Gerecht EU 2 maart 2010, T-16/04, ECLI:EU:T:2010:54
Tekst
Zaak T‑16/04
Arcelor SA
tegen
Europees Parlement en Raad van de Europese Unie
„Milieu – Richtlijn 2003/87/EG – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten – Beroep tot nietigverklaring – Niet rechtstreeks en individueel geraakt – Beroep tot schadevergoeding – Ontvankelijkheid – Voldoende gekwalificeerde schending van hogere rechtsregel waarbij particulieren rechten worden verleend – Eigendomsrecht – Vrije uitoefening van beroepsactiviteit – Evenredigheid – Gelijke behandeling – Vrijheid van vestiging – Rechtszekerheid”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Normatieve handeling – Richtlijn
(Art. 230, vierde alinea, EG en 249, derde alinea, EG)
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Richtlijn 2003/87 – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten
(Art. 174 EG, 175, lid 1, EG en 230, vierde alinea, EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad, bijlage I)
3. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Vaststelling van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21, eerste alinea, en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
4. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Voldoende gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht
(Art. 174 EG, 175 EG en 288, tweede alinea, EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad)
5. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Verdragsbepalingen
(Art. 3, lid 1, sub c, EG, 43 EG, 174 EG, 175 EG en 249, derde alinea, EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad)
6. Milieu – Luchtverontreiniging – Richtlijn 2003/87 – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten
(Art. 5, tweede alinea, EG, 10 EG, 174 EG tot en met 176 EG en 249, derde alinea, EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, lid 1, en 11, lid 1)
7. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten
(Richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, lid 1, en 11, lid 1)
8. Milieu – Luchtverontreiniging – Richtlijn 2003/87 – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten
(Art. 43 EG en 174 EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, sub a, en 12, leden 2 en 3)
9. Milieu – Luchtverontreiniging – Richtlijn 2003/87 – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten
(Art. 174 EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, leden 1 en 3, en 11, lid 1, en bijlage III; beschikking 2002/358 van de Raad)
10. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Rechtszekerheid
(Art. 2 EG en 3, lid 1, sub c en g, EG; richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad, art. 1)
1. De enkele omstandigheid dat artikel 230, vierde alinea, EG niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring van een richtlijn in de zin van artikel 249, derde alinea, EG, volstaat op zich niet om een dergelijk beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De gemeenschapsinstellingen kunnen de door het Verdrag aan particulieren geboden rechterlijke bescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de handeling uitsluiten, zelfs indien deze de vorm van een richtlijn heeft. Ook het enkele feit dat de litigieuze bepalingen deel uitmaken van een handeling van algemene strekking die een echte richtlijn is en niet een als richtlijn vastgestelde beschikking in de zin van artikel 249, vierde alinea, EG, volstaat op zich niet om de mogelijkheid uit te sluiten dat die bepalingen een particulier rechtstreeks en individueel kunnen raken.
(cf. punt 94)
2. Hoewel de gemeenschapsinstellingen bij de vaststelling van een handeling van algemene strekking verplicht zijn tot naleving van de hogere rechtsregels, met inbegrip van de fundamentele rechten, volstaat het argument dat een dergelijke handeling deze regels of deze rechten schendt, op zich niet om het beroep van een particulier ontvankelijk te verklaren omdat anders de vereisten van artikel 230, vierde alinea, EG zouden worden uitgehold, zolang de gestelde schending hem niet kan individualiseren op soortgelijke wijze als de adressaat.
In dit verband bestaat er geen uitdrukkelijke en specifieke bepaling van hogere rang of van afgeleid recht die de gemeenschapswetgever tijdens de vaststellingsprocedure van richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap zou hebben verplicht in het bijzonder rekening te houden met de situatie van de producenten van ruwijzer of staal ten opzichte van die van de marktdeelnemers van de andere in bijlage I bij die richtlijn genoemde bedrijfssectoren. Zo voorzien met name de artikelen 174 EG en 175, lid 1, EG als rechtsgrondslagen voor de regelgevende activiteit van de Gemeenschap op milieugebied niet in een dergelijke verplichting.
Een staal producerende onderneming kan dan ook niet worden geacht door de bepalingen van richtlijn 2003/87 individueel te worden geraakt.
(cf. punten 102‑103, 105)
3. Een beroep tot vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling beweerdelijk veroorzaakte schade moet de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoeker meent dat er tussen de gedraging en de schade die hij stelt te hebben geleden, een causaal verband bestaat, alsmede de aard en de omvang van die schade.
Indien deze schade, gelet op de omstandigheden ten tijde van de neerlegging van een verzoekschrift dat ertoe strekt om vergoeding te verkrijgen wegens een beweerdelijk onrechtmatige gedraging van het Parlement en de Raad bij de vaststelling van richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, noodzakelijkerwijs een toekomstig karakter moet hebben omdat de omzetting van de bestreden richtlijn in de nationale rechtsordes nog aan de gang is, en indien de verzoeker, gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten bij de toepassing van de regeling voor de handel in emissierechten op hun grondgebieden overeenkomstig hun nationale toewijzingsplannen, bij de instelling van zijn beroep niet de exacte omvang van deze toekomstige schade kan aangeven, is het niet nodig om in het verzoekschrift als ontvankelijkheidscriterium de exacte omvang van de schade te vermelden, en al helemaal niet om het bedrag van de gevorderde vergoeding te becijferen, aangezien dit hoe dan ook tot in het stadium van repliek mogelijk is, mits de verzoekende partij zich op die omstandigheden beroept en de gegevens ter beoordeling van de aard en omvang van de schade verschaft, zodat de verweerder in staat is zich te verdedigen.
(cf. punten 132, 135)
4. Aangaande de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wegens de vaststelling van richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap moet een eventuele voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels die ertoe strekken particulieren rechten toe te kennen, berusten op een kennelijke en ernstige overschrijding van de grenzen van de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de gemeenschapswetgever bij de uitoefening van de bevoegdheden op milieugebied uit hoofde van de artikelen 174 EG en 175 EG beschikt. Bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid gaat het er immers om dat de gemeenschapswetgever enerzijds de ingewikkelde en onzekere ecologische, wetenschappelijke, technische en economische ontwikkelingen moet zien aankomen en evalueren, en dat die wetgever anderzijds de verschillende in artikel 174 EG beoogde doelstellingen, beginselen en belangen tegen elkaar afweegt en met elkaar verzoent. Dit wordt in voornoemde richtlijn vertaald in de vaststelling van een reeks van gedeeltelijk tegenstrijdige doelstellingen en subdoelstellingen.
(cf. punten 141, 143)
5. De gemeenschapsinstellingen moeten op dezelfde wijze als de lidstaten de fundamentele vrijheden zoals de vrijheid van vestiging eerbiedigen, die dienen ter bereiking van een van de wezenlijke doelstellingen van de Gemeenschap, met name de totstandbrenging van de interne markt als neergelegd in artikel 3, lid 1, sub c, EG.
Uit deze algemene verplichting volgt echter niet dat de gemeenschapswetgever verplicht is om het betrokken gebied in dier voege te regelen dat de communautaire wetgeving, in het bijzonder wanneer zij de vorm van een richtlijn in de zin van artikel 249, derde alinea, EG aanneemt, een uitputtende en definitieve oplossing biedt voor bepaalde problemen die vanuit het oogpunt van de totstandbrenging van de interne markt zijn opgeworpen, of de nationale wettelijke regelingen volledig harmoniseert om alle denkbare beperkingen van het intracommunautaire handelsverkeer uit de weg te ruimen. Wanneer de gemeenschapswetgever een ingewikkelde regeling, zoals de regeling voor de handel in emissierechten, ingevoerd bij richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, moet herstructureren of opzetten, staat het hem vrij in etappen te werk te gaan en slechts een geleidelijke harmonisatie van de betrokken nationale wettelijke regelingen tot stand te brengen, aangezien de uitvoering van dergelijke maatregelen in het algemeen moeilijk is omdat de bevoegde gemeenschapsinstellingen daartoe, uitgaande van uiteenlopende en ingewikkelde nationale bepalingen, gemeenschappelijke regels moeten opstellen die in overeenstemming zijn met de in het Verdrag neergelegde doelstellingen en waarvoor de instemming van een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad vereist is. Dat is ook het geval met de communautaire regelgeving op het gebied van milieubescherming op grond van de artikelen 174 EG en 175 EG.
(cf. punten 177‑178)
6. Krachtens artikel 249, derde alinea, EG is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen, hetgeen logischerwijs betekent dat deze staat een noodzakelijke beoordelingsmarge wordt gelaten om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen. Verder treedt de Gemeenschap op grond van het in artikel 5, tweede alinea, EG neergelegde subsidiariteitsbeginsel, waarnaar wordt verwezen in punt 30 van de considerans van richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt. Uit de artikelen 174 EG tot en met 176 EG blijkt dat de Gemeenschap en de lidstaten op het gebied van milieubescherming over gedeelde bevoegdheden beschikken. De communautaire regelgeving op dit gebied heeft derhalve geen volledige harmonisatie tot doel en artikel 176 EG biedt de lidstaten de mogelijkheid om verdergaande beschermingsmaatregelen te treffen, waaraan alleen de voorwaarden worden gesteld dat zij verenigbaar zijn met het Verdrag en aan de Commissie ter kennis worden gebracht.
Volgens deze beginselen voorziet richtlijn 2003/87 niet in een volledige harmonisatie op communautair niveau van de voorwaarden die gelden voor de invoering en de werking van de regeling voor de handel in emissierechten. Behoudens de inachtneming van de regels van het Verdrag beschikken de lidstaten namelijk over een ruime beoordelingsmarge met betrekking tot de toepassing van deze regeling, met name in het kader van de opstelling van hun nationale toewijzingsplannen en hun autonome beslissingen tot toewijzing van emissierechten op grond van de artikelen 9, lid 1, en 11, lid 1, van de richtlijn. Het enkele feit dat de gemeenschapswetgever een bepaalde vraag, die valt onder de werkingssfeer van deze richtlijn en onder die van een fundamentele vrijheid, zoals de vrijheid van vestiging, open heeft gelaten zodat het aan de lidstaten staat om die vraag in de uitoefening van hun beoordelingsmarge, weliswaar in overeenstemming met de hogere regels van gemeenschapsrecht te regelen, is bijgevolg op zich geen grond om dit verzuim als in strijd met de regels van het Verdrag te kwalificeren. Dat geldt te meer waar de lidstaten op grond van hun verplichting tot loyale samenwerking krachtens artikel 10 EG, verplicht zijn het nuttig effect van richtlijnen te verzekeren, wat ook betekent dat zij het nationale recht moeten uitleggen in het licht van de aan de betrokken richtlijn ten grondslag liggende doelstellingen en beginselen.
(cf. punten 179‑180)
7. Zowel de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van een richtlijn als de lidstaten bij de omzetting van die richtlijn in nationaal recht moeten toezien op de naleving van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht. De vereisten die voortvloeien uit de bescherming van in de communautaire rechtsorde erkende algemene beginselen, waaronder de grondrechten, binden de lidstaten dan ook bij de uitvoering van gemeenschapsregelingen, en zij zijn bijgevolg gehouden, deze regelingen zoveel mogelijk toe te passen in overeenstemming met die vereisten. Deze beginselen zijn naar analogie van toepassing op de fundamentele vrijheden van het Verdrag.
