Gerecht EU 29 april 2015, T-217/11, ECLI:EU:T:2015:238

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

29 april 2015 ( *1 )

„Niet-contractuele aansprakelijkheid — Afhandeling door de Ombudsman van een klacht over het beheer van een lijst van geschikte kandidaten van een algemeen vergelijkend onderzoek — Onderzoeksbevoegdheden — Zorgvuldigheidsplicht — Verlies van een kans — Immateriële schade”

In zaak T‑217/11,

Claire Staelen, wonende te Bridel (Luxemburg), aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Levi, M. Vandenbussche en A. Blot, vervolgens door F. Wies en A. Hertzog en ten slotte door V. Olona, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Ombudsman, vertegenwoordigd door G. Grill als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten,

verweerder,

betreffende een beroep strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekster zou hebben geleden als gevolg van de afhandeling door de Europese Ombudsman van haar klacht over het slechte beheer van de lijst van geschikte kandidaten van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, waarop zij als geslaagde kandidate was opgenomen,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Prek, president, I. Labucka en V. Kreuschitz (rapporteur), rechters,

griffier: C. Kristensen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 april 2014,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

I – Feiten voorafgaande aan de klacht bij de Ombudsman

1 Op 2 maart 1999 werd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 60 A, blz. 10) een aankondiging voor een vergelijkend onderzoek geplaatst die met name betrekking had op de organisatie van een algemeen vergelijkend onderzoek op de grondslag van examens met het oog op de vorming van een lijst van geschikte kandidaten voor de aanwerving van Franstalige administrateurs (EUR/A/151/98; hierna: „vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98”). Dat vergelijkend onderzoek werd georganiseerd door het Parlement en door de Raad van de Europese Unie. Verzoekster heeft zich daarvoor aangemeld.

2 Verzoekster, C. Staelen, was vanaf 11 november 1999 tot en met 27 november 2000 als hulpfunctionaris van de categorie A in dienst bij het Europees Parlement. Vanaf laatstgenoemde datum kreeg zij een overeenkomst van tijdelijk functionaris en werd zij ingedeeld in de rang A 7, salaristrap 3, en vervolgens in salaristrap 4 van dezelfde rang. Op 26 november 2003 is haar overeenkomst met het Parlement beëindigd en sindsdien is zij zonder werk.

3 Op 8 en 9 juni 2000 heeft zij deelgenomen aan de schriftelijke examens van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98.

4 Op 26 oktober 2000 heeft de voorzitter van de jury van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 verzoekster meegedeeld dat zij niet zou worden toegelaten tot de volgende examens van dat vergelijkend onderzoek, daar zij voor het schriftelijke examen slechts 17 punten had gekregen, terwijl voor dat examen minstens 20 punten moesten worden behaald. Op 12 januari 2001 is de lijst van geschikte kandidaten van dat vergelijkend onderzoek opgesteld.

5 Op 30 januari 2001 heeft verzoekster na de afwijzing van haar klacht bij het Gerecht beroep ingesteld tegen het besluit van 26 oktober 2000.

6 Op 5 maart 2003 heeft het Gerecht het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 van 26 oktober 2000 houdende weigering om verzoekster toe te laten tot de examens na het schriftelijke examen nietig verklaard (arrest van 5 maart 2003, Staelen/Parlement, T‑24/01, JurAmbt., EU:T:2003:52).

7 Op 22 maart 2004 heeft het Parlement ter uitvoering van het in punt 6 hierboven genoemde arrest Staelen/Parlement (EU:T:2003:52) mondelinge examens georganiseerd waaraan verzoekster als enige kandidate heeft deelgenomen.

8 Op 22 juli 2004 heeft verzoekster een klacht ingediend teneinde de uitslag te krijgen van haar deelname aan vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98.

9 Op 18 augustus 2004 heeft het Parlement verzoekster meegedeeld dat haar naam niet op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst, omdat het totale aantal door haar verkregen punten lager was dan het aantal punten dat de als laatste op die lijst geplaatste kandidaat had behaald.

10 Op 19 januari 2005 heeft verzoekster na de afwijzing van haar klacht beroep tot nietigverklaring van het besluit van 18 augustus 2004 en tot schadevergoeding bij het Gerecht ingesteld.

11 Op 19 mei 2005 heeft het Parlement verzoekster meegedeeld dat het had besloten om haar naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 te plaatsen en dat die lijst geldig was tot en met 1 juni 2007.

12 Bij beschikking van 18 oktober 2006, Staelen/Parlement (T‑32/05, EU:T:2006:328), heeft het Gerecht geoordeeld dat het geen uitspraak meer behoefde te doen over het op 19 januari 2005 ingestelde beroep tot nietigverklaring en het beroep tot schadevergoeding verworpen.

13 Daar haar geen post werd aangeboden, heeft verzoekster verschillende instellingen van de Europese Unie, met name het Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité, aangeschreven teneinde een ambt te vinden. Al die verzoeken zijn afgewezen.

II – Klacht bij de Ombudsman

14 Op 14 november 2006 heeft verzoekster bij de Ombudsman een klacht ingediend over een slecht beheer door het Parlement van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 (hierna: „klacht”).

15 Op 30 januari 2007 heeft de Ombudsman verzoekster meegedeeld dat de klacht zou worden onderzocht en dat het Parlement was gevraagd om een advies uit te brengen over, ten eerste, het beheer van verzoeksters dossier na de opneming van haar naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 en, ten tweede, haar verzoek om met betrekking tot de vervulling van vacante posten bij de instellingen van de Unie op gelijke wijze te worden behandeld.

16 Op 20 maart 2007 heeft het Parlement het gevraagde advies aan de Ombudsman toegezonden.

17 Op 3 mei 2007 heeft de Ombudsman het Parlement meegedeeld dat hij het nodig achtte om zijn dossiers te onderzoeken teneinde met name opheldering te krijgen over de vraag of en hoe de andere instellingen van de Unie op de hoogte waren gesteld van het besluit van het Parlement om verzoeksters naam op te nemen op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98.

18 Op 11 mei 2007 heeft verzoekster bij de Ombudsman haar opmerkingen over het advies van het Parlement over de klacht ingediend.

19 Op 15 mei 2007 heeft verzoekster het Parlement gevraagd om de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 te verlengen. Diezelfde dag heeft zij een kopie van dat verzoek toegezonden aan de Ombudsman. Eveneens diezelfde dag hebben de diensten van de Ombudsman de dossiers van het Parlement onderzocht, welke acht vertrouwelijke documenten bevatten.

20 Op 16 mei 2007 heeft de Ombudsman een „rapport over het onderzoek van de dossiers door de Europese Ombudsman” opgesteld (hierna „onderzoeksrapport”). In dat rapport werd vermeld dat de vertegenwoordigers van de Ombudsman een kopie hadden ontvangen van acht vertrouwelijke documenten, waarvan één werd omschreven als volgt: „Zogenoemd poolingdocument, verspreid door het Europees Bureau voor personeelsselectie [EPSO], met het aantal resterende kandidaten op de lijsten van geschikte kandidaten van alle vergelijkende onderzoeken die door de verschillende instellingen van [de Unie] zijn georganiseerd”.

21 Op 24 mei 2007 heeft de Ombudsman het onderzoeksrapport aan verzoekster en het Europees Parlement toegezonden.

22 Bij brief van 24 mei 2007, waarvan verzoekster diezelfde dag een kopie is toegezonden, heeft de Ombudsman het Parlement voorgesteld om de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 te verlengen om de mogelijkheid van een minnelijke regeling open te houden voor het geval er wanbeheer zou worden vastgesteld. Op 31 mei 2007 heeft het Parlement de Ombudsman meegedeeld dat het de geldigheid van die lijst had verlengd tot en met 31 augustus 2007. Op 6 juni 2007 is verzoekster op de hoogte gesteld van het feit dat de secretaris-generaal van het Parlement had gevraagd om de procedure in te leiden om de geldigheid van die lijst te verlengen tot en met 31 augustus 2007. Op 17 juli 2007 heeft het Parlement verzoekster meegedeeld dat het had besloten om de geldigheid van die lijst te verlengen tot en met 31 augustus 2007.

23 Op 28 augustus 2007 heeft verzoekster de Ombudsman een e-mail gestuurd waarin zij aangaf dat de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 waarop haar naam voorkwam slechts met drie maanden was verlengd, terwijl de geldigheidsduur van die lijst voor de aanvankelijk geslaagde kandidaten langer was geweest. Bij e-mail van 29 augustus 2007 heeft de Ombudsman verzoeksters e-mail beantwoord.

24 Op 15 oktober 2007 heeft het Parlement verzoekster meegedeeld dat haar sollicitatiedossier, indien zij dat wenste, zou worden bewaard voor een periode van tweeënhalf jaar na het verstrijken van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98. Op 19 oktober 2007 heeft verzoekster geantwoord dat het feit dat de geldigheid van die lijst slechts met drie maanden was verlengd, bevestigde dat zij werd gediscrimineerd.

25 Op 22 oktober 2007 heeft de Ombudsman verzoekster zijn besluit naar aanleiding van haar klacht toegezonden (hierna: „besluit van 22 oktober 2007”). In dat besluit stelde de Ombudsman vast dat er geen sprake was van wanbeheer door het Parlement. Ter onderbouwing hiervan gaf hij met name aan dat uit het onderzoek van de dossiers van het Parlement op 15 mei 2007 was gebleken dat het Parlement sinds mei 2005 alleen Franstalige administrateurs met specialisaties op bijzondere gebieden had aangeworven. Dat onderzoek had eveneens aan het licht gebracht dat verzoeksters sollicitatie ter beschikking van alle directoraten-generaal (DG) van het Parlement was gesteld (zie punt 2.4 van dat besluit). Voorts preciseerde hij: „het onderzoek [had] datgene bevestigd wat het Parlement in zijn advies reeds had aangegeven, namelijk dat de lijst van geschikte kandidaten [van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98] waaruit bleek dat [verzoekster] beschikbaar was ter beschikking van de andere instellingen [van de Unie] was gesteld” en dat „[h]et onderzoek eveneens [had] bevestigd dat haar curriculum vitae was toegezonden aan de dienst die om informatie over haar had gevraagd, namelijk de Raad” (zie punt 2.5 van dat besluit). Ten slotte werd met betrekking tot de verlenging van de geldigheid van die lijst opgemerkt dat dit een element betrof dat onder de discretionaire bevoegdheid van de bevoegde administratie viel en werd het Parlement gecomplimenteerd met zijn bereidheid om de geldigheid van die lijst te verlengen (zie punt 2.6 van dat besluit).

III – Onderzoek op initiatief van de Ombudsman

26 Na het besluit van 22 oktober 2007 heeft verzoekster de Ombudsman een aantal brieven gezonden waarin zij melding maakte van fouten die hij zou hebben gemaakt bij de afronding van zijn onderzoek naar de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 en van het ontbreken van een officiële bekendmaking en de interinstitutionele verspreiding van die lijst (zie met name de brieven van 24 januari, 14 juli en 1 augustus 2008). Verzoekster vroeg de Ombudsman om zijn onderzoek op basis daarvan te heropenen. In zijn antwoorden van 1 en 21 juli alsmede van 1 oktober 2008 bevestigde de Ombudsman de conclusies waartoe hij in het besluit van 22 oktober 2007 was gekomen. Bij brief van 8 oktober 2008 heeft verzoekster die briefwisseling beëindigd en verbood zij hem om haar nogmaals te schrijven.

27 Op 5 november 2009 nam P., parlementslid, op verzoeksters verzoek contact op met de Ombudsman met de vraag om het besluit van 22 oktober 2007 te herzien. Op 4 maart 2010 zond P. een herinnering van dit schrijven aan de Ombudsman.

28 Op 10 maart 2010 heeft de Ombudsman de brieven van P. beantwoord. Hij excuseerde zich voor zijn late antwoord en bevestigde zijn conclusie dat er geen sprake was geweest van wanbeheer door het Parlement bij de afhandeling van de klacht. Hij stelde nogmaals dat zijn onderzoek had bevestigd dat de betrokken lijst van geschikte kandidaten ter beschikking van de andere instellingen van de Unie was gesteld en dat het besluit van een tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) over de afloopdatum van de geldigheid van een lijst van geschikte kandidaten onder diens discretionaire bevoegdheid viel.

29 Op 14 april 2010 heeft P. contact opgenomen met de Ombudsman met de vraag om haar zijn opmerkingen te doen toekomen over de inhoud van een brief van 17 maart 2010 die W., een gepensioneerd ambtenaar van het Parlement en oud-collega van verzoekster, haar had toegezonden en waarvan zij een kopie bijsloot. Die brief bevatte vragen over het onderzoek van de Ombudsman alsmede verschillende beschuldigingen jegens hem.

30 In een brief van 1 juni 2010 beschuldigde P. de Ombudsman ervan, verschillende fouten te hebben gemaakt waaronder, met name, een verkeerde opvatting van de feiten door te stellen dat de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 waarop verzoeksters naam voorkwam, ter beschikking van andere instellingen was gesteld. Zij beklemtoonde bovendien dat verzoekster ernstige schade had geleden door de gedraging van de Ombudsman en dat zij derhalve concrete voorstellen van hem verwachtte om die schade te vergoeden.

31 Op 11 juni 2010 heeft de Ombudsman de brief van P. beantwoord. Hij excuseerde zich voor het late antwoord en merkte op dat de inhoud van de brieven van 14 april en 1 juni 2010 snel en minutieus zou worden onderzocht, dat de zaak aan een andere manager was toevertrouwd en dat zij vóór eind juni 2010 op de hoogte zou worden gesteld van de conclusies van dat onderzoek.

32 Op 29 juni 2010 heeft de Ombudsman P. op de hoogte gesteld van de conclusies van zijn onderzoek van haar brieven van 14 april en 1 juni 2010. Ten eerste erkende hij dat de eerste volzin van punt 2.5 van zijn besluit een fout bevatte, voor zover daarin werd aangegeven dat „het Parlement reeds in zijn advies had aangegeven” dat de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 waarop verzoeksters naam voorkwam ter beschikking van de andere instellingen van de Unie was gesteld. Hij verontschuldigde zich daarvoor bij verzoekster en P. Ten tweede zette hij uiteen dat zijn conclusie dat de lijst die melding maakte van verzoeksters beschikbaarheid aan de andere instellingen van de Unie was toegezonden, gebaseerd was op een zogenoemd poolingdocument. Hij gaf aan het te betreuren dat hij dit niet eerder voldoende duidelijk had gemaakt. Bovendien gaf hij toe dat dit document niet vermeldde wanneer het Parlement de betrokken informatie aan EPSO en de andere instellingen had gezonden, ofschoon de chronologie van de feiten, gelet op het verstrijken van de geldigheid van die lijst van geschikte kandidaten op 1 juni 2007, van fundamenteel belang was. Hij gaf aan dat hij daarom had besloten op eigen initiatief een onderzoek in te stellen om na te gaan of er sprake was geweest van een geval van wanbeheer door het Parlement.

33 Bij brief van diezelfde dag heeft de Ombudsman het Parlement op de hoogte gesteld van de fout in punt 2.5 van het besluit van 22 oktober 2007, van zijn rectificatie en van zijn besluit om op eigen initiatief een onderzoek in te stellen teneinde na te gaan of er sprake was geweest van een geval van wanbeheer door het Parlement bij de beoordeling van verzoeksters situatie. In het kader daarvan heeft hij het Parlement gevraagd om hem te adviseren en om aanvullende informatie over verschillende punten. Zo heeft hij het Parlement gevraagd om aan te geven op welke wijze het EPSO, de Raad en de andere instellingen en organen van de Unie op de hoogte had gesteld van het feit dat verzoeksters naam was opgenomen op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, uit te leggen waarom het geen antwoord had gegeven op verzoeksters verzoek van 15 mei 2007 om de geldigheid van die lijst te verlengen, aan te geven of het de Raad had geraadpleegd alvorens te beslissen of de geldigheid van die lijst moest worden verlengd en, in het tegenovergestelde geval, aan te geven waarom, alsmede om zich uit te spreken over het feit dat verzoeksters naam slechts twee jaar en drie maanden op die lijst was opgenomen terwijl die van de andere kandidaten gedurende bijna zes en een half jaar daarop voorkwam.

34 Op 5 juli 2010 had de Ombudsman een ontmoeting met P. Bij die gelegenheid heeft P. hem een kopie gegeven van een brief die W. haar op 30 juni 2010 had gezonden en waarin laatstgenoemde opmerkte dat verzoekster er geen vertrouwen meer in had dat de Ombudsman een objectieve procedure kon inleiden en dat hij onder deze omstandigheden zijn onderzoek onmiddellijk moest afsluiten. Diezelfde dag vond een ontmoeting plaats tussen de manager van de Ombudsman aan wie het dossier was toevertrouwd en W., in de loop waarvan W. bevestigde dat verzoekster vermoedde dat er sprake was van samenspanning tussen de Ombudsman en het Parlement.

35 Op 12 juli 2010 heeft W. de Ombudsman meegedeeld dat verzoekster bezwaar had tegen het nieuwe onderzoek omdat zij hem ervan verdacht samen te spannen met het Parlement. Een kopie van een document met verzoeksters uitvoerige bedenkingen over een nieuw onderzoek is aan de Ombudsman overhandigd. In dat document gaf verzoekster aan dat haar eventuele instemming met dit onderzoek afhing van de antwoorden die de Ombudsman op haar verdenkingen zou geven.

36 Bij aan W. gerichte brief van 19 juli 2010 heeft de Ombudsman geantwoord op de vragen die aan de orde waren gekomen in het document met daarin verzoeksters uitvoerige bedenkingen over een nieuw onderzoek. Hij verzekerde haar dat er geen sprake was van samenspanning en dat hij verheugd zou zijn indien verzoekster zou instemmen met de voortzetting van het onderzoek.

37 Op 26 juli 2010 antwoordde W. dat hij en verzoekster de eerder geuite beschuldigingen herhaalden en uitbreidden. Hij preciseerde dat verzoekster haar bezwaren tegen het nieuwe onderzoek van de Ombudsman handhaafde.

38 Op 8 september 2010 heeft de Ombudsman de brief van W. van 26 juli 2010 beantwoord en met name gesteld dat het geen zin had om in te gaan op alle door hem en verzoekster aangevoerde argumenten, aangezien zij vastbesloten leken om hun grieven aan andere organen voor te leggen.

39 Op 15 november 2010 heeft het Parlement een advies uitgebracht in antwoord op de vragen die de Ombudsman hem in zijn brief van 29 juni 2010 had gesteld. Het heeft daarin aangegeven dat alle gegevens over verzoekster overeenkomstig het ter zake geldende beleid tweeënhalf jaar na afloop van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, dat wil zeggen in maart 2010, waren vernietigd. Het was daarom niet in staat om zijn antwoorden met bewijsstukken te staven zoals het normaliter zou doen en moest vertrouwen op het geheugen van de ambtenaren die destijds met de zaak waren belast. In antwoord op de vragen van de Ombudsman heeft het met name bevestigd dat EPSO, de Raad en de andere instellingen en organen van de Unie tijdig op de hoogte waren gesteld van het feit dat verzoeksters naam op die lijst was geplaatst, dat de Raad was geraadpleegd alvorens de geldigheid van die lijst te verlengen en dat de mogelijk geïnteresseerde instellingen over een langere termijn hadden beschikt om contact op te nemen met verzoekster dan voor andere kandidaten van diezelfde lijst het geval was geweest.

40 Op 22 november 2010 heeft de Ombudsman het Parlement nieuwe vragen gesteld en P. daarvan op de hoogte gesteld bij een brief van diezelfde dag, waarvan verzoekster een kopie is toegezonden. In die brief gaf hij ook aan dat indien verzoekster haar bezwaar tegen het onderzoek op zijn initiatief handhaafde, hij zijn onderzoek zou beperken tot de informatie waarover hij reeds beschikte alsmede tot die welke het Parlement hem nog zou verstrekken.

41 In zijn antwoord van 24 januari 2011 op de nieuwe vragen van de Ombudsman verklaarde het Parlement dat verzoeksters dossier volledig was vernietigd en dat het dus niet langer beschikte over de brieven of e-mails waarbij het de andere instellingen en organen van de Unie op de hoogte had gesteld van het feit dat verzoeksters naam was opgenomen op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98.

42 Op 31 maart 2011 heeft de Ombudsman het besluit genomen om het op zijn initiatief ingestelde onderzoek af te sluiten (hierna: „besluit van 31 maart 2011”). In zijn besluit concludeerde hij dat er geen sprake was van wanbeheer door het Parlement met betrekking tot de afhandeling van verzoeksters brief van 15 mei 2007 en de duur van de opneming van haar naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98. Hij stelde eveneens vast dat de lopende onderzoeken niet behoefden te worden voortgezet, gezien verzoeksters bezwaar daartegen en het ontbreken van groot algemeen belang.

Procedure en conclusies van partijen

43 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 april 2011, heeft verzoekster het onderhavige beroep tot schadevergoeding ingesteld.

44 Verzoekster verzoekt het Gerecht: — de Ombudsman te veroordelen tot betaling aan haar van het bedrag van 559382,13 EUR ter vergoeding van de materiële schade voor het verleden, vermeerderd met vertragingsrente berekend tegen het tarief van de Europese Centrale Bank, vermeerderd met twee punten; — de Ombudsman te veroordelen tot betaling van haar pensioenbijdragen aan het communautaire pensioenstelsel welke overeenkomen met de voor de periode van juni 2005 tot en met april 2011 berekende basissalarissen, te weten op basis van een totaalbedrag van 482225,97 EUR; — de Ombudsman te veroordelen tot maandelijkse betaling aan haar vanaf mei 2011 tot en met maart 2026 van de nettobedragen overeenkomende met de salarissen van ambtenaren van de functiegroep AD, vanaf de rang AD 9, salaristrap 2, tweede jaar, op basis van een normale loopbaan van een ambtenaar van die rang, aangevuld met de bijbehorende bijdragen aan het pensioenstelsel en de ziektekostenverzekering; — de Ombudsman te veroordelen tot betaling van het bedrag van 50000 EUR aan haar ter vergoeding van de geleden immateriële schade; — de Ombudsman te verwijzen in de kosten.

45 De Ombudsman verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.

46 In repliek heeft verzoekster het Gerecht gevraagd om in het kader van maatregelen van instructie en tot organisatie van de procesgang: — de Ombudsman te gelasten om in het onderzoeksdossier opgenomen documenten over te leggen alsmede de e-mails van 24 en 31 mei 2007 betreffende de verlenging van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 waarop haar naam was geplaatst; — de verschijning te gelasten van P. N. Diamandouros, de Europese Ombudsman op het moment van indiening van het verzoekschrift; — te gelasten dat A. en B. van de diensten van de Ombudsman en C., P., H. en S. van de diensten van het Parlement werden gehoord teneinde duidelijkheid te geven over de inhoud van de dossiers die de functionarissen van het Parlement bij het onderzoek van 15 mei 2007 aan de gemachtigden van de Ombudsman hadden overgelegd.

47 Bij brief van 25 april 2012 heeft verzoekster het Gerecht gevraagd om in de onderhavige zaak als nieuw bewijsaanbod stukken te mogen neerleggen die waren verkregen in het kader van de zaak F‑9/12, Staelen/Parlement, welke aanhangig was bij het Gerecht voor ambtenarenzaken. Dit verzoek is ingewilligd bij beslissing van de president van de Eerste kamer van 23 mei 2012. Bij beslissing van die kamer van 19 juni 2012 zijn de in dat verzoek bedoelde stukken en de bij de indiening ervan gezonden brief van 6 juni 2012 in het dossier opgenomen, met uitzondering van het verweerschrift van het Parlement in zaak F‑9/12.

48 Op 23 oktober 2012 heeft verzoekster het Gerecht verzocht om het Parlement en de Ombudsman te vragen om overlegging van de twee e-mails betreffende de terugzending aan het Parlement van kopieën van bepaalde documenten die sinds zijn onderzoek in mei 2007 in het bezit van de Ombudsman waren. In antwoord op dat verzoek heeft de Ombudsman de twee betrokken e-mails ter griffie van het Gerecht neergelegd. Bij beslissing van de president van de Eerste kamer van 21 november 2012 zijn die e-mails in het dossier opgenomen.

49 Bij brief van 19 december 2012 heeft verzoekster ter griffie van het Gerecht nieuw bewijsaanbod neergelegd alsmede een verzoek om vaststelling van maatregelen tot organisatie van de procesgang, gelet op de recente ontwikkelingen in zaak F‑9/12. Bij beslissing van de president van de Eerste kamer van 24 januari 2013 zijn die brief en de bijlagen erbij in het dossier opgenomen.

50 Op 11 juli 2013 heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken zijn arrest in zaak F‑9/12 gewezen, waarbij het Parlement is veroordeeld tot, ten eerste, vergoeding van de ex aequo et bono op 10000 EUR begrote materiële schade daar verzoekster door de gedraging van het Parlement niet op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst en, ten tweede, vergoeding van de ex aequo et bono op 5000 EUR begrote immateriële schade die zij had geleden (arrest van 11 juli 2013, CC/Parlement, F‑9/12, JurAmbt., EU:F:2013:116, punten 124 en 128).

51 Daar de samenstelling van de kamers van het Gerecht bij besluit van 17 september 2013 (PB C 313, blz. 2) is gewijzigd, is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vierde kamer, waaraan de onderhavige zaak dus is toegewezen.

52 Op 28 augustus 2013 heeft verzoekster hogere voorziening ingesteld tegen het in punt 50 hierboven genoemde arrest CC/Parlement (EU:F:2013:116) (zie zaak T‑457/13 P).

53 Op 6 november 2013 heeft verzoekster in het kader van onderzoeksmaatregelen gevraagd om de verschijning van E. O’Reilly, de opvolgster van Diamandouros als Europese Ombudsman, op grond dat het belangrijk was om haar standpunt te vernemen over de fouten van haar voorganger en te vernemen in welke mate zij deze voor haar rekening nam of hekelde.

54 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten om partijen te vragen om een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en heeft het besloten de mondelinge behandeling te openen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn op de schriftelijke vragen van het Gerecht geantwoord. Bovendien zijn partijen in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 9 april 2014.

In rechte

I – Ontvankelijkheid

55 Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan dat het overeenkomstig artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU bevoegd is om kennis te nemen van een tegen de Ombudsman ingesteld beroep tot schadevergoeding (arresten van 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts, C‑234/02 P, Jurispr., EU:C:2004:174; 10 april 2002, Lamberts/Ombudsman, T‑209/00, Jurispr., EU:T:2002:94, punt 52, en 24 september 2008, M/Ombudsman, T‑412/05, EU:T:2008:397, punt 39).

56 De Ombudsman heeft echter twijfels over verzoeksters procesbelang, op grond dat zij in het onderhavige beroep opkomt tegen de ontoereikendheid van het onderzoek van de Ombudsman, terwijl zij zich hevig daartegen heeft verzet. Bovendien merkt hij op dat nog geen definitief besluit is genomen over de vraag wanneer en hoe het Parlement de andere instellingen, organen en instanties op de hoogte heeft gesteld van het feit dat verzoeksters naam was toegevoegd aan de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98. Hij is van mening dat hij zijn onderzoek daarnaar nog steeds opnieuw kan opstarten. Het onderhavige beroep lijkt hem dus prematuur.

57 Verzoekster stelt dat zij procesbelang heeft, daar de twee onderzoeken van de Ombudsman zijn afgesloten met besluiten waarbij is vastgesteld dat er geen sprake was van wanbeheer door het Parlement.

58 Het Gerecht is van oordeel dat verzoeksters verzet tegen het onderzoek op initiatief van de Ombudsman in casu geen afbreuk kan doen aan haar procesbelang. Ook al is dit onderzoek uitgevoerd zonder haar instemming en ondersteuning, zij heeft een belang om vergoeding te vragen van de schade die zij na of in het kader van dat onderzoek zou hebben geleden, zodat de vraag hoe zij zich met betrekking tot dat onderzoek heeft gedragen in casu geen invloed kan hebben op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep.

59 Voorts moet eraan worden herinnerd dat het beroep tot schadevergoeding door het VWEU is voorzien als een zelfstandige beroepsweg, waaraan binnen het systeem van de beroepswegen een bijzondere functie toekomt en toepassingsvoorwaarden zijn gesteld die op zijn specifieke doelstelling zijn afgestemd (arrest van 28 april 1971, Lütticke/Commissie, 4/69, Jurispr., EU:C:1971:40, punt 6, en beschikking van 21 juni 1993, Van Parijs e.a./Raad en Commissie, C‑257/93, Jurispr., EU:C:1993:249, punt 14). Terwijl de beroepen tot nietigverklaring en wegens nalaten ertoe strekken de onrechtmatigheid van een juridisch bindende handeling of het ontbreken van een dergelijke handeling te bestraffen, betreft het beroep tot schadevergoeding het verzoek om vergoeding van schade die voortvloeit uit een handeling, of deze nu juridisch bindend is of niet, of handelwijze die aan een communautaire instelling of een communautair orgaan is toe te rekenen (zie in die zin arresten van 10 juli 1985, CMC e.a./Commissie, 118/83, Jurispr., EU:C:1985:308, punten 29‑31; 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C‑146/91, Jurispr., EU:C:1994:329, punt 26, en 15 juni 1999, Ismeri Europa/Rekenkamer, T‑277/97, Jurispr., EU:T:1999:124, punt 61).

60 De ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tot schadevergoeding kan dus niet worden beïnvloed door het feit dat de Ombudsman nog geen eindbesluit heeft genomen over bepaalde punten die deel uitmaakten van het op zijn initiatief ingestelde onderzoek.

61 Derhalve moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.

II – Ten gronde

A – Inleiding

62 Verzoekster stelt dat in casu is voldaan aan de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. Wat de onrechtmatigheid van de gedraging van de Ombudsman betreft, voert zij vier middelen aan ter onderbouwing van haar beroep.

63 Met haar eerste middel verwijt zij de Ombudsman schending van artikel 3, lid 1, van besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB L 113, blz. 15), en van de artikelen 5 en 9.2 van de algemene uitvoeringsbepalingen die de Ombudsman heeft vastgesteld krachtens artikel 14 van besluit 94/262 (hierna: „algemene uitvoeringsbepalingen”), aangezien hij na de klacht en in het op zijn initiatief uitgevoerde onderzoek heeft nagelaten om al het nodige te onderzoeken teneinde vast te stellen dat er bij het beheer van haar dossier sprake was van een geval van wanbeheer door het Parlement.

64 Met het tweede middel betoogt verzoekster dat de Ombudsman verschillende kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt die haar hebben kunnen schaden bij het onderzoek van de gegrondheid van de klacht en daarna.

65 In het kader van haar derde middel stelt zij dat de Ombudsman niet onpartijdig is geweest, dat hij niet te goeder trouw, objectief en onafhankelijk was en zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid bij het onderzoek van de klacht en daarna.

66 Met het vierde middel betoogt verzoekster dat de Ombudsman zich in het kader van de onderzoeken die hij naar aanleiding van de klacht heeft uitgevoerd schuldig heeft gemaakt aan schending van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur, aan niet-eerbiediging van de redelijke termijn, schending van de artikelen 14 en 17 van de Europese Code van goed administratief gedrag vastgesteld na de resolutie van het Europees Parlement van 6 september 2001 (PB C 72, blz. 331; hierna: „code van goed gedrag”) alsmede van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

67 De Ombudsman betwist deze vier middelen en is van mening dat verzoeksters beroep ongegrond moet worden verklaard.

B – Rechtspraak over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie

68 Volgens vaste rechtspraak is de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU wegens onrechtmatig gedrag van haar organen afhankelijk van een aantal voorwaarden, te weten onrechtmatigheid van het aan de instelling verweten gedrag, werkelijk geleden schade en een causaal verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (zie in die zin arresten van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/EEG, 26/81, Jurispr., EU:C:1982:318, punt 16; 9 november 2006, Agraz e.a./Commissie, C‑243/05 P, Jurispr., EU:C:2006:708, punt 26, en 2 maart 2010, Arcelor/Parlement en Raad, T‑16/04, Jurispr., EU:T:2010:54, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69 Wegens het cumulatieve karakter van deze voorwaarden moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, wanneer aan één van deze voorwaarden niet is voldaan (zie arrest Arcelor/Parlement en Raad, punt 68 supra, EU:T:2010:54, punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70 De voorwaarde betreffende de onrechtmatigheid van de gedraging van een instelling vereist dat wordt aangetoond dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt rechten aan particulieren toe te kennen (arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr., EU:C:2000:361, punten 42 en 43, en 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, Jurispr., EU:C:2008:476, punt 173). Alleen een fout van een instelling die tot een dergelijke voldoende gekwalificeerde schending leidt kan dus leiden tot de aansprakelijkheid van de Unie.

71 Voor de eis dat de schending van een rechtsregel voldoende is gekwalificeerd, geldt als beslissend criterium voor de vervulling ervan dat de betrokken instelling van de Unie de grenzen waarbinnen haar beoordelingsbevoegdheid dient te blijven, kennelijk en in ernstige mate heeft overschreden. Alleen wanneer deze instelling slechts een zeer beperkte of zelfs in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het recht van de Unie volstaan om het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending vast te stellen (zie arresten van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C‑312/00 P, Jurispr., EU:C:2002:736, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Arcelor/Parlement en Raad, punt 68 supra, EU:T:2010:54, punt 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Om uit te maken of er sprake is van een dergelijke schending, is dus de beoordelingsmarge waarover de betrokken instelling beschikt, beslissend (zie in die zin arrest van 12 juli 2005, Commissie/CEVA en Pfizer, C‑198/03 P, Jurispr., EU:C:2005:445, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Wanneer de Ombudsman over een beoordelingsmarge beschikt, kan dus alleen een kennelijke en ernstige overschrijding van de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid een schending van het recht van de Unie vormen die voldoende wordt gekwalificeerd om tot haar aansprakelijkheid te kunnen leiden. Beschikt de Ombudsman bij de uitoefening van zijn functie echter over een aanzienlijk beperkte of zelfs over geen beoordelingsmarge, dan kan de enkele inbreuk op het recht van de Unie volstaan om het bestaan van een dergelijke voldoende gekwalificeerde schending vast te stellen (zie in die zin arrest M/Ombudsman, punt 55 supra, EU:T:2008:397, punt 143).

73 Wat de eis betreft dat de rechtsregel ertoe moet strekken rechten aan particulieren te verlenen, volgt uit de rechtspraak dan aan deze eis wordt voldaan wanneer die regel een voordeel meebrengt dat als verworven recht kan worden gekwalificeerd, die ertoe dient particulieren te beschermen of die de toekenning inhoudt van rechten aan particulieren waarvan de inhoud voldoende kan worden vastgesteld (zie arrest van 19 oktober 2005, Cofradía de pescadores „San Pedro de Bermeo” e.a./Raad, T‑415/03, Jurispr., EU:T:2005:365, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit de rechtspraak volgt bovendien dat aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de geschonden rechtsregel, hoewel die in hoofdzaak algemene belangen beoogt te beschermen, tevens strekt tot bescherming van de individuele belangen van de betrokken personen (zie arrest van 16 mei 2013, Gap granen & producten/Commissie, T‑437/10, EU:C:2013:248, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74 In casu moet dus worden onderzocht of de Ombudsman de gestelde onrechtmatigheden heeft begaan bij de afhandeling van verzoeksters klacht en bij het daaropvolgende op zijn initiatief ingestelde onderzoek. Is dit het geval, dan moet worden nagegaan of deze onrechtmatigheden hebben geleid tot een voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregels die ertoe strekken particulieren rechten te verlenen.

C – Gestelde onrechtmatigheden

1. Onrechtmatigheden bestaande in de schending van artikel 3, lid 1, van besluit 94/262, van de artikelen 5 en 9.2 van de uitvoeringsbepalingen en van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur

a) Opmerkingen vooraf

75 In het kader van het eerste middel stelt verzoekster dat de Ombudsman artikel 3, lid 1, van besluit 94/292 en de artikelen 5 en 9.2 van de uitvoeringsbepalingen heeft geschonden, aangezien hij bij de afhandeling van de klacht en bij het op zijn initiatief uitgevoerde onderzoek niet het nodige heeft onderzocht om de door haar aan de kaak gestelde gevallen van wanbeheer te ontdekken en aan het licht te brengen. In het kader van de eerste grief van het vierde middel betoogt zij dat de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur zijn geschonden, en wel om diezelfde redenen. Die grieven moeten gezamenlijk worden behandeld.

