Gerecht EU 11 juli 2007, T-351/03, ECLI:EU:T:2007:212
Tekst
Zaak T‑351/03
Schneider Electric SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap – Schade door onderneming geleden als gevolg van voldoende gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht in procedure van controle van verenigbaarheid van concentratie met gemeenschappelijke markt”
Samenvatting van het arrest
1. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21, eerste alinea, en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Voldoende gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht
(Art. 288, tweede alinea, EG)
3. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Voldoende gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht
(Art. 288, tweede alinea, EG)
4. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Voldoende gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht
(Art. 288, tweede alinea, EG)
5. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Beschikking waarbij concentratie onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard
(Art. 288, tweede alinea, EG)
6. Mededinging – Concentraties – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Noodzakelijke inhoud – Eerbieding van rechten van verdediging
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 18, leden 1 en 3)
7. Mededinging – Concentraties – Identieke ambtenarenteams in verschillende stadia van controle op concentratie van ondernemingen ondanks tussen die verschillende stadia uitgesproken nietigverklaring
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 18, leden 3 en 4)
8. Mededinging – Concentraties – Voldoende gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 8, lid 4)
9. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Inaanmerkingneming door Commissie van volgens nationaal recht toelaatbare overeenkomsten die partijen bij concentratie binden
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2)
10. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Besluit tot inleiding van fase van grondig onderzoek – Voorwaarden
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2, lid 3, 6, lid 1, en 8, lid 3)
11. Mededinging – Concentraties – Administratieve procedure – Besluit tot inleiding van fase van grondig onderzoek
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 6, lid 1, sub c)
12. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Oorzakelijk verband
(Art. 288, tweede alinea, EG)
13. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Ontbreken van vermoeden
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2 en 10)
14. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Oorzakelijk verband
(Art. 288, tweede alinea, EG)
15. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Oorzakelijk verband
(Art. 288, tweede alinea, EG)
16. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Oorzakelijk verband
(Art. 288, tweede alinea, EG; verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 7, lid 3)
17. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Schade – Vergoeding
(Art. 288, tweede alinea, EG)
1. Ingevolge artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, eventueel zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken.
Om aan deze vereisten te voldoen, moet een verzoekschrift waarin vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade wordt gevorderd, de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom hij meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade.
(cf. punten 92‑94)
2. Voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG, wegens een onrechtmatige gedraging van haar organen, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan: onrechtmatigheid van de aan de instelling verweten gedraging, het bestaan van schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade.
Wanneer de onrechtmatigheid van een rechtshandeling aan de schadevordering ten grondslag ligt, geldt voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap bovendien als voorwaarde, dat die onrechtmatigheid een voldoende gekwalificeerde schending oplevert van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen. Voor de vaststelling dat aan deze voorwaarde is voldaan, is beslissend dat een gemeenschapsinstelling de grenzen waarbinnen haar beoordelingsbevoegdheid dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft overschreden.
Voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt met name rekening gehouden met de ingewikkeldheid van de te regelen situaties, de moeilijkheden bij de toepassing of de uitlegging van de teksten en, meer in het bijzonder, de beoordelingsmarge waarover de auteur van de betrokken handeling beschikt.
Wanneer de aansprakelijk gestelde instelling slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht te doen vaststaan.
Hetzelfde geldt wanneer de verwerende instelling een algemene zorgvuldigheidsplicht verzaakt, dan wel de toepasselijke materiële of procedurele voorschriften verkeerd toepast.
(cf. punten 113‑118)
3. Indien het begrip gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht, die noodzakelijk is voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, aldus werd opgevat, dat hieronder ook alle vergissingen en fouten vallen die weliswaar ernstig zijn te noemen, maar naar hun aard of omvang passen bij het normale gedrag van een instelling die belast is met de toepassing van de mededingingsregels, die ingewikkeld en lastig zijn en waarvoor een ruime uitleggingsmarge geldt, zou dit de volledige uitoefening van de functie van mededingingsautoriteit in gevaar kunnen brengen, hetgeen haaks staat op het algemeen belang van de Gemeenschap.
Bijgevolg kan de niet-nakoming van een wettelijke verplichting, die, hoe betreurenswaardig ook, kan worden verklaard door de objectieve beperkingen waaraan de instelling en haar personeelsleden ingevolge de bepalingen inzake de controle op concentraties gebonden zijn, niet worden beschouwd als een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap meebrengt.
Wanneer daarentegen het gedrag van de instelling bestaat in de vaststelling van een handeling die duidelijk met de rechtsregel in strijd is en de belangen van derden ernstig schaadt, en die niet kan worden gerechtvaardigd of verklaard door de bijzondere beperkingen die objectief voortvloeien uit de uitoefening van de normale activiteit van de instelling, komt de door dat gedrag veroorzaakte schade wel voor vergoeding in aanmerking.
Met deze definitie van de drempel voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt recht gedaan aan de speelruimte en de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie als communautaire mededingingsautoriteit in het algemeen belang zowel bij haar discretionaire besluitvorming als bij haar uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van het primaire en afgeleide gemeenschapsrecht dient te beschikken, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat de consequenties van flagrante en onvergeeflijke schendingen van het gemeenschapsrecht voor rekening van derden komen.
(cf. punten 121‑125)
4. Het is niet a priori uitgesloten dat kennelijke en ernstige onjuistheden in de economische analyse die ten grondslag ligt aan in het kader van het mededingingsbeleid gegeven beschikkingen, schendingen van een rechtsregel kunnen opleveren die voldoende gekwalificeerd zijn om de Gemeenschap niet-contractueel aansprakelijk te stellen.
Daartoe moet echter in de eerste plaats worden nagegaan, of de rechtsregel die door de onjuiste analyse is geschonden, ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen. Ofschoon dit bij sommige beginselen en voorschriften waaraan het mededingingsonderzoek dient te voldoen, inderdaad het geval is, geldt dit niet per definitie voor alle in het primaire of afgeleide gemeenschapsrecht dan wel in de rechtspraak geformuleerde regels die de Commissie bij haar economische beoordelingen in acht dient te nemen.
Voorts zijn de economische analyses die met het oog op de mededingingsrechtelijke kwalificatie van een situatie of transactie moeten worden verricht, in het algemeen ingewikkelde en moeilijke intellectuele uiteenzettingen, zowel wat de beschrijving van de feiten als wat de op basis van die beschrijving uitgewerkte redenering betreft. Gelet op de door de instelling in acht te nemen termijnen kunnen daarin gemakkelijk bepaalde onvolkomenheden sluipen, zoals ruwe schattingen, tegenstrijdigheden of zelfs leemten. Dit geldt temeer wanneer, zoals bij de controle op concentraties, de analyse voor een deel prospectief is. In deze omstandigheden kan een onjuistheid in de weergave van de feiten of in de redenering niet altijd ernstig genoeg worden geacht om de aansprakelijkheid van de Gemeenschap mee te brengen.
Ten slotte beschikt de Commissie als communautaire mededingingsautoriteit over een zekere beoordelingsvrijheid. Van haar kan dus niet worden verwacht dat zij de relevante bepalingen steeds op exact dezelfde wijze toepast, en zij geniet ook een zekere vrijheid bij de keuze van de haar ter beschikking staande econometrische middelen en van de bij de bestudering van een bepaald fenomeen te volgen benadering, zolang deze keuzen maar niet kennelijk in strijd zijn met de in de economische wetenschap erkende beginselen en op consequente wijze worden toegepast.
(cf. punten 129‑132)
5. Gebreken van een beschikking waarbij een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, die het vervolg van de procedure niet hebben beïnvloed, en met name de bij de concentratie betrokken ondernemingen niet het perspectief op een voor hen gunstige beschikking hebben ontnomen, volstaan op zichzelf niet om partijen specifieke schade toe te brengen en bijgevolg tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap te leiden.
(cf. punten 134, 138-139)
6. In hun hoedanigheid van adressaten van overheidsbeslissingen die hun belangen aanmerkelijk raken, moeten de bij een concentratie met een communautaire dimensie betrokken ondernemingen in staat worden gesteld hun standpunt genoegzaam kenbaar te maken, waartoe zij tijdig duidelijk op de hoogte moeten worden gesteld van de wezenlijke inhoud van de bezwaren die de Commissie tegen de door hen aangemelde operatie heeft.
De mededeling van de punten van bezwaar is in dit verband van bijzonder belang, aangezien zij specifiek bedoeld is om de betrokken ondernemingen de kans te geven op de door de Commissie geuite bedenkingen te reageren, niet alleen door hun standpunt te dien aanzien kenbaar te maken, maar ook door eventueel aan de Commissie maatregelen voor te stellen die de negatieve gevolgen van de aangemelde concentratie zouden kunnen corrigeren.
Deze waarborg, die moet worden gerekend tot de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden fundamentele waarborgen, is voor de controle op concentraties van bijzonder belang.
De Commissie schendt artikel 18, leden 1 en 3, van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, kennelijk en ernstig, door haar mededeling van de punten van bezwaar aldus op te stellen, dat het voor een onderneming niet duidelijk is dat de concentratie nooit zal worden goedgekeurd wanneer zij niet bepaalde corrigerende maatregelen voorstelt. Deze schending van de rechten van de verdediging kan niet worden gerechtvaardigd of verklaard door de bijzondere beperkingen waaraan de diensten van de Commissie objectief gebonden zijn.
(cf. punten 147‑149, 152, 154, 170)
7. De omstandigheid dat de ambtenaren aan wie de Commissie het heronderzoek van de concentratie heeft opgedragen, althans ten dele, dezelfde waren als die welke het oorspronkelijke onderzoek hadden uitgevoerd, levert niet een voldoende gekwalificeerde schending op van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.
Ofschoon de eerbiediging van het recht van de justitiabelen op behandeling van hun zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht wordt gewaarborgd door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), waarnaar artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie verwijst, en het beginsel is bevestigd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en ofschoon het recht op een eerlijk proces onmiskenbaar een regel is die ertoe strekt de justiabelen rechten toe te kennen, verbiedt artikel 6, lid 1, EVRM niet dat in een eerder stadium administratieve organen worden ingeschakeld die niet in alle opzichten aan de voor gerechtelijke procedures geldende eisen voldoen, zolang het recht op behandeling van de zaak door een onpartijdig gerecht gewaarborgd is.
Op het gebied van concentratietoezicht vormt het beroep tot nietigverklaring dat ingevolge artikel 230 EG openstaat tegen de door de Commissie overeenkomstig artikel 8, leden 3 en 4, van verordening nr. 4064/89 gegeven beschikkingen, een rechtsgang die met de in artikel 6, lid 1, EVRM geformuleerde waarborgen is omkleed.
Voorts verbiedt geen enkel rechtsvoorschrift of beginsel, dat de Commissie ter uitvoering van een arrest waarbij een door haar gegeven onverenigbaarheidsbeschikking nietig is verklaard, de concentratie opnieuw laat onderzoeken door dezelfde ambtenaren die ook met het oorspronkelijke onderzoek belast zijn geweest.
Ten slotte kan uit het onpartijdigheidsvereiste niet het algemene beginsel worden afgeleid, dat een administratieve of rechterlijke instantie, na de nietigverklaring van een eerste beschikking, verplicht is de zaak naar een andere autoriteit of naar een uit andere personen samengesteld orgaan van deze autoriteit te verwijzen.
(cf. punten 181‑186, 188)
8. Wanneer een concentratie van ondernemingen reeds tot stand is gebracht wanneer de Commissie vaststelt dat zij onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, machtigt artikel 8, lid 4, van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, de instelling om elke geëigende maatregel te gelasten om weer een daadwerkelijke mededinging tot stand te brengen.
