate kon beperken daar de betrokken ondernemingen meer dan 90 % van de verkoop van platte producten van roestvrij staal voor hun rekening namen en de legeringstoeslag de uiteindelijke prijs van die producten tot 25 % kon verhogen.

159 Opgemerkt zij dat verzoeksters de juistheid van die beoordeling niet betwisten. KTS betoogde dienaangaande slechts dat het aandeel van de legeringstoeslag in de uiteindelijke prijs minder dan 25 % bedroeg wanneer haar afnemers inkochten tegen vaste in plaats van tegen variabele prijzen. Niet alleen wordt daarmee niet weerlegd dat het prijssupplement ten gevolge van de legeringstoeslag berekend op grond van de tijdens de bijeenkomst van Madrid vastgestelde referentiewaarden in beginsel een groot deel van de uiteindelijke prijs van de producten kon uitmaken, KTS betwist ook niet dat de aldus berekende legeringstoeslag inderdaad gevolgen had voor de uiteindelijke prijs van haar producten wanneer haar afnemers niet inkochten tegen vaste prijzen.

160 Vaststaat in elk geval dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de beschikking een beoordelingsfout bevat voorzover zij de reële gevolgen van de mededingingsregeling voor de markt betreft.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen