Gerecht EU 15 november 2018, T-487/14, ECLI:EU:T:2018:792
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
15 november 2018 ( *1 )
„Dumping – Invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Rusland – Definitief antidumpingrecht – Nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen – Vaststelling van de uitvoerprijs – Eén enkele economische eenheid – Doorberekening van het antidumpingrecht in de wederverkoopprijzen in de Unie – Toepassing van een andere methode dan de tijdens een vorig onderzoek gebruikte methode – Voortzetting of herhaling van dumping en van schade – Artikel 2, lid 9, artikel 3 en artikel 11, leden 9 en 10, van verordening (EG) nr. 1225/2009 [thans artikel 2, lid 9, artikel 3 en artikel 11, leden 9 en 10, van verordening (EU) 2016/1036]”
In zaak T-487/14,
Chelyabinsk electrometallurgical integrated plant OAO (CHEMK), gevestigd te Chelyabinsk (Rusland),
Kuzneckie Ferrosplavy OAO (KF), gevestigd te Novokouznetsk (Rusland),
vertegenwoordigd door B. Evtimov en M. Krestiyanova, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. França, J.‑F. Brakeland, A. Stobiecka-Kuik en A. Demeneix als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Euroalliages, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door O. Prost en M.-S. Dibling, advocaten,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 360/2014 van de Commissie van 9 april 2014 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ferrosilicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB 2014, L 107, blz. 13) voor zover zij verzoeksters betreft,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise (rapporteur) en R. da Silva Passos, rechters,
griffier: S. Spyropoulos, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 december 2017,
het navolgende
Arrest ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoeksters, Chelyabinsk electrometallurgical integrated plant OAO (CHEMK) en Kuzneckie Ferrosplavy OAO (KF), zijn in Rusland gevestigde vennootschappen die ferrosilicium, een bij de fabricatie van ijzer en staal gebruikte legering, produceren. RFA International, LP (hierna: „RFAI”) is een met verzoeksters verbonden vennootschap. Zij is gevestigd in Canada en heeft een afdeling in Zwitserland, die is belast met verzoeksters’ uitvoer naar onder meer de Europese Unie. [omissis]
In rechte
31 Verzoeksters voeren drie middelen aan ter ondersteuning van hun beroep. In wezen heeft de Commissie in de eerste plaats de bepalingen van artikel 2, lid 9, van de basisverordening geschonden bij de vaststelling van de uitvoerprijs van hun product, omdat zij heeft geweigerd rekening te houden met het feit dat verzoeksters één enkele economische eenheid vormden met RFAI. In de tweede plaats heeft de Commissie, nog steeds bij de vaststelling van de uitvoerprijs van hun product, tevens de bepalingen van artikel 11, leden 9 en 10, van de basisverordening (thans artikel 11, leden 9 en 10, van verordening 2016/1036) geschonden door de tijdens het onderzoekstijdvak betaalde antidumpingrechten voor de dumping met betrekking tot 2012 in mindering te brengen van de prijs bij de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer in de Unie voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs. De Commissie heeft hierbij volgens verzoeksters een andere methode gebruikt dan de methode die zij heeft toegepast bij het tussentijdse nieuwe onderzoek om te weerleggen dat de antidumpingrechten, zoals verzoeksters stellen, volledig zijn doorberekend in de wederverkoopprijs aan een onafhankelijke afnemer in de Unie. De toepassing van dezelfde methode had ertoe moeten leiden dat de antidumpingrechten niet in mindering werden gebracht van die prijs voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs. In de derde plaats heeft de Commissie verschillende kennelijke beoordelingsfouten gemaakt bij haar onderzoek naar het risico dat opnieuw schade intreedt bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen op Russische producten.
32 Alvorens de hierboven samengevatte middelen te onderzoeken zij in herinnering gebracht dat de Commissie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moet onderzoeken (arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C-351/04, EU:C:2007:547, punt 40). De Unierechter dient zijn toetsing van de beoordeling van die situaties, naast de toetsing of er geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, dus te beperken tot de vraag of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten van 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing e.a./Raad, 240/84, EU:C:1987:202, punt 19; 14 maart 1990, Gestetner Holdings/Raad en Commissie, C-156/87, EU:C:1990:116, punt 63, en 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T-466/12, EU:T:2015:151, punt 37).
Schending van artikel 2, lid 9, van de basisverordening bij de samenstelling van de uitvoerprijs
33 Verzoeksters zetten uiteen dat de Commissie niet de gepaste consequenties heeft verbonden aan het feit dat zij één enkele economische eenheid vormen met RFAI, waardoor er volgens hen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout. Zij verwijzen naar overwegingen 61 tot en met 69 van de bestreden verordening, waaruit blijkt dat de Commissie rekening heeft gehouden met het feit dat RFAI een met verzoeksters verbonden importeur was en dientengevolge de bepalingen van artikel 2, lid 9, van de basisverordening heeft toegepast. In herinnering zij gebracht dat die bepalingen het in een dergelijk geval mogelijk maken een betrouwbare uitvoerprijs franco grens Unie samen te stellen op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer in de Unie worden doorverkocht, waarop de noodzakelijke correcties worden toegepast.
34 Verzoeksters wijzen erop dat de Commissie echter van de prijs bij de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer in de Unie alle kosten van RFAI alsook de winstmarge over die wederverkoop heeft afgetrokken, terwijl zij enkel dat deel ervan in mindering had mogen brengen dat betrekking had op de fase die volgde op de invoer in de Unie. RFAI regelde voor verzoeksters immers alle handelstransacties die verband hielden met de uitvoer van hun product, met inbegrip van de transacties met betrekking tot het vertrek uit Rusland en het vervoer tot aan de grens met de Unie, waarmee geen rekening had mogen worden gehouden. [omissis]
42 Allereerst zij benadrukt dat het bestaan van één enkele economische entiteit tussen een producent-exporteur uit een derde land en de entiteit die is belast met de transacties die verband houden met de invoer en de eerste verkoop in de Unie van diens producten, niet in de weg staat aan de toepassing van artikel 2, lid 9, van de basisverordening om een betrouwbare uitvoerprijs franco grens Unie vast te stellen, integendeel zelfs. Een dergelijke situatie komt immers overeen met het meest extreme geval van associatie tussen de exporteur en de importeur, met name de associatie die volgens die bepaling het samenstellen van een uitvoerprijs franco grens Unie op basis van de prijs bij de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer op het grondgebied van de lidstaten, door het aanbrengen van de passende correcties als bedoeld in de tweede en derde alinea van die bepaling, rechtvaardigt. Voor de toepassing van artikel 2, lid 9, van de basisverordening is het dan ook zonder belang dat de Commissie in de bestreden verordening geen standpunt heeft ingenomen over het bestaan van één door RFAI en verzoeksters gevormde enkele economische entiteit, aangezien de Commissie in overweging 61 heeft vastgesteld dat zij verbonden waren in de zin van diezelfde bepaling. Verzoeksters betwisten overigens niet dat die bepaling op hun situatie van toepassing is, maar bekritiseren de wijze waarop de correcties zijn uitgevoerd door de Commissie, die niet op gepaste wijze rekening heeft gehouden met het feit dat zij één economische entiteit vormden met RFAI, en met de functies die RFAI op zich nam naast haar rol van importeur van verzoeksters producten in de fase die volgde op de aankomst van deze producten bij de grens van de Unie.
43 Verzoeksters hebben echter geen gegevens aangedragen op basis waarvan gevolg kan worden gegeven aan hun verzoek om onderscheid te maken.
44 Met betrekking tot de correcties voor verkoopkosten, administratiekosten en algemene kosten is het inherent aan artikel 2, lid 9, van de basisverordening dat, zoals zeer uitdrukkelijk wordt bevestigd in de tweede alinea, enkel rekening wordt gehouden met transacties tussen de overschrijding van de grens van de Unie en de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer op het grondgebied van de lidstaten, aangezien deze bepaling tot doel heeft door een terugberekening een betrouwbare uitvoerprijs franco grens Unie vast te stellen. De kosten in verband met transacties vóór de overschrijding van die grens of met betrekking tot uitvoer-invoer in derde landen dienen dan ook te worden uitgesloten van de basis voor de correcties.
45 Hoewel de gegevens uit de door verzoeksters of RFAI in antwoord op de vragenlijst van de Commissie overgelegde winst- en verliesrekening voor het jaar 2012, het tijdvak waarop het dumpingonderzoek betrekking had, of later tijdens het onderzoek verstrekte nauwkeurigere gegevens, zoals hierboven [omissis] aangehaald, wel degelijk gedetailleerder zijn – in die zin dat zij een aantal posten (bijvoorbeeld omzet, productkosten, exportvervoer, exportverzekeringen, salarissen en bonussen) identificeren naar de productsoort (ferrosilicium waarop het onderzoek betrekking heeft, en andere producten) en naar de bestemming van die producten (niet-verbonden afnemers in de Unie, verbonden afnemers in de Unie, niet-verbonden afnemers van uitvoer buiten de Unie, verbonden afnemers van uitvoer buiten de Unie) – kunnen op basis van die gegevens voor het aan niet-verbonden afnemers in de Unie verkochte ferrosilicium waarop het onderzoek betrekking heeft, echter niet met zekerheid uitgaven worden uitgesloten die geen betrekking hebben op transacties tussen de overschrijding van de grens van de Unie en de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer op het grondgebied van de lidstaten. In het bijzonder voor een bepaald aantal in de repliek vermelde uitgavenposten wijst niets erop in hoeverre deze eveneens betrekking hebben op transacties vóór de overschrijding van die grens (bijvoorbeeld commissies, salarissen en bonussen, financiële kosten of opbrengsten). Zoals [omissis] hierboven is aangeduid, geven verzoeksters overigens toe dat de opsplitsing tussen de kosten van die verschillende transacties niet duidelijk blijkt uit de tijdens het onderzoek verstrekte gegevens, waarbij zij betogen dat de Commissie hun zelf had moeten vragen om gegevens over die opsplitsing, die zij niet spontaan hadden moeten bezorgen. Zoals in essentie is geoordeeld in de arresten van 4 mei 2017, RFA International/Commissie (C‑239/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:337, punten 34-44), en 17 maart 2015, RFA International/Commissie (T-466/12, EU:T:2015:151, punten 44 en 57-64 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet bij associatie tussen de exporteur en de importeur zoals in casu, de belanghebbende die de omvang van de krachtens artikel 2, lid 9, van de basisverordening toegepaste correcties wil betwisten, omdat de vastgestelde correcties uit hoofde van de verkoopkosten, de administratiekosten en de algemene kosten voor de invoer in de Unie overdreven zouden zijn, zelf bewijsmateriaal en concrete berekeningen tot staving van zijn beweringen en in het bijzonder het door hem voorgestelde alternatieve percentage van de omzet dat hij representatief acht voor die kosten, verstrekken. Dat is met name het geval wanneer de belanghebbende aanvoert dat de Commissie enkel beschikt over globale gegevens die mogelijkerwijs niet uitsluitend betrekking hebben op de transacties tussen de overschrijding van de grens van de Unie en de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer op het grondgebied van de lidstaten, maar eveneens op de transacties vóór de overschrijding van die grens.
46 In die omstandigheden kunnen verzoeksters de Commissie niet verwijten dat zij de tijdens het onderzoek betreffende het jaar 2012, het tijdvak waarop het dumpingonderzoek betrekking had, verstrekte gegevens, met name die van de winst- en verliesrekening, in aanmerking heeft genomen om de uit hoofde van de verkoopkosten, de administratiekosten en de algemene kosten voor de invoer in de Unie toe te passen correcties vast te stellen teneinde de uitvoerprijs op basis van de prijs bij de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer samen te stellen, zonder daarvan een gedeelte in mindering te hebben gebracht dat toe te rekenen zou zijn aan transacties vóór de overschrijding van de grens van de Unie. Zoals de Commissie in haar schriftelijke antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft benadrukt, zonder door verzoeksters te zijn weersproken, bevatte de definitieve mededeling die aan de vaststelling van de bestreden verordening voorafging, in dat verband het voor die verkoopkosten, administratiekosten en algemene kosten representatieve omzetcijfer dat de Commissie voornemens was in aanmerking te nemen. Hoewel sommige van verzoeksters opmerkingen in verband met dit document betrekking hadden op bestanddelen van die kosten en tot bepaalde in de overwegingen 84 tot en met 87 van de bestreden verordening toegelichte correcties hebben geleid, met name betreffende rente op leningen of in Zwitserland betaalde belastingen (die ertoe hebben geleid dat het voor die kosten in aanmerking genomen netto-omzetcijfer van RFAI naar beneden is bijgesteld), staat vast dat die opmerkingen geen precieze aanwijzingen bevatten over de verdeling van de kosten over de transacties vóór de overschrijding van de grens van de Unie en de transacties tussen die grensoverschrijding en de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer op het grondgebied van de lidstaten, terwijl verzoeksters dergelijke aanwijzingen hadden kunnen verstrekken. Terloops zij opgemerkt dat, hoewel het nieuwe op basis van verzoeksters opmerkingen voor de verkoopkosten, administratiekosten en algemene kosten in aanmerking genomen representatieve omzetcijfer om redenen van vertrouwelijkheid niet voorkomt in de bestreden verordening zelf, dit cijfer wel is medegedeeld en toegelicht aan verzoeksters binnen twee dagen na de vaststelling van de bestreden verordening, zoals de Commissie in haar antwoord op de vraag van het Gerecht heeft uiteengezet. Met betrekking tot de verdeling van de kosten waarop verzoeksters zich beroepen, gesteld dat die tijdig kenbaar is gemaakt, is de in repliek geformuleerde stelling dat meer dan de helft van de waarde van de door de Commissie in aanmerking genomen kostenposten aan transacties vóór de overschrijding van de grens van de Unie moeten worden toegerekend, bovendien veel te vaag en onvoldoende onderbouwd om in aanmerking te worden genomen. De enkele door verzoeksters bij wijze van voorbeeld vermelde kostensoorten die betrekking zouden hebben op de twee soorten transacties, vóór en na de overschrijding van de grens van de Unie, zijn immers onvoldoende om de verdeling van die kosten tussen die transacties te bepalen.
47 Wat voorts de door de Commissie in aanmerking genomen winstmarge van 6 % van de netto-omzet van RFAI betreft, die overeenstemt met de winstmarge van onafhankelijke importeurs, die de winst van RFAI vormt die eveneens in aanmerking moet worden genomen voor de correcties met het oog op de samenstelling van de uitvoerprijs op basis van de prijs bij de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer in de Unie, kan verzoeksters betoog dat slechts een gedeelte van die marge verband houdt met na de overschrijding van de grens van de Unie uitgevoerde transacties en alleen dat gedeelte in aanmerking moet worden genomen, niet slagen. Ook al is het juist, zoals verzoeksters uiteenzetten, dat artikel 2, lid 9, tweede alinea, van de basisverordening op algemene wijze ziet op „een winstmarge” met het oog op de toepassing van correcties voor de samenstelling van een betrouwbare uitvoerprijs, zonder a priori een bepaalde methode om die marge vast te stellen op te leggen, en hoewel verzoeksters, in antwoord op de aan de vaststelling van de bestreden verordening voorafgaande definitieve mededeling, hebben aangevoerd dat slechts ongeveer de helft van de totale winst van RFAI moet worden toegerekend aan na de overschrijding van de grens van de Unie verrichte transacties, kunnen deze elementen niet leiden tot een verlaging van het percentage van 6 %, dat in aanmerking is genomen om de met die transacties verbonden winst van RFAI te evalueren op basis van haar netto-omzet.
48 Het door verzoeksters geclaimde onderscheid is a priori immers in beginsel niet gerechtvaardigd voor een winstmarge die, zoals in onderhavig geval, voortvloeit uit de beschouwing van de activiteiten van onafhankelijke importeurs die, behalve in uitzonderlijke gevallen, de producten aan de grens van de Unie overnemen.
49 Zelfs indien wordt uitgegaan van de winstmarge van RFAI zelf, is de door verzoeksters voorgestelde in aanmerking te nemen verhouding van ongeveer de helft van die marge, door dezen op niet overtuigende wijze onderbouwd aan de hand van een extrapolatie die is gebaseerd op de vaststelling dat de kosten van hun geëxporteerde producten 90 % van hun exportomzet bedragen, waarbij die kosten en die omzet worden verondersteld het gedeelte van de met de export naar de Unie verbonden transacties respectievelijk het gedeelte van de na de overschrijding van de grens van de Unie uitgevoerde transacties weer te geven. Die methode leidt immers ertoe dat voor de twee categorieën van transacties met dezelfde gegevens wordt gerekend, aangezien in de met de wederverkoop aan onafhankelijke afnemers in de Unie gerealiseerde omzet noodzakelijkerwijze de door die omzet te dekken kosten van het geëxporteerde product zijn vervat.
50 In die omstandigheden heeft de Commissie in overweging 69 van de bestreden verordening op goede gronden vastgesteld dat zij niet over de bewijzen beschikte op basis waarvan zij in voorkomend geval een lagere winstmarge voor RFAI in aanmerking had kunnen nemen. Bijgevolg was het volledig gerechtvaardigd dat de Commissie als winstmarge voor de correcties met het oog op de samenstelling van de uitvoerprijs, de marge van onafhankelijke importeurs, zoals is erkend in het arrest van 5 oktober 1988, Canon e.a./Raad (277/85 en 300/85, EU:C:1988:467, punt 32), in aanmerking heeft genomen, aangezien de gegevens verstrekt door met de producent verbonden entiteiten die met name instaan voor de invoer in de Unie, door deze associatie kunnen zijn beïnvloed zoals met name is benadrukt in het arrest van 17 maart 2015, RFA International/Commissie (T-466/12, EU:T:2015:151, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Commissie heeft dus terecht de tijdens het oorspronkelijke onderzoek gebruikte winstmarge van 6 % in aanmerking genomen gelet op het feit dat dergelijke importeurs niet hebben meegewerkt aan het nieuwe onderzoek, zoals is uiteengezet in de overwegingen 15 en 62 van de bestreden verordening.
51 De door verzoeksters ter ondersteuning van hun eerste middel aangehaalde arresten van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP (C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78), en 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62), stellen de door de Commissie zowel voor de beoordeling van de verkoopkosten, de administratiekosten en de algemene kosten als voor de beoordeling van de winstmarge gekozen benadering niet ter discussie. In die arresten hebben het Hof en het Gerecht in essentie geoordeeld – in de punten 51 tot en met 56 respectievelijk 177 en 178 van die arresten – dat in het geval van één enkele economische entiteit die bestaat uit de producent, maar eveneens uit een door die producent gecontroleerde aparte juridische entiteit die is belast met de verkoop aan onafhankelijke afnemers, zowel voor de vaststelling van de normale waarde als voor de vaststelling van de uitvoerprijs niet alleen rekening diende te worden gehouden met de door de eerste onafhankelijke afnemer betaalde prijs, maar ook met de kosten die in de regel door de bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent worden gedragen indien die producent voor zijn verkopen geen beroep had moeten doen op een aparte juridische entiteit, om te vermijden dat die kosten buiten beschouwing zouden worden gelaten bij de vaststelling van die verschillende prijzen. Wat de uitvoerprijs betreft, gelden deze inhoudelijke overwegingen evenzeer in het kader van een samenstelling van die uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, als in het kader van de correcties die op die uitvoerprijs kunnen worden toegepast om tot een billijke vergelijking te komen met de normale waarde op grond van artikel 2, lid 10, van diezelfde verordening, die de context vormen waarin die overwegingen in de bovengenoemde arresten zijn uiteengezet. Bijgevolg is het niet onverenigbaar met die arresten om de verkoopkosten, de administratiekosten en de algemene kosten alsook een winstmarge die overeenstemt met de activiteiten van een importeur van de producten in kwestie in de Unie, in mindering te brengen van de prijs bij hun eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer op het grondgebied van de lidstaten met het oog op de berekening van een betrouwbare uitvoerprijs, wanneer een juridische entiteit die losstaat van de producent, maar die, zoals verzoeksters aanvoeren, één enkele economische entiteit vormt met de producent, voor de invoer zorgt, zoals in het onderhavige geval. Deze beoordeling doet geen afbreuk aan de verdeling van de bewijslast met betrekking tot de relevantie van de correcties die moeten worden uitgevoerd in het kader van de toepassing van artikel 2, lid 9, respectievelijk artikel 2, lid 10, van de basisverordening, die het voorwerp heeft gevormd van de overwegingen in het arrest van 4 mei 2017, RFA International/Commissie (C-239/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:337, punten 40-44). [omissis]
Schending van artikel 11, leden 9 en 10, van de basisverordening bij de samenstelling van de uitvoerprijs
53 Verzoeksters voeren aan dat de Commissie de door RFAI in 2012, het tijdvak waarop het dumpingonderzoek betrekking had, betaalde antidumpingrechten niet in mindering had mogen brengen voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs, aangezien deze rechten volledig zouden zijn doorberekend in de prijzen van de wederverkoop in de Unie. De Commissie heeft daardoor inbreuk gemaakt op de bepalingen van artikel 11, lid 10, van de basisverordening, volgens welke de Commissie, wanneer in het kader van een nieuw onderzoek wordt besloten de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van diezelfde verordening samen te stellen, de uitvoerprijs moet berekenen zonder de betaalde antidumpingrechten in mindering te brengen, indien afdoende bewijs wordt geleverd dat het recht behoorlijk in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking is gebracht. Bovendien heeft de Commissie bij haar beoordeling van de daadwerkelijke doorberekening van de antidumpingrechten in de wederverkoopprijzen, die doorberekening niet onderzocht met betrekking tot de wederverkoopprijs die is geïdentificeerd bij het onderzoek dat aanleiding heeft gegeven tot de oorspronkelijke verordening, maar met betrekking tot de lopende productiekosten in Rusland. Hierdoor heeft de Commissie zonder rechtvaardiging een andere methode toegepast dan de methode die zij heeft gebruikt voor het nieuwe onderzoek dat heeft geleid tot de tussentijdse verordening. De Commissie heeft bijgevolg eveneens inbreuk gemaakt op de bepalingen van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, volgens welke de Commissie bij alle overeenkomstig dat artikel uitgevoerde nieuwe onderzoeken, voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk gaat als bij het onderzoek dat tot instelling van het recht heeft geleid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 van diezelfde verordening.
54 Verzoeksters herinneren eraan dat de Commissie in overweging 25 van [uitvoeringsverordening (EU) nr. 60/2012 van de Raad van 16 januari 2012 tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek krachtens artikel 11, lid 3, van (de basisverordening), betreffende de antidumpingrechten op ferrosilicium van oorsprong uit onder meer Rusland (PB 2012, L 22, blz. 1)] op het volgende heeft gewezen: „[U]it het onderzoek is gebleken dat de gewogen gemiddelde wederverkoopprijzen van ferrosilicium in de Unie zijn gestegen in vergelijking met de prijzen tijdens het oorspronkelijke onderzoek en dat de huidige wederverkoopprijzen bij uitvoer ruim meer dan 22,7 % [het antidumpingrecht] hoger zijn dan die in het oorspronkelijke onderzoek. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat het antidumpingrecht wel behoorlijk tot uitdrukking is gebracht in de wederverkoopprijzen van de indiener van het verzoek. [...] [B]ij de samenstelling van de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, zijn de antidumpingrechten dan ook niet in mindering gebracht.”
55 In casu hebben verzoeksters de Commissie in hun opmerkingen over de aan de vaststelling van de bestreden verordening voorafgaande definitieve mededeling afdoende bewijs geleverd dat de wederverkoopprijzen van hun producten in de Unie meer dan 22,7% – het antidumpingrecht – waren gestegen tussen het onderzoekstijdvak dat heeft geleid tot de oorspronkelijke verordening, en het jaar 2012, het tijdvak waarop het dumpingonderzoek betrekking had, dat tot de bestreden verordening heeft geleid. De wederverkoopprijzen zouden tussen beide tijdvakken met meer dan 100 % zijn gestegen.
56 In antwoord op de argumenten die de Commissie in haar dupliek heeft aangevoerd, voegen verzoeksters daar, zakelijk weergegeven, aan toe dat de bepalingen van artikel 11, lid 10, van de basisverordening uitsluitend eisen dat de prijzen bij de wederverkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie wel degelijk de antidumpingrechten omvatten, opdat die rechten niet ervan in mindering zouden worden gebracht voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs, wat noodzakelijkerwijze het geval zou zijn wanneer, bij gebreke van een compensatieregeling met die afnemer, de toegepaste wederverkoopprijs de in de loop van het onderzoek dat tot de oorspronkelijke verordening heeft geleid in aanmerking genomen wederverkoopprijs met meer overschrijdt dan de hoogte van de antidumpingrechten. Met betrekking tot de verandering van methode voor de samenstelling van een uitvoerprijs voeren verzoeksters hiertegen eveneens aan dat de wijziging van de productiekosten geen wijziging van de omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening vormt, die het gebruik van een nieuwe methode voor de berekening van die prijs rechtvaardigt. [omissis]
59 Er zij aan herinnerd dat de bestreden verordening het resultaat van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen is dat is uitgevoerd krachtens artikel 11, lid 2, van de basisverordening (thans artikel 11, lid 2, van verordening 2016/1036). In lid 10 van dat artikel wordt gepreciseerd dat indien de Commissie in dat kader beslist de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, samen te stellen, zij de uitvoerprijs moet berekenen zonder de betaalde antidumpingrechten in mindering te brengen, indien afdoende bewijs wordt geleverd dat het recht behoorlijk in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking is gebracht, wat volgens verzoeksters het geval blijkt te zijn. Bovendien bepaalt artikel 11, lid 9, van de basisverordening met name dat de Commissie bij alle overeenkomstig dit artikel 11 uitgevoerde nieuwe onderzoeken, voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk gaat als bij het onderzoek dat tot instelling van het recht heeft geleid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2. Verzoeksters voeren eveneens aan dat de omstandigheden in casu niet zijn gewijzigd.
60 In dat verband is geoordeeld dat de uitzondering op het gebruik van dezelfde methode bij het nieuwe onderzoek en bij het oorspronkelijke onderzoek restrictief moet worden uitgelegd op een wijze die in overeenstemming is met de bewoordingen en het doel van de bepaling die deze uitzondering toestaat (zie in die zin arrest van 18 september 2014, Valimar, C-374/12, EU:C:2014:2231, punten 40-43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 In casu vragen verzoeksters echter niet dat voor het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen dezelfde methode wordt toegepast als bij het oorspronkelijke onderzoek, maar wel dat dezelfde methode zou worden toegepast als bij het nieuwe onderzoek dat heeft geleid tot de tussentijdse verordening. Aan de orde is immers de kwestie van de doorberekening van de antidumpingrechten die per definitie nog niet van kracht waren tijdens het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek.
62 Zonder dat in het onderhavige geval uitspraak hoeft te worden gedaan over de toepasselijkheid van artikel 11, lid 9, van de basisverordening als zodanig, zij opgemerkt dat in het kader van de toepassing van artikel 11, lid 10, van diezelfde verordening, met name voor de beantwoording van de vraag of de antidumpingrechten in mindering moeten worden gebracht van de prijs bij de eerste wederverkoop aan een onafhankelijke afnemer in de Unie om de samengestelde uitvoerprijs te berekenen, dezelfde principes als de in het kader van de toepassing van artikel 11, lid 9, ontwikkelde principes kunnen worden toegepast. In die onderscheiden gevallen gaat het immers erom, de deugdelijkheid van het onderzoek te waarborgen bij de vergelijking van ingewikkelde economische situaties, niet alleen om te rechtvaardigen dat de in het kader van de antidumpingregeling vastgestelde maatregelen gegrond zijn, maar eveneens om ervoor te zorgen dat het algemene beginsel van het Unierecht inzake gelijke behandeling wordt geëerbiedigd tussen marktdeelnemers ten aanzien van wie die maatregelen kunnen worden genomen.