Teneinde te bepalen of de Commissie, door te eisen dat tussen de twee bij de concentratie betrokken ondernemingen een scheiding tot stand wordt gebracht zonder dat dit leidt tot een wijziging van de omvang van de doelonderneming, en door een latere retrocessie van bepaalde activiteiten te verbieden, deze bepaling kennelijk en ernstig heeft geschonden, moeten de modaliteiten van de scheiding worden onderzocht, met name rekening houdend met de positie van de aanmeldende ondernemingen op de betrokken markten, het verschil tussen hun marktaandelen en die van hun onmiddellijke concurrenten en de bekendheid van hun merken op die markten, en moet worden nagegaan of de termijn waarbinnen de scheidingsbeschikking moest worden uitgevoerd, niet onredelijk kort was.
(cf. punten 199‑203, 209)
9. Bij de uitoefening van de controlebevoegdheid die haar is toegekend om concentraties met een communautaire dimensie te toetsen op hun verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, kan de Commissie de overeenkomsten die de aanmeldende partijen binden, niet buiten beschouwing laten, voor zover deze althans volgens het toepasselijke nationale recht toelaatbaar zijn.
(cf. punt 221)
10. Voor de inleiding van de fase van grondig onderzoek overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub c, van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen volstaat het dat er ernstige twijfel bestaat aan de verenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt, terwijl artikel 2, lid 3, van de verordening van de Commissie het bewijs van het ontstaan of de versterking van een machtspositie verlangt wanneer zij een concentratie op basis van artikel 8, lid 3, met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaart.
(cf. punten 235, 249‑250)
11. Ofschoon bij de controle op concentraties van ondernemingen de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd vóór de vaststelling van elk besluit dat als een voor de betrokken ondernemingen bezwarende handeling kan worden beschouwd, is het besluit tot inleiding van de fase van grondig onderzoek niet een bezwarende handeling waarvan de wettigheid van de eerbiediging van die rechten zou afhangen.
(cf. punt 240)
12. Om in het kader van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap de aan een onrechtmatige handelwijze van een gemeenschapsinstelling toerekenbare schade te bepalen, moeten de gevolgen in aanmerking worden genomen van de onrechtmatigheid die de aansprakelijkheid heeft doen ontstaan, en niet die van de handeling waarin de onrechtmatigheid voorkomt, voor zover de instelling een handeling met hetzelfde effect zou hebben kunnen of moeten vaststellen zonder de rechtsregel te schenden.
Bij het onderzoek van het causaal verband mag met andere woorden niet worden uitgegaan van de onjuiste premisse, dat de instelling zonder de onwettige handeling niets zou hebben gedaan of juist een tegengestelde handeling zou hebben vastgesteld, wat ook onrechtmatig zou kunnen zijn. Dat onderzoek vergt integendeel een vergelijking tussen de situatie waarin de betrokken derde als gevolg van de onrechtmatige handelwijze is komen te verkeren, en die welke voor hem zou zijn ontstaan indien de instelling de rechtsregel had gerespecteerd.
Indien de onrechtmatigheid die aan de schadevordering ten grondslag ligt, voorkomt in een besluit waarbij aan een partij de door haar verlangde toestemming of een andere voor haar gunstige maatregel is geweigerd, mag bij het onderzoek naar de gevolgen van de onrechtmatigheid of bij de vergelijking tussen de werkelijke situatie en de gereconstrueerde rechtssituatie niet zonder meer worden aangenomen, dat de betrokkene zonder het vastgestelde gebrek hoe dan ook die toestemming of de andere door hem verlangde gunstige maatregel zou hebben verkregen.
Dit betekent ook dat wanneer bij de totstandkoming van een beschikking waarbij een concentratie van ondernemingen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, de rechten van de verdediging zijn geschonden, niet mag worden aangenomen dat de aangemelde concentratie zonder die schending uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend verenigbaar zou zijn verklaard. In plaats daarvan moet worden beoordeeld, welke gevolgen het vastgestelde gebrek heeft kunnen hebben voor de inhoud van de beschikking.
De aan de Gemeenschap toerekenbare schade kan derhalve niet worden vastgesteld door de situatie die als gevolg van een onverenigbaarheidsbeschikking is ontstaan, te vergelijken met die waarin de concentratie uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend zou zijn goedgekeurd, behoudens ingeval de gemeenschapsrechter zou kunnen vaststellen dat de onverenigbaarverklaring een rechtstreeks en zeker gevolg is van het feit dat de Commissie haar wettelijke verplichtingen heeft miskend.
Zelfs indien niet valt uit te sluiten dat aan de partijen, ofschoon hun geen recht op verenigbaarverklaring van de concentratie toekwam, een serieuze kans op een gunstige beschikking is ontnomen, kan de verwezenlijking van die kans bovendien van te onzekere parameters afhankelijk zijn om op overtuigende wijze te worden gekwantificeerd en tot vergoeding aanleiding te geven.
Tussen de schending van de rechten van de verdediging van een onderneming die partij is bij een concentratie en het feit dat de kans op een verenigbaarheidsbeschikking is ontnomen, bestaat derhalve niet een voldoende nauw oorzakelijk verband om de Gemeenschap aansprakelijk te kunnen stellen wegens de aan de onderneming opgelegde verplichting haar belang in de doelonderneming van de hand te doen, zodat het dus ook niet mogelijk is om de totale waardevermindering van die activa tussen de datum van verwerving en de datum van de overdracht als een aan de Gemeenschap toerekenbare schade te beschouwen.
(cf. punten 263‑267, 278, 280, 282-283, 286, 292)
13. Verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen schept geen vermoeden met betrekking tot de verenigbaarheid van een aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt, en de Commissie dient zich in elk concreet geval een duidelijk oordeel te vormen over die verenigbaarheid en dienovereenkomstig te beslissen.
Een concentratie wordt stilzwijgend geacht met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te zijn wanneer de Commissie niet binnen de in artikel 10, lid 1, van de verordening bepaalde termijn van één maand een besluit tot inleiding van de fase van grondig onderzoek heeft genomen, dan wel heeft nagelaten zich binnen de in artikel 10, lid 3, gestelde termijn van vier maanden over de verenigbaarheid van de concentratie met de gemeenschappelijke markt uit te spreken.
(cf. punten 275‑276)
14. De kosten in verband met de inschakeling van adviseurs op juridisch, fiscaal en financieel gebied alsmede de overige administratieve kosten die een onderneming heeft gemaakt met het oog op de uitvoering van een beschikking van de Commissie die de scheiding voorschrijft tussen twee ondernemingen die betrokken zijn bij een concentratie welke onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, kunnen niet als een consequentie van de onwettigheid van de onverenigbaarheidsbeschikking worden beschouwd.
De onwettigheid van de onverenigbaarheidsbeschikking en, bijgevolg, van de scheidingsbeschikking, impliceert immers niet dat de concentratie als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt moest worden beschouwd, noch dat de betrokken ondernemingen een gefuseerde entiteit mochten blijven vormen. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat de administratieve kosten die een onderneming normaal gesproken met het oog op de scheiding van de activa heeft moeten maken, haar bespaard zouden zijn gebleven indien de Commissie een wettige beschikking had gegeven.
Daarentegen vertonen de verschillende soorten raadplegings‑, honorarium‑ en administratieve kosten die een onderneming heeft gemaakt in het kader van de heropening van de procedure inzake controle op een concentratie – welke heropening noodzakelijk is gemaakt door de nietigverklaring van de beschikking waarbij die concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt was verklaard – met het onrechtmatige gedrag van de instelling een voldoende causaal verband om een recht op schadevergoeding te doen ontstaan.
Wat ten slotte de in verband met de procedures voor de gemeenschapsrechter gemaakte kosten betreft, deze moeten worden geacht te zijn gedekt door de eventuele kostenbeslissingen die overeenkomstig de voor dit soort kosten geldende specifieke procedurevoorschriften worden genomen in de uitspraken waardoor een einde komt aan het geding, en aan het einde van de bijzondere procedures die zijn voorzien in geval van geschil over het bedrag van de kosten. Deze procedures sluiten uit dat dezelfde bedragen of met hetzelfde oogmerk uitgegeven bedragen worden gevorderd in het kader van een actie wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, ook wanneer de vordering wordt ingesteld door personen die als in het ongelijk gestelde partij in de kosten zijn verwezen.
(cf. punten 293‑294, 297-302)
15. Wanneer tussen een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht door een beschikking waarbij een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, en de verlaging van de overnameprijs voor de activa die de overdrager in het kapitaal van de overgedragen onderneming bezit, een voldoende rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat, moet de Gemeenschap de uit dien hoofde door de overdrager geleden schade vergoeden. De schade kan gelijk zijn aan het verschil tussen de overeengekomen verkoopprijs en de prijs die de overdrager had kunnen krijgen indien de eerste concentratiecontroleprocedure was afgesloten met een beschikking waarbij op wettige wijze over de verenigbaarheid van de concentratie was beslist.
(cf. punten 316‑317, 322)
16. Wanneer een onderneming door middel van een openbaar ruilaanbod de controle over een andere onderneming verwerft, met een beroep op de in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 4064/89 voorziene ontheffing van de schorsende werking die voor concentraties geldt, op een wijze die zowel naar nationaal als naar communautair mededingingsrecht volkomen rechtmatig was, aanvaardt zij daarmee niettemin bewust het risico dat de controle van de concentratie aan het einde van de in de verordening bepaalde termijnen zou uitlopen op een beschikking waarbij de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zou worden verklaard en dat om die reden de scheiding van de activa van de reeds gefuseerde ondernemingen zou worden gelast. Indien zij daarenboven, gezien de omvang van de verrichting, niet onwetend kon zijn van het feit dat wegens de fusie op zijn minst de kans bestond dat op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een machtspositie in het leven zou worden geroepen en dat de concentratie om die reden overeenkomstig artikel 2, lid 3, van die verordening door de Commissie zou worden verboden, volgt daaruit dat zij zelf heeft bijgedragen tot de schade die zij heeft geleden, door het reële risico te aanvaarden dat een juridisch perfecte concentratie achteraf onverenigbaar zou worden verklaard en zij dan de door haar verworven activa weer zou moeten afstoten.
In een dergelijke situatie kan de onderneming verantwoordelijk worden gehouden voor een derde van de voor vergoeding in aanmerking komende schade die zij heeft geleden wegens de verlaging van de door de overnemer te betalen overnameprijs.
(cf. punten 328‑330, 332, 334)
17. Blijkens de in artikel 288, tweede alinea, EG bedoelde algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, mag in het kader van een beroep tot schadevergoeding in de regel rente worden gevorderd.
De vergoeding van de schade die een justitiabele door onrechtmatig handelen van een gemeenschapsorgaan heeft geleden, dient immers het vermogen van de gelaedeerde zo veel mogelijk te herstellen.
Wanneer aan de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap is voldaan, kan de gemeenschapsrechter derhalve de nadelige gevolgen door de tijd die is verstreken tussen het tijdstip waarop het schadeveroorzakend feit zich heeft voorgedaan en de datum van betaling van de vergoeding niet buiten beschouwing laten, voor zover rekening dient te worden gehouden met de geldontwaarding.
De datum vanaf welke geen inflatiecorrectie meer behoeft te worden berekend, is in beginsel die van de uitspraak waarbij de verplichting tot vergoeding van de door de verzoeker geleden schade wordt vastgesteld.
Indien echter het bedrag van de schadevordering op de datum van de uitspraak van dat arrest niet vaststaat en ook niet op grond van vaststaande objectieve gegevens kan worden bepaald, kan de vertragingsrente niet vanaf die datum lopen, maar pas, in geval van vertraging en tot volledige betaling, vanaf de datum van de uitspraak van het arrest houdende vaststelling van het schadebedrag.
Hieruit volgt dat de inflatiecorrectie van de aan de verzoeker verschuldigde vergoeding moet doorgaan tot de datum van de uitspraak van het arrest houdende vaststelling van het schadebedrag, dat vanaf die datum zal worden vermeerderd met vertragingsrente tot de volledige betaling.
De toe te passen rentevoet wordt berekend op basis van de door de Europese Centrale Bank voor de basisherfinancieringstransacties vastgestelde percentages, die achtereenvolgens voor elk van de twee betrokken periode gelden, vermeerderd met twee punten, mits daarbij het door de verzoeker gevorderde percentage niet wordt overschreden.
(cf. punten 340‑346)
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
11 juli 2007 (*)
„Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap – Schade door onderneming geleden als gevolg van voldoende gekwalificeerde schending van gemeenschapsrecht in procedure van controle van verenigbaarheid van concentratie met gemeenschappelijke markt”
In zaak T‑351/03,
Schneider Electric SA, gevestigd te Rueil-Malmaison (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Winckler en M. Pittie, advocaten,
verzoekster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues als gemachtigde,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door P. Oliver, É. Gippini Fournier en C. Ingen-Housz, vervolgens door Oliver, O. Beyne en R. Lyal, en ten slotte door Oliver, Lyal en F. Arbault, als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.‑D. Plessing en M. Lumma als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een beroep tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van onrechtmatigheden in de procedure van controle van de verenigbaarheid van de tussen haarzelf en de onderneming Legrand SA tot stand gebrachte concentratie met de gemeenschappelijke markt,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: H. Legal, kamerpresident, I. Wiszniewska-Białecka, V. Vadapalas, E. Moavero Milanesi en N. Wahl, rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 april 2007,
het navolgende
Arrest
Rechtskader
1 Artikel 2, lid 3, van de in casu toepasselijke versie van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen [(PB L 395, blz. 1; gerectificeerd in PB 1990, L 257, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1) (hierna: „verordening”)], bepaalt dat concentraties die een machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan wordt belemmerd, onverenigbaar worden verklaard met de gemeenschappelijke markt.
2 Volgens artikel 3, lid 1, sub b, van de verordening komt een concentratie tot stand wanneer een onderneming rechtstreeks of middellijk zeggenschap krijgt over een andere onderneming, onder meer door de verwerving van participaties of vermogensbestanddelen.
3 Artikel 6, lid 1, sub b, van de verordening preciseert dat de Commissie overeenkomstig de verordening bij haar aangemelde concentraties die, ofschoon zij binnen het toepassingsgebied van de verordening vallen, geen ernstige twijfel doen rijzen omtrent hun verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, met deze markt verenigbaar verklaart.
4 Indien de Commissie wel aan die verenigbaarheid twijfelt, leidt zij overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub c, een diepgaand onderzoek in (hierna: „fase II‑onderzoek”).
5 Volgens artikel 10, lid 1, moeten die besluiten worden genomen binnen een maand te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van de aanmelding van de concentratie of van de volledige gegevens.
6 Artikel 8 bepaalt dat de Commissie in het kader van het fase II‑onderzoek ofwel een beschikking kan geven waarbij zij de concentratie, eventueel nadat de betrokken ondernemingen hun aangemelde fusieplan hebben gewijzigd, met de gemeenschappelijke markt verenigbaar verklaart (lid 2), ofwel een onverenigbaarheidsbeschikking (lid 3).
7 Volgens artikel 10, lid 3, moeten beschikkingen waarbij een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, uiterlijk worden gegeven binnen vier maanden na de dag waarop het fase II‑onderzoek is ingeleid.
8 Indien een onverenigbaar verklaarde concentratie reeds tot stand is gebracht, kan de Commissie volgens artikel 8, lid 4, in de overeenkomstig lid 3 gegeven beschikking of in een afzonderlijke beschikking de scheiding van de ondernemingen of elke andere geëigende maatregel gelasten om weer een daadwerkelijke mededinging tot stand te brengen.
9 Volgens artikel 10, lid 6, wordt de aangemelde concentratie geacht verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te zijn verklaard wanneer de Commissie niet binnen een maand na de aanmelding of de ontvangst van de volledige gegevens heeft besloten het fase II‑onderzoek in te leiden, noch zich binnen vier maanden na de inleiding van een dergelijk onderzoek bij beschikking over de verenigbaarheid van de concentratie heeft uitgesproken.
10 Wanneer een beschikking van de Commissie door de gemeenschapsrechter nietig wordt verklaard, zijn volgens artikel 10, lid 5, de in de verordening gestelde termijnen opnieuw van toepassing vanaf de dag waarop het arrest is gewezen.
11 Artikel 7, lid 1, preciseert dat een concentratie noch vóór de aanmelding noch binnen een termijn van drie weken na de aanmelding tot stand kan worden gebracht.
12 Volgens artikel 7, lid 3, belet lid 1 de totstandkoming van een bij de Commissie aangemeld openbaar overnemings‑ of ruilaanbod niet, voor zover de verkrijger de aan de deelnemingen in het kapitaal verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de Commissie overeenkomstig lid 4 verleende ontheffing.
13 Luidens laatstgenoemde bepaling kan de Commissie op verzoek ontheffing van de in de leden 1 en 3 van artikel 7 bedoelde verplichtingen verlenen teneinde ernstige schade aan één of aan meer bij een concentratie betrokken ondernemingen te voorkomen. Aan de vrijstelling kunnen voorwaarden en verplichtingen worden verbonden om de voorwaarden voor een daadwerkelijke mededinging te waarborgen. De ontheffing kan te allen tijde, zowel vóór de aanmelding als na de transactie, worden aangevraagd en verleend.
14 Artikel 18, lid 1, van de verordening ten slotte bepaalt dat de Commissie, alvorens de in ? onder meer ? artikel 8, lid 3, bedoelde beschikkingen vast te stellen, de betrokken ondernemingen in de gelegenheid stelt om hun standpunt ten aanzien van de tegen hen aangevoerde bezwaren in alle fasen van de procedure tot aan de raadpleging van het Raadgevend Comité kenbaar te maken.
15 Volgens lid 3 van hetzelfde artikel baseert de Commissie haar beschikkingen uitsluitend op bezwaren waarover de betrokken ondernemingen hun opmerkingen kenbaar hebben kunnen maken, en worden de rechten ter zake van de verdediging van die ondernemingen bij het verloop van de procedure ten volle gewaarborgd.
Voorgeschiedenis van het geschil
16 Schneider Electric SA (hierna: „Schneider”) en Legrand SA zijn twee Franse ondernemingen, waarvan de eerste zich bezighoudt met de productie en verkoop van producten en systemen in de sectoren elektriciteitsdistributie, industriële meet‑ en regeltechniek en automatisering, en de tweede elektrische apparatuur voor laagspanningsinstallaties produceert en verkoopt.
17 De sector producten op het gebied van elektriciteitsdistributie is als volgt gesegmenteerd:
Segment Naam Producten
Segment 1 hoofdverdelers kastdelen, stroomonderbrekers, zekeringen, enz.
Segment 2 tussenverdelers kastdelen, stroomonderbrekers, zekeringen, enz.
Segment 3 geprefabriceerde kabeldragers en ‑buizen geprefabriceerde kabeldragers en ‑buizen
Segment 4 eindverdelers kastdelen, stroomonderbrekers, zekeringen, schakelaars, differentieelschakelaars, enz.
Segment 5A apparatuur voor gebruik na eindverdeler eindapparatuur meet‑ en regelsystemen beveiligings‑ en bewakingssystemen onderdelen voor communicatienetwerken
Segment 5B accessoires voor verspreide installaties verdeeldozen, bevestigingsmateriaal en bekabeling tussen eindverdeler en te installeren apparaat
Segment 5C zichtbaar gemonteerde kabelbanen vloerdozen, wandgoten, masten, enz.
Industriële apparatuur voedings‑ en omvormingsapparatuur hulpapparaten voor controle‑ en signaalsystemen apparaten voor de elektrische voeding van industrie-uitrusting met wissel‑ of gelijkstroom verbindingsapparaten voor de besturing van bedrijfsuitrusting
18 De groothandelaren zijn plaatselijke distributeurs die van de industriële groepen het hele productengamma betrekken dat installateurs en paneelbouwers nodig hebben voor het aanleggen van een elektrische installatie. De paneelbouwers assembleren de verschillende onderdelen van een schakelpaneel.
19 Schneider en Legrand stelden de Commissie in kennis van een plan dat inhield, dat Schneider een openbaar ruilaanbod (hierna: „ORA”) zou doen voor alle aandelen Legrand en daarmee in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, van de verordening zeggenschap over die onderneming zou krijgen.
20 In een tussen de voorzitters van beide ondernemingen uitgewisselde brief van 12 januari 2001 was bepaald dat de voorzitter van de raad van bestuur van Legrand persoonlijk zou worden betrokken bij de uitwerking van elke aan de Commissie voorgestelde oplossing en dat geen van de twee vennootschappen een verplichting met betrekking tot Legrand zou voorstellen of aangaan zonder voorafgaande goedkeuring van de voorzitters van hun respectieve raden van bestuur.
21 Op 15 januari 2001 gaven de twee vennootschappen te kennen dat zij overeenstemming hadden bereikt over de voorgenomen concentratie (hierna: „concentratie”) en diende Schneider een plan voor een ORA met betrekking tot de aandelen Legrand in bij de Franse raad voor de financiële markten.
22 Het ORA gold van 1 februari tot en met 7 maart 2001 en werd op 16 februari 2001 formeel bij de Commissie aangemeld.
23 In hun aanmeldingsformulier CO merkten de aanmeldende partijen onder meer op dat het, wat de gevolgen van de concentratie voor de segmenten 4 en 5 van de betrokken sectoriële markten betreft, weinig aannemelijk was dat de concentratie een conglomeraateffect zou hebben.
24 Aangezien de Commissie van mening was dat er grote twijfel bestond over de verenigbaarheid van de concentratie met de gemeenschappelijke markt, leidde zij op 30 maart 2001 overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub c, van de verordening het fase II‑onderzoek in.
25 Bij brief van 6 april 2001 verzocht zij Schneider en Legrand overeenkomstig artikel 11, lid 1, van de verordening om inlichtingen.
26 Dit verzoek werd op 27 april 2001 gevolgd door een formele beschikking in de zin van artikel 11, lid 5, van de verordening, waardoor de termijn van vier maanden na de inleiding van het fase II‑onderzoek waarbinnen de Commissie over de verenigbaarheid van de concentratie diende te beslissen, overeenkomstig artikel 10, lid 4, werd geschorst.
27 Nadat de Cour d’appel de Paris (Frankrijk), waartoe de minderheidsaandeelhouders van Legrand zich hadden gewend teneinde de ontvankelijkheid van het ORA te betwisten, het ORA nietig had verklaard, diende Schneider op 7 juni 2001 de voorwaarden van een gewijzigd ORA in, dat ontvankelijk werd verklaard, inging op 21 juni 2001 en liep tot 25 juli daaraanvolgend.
28 Op 3 augustus 2001 zond de Commissie Schneider een mededeling van punten van bezwaar, waarin zij concludeerde dat door de aangemelde concentratie een machtspositie op een aantal nationale sectoriële markten zou ontstaan of zou worden versterkt.
29 Op 6 augustus 2001 gaf de Franse beurscommissie haar bericht uit over het eindresultaat van Schneiders ORA, waaruit bleek dat Schneider 98,7 % van de aandelen Legrand had verworven.
30 In hun antwoord van 16 augustus 2001 op de mededeling van de punten van bezwaar hekelden de partijen bij de concentratie de door de Commissie gehanteerde definitie van de markten en de wijze waarop zij de gevolgen van de concentratie voor die markten had geanalyseerd.
31 Op 29 augustus 2001 vond tussen de aanmeldende ondernemingen en de diensten van de Commissie een bijeenkomst plaats waarop werd gesproken over eventuele wijzigingen ter oplossing van de door de Commissie geconstateerde problemen op mededingingsgebied.
32 Met het oog daarop stelde Schneider meermalen corrigerende maatregelen aan de Commissie voor.
33 In hun schrijven van 25 september 2001 aan het met mededingingsaangelegenheden belaste lid van de Commissie gaven Schneider en Legrand uiting aan hun uiterste verbazing over het feit dat de Commissie ook op hun laatste voorstellen negatief had gereageerd, ofschoon Legrand zich volgens deze voorstellen in de gehele Europese economische ruimte (hierna: „EER”) uit de markten voor elektrische panelen zou terugtrekken.
34 Op 10 oktober 2001 gaf de Commissie op de grondslag van artikel 8, lid 3, van de verordening beschikking 2004/275/EG (Zaak COMP/M.2283 – Schneider-Legrand), waarbij zij de aangemelde concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaarde (PB 2004, L 101, blz. 1; hierna: „onverenigbaarheidsbeschikking”).
35 In punt 782 van de onverenigbaarheidsbeschikking concludeerde de Commissie dat de aangemelde concentratie een machtspositie zou scheppen als gevolg waarvan een daadwerkelijke mededinging op de volgende nationale sectoriële markten in significante mate zou worden belemmerd:
– de markten van installatieautomaten, kleine automaten en kasten voor onderverdelers in Italië;
– de markten van kleine automaten, aardlekschakelaars en behuizingen voor eindverdelers in Denemarken, Spanje, Italië en Portugal;
– de markten van aansluitautomaten in Frankrijk en Portugal;
– de markt van kabeldragers in het Verenigd Koninkrijk;
– de markt van contactdozen en schakelaars in Griekenland;
– de markt van waterdichte apparatuur in Spanje;
– de markt van installatie‑ en bevestigingsmateriaal in Frankrijk;
– de markt van transformators in Frankrijk;
– de markt van besturings‑ en signaleringscomponenten in Frankrijk.
36 In punt 783 van de onverenigbaarheidsbeschikking concludeerde de Commissie bovendien dat de aangemelde concentratie een machtspositie zou versterken, met het gevolg dat een daadwerkelijke mededinging op de volgende Franse sectoriële markten in significante mate zou worden belemmerd:
– de markten van installatieautomaten, kleine automaten en kasten voor onderverdelers;
– de markten van kleine automaten, aardlekschakelaars en behuizingen voor eindverdelers;
– de markt van contactdozen en schakelaars;
– de markt van waterdichte apparatuur;
– de markt van noodverlichtingssystemen en noodverlichtingen met eigen voeding.
37 De Commissie was tevens van oordeel dat de door Schneider voorgestelde corrigerende maatregelen de in de onverenigbaarheidsbeschikking geconstateerde problemen op mededingingsgebied niet zouden kunnen oplossen.
38 Aangezien Schneider 98,1 % van de aandelen Legrand in handen had en daarmee een concentratie tot stand had gebracht die achteraf onverenigbaar was verklaard met de gemeenschappelijke markt, zond de Commissie haar op 24 oktober 2001 een tweede mededeling van punten van bezwaar, met het oog op de scheiding van Schneider en Legrand.
39 Daarin kondigde de Commissie aan, een beschikking te zullen geven waarin Schneider overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de verordening zou worden gelast, haar belang in Legrand grotendeels af te stoten en er zo voor te zorgen dat met een voldoende mate van zekerheid en binnen een voldoende korte termijn weer een daadwerkelijke mededinging tot stand zou worden gebracht. De Commissie achtte het bovendien noodzakelijk het beheer van Schneiders belang in Legrand met onmiddellijke ingang op te dragen aan een ervaren en onafhankelijke lasthebber.
40 Op verzoek van Schneider gaf de Commissie op 4 december 2001 een beschikking waarbij Schneider op basis van artikel 7, lid 4, van de verordening werd gemachtigd de aan haar deelneming in Legrand verbonden stemrechten uit te oefenen via een door haarzelf benoemde lasthebber en op de wijze als voorzien in een door de Commissie goedgekeurde lastgevingsovereenkomst.
41 De lastgevingsovereenkomst werd op 10 december 2001 ondertekend door Schneider en de lasthebber, Salustro Reydel Management.
42 Op 13 december 2001 heeft Schneider bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van de onverenigbaarheidsbeschikking ingesteld (zaak T‑310/01) en heeft zij het Gerecht bij afzonderlijke akte verzocht, in een versnelde procedure overeenkomstig artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering op haar beroep te beslissen.
43 Op 23 januari 2002 heeft het Gerecht dit verzoek afgewezen wegens de aard van het dossier en, met name, de omvang van het verzoekschrift en de bijlagen daarbij.
44 Op 30 januari 2002 heeft de Commissie op de grondslag van artikel 8, lid 4, van de verordening een beschikking gegeven waarbij Schneider werd gelast zich binnen een termijn van negen maanden, eindigend op 5 november 2002, af te splitsen van Legrand (hierna: „scheidingsbeschikking”).
45 Volgens de scheidingsbeschikking was het Schneider verboden een afzonderlijke scheiding van bepaalde activiteiten van Legrand door te voeren, moesten de verkrijger of verkrijgers van Legrand vooraf door de Commissie worden goedgekeurd en was een latere retrocessie van bepaalde activiteiten van Legrand aan Schneider verboden.
46 Bij op 18 maart 2002 neergelegde akten heeft Schneider beroep tot nietigverklaring van de scheidingsbeschikking ingesteld (zaak T‑77/02), een verzoek ingediend om op dat beroep te beslissen volgens de versnelde procedure, alsmede een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de scheidingsbeschikking (zaak T‑77/02 R).
47 Het verzoek om versnelde behandeling van zaak T‑77/02 is door het Gerecht bij op 25 maart 2002 aan partijen betekende beschikking ingewilligd.
48 Op 5 april 2002 heeft een informele bijeenkomst plaatsgevonden van de president van de Eerste kamer en de rechter-rapporteur met de vertegenwoordigers van de partijen in zaak T‑310/01.
49 Naar aanleiding van de in zaak T‑77/02 gehouden hoorzitting in kort geding van 23 april 2002, heeft de Commissie bij schrijven van 8 mei 2002 toegestemd in een verlenging van de termijn waarbinnen Schneider zich van Legrand moest afsplitsen, en wel tot 5 februari 2003, zonder dat dit gevolgen had voor de verwezenlijking van de verschillende fasen van het scheidingsproces gedurende de verlengde termijn.
50 Op 3 mei 2002 heeft het Gerecht (Eerste kamer), de Commissie gehoord, besloten te voldoen aan Schneiders verzoek om in zaak T‑310/01 volgens de versnelde procedure te beslissen, zulks gelet op de verklaring van die partij dat zij vasthield aan de op 12 april 2002 overgelegde verkorte versie van haar verzoekschrift.
51 Naar aanleiding van de door de Commissie in haar brief van 8 mei 2002 toegekende verlenging van de termijn waarbinnen de scheiding tot stand moest worden gebracht, heeft Schneider haar verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de scheidingsbeschikking (zaak T‑77/02 R) bij op 14 mei 2002 ingekomen brief ingetrokken.
52 Bij beschikking van 28 mei 2002 heeft de president van het Gerecht de doorhaling van zaak T‑77/02 R gelast en de beslissing over de kosten van het kort geding aangehouden tot de uitspraak ten principale in zaak T‑77/02.
53 Bij beschikkingen van de president van de Eerste kamer van het Gerecht van 6 juni 2002 zijn Legrand, het Comité central d’entreprise de la SA Legrand en het Comité européen du groupe Legrand toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in de zaken T‑310/01 en T‑77/02, gelet op het belang dat Legrand bij de uitkomst van de gedingen had, aangezien het voor haar situatie rechtstreeks van belang was of de bestreden beschikkingen al dan niet in stand zouden blijven.
54 Schneider heeft de overdracht van Legrand voorbereid, waartoe in geval van verwerping van haar twee beroepen tot nietigverklaring zou moeten worden overgegaan, en daartoe op 26 juli 2002 met het consortium Wendel‑KKR een verkoopovereenkomst gesloten waaraan uiterlijk op 10 december 2002 uitvoering moest worden gegeven en die een clausule bevatte op grond waarvan zij de overeenkomst tegen betaling van een ontbindingsvergoeding tot en met 5 december 2002 kon ontbinden ingeval de onverenigbaarheidsbeschikking nietig zou worden verklaard.
55 Bij arrest van 22 oktober 2002, Schneider Electric/Commissie (T‑310/01, Jurispr. blz. II‑4071; hierna: „arrest Schneider I”), heeft het Gerecht de onverenigbaarheidsbeschikking nietig verklaard wegens verkeerde analyse en beoordeling van de gevolgen van de aangemelde concentratie op de nationale sectoriële markten buiten Frankrijk, alsmede wegens schending van Schneiders rechten van verdediging in verband met de beoordeling van de gevolgen van de aangemelde concentratie op de Franse sectoriële markten en van de door Schneider voorgestelde corrigerende maatregelen.
56 Ten aanzien van het eerste punt heeft het Gerecht in het arrest Schneider I vastgesteld:
„256 [...] de Commissie [heeft] de economische macht van de nieuwe entiteit op de in de punten 782 en 783 van de considerans bedoelde nationale sectoriële markten overschat, door in haar analyse van de gevolgen van de concentratie op die markten uit te gaan van een volledig productenassortiment, wat niet overeenkomt met de werkelijke mededingingssituatie die er na de concentratie zal bestaan [...]
257 Hetzelfde heeft te gelden voor het merkenarsenaal van de uit de fusie resulterende entiteit, waarvan de onvergelijkbaarheid eveneens een gevolg is van de abstracte samentelling van de merken die de aanmeldende partijen in het gehele EER-gebied bezitten.
[...]
296 [...] door bij de berekening van de marktaandelen van ABB en Siemens hun geïntegreerde verkopen van onderdelen van schakelpanelen niet mee te tellen, [heeft de Commissie] de economische macht van die twee grote concurrenten van de uit de fusie resulterende entiteit te laag [...] ingeschat en, omgekeerd, de kracht van die entiteit op de Franse en de Italiaanse markt van onderdelen van tussenverdelers en op de Deense, de Spaanse, de Franse, de Italiaanse en de Portugese markt van onderdelen van eindverdelers te hoog [...] aangeslagen.
[...]
404 Het Gerecht is van oordeel, dat de in het voorgaande vastgestelde fouten, leemten en tegenstrijdigheden in de analyse van de Commissie van de gevolgen van de aangemelde concentratie, stellig ernstig zijn te noemen.
405 Ervan uitgaande, dat de werkzaamheid van de uit de fusie resulterende entiteit zich over de gehele EER zal uitstrekken, heeft de Commissie indicaties voor economische macht in aanmerking genomen, die geen verband houden met de door de concentratie beïnvloede nationale sectoriële markten; daardoor wordt de uitwerking van de concentratie op die markten sterk overdreven voorgesteld.
406 Daarbij zij eraan herinnerd, dat de bestreden beschikking geen feitelijke gegevens bevat die aannemelijk maken, dat de voorgenomen concentratie zou kunnen leiden tot mededingingsproblemen op andere markten dan de sectoriële markten in Frankrijk en zes andere landen, die volgens de punten 782 en 783 van de considerans van de beschikking door de concentratie worden beïnvloed.
407 De beschikking bevat in het bijzonder geen analyse van de mededingingsstructuur op de niet door de concentratie beïnvloede nationale sectoriële markten [...]
408 Wegens de leemten en tegenstrijdigheden in de analyse van de distributiestructuren kon de Commissie evenmin de beweerde geprivilegieerde toegang van de uit de fusie resulterende entiteit tot de distributie, als uitvloeisel van haar posities op alle markten van elektrisch materiaal op het niveau van de distributie, of het onvermogen van de groothandelaars om enige concurrentiedruk op haar uit te oefenen, als wezenlijke concurrentievoordelen van de nieuwe entiteit aanmerken.
409 Door hun abstracte aard, zonder verband met de in aanmerking te nemen nationale sectoriële markten, hebben de indicaties voor economische macht, die de Commissie in het onvergelijkbare productenassortiment en het ongeëvenaarde merkenarsenaal van de groep Schneider-Legrand meende te vinden, haar ertoe gebracht de gevolgen van de [...] concentratie voor de erdoor beïnvloede nationale sectoriële markten nog meer te overschatten.
410 Hetzelfde geldt voor de weigering van de Commissie om de geïntegreerde verkopen van ABB en Siemens op de door de concentratie beïnvloede nationale markten van onderdelen van schakelpanelen in aanmerking te nemen, en voor de leemten die met name te vinden zijn in de analyse van de uitwerking van de concentratie op de Deense markten van onderdelen van eindverdelers en de Italiaanse markten van onderdelen van tussen- en eindverdelers.
411 Door de geconstateerde analyse- en beoordelingsfouten verliest de economische beoordeling van de gevolgen van de concentratie, waarop de bestreden onverenigbaarverklaring is gebaseerd, iedere bewijskracht.
412 Maar hoe groot ook de eventuele leemten zijn in een beschikking van de Commissie waarin de onverenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt wordt vastgesteld, zij kunnen niet tot nietigverklaring ervan leiden indien, en voor zover, het Gerecht op grond van alle andere elementen van die beschikking het bewezen kan achten, dat het doorgaan van de concentratie hoe dan ook tot gevolg zal hebben, dat er een machtspositie in het leven wordt geroepen of versterkt die, in de zin van artikel 2, lid 3, van [de] verordening [...], een daadwerkelijke mededinging ernstig zal belemmeren.
413 De geconstateerde fouten nu volstaan niet om de punten van bezwaar die de Commissie met betrekking tot elk van de in de punten 782 en 783 van de considerans genoemde Franse sectoriële markten heeft geformuleerd, aan het wankelen te brengen.
414 Het Gerecht merkt op, dat Schneider de analyse van de gevolgen van de [...] concentratie voor die markten niet serieus heeft betwist. Zij heeft zich integendeel geconcentreerd op haar verwijt aan de Commissie, de mededingingssituatie die na de concentratie op de Franse markten zou ontstaan, te hebben geëxtrapoleerd naar de andere erdoor beïnvloede nationale sectoriële markten.
415 Gelet op de in de bestreden beschikking vermelde feitelijke gegevens, kan men inderdaad niet anders dan de conclusie van de Commissie onderschrijven, dat de voorgenomen concentratie op de Franse markten, waar beide aanmeldende partijen al zeer sterk waren, zal leiden tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie die, in de zin van artikel 2, lid 3, van [de] verordening [...], een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan ernstig zal belemmeren [...]
416 Uit de bestreden beschikking blijkt immers, dat de groep Schneider-Legrand op elk van de betrokken Franse markten een marktaandeel bezit dat, wanneer men de zwakke positie van de voornaamste concurrenten van de gefuseerde entiteit en de spreiding van hun marktaandelen in aanmerking neemt, op het bestaan van een overheersende positie of een versterkte machtspositie wijst [...]
417 Voorts heeft de Commissie, zonder door Schneider op dit punt te zijn gekritiseerd, [...] vastgesteld – en het blijkt trouwens ook uit [...] de beschikking [...] –, dat de door de groothandel betaalde prijzen voor elektrisch materiaal voor laagspanningsinstallaties vóór de concentratie in Frankrijk gemiddeld aanzienlijk hoger waren dan op de andere betrokken nationale markten.
418 Ten slotte kan niet worden betwist, dat de rivaliteit tussen de aanmeldende partijen zich overwegend afspeelde op de Franse sectoriële markten waarop de punten van bezwaar betrekking hebben, en dat de [...] concentratie daar een wezenlijke mededingingsfactor zal doen wegvallen.
[...]
419 De economische analyse waarop de bestreden beschikking berust, kan dus slechts als onvoldoende worden aangemerkt met betrekking tot alle door de concentratie beïnvloede nationale sectoriële markten met uitzondering van de Franse, welke laatste stellig een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormen in de zin van artikel 2, lid 3, van [de] verordening [...]”
57 Met betrekking tot de schending van Schneiders rechten van verdediging in verband met de beoordeling van de invloed van de concentratie op de Franse sectoriële markten en van de door Schneider voorgestelde corrigerende maatregelen heeft het Gerecht in het arrest Schneider I overwogen:
„444 De Commissie was [...] gehouden de door de concentratie opgeroepen mededingingsproblemen des te duidelijker te omschrijven, zodat de aanmeldende partijen tijdig dienstige voorstellen inzake cessie van vermogensbestanddelen zouden kunnen doen, die de concentratie eventueel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt konden maken.
445 Bij lezing van de mededeling van de punten van bezwaar [van 3 augustus 2001] blijkt, dat niet met voldoende duidelijkheid en precisie is ingegaan op de versterking van Schneiders positie tegenover de Franse distributeurs van elektrisch materiaal, die niet enkel een gevolg was van de toevoeging van Legrands verkopen op de markten van onderdelen van schakelpanelen, maar ook van de overheersende positie van Legrand in de segmenten van eindapparatuur. Zo worden in de algemene conclusie van die mededeling de verschillende door de concentratie beïnvloede nationale sectoriële markten genoemd, doch zonder te beklemtonen, dat de positie van een der aanmeldende partijen op een bepaalde productmarkt door de positie van de andere partij op een andere sectoriële markt wordt ondersteund.
[...]
453 [...] de mededeling van de punten van bezwaar [gaf] Schneider niet de mogelijkheid [...], de volle omvang te onderkennen van de mededingingsproblemen die de Commissie in het verlengde van de [...] concentratie op de Franse markt van elektrisch materiaal op het vlak van de distributie had geconstateerd.
454 Ten opzichte van Schneider zijn de rechten van de verdediging mitsdien in verscheidene opzichten geschonden.
455 In de eerste plaats is Schneider de mogelijkheid ontnomen, de stelling van de Commissie, dat op het vlak van de distributie haar machtspositie in de sector onderdelen van tussen- en eindverdelers in Frankrijk door de overheersende positie van Legrand in de sector eindapparatuur werd versterkt, ten gronde te betwisten.
456 Schneider heeft dus geen gelegenheid gehad daarover opmerkingen te maken, noch in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar noch tijdens de hoorzitting van 21 augustus 2001.
457 Had zij die gelegenheid wel gekregen, dan had de Commissie haar standpunt kunnen herzien dan wel het bewijs van haar stelling met nieuwe gegevens kunnen versterken; in elk van beide gevallen had dat voor de bestreden beschikking verschil kunnen maken.
458 In de tweede plaats moet Schneider worden geacht niet de gelegenheid te hebben gehad tijdig voorstellen inzake cessie van vermogensbestanddelen in te dienen, die ver genoeg gingen om de door de Commissie op de betrokken Franse sectoriële markten gesignaleerde mededingingsproblemen te kunnen oplossen.
459 Zoals Schneider ter terechtzitting heeft beklemtoond, heeft zij inderdaad niet tijdig corrigerende maatregelen kunnen voorstellen voor de mededingingsproblemen met betrekking tot welke zij de beschikking niet heeft betwist.
460 Daarmee is Schneider mogelijkerwijs indirect de mogelijkheid ontnomen om goedkeuring van de Commissie voor de voorgestelde corrigerende maatregelen te verkrijgen, indien de aanmeldende partijen in staat waren geweest tijdig voorstellen in te dienen om bepaalde activiteiten af te stoten, die ver genoeg gingen om alle door de Commissie gesignaleerde mededingingsproblemen op het vlak van de distributie in Frankrijk op te lossen.
461 Die onregelmatigheden zijn des te ernstiger, nu corrigerende maatregelen, zoals de Commissie ter terechtzitting herhaaldelijk heeft opgemerkt, het enige middel zijn om een onder het verbod van artikel 2, lid 3, van [de] verordening [...] vallende concentratie voor onverenigbaarverklaring te behoeden.
462 Daar de rechten van de verdediging dus door de bestreden beschikking zijn geschonden, dient het middel gegrond te worden verklaard.
463 Bijgevolg moet de beschikking nietig worden verklaard, zonder dat een beslissing nodig is over de andere middelen en argumenten die Schneider tot staving van haar beroep heeft aangevoerd en die met name zijn gericht tegen de beoordeling door de Commissie van de voorstellen inzake cessie van vermogensbestanddelen, die Schneider had ingediend om de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te maken.
464 Ingevolge artikel 233 EG staat het immers aan de Commissie om de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de uitvoering van dit arrest tot nietigverklaring.
465 Bij die uitvoeringsmaatregelen dient rekening te worden gehouden met de overwegingen die de noodzakelijke ondersteuning voor het dictum van het arrest bieden (zie arrest Hof van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, Jurispr. blz. 2181, punt 27). De relevante overwegingen van het onderhavige arrest impliceren, onder meer, dat zo het onderzoek van de verenigbaarheid van de aangemelde concentratie wordt heropend, Schneider in staat moet zijn verweer te voeren met betrekking tot de nationale sectoriële markten ten aanzien waarvan de economische analyse van de beschikking door dit arrest niet is verworpen, te weten de Franse sectoriële markten, en in voorkomend geval corrigerende maatregelen voor te stellen in antwoord op de door de Commissie geformuleerde en tevoren gepreciseerde punten van bezwaar.”
58 Bij arrest van 22 oktober 2002, Schneider Electric/Commissie (T‑77/02, Jurispr. blz. II‑4201; hierna: „arrest Schneider II”), heeft het Gerecht bijgevolg de scheidingsbeschikking nietig verklaard op grond dat deze ter uitvoering van de nietig verklaarde onverenigbaarheidsbeschikking was gegeven, zodat de overige middelen die ter betwisting van de wettigheid van de scheidingsbeschikking waren aangevoerd, niet behoefden te worden onderzocht.
59 De Commissie heeft geen hogere voorziening ingesteld tegen de arresten Schneider I en Schneider II, die dus in kracht van gewijsde zijn gegaan.
60 In een schrijven van 29 oktober 2002 heeft Schneider het belang en de ernstige financiële consequenties van de procestermijnen beklemtoond en bevestigd dat de corrigerende maatregelen die zij op 24 september 2001 voor Frankrijk had voorgesteld, in afwachting van eventuele punten van bezwaar als voorlopige grondslag konden dienen voor de hernieuwde beoordeling van de verenigbaarheid van de concentratie.
61 De Commissie heeft in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 15 november 2002 (PB C 279, blz. 22) een bekendmaking inzake de heropening van de procedure van controle van de concentratie gepubliceerd, waarin zij preciseerde dat de onderzoekstermijnen op basis van artikel 10, lid 5, van de verordening van toepassing zouden zijn vanaf 23 oktober 2002, de dag na de uitspraak van het arrest Schneider I. Zij verklaarde eveneens ? zonder op haar definitieve beslissing vooruit te lopen ? dat na een voorlopig onderzoek de concentratie binnen de werkingssfeer van de verordening kon vallen, en verzocht belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen aan haar te doen toekomen.
62 In haar mededeling van punten van bezwaar van 13 november 2002 heeft de Commissie Schneider meegedeeld, dat de concentratie de mededinging op de Franse sectoriële markten kon aantasten wegens overlappingen tussen de activiteiten van Schneider en Legrand op belangrijke delen van de markt, het verdwijnen van de rivaliteit die van oudsher tussen hen had bestaan, de bekendheid van hun merken, de macht van de door hen gevormde entiteit ten opzichte van de groothandelaren en de onmogelijkheid voor concurrenten om de concurrentiedruk uit te oefenen die vóór de totstandkoming van de concentratie door Legrand werd uitgeoefend.
63 De Commissie heeft in het bijzonder opgemerkt:
„De concentratie heeft derhalve tot gevolg, dat op elk van de erdoor beïnvloede markten waarop één der partijen voor de totstandkoming van de concentratie een machtspositie innam, een rechtstreekse concurrent wordt uitgeschakeld die als enige in staat was concurrentiedruk uit te oefenen op de onderneming met een machtspositie dankzij de zeer sterke posities van dezelfde groep in andere segmenten van dezelfde sector, met name wat de bekendheid van haar merken en de handelsbetrekkingen met de groothandelaren aangaat.”
64 Op 14 november 2002 heeft Schneider aan de Commissie een voorstel gedaan voor corrigerende maatregelen om de overlapping van de activiteiten van Schneider en Legrand op de door de concentratie beïnvloede Franse sectoriële markten weg te werken.
65 Bij brief van 25 november 2002 heeft Schneider de Commissie laten weten dat de in de mededeling van de punten van bezwaar van 13 november 2002 aangevoerde argumenten, gelet op het ontbreken van een onderzoek van de gevolgen van de concentratie voor elke markt afzonderlijk, naar aard en strekking onnauwkeurig bleven en geenszins duidden op het bestaan van een mededingingsbeperking op de betrokken markten. Bovendien zouden de algemene overwegingen van de Commissie door de realiteit worden weersproken.
66 Bij schrijven van 29 november 2002 heeft de Commissie Schneider meegedeeld dat de corrigerende maatregelen die zij achtereenvolgens had voorgesteld, niet toereikend waren om alle uit de concentratie voortvloeiende mededingingsbeperkingen ongedaan te maken: zij bleef twijfels houden aan de levensvatbaarheid en de autonomie van de overgedragen vermogensbestanddelen en meende dat de voorgestelde maatregelen geen entiteit creëerden die met de door Schneider en Legrand gevormde entiteit zou kunnen concurreren.
67 De Cour d’appel de Versailles (Frankrijk) heeft bij arrest van 29 november 2002 in kort geding vastgesteld, dat Schneiders voorstellen voor corrigerende maatregelen niet vooraf ter goedkeuring waren voorgelegd aan de voorzitter van Legrand, zulks in strijd met de hierboven aangehaalde brief van 12 januari 2001. Zij heeft Schneider derhalve gelast, „de niet door Legrand goedgekeurde voorstellen betreffende de cessie van vermogensbestanddelen van deze onderneming” in te trekken.
68 Bij brief van 2 december 2002 heeft Schneider zich bij de Commissie erover beklaagd, dat zij betwijfelde of de voorgestelde corrigerende maatregelen uitvoerbaar waren en de mededinging op de betrokken Franse markten konden handhaven. Volgens Schneider maakte de stellingname van de Commissie in het zeer vergevorderde stadium van de procedure voortzetting van de discussies niet langer realistisch. Schneider deelde de Commissie derhalve mee dat zij had besloten Legrand te verkopen aan het consortium Wendel/KKR, om een einde te maken aan de onzekerheid waarin zij al meer dan een jaar lang verkeerde.
69 Bij faxbericht van 3 december 2002 heeft Schneider aan de Commissie haar besluit bevestigd en daarbij gepreciseerd dat de verkoop van Legrand aan Wendel/KKR overeenkomstig de verkoopovereenkomst van 26 juli 2002 geen nader initiatief van haar kant vereiste en op 10 december 2002 zou plaatsvinden.
70 Bij besluit van 4 december 2002 heeft de Commissie het fase II‑onderzoek van de concentratie ingeleid, aangezien zij van mening was dat, in het stadium waarin de procedure zich bevond, de door Schneider voorgestelde corrigerende maatregelen de ernstige twijfel aan de verenigbaarheid van de concentratie met de gemeenschappelijke markt niet konden wegnemen, gelet op de gevolgen ervan voor de in de punten 782 en 783 van de onverenigbaarheidsbeschikking genoemde Franse sectoriële markten.
71 De Commissie verklaarde met name dat de voorgestelde afstoting van activiteiten betrekking had op vermogensbestanddelen van Legrand en in strijd leek te zijn met het arrest van de Cour d’appel de Versailles. Zij wees de voorgestelde maatregelen subsidiair van de hand om redenen die verband hielden met de autonomie en de levensvatbaarheid van de betrokken entiteiten.
72 Op 10 december 2002 heeft Schneider haar belang in Legrand overgedragen aan het consortium Wendel/KRR. Een dag later heeft zij de diensten van de Commissie daarvan in kennis gesteld.
73 Bij brief van 13 december 2002 heeft de Commissie Schneider in kennis gesteld van de beëindiging van de onderzoeksprocedure, die, nu Schneider niet langer de zeggenschap had over Legrand, zonder voorwerp was geraakt.
74 Op 10 februari 2003 heeft Schneider beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van 4 december 2002 tot inleiding van een fase II‑onderzoek van de concentratie, en tegen het beëindigingsbesluit van 13 december daaraanvolgend (zaak T‑48/03).
75 Bij beschikkingen van 29 oktober 2004, Schneider Electric/Commissie (T‑310/01 DEP en T‑77/02 DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft het Gerecht het bedrag van de door de Commissie aan Schneider te vergoeden kosten vastgesteld op 419 595,32 EUR in zaak T‑310/01 en op 426 275,06 EUR in de zaken T‑77/02 en T‑77/02 R.
76 Bij beschikking van 31 januari 2006, Schneider Electric/Commissie (T‑48/03, Jurispr. blz. II‑111), heeft het Gerecht het in zaak T‑48/03 ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaard op grond dat geen van de twee bestreden besluiten als een voor Schneider bezwarende handeling kon worden aangemerkt.
77 Tegen die beschikking heeft Schneider bij op 12 april 2006 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift hogere voorziening ingesteld.
78 Die hogere voorziening is bij beschikking van het Hof van 9 maart 2007 (Schneider Electric/Commissie, C‑188/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) afgewezen. In punt 48 van die beschikking heeft het Hof verklaard dat de Commissie, door ervoor te kiezen de concentratiecontroleprocedure in fase I te hervatten, consequenties heeft willen verbinden aan het arrest Schneider I en daarmee alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen heeft genomen om de eerbiediging van Schneiders rechten van verdediging te verzekeren.
Procesverloop en conclusies van partijen
79 Bij op 10 oktober 2003 neergelegd verzoekschrift heeft Schneider onderhavig beroep tot schadevergoeding ingesteld.
80 Bij beschikking van 2 december 2003 heeft de president van het Gerecht de zaak toegewezen aan de Vierde kamer.
81 Op 11 december 2003 heeft het Gerecht (Vierde kamer) bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang de mondelinge behandeling vooralsnog beperkt tot het beginsel van het ontstaan van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en tot de methode volgens welke de schade moet worden begroot.
82 Bij beschikkingen van 20 april en 6 december 2004 zijn de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van, respectievelijk, de Commissie en Schneider.
83 Op verzoek van de Commissie heeft het Gerecht op 13 oktober 2004 besloten de zaak te verwijzen naar de Vierde kamer (uitgebreid).
84 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer ? uitgebreid) besloten de mondelinge behandeling te openen en partijen schriftelijk enkele vragen te stellen, waarop binnen de gestelde termijn is geantwoord.
85 Partijen zijn ter terechtzitting van 25 april 2007 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
86 Schneider, ondersteund door de Franse Republiek, concludeert dat het het Gerecht behage:
– primair:
– de Gemeenschap te veroordelen haar een bedrag van 1 663 734 716,76 EUR te betalen, in voorkomend geval te verminderen met het in de beschikkingen in de zaken T‑310/01 DEP en T‑77/02 DEP vastgestelde bedrag van de invorderbare kosten, en te vermeerderen met de sedert 4 december 2002 vervallen rente op de voet van 4 % per jaar en tot de algehele voldoening ervan, alsmede met het bedrag aan belasting dat Schneider op het moment van ontvangst over het bedrag van de toegekende schadevergoeding verschuldigd zal zijn,
– subsidiair:
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– vast te stellen dat de Gemeenschap niet-contractueel aansprakelijk is;
– aan te geven welke procedure moet worden gevolgd ter bepaling van het bedrag van de daadwerkelijk door Schneider geleden en voor vergoeding in aanmerking komende schade;
– de Commissie hoe dan ook in alle kosten te verwijzen.
87 De Commissie, ondersteund door de Bondsrepubliek Duitsland, concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep ten dele niet-ontvankelijk en volledig ongegrond te verklaren;
– Schneider in de kosten te verwijzen.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
88 Zonder overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, stelt de Commissie in haar verweerschrift dat bepaalde onderdelen van Schneiders betoog algemene verwijzingen bevatten naar tot staving van haar drie beroepen tot nietigverklaring in de zaken T‑310/01, T‑77/02 en T‑48/03 aangevoerde middelen, die niet alleen een ander doel hadden dan het in het kader van deze actie tot schadevergoeding uiteengezette betoog, maar ook anders werden aangeduid. Dergelijke algemene verwijzingen voldoen volgens de Commissie niet aan de vereisten van artikel 21, eerste alinea, van ’s Hofs Statuut en van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
89 De Commissie betwist derhalve uitsluitend de gegrondheid van het in het verzoekschrift uiteengezette betoog en acht zich dus niet verplicht in te gaan op de argumenten die Schneider tot staving van haar middelen tot nietigverklaring in de drie genoemde zaken heeft aangevoerd, aangezien het verzoekschrift in de onderhavige zaak enkel naar die argumenten verwijst, zonder ze nog eens te herhalen.
90 De Commissie beklemtoont voorts dat in het verzoekschrift op geen enkele wijze is getracht de aard van het gestelde verband tussen het haar verweten gedrag en elk van de genoemde schadeposten vast te stellen, aan te tonen en te kwalificeren.
91 Schneider antwoordt in wezen dat het door haar in het verzoekschrift uiteengezette betoog op alle onderdelen voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals die in de toepasselijke procedurevoorschriften zijn geformuleerd en in de rechtspraak zijn verduidelijkt.
Beoordeling door het Gerecht
92 Ingevolge artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof, dat van toepassing is op de procedure voor het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut, en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten.
93 Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, eventueel zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd ? althans summier, maar coherent en begrijpelijk ? uit het verzoekschrift zelf blijken (beschikking Gerecht van 11 juli 2005, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, T‑294/04, Jurispr. blz. II‑2719, punt 23).
94 Om aan deze vereisten te voldoen, moet een verzoekschrift waarin vergoeding van de door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade wordt gevorderd, de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom hij meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade (arrest Gerecht van 11 januari 2002, Biret et Cie/Raad, T‑210/00, Jurispr. blz. II‑47, punt 34, in hogere voorziening bevestigd bij arrest Hof van 30 september 2003, Biret et Cie/Raad, C‑94/02 P, Jurispr. blz. I‑10565).
95 Ondanks hun belang en hun aantal, moeten de in het verzoekschrift opgenomen verwijzingen naar de argumenten die tot staving van de in de zaken T‑310/01, T‑77/02 en T‑48/03 voorgedragen middelen tot nietigverklaring zijn aangevoerd, in casu slechts worden gezien als een uitwerking van de in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting van de onrechtmatigheden die Schneider de Commissie verwijt te hebben begaan, waarvan de Commissie de formele ontvankelijkheid niet betwist.
96 Nu in de onderhavige zaak dezelfde partijen tegenover elkaar staan en ook de rechtsgrondslag dezelfde is als bij die drie beroepen tot nietigverklaring, namelijk de onrechtmatigheden die de Commissie zou hebben begaan, moet het in het verzoekschrift uiteengezette betoog ook ontvankelijk worden geacht voor zover daarin wordt gerefereerd aan de uiteenzetting van de middelen die tot staving van de drie beroepen tot nietigverklaring zijn aangevoerd.
97 Het argument van de Commissie, dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk is voor zover daarin het gestelde oorzakelijk verband tussen de geleden schade en het aan haar verweten gedrag niet naar behoren is uiteengezet, kan evenmin worden aanvaard.
98 De in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting van dat oorzakelijk verband voldoet, naar het oordeel van het Gerecht, namelijk aan de in de toepasselijke bepalingen en de rechtspraak geformuleerde minimumvoorwaarden voor formele ontvankelijkheid. Schneiders betoog, dat de twee onrechtmatigheden in de onverenigbaarheidsbeschikking haar rechtstreeks schade hebben berokkend en dat die schade alleen nog maar is verergerd door de wijze waarop de Commissie zich gedurende de concentratiecontroleprocedure heeft gedragen, is immers zo duidelijk en precies, dat de Commissie haar verweer heeft kunnen voorbereiden en het Gerecht zich naar behoren over de ingestelde schadevorderingen kan uitspreken.
99 De argumenten van de Commissie moeten dan ook van de hand worden gewezen, zodat zowel het onderhavige beroep tot schadevergoeding als het hele tot staving van dit beroep uiteengezette betoog ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten gronde
Algemene opmerkingen van partijen
100 Volgens Schneider zijn de twee onrechtmatigheden die het arrest Schneider I in de onverenigbaarheidsbeschikking heeft vastgesteld ? in de eerste plaats verkeerde analyse en beoordeling door de Commissie van de invloed van de concentratie op de nationale sectoriële markten met uitzondering van de Franse, en in de tweede plaats schending van haar rechten van verdediging voor zover in de mededeling van de punten van bezwaar van 3 augustus 2001 niet duidelijk genoeg uitdrukking is gegeven aan het bezwaar inzake de ondersteuning, op de Franse markten van elektrisch materiaal voor laagspanningsinstallaties op het vlak van de distributie, van haar machtspositie in de sector onderdelen van tussen‑ en eindverdelers door de overheersende positie van Legrand in de segmenten van eindapparatuur ? voldoende gekwalificeerde schendingen van rechtsregels die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen.
101 Het onrechtmatige gedrag van de Commissie was de enige reden waarom de concentratie niet kon doorgaan. De twee in de onverenigbaarheidsbeschikking vastgestelde gekwalificeerde onrechtmatigheden hebben dus om te beginnen rechtstreeks tot gevolg gehad dat verzoeksters vermogen in waarde is gedaald, in de eerste plaats door het over de activa van Legrand geleden boekhoudkundig verlies, in de tweede plaats door een winstderving als gevolg van de onmogelijkheid de van de concentratie verwachte synergie-effecten te realiseren en van de daaruit voortvloeiende ondermijning van de industriële strategie van de groep, en in de derde plaats door ernstige imagoschade.
102 Verder heeft Schneider bepaalde kosten moeten maken die een rechtstreeks gevolg waren van de onverenigbaarheidsbeschikking, namelijk in de eerste plaats de kosten ter zake van het honorarium van de lasthebber die werd benoemd in het kader van de administratieve procedure inzake de scheiding van Schneider en Legrand, alsmede de kosten die de na de uitspraak van de arresten Schneider I en Schneider II heropende concentratiecontroleprocedure voor haar heeft meegebracht, en in de tweede plaats de kosten in verband met de bij het Gerecht ingestelde beroepen in de zaken T‑310/01, T‑77/02 en T‑77/02 R, onder aftrek van het bedrag aan invorderbare kosten dat Schneider reeds vergoed heeft gekregen ingevolge de twee reeds aangehaalde kostenbeschikkingen van 29 oktober 2004, Schneider Electric/Commissie (T‑310/01 DEP en T‑77/02 DEP).
103 De vijandigheid waarmee de Commissie Schneider gedurende de concentratiecontroleprocedure heeft bejegend, is na de onverenigbaarheidsbeschikking blijven bestaan en zelfs verergerd. Ofschoon deze vijandige houding de oorspronkelijke schade niet heeft veroorzaakt, heeft zij toch zeker de uiteindelijke omvang van de schade mede bepaald.
104 Door de houding van de Commissie is namelijk niet alleen de oorspronkelijk door de onverenigbaarheidsbeschikking veroorzaakte schade verergerd, maar heeft verzoekster bovendien extra schade geleden in de vorm van bepaalde kosten die zij vanaf 10 oktober 2001 heeft moeten maken.
105 In de eerste plaats heeft de Commissie vanaf het begin van de concentratiecontroleprocedure een gebrek aan loyaliteit jegens verzoekster aan de dag gelegd, en heeft zij na de onverenigbaarheidsbeschikking inbreuk gemaakt op verzoeksters recht om door een onpartijdige autoriteit te worden gehoord en de haar ingevolge de verordening toekomende exclusieve controlebevoegdheid ernstig miskend. Bij het heronderzoek van de concentratie heeft de Commissie het arrest Schneider I niet te goeder trouw uitgevoerd, verzoeksters rechten van verdediging opnieuw geschonden en, ten slotte, de door haar voorgestelde corrigerende maatregelen onjuist en op een oneerlijke en discriminerende wijze beoordeeld.
106 In de tweede plaats heeft de onbuigzaamheid van de Commissie met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de termijn waarbinnen de scheiding van Schneider en Legrand moest worden gerealiseerd, ertoe geleid dat Schneider diverse kosten heeft moeten maken ter zake van de honoraria van de adviseurs op juridisch, financieel en fiscaal gebied die door haar in de arm werden genomen om de verschillende mogelijke scheidingsmodaliteiten te onderzoeken. Door ten slotte de na de onverenigbaarheidsbeschikking tussen Schneider en Legrand ontstane spanningen te instrumentaliseren, heeft de Commissie Legrand ertoe gebracht om in november 2002 in Frankrijk een gerechtelijke procedure te starten tegen Schneider, waarna zij zich op de uitspraak van de nationale rechter heeft beroepen teneinde verzoeksters pogingen te dwarsbomen om de concentratie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar verklaard te krijgen. Als gevolg daarvan heeft Schneider ten onrechte opnieuw kosten moeten maken.
107 De Commissie antwoordt in wezen, dat geen van de twee door het arrest Schneider I in de onverenigbaarheidsbeschikking vastgestelde onrechtmatigheden ernstig genoeg is om een fout op te leveren op grond waarvan de Gemeenschap jegens Schneider niet-contractueel aansprakelijk zou moeten worden gehouden.
108 Voor de overige door Schneider gestelde onrechtmatige gedragingen is geen enkel bewijs geleverd, en deze gedragingen kunnen hoe dan ook niet worden beschouwd als voldoende gekarakteriseerde schendingen van het gemeenschapsrecht die een fout kunnen opleveren die de aansprakelijkheid van de Gemeenschap meebrengt.
109 Met betrekking tot het bedrag van haar schade stelt Schneider, dat de waardevermindering van haar vermogen op 10 oktober 2001, de datum van de onwettige onverenigbaarheidsbeschikking, tussen 2,483 en 3,326 miljard EUR bedroeg. Het bedrag van die schade heeft vervolgens gefluctueerd en kwam uiteindelijk uit op 1 663 734 716,76 EUR, inclusief de kosten die alle onrechtmatige gedragingen van de Commissie tezamen voor verzoekster hebben teweeggebracht.
110 De onverenigbaarheidsbeschikking heeft volgens Schneider tot gevolg gehad dat haar vermogen in waarde is verminderd tussen de datum waarop het ORA met betrekking tot de aandelen Legrand werd aangekondigd, in januari 2001, en de datum waarop de verkoopovereenkomst werd uitgevoerd, in december 2002. Deze waardevermindering omvat ook het over de activa van Legrand geleden boekhoudkundig verlies, de winstderving als gevolg van de onmogelijkheid de van de concentratie verwachte synergie-effecten te realiseren, de daaruit voortvloeiende ondermijning van Schneiders industriële strategie en de geleden imagoschade.
111 De Commissie brengt hiertegen in dat geen enkele schade is komen vast te staan. Zij betwist zowel het zekere en vaststaande karakter van de gestelde vermogensvermindering als de door Schneider voorgestelde methode om die schade te begroten. Zij meent bovendien dat verzoekster de door haar na de onverenigbaarheidsbeschikking gemaakte honorariumkosten had moeten beperken. Zij behoudt zich het recht voor om de door verzoekster terzake overgelegde facturen aan een gedetailleerd onderzoek te onderwerpen, alsmede de methode voor de berekening van de schade aan te vullen en aan te passen.
112 De Commissie ontkent hoe dan ook het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de haar verweten gedragingen en de verschillende vormen van schade die verzoekster stelt te hebben geleden. Het is haars inziens namelijk nog maar helemaal de vraag of, zoals Schneider beweert, zonder de haar verweten onrechtmatigheden de concentratie zou zijn goedgekeurd en doorgang had kunnen vinden.
Inleidende overwegingen van het Gerecht
113 Om te beginnen is het vaste rechtspraak dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG, wegens een onrechtmatige gedraging van haar organen, aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan: onrechtmatigheid van de aan de instelling verweten gedraging, het bestaan van schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (arrest Hof van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/EEG, 26/81, Jurispr. blz. 3057, punt 16, en arrest Gerecht van 14 december 2005, Beamglow/Parlement e.a., T‑383/00, Jurispr. blz. II‑5459, punt 95).
114 Wanneer, zoals in casu het geval is, aan de schadevordering de onrechtmatigheid van een rechtshandeling ten grondslag ligt, geldt voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap bovendien als voorwaarde, dat die rechtshandeling een voldoende gekwalificeerde schending oplevert van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen.
115 Voor de vaststelling dat aan deze voorwaarde is voldaan, is beslissend dat een gemeenschapsinstelling de grenzen waarbinnen haar beoordelingsbevoegdheid dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft overschreden [arrest Hof van 19 april 2007, Holcim (Deutschland)/Commissie, C‑282/05 P, Jurispr. blz. I‑2941, punt 47].
116 De door het Hof ontwikkelde rechtspraak betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap houdt met name rekening met de ingewikkeldheid van de te regelen situaties, de moeilijkheden bij de toepassing of de uitlegging van de teksten en, meer in het bijzonder, de beoordelingsmarge waarover de auteur van de betrokken handeling beschikt [arrest Holcim (Deutschland)/Commissie, punt 50].
117 Wanneer de aansprakelijk gestelde instelling slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht te doen vaststaan [arrest Holcim (Deutschland)/Commissie, punt 47].
118 Hetzelfde geldt wanneer de verwerende instelling een algemene zorgvuldigheidsplicht verzaakt (zie in die zin arrest Hof van 27 maart 1990, Grifoni/EGKS, C‑308/87, Jurispr. blz. I‑1203, punten 13 en 14) dan wel de toepasselijke materiële of procedurele voorschriften verkeerd toepast (arrest Hof van 14 juli 1967, Kampffmeyer e.a./Commissie, 5/66, 7/66 en 13/66?24/66, Jurispr. blz. 306, 350 en 351).