76 Ten eerste moet worden opgemerkt dat de Ombudsman, zoals reeds is geoordeeld, over een ruime beoordelingsmarge beschikt ten aanzien van de gegrondheid van een klacht en het daaraan te geven gevolg en dat hij in die context geen resultaatverplichting heeft (zie in die zin arresten Ombudsman/Lamberts, punt 55 supra, EU:C:2004:174, punten 50 en 52, en M/Ombudsman, punt 55 supra, EU:T:2008:397, punt 143). Alleen een kennelijke en ernstige overschrijding van de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de gegrondheid van een klacht en het daaraan te geven gevolg kan derhalve een voldoende gekwalificeerde schending van het recht van de Unie opleveren om tot de aansprakelijkheid van de Unie te kunnen leiden. Dit geldt ook wanneer de Ombudsman het bestaan van gevallen van wanbeheer beoordeelt waarnaar hij op eigen initiatief een onderzoek heeft ingesteld.

77 Wat de uitoefening van de onderzoeksbevoegdheden van de Ombudsman betreft, moet er bovendien aan worden herinnerd dat uit artikel 3, lid 1, van besluit 94/262 blijkt dat de Ombudsman, na een klacht of op eigen initiatief, overgaat tot alle onderzoeken „die hij nodig acht” om een vermoed geval van wanbeheer bij het optreden van de instellingen en organen van de Unie op te lossen. Artikel 4.1 van de uitvoeringsbepalingen bepaalt dat de Ombudsman beslist of er voldoende redenen aanwezig zijn om naar aanleiding van een ontvankelijke klacht een onderzoek in te stellen. Voorts omschrijft artikel 5 van die bepalingen de onderzoeksbevoegdheden waarover de Ombudsman beschikt door aan te geven dat hij van de instellingen en organen van de Unie „kan” verlangen dat zij informatie verstrekken dan wel het dossier van de betrokken instelling of organen kan controleren. Op grond van artikel 9.2 van die bepalingen beschikt de Ombudsman over dezelfde onderzoeksbevoegdheden bij het instellen van onderzoeken op eigen initiatief.

78 Volgens artikel 3, lid 1, van besluit 94/262 en de artikelen 4.1, 5 en 9.2 van de uitvoeringsbepalingen beschikt de Ombudsman dus eveneens over een beoordelingsmarge ten aanzien van de instelling en de omvang van de uit te voeren onderzoeken alsmede ten aanzien van de onderzoeksinstrumenten die worden gebruikt bij de afhandeling van een klacht of in het kader van een door hemzelf ingesteld onderzoek.

79 In het licht van de hierboven in de punten 70 en volgende genoemde rechtspraak volgt hieruit dat alleen een kennelijke en ernstige schending van de grenzen van de onderzoeksbevoegdheid die hem wordt verleend door artikel 3, lid 1, van besluit 94/262 en door de artikelen 4.1, 5 en 9.2 van de algemene uitvoeringsbepalingen, een voldoende gekwalificeerde schending kan vormen om tot de aansprakelijkheid van de Unie te kunnen leiden.

80 De uitoefening door de Ombudsman van zijn beoordelingsbevoegdheid op onderzoeksgebied moet echter plaatsvinden met eerbiediging van de hogere regels van het Unierecht.

81 Artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, waarin het recht op behoorlijk bestuur is vastgelegd, bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld. Artikel 41, lid 2, van dat Handvest preciseert dat dit recht met name behelst, het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, het recht van eenieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps‑ en het zakengeheim alsmede de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden.

82 Het begrip „met name” in laatstgenoemde bepaling geeft aan dat het recht op behoorlijk bestuur niet beperkt is tot de drie genoemde waarborgen. Dit blijkt eveneens uit de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) die preciseren dat artikel 41 is gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie, die met name behoorlijk bestuur heeft erkend als algemeen rechtsbeginsel.

83 De toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten verwijzen met name naar de rechtspraak volgens welke in gevallen waarin een instelling van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, het toezicht op de inachtneming van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures verleende waarborgen van fundamenteel belang is. Tot die waarborgen behoren met name de eerbiediging van het zorgvuldigheidsbeginsel, dat wil zeggen de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie in die zin arresten van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, Jurispr., EU:C:1991:438, punt 14; 6 november 2008, Nederland/Commissie, C‑405/07 P, Jurispr., EU:C:2008:613, punt 56, en 9 september 2011, Dow AgroSciences e.a./Commissie, T‑475/07, Jurispr., EU:T:2011:445, punt 154).

84 De inachtneming van de verplichting voor een bevoegde instelling om zorgvuldig de feitelijke gegevens te verzamelen die noodzakelijk zijn om haar ruime beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen, alsook het toezicht erop door de Unierechter zijn des te belangrijker wanneer de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid slechts aan een inhoudelijk tot het zoeken naar een kennelijke fout beperkte rechterlijke toetsing is onderworpen. De verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het concrete geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken vormt voor de Unierechter dus een essentiële voorwaarde om te kunnen nagaan of is voldaan aan alle feitelijke en juridische vereisten waarvan de uitoefening van die ruime beoordelingsbevoegdheid afhangt [zie in die zin arresten van 15 oktober 2009, Enviro Tech (Europe), C‑425/08, Jurispr., EU:C:2009:635, punten 47 en 62; 11 september 2002, Pfizer Animal Health/Raad, T‑13/99, Jurispr., EU:T:2002:209, punten 166 en 171, en 16 september 2013, ATC e.a./Commissie, T‑333/10, Jurispr., EU:T:2013:451, punt 84].

85 De beoordelingsmarge die de Ombudsman met betrekking tot de bij de uitoefening van zijn taak te nemen onderzoeksmaatregelen wordt verleend door besluit 94/262 en door de uitvoeringsbepalingen ontslaat hem dus niet van de verplichting om het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit betekent dat hij weliswaar vrijelijk kan beslissen om een onderzoek in te stellen en dat hij, wanneer hij beslist om dat te doen, alle door hem nodig geachte onderzoeksmaatregelen kan treffen, doch dat hij er niettemin voor moet zorgen dat hij, na die onderzoeksmaatregelen, in staat is om de relevante feiten zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken teneinde een besluit te nemen over de gegrondheid van een aangevoerd geval van wanbeheer en over de daaraan te geven gevolgen (zie naar analogie van de verplichting van de Commissie om een klacht te onderzoeken, arrest van 17 mei 2001, IECC/Commissie, C‑450/98 P, Jurispr., EU:C:2001:276, punt 57). De eerbiediging van het zorgvuldigheidbeginsel door de Ombudsman bij de uitoefening van zijn bevoegdheden is des te belangrijker daar hem op grond van artikel 228, lid 1, VWEU en artikel 3, lid 1, van besluit 94/262 de taak is toevertrouwd om gevallen van wanbeheer in het algemeen belang en in het belang van de betrokken burger te ontdekken en te proberen op te lossen.

86 De Ombudsman beschikt derhalve niet over een beoordelingsmarge ten aanzien van de eerbiediging, in een concreet geval, van het zorgvuldigheidsbeginsel. De loutere schending van het zorgvuldigheidsbeginsel volstaat derhalve om het bestaan aan te tonen van een voldoende gekwalificeerde schending in de zin van de in punt 70 hierboven genoemde rechtspraak (zie in die zin arrest van 11 juli 2007, Schneider Electric/Commissie, T‑351/03, Jurispr., EU:T:2007:212, punten 117 en 118).

87 Beklemtoond zij echter eveneens dat niet elke onregelmatigheid van de Ombudsman een schending oplevert van het zorgvuldigheidsbeginsel zoals in punt 83 hierboven omschreven. Alleen een onregelmatigheid van de Ombudsman bij de uitoefening van zijn onderzoeksbevoegdheden die tot gevolg heeft dat hij niet in staat is geweest om alle relevante elementen zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken teneinde een besluit te nemen over de gegrondheid van een klacht over een geval van wanbeheer door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie en over de aan die klacht eventueel te geven gevolgen, kan leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 12 juli 2001, Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, T‑198/95, T‑171/96, T‑230/97, T‑174/98 en T‑225/99, Jurispr., EU:T:2001:184, punt 144).

88 Ten tweede moet, wat het vereiste betreft dat de rechtsregel die zou zijn geschonden ertoe moet strekken om rechten aan particulieren te verlenen, eraan worden herinnerd dat de rechtspraak heeft gepreciseerd dat aan de voorwaarde betreffende het beschermende karakter was voldaan wanneer de geschonden rechtsregel, ofschoon deze in wezen algemene belangen op het oog heeft, eveneens de bescherming van de individuele belangen van de betrokken particulieren verzekerde (zie punt 71 hierboven). Het zorgvuldigheidsbeginsel of het recht op behoorlijk bestuur beoogt duidelijk particulieren te beschermen (zie in die zin arresten van 18 september 1995, Nölle/Raad en Commissie, T‑167/94, Jurispr., EU:T:1995:169, punt 76, en 9 juli 1999, New Europe Consulting en Brown/Commissie, T‑231/97, Jurispr., EU:T:1999:146, punt 39). Ditzelfde geldt voor de regels die van toepassing zijn op de onderzoeken van de Ombudsman, daar zij particulieren de mogelijkheid bieden om klachten in te dienen over gevallen van wanbeheer en op de hoogte te worden gesteld van de uitkomst van onderzoeken die de Ombudsman daartoe instelt (zie in die zin arrest Ombudsman/Lamberts, punt 55 supra, EU:C:2004:174, punt 56).

b) Onrechtmatigheden bestaande in schending van artikel 3, lid 1, van besluit 94/262, van de artikelen 5 en 9.2 van de uitvoeringsbepalingen en van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur bij de onderzoeken betreffende het besluit van 22 oktober 2007

– Inleiding

89 In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel verwijt verzoekster de Ombudsman onrechtmatigheden bij het onderzoek van de klacht die tot het besluit van 22 oktober 2007 heeft geleid.

– Bestaan van onrechtmatigheden

90 Ten eerste verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij bij het Parlement er niet op heeft aangedrongen om bepaalde in het bezit van het Parlement zijnde documenten te verkrijgen die hij niet had ontvangen. Voor de beoordeling van die grief moeten de volgende feiten in herinnering worden gebracht.

91 Op 30 juni 2007 heeft de Ombudsman naar aanleiding van de klacht besloten om de volgende beweringen en verzoeken te onderzoeken: „[h]et Parlement heeft [verzoeksters] verzoek na haar opneming op de [lijst van geschikte kandidaten van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98]” niet correct afgehandeld en „[verzoekster] moet in het kader van de voorziening van een post binnen de communautaire instellingen op gelijke wijze worden behandeld”.

92 In het kader van dat onderzoek heeft de Ombudsman besloten om de dossiers van het Parlement met betrekking tot de volgende punten te controleren: „1) de vraag of het Parlement, nadat [verzoeksters] naam (op 17 mei 2005) op de lijst [van geschikte kandidaten voor vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98] was geplaatst, Franstalige administrateurs die op andere lijsten [van geschikte kandidaten] stonden heeft aangesteld als ambtenaar of tijdelijk functionaris; 2) zo ja, of [verzoeksters] dossier in aanmerking is genomen (en op welke wijze); in dit verband wens ik toegang te verkrijgen tot, met name, de relevante met redenen omklede besluiten betreffende de selecties (daaronder begrepen de nota’s van beëindiging van de bekendmaking); 3) of de andere gemeenschapsinstellingen op de hoogte zijn gesteld van het besluit van het Parlement om [verzoekster] op te nemen op de lijst [van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98] nadat deze (na aanwerving van alle kandidaten van de lijst) was uitgeput en op welke wijze; 4) het Parlement lijkt te stellen dat de lijst [van geschikte kandidaten] waaraan [verzoekster] was toegevoegd (in mei 2005) aan alle DG’s is gestuurd en dat zij eveneens voorkomt op het overzicht van de geldende lijsten dat elk jaar aan de DG’s wordt gezonden”.

93 Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de vertegenwoordigers van het Parlement opmerkingen hebben gemaakt over alle stukken opgenomen in de „dossiers” die voor onderzoek werden voorbereid. Die opmerkingen zijn echter niet overgenomen in het rapport. De betrokken „dossiers” bevatten overigens de volgende stukken: „1) lijst van personen die sinds 1 mei 2005 door het Parlement waren aangeworven als administrateur [...]; 2) het door EPSO verspreide poolingdocument dat het aantal kandidaten aangeeft dat is overgebleven op de lijsten [van geschikte kandidaten] van alle vergelijkend onderzoeken die door de verschillende instellingen van de Unie zijn georganiseerd [...]; 3) een door het Parlement aan de Raad verzonden e-mail met daarbij [verzoeksters] curriculum vitae en sollicitatie; 4) lijst van alle aanwervingen door het Parlement sinds mei 2005 (niveau AD 5); 5) lijst van alle aanwervingen door het Parlement sinds mei 2005 (gevorderd niveau); 6) lijst van alle aanwervingen van Franstalige personen door het Parlement sinds mei 2005 (niveau AD 5); 7) document genaamd ‚Situatie van de lijsten [van geschikte kandidaten] van vergelijkende onderzoeken van het EP’; 8) lijst van tijdelijke functionarissen die een permanente post bij het Parlement bezetten.”

94 Al deze documenten zijn in de loop van de administratieve procedure als vertrouwelijk aangemerkt. Bij zijn dupliek heeft de Ombudsman echter een kopie gevoegd van het document van EPSO van 14 mei 2007 genaamd „Poolingreserve van geslaagde kandidaten van vergelijkende onderzoeken” (poolingdocument van 14 mei 2007), waarvan bepaalde vertrouwelijke gedeelten zwart zijn gemaakt. In dat document wordt voor vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 voor het onderdeel „Administrateur FR” aangegeven dat er op 12 januari 2000 een lijst van geschikte kandidaten was opgesteld en dat er nog maar één persoon op die lijst stond. Voorts heeft verzoekster in het kader van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken in zaak F‑9/12 van het Parlement alle stukken ontvangen die in die „dossiers” waren opgenomen. Op 6 juni 2012 heeft verzoekster die stukken overgelegd in de onderhavige zaak.

95 Verzoekster merkt op dat de Ombudsman, na het verzoek gedaan in het kader van de eerste drie vragen die hierboven in punt 92 zijn opgenomen, niet de brieven met informatie heeft gekregen over de opneming van haar naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98. Zij verwijt hem dat hij bij het Parlement niet op die schriftelijke informatie heeft aangedrongen.

96 Dienaangaande zij opgemerkt dat de Ombudsman niet uitdrukkelijk heeft gevraagd om toegang te krijgen tot de betrokken brieven met informatie. Hij heeft namelijk gevraagd „of de andere gemeenschapsinstellingen op de hoogte zijn gesteld van het besluit van het Parlement om [verzoeksters naam] op te nemen op de lijst van geschikte kandidaten [van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98] nadat deze (na de aanwerving van alle kandidaten van de lijst) was uitgeput en hoe”. Het Parlement kon dus met alle mogelijke middelen aantonen dat het de andere instellingen op de hoogte had gesteld van zijn besluit. Derhalve kan de Ombudsman niet worden verweten dat hij niet heeft aangedrongen om specifiek die brieven met informatie te krijgen. Verzoeksters grief moet derhalve ongegrond worden verklaard.

97 Verzoekster verwijt de Ombudsman eveneens dat hij niet de nota’s van beëindiging van de bekendmaking tot zijn beschikking heeft gehad die hij aan het Parlement had gevraagd.

98 Dienaangaande zij opgemerkt dat de Ombudsman onder punt 2 van de onderzoeksmaatregelen die hij op 30 juni 2007 heeft getroffen (zie punt 92 hierboven) heeft aangegeven dat hij alleen indien het Parlement na de toevoeging van verzoeksters naam aan de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, Franstalige administrateurs die op andere lijsten van geschikte kandidaten waren geplaatst als ambtenaar of tijdelijk functionaris had aangeworven, toegang wilde krijgen tot de relevante met redenen omklede besluiten betreffende de selecties, daaronder begrepen de nota’s van beëindiging van de bekendmaking. Hieruit volgt dat, nu het Parlement geen Franstalige administrateurs zoals verzoekster heeft aangeworven, de tweede onderzoeksmaatregel zonder voorwerp was geraakt.

99 Niet betwist wordt echter dat het Parlement de Ombudsman bij de controle lijsten heeft gegeven van, ten eerste, de personen die het sinds 1 mei 2005 had aangeworven als administrateur, ten tweede, alle aanwervingen door het Parlement sinds mei 2005 (niveau AD 5), ten derde, alle aanwervingen door het Parlement sinds mei 2005 (gevorderd niveau) en, ten vierde, alle aanwervingen van Franstalige personen door het Parlement sinds mei 2005 (niveau AD 5). Die lijsten heeft verzoekster in de onderhavige zaak neergelegd op 6 juni 2012. Op basis van die lijsten heeft de Ombudsman in het besluit van 22 oktober 2007 vastgesteld dat het Parlement sinds mei 2005 alleen Franstalige administrateurs met specifieke bekwaamheden had aangeworven. Verzoekster heeft na de overhandiging van die lijsten gesteld noch aangetoond dat dit oordeel van de Ombudsman onjuist was. Hem kan derhalve niet worden verweten dat hij niet heeft aangedrongen op de verkrijging van de nota’s van beëindiging van de bekendmaking.

100 Ten tweede is verzoekster van mening dat de beoordeling in punt 2.5 van het besluit van 22 oktober 2007 volgt uit een onderzoek dat is afgesloten zonder de nodige verificaties te doen en onjuist is.

101 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Ombudsman in punt 2.5 van het besluit van 22 oktober 2007 het volgende heeft gesteld: „Het onderzoek heeft bovendien datgene bevestigd wat het Parlement in zijn advies reeds had aangegeven, namelijk dat de lijst van geschikte kandidaten waarop [verzoeksters] beschikbaarheid was vermeld, ter beschikking van de andere gemeenschapsinstellingen was gesteld. Het onderzoek heeft voorts bevestigd dat haar curriculum vitae is gezonden aan de dienst die om informatie over haar vroeg, namelijk de Raad [...]”.

102 Allereerst verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij ten onrechte heeft gesteld dat het Parlement in zijn advies van 22 maart 2007 had aangegeven dat de lijst van geschikte kandidaten waarop haar naam was geplaatst, ter beschikking van andere instellingen was gesteld. Dit verwijt is gegrond, daar het Parlement in dat advies niet heeft aangegeven dat dit het geval is geweest. De Ombudsman erkent dit en geeft toe dat hij ter zake een fout heeft gemaakt. Die fout bestond in een verkeerde opvatting van de inhoud van een document, hetgeen een gebrek aan zorgvuldigheid vormt bij het onderzoek van het dossier en, met name, bij het in aanmerking nemen van een feit dat de Ombudsman zelf relevant heeft geacht.

103 Vervolgens verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij het onderzoek heeft afgesloten ondanks het feit dat het onderzoeksdossier geen enkel bewijs bevatte dat de betrokken lijst van geschikte kandidaten ter beschikking van andere instellingen, organen en instanties van de Unie was gesteld. Haars inziens kon op grond van het door de Ombudsman genoemde poolingdocument van 14 mei 2007 niet worden aangetoond dat die lijst vóór die datum ter beschikking van de andere instellingen was gesteld.

104 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Ombudsman had besloten om de dossiers van het Parlement te onderzoeken, teneinde met name te „ontdekken of de andere gemeenschapsinstellingen op de hoogte [waren] gesteld van het besluit van het Parlement om [verzoeksters naam] op te nemen op de lijst [van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98] nadat deze (na aanwerving van alle kandidaten van de lijst) was uitgeput en hoe” (zie punt 92 hierboven). Bovendien hebben partijen ter terechtzitting bevestigd dat verzoeksters naam op 17 mei 2005 op die lijst was opgenomen. Zoals verzoekster in de klacht stelt, waren op die datum alle ander geslaagde kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 aangeworven. De Ombudsman wilde dus te weten komen of de andere instellingen, organen en instanties van de Unie op de hoogte waren gesteld van het besluit van het Parlement van 17 mei 2005 om verzoeksters naam op diezelfde lijst op te nemen en op welke wijze.

105 In antwoord op deze vraag heeft het Parlement de Ombudsman een lijst verstrekt die was opgenomen in het poolingdocument van 14 mei 2007. Uit deze lijst blijkt dat er op 14 mei 2007 nog steeds de naam van één kandidaat op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 was opgenomen. Aangezien alle andere geslaagde kandidaten van dat vergelijkend onderzoek vóór 17 mei 2005 waren aangeworven, moest de Ombudsman uit dat document afleiden dat verzoekster op 14 mei 2007 de enige kandidaat op die lijst was. Daar het poolingdocument van 14 mei 2007 door de andere instellingen, organen en instanties van de Unie kon worden geraadpleegd, konden zij er althans op 14 mei 2007 van op de hoogte zijn dat verzoekster de laatste geslaagde kandidaat was wier naam op die lijst van geschikte kandidaten voorkwam.

106 Zoals de Ombudsman in zijn verweerschrift echter toegeeft, kan uit het poolingdocument van 14 mei 2007 echter niet worden afgeleid wanneer en op welke wijze de andere instellingen, organen en instanties van de Unie door het Parlement op de hoogte zijn gesteld van de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98.

107 In zijn besluit tot het instellen van een onderzoek heeft de Ombudsman evenwel uitdrukkelijk aangegeven dat hij het dossier van het Parlement wilde onderzoeken teneinde vast te stellen of en op welke wijze de andere instellingen, organen en instanties van de Unie door het Parlement op de hoogte waren gesteld van de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 nadat deze was uitgeput.

108 Bovendien vormt het antwoord op de vraag wanneer en op welke wijze de instellingen, organen en instanties van de Unie op de hoogte zijn gesteld van de opneming van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, een van de relevante elementen die deel uitmaken van het doel van het onderzoek van de Ombudsman naar de vraag of het Parlement, bij de afwikkeling van verzoeksters dossier na die opneming, zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer. Aangezien de geldigheid van die lijst aanvankelijk afliep op 1 juni 2007 en de toezending van die lijst door het Parlement aan de instellingen, organen en instanties van de Unie ertoe kon bijdragen dat verzoeksters kansen op aanwerving groter werden, kon het verzuim van het Parlement om die lijst zo snel mogelijk na de opneming, op 17 mei 2005, van verzoeksters naam daarop toe te zenden aan de andere instellingen, organen en instanties van de Unie, een geval van wanbeheer vormen, en dit ongeacht de vraag of de toepasselijke regels een uitdrukkelijke bepaling bevatten om dat te doen.

109 Door in het kader van zijn onderzoek niet na te gaan wanneer en op welke wijze de opneming van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 door het Parlement aan de andere instellingen, organen en instanties van de Unie was meegedeeld, heeft de Ombudsman derhalve niet voldaan aan zijn zorgvuldigheidsplicht bij het onderzoek van de vraag of en op welke wijze de instellingen, organen en instanties van de Unie op de hoogte waren gesteld van de opneming van verzoeksters naam op die lijst tussen 17 mei 2005 en 14 mei 2007, dat wil zeggen gedurende een groot deel van de geldigheidsduur van die lijst.

110 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de verschillende argumenten van de Ombudsman.

111 Met betrekking tot het argument dat het onderzoeksrapport niet noodzakelijkerwijs een uitputtende lijst bevat van alle documenten die in het dossier zijn opgenomen, maar uitsluitend een opsomming bevat van de documenten waarvan de vertegenwoordigers van de Ombudsman een kopie hadden ontvangen, moet worden vastgesteld dat de Ombudsman in het besluit van 22 oktober 2007 niet heeft aangegeven dat hij die andere documenten heeft gevraagd noch daarvan melding heeft gemaakt. Bovendien heeft hij deze in de loop van het geding niet overgelegd, ofschoon de bewijslast bij hem ligt, aangezien hij zich op die documenten beroept ter rechtvaardiging van dat besluit. Ten slotte geeft hij toe dat het dossier geen andere documenten bevatte, aangezien hij in het verweerschrift stelt dat „[h]et ontbreken, in het dossier van het Parlement, van brieven of e-mails om de andere instellingen te informeren kan worden verklaard door het feit dat die informatie mondeling was verstrekt”. Zijn argument kan dus niet afdoen aan de vaststelling dat hij na zijn onderzoek niet over alle relevante elementen beschikte die nodig waren om naar behoren te kunnen vaststellen of er sprake was van een geval van wanbeheer.

112 Aangaande het argument dat EPSO verzoekster in een brief van 26 april 2007 had aangegeven dat „in vergaderingen die [het] regelmatig hield met de verantwoordelijken voor aanwerving van de verschillende [i]nstellingen, zij systematisch informatie uitwis[selden] over de toestand van hun eigen lijsten van geschikte kandidaten en dikwijls geslaagde kandidaten ter beschikking van anderen stel[den]”, moet worden opgemerkt dat de Ombudsman in het besluit van 22 oktober 2007 geen melding heeft gemaakt van deze praktijk. Bovendien kan uit deze stelling niet worden afgeleid wanneer de andere instellingen, organen en instanties van de Unie op de hoogte zijn gesteld van de opneming van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98. Ook al zou deze praktijk van het mondeling mededeling doen bewezen zijn, dan nog neemt dat niet weg dat de Ombudsman zich niet tot dat feit kon beperken om vast te stellen dat het Parlement in casu de andere instellingen, organen en instanties van de Unie tijdig op de hoogte had gesteld van verzoeksters beschikbaarheid.

113 Ten slotte moet op basis van de verschillende zogenoemde poolingdocumenten die de Ombudsman bij zijn antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft gevoegd worden opgemerkt, dat de informatie over de opneming van de naam van de geslaagde kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 op de lijst van geschikte kandidaten daarvan zoals die in de door EPSO opgestelde poolingdocumenten was meegedeeld, niet volledig betrouwbaar was. Zo staat vast dat verzoeksters naam op 17 mei 2005 op die lijst is opgenomen en dat uit de documenten van het Parlement die de Ombudsman in de loop van het geding heeft overgelegd blijkt dat alle 22 kandidaten die voor dat vergelijkend onderzoek waren geslaagd vóór 31 december 2002 zijn aangeworven, behalve één, die op 1 juni 2003 is aangeworven. Ondanks het feit dat er in februari 2003 nog maar één geslaagde kandidaat was wiens naam nog steeds op die lijst stond, geeft het document van EPSO van 3 februari 2003 aan dat de namen van zes geslaagde kandidaten op die datum nog steeds op die lijst voorkwamen. In januari 2005 zou de betrokken lijst geen enkele naam van een geslaagde kandidaat meer bevatten. Toch stonden er volgens het document van EPSO van 26 januari 2005 op die datum nog twee namen van geslaagde kandidaten op die lijst. Ten slotte zou verzoeksters naam na 17 mei 2005 nog de enige naam op die lijst zijn. Het document van EPSO van 12 december 2005 geeft echter aan dat er nog twee namen van geslaagde kandidaten op die lijst stonden.

114 Ten derde betwist verzoekster de beoordeling opgenomen in punt 1.1 van het besluit van 22 oktober 2007 tot afsluiting van het onderzoek naar aanleiding van de klacht. Haars inziens heeft de Ombudsman ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de tegenstrijdige houding van het Parlement, dat enerzijds spontane sollicitaties afwijst en anderzijds zegt dat het haar vrijstond om spontane sollicitaties aan alle instellingen te zenden.

115 Gelet op deze grief, moeten de volgende feiten in herinnering worden gebracht.

116 Op grond van artikel 2, lid 4, van besluit 94/262 moeten voorafgaand aan de klacht de passende administratieve stappen bij de betrokken instellingen of organen zijn ondernomen.

117 In casu heeft het Parlement verzoekster na een aan hem gedaan verzoek om informatie over de procedure die moest worden gevolgd om te solliciteren naar vacante posten, in een brief van 5 januari 2006 aangegeven dat, wanneer het ging om de vervulling van vacante ambten, achtereenvolgens eerst de mogelijkheden van overplaatsing of bevordering binnen de betrokken instelling moesten worden onderzocht en vervolgens de verzoeken om overplaatsing of de mogelijkheden om een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren. Pas nadat die mogelijkheden waren uitgeput kon de lijst van geschikte kandidaten van een algemeen vergelijkend onderzoek worden geraadpleegd. Voorts heeft het Parlement aangegeven dat sollicitaties van geslaagde kandidaten van algemene vergelijkende onderzoeken naar vacante posten die in het overzicht bekend waren gemaakt, automatisch niet in aanmerking werden genomen.

118 In de klacht heeft verzoekster gesteld dat „[zij zich] tot het Parlement had gewend om te informeren naar de procedure die moest worden gevolg om een aanstelling te krijgen” en dat „[l]aatstgenoemde [haar had] aangegeven dat indien [zij solliciteerde] naar vacante posten, [haar] sollicitatie automatisch zou worden afgewezen, daar de ambtenaren en de geslaagde kandidaten van interne vergelijkende onderzoeken voorrang hadden (cf. de brief van het Parlement van 5 januari 2006, bijlage 3)”. Vervolgens heeft zij zich erover beklaagd dat zij geen enkel voorstel voor een post had ontvangen en aangegeven dat zij er innerlijk van overtuigd was, het slachtoffer van de wraakzucht van het Parlement te zijn.

119 In zijn advies naar aanleiding van de klacht heeft het Parlement gesteld dat het verzoekster vrijstond om spontane sollicitaties aan alle instellingen te zenden.

120 Ten slotte heeft de Ombudsman in punt 1.1 van het besluit van 22 oktober 2007 overwogen: „In haar opmerkingen merkt [verzoekster] op dat zij door een ambtenaar van het Parlement op de hoogte is gesteld van het feit dat zij niet mocht solliciteren naar interne vacatures van het [...] Parlement. De Ombudsman merkt op dat voor zover deze opmerking als een nieuwe bewering moet worden aangemerkt, deze niet is voorafgegaan door de passende stappen bij het Parlement [...]. Om die reden zal de Ombudsman daarbij niet stilstaan in het kader van het onderhavige besluit.”

121 Gelet op deze elementen, moet worden opgemerkt dat de vermeende tegenstrijdige houding van het Parlement volgt uit diens standpuntbepaling nadat verzoekster de klacht heeft ingediend. Verzoekster heeft die gedraging dus niet in de klacht aan de orde kunnen stellen en heeft evenmin de nodige administratieve stappen bij het Parlement kunnen ondernemen, alvorens deze in die klacht aan de kaak te stellen overeenkomstig artikel 2, lid 4, van besluit 94/262. Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat verzoekster noch in de klacht die zij op 14 november 2006 bij het Parlement heeft ingediend noch in de klacht is opgekomen tegen de uitvoering door het Parlement van artikel 29 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „Ambtenarenstatuut”), volgens hetwelk de lijst van geschikte kandidaten van een algemeen vergelijkend onderzoek door de instellingen alleen kan worden geraadpleegd nadat de mogelijkheden van overplaatsing, aanstelling in het kader van bevordering binnen de betrokken instelling, de verzoeken tot overgang of de mogelijkheden om een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren zijn uitgeput.

122 De Ombudsman heeft derhalve geen fout gemaakt toen hij in punt 1.1 van het besluit van 22 oktober 2007 vaststelde dat de door verzoekster aan de orde gestelde vermeende tegenstrijdigheid een nieuwe stelling was en dat deze niet was voorafgegaan door de nodige stappen bij het Parlement. Dat deze tegenstrijdigheid niet is onderzocht kan dus geen schending opleveren van besluit 94/262, van de uitvoeringsbepalingen of van het zorgvuldigheidsbeginsel.

123 Ten vierde verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij het Parlement heeft gecomplimenteerd met de verlenging van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten waarop haar naam voorkwam, zonder zich ongerust te hebben gemaakt over het feit dat haar verzoek om verlenging niet was beantwoord of over een eventuele raadpleging van de Raad.

124 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten waarop verzoeksters naam voorkwam op 1 juni 2007 afliep. Op 15 mei 2007 heeft verzoekster de secretaris-generaal van het Parlement gevraagd om de geldigheid van die lijst te verlengen. Op 6 juni 2007 hebben de diensten van het Parlement die brief beantwoord. Zij hebben aangegeven dat de secretaris-generaal van het Parlement op verzoek van de Ombudsman had gevraagd om de procedure in te leiden om de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 te verlengen tot en met 31 augustus 2007. Op 17 juli 2007 heeft het secretariaat-generaal van het Parlement verzoekster meegedeeld dat de secretaris-generaal van het Parlement op verzoek van de Ombudsman en in afwachting van het resultaat van zijn onderzoek van haar dossier had besloten om de geldigheid van die lijst te verlengen tot en met 31 augustus 2007. Ten slotte heeft de Ombudsman in punt 2.6 van het besluit van 22 oktober 2007 aangegeven: „Wat ten slotte [verzoeksters] brief van 21 mei 2007 betreft waarin zij [liet] weten dat zij op 15 mei 2007 contact [had] opgenomen met de secretaris-generaal van het Parlement teneinde om verlenging van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 te vragen, [herinnerde] de Ombudsman eraan dat hij in een eerdere klacht had vastgesteld dat de door het TABG vastgestelde datum van afloop van de geldigheid van een lijst van geschikte kandidaten, een besluit was dat tot de discretionaire bevoegdheid van de administratie behoorde. In dat verband [complimenteerde] de Ombudsman het Parlement met zijn bereidheid om de geldigheid van de betrokken lijst van geschikte kandidaten te verlengen teneinde hem in de gelegenheid te stellen om zijn onderzoek in deze zaak goed af te ronden.”

125 Gelet op de inhoud van de brief van het Parlement van 6 juni 2007 kan niet worden gesteld dat het Parlement niet rechtstreeks heeft geantwoord op het verzoek om verlenging van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten dat verzoekster in haar brief van 15 mei 2007 had gedaan. Uit de brief van het Parlement van 6 juni 2007 blijkt immers duidelijk dat deze een antwoord vormde op haar brief van 15 mei 2007. Dat uit die brief van het Parlement eveneens blijkt dat de procedure om die lijst te verlengen tot en met 31 augustus 2007 op verzoek van de Ombudsman was ingeleid, betekent niet dat haar verzoek om verlenging niet is beantwoord. Die brief van het Parlement moet worden opgevat als een antwoord op haar verzoek om verlenging van die termijn alsmede als antwoord op het verzoek van de Ombudsman. In elk geval merkt het Gerecht op dat de klacht geen betrekking had op de vraag of het Parlement zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer door niet uitdrukkelijk te antwoorden op verzoeksters verzoek om verlenging van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten waarop haar naam voorkwam. De Ombudsman kan derhalve niet worden verweten dat hij na de klacht geen onderzoek heeft ingesteld naar die kwestie. Ten slotte lijkt het feit dat het Parlement de geldigheid van die lijst heeft verlengd totdat de Ombudsman zijn onderzoek had afgerond, niet vatbaar voor kritiek gelet op de vereisten van behoorlijk bestuur.

126 Verzoekster stelt eveneens dat de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten is verlengd zonder de Raad te raadplegen. Zij werkt deze stelling echter niet voldoende uit. In elk geval maakt deze vraag geen deel uit van het voorwerp van de klacht, zodat de Ombudsman niet kan worden verweten dat hij deze vraag na die klacht niet heeft onderzocht.

127 Ten vijfde verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij na de klacht niet naar behoren heeft onderzocht of zij werd gediscrimineerd ten opzichte van de andere geslaagde kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, omdat haar naam minder lang op de lijst van geschikte kandidaten van dat vergelijkend onderzoek had gestaan dan die van de andere geslaagde kandidaten.

128 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat verzoekster in haar klacht niet heeft gesteld dat zij werd gediscrimineerd omdat haar naam korter op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 had gestaan dan die van de andere geslaagde kandidaten van dat vergelijkend onderzoek. Zij heeft gesteld dat haar sinds haar opneming op die lijst geen post door een instelling was aangeboden en dat zij slachtoffer was van de wraakzucht van het Parlement omdat zij beroepen tegen het Parlement had ingesteld. Voorts heeft zij gepreciseerd dat zij wilde worden „aangesteld of althans op eerlijke wijze in aanmerking wilde komen voor vacatures en wel in alle Europese instellingen”. Ten slotte heeft zij de Ombudsman gevraagd om een onderzoek in te stellen „wegens wanbeheer met betrekking tot het beheer van haar dossier op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98”.

129 In zijn brief van 30 januari 2007 heeft de Ombudsman het Parlement gevraagd om hem een advies te doen toekomen over de volgende stelling en het volgende verzoek: „Verzoekster is van mening dat het Parlement haar dossier, [na de opneming] van haar naam [op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98] niet op de juiste wijze heeft beheerd” en „[verzoekster] vraagt om op gelijke wijze te worden behandeld ten aanzien van de vervulling van vacatures binnen de gemeenschapsinstellingen”.

130 In zijn advies heeft het Parlement vastgesteld dat verzoekster geen feiten had aangetoond om te kunnen aannemen dat er sprake was van rechtstreekse of indirecte discriminatie ten opzichte van andere geslaagde kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98. In haar opmerkingen over het advies van het Parlement heeft verzoekster deze beoordeling niet betwist. De onderzoeken van de Ombudsman hebben evenmin betrekking gehad op de in punt 127 hierboven door verzoekster aangevoerde discriminatie (zie punt 92 hierboven).

131 In haar e-mail van 28 augustus 2007 aan de persoon die bij de Ombudsman belast was met haar dossier heeft verzoekster aangegeven: „Zoals u [wist], [had] het Parlement alleen op uw verzoek (het mijne is stilzwijgend afgewezen) ermee ingestemd om de lijst van geschikte [kandidaten van] vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 te verlengen. De toegestane verlenging [was] slechts voor drie maanden (waarvan twee maanden in de vakantieperiode vielen), terwijl de oorspronkelijke lijst volgens mij voor een langere duur was verlengd. Volgens het Parlement [diende] die termijn slechts ertoe, u in staat te stellen om het door u ingestelde onderzoek af te ronden.”

132 Gelet op deze elementen, kan verzoekster de Ombudsman niet verwijten dat hij na haar klacht niet heeft onderzocht of zij was gediscrimineerd in vergelijking met de andere geslaagde kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 op grond van het feit dat zij minder lang op de lijst van geschikte kandidaten van dat vergelijkend onderzoek had gestaan dan die andere kandidaten. Die stelling was immers niet opgenomen in de klacht. Dit wordt bevestigd door het feit dat verzoekster in haar antwoord op het advies van het Parlement niet is opgekomen tegen het oordeel van het Parlement dat zij geen feiten had aangetoond op grond waarvan kon worden aangenomen dat er sprake was van rechtstreekse of indirecte discriminatie in vergelijking met de andere geslaagde kandidaten van dat vergelijkend onderzoek.

133 Voor zover verzoeksters grief betrekking heeft op de verlenging van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 met slechts drie maanden, terwijl de geldigheid van de aanvankelijke lijst van geschikte kandidaten voor een langere periode was verlengd (zie de in punt 131 hierboven overgenomen e-mail van 28 augustus 2007) dan wel het gebruikelijk was om de geldigheid van dergelijke lijsten voor een langere duur te verlengen (zie de brief van 19 oktober 2007), moet worden opgemerkt dat, aangezien het besluit tot verlenging van de geldigheid van de lijst van geschikte kandidaten waarop verzoeksters naam voorkwam door het Parlement in juni 2007 was genomen, dit geen voorwerp van de klacht kon vormen. De Ombudsman kan derhalve niet worden verweten dat hij die vraag na de klacht niet heeft onderzocht. Bovendien lijken de vragen die verzoekster in de voormelde correspondentie bij de Ombudsman aan de orde heeft gesteld, niet bij het Parlement kenbaar te zijn gemaakt. Ten slotte voert verzoekster geen onderbouwing aan voor haar vage stellingen dat de geldigheid van de lijst voor de aanvankelijk geslaagde kandidaten van dat vergelijkend onderzoek langer was verlengd en dat het gebruikelijk was om de geldigheid van dergelijke lijsten voor langere duur te verlengen. Derhalve kan de Ombudsman niet worden verweten dat hij die stellingen niet specifiek heeft onderzocht. De in punt 127 hierboven genoemde grief ontleend aan het ontbreken van zorgvuldigheid moet dientengevolge worden afgewezen.

134 Ten zesde is verzoekster van mening dat het onderzoeksdossier geen enkel bewijs bevatte van het feit dat de lijst van geschikte kandidaten waarop haar naam was geplaatst aan alle DG’s van het Parlement was gezonden, zodat de Ombudsman ten onrechte had vertrouwd op de stellingen van het Parlement daarover.

135 In zijn advies van 20 maart 2007 heeft het Parlement gesteld dat de lijsten van geschikte kandidaten aan alle DG’s van het Parlement waren gezonden en dat die DG’s elk jaar een overzicht hadden ontvangen van de geldende lijsten en van het aantal geslaagde kandidaten die op elke lijst beschikbaar waren. Voorts heeft de Ombudsman in de loop van zijn onderzoek aangegeven dat hij de dossiers van het Parlement wilde onderzoeken aangaande het feit dat „[h]et Parlement l[eek] te stellen dat de lijst van geschikte kandidaten waaraan [verzoeksters naam] (in mei 2005) w[as] [toegevoegd], aan alle DG’s was gezonden en dat haar naam eveneens voork[wam] op het overzicht van de geldende lijsten dat elk jaar aan de DG’s werd gezonden”.

136 In haar opmerkingen over het advies van het Parlement van 20 maart 2007 heeft verzoekster betoogd dat het Parlement geen enkel element had aangevoerd ter bevestiging van zijn stelling dat de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 aan zijn DG’s was gezonden.

137 Ten slotte heeft de Ombudsman in punt 2.4 van zijn besluit van 22 oktober 2007 gepreciseerd dat „uit zijn onderzoek van het dossier van het Parlement [...] was gebleken dat [verzoeksters] sollicitatie ter beschikking van alle [DG’s] van het Parlement [was] gesteld”.

138 Gelet op deze elementen, moet worden vastgesteld dat de in punt 2.4 van het besluit van 22 oktober 2007 uiteengezette stelling van de Ombudsman, zoals overgenomen in punt 137 hierboven, niet vergezeld gaat van enige precieze verwijzing naar documenten ter mogelijke onderbouwing daarvan, en dit ondanks het feit dat verzoekster in haar opmerkingen over het advies van het Parlement had aangedrongen op de noodzaak om het standpunt van het Parlement te onderbouwen met bewijsmateriaal.

139 Overigens heeft de Ombudsman in zijn bij het Gerecht ingediende geschriften evenmin enig bewijselement daarvoor aangedragen. Hij heeft slechts opgemerkt dat de brief waarin het onderzoek werd aangekondigd duidelijk aangaf dat deze betrekking had op de geldende lijsten die elk jaar aan de DG’s worden gezonden en dat de vaststelling in punt 2.4 van het besluit van 22 oktober 2007 was gedaan met inachtneming van de resultaten van het onderzoek om daaruit af te leiden dat „dit [a]lles erop wees dat [zijn] vertegenwoordigers tijdens hun inspectie inderdaad documenten hadden gezien die bevestigden dat het Parlement zijn diensten op de hoogte had gesteld van het feit dat verzoeksters naam was toegevoegd aan de betrokken lijst [van geschikte kandidaten]”.

140 Gelet op de voorgaande vaststellingen, moet worden erkend dat de Ombudsman bij zijn onderzoek naar de vraag of alle DG’s van het Parlement op de hoogte waren gesteld van de opneming van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, niet heeft voldaan aan zijn zorgvuldigheidsplicht. Dat dit onderzoek niet met de nodige zorg heeft plaatsgevonden wordt immers aangetoond door het feit dat de Ombudsman de beoordeling in punt 2.4 van het besluit van 22 oktober 2007 alleen kan onderbouwen met een veronderstelling gebaseerd op documenten waarvan hij de aard noch de inhoud kan preciseren.

– Bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending

141 Uit het voorgaande volgt dat de Ombudsman in het kader van zijn onderzoek van de klacht drie onrechtmatigheden heeft begaan.

142 Ten eerste heeft hij de inhoud van het advies van het Parlement onjuist opgevat (zie punt 102 hierboven). Deze onjuiste opvatting berust op een gebrek aan zorgvuldigheid bij het onderzoek van het dossier, dat een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht vormt om de Unie aansprakelijk te kunnen stellen. De Ombudsman beschikt immers niet over een beoordelingsmarge wanneer het gaat om de beoordeling van de inhoud van een document.

143 Ten tweede heeft de Ombudsman niet voldaan aan de zorgvuldigheidsplicht bij zijn onderzoek van de toezending door het Parlement van informatie over de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten aan de andere instellingen, organen en instanties van de Unie. Hij toont immers niet aan dat hij de relevante elementen heeft onderzocht en te zijner beschikking heeft gehad om vast te stellen wanneer en op welke wijze de betrokken lijst van geschikte kandidaten tussen 17 mei 2005 en 14 mei 2007 aan de andere instellingen, organen en instanties van de Unie was gezonden (zie punt 109 hierboven). Krachtens de in punt 86 hierboven genoemde rechtspraak vormt deze niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht een voldoende gekwalificeerde schending om tot de aansprakelijkheid van de Unie te kunnen leiden.

144 Ten derde heeft de Ombudsman niet voldaan aan zijn zorgvuldigheidsplicht bij zijn onderzoek van de toezending door het Parlement aan zijn DG’s van de informatie over verzoeksters plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten (zie punt 140 hierboven). Hij heeft immers niet aangetoond dat hij de relevante elementen heeft onderzocht en te zijner beschikking heeft gehad om die toezending te beoordelen. Krachtens de in punt 86 hierboven genoemde rechtspraak vormt dit gebrek aan zorgvuldigheid een voldoende gekwalificeerde schending om tot de aansprakelijkheid van de Unie te kunnen leiden.

145 Aangezien de in de punten 142 tot en met 144 hierboven vastgestelde onrechtmatigheden tot de aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden, heeft de herkwalificatie van de aan die onrechtmatigheden ten grondslag liggende feiten als schendingen van artikel 3, lid 1, van besluit 94/262 en van de artikelen 5 en 9.2 van de uitvoeringsbepalingen geen invloed op de vaststelling van onrechtmatigheden die tot de aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden.

– Conclusie

146 Gelet op het voorgaande, moet worden vastgesteld dat de Ombudsman bij drie gelegenheden na het onderzoek van de klacht niet heeft voldaan aan zijn zorgvuldigheidsplicht en dat die niet-nakoming tot de aansprakelijkheid van de Unie kan leiden.

c) Onrechtmatigheden bestaande in schending van artikel 3, lid 1, van besluit 94/262, van de artikelen 5 en 9.2 van de uitvoeringsbepalingen en van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur in verband met het besluit van 31 maart 2011

147 In het tweede onderdeel van het eerste middel stelt verzoekster dat de Ombudsman verschillende fouten heeft gemaakt bij het op zijn initiatief ingestelde onderzoek en dat de Unie daarvoor aansprakelijk is.

148 Ten eerste verwijt zij hem dat hij geen enkele stelling van het Parlement over de inhoud van het officiële postregister van het Parlement op haar waarachtigheid heeft getoetst.

149 Meer bepaald, heeft de Ombudsman in de punten 77 en 87 van het besluit van 31 maart 2011 uiteengezet dat het Parlement had gesteld dat de communicaties tussen de instellingen over een bepaalde kandidaat in beginsel niet werden ingeschreven in het officiële register. De Ombudsman heeft overwogen dat er geen reden was om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.

150 Verzoekster is van mening dat de Ombudsman niet zonder meer op deze stelling van het Parlement mocht vertrouwen, daar elke officiële correspondentie tussen de instellingen haars inziens normaliter wordt opgenomen in het officiële postregister en alle brieven die zij van het Parlement had ontvangen een nummer droegen dat overeenkwam met het officiële register en niet een intern nummer.

