Gerecht EU 15 juni 2005, T-349/03, ECLI:EU:T:2005:221
Tekst
Zaak T‑349/03
Corsica Ferries France SAS
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Staatssteun – Beroep tot nietigverklaring – Herstructureringssteun – Beschikking waarbij steun verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Richtsnoeren van Commissie – Motiveringsplicht – Eerbiediging van voorwaarden – Tot noodzakelijk minimum beperkte steun”
Arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 15 juni 2005
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Ontbreken van of ontoereikende motivering – Verschil met kennelijke beoordelingsfout
(Art. 230 EG en 253 EG)
2. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking van Commissie inzake staatssteun – Beschikking inzake steun voor herstructurering van onderneming in moeilijkheden
(Art. 87, leden 1 en 3, sub c, EG en 253 EG; communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden)
3. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Art. 87, lid 3, sub c, EG)
4. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Mogelijkheid om kaderregelingen vast te stellen – Dwingende werking – Rechterlijke toetsing
(Art. 87, lid 3, sub c, EG)
5. Beroep tot nietigverklaring – Bestreden handeling – Beoordeling van wettigheid aan hand van gegevens die beschikbaar waren op ogenblik van vaststelling van handeling – Overwegingen achteraf – Geen invloed
(Art. 230 EG)
6. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd – Steun voor herstructurering van onderneming in moeilijkheden – Identificatie van ondernemingen in moeilijkheden
(Art. 87, lid 3, sub c, EG; communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, punten 4, 5, sub a, en 6)
7. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd – Steun voor herstructurering van onderneming in moeilijkheden – Voorwaarden – Beperking van steun tot strikt noodzakelijke minimum – Toepassing van herstructureringsplan dat verbintenis bevat om niet onontbeerlijke activa af te stoten – Gevolg – Verplichting om volledige verkoopopbrengst te besteden voor financiering van herstructureringsplan
(Art. 87, lid 3, sub c, EG; communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, punt 40)
8. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd – Steun voor herstructurering van onderneming in moeilijkheden – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Bevoegdheid benaderende schatting te maken van netto-opbrengst van in herstructureringsplan voorziene verkoop van activa – Beperking
(Art. 87, lid 3, sub c, EG)
9. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Regularisering van motiveringsgebrek tijdens gerechtelijke procedure – Ontoelaatbaarheid
(Art. 253 EG)
1. Het aan schending van artikel 253 EG ontleende middel moet worden onderscheiden van het middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout. Terwijl het eerste, dat zich tegen het ontbreken of het ontoereikend zijn van de motivering richt, schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 230 EG betreft en als middel van openbare orde door de gemeenschapsrechter moet worden opgeworpen, gaat het bij het tweede, dat de wettigheid ten gronde van een besluit betreft, om schending van een op de uitvoering van het Verdrag betrekking hebbende rechtsregel in de zin van hetzelfde artikel, en kan het door de gemeenschapsrechter slechts worden onderzocht indien het door de verzoeker is aangevoerd. De motiveringsplicht is dus iets anders dan de gegrondheid van de motivering.
Er kan dus geen kwestie van zijn dat het Gerecht in het kader van het toezicht op de nakoming van de plicht tot motivering van een beschikking van de Commissie de wettigheid toetst van de redenen die de Commissie ter rechtvaardiging van die beschikking heeft aangevoerd.
In het kader van een middel dat aan het ontbreken of het ontoereikend zijn van de motivering is ontleend, zijn de grieven en argumenten waarmee de gegrondheid van een dergelijke beschikking wordt betwist, dus onwerkzaam en irrelevant.
(cf. punten 52, 58‑59)
2. De draagwijdte van de motiveringsplicht hangt af van de aard en de context van de betrokken handeling. De motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de maatregel teneinde hun rechten te kunnen verdedigen en te kunnen nagaan of de beschikking al dan niet gegrond is, en de gemeenschapsrechter zijn wettigheidstoetsing kan verrichten.
Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijke of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 253 EG voldoet, niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
In het bijzonder is de Commissie niet verplicht een standpunt te bepalen ten aanzien van alle door de belanghebbenden voorgedragen argumenten, zoals gegevens die kennelijk niet ter zake doen of die zonder betekenis dan wel duidelijk bijkomstig zijn, maar kan zij volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn.
Toegepast op de kwalificatie van een steunmaatregel vereist de motiveringsplicht, dat de Commissie de redenen vermeldt waarom zij meent dat de betrokken maatregel onder de toepassing van artikel 87, lid 1, EG valt.
Aan de motiveringsplicht met betrekking tot de verenigbaarheid van door de staat verleende herstructureringssteun met artikel 87, lid 3, sub c, EG is voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking aangeeft, waarom zij meent dat de steunmaatregel aan de voorwaarden van de communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden voldoet, met name dat er een herstructureringsplan bestaat, dat de levensvatbaarheid op lange termijn voldoende aannemelijk is gemaakt en dat er een redelijke verhouding bestaat tussen de steun en de eigen bijdrage van de begunstigde.
(cf. punten 62‑66, 132)
3. Bij de toepassing van artikel 87, lid 3, sub c, EG beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsvrijheid, waarvan de uitoefening een afweging van economische en sociale gegevens impliceert, die in een communautair kader dient te geschieden. Bij de toetsing van de wijze waarop van deze beoordelingsvrijheid gebruik is gemaakt, gaat de gemeenschapsrechter enkel na, of de procedureregels en motiveringsvoorschriften zijn nageleefd, of de vastgestelde feiten materieel juist zijn, en of er geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten of van misbruik van bevoegdheid. Het komt het Gerecht dus niet toe, zijn economische beoordeling in de plaats van die van de auteur van de beschikking te stellen.
(cf. punten 137‑138)
4. De Commissie is gebonden aan de kaderregelingen en mededelingen die zij op het gebied van het toezicht op staatssteun vaststelt, voorzover deze niet van de verdragsregels afwijken en door de lidstaten zijn aanvaard.
Wanneer de Commissie een individuele steunmaatregel aan dergelijke, vooraf door haar vastgestelde richtsnoeren toetst, kan zij niet derhalve worden geacht de grenzen van haar beoordelingsvrijheid te overschrijden of er afstand van te doen. Enerzijds blijft zij immers bevoegd die richtsnoeren in te trekken of te wijzigen indien de omstandigheden dat vereisen. Anderzijds gelden die richtsnoeren voor een welbepaalde sector en zijn zij ingegeven door het streven een bepaalde, door de Commissie vastgestelde beleidslijn voort te zetten.
In deze context dient het Gerecht dus na te gaan, of de vereisten die de Commissie voor zichzelf heeft gesteld, zoals omschreven in de richtsnoeren, zijn nageleefd.
(cf. punten 139‑141)
5. In het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG moet de wettigheid van een gemeenschapshandeling worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op het tijdstip waarop de handeling is verricht. Zij kan niet afhangen van eventuele mogelijkheden tot omzeiling en evenmin van overwegingen achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van die handeling.
Inzonderheid de ingewikkelde beoordelingen van de Commissie mogen enkel worden onderzocht in het licht van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen verrichtte.
(cf. punten 142‑143)
6. Hoewel volgens de communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden een onderneming in elk geval wordt geacht in moeilijkheden te verkeren wanneer een aanzienlijk deel van haar maatschappelijk kapitaal verdwenen is, is er niets wat een onderneming belet met behulp van andere aanwijzingen aan te tonen dat zij in de zin van de richtsnoeren in financiële moeilijkheden verkeert, ook al heeft zij niet een groot deel van haar maatschappelijk kapitaal verloren.
(cf. punt 185)
7. Wanneer een onderneming zich met het oog op herstructureringssteun in haar herstructureringsplan ertoe verbonden heeft niet onontbeerlijke activa af te stoten, dient zij de volledige verkoopopbrengst van die activa voor de financiering van het herstructureringsplan te besteden. Dit betekent niet, dat de steunontvanger verplicht is al zijn middelen in te brengen om het toegekende steunbedrag laag te houden, maar uitsluitend daartoe de middelen te gebruiken die verkregen zijn door de verkoop van activa die niet onontbeerlijk zijn om de activiteiten van de onderneming in het kader van de herstructurering voort te zetten. Deze bijdrage aan het herstructureringsplan uit de eigen middelen van de steunontvanger is noodzakelijk om te verzekeren, dat de steun overeenkomstig punt 40 van de richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden beperkt blijft tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum, in samenhang met de financiële mogelijkheden van de onderneming, van haar aandeelhouders of van de groep ondernemingen waarvan zij deel uitmaakt.
(cf. punten 266, 313)
8. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van herstructureringssteun met de gemeenschappelijke markt is de Commissie niet verplicht de specifieke kosten van elk van de door de betrokken onderneming te nemen maatregelen te ramen. Nog afgezien van het feit dat een precieze raming van de verschillende kostenposten hoe dan ook willekeurig is omdat het gaat om toekomstige maatregelen, kan de Commissie in de uitoefening van haar ruime beoordelingsvrijheid volstaan met een globale raming.
Derhalve mag de Commissie in principe krachtens haar ruime beoordelingsvrijheid een benaderende schatting maken van de netto-opbrengst van de in het herstructureringsplan voorziene verkoop van activa, aangezien die opbrengst moeilijk nauwkeurig kan worden geraamd.
Indien activa die volgens dat plan moeten worden afgestoten, reeds daadwerkelijk zijn verkocht en de Commissie dus het werkelijke bedrag van de nettoverkoopopbrengst kent, mag de Commissie, met name gelet op het verbod van staatssteun, neergelegd in artikel 87, lid 1, EG, zich ter bepaling van het noodzakelijke minimum van de steun echter niet beperken tot een schatting „over de grote hoop” van de middelen waarover de betrokken onderneming beschikte.
(cf. punten 272‑273, 278, 282‑283)
9. De redengeving van een beschikking moet in de beschikking zelf te vinden zijn en latere toelichtingen van de Commissie kunnen, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, niet in aanmerking worden genomen. De beschikking op zich moet dus volstaan en het kan niet zijn dat de redengeving ervan moet blijken uit schriftelijke of mondelinge toelichtingen die worden gegeven nadat tegen de beschikking al beroep bij de gemeenschapsrechter is ingesteld.