63 In dat verband vormt een significante evolutie van de productiekosten van de producten die het voorwerp van een nieuw onderzoek bij het vervallen van antidumpingmaatregelen zijn, tussen het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek of een tijdvak van een tussentijds nieuw onderzoek en het tijdvak van het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, een wijziging van de omstandigheden die in voorkomend geval een wijziging rechtvaardigt van de methode voor de samenstelling van de uitvoerprijs nadat voor het betrokken product antidumpingrechten zijn opgelegd, wat beantwoordt aan de hierboven in punt 62 vermelde doelstelling. De deugdelijkheid van de vergelijking van de situatie tussen de twee tijdvakken bij de economische analyse waarborgen rechtvaardigt immers in beginsel de toepassing van dezelfde methode, behalve indien de relevante parameters voldoende zijn gewijzigd zodat de voordien gebruikte methode niet meer geschikt is om bij de toepassing ervan een betrouwbaar resultaat op te leveren, in onderhavig geval om te beoordelen of de antidumpingrechten al dan niet behoorlijk in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking zijn gebracht (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 september 2014, Valimar, C-374/12, EU:C:2014:2231, punten 50 en 59). Zoals de Commissie aanvoert, waarborgt een verhoging van de wederverkoopprijzen in de Unie, ook al is die aanzienlijk, bij een significante stijging van de productiekosten tussen de twee vergeleken tijdvakken, niet noodzakelijk dat de antidumpingrechten behoorlijk tot uitdrukking zijn gebracht, dit wil zeggen volledig zijn doorberekend bij de vaststelling van die prijzen. De productiekosten kunnen sterker gestegen zijn dan de prijzen. In dat geval brengen de belanghebbenden, ook al zijn de nieuwe prijzen hoger dan de oude met de antidumpingrechten vermeerderde prijzen, de antidumpingrechten niet behoorlijk tot uitdrukking gelet op de evolutie van hun productiekosten.
64 Voor zover artikel 11, lid 10, van de basisverordening betrekking heeft op de vraag of „het [antidumping]recht behoorlijk tot uitdrukking is gebracht in de wederverkoopprijzen”, volgt uit die bepaling immers helemaal niet dat enkel het equivalent van het antidumpingrecht in de nieuwe wederverkoopprijs moet worden opgenomen bovenop de voordien toegepaste wederverkoopprijs, om deze vraag positief te kunnen beantwoorden. Een bijkomend recht ten opzichte van de gewoonlijk opgelopen kosten is slechts „behoorlijk tot uitdrukking gebracht” indien het wordt toegevoegd aan die andere kosten. Indien die andere kosten stijgen, maar de wederverkoopprijs minder sterk stijgt, is het recht in werkelijkheid slechts gedeeltelijk of helemaal niet toegevoegd aan die andere kosten, ook al is het equivalent van het recht aan de voordien toegepaste wederverkoopprijs toegevoegd. De door verzoeksters ter terechtzitting aangehaalde mededeling van de Commissie over de terugbetaling van antidumpingrechten (PB 2014, C 164, blz. 9) is op generlei wijze in tegenspraak met die analyse. Hetzelfde geldt voor het arrest van 18 november 2015, Einhell Germany e.a./Commissie (T-73/12, EU:T:2015:865) dat door verzoeksters eveneens ter terechtzitting is aangehaald. Met name in punt 155 van dat arrest, dat in zijn context moet worden gelezen, wordt erop gewezen dat een andere methode dan de vergelijking tussen de vóór en de na de oplegging van de antidumpingrechten toegepaste wederverkoopprijzen in de Unie geschikt kan zijn om vast te stellen of die rechten al dan niet in de nieuwe wederverkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking zijn gebracht.
65 Gepreciseerd zij dat de inaanmerkingneming van de evolutie van de productiekosten om na te gaan of het antidumpingrecht behoorlijk tot uitdrukking is gebracht in de wederverkoopprijzen, in voorkomend geval in het kader van een tussentijds nieuw onderzoek, van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen of van een terugbetalingsonderzoek kan gebeuren, en niet enkel bij een „absorptie-onderzoek” als bedoeld in artikel 12 van de basisverordening (thans artikel 12 van verordening 2016/1036), zoals verzoeksters ter terechtzitting hebben gesuggereerd. Die verschillende soorten onderzoeken komen weliswaar overeen met verschillende procedurele omstandigheden en kunnen aanleiding geven tot verschillende maatregelen, maar met betrekking tot de hoofdvraag of antidumpingrechten al dan niet tot uitdrukking zijn gebracht, zijn de onderzoeksparameters identiek.