Hoewel richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, inzonderheid de artikelen 9, lid 1, en 11, lid 1, ervan, de lidstaten dienaangaande een beoordelingsmarge laat, is deze in beginsel zodanig ruim dat zij de regels van die richtlijn in overeenstemming met de uit de bescherming van de grondrechten en van de fundamentele vrijheden van het Verdrag voortvloeiende eisen kunnen toepassen. Daar de uitvoering van deze richtlijn is onderworpen aan het toezicht van de nationale rechterlijke instanties, staat het bovendien aan deze rechterlijke instanties om het Hof onder de voorwaarden van artikel 234 EG een prejudiciële vraag te stellen, wanneer zij moeilijkheden ondervinden met betrekking tot de uitlegging of de geldigheid daarvan. Derhalve moeten de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten niet alleen hun nationaal recht conform de bestreden richtlijn uitleggen, maar moeten zij er ook op toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging daarvan die in conflict zou komen met de door de communautaire rechtsorde beschermde grondrechten, met de andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht of met de fundamentele vrijheden van het Verdrag, zoals de vrijheid van vestiging. De gemeenschapswetgever kan niet worden verweten dat hij in het kader van een richtlijn een bepaalde, onder de werkingssfeer van de vrijheid van vestiging vallende problematiek niet uitputtend en definitief heeft geregeld, wanneer deze richtlijn de lidstaten een beoordelingsmarge voorbehoudt die hun de mogelijkheid biedt de regels van het Verdrag en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht ten volle in acht te nemen.
(cf. punten 181‑184)
8. Indien een vrije grensoverschrijdende overdracht van broeikasgasemissierechten in de zin van artikel 12, leden 2 en 3, in samenhang met artikel 3, sub a, van richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap ontbreekt, worden de kosteneffectiviteit en de efficiëntie van de regeling voor de handel in emissierechten in de zin van artikel 1 van die richtlijn ernstig verstoord. Daarom legt artikel 12, lid 2, van de richtlijn de lidstaten de algemene verplichting op „ervoor zorg te dragen” dat deze vrijheid in het kader van de relevante nationale wettelijke regeling effect sorteert. Omgekeerd bevat de richtlijn geen beperking met betrekking tot een grensoverschrijdende overdracht van emissierechten tussen rechtspersonen van dezelfde groep van ondernemingen, ongeacht waar hun economische en/of maatschappelijke zetel binnen de interne markt is gevestigd. In het licht van voormelde bepalingen van richtlijn 2003/87 kan derhalve niet worden geconcludeerd dat deze een onrechtmatige beperking van de fundamentele vrijheden van het Verdrag, waaronder de vrijheid van vestiging, bevat of dat zij de lidstaten ertoe aanzet om deze vrijheden niet te eerbiedigen. De gemeenschapswetgever kan er al helemaal niet voor verantwoordelijk worden gesteld dat hij de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid uit hoofde van artikel 174 EG in samenhang met artikel 43 EG in dit opzicht kennelijk en ernstig heeft overschreden.
(cf. punten 188, 190)
9. Richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap bevat geen bepaling betreffende de omvang van de financiële gevolgen die kunnen voortvloeien zowel uit het feit dat de aan een installatie toegewezen emissierechten ontoereikend zouden kunnen zijn, als uit de prijs van die emissierechten, daar deze prijs uitsluitend wordt bepaald door de krachten van de markt die is ontstaan als gevolg van de invoering van de regeling voor de handel in emissierechten, die krachtens artikel 1 van de richtlijn erop gericht is, de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen. Een communautaire regulering van de prijs van de emissierechten kan integendeel in de weg staan aan het hoofddoel van deze richtlijn, namelijk de reductie van broeikasgasemissies door middel van een efficiënte regeling voor de handel in emissierechten, in het kader waarvan de kosten van de emissies en van de investeringen met het oog op de vermindering daarvan hoofdzakelijk door marktkrachten worden bepaald (punt 5 van de considerans van de richtlijn). Hieruit volgt dat bij een tekort aan emissierechten de drijfveer voor de exploitanten om hun broeikasgasemissies al dan niet terug te dringen afhangt van een ingewikkelde economische beslissing die wordt genomen met inaanmerkingneming van onder meer de prijzen van de op de handelsmarkt beschikbare emissierechten en de kosten van eventuele maatregelen tot emissiereductie die ertoe strekken ofwel de productie te verlagen ofwel te investeren in efficiëntere productiemiddelen wat energierendement betreft (punt 20 van de considerans van de richtlijn).
In een dergelijke regeling kan de stijging van de kosten van de emissies en dus van de prijs van de emissierechten, die afhangt van een reeks van economische parameters, door de gemeenschapswetgever niet van tevoren worden geregeld, omdat anders de economische drijfveren die de basis voor de werking daarvan vormen, worden beperkt of zelfs teniet worden gedaan, zodat de efficiëntie van de regeling voor de handel in emissierechten wordt verstoord. De invoering van een dergelijke regeling, met inbegrip van haar economische premissen, ter naleving van de uit het Protocol van Kyoto voortvloeiende verplichtingen valt bovendien onder de ruime beoordelingsmarge waarover de gemeenschapswetgever krachtens artikel 174 EG beschikt, en vormt op zich een door hem gemaakte legitieme en passende keuze. Op basis van die legitieme keuze heeft de gemeenschapswetgever de regeling voor de handel in emissierechten gebaseerd op de premisse dat het overeenkomstig de artikelen 9, lid 1, en 11, lid 1, van richtlijn 2003/87 aan de lidstaten staat om op grond van hun nationale toewijzingsplannen (NTP’s) en in het kader van de uitoefening van de beoordelingsmarge die hun dienaangaande is voorbehouden, een besluit te nemen over de totale hoeveelheid van toe te wijzen emissierechten en over de individuele verlening van voornoemde emissierechten aan de op hun grondgebied gevestigde installaties. Dat besluit is enkel onderworpen aan een beperkte voorafgaande controle van de Commissie op grond van artikel 9, lid 3, van de richtlijn, met name in het licht van de in bijlage III daarbij vermelde criteria. De variaties waaraan de doelstellingen en de maatregelen tot emissiereductie van de verschillende lidstaten onderhevig zijn, die voortvloeien uit hun verplichtingen krachtens het Protocol van Kyoto, zoals deze tot uiting komen in het lastenverdelingsplan van beschikking 2002/358 betreffende de goedkeuring, namens de Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen, en dus de onzekerheid met betrekking tot de omvang van de totale hoeveelheid en van de individuele hoeveelheden van aan de verschillende bedrijfssectoren en aan de exploitanten op grond van de verschillende NTP’s toe te wijzen emissierechten, kunnen dus niet aan de bepalingen van de richtlijn als zodanig worden toegeschreven.
(cf. punten 199‑202)
10. Het gebrek aan voorzienbaarheid van de ontwikkeling van de handelsmarkt is een factor die inherent is aan en niet te scheiden is van het economische mechanisme dat kenmerkend is voor de regeling voor de handel in emissierechten, die is ingevoerd bij richtlijn 2003/87 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, en waarvoor de klassieke regels van vraag en aanbod gelden, die kenmerkend zijn voor een vrije markt waar mededinging heerst, overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in artikel 1, in samenhang met punt 7 van de considerans van de richtlijn, en in de artikelen 2 EG en 3, lid 1, sub c en g, EG. Dat aspect kan derhalve niet in strijd worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel omdat anders de economische grondslagen van de regeling voor de handel in emissierechten zoals deze in die richtlijn in overeenstemming met de regels van het Verdrag zijn geformuleerd, opnieuw ter discussie zouden worden gesteld.
(cf. punt 203)
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
2 maart 2010 (*)
„Milieu – Richtlijn 2003/87/EG – Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten – Beroep tot nietigverklaring – Geen rechtstreekse en individuele geraaktheid – Beroep tot schadevergoeding – Ontvankelijkheid – Voldoende gekwalificeerde schending van hogere rechtsregel waarbij particulieren rechten worden verleend – Eigendomsrecht – Vrije uitoefening van beroepsactiviteit – Evenredigheid – Gelijke behandeling – Vrijheid van vestiging – Rechtszekerheid”
In zaak T‑16/04,
Arcelor SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), aanvankelijk vertegenwoordigd door W. Deselaers, B. Meyring en B. Schmitt-Rady, vervolgens door W. Deselaers en B. Meyring, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Bradley en M. Moore, vervolgens door L. Visaggio en I. Anagnostopoulou als gemachtigden,
en
Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Hoff-Nielsen en M. Bishop, vervolgens door E. Karlsson en A. Westerhof Löfflerova, vervolgens door A. Westerhof Löfflerova en K. Michoel als gemachtigden,
verweerders,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door U. Wölker als gemachtigde,
interveniënte,
betreffende, enerzijds, een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32), en, anderzijds, een beroep tot vergoeding van de schade die verzoekster als gevolg van de vaststelling van voornoemde richtlijn heeft geleden,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi (rapporteur), kamerpresident, E. Cremona en S. Frimodt Nielsen, rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 april 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
I – Bepalingen van het EG-Verdrag
1 Artikel 174 EG bepaalt onder meer:
„1. Het beleid van de Gemeenschap op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen:
– behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;
– bescherming van de gezondheid van de mens;
– behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
– bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen.
2. De Gemeenschap streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Gemeenschap. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.
[...]
3. Bij het bepalen van haar beleid op milieugebied houdt de Gemeenschap rekening met:
– de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;
– de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio’s van de Gemeenschap;
– de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden;
– de economische en sociale ontwikkeling van de Gemeenschap als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio’s.
[...]”
2 Artikel 175, lid 1, EG luidt:
„De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s de activiteiten vast die de Gemeenschap moet ondernemen om de doelstellingen van artikel 174 [EG] te verwezenlijken.”
II – Bestreden richtlijn
3 Bij richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32; hierna: „bestreden richtlijn”), die op 25 oktober 2003 in werking is getreden, is een regeling vastgesteld voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Gemeenschap (hierna: „regeling voor de handel in emissierechten”), teneinde de emissies van broeikasgassen, in het bijzonder kooldioxide (hierna: „CO2”), op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen (artikel 1 van de bestreden richtlijn). Zij berust op de verplichtingen die krachtens het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het Protocol van Kyoto, op de Gemeenschap rusten. Dit Protocol is goedgekeurd bij beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (PB L 130, blz. 1). Het Protocol van Kyoto is op 16 februari 2005 van kracht geworden.
4 De Gemeenschap en haar lidstaten hebben zich ertoe verplicht hun gezamenlijke antropogene emissies van de in bijlage A bij het Protocol van Kyoto genoemde broeikasgassen in de periode van 2008 tot en met 2012 ten opzichte van 1990 met 8 % te verlagen (punt 4 van de considerans van de bestreden richtlijn). Daartoe zijn zij overeengekomen gezamenlijk aan hun verplichtingen inzake emissiereductie te voldoen overeenkomstig artikel 4 van het Protocol van Kyoto volgens een zogenoemde lastenverdelingsovereenkomst; in bijlage II bij beschikking 2002/358 is de tabel met de bijdragen van elke lidstaat opgenomen.
5 Het Protocol van Kyoto voorziet in drie mechanismen om de deelnemende landen het bereiken van hun doelstellingen van reductie van broeikasgasemissies mogelijk te maken, te weten 1) de internationale handel in emissierechten; 2) de gezamenlijke uitvoering van reductieprojecten, en 3) het mechanisme voor schone ontwikkeling, waarbij de laatste twee ook wel „flexibele mechanismen” worden genoemd. Terwijl de gezamenlijke uitvoering van reductieprojecten tot doel heeft de broeikasgasemissies terug te dringen in de landen die deelnemen aan het Protocol van Kyoto, heeft het mechanisme voor schone ontwikkeling betrekking op emissiereductieprojecten die moeten worden uitgevoerd in de ontwikkelingslanden die niet hebben ingestemd met de doelstellingen van het Protocol van Kyoto.