(cf. punt 287)
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
15 juni 2005 (*)
„Steunmaatregelen van staten – Beroep tot nietigverklaring – Herstructureringssteun – Beschikking waarbij steun verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Richtsnoeren van Commissie – Motiveringsplicht – Eerbiediging van voorwaarden – Tot noodzakelijk minimum beperkte steun”
In zaak T‑349/03,
Corsica Ferries France SAS, gevestigd te Bastia (Frankrijk), vertegenwoordigd door S. Rodrigues en C. Scapel, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Giolito en H. van Vliet als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en S. Ramet als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en door
Société nationale maritime Corse-Méditerranée (SNCM) SA, gevestigd te Marseille (Frankrijk), aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Tassy, vervolgens door O. d’Ormesson en A. Bouin, advocaten,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2004/166/EG van de Commissie van 9 juli 2003 betreffende herstructureringssteun die Frankrijk voornemens is te verlenen aan de Société nationale maritime Corsica-Méditerranée (SNCM) (PB 2004, L 61, blz. 13),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, V. Tiili en O. Czúcz, rechters,
griffier: I. Natsinas, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 november 2004,
het navolgende
Arrest
De toepasselijke bepalingen
1 Artikel 87 EG bepaalt:
„1. Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
[...]
3. Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd:
[...]
c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad;
[...]”
2 Ingevolge afdeling 8 van de communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer (PB 1997, C 205, blz. 5) past de Commissie de richtsnoeren voor de redding en herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden toe op de herstructureringssteun voor zeevervoersmaatschappijen.
3 In de vanaf 9 oktober 1999 geldende communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB 1999, C 288, blz. 2; hierna: „richtsnoeren”) vermeldt de Commissie de voorwaarden waaronder die steun verenigbaar kan worden verklaard met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 87, lid 3, sub c, EG. Volgens punt 3.2.2 van die richtsnoeren betreffen deze voorwaarden het karakter van de steunontvanger als onderneming in moeilijkheden, het herstel van de levensvatbaarheid, het voorkomen van ongerechtvaardigde vervalsing van de mededinging, de beperking van de steun tot het minimum, het opleggen van voorwaarden en verplichtingen om te voorkomen dat de mededinging zozeer wordt vervalst dat het gemeenschappelijk belang schade lijdt, en het volledig uitvoeren van het herstructureringsplan.
4 Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (PB L 364, blz. 7), verplicht de lidstaten de nationale markten te openen voor cabotage. Artikel 4 van deze verordening bepaalt, dat een lidstaat die openbaredienstcontracten sluit, dat doet op niet-discriminatoire grondslag voor alle reders uit de Gemeenschap.
De feiten
1. De bij het geding betrokken scheepvaartmaatschappijen
5 Verzoekster is een scheepvaartmaatschappij die vanuit Frankrijk (Toulon en Nice) en Italië (Savona en Livorno) geregelde lijndiensten op Corsica onderhoudt.
6 De Société nationale maritime Corse-Méditerranée (SNCM) is een scheepvaartmaatschappij die vanuit Frankrijk (Nice, Toulon, Marseille) geregelde lijndiensten onderhoudt op Corsica en Noord-Afrika (Tunesië en Algerije), alsmede seizoensdiensten van april tot september op Sardinië.
7 De SNCM is thans voor 80 % eigendom van de Compagnie générale maritime et financière (CGMF) en voor 20 % van de Société nationale des chemins de fer (SNCF). De CGMF, waarvan het kapitaal voor 100 % in handen is van de Franse Staat, heeft als statutair doel het verrichten van alle activiteiten op het gebied van zeevervoer, uitrusting en bevrachting van schepen, alsmede alle deelnemingen en alle commerciële en industriële activiteiten die al dan niet rechtstreeks met dat doel verband houden.
8 De SNCM heeft een minderheidsdeelneming in de Compagnie méridionale de navigation (CMN), een scheepvaartmaatschappij die tussen Marseille en Corsica vaart en via de Compagnie méridionale de participation door de groep Stef-TFE wordt gecontroleerd.
2. Openbaredienstverplichtingen met betrekking tot de scheepvaartverbindingen tussen het Franse vasteland en Corsica
9 Sedert 1948 worden de geregelde lijndiensten tussen het Franse vasteland en Corsica uitgevoerd in het kader van openbaredienstverplichtingen.
10 Tot 1976 werden die diensten verricht binnen een systeem dat deels onder de Franse wetgeving viel, in het kader van een cabotagemonopolie van schepen onder de nationale vlag. De Staat verleende de maatschappijen die deze dienst verrichtten, een forfaitaire vereffeningssubsidie ter compensatie van de eisen van de openbare dienst inzake de havens die moesten worden aangedaan, de regelmatigheid, de frequentie, de dienstverleningscapaciteit, de toegepaste tarieven en de uitrusting van het schip.
11 In 1976 stelde Frankrijk nieuwe voorwaarden vast voor de openbaredienstverrichting op de scheepvaartverbindingen met Corsica op basis van het beginsel van territoriale samenhang. Met dit beginsel wordt beoogd de nadelen van de insulaire ligging te beperken en de verbinding met het eiland te verzekeren op een wijze die zoveel mogelijk overeenkomt met de modaliteiten van de verbindingen op het vasteland. Er werd een concessieregeling ingesteld met een bestek waarin het kader van de openbare dienst was vastgelegd. Met de SNCM en de CMN werd een raamovereenkomst gesloten voor de duur van 25 jaar, welke op 31 december 2001 afliep.
12 Van 1976 tot 1982 stelde de Franse overheid op basis van genoemde raamovereenkomst de regels voor de scheepvaartdiensten vast.
13 Bij de wet van 30 juli 1982 inzake het bijzonder statuut van de regio Corsica werd het beheer van de territoriale samenhang in het kader van een overeenkomst met de Franse Staat overgedragen aan het Corsicaanse regionale parlement. Vervolgens werd bij de wet van 13 mei 1991 tot vaststelling van het statuut van de territoriale gemeenschap van Corsica, genoemd parlement volledig bevoegd verklaard ten aanzien van de diensten naar het eiland. Sindsdien ligt de organisatie daarvan in handen van het Office des transports de la Corse (OTC).
14 Na 1991 werden er tussen de OTC en de twee concessiehoudsters op basis van de raamovereenkomst twee vijfjarige overeenkomsten gesloten. De eerste daarvan (hierna: „de overeenkomst van 1991”) omschreef de wijze van uitvoering van de openbare dienst voor de periode 1991-1996, de tweede (hierna: „de overeenkomst van 1996”) deed hetzelfde voor de periode 1996-2001. Beide overeenkomsten regelden tevens de toekenning van een forfaitaire subsidie, gefinancierd uit de uitkering voor territoriale samenhang, als compensatie voor de opgelegde verplichtingen. De openbaredienstverplichtingen golden in die tijd voor alle verbindingen tussen Corsica en de drie havens op het Franse vasteland, te weten Nice, Toulon en Marseille.
15 In 2001 publiceerde de Corsicaanse territoriale overheid overeenkomstig verordening nr. 3577/92 een uitnodiging tot inschrijving, met het oog op de keuze van de exploitant die vanaf 1 januari 2002 voor een periode van vijf jaar tegen een financiële compensatie de openbare diensten tussen het Franse vasteland en Corsica zou onderhouden. Wegens de ontwikkeling van de mededinging op de verbindingen vanuit Toulon en Nice was de Corsicaanse territoriale overheid van mening, dat enkel voor de verbindingen vanuit Marseille strikte openbaredienstverplichtingen moesten gelden.
16 De opdracht werd gegund aan de SNCM en de CMN gezamenlijk; verzoekster had niet op de aanbesteding ingeschreven.
17 Ingevolge een met de Corsicaanse territoriale overheid en de OTC gesloten „lastgevingsovereenkomst openbare dienst” (hierna: „overeenkomst van 2002”) zijn de SNCM en de CMN als lasthebbers verplicht, met ingang van 1 januari 2002 geregelde lijndiensten tussen Marseille en Corsica te onderhouden met inachtneming van bepaalde openbaredienstverplichtingen inzake frequenties, capaciteit, vertrektijden, tarieven (seizoensafhankelijke maximumtarieven en verplichte kortingen voor bepaalde categorieën passagiers) en kwaliteit van de dienst. Als tegenprestatie voor de nakoming van die verplichtingen krijgen zij een van jaar tot jaar afnemende financiële compensatie („referentiecompensatie”). Het bedrag hiervan wordt aan de hand van een raming van de ontvangsten vastgesteld en aan het eind van elk jaar aangepast afhankelijk van het verschil tussen de geraamde en de werkelijke ontvangsten. Het maximumbedrag van de compensatie over de gehele looptijd van de overeenkomst bedraagt 326,85 miljoen EUR voor de SNCM en 128,2 miljoen EUR voor de CMN, in totaal dus 455,05 miljoen EUR. Verder bepaalt de overeenkomst van 2002, dat de definitieve financiële compensatie per jaar voor elke lasthebber niet hoger kan zijn dan het door de openbaredienstverplichtingen veroorzaakte exploitatietekort, rekening houdend met een redelijk rendement op het ingezette nautisch kapitaal naar rato van het werkelijke gebruik ervan, waarbij het redelijk rendement wordt gesteld op 15 % van de verkoopwaarde van de schepen, zoals omschreven in de overeenkomst. De overeenkomst van 2002 loopt op 31 december 2006 af, tenzij partijen overeenkomen ze eerder te beëindigen.
De administratieve procedure
1. Steunmaatregelen ten gunste van de SNCM ter compensatie van openbaredienstverplichtingen in het kader van de overeenkomsten van 1991 en 1996
18 Na klachten over steun die aan Corsica Marittima, dochteronderneming van de SNCM voor het passagiersvervoer tussen Corsica en Italië, zou zijn toegekend, stelde de Commissie de Franse Republiek op 22 december 1998 in kennis van haar besluit de formele onderzoeksprocedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG) in te leiden (PB 1999, C 62, blz. 9). Deze procedure werd ingeschreven onder nr. C‑78/98.
19 Na nieuwe klachten over steun aan de SNCM ter dekking van de kosten van haar openbaredienstverplichtingen stelde de Commissie de Franse Republiek op 28 februari 2001 in kennis van haar besluit de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden (PB 2001, C 117, blz. 9). Deze procedure werd ingeschreven onder nr. C‑14/01.
20 Bij beschikking 2002/149/EG van 30 oktober 2001 betreffende door Frankrijk verleende steun aan de SNCM (PB 2002, L 50, blz. 66), sloot de Commissie de procedures in de zaken C‑78/98 en C‑14/01 af. Zij was van oordeel, dat de aan de SNCM in de periode 1991‑2001 verleende steun tot een bedrag van 787 miljoen EUR, als compensatie voor de openbaredienstverplichtingen van de SNCM op de verbindingen tussen Corsica en drie havens op het vasteland van Frankrijk, te weten Nice, Toulon en Marseille, verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 86, lid 2, EG. Tegen deze beschikking is geen beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht ingesteld.
2. Reddings‑ en herstructureringssteun ten gunste van de SNCM
21 Op 20 december 2001 deelden de Franse autoriteiten de Commissie mee, dat de CGMF de SNCM een krediet van 22,5 miljoen EUR als reddingssteun had verleend. Deze steun, die gedeeltelijk al aan de SNCM was uitbetaald, werd ingeschreven onder nummer NN 27/2002 (ex N 849/2001).
22 Bij brief van 18 februari 2002 stelde de Franse Republiek de Commissie in kennis van haar voornemen de SNCM herstructureringssteun te verlenen. De voorgenomen maatregel bestaat in een kapitaalinjectie door de CGMF tot een bedrag van 76 miljoen EUR, waardoor het eigen vermogen van de SNCM van 30 miljoen op 106 miljoen EUR wordt gebracht. Deze steunmaatregel werd door de Commissie als aangemelde steunmaatregel ingeschreven onder nummer N 118/2002.
23 Bij beschikking C (2002) 2611 def. van 17 juli 2002 keurde de Commissie in het kader van een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 88, lid 3, EG de reddingssteun voor de SNCM goed. Naar het oordeel van de Commissie voldeed de aangemelde steunmaatregel aan de vijf voorwaarden die dienaangaande in de richtsnoeren worden gesteld, in het bijzonder omdat Frankrijk zich had verbonden een herstructureringsplan in te dienen. Tegen deze beschikking is geen beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht ingesteld.
24 Nadat de Commissie na een voorlopig onderzoek had vastgesteld, dat er twijfel bestond over de verenigbaarheid van de aangemelde herstructureringssteun met de gemeenschappelijke markt, stelde zij de Franse Republiek bij brief van 19 augustus 2002 in kennis van haar besluit de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde formele onderzoeksprocedure in te leiden, overeenkomstig de artikelen 4, lid 4, en 6 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) ( hierna: „inleidingsbeschikking formele procedure”). De aangemelde steunmaatregel werd ingeschreven onder een nieuw nummer, te weten C‑58/2002.
25 Bij brief van 8 oktober 2002, met haar bijlagen verzonden op 15 oktober daaraanvolgend, deelden de Franse autoriteiten de Commissie hun opmerkingen over de inleidingsbeschikking formele procedure mee.
26 Op 11 december 2002 werd genoemde beschikking tezamen met een samenvatting bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 308, blz. 29). Belanghebbenden werden uitgenodigd hun opmerkingen over de aangemelde steunmaatregel binnen een maand na die bekendmaking in te dienen.
27 Bij brief van 8 januari 2003 diende verzoekster bij de Commissie haar schriftelijke opmerkingen over de inleidingsbeschikking formele procedure in. Verder ontving de Commissie opmerkingen van de groep Stef-TFE en van verschillende territoriale gemeenschappen. De Commissie zond alle opmerkingen door aan de Franse Republiek om deze in staat te stellen erop te reageren.
28 Op 4 februari 2003 had de Commissie op verzoek van verzoekster een bijeenkomst met deze laatste, waarbij haar verdere documenten ter hand werden gesteld.
29 Bij brief van 10 februari 2003 stelden de Franse autoriteiten de Commissie in kennis van de argumenten waaruit moest blijken dat de voorgenomen steunmaatregel in overeenstemming was met de richtsnoeren; tevens zonden zij haar een overzicht van nieuwe verbintenissen met betrekking tot de ontwikkeling van het personeelsbestand en de lonen, de beperking van het intermediaire verbruik en het tariefbeleid van de SNCM.
30 Bij brief van 13 februari 2003 zonden de Franse autoriteiten de Commissie hun commentaar op de opmerkingen van verzoekster en Stef-TFE.
31 In een brief van 21 februari 2003 antwoordden de Franse autoriteiten op de aanvullende vragen die de Commissie in haar brief van 10 februari 2003 had gesteld.
32 Bij faxbericht van 27 mei 2003 zonden de Franse autoriteiten de Commissie hun commentaar op de documenten die verzoekster de Commissie op 4 februari 2003 had gegeven en die deze met een brief van 21 februari 2003 aan de Franse autoriteiten had voorgelegd.
33 Op 9 juli 2003 stelde de Commissie beschikking 2004/166/EG vast, betreffende herstructureringssteun die Frankrijk voornemens is te verlenen aan de SNCM (PB 2004, L 61, blz. 13), waarvan in deze procedure de nietigverklaring wordt gevorderd (hierna: „bestreden beschikking”).
34 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
De herstructureringssteun die Frankrijk voornemens is te verlenen aan de [SNCM], is verenigbaar met de regels van de gemeenschappelijke markt, onder de voorwaarden die in de artikelen 2 tot en met 5 zijn aangegeven.
Artikel 2
De SNCM onthoudt zich, na kennisgeving van de onderhavige beschikking tot 31 december 2006, van het aankopen van nieuwe schepen en het ondertekenen van contracten voor het bouwen, bestellen of charteren van nieuwe of gerenoveerde schepen.
De SNCM mag, na kennisgeving van de onderhavige beschikking tot 31 december 2006, slechts de elf schepen exploiteren die de onderneming SNCM reeds in bezit heeft, te weten: de Napoléon Bonaparte, de Danielle Casanova, de Île de Beauté, de Corsica, de Liamone, de Aliso, de Méditerranée, de Pascal Paoli, de Paglia Orba, de Monte Cinto en de Monte d’Oro.
Als de SNCM vanwege gebeurtenissen buiten haar wil vóór 31 december 2006 een van haar schepen moet vervangen, zal de Commissie daar toestemming voor kunnen geven op basis van een uitvoerig gemotiveerde kennisgeving van Frankrijk.
Artikel 3
De groep SNCM stoot al haar rechtstreekse en niet-rechtstreekse deelnemingen in de volgende bedrijven af:
– Amadeus France,
– Compagnie Corse Méditerranée,
– de onroerendgoedmaatschappij Schuman,
– Société méditerranéenne d’investissements et de participations,
– Someca.
In plaats van haar deelnemingen in de Société méditerranéenne d’investissements et de participations af te stoten, mag de SNCM het enige actief van deze maatschappij, de Southern Trader, verkopen en deze dochtermaatschappij sluiten.
Naar keuze van de Franse autoriteiten kunnen de verkopen plaatsvinden ofwel via een openbaar verkoopaanbod ofwel via een oproep tot indiening van blijken van belangstelling met voorafgaande bekendmaking met een antwoordtermijn van ten minste twee maanden.
Frankrijk doet de Commissie de bewijsstukken van alle verkopen toekomen. Een te laag bod mag voor de SNCM geen reden zijn om niet tot verkoop over te gaan. Bij het uitblijven van een bod en als Frankrijk kan aantonen dat alle noodzakelijke publicitaire maatregelen zijn genomen, zal worden geacht dat aan de in de eerste alinea bedoelde voorwaarde is voldaan.
Artikel 4
Voor alle verbindingen met bestemming Corsica onthoudt de SNCM zich, na kennisgeving van de onderhavige beschikking tot 31 december 2006, van een tariefbeleid voor de gepubliceerde tarieven, dat het aanbieden beoogt van lagere prijzen dan die van elk van haar concurrenten voor gelijkwaardige bestemmingen en diensten en voor identieke data.
De Commissie behoudt zich het recht voor om voor elk geconstateerd geval van niet-nakoming van de in de onderhavige beschikking vastgelegde voorwaarden en met name de in de eerste alinea bedoelde voorwaarde de onderzoeksprocedure te starten.
Aan de in de eerste alinea bedoelde voorwaarde wordt voldaan, als de laagste door de SNCM gehanteerde prijzen elke dag hoger zijn dan de laagste prijzen die elk van haar concurrenten hanteert voor gelijkwaardige bestemmingen en diensten.
De in de eerste alinea bedoelde voorwaarde is niet meer van toepassing vanaf het moment dat de prijzen van genoemde concurrenten hoger worden dan de tarieven van de SNCM die gelden tijdens het referentiejaar 1996, gecorrigeerd voor inflatie.
Frankrijk doet de Commissie elk jaar vóór 30 juni alle noodzakelijke informatie toekomen om aan te tonen dat in het voorafgaande kalenderjaar voor alle overtochten van of naar Corsica aan deze voorwaarde is voldaan.
Artikel 5
Overeenkomstig de verbintenissen die de Franse autoriteiten in het herstructureringsplan zijn aangegaan, wordt het aantal jaarlijkse retourreizen van schepen op de verschillende scheepvaartverbindingen met Corsica tot 31 december 2006 beperkt tot de maxima die in tabel 3 van de onderhavige beschikking zijn vastgesteld, behalve wanneer de SNCM zich, om uitzonderlijke redenen die niet aan haar kunnen worden geweten, verplicht zou zien bepaalde retourreizen via andere havens te laten lopen en behoudens wijziging van de openbaredienstverplichtingen van de onderneming.
Artikel 6
Frankrijk heeft toestemming de SNCM te herkapitaliseren door middel van een eerste betaling van een bedrag van 66 miljoen EUR na kennisgeving van de onderhavige beschikking.
Tot het einde van de herstructureringsperiode, dat wil zeggen tot 31 december 2006, kan de Commissie op verzoek van de Franse autoriteiten besluiten op een later tijdstip toe te stemmen in een tweede betaling aan de SNCM, die zal overeenkomen met het verschil tussen de resterende 10 miljoen EUR en de opbrengst van de krachtens artikel 3 verplicht gestelde verkopen, overeenkomstig de in dat artikel vastgestelde bepalingen.
Een dergelijk besluit kan alleen worden genomen als de krachtens artikel 3 verplicht gestelde verkopen zijn uitgevoerd, als de opbrengst van de verkopen niet groter is dan 10 miljoen EUR en als aan de in de artikelen 2, 4 en 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan, onverminderd de bevoegdheid van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure te starten bij het niet-nakomen van een van de voorwaarden. Bij ingebrekestelling zal het tweede deel van de steun niet worden uitbetaald.
Artikel 7
Frankrijk deelt de Commissie binnen zes maanden na de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking mee welke maatregelen zij heeft genomen om deze beschikking uit te voeren.
[...]”
Procesverloop en conclusies van partijen
35 Bij verzoekschrift, op 13 oktober 2003 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
36 Bij op 3 februari 2004 ter griffie neergelegde akte heeft de Franse Republiek verzocht om toelating tot tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
37 Bij op 26 februari 2004 ter griffie neergelegde akte heeft de SNCM verzocht om toelating tot tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
38 Bij beschikking van 10 maart 2004 is de Franse Republiek toegestaan in het geding te interveniëren.
39 Bij beschikking van 30 maart 2004 is de SNCM toegestaan in het geding te interveniëren.
40 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het, bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang, partijen uitgenodigd enkele schriftelijke vragen te beantwoorden. Aan deze uitnodiging hebben partijen binnen de gestelde termijn gehoor gegeven.
41 In hun antwoorden hebben partijen het Gerecht ervan in kennis gesteld, dat de Commissie bij beschikking C (2004) 3359 def. van 8 september 2004 de bestreden beschikking had gewijzigd. Na een aanvullende schriftelijke vraag van het Gerecht hebben de hoofdpartijen opmerkingen gemaakt over de invloed van die beschikking op het beroep.
42 Op de openbare terechtzitting van 18 november 2004 hebben partijen pleidooi gehouden en mondelinge vragen van het Gerecht beantwoord.
43 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking nietig te verklaren;
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
44 De Commissie, hierin ondersteund door de Franse Republiek en de SNCM, interveniënten, concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekster in de kosten te verwijzen.
In rechte
45 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 253 EG, doordat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed. Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 87, lid 3, sub c, EG, verordening nr. 659/1999 en de richtsnoeren, doordat de bestreden beschikking feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten bevat.
46 Vooraf dient echter te worden onderzocht, wat de eventuele invloed van de beschikking van 8 september 2004 op het beroep is.
1. De invloed van de beschikking van 8 september 2004 op het beroep
47 Bij haar beschikking van 8 september 2004 heeft de Commissie de bestreden beschikking gewijzigd teneinde de SNCM toe te staan, zoals zij in de tweede overweging van de nieuwe beschikking uiteenzet, in de lijst van schepen in artikel 2 van de bestreden beschikking, waarin de schepen worden genoemd die de SNCM gedurende de herstructureringsperiode mag inzetten, de Asco te vervangen door de Aliso en wegens de moeilijkheden die zich bij de pogingen tot verkoop van de Asco hebben voorgedaan, hetzij dit schip hetzij de Aliso te verkopen.
48 Het is echter vaste rechtspraak, dat in een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG de wettigheid van een gemeenschapshandeling moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke en rechtssituatie op het moment waarop de handeling werd verricht (arrest Gerecht van 25 juni 1998, British Airways e.a./Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, Jurispr. blz. II‑2405, punt 81).
49 Voorts lijkt het in casu niet zo te zijn, dat bepaalde middelen en argumenten die verzoekster voor haar beroep heeft aangevoerd, door de beschikking van 8 september 2004 zonder voorwerp zijn geraakt. Op een schriftelijke vraag desbetreffend van het Gerecht heeft verzoekster noch de Commissie dat overigens gesteld.
50 Het Gerecht stelt dan ook vast, dat de beschikking van 8 september 2004 geen enkele invloed heeft op het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beschikking.
2. Het eerste middel: schending van artikel 253 EG, doordat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed
51 In dit middel stelt verzoekster, dat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed ten aanzien van de aard van de in geding zijnde steunmaatregel en het karakter van een gedeelte van de steun als compensatie voor de openbare dienst, het wegvallen van de twijfels op grond waarvan de formele onderzoeksprocedure was ingeleid, de beoordeling van het herstel van de levensvatbaarheid, het realistische karakter van de in aanmerking genomen herstructureringsmogelijkheden en de bepaling van de niet-strategische deelnemingen.
Opmerkingen vooraf over de strekking van het middel
52 Volgens vaste rechtspraak moet het aan schending van artikel 253 EG ontleende middel worden onderscheiden van het middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout. Terwijl het eerste, dat zich tegen het ontbreken of het ontoereikend zijn van de motivering richt, schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 230 EG betreft en als middel van openbare orde door de gemeenschapsrechter moet worden opgeworpen, gaat het bij het tweede, dat de wettigheid ten gronde van een besluit betreft, om schending van een op de uitvoering van het Verdrag betrekking hebbende rechtsregel in de zin van hetzelfde artikel, en kan het door de gemeenschapsrechter slechts worden onderzocht indien het door de verzoeker is aangevoerd. De motiveringsplicht is dus iets anders dan de gegrondheid van de motivering (arresten Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 67; 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C‑17/99, Jurispr. blz. I‑2481, punt 35, en 29 april 2004, Nederland/Commissie, C‑159/01, Jurispr. blz. I‑4461, punt 65; arrest Gerecht van 13 januari 2004, Thermenhotel Stoiser Franz e.a./Commissie, T‑158/99, Jurispr. blz. II‑1, punt 97).
53 In casu is het enige wat verzoekster in haar eerste middel stelt, dat de bestreden beschikking in strijd met artikel 253 EG op bepaalde punten onvoldoende met redenen is omkleed. Dit blijkt heel duidelijk uit het opschrift van het eerste middel in het verzoekschrift („Schending van wezenlijke vormvoorschriften: ontbreken van motivering”) en uit de argumentatie in het verzoekschrift, met name in de punten 17, 18 en 43 – waar wordt gesproken over, respectievelijk, de schending van wezenlijke vormen, de rechtspraak betreffende artikel 253 EG, en de noodzaak de bestreden beschikking vanuit het oogpunt van de „externe wettigheid” nietig te verklaren –, alsook uit de derde en de vierde paragraaf van de door verzoekster overgelegde samenvatting van het verzoekschrift, waar naar een „motiveringsgebrek” op voornoemde punten wordt verwezen.
54 Dat het eerste middel die strekking heeft, wordt door partijen niet betwist. Reagerend op de opmerkingen desbetreffend van de Commissie en de Franse Republiek herhaalt verzoekster immers in punt 3 van de repliek, dat zij de Commissie met dit middel een „[motiverings]gebrek” of een „niet-nakoming” van de motiveringsplicht verwijt.
55 Uit het verzoekschrift blijkt overigens dat verzoekster welbekend is met het onderscheid tussen motiveringsplicht en kennelijke beoordelingsfout, want na in het eerste middel de toereikendheid van de motivering van de bestreden beschikking te hebben aangevochten, stelt zij in haar tweede middel („Schending van het EG-Verdrag en de op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregels: feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten”), dat ontleend is aan schending van artikel 87, lid 3, EG en van de richtsnoeren, dat de bestreden beschikking kennelijke beoordelingsfouten bevat. Dat onderscheid is ook terug te vinden in de samenvatting van het verzoekschrift, waar verzoekster in paragraaf 3 zegt, dat „het verzoekschrift strekt tot nietigverklaring van de bestreden beschikking op twee gronden, te weten motiveringsgebrek en kennelijke beoordelingsfouten”. Evenzo in de repliek, waar verzoekster, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen desbetreffend van de Commissie en de Franse Republiek, opnieuw verklaart dat zij opkomt tegen, in de eerste plaats, het niet-nakomen van de motiveringsplicht en, in de tweede plaats, kennelijke beoordelingsfouten.
56 Verzoeksters eerste middel in dit beroep moet dus zo worden begrepen, dat het uitsluitend is ontleend aan schending van artikel 253 EG wegens onvoldoende motivering van de bestreden beschikking op een bepaald aantal punten, in aanmerking genomen dat de grieven die verzoekster tegen de gegrondheid van de beschikking aanvoert, in het kader van het tweede middel terugkeren.
57 Niettemin moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie met bijval van de Franse Republiek terecht opmerkt, verscheidene van de door verzoekster in het kader van het eerste middel aangevoerde grieven en argumenten ertoe strekken, niet de ontoereikendheid van de motivering van de bestreden beschikking, maar de onjuistheid ervan aan te tonen. Voorgevend de motivering van de bestreden beschikking te betwisten, komt verzoekster daarmee in feite dus op tegen de gegrondheid ervan.
58 Doch zoals het Hof al eens besliste, kan er geen kwestie van zijn dat het Gerecht in het kader van het toezicht op de nakoming van de motiveringsplicht de wettigheid toetst van de redenen die de Commissie ter rechtvaardiging van haar beschikking heeft aangevoerd (arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald, punt 38).
59 In het kader van een middel dat aan het ontbreken of het ontoereikend zijn van de motivering is ontleend, zijn de grieven en argumenten waarmee de gegrondheid van de bestreden beschikking wordt betwist, dus onwerkzaam en irrelevant (zie in die zin arrest Thermenhotel Stoiser Franz e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 97; arresten Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 389; 28 februari 2002, Compagnie générale maritime e.a./Commissie, T‑86/95, Jurispr. blz. II‑1011, punt 425, en 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T‑191/98, T‑212/98–T‑214/98, Jurispr. blz. II‑3275, punten 1175 en 1176).
60 Waar verzoekster uitdrukkelijk heeft bevestigd dat het eerste middel uitsluitend motiveringsgebreken betreft, en zij blijkens de presentatie van het verzoekschrift zich bewust was van het onderscheid tussen motiveringsgebreken en onjuistheid van de motivering, behoeft het Gerecht de in het kader van het eerste middel aangevoerde grieven die in werkelijkheid de gegrondheid van de bestreden beschikking betreffen, niet te herkwalificeren. Dit geldt te meer in een geval als het onderhavige, waarin verzoekster een tweede middel aanvoert dat aan het bestaan van kennelijke beoordelingsfouten is ontleend en in het kader waarvan sommige van die grieven nogmaals worden voorgedragen om de gegrondheid van de bestreden beschikking te betwisten.
61 In het kader van het eerste middel moet dus uitsluitend worden nagegaan, of de bestreden beschikking naar de eis van het recht met redenen is omkleed. De grieven en argumenten die verzoekster in samenhang met dit middel aanvoert, maar die in werkelijkheid de gegrondheid van de beschikking betreffen, moeten als irrelevant worden afgewezen.
De grieven betreffende de motivering van de bestreden beschikking
Opmerkingen vooraf
62 Volgens vaste rechtspraak hangt de draagwijdte van de motiveringsplicht af van de aard en de context van de betrokken handeling. De motivering moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de maatregel teneinde hun rechten te kunnen verdedigen en te kunnen nagaan of de beschikking al dan niet gegrond is, en de gemeenschapsrechter zijn wettigheidstoetsing kan verrichten (arrest Commissie/Sytraval et Brink’s France, reeds aangehaald, punt 63; arresten Gerecht van 6 maart 2003, Westdeutsche Landesbank Girozentrale/Commissie, T‑228/99 en T‑233/99, Jurispr. blz. II‑435, punt 278, en 14 januari 2004, Fleuren Compost/Commissie, T‑109/01, Jurispr. blz. II‑127, punt 119).
63 Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijke of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 253 EG voldoet, niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald, punt 36; arresten Gerecht van 15 juni 2000, Alzetta e.a./Commissie, T‑298/97, T‑312/97, T‑313/97, T‑315/97, T‑600/97–T‑607/97, T‑1/98, T‑3/98–T‑6/98 en T‑23/98, Jurispr. blz. II‑2319, punt 175, en Westdeutsche Landesbank Girozentrale/Commissie, reeds aangehaald, punt 279).
64 In het bijzonder is de Commissie niet verplicht een standpunt te bepalen ten aanzien van alle door de belanghebbenden voorgedragen argumenten, maar kan zij volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn (arresten Gerecht van 8 juni 1995, Siemens/Commissie, T‑459/93, Jurispr. blz. II‑675, punt 31, en Westdeutsche Landesbank Girozentrale/Commissie, reeds aangehaald, punt 280). Zo heeft het Hof reeds geoordeeld, dat de Commissie geen standpunt hoeft te bepalen over gegevens die kennelijk niet ter zake doen of die zonder betekenis dan wel duidelijk bijkomstig zijn (arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, reeds aangehaald, punt 64).
65 Toegepast op de kwalificatie van een steunmaatregel vereist de motiveringsplicht, dat de Commissie de redenen vermeldt waarom zij meent dat de betrokken maatregel onder de toepassing van artikel 87, lid 1, EG valt (arrest Westdeutsche Landesbank Girozentrale/Commissie, reeds aangehaald, punt 281).
66 Gaat het om de verenigbaarheid van door de staat verleende herstructureringssteun met artikel 87, lid 3, sub c, EG, dan is volgens de rechtspraak aan de motiveringsplicht voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking aangeeft, waarom zij meent dat de steunmaatregel aan de voorwaarden van de richtsnoeren voldoet, met name dat er een herstructureringsplan bestaat, dat de levensvatbaarheid op lange termijn voldoende aannemelijk is gemaakt en dat er een redelijke verhouding bestaat tussen de steun en de eigen bijdrage van de begunstigde (zie in die zin arrest Frankrijk/Commissie, reeds aangehaald, punt 37, en arrest Gerecht van 30 april 1998, Vlaamse Gewest/Commissie, T‑214/95, Jurispr. blz. II‑717, punt 102; zie voor andere communautaire regels op het gebied van staatssteun, arrest Fleuren Compost/Commissie, reeds aangehaald, punt 125).
67 In het licht van deze beginselen moet worden onderzocht, of de bestreden beschikking voldoende met redenen is omkleed.
De aard van de bestreden maatregel en het karakter van een gedeelte van de steun als compensatie voor de openbare dienst
68 Verzoekster stelt, dat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed ten aanzien van de bepaling van het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst. De Commissie heeft het daarvoor gebruikte deskundigenverslag niet aan haar meegedeeld, de bestreden beschikking maakt niet duidelijk waarom de uitkering wegens de afschrijving op de Liamone in aanmerking is genomen, ofschoon dit schip voor de uitvoering van de openbaredienstverplichting niet noodzakelijk was, en zij biedt geen houvast om het werkelijke aandeel van de compensatie voor de openbare dienst in het totale steunbedrag te bepalen.
69 In punt 259 van de bestreden beschikking overweegt de Commissie, dat onafhankelijk van de noodzaak om de steun als herstructureringssteun te onderzoeken, het gedeelte ervan dat met de ondercompensatie voor de openbare dienst in de periode 1991‑2001 overeenkomt, ingevolge artikel 86, lid 2, EG verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
70 Om het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst te bepalen, maakt de Commissie in de punten 256 en 257 van de bestreden beschikking een berekening van de verliezen die de SNCM tussen 1991 en 2001 op alle onder de openbaredienstverplichting vallende verbindingen met Corsica heeft geleden. Voor de periode 1991‑1999 zegt zij zich te hebben gebaseerd op de resultaten vóór belasting van de verbindingen met Corsica, zoals vastgesteld in het in het kader van beschikking 2002/149 gebruikte deskundigenverslag, verminderd met de bij de verkoop van schepen gerealiseerde meerwaarde, terwijl zij voor de niet door genoemd verslag bestreken periode 2000‑2001 de resultaten vóór belasting op de verbindingen met Corsica zelf opnieuw heeft berekend volgens de in beschikking 2002/149 aangegeven methode, onder aftrek van de voor herstructurering bestemde kredieten die al in de aangemelde herstructureringskosten waren doorberekend; overigens waren er in die twee jaren geen schepen verkocht. Met betrekking tot de eventuele verliezen in 2002 op de verbinding Marseille-Corsica merkt de Commissie op, dat die verliezen niet in aanmerking konden worden genomen, „gezien het feit dat de exploitatietarieven voor de lijnverbinding met Corsica vanuit Marseille en de bedragen van de financiële compensatie sinds 1 januari 2002 in een contract tussen de overheid en de SNCM zijn vastgelegd, in tegenstelling tot wat gold voor de overeenkomsten van 1991 en 1996”.
71 Op basis hiervan concludeert de Commissie in punt 258 van de bestreden beschikking, dat de resultaten voor de gehele periode 1991‑2002, gecorrigeerd voor de bij de verkoop van schepen in die periode gerealiseerde meerwaarde en de herstructureringskosten, in totaal 53,48 miljoen EUR bedragen. Een samenvatting van de berekening van de Commissie is opgenomen in punt 257, tabel 11, van de bestreden beschikking.
72 In punt 260 van de bestreden beschikking evenwel overweegt de Commissie, dat aangezien de Franse autoriteiten een hoger bedrag aan herstructureringssteun hebben aangemeld, te weten 76 miljoen EUR, en om die reden de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG is ingeleid, het gehele steunbedrag als herstructureringssteun moet worden beoordeeld. Dit onderzoek wordt verricht in de punten 261 tot en met 367 van de bestreden beschikking.
73 De conclusie moet dus luiden, dat verzoeksters grief, dat ten aanzien van de eerbiediging van de voorwaarden van artikel 86, lid 2, EG de bestreden beschikking niet naar de eis van het recht met redenen is omkleed, geen doel treft. Immers, daar de Commissie van mening was, dat het gehele steunbedrag van 76 miljoen EUR, daaronder begrepen het gedeelte van 53,48 miljoen EUR overeenkomend met de ondercompensatie voor de openbare dienst, als herstructureringssteun moest worden beoordeeld in het kader van het onderzoek waarop de punten 261 tot en met 367 van de bestreden beschikking betrekking hebben, kan een motiveringsgebrek ten aanzien van de verenigbaarheid van het bedrag van die ondercompensatie met artikel 86, lid 2, EG op zich niet tot nietigverklaring van de bestreden beschikking leiden, aangezien deze door de overwegingen betreffende de beoordeling van de steun als herstructureringssteun wordt gemotiveerd.
74 Wat daarentegen wel moet worden onderzocht, is verzoeksters grief betreffende onvoldoende motivering van de bestreden beschikking ten aanzien van de bepaling van het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst. In punt 327 van de bestreden beschikking, betreffende de vraag of de steun in de zin van de richtsnoeren tot het noodzakelijke minimum is beperkt, overweegt de Commissie immers, dat het met die ondercompensatie overeenkomende gedeelte van de steun voor de herstructurering van de SNCM noodzakelijk was. In zoverre kan een eventueel motiveringsgebrek ten aanzien van de bepaling van het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst gevolgen hebben voor de beoordeling van de steun als herstructureringssteun.
75 Dienaangaande moet echter worden vastgesteld, dat de motivering in de punten 256 tot en met 260 van de bestreden beschikking, die duidelijkheid verschaft zowel over de criteria aan de hand waarvan de Commissie het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst heeft bepaald, als over de daarbij gebruikte berekeningsmethode, het voor de belanghebbenden mogelijk maakt de rechtvaardiging van de getroffen maatregel te kennen teneinde hun rechten te kunnen verdedigen en te kunnen nagaan of de bestreden beschikking al dan niet gegrond is, en de gemeenschapsrechter in staat stelt zijn wettigheidstoetsing te verrichten.
76 Geen van de door verzoekster aangevoerde grieven en argumenten kan aan deze conclusie afdoen.
77 Wat in de eerste plaats de omstandigheid betreft, dat de Commissie zou hebben verzuimd het deskundigenverslag aan verzoekster mee te delen, merkt het Gerecht op, dat dit verwijt voor het vaststellen van een eventuele schending van de motiveringsplicht irrelevant is. Zelfs indien de juistheid ervan vaststond, zou dat verzuim immers geenszins betekenen dat de bestreden beschikking niet of onvoldoende met redenen is omkleed. Verzoekster zou zich dan hoogstens op schending van haar recht op toegang tot het dossier kunnen beroepen, maar bij een dergelijke schending gaat het niet om de motivering, maar om de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Het Gerecht stelt echter onbetwist vast, dat verzoekster een dergelijke schending van de rechten van de verdediging niet aanvoert. Een dergelijk middel heeft ook geen betrekking op schending van wezenlijke vormvoorschriften en moet dus niet ambtshalve worden opgeworpen (zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering/Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 425, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Voorzover verzoekster met dat verwijt bedoelt te zeggen, dat zij de redenering van de Commissie bij de bepaling van de ondercompensatie voor de openbare dienst niet heeft kunnen volgen, kan worden volstaan met vast te stellen, dat de redenering van de Commissie op dat punt, zoals hiervóór uiteengezet, in de punten 256 tot en met 258 van de bestreden beschikking uitdrukkelijk en helder is weergegeven.
79 Bij het verwijt dat de Commissie zich voor 2000 en 2001 niet op dat verslag had mogen baseren en dat de door haar voor die twee jaren gebruikte voorlopige rekeningen verschillen van de gepubliceerde definitieve rekeningen, gaat het om grieven die de juistheid van de door de Commissie gevolgde methode betreffen en die derhalve in het kader van het thans besproken middel inzake motiveringsgebreken irrelevant zijn.
80 Wat in de tweede plaats het verwijt betreft, dat een motivering ontbreekt voor het in aanmerking nemen van de uitkering wegens de afschrijving op de Liamone niet is gemotiveerd, ofschoon dit schip voor de uitvoering van de openbaredienstverplichting niet noodzakelijk was, moet worden vastgesteld dat dit verwijt op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking berust. Uit punt 257, tabel 11, van die beschikking blijkt immers duidelijk dat, anders dan verzoekster beweert, de Commissie voor de bepaling van het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst geen rekening met die uitkering heeft gehouden. Het met die afschrijving overeenkomende bedrag van 14,771 miljoen EUR is immers in mindering gebracht op de op de openbaredienstactiviteiten geleden verliezen en niet erbij opgeteld. Op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft verzoekster overigens uitdrukkelijk erkend, dat zij de beschikking op dat punt verkeerd had gelezen. Het is echter duidelijk, dat de Commissie niet kan worden verweten een redenering die in haar beschikking niet voorkomt, niet te hebben gemotiveerd.
81 Zoals de Commissie in haar memories uiteenzet, is het bedrag van de afschrijving op de Liamone daarentegen wel in aanmerking genomen bij de kosten van het herstructureringsplan dat in de punten 261 tot en met 367 van de bestreden beschikking wordt onderzocht, daar de uitzonderlijke waardevermindering van dit schip in dat plan is verdisconteerd, zoals met name blijkt uit de punten 126, 144, 302 en 330 van de beschikking.
82 In repliek en ter terechtzitting heeft verzoekster daarop uiteengezet, dat zij met deze grief in werkelijkheid wilde beklemtonen, dat het tegenstrijdig is wanneer de Commissie zegt dat de Liamone vóór 2002 voor de openbaredienstverplichting noodzakelijk was, ofschoon zij toegeeft de uitkering wegens de waardevermindering van dit schip buiten de berekening van de met de openbaredienstverplichtingen samenhangende niet gecompenseerde extra kosten te hebben gehouden. Wanneer de Liamone voor de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen niet noodzakelijk was, zo meent verzoekster, heeft de Commissie de afschrijving op dit schip ten onrechte in de kosten van het herstructureringsplan opgenomen.
83 Met deze verwijten, waardoor de strekking van de aanvankelijk in het verzoekschrift geformuleerde grief wordt gewijzigd, beoogt verzoekster twijfel te wekken aan de gegrondheid van de beoordelingen in de bestreden beschikking; daarom moeten zij in het kader van het thans besproken middel als irrelevant worden afgewezen.
84 Wat in de derde plaats de grief betreft, dat het onmogelijk is om het werkelijke aandeel van de compensatie voor de openbare dienst in het totale steunbedrag te bepalen, kan worden volstaan met vast te stellen dat, anders dan verzoekster stelt, de Commissie in punt 258 en punt 257, tabel 11, van de bestreden beschikking uitdrukkelijk aangeeft, dat dat aandeel 53,48 miljoen EUR bedraagt, na eerst in de punten 256 en 257 van de beschikking te hebben uiteengezet hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
85 Voorzover verzoekster de Commissie hier verwijt het „noodzakelijke niveau” van de compensatie voor de openbare dienst niet te hebben gemotiveerd en niet te hebben geverifieerd of de met de openbaredienstverplichtingen samenhangende extra kosten niet te hoog waren aangezet, in het bijzonder waarom 50 % van de verliezen van de SNCM zich in 2000 en 2001 hadden voorgedaan, moet worden vastgesteld, dat verzoekster met deze grief twijfel beoogt te wekken aan de berekening van de ondercompensatie door de Commissie, in zoverre die berekening van de door de SNCM geleden verliezen uitgaat. Deze grief, waarmee de gegrondheid van de bestreden beschikking op dit punt wordt betwist, is in het kader van het hier besproken middel irrelevant.
86 Voorzover deze grief aldus moet worden begrepen, dat verzoekster de Commissie verwijt de bestreden beschikking op dit punt onvoldoende met redenen te hebben omkleed, merkt het Gerecht op, dat verzoekster zich tijdens de administratieve procedure daar niet over heeft bezwaard, noch in haar opmerkingen over de inleidingsbeschikking formele procedure noch tijdens de bijeenkomst van 4 februari 2003, zodat de Commissie niet kan worden verweten er in de beschikking niet op te hebben geantwoord.
87 In elk geval moet worden vastgesteld, dat in de bestreden beschikking naar de eis van het recht wordt uiteengezet, waarom naar het oordeel van de Commissie aan de hand van de door de SNCM geleden verliezen het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst kan worden bepaald, en welke de oorzaken van die verliezen zijn.
88 Met betrekking tot de redenen waarom de door de SNCM geleden verliezen het mogelijk maken het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst te bepalen, wijst het Gerecht erop, dat de Commissie in punt 257 van de bestreden beschikking verklaart dat zij dat bedrag heeft bepaald „op grond van dezelfde aanpak en dezelfde motivering als in beschikking 2002/149”. Deze beschikking, die was vastgesteld na een procedure waaraan verzoekster als belanghebbende had deelgenomen, had betrekking op aan dezelfde onderneming verleende steun in het kader van overeenkomsten ter zake van dezelfde openbaredienstverplichtingen en in dezelfde periode, daar de overeenkomst van 1996 tot 2001 gold.
89 Gezien de uitdrukkelijke verwijzing in de bestreden beschikking naar beschikking 2002/149 en het feit dat de context van laatstgenoemde beschikking aan verzoekster welbekend is, moet worden aangenomen dat beschikking 2002/149 kan dienen ter aanvulling van de redengeving van de bestreden beschikking op het punt van de bepaling van het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst (zie in die zin arrest Hof van 22 juni 2004, Portugal/Commissie, C‑42/01, Jurispr. blz. I‑6079, punten 69 en 70; arrest Gerecht van 19 maart 2003, CMA CGM e.a./Commissie, T‑213/00, Jurispr. blz. II‑913, punt 217).
90 Welnu, uitgaande van de conclusies van haar deskundige betreffende de periode 1991-1999, zette de Commissie in de punten 87 tot en met 105 van beschikking 2002/149 uiteen, dat het aldus bepaalde bedrag van de verliezen een redelijke afspiegeling van de kosten van de openbaredienstverplichtingen vormde. Gelet op die verliezen, ontstaan ondanks de ingevolge de overeenkomsten van 1991 en 1996 betaalde compensaties, concludeerde de Commissie in die beschikking, dat er geen overcompensatie had plaatsgevonden.
91 Met betrekking tot de oorzaken van de verliezen van de SNCM heeft de Commissie zowel in de bestreden beschikking (punten 281, 282 en 326) als in beschikking 2002/149 (punt 123), waarnaar in punt 257 van de bestreden beschikking wordt verwezen, uiteengezet dat de financiële compensaties ingevolge de overeenkomsten van 1991 en 1996 niet toereikend waren om alle kosten van de openbaredienstverplichtingen te dekken, met name omdat zij relatief onafhankelijk van de ontvangsten waren. Verder wijst de Commissie er in punt 282 van de bestreden beschikking op, dat de komst van verzoekster op de markt in 1996 een negatieve invloed op de resultaten van de SNCM had gehad.
92 Verzoeksters grieven met betrekking tot de redengeving van de bestreden beschikking op het punt van het bedrag van de ondercompensatie voor de openbare dienst moeten derhalve in hun geheel worden afgewezen.
Het wegvallen van de twijfels op grond waarvan de formele onderzoeksprocedure was ingeleid
93 Volgens verzoekster wordt in de bestreden beschikking niet naar de eis van het recht uiteengezet, waarom de Commissie de twijfels op grond waarvan de formele onderzoeksprocedure was ingeleid, terzijde heeft geschoven, met name op het punt van het verband tussen de verliezen van de SNCM en haar openbaredienstverplichtingen, de invloed van het beleid van de SNCM bij de aankoop van schepen op haar bedrijfsresultaten, de voorgenomen maatregelen ter verbetering van de productiviteit van de SNCM en die ter vermindering van het intermediaire verbruik, en het toekomstige tariefbeleid van de SNCM.
94 Om na te gaan of de Commissie de bestreden beschikking in dit opzicht voldoende met redenen heeft omkleed, dient men de strekking te bepalen van de twijfels die de Commissie in de inleidingsbeschikking formele procedure had geformuleerd, om vervolgens te onderzoeken, in welke mate de redenen waarom die twijfels konden worden weggenomen, in de bestreden beschikking uiteen zijn gezet.
95 Wat in de eerste plaats het verband tussen de verliezen en de openbaredienstverplichtingen van de SNCM betreft, moet worden vastgesteld, dat de Commissie in de inleidingsbeschikking formele procedure de levensvatbaarheid van de SNCM in twijfel trok, omdat het aan de hand van de analytische gegevens in het herstructureringsplan niet mogelijk was de structurele oorzaken van de chronische tekorten van de SNCM in de laatste jaren te bepalen. De Commissie meende te moeten verifiëren, dat de herstructureringssteun niet zou dienen om de exploitatietekorten uit het verleden aan te zuiveren, en dat het desbetreffende herstructureringsplan de onderneming in staat zou stellen in de toekomst een exploitatieoverschot te realiseren. In genoemde inleidingsbeschikking beklemtoonde de Commissie, dat in het herstructureringsplan niet werd aangegeven, hoe de SNCM haar verliezen op de vroeger onder de openbaredienstverplichting vallende verbindingen ging terugdringen, en dat dat plan de levensvatbaarheid van de onderneming ook moest waarborgen in het geval dat de SNCM na 2006 niet de opdracht voor de openbare dienst op de verbindingen tussen Marseille en Corsica zou krijgen.
96 De twijfels van de Commissie ten aanzien van het verband tussen de verliezen van de SNCM en de openbaredienstverplichtingen betreffen dus twee verschillende vragen: enerzijds of het bedrag van de steun gelijk is aan de met de openbaredienstverplichtingen samenhangende verliezen tussen 1991 en 2001 – de steun moet de onderneming in staat stellen de tekorten uit het verleden, voorzover uitsluitend het gevolg van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen ingevolge de overeenkomsten van 1991 en 1996, te dekken –, en anderzijds of de steun bijdraagt tot het herstel van de levensvatbaarheid voor de periode 2002-2006 – de steun moet de onderneming in staat stellen haar verliezen op de verbindingen waarvoor de openbaredienstverplichtingen niet gelden of niet meer zullen gelden, terug te dringen.
97 Wat in de eerste plaats de vraag betreft, of de steun gelijk is aan de met de openbaredienstverplichtingen samenhangende verliezen tussen 1991 en 2001, kan worden volstaan met op te merken dat, zoals hiervóór al overwogen, de reden waarom de door de SNCM in het verleden geleden verliezen op de verbindingen met Corsica, die toen alle aan openbaredienstverplichtingen waren onderworpen, konden worden geacht overeen te komen met de door de SNCM gemaakte extra kosten bij de uitvoering van die verplichtingen, zowel in de bestreden beschikking, in het bijzonder de punten 256, 257, 281 en 282, als in beschikking 2002/149, waarnaar de bestreden beschikking verwijst, naar de eis van het recht was toegelicht.
98 Daarbij moet worden opgemerkt, dat verzoeksters grieven die de motivering van de punten 281 en 282 van de bestreden beschikking betreffen en waarin zij stelt, dat de overeenkomst van 2002 niet tot doel heeft de verliezen aan te zuiveren, en dat het verschijnen van een concurrent in 1996 het gevolg van de communautaire liberalisatie is, in werkelijkheid de gegrondheid en niet de redengeving van de vaststellingen van de Commissie betreffen. Deze grieven moeten dan ook als irrelevant worden afgewezen.
99 Wat overigens de eventuele verliezen bij de uitvoering van de in de overeenkomst van 2002 bedoelde openbaredienstverplichtingen betreft, is de bestreden beschikking naar de eis van het recht met redenen omkleed in punt 256 van die beschikking, waar de Commissie preciseert dat die verliezen niet in aanmerking kunnen worden genomen, aangezien de compensatie contractueel is vastgelegd.
100 Wat in de tweede plaats de bijdrage van de steun tot het herstel van de levensvatbaarheid in de periode 2002‑2006 betreft, moet om te beginnen worden vastgesteld dat, anders dan verzoekster stelt, de Commissie in de punten 263 tot en met 282 van de bestreden beschikking de oorzaken van de problemen van de SNCM heeft onderzocht en de daardoor ontstane kosten heeft berekend. In het bijzonder onderzoekt de Commissie daarbij in de punten 270 tot en met 273, of het beleid van de SNCM bij de aankoop van nieuwe schepen wel rationeel was. Vervolgens zet zij in de punten 299 tot en met 303 uiteen, waarom het herstructureringsplan het herstel van de levensvatbaarheid van de SNCM zowel in de jaren tot 2006 als daarna mogelijk maakt. Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de Commissie in de punten 141 tot en met 152 van de bestreden beschikking gedetailleerd de volgens het „neutrale scenario” te verwachten financiële resultaten, zowel voor de periode 2002-2006 als daarna, weergeeft. Verder merkt de Commissie in punt 315 op, dat de SNCM met het oog op haar sanering vier schepen had verkocht. En anders dan verzoekster stelt, noemt en beschrijft de Commissie in de punten 111 en 113 van de bestreden beschikking bovendien de door de Franse autoriteiten na de inleidingsbeschikking formele procedure aangeboden aanvullende verbintenissen tot vermindering van de personeelskosten en de inkoopkosten voor het intermediaire verbruik. In punt 114 van de bestreden beschikking stelt de Commissie vast, dat dankzij die verbintenissen tezamen met de verkleining van de vloot de onderhoudskosten van 2001 op 2002 van 29,6 naar 23 miljoen EUR waren gedaald.
101 Al die punten tezamen genomen, heeft de Commissie dus naar de eis van het recht de redenen uiteengezet, waarom de SNCM in het kader van het herstructureringsplan in staat zal zijn haar verliezen op de verbindingen waarvoor de openbaredienstverplichtingen niet of niet meer gelden, terug te dringen.
102 Geen van verzoeksters argumenten kan aan deze conclusie afdoen.
103 Wat om te beginnen de grieven betreft inzake een zekere incoherentie in de redengeving van de bestreden beschikking, wanneer deze vaststelt dat het besparingsniveau bij de intermediaire inkoop onvoldoende is (punt 279) of dat de rekeningen over 2002 niet positief zijn zoals in het herstructureringsplan in het vooruitzicht werd gesteld (punt 280), moet worden vastgesteld, dat deze grieven de gegrondheid van de bestreden beschikking op die punten betreffen en niet de redengeving ervan, zodat zij als irrelevant moeten worden afgewezen.
104 Wat vervolgens de bewering betreft, dat de punten 258 tot en met 260 van de bestreden beschikking niet duidelijk maken, waarom de steun vanuit het gezichtspunt van de richtsnoeren moet worden beoordeeld, kan worden volstaan met vast te stellen dat deze bewering onjuist is, aangezien in punt 260 van de beschikking wordt verklaard, dat de steun als herstructureringssteun is aangemeld en dat het bedrag ervan hoger is dan de ondercompensatie voor de openbare dienst, en vervolgens in punt 326, dat de herstructureringssteun zowel de kosten van de in het herstructureringsplan beschreven acties kan dekken als de tekorten die door de uitvoering van de openbaredienstovereenkomsten tot eind 2001 bij de onderneming zijn ontstaan.
105 Met betrekking, ten slotte, tot de argumenten die verzoekster ontleent aan ’s Hofs arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, Jurispr. blz. I‑7747), merkt het Gerecht op, dat waar dit arrest van latere datum is dan de bestreden beschikking, de Commissie uiteraard niet uiteen behoefde te zetten waarom in casu aan de in dat arrest genoemde voorwaarden was voldaan, wat verzoekster overigens zelf erkent.
106 Wat in de tweede plaats de invloed van het scheepsaankoopbeleid van de SNCM op haar bedrijfsresultaten betreft, kan worden volstaan met vast te stellen, dat het bezwaar dat verzoekster maakt tegen de constatering in punt 271 van de bestreden beschikking, dat de SNCM de laatste jaren niet bepaald overgeïnvesteerd had in de vernieuwing van haar vloot, ertoe strekt de gegrondheid te betwisten van de beoordeling van de Commissie op dit punt en van de daarbij aangewende methode, waarbij zij haar met name verwijt geen rekening te hebben gehouden met een aantal door haar als relevant beschouwde factoren en zich tot een zuiver boekhoudkundige analyse te hebben beperkt. Een dergelijke grief is in het kader van het hier besproken middel irrelevant.
107 Hoe dan ook wordt, zoals eerder opgemerkt, in de punten 269 tot en met 273 van de bestreden beschikking naar de eis van het recht uiteengezet, waarom het scheepsaankoopbeleid van de SNCM niet tot een excessieve overinvestering heeft geleid.
108 Wat in de derde plaats de voorgenomen maatregelen betreft om de productiviteit van de SNCM te vergroten en het ontbreken van concrete maatregelen om het intermediaire verbruik te beperken, moet opnieuw worden vastgesteld, dat verzoekster met haar grieven op dit punt de gegrondheid van de beoordeling van de Commissie betwist. Zij bestrijdt er immers mee, dat de op deze punten bestaande twijfels zijn weggenomen, aangezien de Commissie in de punten 279 en 280 van de bestreden beschikking vaststelt dat het plan „Beter inkopen” onvoldoende is en dat de resultaten over 2002 niet positief zijn. Dergelijke grieven zijn in het kader van het hier besproken middel irrelevant.
109 Hoe dan ook is, zoals eerder opgemerkt, de beschikking in de punten 113, 114 en 279 dienaangaande voldoende met redenen omkleed.
110 Wat ten slotte het toekomstige tariefbeleid van de SNCM betreft, moet opnieuw worden vastgesteld dat verzoekster in werkelijkheid de gegrondheid van de beoordeling van de Commissie betwist. In wezen stelt verzoekster immers, dat de Commissie het tariefbeleid van de SNCM vóór de vaststelling van de bestreden beschikking niet juist heeft beoordeeld en dat zij niet over de nodige gegevens beschikte om dat beleid in 2003 te kunnen beoordelen. Deze grieven zijn in het kader van het hier besproken middel irrelevant en moeten dus worden afgewezen.
111 Voorzover verzoeksters grieven zo moeten worden begrepen, dat zij de Commissie verwijt in de bestreden beschikking niet specifiek te hebben geantwoord op haar beweringen inzake de door de SNCM vóór de vaststelling van die beschikking toegepaste prijzen bij de verkoop van biljetten, merkt het Gerecht nog op, dat de Commissie in punt 359 uitdrukkelijk verklaart dat die beweringen, gezien de in de punten 119 tot en met 123 en 191 tot en met 203 weergegeven argumenten van de Franse Republiek dienaangaande, van de hand kunnen worden gewezen.
112 Uit het voorgaande volgt, dat de grieven en argumenten van verzoekster betreffende de motivering van de bestreden beschikking ten aanzien van het wegvallen van de twijfels op grond waarvan de formele onderzoeksprocedure was ingeleid, in hun geheel moeten worden verworpen.
De beoordeling van het herstel van de levensvatbaarheid
113 Verzoekster is van oordeel, dat met betrekking tot het herstel van de levensvatbaarheid de bestreden beschikking niet naar de eis van het recht met redenen is omkleed, in zoverre de Commissie niet verklaart waarom zij bereid is, in afwijking van het in de richtsnoeren omschreven beginsel externe factoren in aanmerking te nemen, te weten de groei van de Maghrebmarkt, de verwachte ontwikkelingen op de verbindingen met Nice, en de veronderstelling dat de overeenkomst van 2002 na 2006 niet wordt vernieuwd.
114 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens punt 32 van de richtsnoeren „[d]e verbetering van de levensvatbaarheid [...] voornamelijk tot stand [dient] te komen door middel van interne maatregelen waarin het herstructureringsplan voorziet, en [...] slechts [mag] berusten op externe factoren waarop de onderneming maar weinig invloed kan uitoefenen, zoals hogere prijzen en een stijging van de vraag, indien de veronderstellingen inzake de marktontwikkeling in ruime kring worden onderschreven”.
115 Wat in de eerste plaats de groei van de op de Maghreb gerichte markt betreft, verklaart de Commissie in punt 300 van de bestreden beschikking, dat het effect van de herstructureringsmaatregelen niet afhankelijk is van de marktontwikkeling, „met uitzondering van de heroriëntering op de Maghreb, die vooral neerkomt op een herstel van de positie die de SNCM tot het midden van de jaren negentig bezat”. In de punten 66 tot en met 81 van de bestreden beschikking nu had de Commissie op basis van het in het kader van het herstructureringsplan verrichte marktonderzoek geconstateerd, dat die markt een aanzienlijke groei te zien zou geven. Gelet op punt 32 van de richtsnoeren, kon verzoekster dus begrijpen waarop de conclusie van de Commissie in punt 300 van de bestreden beschikking berustte.
116 Overigens stonden die constateringen inzake de groei van de Maghrebmarkt al uitdrukkelijk in de inleidingsbeschikking formele procedure. Hoewel verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen van 8 januari 2003 over de inleiding van die procedure betoogde, dat het door SNCM nagestreefde marktaandeel gezien de sterke concurrentie van de nationale maatschappijen ambitieus was, en erop wees dat de SNCM in Noord-Afrika commercieel een slecht imago had, betwistte zij nergens de in het marktonderzoek gehanteerde hypothese van sterke groei. Dit vormt niet enkel een bevestiging van het feit dat die veronderstelling inzake de marktontwikkeling in ruime kring was geaccepteerd in de zin van de richtsnoeren, maar verklaart ook waarom de Commissie bij gebreke van tegenspraak van verzoekster dit onderdeel van de bestreden beschikking niet meer specifiek heeft gemotiveerd.