66 In casu heeft de Commissie in het kader van de tussentijdse verordening geen evolutie van de productiekosten vastgesteld tussen het onderzoekstijdvak dat aanleiding heeft gegeven tot de oorspronkelijke verordening, en het tijdvak dat voor het tussentijdse nieuwe onderzoek in aanmerking is genomen. Gelet op haar beoordelingsmarge kon zij zich dus ertoe beperken te onderzoeken of de nieuwe door RFAI voor rekening van verzoeksters toegepaste wederverkoopprijzen in de Unie ruim meer dan 22,7 % – de antidumpingrechten – hoger waren dan de prijzen in het eerste tijdvak, om tot de slotsom te komen dat die antidumpingrechten behoorlijk tot uitdrukking waren gebracht in die nieuwe prijzen, en die rechten bijgevolg niet in mindering te brengen bij de samenstelling van de uitvoerprijs.
67 In het kader van het onderzoek dat aanleiding heeft gegeven tot de bestreden verordening en in overweging 83 van die verordening heeft de Commissie daarentegen vastgesteld dat er sprake was van een significante stijging van de productiekosten zonder dat dit door verzoeksters inhoudelijk is betwist, met name in het kader van het onderhavige beroep. Om vast te stellen of de antidumpingrechten behoorlijk tot uitdrukking waren gebracht in de door RFAI in 2012, het tijdvak waarop het dumpingonderzoek betrekking had, voor rekening van verzoeksters toegepaste wederverkoopprijzen in de Unie, was het in die omstandigheden gerechtvaardigd dat de Commissie de tijdens het onderzoek dat tot de oorspronkelijke verordening heeft geleid, geconstateerde wederverkoopprijzen niet als basis voor het onderzoek in aanmerking heeft genomen, maar wel de in 2012 geconstateerde productiekosten, ook al vormt dit een wijziging van de methode zoals blijkt uit overweging 83 van de bestreden verordening.
68 Zoals de Commissie in overweging 83 van de bestreden verordening heeft opgemerkt, is in een situatie waarbij de wederverkoopprijzen in de Unie slechts in 1 % van de gevallen de productiekosten, inclusief antidumpingrechten, dekken, geenszins aangetoond dat die rechten daadwerkelijk behoorlijk tot uitdrukking zijn gebracht.
69 Zelfs de door verzoeksters aangevoerde stijging van de wederverkoopprijzen in de Unie met 100 % tussen het onderzoekstijdvak dat aanleiding heeft gegeven tot de oorspronkelijke verordening en het jaar 2012, het tijdvak waarop het dumpingonderzoek betrekking had, is in die omstandigheden onvoldoende om aan te tonen dat de antidumpingrechten volledig tot uitdrukking zijn gebracht in het tweede tijdvak. Zoals in essentie is verklaard in punt 63 hierboven, volstaat het immers dat de productiekosten met meer dan 100 % zijn gestegen, dat wil zeggen dat zij meer dan verdubbeld zijn, opdat de antidumpingrechten niet behoorlijk tot uitdrukking zijn gebracht in de toegepaste prijzen, gelet op de evolutie van de productiekosten. Dat is a priori aangetoond door het door de Commissie aangedragen feit dat in 99 % van de gevallen de productiekosten, inclusief antidumpingrechten, niet werden gedekt door de wederverkoopprijzen in de Unie in 2012.
70 De Commissie heeft het antidumpingrecht dan ook terecht in mindering gebracht van prijs bij de wederverkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs voor het jaar 2012, het tijdvak waarop het dumpingonderzoek betrekking had, aangezien niet was aangetoond dat het antidumpingrecht behoorlijk tot uitdrukking was gebracht in eerstgenoemde prijs. [omissis]
Kosten
100 Ingevolge artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in hun eigen kosten alsmede, overeenkomstig de vordering van de Commissie, in de kosten van de Commissie te worden verwezen.
101 Volgens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht bepalen dat een andere dan de in de leden 1 en 2 van dat artikel bedoelde interveniërende partijen haar eigen kosten zal dragen. In casu wordt beslist dat Euroalliages haar eigen kosten zal dragen.
HET GERECHT (Negende kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Chelyabinsk electrometallurgical integrated plant OAO (CHEMK) en Kuzneckie Ferrosplavy OAO (KF) worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
3) Euroalliages zal haar eigen kosten dragen.
Gervasoni Madise da Silva Passos Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 november 2018. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.