6 Teneinde binnen de Gemeenschap uitvoering te geven aan de doelstellingen van emissiereductie als bedoeld in het Protocol van Kyoto en in beschikking 2002/358, bepaalt de bestreden richtlijn dat in het kader van de regeling voor de handel in emissierechten de exploitanten van de in bijlage I daarbij genoemde installaties hun broeikasgasemissies moeten dekken met emissierechten die hun zijn toegewezen overeenkomstig nationale toewijzingsplannen (hierna: „NTP’s”). Indien een exploitant erin slaagt zijn emissies te verminderen, kan hij het overschot aan emissierechten aan andere exploitanten verkopen. Omgekeerd kan de exploitant van een installatie waarvan de emissies te hoog zijn, de benodigde emissierechten kopen van een exploitant die een overschot heeft.
7 Op grond van bijlage I bij de bestreden richtlijn vallen binnen de werkingssfeer daarvan onder meer bepaalde verbrandingsinstallaties voor de productie van energie alsmede voor de productie en verwerking van ferrometalen, zoals „[i]nstallaties voor de vervaardiging van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting) inclusief continugieten, met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur”.
8 De bestreden richtlijn onderscheidt een eerste fase, van 2005 tot en met 2007 (hierna: „eerste toewijzingsperiode”), die voorafgaat aan de in het Protocol van Kyoto bedoelde eerste verplichtingsperiode, en vervolgens een tweede fase, van 2008 tot en met 2012 (hierna: „tweede toewijzingsperiode”), die overeenkomt met genoemde eerste verplichtingsperiode (artikel 11 van richtlijn 2003/87). Tijdens de eerste toewijzingsperiode is de bestreden richtlijn slechts van toepassing op een van de in bijlage II genoemde broeikasgassen, te weten CO2, en uitsluitend op emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten (artikel 2 van de bestreden richtlijn), waaronder de productie en verwerking van ferrometalen.
9 Meer concreet berust de regeling voor de handel in emissierechten enerzijds op de verplichting om vooraf een vergunning te verkrijgen voor broeikasgasemissies (artikelen 4 tot en met 8 van richtlijn 2003/87) en anderzijds op de toewijzing van emissierechten op grond waarvan de exploitant met een vergunning een bepaalde hoeveelheid van deze gassen mag uitstoten en die hem verplichten, jaarlijks de hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van zijn installatie (artikel 12, lid 3, van de bestreden richtlijn).
10 Elke in bijlage I bij de bestreden richtlijn vermelde installatie moet dan ook in het bezit zijn van een door de bevoegde nationale autoriteit afgegeven vergunning. Artikel 4 van de bestreden richtlijn luidt: „De lidstaten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 [van voornoemde richtlijn] tijdelijk is uitgesloten van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap.”
11 Verder wordt in artikel 6, lid 2, van de bestreden richtlijn bepaald:
„Vergunningen voor broeikasgasemissies bevatten:
[...]
c) de bewakingsvoorschriften, met vermelding van de bewakingsmethode en de frequentie;
d) de rapportagevoorschriften, en
e) de verplichting binnen vier maanden na het einde van elk kalenderjaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van de installatie voor dat jaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15 [van de bestreden richtlijn].”
12 De voorwaarden en de procedures volgens welke de bevoegde nationale autoriteiten aan de exploitanten van installaties op basis van een NTP emissierechten toewijzen, zijn geregeld in de artikelen 9 tot en met 11 van de bestreden richtlijn.
13 Artikel 9, lid 1, eerste alinea, van de bestreden richtlijn bepaalt:
„Voor elke in artikel 11, leden 1 en 2, [van de bestreden richtlijn] bedoelde termijn stelt elke lidstaat een [NTP] op, waarin de totale hoeveelheid emissierechten wordt vermeld die hij voornemens is voor die periode toe te wijzen, alsmede de manier waarop hij voornemens is deze rechten toe te wijzen. Dit [NTP] wordt gebaseerd op objectieve en transparante criteria, waaronder de in bijlage III genoemde, waarbij terdege rekening wordt gehouden met reacties vanuit het publiek. De Commissie geeft onverminderd het [EG-]Verdrag uiterlijk 31 december 2003 richtsnoeren voor de toepassing van de in bijlage III genoemde criteria.”
14 De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft een eerste versie van bovenbedoelde richtsnoeren opgesteld in het kader van haar mededeling COM(2003) 830 def. van 7 januari 2004 betreffende voor de lidstaten bestemde richtsnoeren voor de toepassing van de criteria van bijlage III bij de bestreden richtlijn en betreffende de omstandigheden waaronder sprake is van aangetoonde overmacht. Bij haar mededeling COM(2005) 703 def. van 22 december 2005 heeft de Commissie verdere richtsnoeren betreffende de NTP’s voor de tweede toewijzingsperiode opgesteld (hierna: „verdere richtsnoeren van de Commissie”).
15 Artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de bestreden richtlijn luidt:
„Voor de in artikel 11, lid 1, [van de bestreden richtlijn] bedoelde periode wordt het [NTP] uiterlijk op 31 maart 2004 gepubliceerd en aan de Commissie en de overige lidstaten meegedeeld. Voor latere perioden wordt het [NTP] ten minste achttien maanden voor de aanvang van de betrokken periode gepubliceerd en aan de Commissie en de andere lidstaten meegedeeld.”
16 In artikel 9, lid 3, van de bestreden richtlijn wordt bepaald:
„Binnen drie maanden nadat een lidstaat uit hoofde van lid 1 een [NTP] heeft meegedeeld, kan de Commissie het [NTP] of een deel daarvan verwerpen als het niet met de in bijlage III genoemde criteria of met artikel 10 verenigbaar is. De lidstaten nemen pas een besluit krachtens artikel 11, lid 1, of lid 2, [van de bestreden richtlijn] wanneer de voorgestelde wijzigingen door de Commissie zijn aanvaard. Een besluit tot verwerping wordt door de Commissie gemotiveerd.”
17 Volgens artikel 10 van de bestreden richtlijn dienen de lidstaten voor de eerste toewijzingsperiode ten minste 95 % van de emissierechten kosteloos toe te wijzen en voor de tweede toewijzingsperiode ten minste 90 %.
18 Artikel 11 van richtlijn 2003/87, betreffende de toewijzing en verlening van emissierechten, bepaalt:
„1. Voor de periode van drie jaar die ingaat op 1 januari 2005 neemt iedere lidstaat een besluit over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voor die periode zal toewijzen en over de toewijzing van die emissierechten aan de exploitant van elke installatie. Dit besluit wordt ten minste drie maanden voor het begin van die periode genomen en is gebaseerd op het [NTP] dat is opgesteld ingevolge artikel 9 en in overeenstemming met artikel 10 [van de bestreden richtlijn], met inachtneming van de opmerkingen van het publiek.
2. Voor de periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 2008 en voor elke volgende periode van vijf jaar neemt iedere lidstaat een besluit over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voor die periode zal toewijzen en leidt hij het proces van toewijzing van die emissierechten aan de exploitant van elke installatie in. Het besluit wordt ten minste twaalf maanden voor het begin van die periode genomen en is gebaseerd op het [NTP] van de lidstaat dat is opgesteld ingevolge artikel 9 en in overeenstemming met artikel 10 [van de bestreden richtlijn], met inachtneming van de opmerkingen van het publiek.
3. Krachtens lid 1 of lid 2 genomen besluiten zijn in overeenstemming met de voorschriften van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88. Bij hun besluit over de toewijzing houden de lidstaten rekening met de noodzaak emissierechten beschikbaar te houden voor nieuwkomers.
[...]”
19 Bijlage III bij de bestreden richtlijn noemt elf criteria die voor de NTP’s gelden.
20 Criterium 1 van bijlage III bij de bestreden richtlijn luidt:
„De totale hoeveelheid voor de betrokken periode toe te wijzen emissierechten moet enerzijds overeenstemmen met de verplichtingen van de lidstaat om de emissies te beperken overeenkomstig beschikking 2002/358 [...] en het Protocol van Kyoto, met inachtneming van het aandeel in de totale emissies dat deze vertegenwoordigen in vergelijking met de emissies uit bronnen die niet onder deze richtlijn en het nationale energiebeleid vallen en moeten anderzijds overeenstemmen met het nationaal programma inzake klimaatverandering. De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten mag niet groter zijn dan de hoeveelheid die waarschijnlijk nodig is voor de strikte toepassing van de in deze bijlage vermelde criteria. Vóór 2008 moet de hoeveelheid in overeenstemming zijn met een ontwikkeling waarmee elke lidstaat zijn streefdoel uit hoofde van beschikking 2002/358 [...] en het Protocol van Kyoto kan halen of overtreffen.”
21 Criterium 3 van bijlage III bij de bestreden richtlijn bepaalt:
„De hoeveelheden toe te wijzen emissierechten moeten overeenstemmen met de mogelijkheden, waaronder de technologische mogelijkheden, van de door deze regeling [voor de handel in emissierechten] bestreken activiteiten om de emissies terug te dringen. De lidstaten kunnen hun verdeling van emissierechten baseren op de gemiddelde emissies van broeikasgassen per product bij elke activiteit en de haalbare vooruitgang bij elke activiteit.”
22 Criterium 6 van bijlage III bij de bestreden richtlijn luidt: „Het [NTP] moet informatie bevatten over de manier waarop nieuwkomers aan de regeling [voor de handel in emissierechten] in de betrokken lidstaat kunnen gaan deelnemen.”
23 Volgens criterium 7 van bijlage III bij de bestreden richtlijn kan „het [NTP] rekening houden met vroegtijdige maatregelen [tot vermindering van emissies] en bevat [het] informatie over de manier waarop vroegtijdige maatregelen [tot vermindering van emissies] in aanmerking worden genomen”, en verder mogen „de lidstaten bij de ontwikkeling van hun [NTP’s] gebruik maken van aan referentiedocumenten over de beste beschikbare technieken ontleende benchmarks, en [kunnen] vroegtijdige maatregelen [tot vermindering van emissies] in die benchmarks worden verwerkt”.
24 Artikel 12, lid 1, van de bestreden richtlijn bepaalt dat emissierechten kunnen worden overgedragen tussen natuurlijke en rechtspersonen binnen de Gemeenschap of aan natuurlijke en rechtspersonen in derde landen, voor zover tussen deze landen en de Gemeenschap een overeenkomst overeenkomstig artikel 25 van de bestreden richtlijn is gesloten en deze emissierechten door de bevoegde autoriteit van elke lidstaat wederzijds zijn erkend. Krachtens artikel 12, lid 3, van de bestreden richtlijn moet de exploitant van elke installatie vóór 1 mei van ieder jaar bij de bevoegde autoriteit een hoeveelheid emissierechten inleveren die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, en worden die rechten vervolgens geannuleerd.
25 Artikel 13, lid 1, van de bestreden richtlijn bepaalt dat emissierechten enkel geldig zijn voor de emissies in de periode waarvoor zij zijn verleend.
26 Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van de bestreden richtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat de namen worden bekendgemaakt van de exploitanten die zich niet houden aan de voorschriften van artikel 12, lid 3, van de bestreden richtlijn inzake het inleveren van voldoende emissierechten. Volgens artikel 16, leden 3 en 4, van de bestreden richtlijn wordt aan elke exploitant die niet voldoende emissierechten heeft ingeleverd ter dekking van zijn emissies in het voorgaande jaar, een boete wegens overmatige emissie van 40 EUR in de eerste toewijzingsperiode opgelegd en van 100 EUR in de volgende perioden voor elke ton uitgestoten kooldioxide-equivalent waarvoor geen emissierechten zijn ingeleverd. De betaling van de wegens overmatige emissies opgelegde boete ontslaat de exploitant bovendien niet van de verplichting, een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de som van zijn emissies.
27 Volgens artikel 24 van de bestreden richtlijn kunnen de lidstaten, behoudens goedkeuring door de Commissie volgens de procedure van artikel 23, lid 2 van voornoemde richtlijn in samenhang met besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184, blz. 23), de regeling voor de handel in emissierechten uitbreiden tot bijkomende activiteiten, installaties en broeikasgassen, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van de regeling voor de handel in emissierechten en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings‑ en rapportagesysteem.
28 Artikel 27 van de bestreden richtlijn bepaalt dat de lidstaten de Commissie ook kunnen verzoeken om bepaalde installaties tijdelijk van de regeling voor de handel in emissierechten uit te sluiten, aan welk verzoek de Commissie bij besluit gevolg kan geven. Bovendien kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 28 van de bestreden richtlijn met instemming van de Commissie de exploitanten, die daarom hebben verzocht, toestaan een pool van installaties uit dezelfde bedrijfssector te vormen. Ten slotte kunnen de lidstaten ingevolge artikel 29 van de bestreden richtlijn de Commissie verzoeken om toestemming voor het verlenen van extra rechten aan bepaalde installaties op grond van overmacht.
29 Artikel 30 van de bestreden richtlijn, „Evaluatie en verdere ontwikkeling”, luidt:
„[...]
2. Uitgaande van de ervaring met de toepassing van deze richtlijn en de bij de bewaking van broeikasgasemissies gemaakte vorderingen en in het licht van de ontwikkelingen in internationaal verband stelt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn, waarin zij het volgende beoordeelt:
a) hoe en of bijlage I dient te worden gewijzigd om andere relevante sectoren, o.a. de chemische, de aluminium‑ en de vervoerssector, activiteiten en de emissies van andere in bijlage II vermelde broeikasgassen op te nemen, met het oogmerk de economische efficiëntie van de regeling [voor de handel in emissierechten] verder te vergroten;
[...]”
Feiten en procesverloop
30 Verzoekster, Arcelor SA, is ontstaan uit een fusie tussen ARBED, Aceralia en Usinor in 2001. Sinds haar fusie met Mittal in 2006 luidt haar naam ArcelorMittal en is zij de grootste staalproducent ter wereld geworden. Bij de instelling van het onderhavige beroep vertegenwoordigde verzoekster met een productievolume van 44 miljoen ton per jaar, waarvan meer dan 90 % in de Europese Unie werd vervaardigd, minder dan 5 % van de staalproductie wereldwijd. Zij bezit 17 installaties voor de vervaardiging van ruwijzer of staal in de Unie die zich bevinden in Frankrijk (Fos-sur-Mer, Florange en Duinkerken), in België (Luik en Gent), in Spanje (Gijón-Avilés) en in Duitsland (Bremen en Eisenhüttenstadt).
31 Bij op 15 januari 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
32 In het verzoekschrift concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
– nietig te verklaren de artikelen 4, 6, lid 2, sub e, 9, 12, lid 3, 16, leden 2 tot en met 4, in samenhang met artikel 2, bijlage I en criterium 1 van bijlage III bij de bestreden richtlijn, voor zover deze bepalingen (hierna: „litigieuze bepalingen”) van toepassing zijn op installaties voor de vervaardiging van ruwijzer of staal inclusief continugieten, met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur;
– vast te stellen dat het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie de schade moeten vergoeden die als gevolg van de vaststelling van de litigieuze bepalingen is geleden;
– het Parlement en de Raad te verwijzen in de kosten.
33 In repliek concludeert verzoekster bovendien subsidiair dat het het Gerecht behage de bestreden richtlijn in haar geheel nietig te verklaren.
34 Bij op 1 en 6 april 2004 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akten heeft het Parlement respectievelijk de Raad op grond van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft haar opmerkingen over die excepties op 25 juni 2004 neergelegd.
35 Bij op 5 mei 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie overeenkomstig artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van het Parlement en de Raad. Bij beschikking van 24 juni 2004 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. De Commissie heeft overeenkomstig artikel 116, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering haar tot de ontvankelijkheidskwestie beperkte memorie in interventie neergelegd op 2 september 2004.
36 Het Parlement en de Raad in hun excepties van niet-ontvankelijkheid en de Commissie in haar memorie in interventie betreffende de ontvankelijkheid concluderen dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
37 Bij beschikking van het Gerecht van 26 september 2005 zijn de excepties van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde gevoegd en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
38 De Raad in zijn verweerschrift, het Parlement in dupliek en de Commissie in haar memorie in interventie betreffende de grond van de zaak concluderen voorts subsidiair dat het het Gerecht behage het beroep ongegrond te verklaren.
39 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering het Parlement, de Raad en de Commissie verzocht, vóór de terechtzitting schriftelijke vragen te beantwoorden. Het Parlement, de Raad en de Commissie hebben binnen de gestelde termijn op deze vragen geantwoord.
40 Partijen zijn ter terechtzitting van 15 april 2008 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.
41 Ter terechtzitting heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht, de partijen gehoord, ingevolge artikel 77, sub a, van het Reglement voor de procesvoering, in samenhang met artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie schorsing van de behandeling van de zaak gelast, totdat het Hof arrest heeft gewezen in zaak C‑127/07, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
42 Daar het Hof op 16 december 2008 het arrest Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C‑127/07, Jurispr. I-9895), heeft gewezen, is partijen verzocht hun opmerkingen in te dienen over de eventuele gevolgen die in het kader van de onderhavige procedure aan dat arrest moeten worden verbonden. Nadat partijen hun opmerkingen binnen de gestelde termijn hebben ingediend, is de mondelinge behandeling gesloten.
43 Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 heeft het Gerecht besloten de mondelinge behandeling te heropenen en heeft het partijen verzocht hun opmerkingen over te maken over de eventuele gevolgen die in het kader van de onderhavige procedure daaraan en in het bijzonder aan de inwerkingtreding van artikel 263, vierde alinea, VEG moet worden verbonden. Partijen hebben hun opmerkingen ingediend, waarna de mondelinge behandeling is gesloten.
In rechte
I – Ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring
A – Argumenten van partijen
1. Argumenten van het Parlement, de Raad en de Commissie
44 Het Parlement en de Raad, ondersteund door de Commissie, zijn van mening dat het beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden richtlijn niet-ontvankelijk is.
45 Volgens het Parlement en de Raad vormt de bestreden richtlijn een „echte richtlijn” in de zin van artikel 249, derde alinea, EG, dat wil zeggen een handeling van algemene strekking die door de lidstaten moet worden omgezet in nationaal recht en op objectief bepaalde situaties abstract van toepassing is. Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kunnen particulieren echter geen rechtstreeks beroep tegen een dergelijke richtlijn instellen.
46 Het Parlement en de Raad, ondersteund door de Commissie, stellen zich voorts op het standpunt dat verzoekster door de litigieuze bepalingen niet rechtstreeks en ook niet individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
47 Met betrekking tot het criterium van de rechtstreekse geraaktheid voeren het Parlement en de Raad in wezen aan dat anders dan een verordening een „echte richtlijn” niet rechtstreeks bindende rechtsgevolgen voor de rechtspositie van een particulier kan sorteren, laat staan hem verplichtingen kan opleggen, voordat op nationaal of communautair niveau maatregelen ter uitvoering daarvan worden vastgesteld of de omzettingstermijn is verstreken. Bijgevolg kan een dergelijke richtlijn op zich deze particulier niet rechtstreeks raken in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. De litigieuze bepalingen betreffende met name de verlening van emissievergunningen, de verplichtingen inzake bewaking en rapportage, de opstelling van een NTP, alsmede de toewijzing en de verlening van emissierechten leggen verzoekster dan ook geen enkele verplichting op en wijzigen haar rechtspositie niet, zolang zij niet in nationaal recht zijn omgezet.
48 Verder zijn het Parlement en de Raad, ondersteund door de Commissie, van mening dat de bestreden richtlijn de lidstaten met betrekking tot de uitvoering daarvan door nationale omzettingsmaatregelen een zeer ruime beoordelingsmarge laat, in het bijzonder met betrekking tot de opstelling van het NTP overeenkomstig artikel 9 ervan, de bepaling van het minimumpercentage van kosteloos toe te wijzen emissierechten ingevolge artikel 10 ervan, de vaststelling op grond van artikel 11 ervan van de totale hoeveelheid emissierechten voor de betrokken toewijzingsperiode en de verlening daarvan aan de exploitanten van installaties volgens de criteria van bijlage III daarbij.
49 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist de stelling dat de bestreden richtlijn verzoekster geen aanspraak geeft op emissievergunningen die zijn verkregen op grond van richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26). Richtlijn 96/61 is slechts een coördinatie-instrument waarbij een algemeen kader voor de sectorale wetteksten wordt vastgesteld en met name de algemene verplichtingen van de exploitanten en de vergunningvoorwaarden worden omschreven (punt 9 van de considerans van richtlijn 96/61). Zij verleent echter geen emissierechten en vormt ook geen rechtstreekse rechtsgrondslag voor de verlening daarvan. In het bijzonder wordt in richtlijn 96/61 zelf geen emissieplafond vastgesteld (artikel 18 van richtlijn 96/61).
50 Het Parlement en de Raad leiden uit al het voorgaande af dat verzoekster door de litigieuze bepalingen niet rechtstreeks wordt geraakt.
51 Met betrekking tot het criterium van de individuele geraaktheid merkt de Raad op dat de bestreden richtlijn abstract en algemeen van toepassing is op alle exploitanten die de in bijlage I bij die richtlijn bedoelde activiteiten uitoefenen, en op alle grote installaties die CO2 uitstoten, met inbegrip van de installaties voor de vervaardiging van ruwijzer of staal. Verzoekster heeft echter niet bewezen dat haar situatie verschilde van die van andere producenten van ruwijzer of staal. De Raad voegt eraan toe dat de lidstaten overeenkomstig criterium 6 van bijlage III en artikel 11, lid 3, van de bestreden richtlijn verplicht zijn de verwerving van de emissierechten voor nieuwkomers te vergemakkelijken. Bovendien gold de bestreden richtlijn vanaf 1 mei 2004 voor de producenten van ruwijzer of staal die gevestigd zijn in de tien lidstaten die op dat tijdstip tot de Unie zijn toegetreden en wier activiteiten ook onder bijlage I bij voornoemde richtlijn vielen.
52 Naar de mening van het Parlement en de Raad legt noch artikel 175, lid 1, EG als rechtsgrondslag voor activiteiten van de Gemeenschap op milieugebied noch artikel 174 EG de gemeenschapswetgever een verplichting op om bij de vaststelling van maatregelen van algemene strekking rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde marktdeelnemers. Een dergelijke verplichting zou ook niet voortvloeien uit een andere hogere rechtsregel, zoals de beginselen van evenredigheid en van gelijke behandeling of de fundamentele rechten. Volgens het Parlement en de Raad kan daaruit niet het recht van een particulier worden afgeleid om rechtstreeks beroep bij de gemeenschapsrechter in te stellen, omdat anders de vereisten van artikel 230, vierde alinea, zouden worden uitgehold. Verzoekster heeft hoe dan ook niet aangetoond dat de litigieuze bepalingen zulke „dramatische consequenties” voor haar bijzondere situatie hadden dat zij in strijd met de aangevoerde hogere rechtsregels konden worden geacht.
53 In dit verband betwist de Raad verzoeksters argumenten, dat zij als grootste staalproducent van Europa, die in een unieke situatie verkeert wegens haar lopende herstructurering, haar geringe winstmarge en de reeds tot stand gebrachte aanzienlijke verminderingen van CO2-emissies, bijzonder ernstig zou zijn geraakt. Het volstaat niet dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling economisch zwaarder worden getroffen dan hun concurrenten om door deze handeling individueel te worden geraakt. Volgens de Raad wordt verzoekster louter wegens haar objectieve situatie van producent van ruwijzer of staal op dezelfde wijze geraakt als iedere andere marktdeelnemer in dezelfde situatie. Ook de omstandigheid dat een handeling van algemene strekking uiteenlopende concrete gevolgen kan hebben voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, kan verzoekster niet karakteriseren ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers, aangezien deze handeling, zoals de bestreden richtlijn, op grond van een objectief bepaalde situatie wordt toegepast.
54 Met betrekking tot verzoeksters argument dat de bestreden richtlijn de herstructurering van haar groep belemmert, voor zover op grond daarvan geen grensoverschrijdende overdracht van emissierechten in verband met de productiecapaciteiten van in verschillende lidstaten gevestigde installaties mogelijk is, stelt de Raad dat verzoekster niet heeft verklaard waarom zij de enige marktdeelnemer is die wordt geraakt, terwijl zij zelf het voorbeeld van de lopende herstructurering van Corus noemt. De eventuele mogelijkheid om de aan gesloten installaties toegewezen emissierechten te gebruiken, staat hoe dan ook grotendeels aan de discretie van de lidstaten. Zo heeft bijna de helft daarvan de overdracht van emissierechten van een gesloten installatie naar een vervangingsinstallatie toegestaan, zelfs indien in meerdere gevallen die overdrachten slechts binnen dezelfde lidstaat mogelijk zijn. De Raad, ondersteund door de Commissie, voert bovendien aan dat alle lidstaten in het kader van hun beoordelingsvrijheid ervoor hebben gekozen om ingevolge artikel 11, lid 3, en criterium 6 van bijlage III bij de bestreden richtlijn aan nieuwkomers kosteloos emissierechten uit de reserve toe te wijzen. Zelfs indien verzoekster niet in staat is om de aan te sluiten installaties toegewezen emissierechten aan andere installaties van haar groep over te dragen, kan zij voorts toch aanspraak maken op de kosteloze toewijzing van emissierechten bij de uitbreiding van de capaciteiten van die andere installaties, aangezien het begrip „nieuwkomer” in de zin van artikel 3, sub h, van de bestreden richtlijn, ook de uitbreiding van een bestaande installatie omvat. Ten slotte herinnert de Raad met betrekking tot eventuele vroegtijdige maatregelen tot emissiereductie eraan dat overeenkomstig criterium 7 van bijlage III bij de bestreden richtlijn een NTP met dergelijke maatregelen rekening kan houden en dat de lidstaten in dit opzicht een zekere handelingsvrijheid hebben.
55 Volgens het Parlement en de Raad heeft verzoekster niet aangetoond dat zij zich met betrekking tot de bestreden richtlijn in een soortgelijke situatie bevond als de verzoekers in de zaken die hebben geleid tot de arresten van het Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie (11/82, Jurispr. blz. 207); 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie (C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 28), en 18 mei 1994, Codorníu/Raad (C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853), alsmede in de zaken die hebben geleid tot de arresten van het Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie (T‑480/93 en T‑483/93, Jurispr. blz. II‑2305, punt 67), en 17 juni 1998, UEAPME/Raad (T‑135/96, Jurispr. blz. II‑2335). Met betrekking tot het argument betreffende de langlopende contracten voor de levering van gas die verzoekster vóór de vaststelling van de bestreden richtlijn met energiecentrales heeft gesloten, is de Raad van mening dat de twee cumulatieve voorwaarden aan de hand waarvan in voormelde arresten werd bepaald of sprake is van een individuele geraaktheid in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, te weten het bestaan van een hogere rechtsregel die de gemeenschapsinstellingen verplicht rekening te houden met de bijzondere situatie van verzoekster ten opzichte van iedere andere betrokken persoon, en het feit dat de uitvoering van de betrokken contracten door de bestreden handeling geheel of gedeeltelijk wordt verhinderd, in casu niet zijn vervuld. Verzoekster stelt zelf dat de in die contracten bedoelde gassen zowel aan haar eigen energiecentrales als aan centrales van derden worden geleverd. Derhalve kan zij aanspraak maken op de emissierechten die aan de centrales van haar groep zijn toegewezen, dan wel ze tussen haar verschillende productie-installaties overdragen. Volgens de bewoordingen van punt 92 van de richtsnoeren van de Commissie (zie punt 14 hierboven) komt het namelijk aan de lidstaat toe, ingeval een afgas van enig productieproces van een installatie door een andere installatie als brandstof worden gebruikt, te bepalen hoe de emissierechten over deze twee installaties worden verdeeld. De lidstaat kan ervoor kiezen emissierechten toe te wijzen aan de exploitant van de installatie die de afgassen overdraagt, te weten in casu aan een producent van ruwijzer of staal, zelfs indien de uit de verbranding van die gassen voortvloeiende emissies niet worden voortgebracht door de installatie voor de productie van staal als zodanig maar door de centrale. In die omstandigheden heeft verzoekster niet aangetoond dat de bestreden richtlijn haar belet de betrokken contracten voor de levering van gas uit te voeren. In elk geval kan aan de hand van het enkele feit dat de bestreden richtlijn via de nationale omzettingsmaatregelen de uitvoering van die contracten moeilijker kan maken, niet worden vastgesteld dat verzoekster individueel wordt geraakt.
56 Het Parlement en de Raad, ondersteund door de Commissie, wijzen erop dat verzoekster ook niet heeft aangetoond dat zij deel uitmaakte van een gesloten categorie van exploitanten. Aangezien de bestreden richtlijn een maatregel van algemene strekking is die geldt voor alle exploitanten die de in bijlage I daarbij omschreven activiteiten uitoefenen, wordt verzoekster enkel in haar objectieve capaciteit van producent van ruwijzer en staal op dezelfde wijze geraakt als elke andere marktdeelnemer in dezelfde situatie. Dat bij de vaststelling van de bestreden richtlijn eventueel slechts vijftien producenten van ruwijzer of staal bestonden, volstaat derhalve niet om verzoekster te individualiseren. Zelfs het feit dat verzoekster bij de vaststelling van de bestreden richtlijn tot een „gesloten en bepaalbare groep” behoorde of economisch zwaarder werd getroffen dan haar concurrenten, volstaat volgens het Parlement niet om haar als adressaat te individualiseren.
57 De Raad betwist dat verzoekster wegens haar bijzondere situatie een „nettokoper van emissierechten” kan worden. In dit verband herinnert hij ten eerste eraan dat de lidstaten in de eerste toewijzingsperiode ten minste 95 % van de in het NTP bedoelde emissierechten kosteloos moeten toewijzen tegen ten minste 90 % in de tweede toewijzingsperiode. Ten tweede kunnen de emissierechten krachtens artikel 12, leden 1 en 2, van de bestreden richtlijn zonder beperkingen worden overgedragen zowel binnen de groep van ondernemingen als aan andere personen die zich hetzij in de Gemeenschap hetzij in derde landen bevinden. Ten derde wordt de hoeveelheid aanvankelijk toegewezen emissierechten door elke lidstaat discretionair met inaanmerkingneming van een reeks van factoren en criteria bepaald (zie punten 48 e.v. hierboven). Ten slotte bieden de flexibele mechanismen van het Protocol van Kyoto (zie punt 5 hierboven) de producenten van ruwijzer of staal de mogelijkheid om de op grond van de betrokken projecten verkregen emissiekredieten om te zetten in emissierechten die in het kader van de regeling voor de handel in emissierechten kunnen worden gebruikt. Bijgevolg is verzoekster in staat, voor al haar emissies kosteloos emissierechten krijgen.
58 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist op grond van studies de stelling dat de producenten van ruwijzer of staal zich in een „unieke lock-in situatie” bevinden, omdat het voor de ijzer‑ en staalindustrie technisch onmogelijk is om de CO2-uitstoot nog verder terug te dringen. In dit verband voert de Raad in wezen aan, dat er zowel op korte als op lange termijn in de ijzer‑ en staalsector technische mogelijkheden zijn om dergelijke emissies te verminderen, dat de Gemeenschap voor het onderzoek daarnaar aanzienlijke financiële steun ter beschikking stelt en dat de regeling voor de handel in emissierechten de producenten van ruwijzer of staal een economische stimulans biedt om hun CO2-uitstoot nog verder terug te dringen.
59 Aangaande verzoeksters argument dat de producenten van ruwijzer of staal een eventuele stijging van de productiekosten als gevolg van de noodzaak om emissierechten aan te kopen, niet op hun klanten kunnen afwentelen, voert de Raad, ondersteund door de Commissie, aan dat de eventuele noodzaak voor een dergelijke producent om emissierechten aan te kopen, zal afhangen van de aanvankelijke hoeveelheid emissierechten die hem op grond van het NTP is toegewezen en van zijn inspanningen om de uitstoot terug te dringen. Verzoekster verwijst zelf naar het herstructureringsproces in haar groep en naar het feit dat het aantal van haar hoogovens tussen nu en 2012 zal verminderen, hetgeen waarschijnlijk op zich tot emissiereductie zou moeten leiden. Dat zou met name opgaan indien, zoals door verzoekster publiekelijk aangekondigd, haar hoogovens zullen worden vervangen door elektrische vlamboogovens die per ton geproduceerd staal minder CO2 uitstoten. Zelfs al moest verzoekster extra emissierechten kopen, zouden de daaraan verbonden kosten althans gedeeltelijk op de consumenten kunnen worden afgewenteld gezien de aanzienlijke prijsstijging in de groeiende staalsector.
60 Het Parlement en de Raad, ondersteund door de Commissie, leiden uit het voorgaande af dat verzoekster door de bestreden richtlijn niet individueel wordt geraakt en dat het beroep tot nietigverklaring bijgevolg niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
61 Verder beroept het Parlement zich, ondersteund door de Commissie, op de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring voor zover de litigieuze bepalingen niet kunnen worden losgekoppeld van de rest van de bestreden richtlijn omdat deze anders zou worden uitgehold. Indien bijvoorbeeld de verplichtingen met betrekking tot de vergunning voor broeikasgasemissies (artikelen 4 en 6) en tot de NTP’s (artikel 9) werden afgeschaft, zou het resultaat daarvan volgens het Parlement namelijk een handeling met een volledig „omgekeerde” inhoud zijn.
62 In dit verband betwist het Parlement verzoeksters argument dat de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten „wezenlijk intact” zou blijven indien de producenten van ruwijzer of staal van de werkingssfeer ervan werden uitgesloten, omdat dit aspect geen verband houdt met de vraag of door de nietigverklaring van de litigieuze bepalingen de inhoud van het resterende deel van de bestreden richtlijn zou worden gewijzigd. Bovendien is volgens het Parlement en de Raad geen succes weggelegd voor verzoeksters laattijdige poging, in het stadium van de repliek, en dus in strijd met de vereisten van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, om haar conclusies te wijzigen zodat haar beroep thans aldus moet worden uitgelegd dat het „een beroep tot volledige nietigverklaring van de [bestreden] richtlijn inhoudt, indien een gedeeltelijke nietigverklaring niet mogelijk is”. Door deze benadering zouden verzoeksters aanvankelijke conclusies, die gericht waren op een „gedeeltelijke nietigverklaring” van de bestreden richtlijn, in feite worden uitgebreid en niet worden beperkt. Verzoekster heeft echter geen nieuwe gegevens aangevoerd, hetzij feitelijk of rechtens, waarvan eerst in de loop van de procedure is gebleken als bedoeld in artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, die de voordracht van een nieuw middel zouden kunnen rechtvaardigen.
63 Bijgevolg zijn het Parlement en de Raad van mening dat het beroep tot nietigverklaring ook om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
64 In hun opmerkingen over de aan de inwerkingtreding van artikel 263, vierde alinea, VEG te verbinden gevolgen voeren het Parlement en de Raad, ondersteund door de Commissie, aan dat deze beoordeling daardoor niet kan worden gewijzigd, omdat voornoemd artikel niet van toepassing is op de onderhavige procedure en de bestreden richtlijn geen regelgevingshandeling in de zin van deze bepaling is.
2. Argumenten van verzoekster
65 Verzoekster voert vooraf aan dat volgens vaste rechtspraak met betrekking tot artikel 230, vierde alinea, EG het enkele feit dat de bestreden maatregel een richtlijn is, niet volstaat om een beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren. Een beroep tot nietigverklaring van een aantal bepalingen van een richtlijn is derhalve ontvankelijk indien de verzoekende partij door die bepalingen rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
66 Met betrekking tot het criterium van rechtstreekse geraaktheid stelt verzoekster dat, zelfs indien een richtlijn overeenkomstig artikel 249, derde alinea, EG een uitvoeringshandeling van de lidstaten verlangt om rechtstreekse gevolgen voor de rechtspositie van de marktdeelnemers te hebben, dit vereiste als zodanig niet volstaat voor de conclusie dat zij niet rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG. Indien dat het geval was, zouden de richtlijnen nooit door een dergelijke marktdeelnemer kunnen worden aangevochten, wat onverenigbaar is met de rechtspraak en met het recht op een effectieve rechterlijke bescherming. Wanneer een communautaire maatregel, een richtlijn daaronder begrepen, aan de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laat met betrekking tot de aan de verzoeker op te leggen verplichting, dat wil zeggen wanneer de uitvoering ervan zuiver automatisch is, wordt die verzoeker rechtstreeks geraakt. De instellingen kunnen immers de door artikel 230, vierde alinea, EG aan die verzoeker geboden rechterlijke bescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de vastgestelde handeling uitsluiten.
67 In casu laten de litigieuze bepalingen de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge met betrekking tot de aan verzoekster op te leggen verplichtingen.
68 Dienaangaande merkt verzoekster ten eerste op dat overeenkomstig artikel 4 van de bestreden richtlijn de lidstaten ervoor zorg moeten dragen dat vanaf 1 januari 2005 de producenten van ruwijzer of staal hun installaties niet zonder emissievergunning laten draaien. De lidstaten hebben in dat opzicht geen beoordelingsmarge. Artikel 27, lid 1, van de bestreden richtlijn voert slechts een mogelijkheid in dat bepaalde installaties tot en met 31 december 2007 tijdelijk van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten kunnen worden uitgesloten, hetgeen tot gevolg heeft dat de vergunningplicht uiterlijk op 1 januari 2008 van kracht zou zijn geworden. Ook de in artikel 27, lid 2, van de bestreden richtlijn bedoelde mogelijkheid voor de lidstaten om een tijdelijke uitsluiting van 2005 tot en met 2007 te verlenen, geeft hun geen beoordelingsvrijheid en heeft wegens haar restrictieve voorwaarden geen enkel praktisch belang.
69 Ten tweede is het argument betreffende de ruime beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij de opstelling van de NTP’s zouden beschikken, irrelevant, aangezien de bestreden richtlijn duidelijk onderscheidt maakt tussen de vergunning (artikel 4) en de emissierechten (artikel 9). De verplichting van een vergunning voor CO2-emissies zou op zich gevolgen teweegbrengen voor verzoeksters rechtspositie omdat de exploitatievergunningen en de op grond van richtlijn 96/61 verleende CO2-emissierechten die zij voordien voor haar productie-installaties had verkregen, daardoor ongeldig worden. Volgens artikel 6, lid 2, van de bestreden richtlijn is deze vergunning immers afhankelijk van bijkomende bewakings‑ en rapportagevoorschriften, alsmede van de verplichting tot inlevering van de emissierechten die noodzakelijk zijn om de CO2-uitstoot van de betrokken installatie in elk kalenderjaar te dekken. Volgens verzoekster hebben de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge met betrekking tot de in dat verband aan haar op te leggen verplichtingen.
70 Ten derde moet krachtens artikel 9 van de bestreden richtlijn in samenhang met criterium 1 van bijlage III daarbij de totale hoeveelheid voor de betrokken toewijzingsperiode toegewezen emissierechten enerzijds overeenstemmen met de verplichting van de lidstaat om zijn emissies overeenkomstig beschikking 2002/358 en het Protocol van Kyoto terug te dringen, en mag zij niet groter zijn dan de hoeveelheid die voor de strikte toepassing van de criteria van bijlage III bij de bestreden richtlijn noodzakelijk is. Daaruit volgt dat de lidstaten wanneer zij de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten vaststellen, een „absoluut maximum van emissierechten” zonder enige beoordelingsmarge moeten eerbiedigen. Deze uitlegging wordt bevestigd door punt 10 van de verdere richtsnoeren van de Commissie met betrekking tot criterium 3 van bijlage III bij de bestreden richtlijn (zie punt 14 hierboven).
71 Ten vierde ten slotte moeten de lidstaten op grond van de artikelen 12, lid 3, en 16 van de bestreden richtlijn, zonder in dat opzicht een beoordelingsvrijheid te hebben, elke exploitant verplichten uiterlijk op 30 april van ieder jaar een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan zijn totale emissies gedurende het voorgaande kalenderjaar, en verder moeten zij hem sancties opleggen indien hij deze verplichting niet nakomt.
72 Verzoekster leidt daaruit af dat de litigieuze bepalingen de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laten met betrekking tot de aan haar op te leggen verplichtingen zodat deze bepalingen haar rechtstreeks raken in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
73 Verzoekster acht zich door de litigieuze bepalingen ook individueel geraakt. Enerzijds is de gemeenschapswetgever verplicht rekening te houden met de ernstige gevolgen die daaruit voor verzoeksters bijzondere situatie voortvloeien, en anderzijds maakt zij deel uit van een gesloten categorie, bestaande uit een beperkt aantal producenten van ruwijzer of staal dat door voornoemde bepalingen wordt geraakt.
74 In de eerste plaats kan de verplichting voor de gemeenschapswetgever om rekening te houden met de gevolgen van de door hem voorgenomen handeling voor de situatie van bepaalde particulieren hen individualiseren (arresten Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, punt 55 supra, punt 19; Sofrimport/Commissie, punt 55 supra, punt 11, en Codorníu/Raad, punt 55 supra, punt 20), aangezien deze verplichting kan voortvloeien hetzij uit een speciale bepaling van het EG-Verdrag (arrest Antillean Rice Mills e.a./Commissie, punt 55 supra, punt 67), hetzij uit andere hogere rechtsregels (arrest UEAPME/Raad, punt 55 supra, punt 90), zoals het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de fundamentele rechten.
75 In dit verband stelt verzoekster in wezen dat de gemeenschapswetgever, gelet op de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling, alsmede op haar eigendomsrecht en haar vrijheid om een economische activiteit uit te oefenen, rekening had moeten houden met de zeer ernstige gevolgen van de bestreden richtlijn voor haar bijzondere situatie. Met het verzuim om in strijd met de oorspronkelijke voorstellen van het Parlement en de Commissie, andere sectoren – in het bijzonder de concurrerende sectoren van non-ferrometalen en chemische producten – in bijlage I bij de bestreden richtlijn op te nemen, heeft de gemeenschapswetgever de beginselen van gelijke behandeling en van de handhaving van niet-vervalste mededinging geschonden. Ook heeft hij verzoeksters eigendomsrecht, vrijheid van vestiging en vrijheid om een economische activiteit uit te oefenen, alsmede het evenredigheidsbeginsel geschonden door niet in te zien dat het voor de producenten van ruwijzer of staal technisch en economisch onmogelijk was om de uitstoot van CO2 nog verder terug te dringen. Daarmee heeft de gemeenschapswetgever verzoekster een onevenredige last opgelegd waardoor haar bestaan gevaar loopt, omdat zij noodzakelijkerwijs een „nettokoper van emissierechten” zou worden zonder dat zij de daaraan verbonden kosten op haar klanten kan afwentelen. Voorts zijn de litigieuze bepalingen onevenredig omdat zij niet vergezeld gaan van maatregelen die de rampzalige gevolgen daarvan voor verzoekster op zijn minst temperen, zoals een controlemechanisme voor de prijs van de emissierechten of de mogelijkheid van de grensoverschrijdende overdracht daarvan binnen dezelfde groep van ondernemingen. Bij gebreke van een dergelijke overdrachtmogelijkheid die verzoeksters herstructureringsinspanningen en haar concurrentievermogen zeer nadelig zouden beïnvloeden, zou de bestreden richtlijn ook afbreuk doen aan verzoeksters eigendomsrecht en aan haar vrijheid van vestiging. Verzoekster preciseert dat de ontoelaatbare beperking van haar vrijheid van vestiging als gevolg van het ontbreken van een regel in de bestreden richtlijn die de grensoverschrijdende overdracht van emissierechten tussen verschillende installaties van dezelfde groep van ondernemingen mogelijk maakt, niet kan worden gerelativeerd door het argument dat een uitbreiding van de productiecapaciteiten van een installatie voordeel kan hebben bij de toewijzingsvoorschriften voor „nieuwkomers,” omdat de toepassing daarvan aan de discretie van de betrokken lidstaat van ontvangst staat.
76 In de tweede plaats stelt verzoekster dat zij deel uitmaakt van een gesloten categorie van ondernemingen die door de bestreden richtlijn bijzonder wordt getroffen. In de Unie van vijftien lidstaten exploiteerden slechts vijftien ondernemingen of groepen van ondernemingen installaties voor de vervaardiging van ruwijzer of staal, te weten verzoekster, Corus, ThyssenKrupp, HKM, Riva, Luccini, SSAB, Voest Alpine, Salzgitter, Duferco, Rauttaruukki, Fundia, Saint-Gobain, DHS en Neue Maxhütte, waarbij zich sinds 1 mei 2004 vijf producenten van ruwijzer of staal uit de tien nieuwe lidstaten hebben gevoegd, te weten Ispat Polska, Czech Steel Company, Moravia Steel, Dunaferr Dunai en US Steel Košice. De uitbreiding van de Unie alleen kan deze groep echter haar hoedanigheid van gesloten categorie in de zin van de rechtspraak niet ontnemen, aangezien die uitbreiding reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn was voorzien in artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33). Bovendien zijn nieuwkomers de facto uitgesloten, aangezien de betreding van de markt door middel van de invoering van nieuwe hoogovenactiviteiten geen economisch aanvaardbare optie is. Na de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn en gezien de daling van het aantal hoogovens in de Unie sinds 1975, kan een nieuwkomer zich enkel door middel van een overname op de markt vestigen.
77 De „unieke lock-in situatie” van deze groep van producenten, die hen van ieder ander zou onderscheiden, vloeit volgens verzoekster voort uit het feit dat, anders dan de situatie van andere betrokken economische sectoren, zoals de cement‑, de elektriciteits‑, de papier‑ en de glassector, de ijzer‑ en staalproducenten in een afzienbare toekomst niet in staat zouden zijn de CO2-uitstoot conform de doelstellingen van de bestreden richtlijn aanzienlijk terug te dringen. De producenten in die groep kunnen bijgevolg in werkelijkheid niet kiezen tussen een vermindering van de uitstoot en de aankoop van extra emissierechten, zodat zij noodzakelijkerwijs „nettokopers van emissierechten” worden. In het staalproductieproces is de uitstoot van CO2 onvermijdelijk omdat steenkool als grondstof en niet als brandstof wordt gebruikt. Er bestaat dan ook geen economisch rendabel alternatief voor de vermindering van CO2-emissies, bijvoorbeeld door het gebruik van een andere brandstof zoals aardgas. De hoogoventechnologie is wat energierendement betreft verbeterd en heeft haar theoretische grens bereikt wat betekent dat nog steeds twee ton CO2 per ton geproduceerd staal wordt uitgestoten. Een verdere terugdringing van de uitstoot is enkel mogelijk door een technologische doorbraak waarvan de ontwikkeling minstens 20 à 30 jaar in beslag zou nemen. Een vermindering van de productie is daarentegen niet mogelijk omdat de hoogovens om technologische redenen altijd op nagenoeg vol vermogen moeten draaien.
78 Verzoekster stelt op basis van studies vast dat in de komende 25 jaar of zo de exploitanten van hoogovens zullen moeten werken met de bestaande technologieën, die een zeer geringe progressiemarge hebben, omdat alle pogingen tot vervanging tot op heden om technische en/of economische redenen zijn mislukt. Zij voegt eraan toe dat, anders dan de Raad stelt, de door haar tot 2002 verwezenlijkte emissiereducties niet het resultaat zijn van technische verbeteringen maar voornamelijk zijn toe te schrijven aan de sluiting van vijf hoogovens, aan de capaciteitsuitbreiding van andere installaties, alsmede aan de vervanging van het erts van Lotharingen door het Braziliaanse erts als grondstof dat een beter energierendement heeft. Ook verzoeksters reductiedoelstelling voor de periode van 2008 tot 2012 moet met name worden bereikt door sluiting van installaties samen met de verplaatsing van de productie naar installaties in andere lidstaten.
79 Verzoekster voert voorts aan dat de staalsector de enige van de vier in bijlage I bij de bestreden richtlijn genoemde sectoren is die heeft te kampen met concurrentie van andere niet onder die richtlijn vallende sectoren, namelijk non-ferrometalen en plastic. Deze zeer nadelige concurrentiepositie van de producenten van ruwijzer of staal wordt nog versterkt door enerzijds een „zeer geconcentreerde” vraag, met name van de auto-industrie, en anderzijds door een verscherpte concurrentie van niet in de bestreden richtlijn genoemde sectoren en van staalproducenten uit derde landen, zoals de Verenigde Staten van Amerika, waarvoor de verplichtingen van het Protocol van Kyoto niet gelden en die 65 % van de wereldproductie vertegenwoordigen. De Europese staalproducenten zijn derhalve niet in staat de stijging van de productiekosten als gevolg van de noodzaak om CO2-emissierechten te kopen op hun klanten af te wentelen, wat hun toch al geringe rentabiliteit nog verder zou verminderen. In dat opzicht ligt de concurrentiesituatie van de andere in bijlage I bij de bestreden richtlijn genoemde sectoren anders. Gelet op de verwachte aanzienlijke stijging van de elektriciteitsprijzen, hebben de energieleveranciers bijvoorbeeld de mogelijkheid elke eventuele stijging van hun productiekosten op hun klanten af te wentelen en hun rentabiliteit merkbaar te verbeteren.
80 Verzoekster preciseert dat daarentegen zelfs de recente verhoging van de staalprijs haar niet in staat zal stellen dat deel van de stijging van de productiekosten op haar klanten af te wentelen dat het gevolg is van de noodzaak om emissierechten te kopen. Deze prijsverhoging is alleen het resultaat van wereldwijd stijgende grondstof‑ en transportprijzen. Wereldwijd gezien, hebben de Europese producenten van ruwijzer of staal te maken met een hevige concurrentie van de producenten uit derde landen die ofwel zoals de Verenigde Staten van Amerika, het Gemenebest van Australië en de Republiek Turkije het Protocol van Kyoto niet hebben geratificeerd ofwel zoals de Republiek India, de Volksrepubliek China en de Federatieve Republiek Brazilië het Protocol van Kyoto wel hebben geratificeerd, maar in eerste instantie niet verplicht zijn hun CO2-uitstoot te verminderen (bijlage B bij het Protocol van Kyoto) dan wel alleen uit hoofde van het Protocol van Kyoto de verplichting hebben het huidige uitstootniveau te handhaven, zoals het geval is met de Russische Federatie en de Oekraïne. De Europese producenten van ruwijzer of staal moeten derhalve als enige extra productiekosten maken wegens de uitvoering van het Protocol van Kyoto, waarbij zij tevens worden blootgesteld aan een toenemende concurrentiedruk door de invoer van staal uit derde landen waarvan de omvang afhangt van het prijsniveau op de Europese markt. Verzoekster voegt eraan toe dat, daar de kosten voor emissierechten thans 26 EUR per ton uitgestoten CO2 bedragen, de extra kosten per ton geproduceerd staal, waarmee de uitstoot van ongeveer twee ton CO2 is gemoeid, ongeveer 52 EUR zijn, terwijl de globale prijs voor het vervoer van een ton staal in de regel niet meer dan 20 EUR bedraagt. Verzoekster voegt eraan toe dat, anders dan bij de producenten van ruwijzer of staal, bestaat bij de energieleveranciers, met name die welke in Duitsland en in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, het vermoeden dat zij in hun elektriciteitsprijzen de waarde van de kosteloos verkregen emissierechten meerekenen om daaruit onverhoopte winst te halen.
81 Verzoekster leidt uit het voorgaande af dat de in de Unie gevestigde producenten van ruwijzer of staal zich in een „unieke lock-in situatie” bevinden die hen van ieder ander onderscheidt. Deze situatie wordt verergerd doordat de bestreden richtlijn niet voorziet in een plafond of een controlemechanisme voor de prijs van de emissierechten. Volgens recente studies moeten de producenten van ruwijzer of staal dus voor een emissierecht, op grond waarvan een ton CO2 kan worden uitgestoten, een prijs van 20 tot 60 EUR of meer betalen, terwijl reeds een prijs van 20 EUR de brutowinst van de staalsector tenietdoet.
82 In de derde plaats acht verzoekster zich door de bestreden richtlijn bijzonder ernstig geraakt, omdat zij – met een productie van 40 miljoen ton staal, gevolgd door Thyssen-Krupp (17 miljoen) en Corus (16 miljoen) – verreweg de grootste producent van ruwijzer en staal in Europa is. Met behulp van haar zeer geavanceerde hoogoventechnologie heeft verzoekster sinds 1990 haar broeikasgasemissies, waaronder haar CO2-emissies, reeds veel verder teruggedrongen dan de in het Protocol van Kyoto vermelde 8 %, te weten met 19 % in absolute cijfers en met 24 % in relatieve cijfers (per ton geproduceerd staal) en kan zij om de in de punten 77 en 78 hierboven genoemde technologische redenen de CO2-uitstoot niet verder significant verminderen. Bovendien heeft verzoekster in 2002 met de exploitatie van haar hoogovens een brutowinst van 16 EUR en een nettowinst van 4 EUR per ton uitgestoten CO2 behaald. Daaruit volgt dat zelfs bij de laagste prijs van 20 EUR per emissierecht, zoals thans geschat, wat voor verzoekster extra kosten van 40 EUR per ton staal zou betekenen, de productie voor haar zo onrendabel zou worden dat zij haar installaties in Europa niet meer draaiende kan houden.
83 In de vierde plaats is verzoekster de enige Europese producent van ruwijzer en staal die te kampen heeft met een door de bestreden richtlijn gecreëerd bijzonder probleem wegens de binnen haar groep lopende herstructurering die de verbetering van haar concurrentievermogen tot doel heeft. Deze herstructurering, die door de concentratie in 2001 in gang is gezet (zie punt 30 hierboven), dat wil zeggen vóór de vaststelling van de bestreden richtlijn, heeft betrekking op de sluiting van installaties of de verlaging van minder rendabele productiecapaciteiten in de ene lidstaat en de overeenkomstige verhoging van productiecapaciteiten van rendabeler installaties in andere lidstaten. Deze situatie is specifiek voor verzoekster en onderscheidt haar van alle andere producenten van ruwijzer of staal, wier installaties zich in een enkele lidstaat bevinden. De enige uitzondering hierop vormt Corus met installaties in het Verenigd Koninkrijk en in Nederland, die haar productie echter al heeft geoptimaliseerd. De bestreden richtlijn brengt deze herstructurering echter ernstig in gevaar, omdat zij de lidstaten niet de verplichting oplegt om de grensoverschrijdende overdracht van emissierechten van een te sluiten installatie naar andere installaties in andere lidstaten toe te staan. De Belgische en de Duitse regering hebben dan ook reeds laten weten dat verzoekster in geval van sluiting haar emissierechten voor de installaties in Wallonië (België) en in Bremen (Duitsland) zou verliezen, zodat zij deze emissierechten niet kan overdragen aan haar installaties in Spanje of in Frankrijk, waar zij een overeenkomstig verhoging van de productiecapaciteiten had gepland. Ook het Duitse NTP en artikel 10, lid 1, eerste volzin, van de Duitse ontwerpwet inzake de toewijzing van emissierechten in de eerste toewijzingsperiode, voorzien in de annulering van de emissierechten in geval van sluiting van een installatie, tenzij de exploitant een nieuwe installatie in Duitsland (en niet in een andere lidstaat) in bedrijf stelt. Op dezelfde wijze wordt in het Franse NTP bepaald dat een exploitant de emissierechten van een gesloten installatie uitsluitend kan behouden indien de activiteit naar een andere installatie op het Franse grondgebied wordt verplaatst. Verzoekster wordt derhalve gedwongen in strijd te handelen met haar doelstelling van herstructurering en van verbetering van haar concurrentievermogen. Zij moet extra emissierechten kopen om de aanvankelijk voor de sluiting en de verplaatsing naar installaties in andere lidstaten bestemde productiecapaciteiten te dekken, en minder rendabele installaties blijven exploiteren enkel om de reeds toegewezen emissierechten niet te verliezen.
84 Verzoekster is bovendien de enige marktdeelnemer uit alle in bijlage I bij de bestreden richtlijn genoemde sectoren die wordt geconfronteerd met het probleem van de grensoverschrijdende overdracht van productiecapaciteiten tussen in andere lidstaten gevestigde installaties. Dit probleem betreft niet de cement‑, de glas‑, de energie‑ en de papiersector, waarvan de installaties, anders dan de installaties voor staalproductie, hetzij vlakbij klanten zijn gevestigd hetzij in gebieden waar grondstoffen in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn. Bijgevolg is de sluiting van een installatie in de ene lidstaat en de verplaatsing van de productie naar een andere lidstaat voor de producenten van deze sectoren geen aannemelijke optie.
85 Met betrekking tot de vrijheid van vestiging is het echter geenszins gerechtvaardigd, om de lidstaten een beoordelingsmarge te geven bij de vraag in hoeverre grensoverschrijdende overdrachten van productiecapaciteiten mogelijk zijn. Dat geldt des te meer waar er voor de lidstaten aanzienlijke economische en politieke drijfveren bestaan om een dergelijke verplaatsing van productiecapaciteiten, met inbegrip van de overdracht van de daarmee verbonden emissierechten, niet toe te staan. De lidstaat die aanvankelijk deze emissierechten heeft toegewezen, heeft er geen enkel belang bij om die verplaatsing te vergemakkelijken en het verlies op zijn grondgebied zowel van de betrokken productiecapaciteiten en de daarmee verbonden arbeidsplaatsen als van de reeds toegewezen emissierechten voor lief te nemen. Anderzijds heeft de lidstaat waarnaar die verplaatsing plaatsvindt, in het bijzonder wanneer die staat van geringe omvang is, er niet noodzakelijkerwijs belang bij om aan de nieuwkomer kosteloos emissierechten toe te wijzen, gelet op het gevaar om zijn nationale maximumhoeveelheid van emissierechten te overschrijden en bijgevolg zijn emissiereductieverplichtingen uit hoofde van beschikking 2002/358 en het Protocol van Kyoto niet na te komen. Zoals blijkt uit punt 5 van bijlage 4 bij de verdere richtsnoeren van de Commissie (zie punt 14 hierboven), wordt deze terughoudendheid bevestigd door het feit dat de meeste lidstaten de grensoverschrijdende overdracht van emissierechten niet toestaan. In die richtsnoeren heeft de Commissie zelf de aandacht op deze problematiek gevestigd met de opmerking dat de lidstaten in de eerste toewijzingsperiode een groot aantal regels hebben vastgesteld over de reserves voor de nieuwkomers, de sluitingen en de overdrachten, wat zou bijdragen tot een hoge mate van complexiteit en tot een gebrek aan transparantie op de interne markt, en tot mededingingsverstoringen zou kunnen leiden. Zij heeft daaruit geconcludeerd dat het noodzakelijk is om te denken aan de aanleg van een communautaire reserve alsmede aan een harmonisatie van administratieve bepalingen die gelden voor nieuwkomers, sluitingen en grensoverschrijdende overdrachten binnen de interne markt (bijlage 7 bij de verdere richtsnoeren van de Commissie). Verzoekster beroept zich ook op een studie volgens welke het in de regeling voor de handel in emissierechten en gelet op het belang van de lidstaten bij het behoud van de belastingen en van de arbeidsplaatsen die de installaties op hun grondgebied verschaffen, thans voor hen verstandig is, hetzij de emissierechten van de gesloten installaties af te nemen hetzij op zijn minst het behoud van die emissierechten afhankelijk te stellen van de opening van een nieuwe installatie op hun grondgebied om te voorkomen dat de exploitant het land verlaat. Dit zou kunnen leiden tot een economisch inefficiënte en politiek ongewenste touwtrekkerij op regelgevingsgebied tussen de lidstaten, teneinde investeringen vast te houden en aan te trekken. Om die redenen komt die studie tot de conclusie dat een harmonisatie van de voorschriften op gemeenschapsniveau noodzakelijk is waardoor de installaties hun emissierechten zelfs in geval van sluiting kunnen behouden. Het nuttig effect van de vrijheid van vestiging kan volgens verzoekster bijgevolg enkel worden gewaarborgd door het optreden van de gemeenschapswetgever zelf.
86 In de vijfde plaats acht verzoekster zich door de bestreden richtlijn bijzonder ernstig geraakt omdat zij al lang bestaande langlopende contracten heeft met energiecentrales, waarvan sommige niet tot haar groep behoren, en die de levering betreffen van hoogovengas dat koolmonoxide, CO2 en stikstof voor de elektriciteitsproductie bevat. Verzoekster vraagt zich af of de betrokken emissierechten in het licht van artikel 3, sub b en e, van de bestreden richtlijn aan haar of aan de energiecentrale dienen te worden toegewezen. Zouden deze emissierechten aan de energiecentrale toekomen, dan zou verzoeksters situatie nog verder worden verslechterd, aangezien zij in voorkomend geval de nodige emissierechten op de handelsmarkt zou moeten kopen of, in geval van stopzetting van de levering aan de energiecentrale, haar hoogovengas zou moeten verbranden zonder echter over het overeenkomstige aantal emissierechten te beschikken. Verzoekster wordt daardoor in een zeer nadelige concurrentiepositie geplaatst ten opzichte van haar concurrenten die hun eigen energiecentrales gebruiken.
87 Tenslotte merkt verzoekster in de zesde plaats op dat zij, omdat zij door de litigieuze bepalingen bijzonder ernstig wordt geraakt, nauw betrokken is geweest bij de wetgevingsprocedure, met name bij verschillende bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de Commissie, het Parlement en de Raad. In dat kader is een aantal van de door haar gemaakte bezwaren in eerste instantie in aanmerking genomen maar uiteindelijk zonder opgaaf van redenen afgewezen.
88 Gelet op het voorgaande, concludeert verzoekster dat zij het bestaan van een geheel van voor haar specifieke factoren heeft aangetoond die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseren zodat haar beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 230, vierde alinea, EG ontvankelijk is.
89 Wat betreft de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden richtlijn, wijst verzoekster erop dat zij niet de volledige intrekking van de litigieuze bepalingen vordert, maar alleen dat de toepassing daarvan op de installaties voor de productie van ruwijzer of staal wordt uitgesloten. Deze vordering houdt derhalve geen wijziging in van de regeling voor de handel in emissierechten voor de andere in bijlage I bij de bestreden richtlijn genoemde sectoren. De werkingssfeer van de bestreden richtlijn kan immers ofwel worden uitgebreid tot andere sectoren, zoals dat reeds voor de sectoren van de non-ferrometalen en van de chemische producten is voorgesteld, ofwel worden beperkt zonder dat dit afbreuk doet aan de werking en de inhoud van de regeling voor de handel in emissierechten. De gevorderde gedeeltelijke nietigverklaring leidt derhalve enkel tot de intrekking van het – afzonderlijke en duidelijk omschreven – deel van bijlage I bij de bestreden richtlijn dat betrekking heeft op de installaties voor productie van ruwijzer of staal.
90 Zelfs indien werd aangenomen dat de litigieuze bepalingen niet van de bestreden richtlijn in haar geheel kunnen worden losgekoppeld, is het beroep tot nietigverklaring volgens verzoekster toch ontvankelijk. Indien de gedeeltelijke nietigverklaring onmogelijk blijkt te zijn, moet dit beroep namelijk aldus worden uitgelegd dat het strekt tot nietigverklaring van de gehele bestreden richtlijn. Deze benadering vloeit voort uit de noodzaak om de conclusies uit te leggen in het licht van hun context en de doelstellingen van het verzoekschrift, dat beoogt een einde te maken aan de schending van verzoeksters fundamentele rechten. Mocht het Gerecht zich niet aansluiten bij het in punt 89 hierboven verdedigde standpunt, dan vordert verzoekster subsidiair de volledige nietigverklaring van de bestreden richtlijn, wat ook na de neerlegging van het verzoekschrift nog mogelijk is.
91 Verzoekster leidt uit het voorgaande af, dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is.
92 In haar opmerkingen over de aan de inwerkingtreding van artikel 263, vierde alinea, VEG te verbinden gevolgen voert verzoekster in wezen aan dat deze bepaling van toepassing is op de onderhavige procedure en de bestreden richtlijn naar haar inhoud een regelgevingshandeling in de zin van deze bepaling is op grond dat de betwiste bepalingen de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laten met betrekking tot de uitvoering daarvan, zodat verzoekster niet hoeft te bewijzen dat zij door voornoemde richtlijn individueel wordt geraakt.
B – Beoordeling door het Gerecht
93 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem „rechtstreeks en individueel” raken.
94 De enkele omstandigheid dat die verdragsbepaling niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring van een richtlijn in de zin van artikel 249, derde alinea, EG, volstaat volgens vaste rechtspraak op zich niet om een dergelijk beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De gemeenschapsinstellingen kunnen de door het Verdrag aan particulieren geboden rechterlijke bescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de handeling uitsluiten, zelfs indien deze de vorm van een richtlijn heeft (beschikkingen Gerecht van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, Jurispr. blz. II‑3259, punt 28; 30 april 2003, Villiger Söhne/Raad, T‑154/02, Jurispr. blz. II‑1921, punt 39; 6 september 2004, SNF/Commissie, T‑213/02, Jurispr. blz. II‑3047, punt 54, en 25 april 2006, Kreuzer Medien/Parlement en Raad, T‑310/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 40 en 41). Ook het enkele feit dat de litigieuze bepalingen deel uitmaken van een handeling van algemene strekking die een echte richtlijn is en niet een als richtlijn vastgestelde beschikking in de zin van artikel 249, vierde alinea, EG, volstaat op zich niet om de mogelijkheid uit te sluiten dat die bepalingen een particulier rechtstreeks en individueel kunnen raken (zie in die zin beschikking Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 30, en beschikking Gerecht van 6 mei 2003, Vannieuwenhuyze-Morin/Parlement en Raad, T‑321/02, Jurispr. blz. II‑1997, punt 21).
95 In casu moet worden vastgesteld dat de bestreden richtlijn zowel naar haar vorm als naar haar inhoud een handeling van algemene strekking is die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen teweegbrengt voor algemeen en abstract omschreven categorieën van personen, te weten alle exploitanten van installaties die een in bijlage I bij de bestreden richtlijn genoemde activiteit uitoefenen, waaronder de productie van ruwijzer of staal zoals verricht door verzoekster.
96 Echter kan niet worden uitgesloten dat de bepalingen van een dergelijke handeling van algemene strekking in bepaalde omstandigheden een aantal van hen rechtstreeks en individueel raken (zie in die zin arrest Hof van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C‑358/89, Jurispr. blz. I‑2501, punt 13; arrest Codorníu/Raad, punt 55 supra, punt 19, en arrest Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 36).
97 Verder is het vaste rechtspraak dat een natuurlijke of rechtspersoon door de handeling waartegen beroep is ingesteld, slechts rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, als deze handeling rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (arresten Hof van 29 juni 2004, Front national/Parlement, C‑486/01 P, Jurispr. blz. I‑6289, punt 34, en 22 maart 2007, Regione Siciliana/Commissie, C‑15/06, Jurispr. blz. I‑2591, punt 31).
98 Het Gerecht acht het wenselijk primair te onderzoeken, of verzoekster door de litigieuze bepalingen individueel wordt geraakt. Slechts subsidiair zal het Gerecht in voorkomend geval ook onderzoeken of verzoekster door die bepalingen rechtstreeks wordt geraakt.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 7 oktober 2015, T-79/13, ECLI:EU:T:2015:756
- Gerecht EU 19 december 2019, T-67/18, ECLI:EU:T:2019:873
- Gerecht EU 17 mei 2018, T-429/13, ECLI:EU:T:2018:280
- Gerecht EU 23 mei 2019, T-107/17, ECLI:EU:T:2019:353
- Gerecht EU 3 mei 2018, T-48/16, ECLI:EU:T:2018:245
- Gerecht EU 15 september 2016, T-456/14, ECLI:EU:T:2016:493
- Gerecht EU 10 november 2021, T-602/15, ECLI:EU:T:2021:764
- Gerecht EU 26 februari 2016, T-546/13, ECLI:EU:T:2016:107
- Gerecht EU 29 april 2015, T-217/11, ECLI:EU:T:2015:238
- Gerecht EU 23 september 2015, T-205/14, ECLI:EU:T:2015:673
- Gerecht EU 31 januari 2024, T-745/20, ECLI:EU:T:2024:45
- Gerecht EU 26 juli 2023, T-776/20, ECLI:EU:T:2023:422