119 Voorts ligt het op de weg van de partij die de Gemeenschap aansprakelijk stelt, sluitend bewijsmateriaal aan te dragen voor het bestaan of de omvang van de door haar gestelde schade, alsmede aan te tonen dat er tussen die schade en het gewraakte gedrag van de instelling een voldoende rechtstreeks causaal verband bestaat (arrest Hof van 4 oktober 1979, Dumortier Frères e.a./Raad, 64/76, 113/76, 167/78, 239/78, 27/79, 28/79 et 45/79, Jurispr. blz. 3091, punt 21; arrest Gerecht van 24 oktober 2000, Fresh Marine/Commissie, T‑178/98, Jurispr. blz. II‑3331, punt 118, in hogere voorziening bevestigd bij arrest Hof van 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine, C‑472/00 P, Jurispr. blz. I‑7541).
120 Wanneer aan een van de drie voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap niet is voldaan, moeten de schadevorderingen worden afgewezen zonder dat de twee andere voorwaarden behoeven te worden onderzocht (arrest Hof van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie, C‑146/91, Jurispr. blz. I‑4199, punt 81, en arrest Gerecht van 20 februari 2002, Förde-Reederei/Raad en Commissie, T‑170/00, Jurispr. blz. II‑515, punt 37). De gemeenschapsrechter is overigens niet verplicht de aansprakelijkheidsvoorwaarden in een bepaalde volgorde te onderzoeken (arrest Hof van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, Jurispr. blz. I‑5251, punt 13).
121 De Commissie voert in dit verband aan, dat indien zij in omstandigheden als de onderhavige financieel aansprakelijk werd gesteld, zij in de uitoefening van de haar door het EG-Verdrag toebedeelde functie van mededingingsautoriteit zou worden belemmerd, wegens de remmende werking die de dreiging van schadevorderingen van de betrokken ondernemingen op het concentratietoezicht zou kunnen hebben.
122 Een dergelijk effect, dat haaks staat op het algemeen belang van de Gemeenschap, zou zich inderdaad kunnen voordoen indien het begrip gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht aldus werd opgevat, dat hieronder ook alle vergissingen en fouten vallen die weliswaar ernstig zijn te noemen, maar naar hun aard of omvang passen bij het normale gedrag van een instelling die belast is met de toepassing van de mededingingsregels, die ingewikkeld en lastig zijn en waarvoor een ruime uitleggingsmarge geldt.
123 Bijgevolg kan de niet-nakoming van een wettelijke verplichting, die, hoe betreurenswaardig ook, kan worden verklaard door de objectieve beperkingen waaraan de instelling en haar personeelsleden ingevolge de bepalingen inzake de controle op concentraties gebonden zijn, niet worden beschouwd als een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap meebrengt.
124 Wanneer daarentegen het gedrag van de instelling bestaat in de vaststelling van een handeling die duidelijk met de rechtsregel in strijd is en de belangen van derden ernstig schaadt, en die niet kan worden gerechtvaardigd of verklaard door de bijzondere beperkingen die objectief voortvloeien uit de uitoefening van de normale activiteit van de instelling, komt de door dat gedrag veroorzaakte schade wel voor vergoeding in aanmerking.
125 Met deze definitie van de drempel voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt recht gedaan aan de speelruimte en de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie als communautaire mededingingsautoriteit in het algemeen belang zowel bij haar discretionaire besluitvorming als bij haar uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van het primaire en afgeleide gemeenschapsrecht dient te beschikken, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat de consequenties van flagrante en onvergeeflijke schendingen van het gemeenschapsrecht voor rekening van derden komen.
126 Met inachtneming van deze beginselen moet om te beginnen worden onderzocht, of de Commissie zich door de vaststelling van de bij het arrest Schneider I nietig verklaarde onverenigbaarheidsbeschikking schuldig heeft gemaakt aan voldoende gekwalificeerde schendingen van rechtsregels die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen. Vervolgens moet worden nagegaan, in hoeverre de door Schneider geleden schade nog is verergerd door de wijze waarop de Commissie zich gedurende de concentratiecontroleprocedure heeft gedragen.
De onrechtmatigheden in de onverenigbaarheidsbeschikking
De in de analyse van de gevolgen van de concentratie geconstateerde onjuistheden
– Argumenten van partijen
127 Schneider stelt dat de onjuistheden, leemten en tegenstrijdigheden die het arrest Schneider I in de onverenigbaarheidsbeschikking heeft vastgesteld op het niveau van de beoordeling van de invloed van de concentratie op de nationale sectoriële markten buiten Frankrijk, voldoende gekwalificeerde onrechtmatigheden zijn, die niet kunnen worden gerechtvaardigd door de complexiteit van het concentratieonderzoek, noch door eventuele tijdsdruk, gelet op de schorsing van de termijn van vier maanden waarover de Commissie beschikte om over de verenigbaarheid van de concentratie te beslissen.
128 De Commissie antwoordt dat de geconstateerde onrechtmatigheden, nu niet is aangetoond dat zij de grenzen van haar ruime beoordelingsbevoegdheid kennelijk en ernstig heeft overschreden, niet als voldoende gekwalificeerd zijn aan te merken, in aanmerking genomen de ingewikkeldheid van de onderzochte situaties, het prospectieve karakter van de marktanalyses en de noodzaak van een snelle afwikkeling van de controleprocedure. Hoe dan ook heeft het Gerecht in punt 412 van het arrest Schneider I gepreciseerd dat de gemaakte fouten niet van dien aard waren dat zij tot nietigverklaring van de onverenigbaarheidsbeschikking konden leiden.
– Beoordeling door het Gerecht
129 Het is niet a priori uitgesloten dat kennelijke en ernstige onjuistheden in de economische analyse die ten grondslag ligt aan in het kader van het mededingingsbeleid gegeven beschikkingen, schendingen van een rechtsregel kunnen opleveren die voldoende gekwalificeerd zijn om de Gemeenschap niet-contractueel aansprakelijk te stellen.
130 Daartoe moet echter in de eerste plaats worden nagegaan, of de rechtsregel die door de onjuiste analyse is geschonden, ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen. Ofschoon dit bij sommige beginselen en voorschriften waaraan het mededingingsonderzoek dient te voldoen, inderdaad het geval is, geldt dit niet per definitie voor alle in het primaire of afgeleide gemeenschapsrecht dan wel in de rechtspraak geformuleerde regels die de Commissie bij haar economische beoordelingen in acht dient te nemen.
131 Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat de economische analyses die met het oog op de mededingingsrechtelijke kwalificatie van een situatie of transactie moeten worden verricht, in het algemeen ingewikkelde en moeilijke intellectuele uiteenzettingen zijn, zowel wat de beschrijving van de feiten als wat de op basis van die beschrijving uitgewerkte redenering betreft. Gelet op de door de instelling in acht te nemen termijnen kunnen daarin gemakkelijk bepaalde onvolkomenheden sluipen, zoals ruwe schattingen, tegenstrijdigheden of zelfs leemten. Dit geldt temeer wanneer, zoals bij de controle op concentraties, de analyse voor een deel prospectief is. In deze omstandigheden kan een onjuistheid in de weergave van de feiten of in de redenering niet altijd ernstig genoeg worden geacht om de aansprakelijkheid van de Gemeenschap mee te brengen.
132 Ten slotte zij eraan herinnerd dat de Commissie als communautaire mededingingsautoriteit over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt. Van haar kan dus niet worden verwacht dat zij de relevante bepalingen steeds op exact dezelfde wijze toepast, en zij geniet ook een zekere vrijheid bij de keuze van de haar ter beschikking staande econometrische middelen en van de bij de bestudering van een bepaald fenomeen te volgen benadering (zie bijvoorbeeld, voor de definitie van de relevante markt, arrest Gerecht van 17 december 2003, British Airways/Commissie, T‑219/99, Jurispr. blz. II‑5917, punten 89 e.v., in hogere voorziening bevestigd bij arrest Hof van 15 maart 2007, British Airways/Commissie, C‑95/04 P, Jurispr. blz. I‑2331), zolang deze keuzen maar niet kennelijk in strijd zijn met de in de economische wetenschap erkende beginselen en op consequente wijze worden toegepast.
133 In casu behoeft echter niet te worden uitgemaakt of op basis van de drie voorgaande overwegingen kan worden geconcludeerd, dat de onjuistheden in de economische analyse van de verwachte gevolgen van de concentratie voor de nationale sectoriële markten buiten Frankrijk ernstig genoeg zijn om de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap mee te brengen.
134 De door het arrest Schneider I in die analyse vastgestelde onvolkomenheden konden immers geen gevolgen hebben voor de uiteindelijke vaststelling door de Commissie in de onverenigbaarheidsbeschikking, dat de concentratie onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt.
135 Ook indien de Commissie het gemeenschapsrecht niet aldus had geschonden, had zij de aangemelde concentratie niet kunnen goedkeuren. Zoals het Gerecht in punt 413 van het arrest Schneider I heeft opgemerkt, volstonden de geconstateerde fouten immers op zichzelf niet om de punten van bezwaar die de Commissie met betrekking tot elk van de in de punten 782 en 783 van de considerans van de onverenigbaarheidsbeschikking genoemde Franse sectoriële markten had geformuleerd, aan het wankelen te brengen. Gelet op de in de onverenigbaarheidsbeschikking vermelde feitelijke gegevens, kon men volgens punt 415 van hetzelfde arrest niet anders dan de conclusie van de Commissie onderschrijven, dat de voorgenomen concentratie op de Franse markten van elektrisch materiaal voor laagspanningsinstallaties, waar beide partijen al zeer sterk waren, zou leiden tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie die, in de zin van artikel 2, lid 3, van de verordening, een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan ernstig zou belemmeren.
136 Het feit dat de in het arrest Schneider I geuite kritiek op de in de onverenigbaarheidsbeschikking verrichte economische analyse geen gevolgen had voor de beoordeling van de gevolgen van de concentratie voor de Franse sectoriële markten, maakte die kritiek echter nog niet overbodig. De geconstateerde tekortkomingen hadden namelijk tot gevolg dat de op de overige markten betrekking hebbende verenigbaarheidsbeoordeling ongeldig was, zodat de vraag of de rechten van de verdediging waren geëerbiedigd, enkel behoefde te worden onderzocht in verband met het niet ongeldig verklaarde gedeelte van de onverenigbaarheidsbeschikking, betreffende de Franse sectoriële markten.
137 Om dat resultaat te bereiken, volstond het dat aan de economische analyse van de gevolgen van de concentratie elke bewijskracht werd ontzegd, zoals in punt 411 van het arrest Schneider I is gedaan. Of de geconstateerde fouten bovendien een voldoende gekarakteriseerde schending van het gemeenschapsrecht opleverden, was in dit verband irrelevant.
138 De onjuiste economische analyse in de onverenigbaarheidsbeschikking heeft daarmee op zichzelf het vervolg van de procedure op geen enkele wijze kunnen beïnvloeden, zodat Schneider daardoor ook geen andere schade heeft kunnen lijden dan die welke eventueel het gevolg was van de schending van haar rechten van verdediging.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 25 november 2014, T-384/11, ECLI:EU:T:2014:986
- Gerecht EU 16 februari 2017, T-828/14, ECLI:EU:T:2017:87
- Gerecht EU 13 december 2018, T-559/15, ECLI:EU:T:2018:948
- Gerecht EU 14 december 2018, T-298/16, ECLI:EU:T:2018:967
- Gerecht EU 13 december 2017, T-692/15, ECLI:EU:T:2017:890
- Gerecht EU 29 april 2015, T-217/11, ECLI:EU:T:2015:238
- Gerecht EU 23 februari 2022, T-834/17, ECLI:EU:T:2022:84
- Gerecht EU 2 juli 2019, T-406/15, ECLI:EU:T:2019:468
- Gerecht EU 13 december 2018, T-558/15, ECLI:EU:T:2018:945
- Gerecht EU 20 december 2023, T-415/21, ECLI:EU:T:2023:833
- Gerecht EU 23 februari 2022, T-540/18, ECLI:EU:T:2022:85