151 Dienaangaande is het Gerecht van oordeel dat het feit dat alle door verzoekster van het Parlement ontvangen brieven een officieel registratienummer droegen geen aanwijzing vormt om twijfel te kunnen zaaien over de waarachtigheid van de stelling van het Parlement dat de correspondentie tussen de instellingen over een kandidaat, niet werd ingeschreven in het officiële correspondentieregister. De correspondentie tussen de instellingen en een kandidaat is van nature immers officieel, terwijl dit niet noodzakelijkerwijs geldt voor de correspondentie tussen instellingen over een kandidaat. Bovendien was het voorwerp van het op initiatief van de Ombudsman ingestelde onderzoek niet het op de juiste wijze bijhouden van de correspondentieregisters door het Parlement, maar de toezending door het Parlement aan de andere instellingen, organen en instanties van de Unie van de lijst van geschikte kandidaten waarop verzoeksters naam voorkwam. Gelet op dit voorwerp van het onderzoek, was de stelling van het Parlement dat er in het officiële register van de correspondentie tussen de instellingen geen enkel spoor over een bepaalde kandidaat was, mogelijkerwijs nadelig voor hem, hetgeen bijdraagt tot de geloofwaardigheid ervan. Gelet op deze elementen, moet worden vastgesteld dat verzoekster niet genoegzaam elementen heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de Ombudsman niet had voldaan aan zijn zorgvuldigheidsplicht, door te vertrouwen op de stelling van het Parlement dat de correspondentie over verzoekster tussen hem en de instellingen niet was ingeschreven in het officiële correspondentieregister van het Parlement.

152 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat deze praktijk van het Parlement om de correspondentie tussen instellingen over verzoekster niet in te schrijven, in strijd kan zijn met artikel 24 van de code van goed gedrag. De vraag of deze praktijk in overeenstemming is met die code vormde in casu immers niet het voorwerp van het onderzoek van de Ombudsman en verzoekster heeft daarover geen klacht ingediend bij de Ombudsman. Bovendien kan de kwestie van de overeenstemming niet afdoen aan de stelling van het Parlement dat de betrokken correspondentie niet was opgenomen in een register.

153 Ten tweede verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij na de instelling van het onderzoek op zijn initiatief, geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het Parlement de andere instellingen had geïnformeerd over de vermelding van haar naam op de lijst van geschikte kandidaten voor vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98. Dienaangaande zij opgemerkt dat vaststaat dat verzoekster zich in de loop van het op initiatief van de Ombudsman ingestelde onderzoek heeft verzet tegen de voortzetting daarvan (zie de brief van 10 juli 2010).

154 Bovendien heeft de Ombudsman in het besluit van 31 maart 2011 allereerst overwogen dat er geen onderzoek behoefde te worden ingesteld, omdat verzoekster zich daartegen verzette. Voorts heeft hij gesteld dat hij in het kader van een onderzoek op zijn initiatief ambtshalve onderzoek kon doen zonder toestemming van verzoekster, voor zover een hoger openbaar belang dat vereist. Zijns inziens was dat in casu echter niet het geval, aangezien hij zijn eigen onderzoek had ingesteld met voornamelijk verzoeksters belang in gedachten. Gelet op die omstandigheden, was hij van mening dat verzoeksters standpunt zich verzette tegen het vervolg van zijn onderzoek en dat dit dus niet behoefde te worden voortgezet (zie de punten 89‑94 van het besluit van 31 maart 2011).

155 Gelet op die in het besluit van 31 maart 2011 aangevoerde redenen, moet allereerst worden opgemerkt dat de Ombudsman in het kader van een op eigen initiatief ingesteld onderzoek niet gehouden was om zijn onderzoek ambtshalve te beëindigen, wanneer een bij dat onderzoek betrokken persoon zich daartegen verzet. Zoals verzoekster aangeeft, schrijft geen enkele bepaling van besluit 94/262 of van de uitvoeringsbepalingen de Ombudsman voor dat hij de instemming van de klager moet krijgen om een onderzoek in te stellen bij een instelling of orgaan van de Unie. Evenmin schrijft enige bepaling hem voor dat hij alleen op eigen initiatief een onderzoek mag instellen wanneer een hoger openbaar belang dat rechtvaardigt.

156 Op grond van zijn verplichting om een onderzoek met zorgvuldigheid uit te voeren moet hij echter rekening houden met alle relevante elementen wanneer hij tot dat onderzoek overgaat. Een van die elementen is de houding van de betrokkenen en het openbaar belang van het onderzoek. De Ombudsman beschikt over een beoordelingsbevoegdheid bij de afweging van die elementen teneinde te beslissen of hij een onderzoek al dan niet moet voortzetten.

157 In casu betwist verzoekster noch dat zij zich heeft verzet tegen het onderzoek op initiatief van de Ombudsman noch dat dit onderzoek niet werd gerechtvaardigd door een bijzonder openbaar belang. Het Gerecht is van oordeel dat de Ombudsman de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake van onderzoeken niet op kennelijke en ernstige wijze heeft miskend door zich op verzoeksters verzet tegen de onderzoeksmaatregelen te beroepen om dat op zijn initiatief ingestelde onderzoek af te sluiten. Door dit onderzoek echter af te sluiten zonder te beoordelen of het Parlement zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer bij het informeren van zijn eigen diensten en de andere instellingen, organen en instanties van de Unie over de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, heeft de Ombudsman ervan afgezien om door middel van dat onderzoek bepaalde fouten te corrigeren die hij had gemaakt bij het onderzoek naar aanleiding van de klacht en van het besluit van 22 oktober 2007. De Ombudsman kan zich derhalve niet beroepen op de instelling van een onderzoek op zijn initiatief teneinde de Unie vrij te stellen van haar aansprakelijkheid voor de fouten die hij heeft gemaakt bij het onderzoek naar aanleiding van de klacht.

158 Voor zover verzoekster de Ombudsman verwijt dat hij geen onderzoek heeft ingesteld naar het verzuim van het Parlement om de Raad te raadplegen (zie punt 96 van het besluit van 31 maart 2011), moet worden opgemerkt dat de Ombudsman het ontbreken hiervan eveneens kon rechtvaardigen met verzoeksters verzet tegen die onderzoeksmaatregelen.

159 Ten slotte en in elk geval is het Gerecht van oordeel dat zelfs al zou ervan worden uitgegaan dat de Ombudsman ten onrechte heeft geweigerd om een onderzoek in te stellen omdat verzoekster zich daartegen verzette, verzoekster deze fout krachtens het adagium nemini licet venire contra factum proprium niet meer kon aanvoeren om een vergoeding van de Unie te eisen. Vastgesteld zij immers dat verzoekster zich tegenspreekt wanneer zij een vergoeding eist voor het ontbreken van een op eigen initiatief door de Ombudsman ingesteld onderzoek, aangezien zijzelf zich daartegen heeft verzet. Dit oordeel doet echter niet af aan de onmogelijkheid voor de Ombudsman om zich te beroepen op de instelling van een onderzoek op eigen initiatief om de Unie vrij te stellen van haar aansprakelijkheid voor de onrechtmatigheden die hij heeft begaan bij het onderzoek naar aanleiding van de klacht en van het besluit van 22 oktober 2007.

160 Om de voorgaande redenen, moeten alle grieven die verzoekster in het tweede onderdeel van het eerste middel heeft aangevoerd worden afgewezen.

d) Conclusie

161 Naar aanleiding van het onderzoek van het eerste middel, moet worden geoordeeld dat de Ombudsman drie onrechtmatigheden heeft begaan waarvoor de Unie aansprakelijk kan worden gesteld, zoals hierboven in punt 146 is samengevat.

2. Onrechtmatigheden bestaande in kennelijke beoordelingsfouten

a) Inleiding

162 In het kader van het tweede middel stelt verzoekster, kort samengevat, dat de Ombudsman verschillende kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt die betrekking hebben op de besluiten van 22 oktober 2007 en 31 maart 2011 en leiden tot de aansprakelijkheid van de Unie. De Ombudsman betwist deze fouten.

b) Aanhaling van het advies van het Parlement in het besluit van 22 oktober 2007

163 Verzoekster herkwalificeert de in punt 102 hierboven genoemde grief als kennelijke beoordelingsfout. Om de in de punten 102 en 142 hierboven uiteengezette redenen leidt de betrokken onrechtmatigheid tot de aansprakelijkheid van de Unie.

c) Rectificatie van het besluit van 22 oktober 2007

164 Verzoekster stelt dat de Ombudsman een fout heeft gemaakt, de feiten heeft gemanipuleerd en vervalst en zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit van bedrog en gebruik van bedrog door op 29 juni 2010 punt 2.5 van het besluit van 22 oktober 2007 te rectificeren, zonder een corrigendum bekend te maken.

165 In het licht van deze grieven beklemtoont het Gerecht om te beginnen dat het weliswaar bevoegd is om bepaalde handelingen van de instellingen te beoordelen die tot de aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden, doch dat het niet bevoegd is om op basis van die handelingen vast te stellen dat er sprake is van een strafbaar feit. De stelling die inhoudt dat het Gerecht vaststelt dat de Ombudsman zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit bedrog en gebruik van bedrog is derhalve niet-ontvankelijk.

166 Voorts merkt het Gerecht op dat de Ombudsman in zijn aan het Parlement gerichte besluit van 29 juni 2010 waarvan verzoekster een kopie heeft ontvangen, had aangegeven dat het besluit van 22 oktober 2007 moest worden gecorrigeerd wegens een fout in punt 2.5 van dat besluit, waarin de inhoud van het advies van het Parlement verkeerd werd weergegeven (zie punt 102 hierboven). In het besluit van 29 juni 2010 is de aan te brengen correctie dus duidelijk kenbaar gemaakt aan verzoekster en het Parlement. Verzoekster kan derhalve niet stellen dat het besluit van 22 oktober 2007 is gemanipuleerd of vervalst.

167 Deze correctie is vervolgens bekendgemaakt door de Ombudsman, die een gewijzigde versie van het besluit van 22 oktober 2007 heeft gepubliceerd met daarin de correctie zoals vastgesteld bij het besluit van 29 juni 2010. Deze gewijzigde versie van het besluit van 22 oktober 2007 heeft het oorspronkelijke onjuiste besluit van 22 oktober 2007 vervangen. Verzoekster is dus volledig op de hoogte gesteld van die correctie.

168 Het verzuim om een corrigendum bekend te maken vormt echter geen fout en nog minder een vervalsing van het besluit van 22 oktober 2007. Verzoeksters grief moet derhalve worden afgewezen.

d) Terbeschikkingstelling van de lijst van geschikte kandidaten aan de andere instellingen

169 Ten eerste verwijt verzoekster de Ombudsman dat hij, kort samengevat, niet heeft erkend dat er sprake was van een geval van wanbeheer als gevolg van het feit dat het Parlement in het Publicatieblad haar naam niet had bekendgemaakt als geslaagde kandidate van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98, terwijl het Parlement op 25 februari 2003 de aanbeveling van de Ombudsman had aanvaard om de namen van de geslaagde kandidaten van vergelijkende onderzoeken bekend te maken.

170 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat verzoekster het ontbreken van bekendmaking in de klacht niet uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld. Op basis van die klacht was de Ombudsman dus niet verplicht om een eventueel geval van wanbeheer door het Parlement op dat punt te onderzoeken.

171 Na een schriftelijke vraag van het Gerecht, heeft de Ombudsman overigens de op 11 december 2002 aan het Parlement gerichte aanbeveling overgelegd, die betrekking heeft op de bekendmaking in het Publicatieblad van de namen van geslaagde kandidaten van vergelijkende onderzoeken, alsmede de brief van de voorzitter van het Parlement van 25 februari 2003 waarin die aanbeveling wordt aanvaard. Uit die aanbeveling blijkt dat deze betrekking heeft op vergelijkende onderzoeken die na haar vaststelling hebben plaatsgevonden en dat de kandidaten in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek erover moeten worden geïnformeerd dat de namen van de geslaagde kandidaten bekend zullen worden gemaakt.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in