117 Wat in de tweede plaats het handhaven van de verbinding Nice-Corsica betreft, berust de kritiek van verzoekster op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Anders dan verzoekster stelt, accepteert de Commissie in de bestreden beschikking het in stand houden van die verbinding niet op grond van de marktontwikkeling, maar om de in punt 302 genoemde redenen, te weten dat het belang van die verbinding afneemt en dat de vervroegde afschrijving van de Liamone de terugkeer naar positieve resultaten zal vergemakkelijken. In punt 283 van de bestreden beschikking zet de Commissie in dat verband voorts uiteen, dat zij het ontstaan van een feitelijk monopolie van verzoekster op de verbindingen met Corsica wenst te verhinderen. Weliswaar wijst de Commissie in punt 316 van de bestreden beschikking (dat door verzoekster niet wordt aangehaald) op de sterke groei van de markt in de gehele golf van Genua en Toulon, maar zij doet dat niet om de voortgezette aanwezigheid van de SNCM te Nice op grond van een externe factor te rechtvaardigen, maar integendeel om het belang te beklemtonen van de voordelen die voor de concurrenten voortvloeien uit, onder meer, het nagenoeg opgeven van Toulon en de beperking van het aantal retourreizen vanaf Nice. Het is duidelijk dat de Commissie in haar beschikking geen standpunt behoeft te motiveren dat niet het hare is.
118 Met betrekking tot het verwijt dat er geen redenen worden gegeven voor het niet in aanmerking nemen van andere opties dan het handhaven of opgeven van de verbinding Nice-Corsica, moet worden vastgesteld dat verzoekster in haar opmerkingen over de inleiding van de formele procedure, anders dan zij in haar repliek stelt, geen andere opties heeft voorgesteld, maar in wezen enkel heeft beweerd, dat de SNCM op die verbinding niet winstgevend kon zijn. Gelet daarop, behoefde de Commissie in de bestreden beschikking het niet in aanmerking nemen van andere opties niet te motiveren.
119 Wat in de derde plaats de veronderstelling betreft, dat de overeenkomst van 2002 na 2006 niet zal worden vernieuwd, kan worden volstaan met vast te stellen, dat de bestreden beschikking op dit punt voldoende met redenen is omkleed. In punt 303 zegt de Commissie immers dat, waar het om de levensvatbaarheid op lange termijn gaat, „de tenuitvoerlegging van het plan de onderneming in staat moet stellen om bij de vernieuwing van de contracten de concurrentie op effectieve wijze het hoofd te bieden”. Verder is het volgens punt 149 van de bestreden beschikking „van belang te weten wat de concurrentiepositie van de maatschappij is in 2006 wanneer de huidige lastgevingsovereenkomst voor de openbare dienst afloopt, en in hoeverre zij levensvatbaar is”, welke gedachte ook in punt 310 is terug te vinden.
120 Voorzover verzoekster voorts stelt dat het onlogisch is om de veronderstelling dat de overeenkomst niet zal worden vernieuwd, prematuur te noemen en tegelijkertijd de levensvatbaarheid op lange termijn te beoordelen, kan worden volstaan met op te merken, dat deze grief, die de gegrondheid van de bestreden beschikking betreft, in het kader van het hier besproken middel irrelevant is.
121 Uit een en ander volgt, dat de grieven en argumenten van verzoekster inzake de motivering van het herstel van de levensvatbaarheid, in hun geheel moeten worden afgewezen.
Het realistische karakter van de in aanmerking genomen herstructureringsmogelijkheden
122 Verzoekster stelt, dat de Commissie met betrekking tot het realistische karakter van de herstructureringsmogelijkheden eenvoudig de richtsnoeren heeft afgeschreven en in punt 306 van de bestreden beschikking enkel zegt, dat het door de Franse autoriteiten overgelegde marktonderzoek „een goede basis vormt om de scenario’s voor de ontwikkeling van de onderneming vast te stellen”.
123 In de punten 139 tot en met 141 van de bestreden beschikking heeft de Commissie echter duidelijk uiteengezet, waarom de door punt 33 van de richtsnoeren verlangde drie scenario’s, te weten het optimistische en het pessimistische scenario van het marktonderzoek en het in het herstructureringsplan vervatte neutrale scenario, een „goede basis” waren om de ontwikkeling van de onderneming te beoordelen. Met betrekking tot het optimistische en het pessimistische scenario zet de Commissie haar redenering uiteen in punt 139, aan het einde waarvan zij concludeert, dat „over het geheel genomen [...] de voorgestelde veronderstellingen dus een vrij representatief beeld van de mogelijke ontwikkelingen [lijken] te geven”. In punt 140 voegt de Commissie daaraan toe, dat de resultaten volgens het pessimistische scenario verbeterd zouden kunnen worden indien de SNCM in elk seizoen haar aanbod aan de vraag zou weten aan te passen. Na in tabel 6 de ontwikkeling van de voornaamste financiële indicatoren volgens de drie mogelijke scenario’s te hebben vergeleken, stelt de Commissie in punt 141 van de bestreden beschikking bovendien vast, dat „deze modellen laten zien dat de SNCM in de drie denkbeeldige situaties de weg naar rentabiliteit zal terugvinden”.
124 Voor het overige vallen de grieven van verzoekster samen met die betreffende het herstel van de levensvatbaarheid. Immers, om te kunnen beoordelen of het herstructureringsplan een herstel van de levensvatbaarheid mogelijk maakt, moet het volgens punt 32 van de richtsnoeren gebaseerd zijn op realistische veronderstellingen betreffende de toekomstige bedrijfsomstandigheden.
125 Dienaangaande blijkt uit de punten 142 tot en met 148 van de bestreden beschikking, dat de ontwikkelingen waarvan in het ter beoordeling van het herstel van de levensvatbaarheid ontwikkelde neutrale scenario wordt uitgegaan, zijn onderzocht aan de hand van een financieel model betreffende de volgende punten: versterking van de activiteiten op de Maghreb, de verbinding Nice-Corsica, de verbinding Marseille-Corsica en de schuldenlast van de SNCM. Verder blijkt uit de punten 149 tot en met 152, dat in het marktonderzoek ook de veronderstelling dat de overeenkomst van 2002 na 2006 niet wordt vernieuwd, in aanmerking is genomen. Elk van deze aspecten wordt specifiek besproken in de punten 300 tot en met 304 en bij het onderzoek van de grieven betreffende het herstel van de levensvatbaarheid is al vastgesteld dat laatstgenoemde punten een voldoende motivering bevatten van het standpunt van de Commissie, dat het herstructureringsplan dat herstel kan verzekeren, ook wanneer de SNCM geen openbaredienstverplichtingen meer heeft.
126 Met betrekking tot het argument inzake de vlootuitbreiding in 2004, nadat verzoekster een nieuw schip had gekocht, herinnert het Gerecht eraan, dat de Commissie niet verplicht is op alle in de loop van de administratieve procedure aangevoerde feitelijke of juridische argumenten te antwoorden. Anders dan verzoekster stelt, blijkt bovendien noch uit de schriftelijke opmerkingen van 8 januari 2003 noch uit de punten 169 tot en met 174 van de bestreden beschikking, die een door verzoekster niet betwiste samenvatting bevatten van de argumenten die zij tijdens de bijeenkomst van 4 februari 2003 had voorgedragen, dat verzoekster dit punt speciaal onder de aandacht van de Commissie had gebracht.
127 Met betrekking tot de omstandigheid dat de Commissie zich in andere beschikkingen over de geldigheid van steun aan scheepvaartmaatschappijen heeft uitgesproken na een zorgvuldige analyse van de financiële ontwikkeling van de te herstructureren onderneming, zowel wat haar vermogenspositie als wat haar winstcapaciteit en financieringsmogelijkheden betreft [bijvoorbeeld beschikking 2002/15/EG van de Commissie van 8 mei 2001 betreffende steunmaatregelen van Frankrijk ten gunste van de vennootschap „Bretagne Angleterre Irlande” („BAI” of „Brittany Ferries”) (PB 2002, L 12, blz. 33)], kan worden volstaan met op te merken, dat de motiveringsomvang van die beschikking, waarnaar de bestreden beschikking niet verwijst ter bevestiging van haar eigen redengeving, en ook al betreft zij hetzelfde gebied, hoegenaamd niet aantoont dat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed, en in elk geval niet kan afdoen aan de eerdere conclusie van het Gerecht, dat de bestreden beschikking, naar uit haar punten 300 tot en met 304 blijkt, met betrekking tot de kwestie van het herstel van de levensvatbaarheid naar de eis van het recht is gemotiveerd.
128 Voorzover verzoekster de Commissie verwijt zich voor haar conclusies inzake het herstel van de levensvatbaarheid uitsluitend op de door de Franse autoriteiten doorgerekende – en thans overigens door de feiten weerlegde – modellen te hebben gebaseerd, moet worden vastgesteld dat deze grief, die de gegrondheid van de beoordelingen van de Commissie op dit punt betreft, in het kader van het hier besproken middel irrelevant is. Dit geldt in het bijzonder voor het argument, dat de vermogenspositie van de begunstigde onderneming niet is onderzocht of dat geen rekening is gehouden met de vlootuitbreiding door de aankoop van een nieuw schip door verzoekster.
129 Uit een en ander volgt, dat de grieven en argumenten van verzoekster inzake de motivering van het realistische karakter van de in aanmerking genomen veronderstellingen, in hun geheel moeten worden afgewezen.
De bepaling van de niet-strategische deelnemingen
130 Verzoekster is van oordeel, dat de bestreden beschikking niet voldoende met redenen is omkleed met betrekking tot de reden waarom de deelneming van de SNCM in de CMN een strategische deelneming is die derhalve niet behoeft te worden verkocht.
131 In antwoord op de argumenten van verzoekster en Stef-TFE tijdens de administratieve procedure heeft de Commissie evenwel in de punten 348 tot en met 354 van de bestreden beschikking gedetailleerd uiteengezet waarom zij die deelneming als essentieel beschouwde en van mening was dat zij niet behoefde te worden afgestoten. In het bijzonder wijst de Commissie in de punten 349 tot en met 351 van de beschikking erop, dat de twee ondernemingen samen de openbaredienstovereenkomst uitvoerden, dat hun samenwerking op de verbindingen met Corsica verder ging dan de overeenkomst van 2002 verlangde, en dat hun vloten elkaar aanvulden. Dergelijke indicaties leveren duidelijk een voldoende motivering van de bestreden beschikking op dit punt op.
132 Wat het argument betreft, dat geen rekening is gehouden met de waardestijging van SNCM’s deelneming in de CMN, blijkt weliswaar uit punt 34 van de bestreden beschikking dat dit argument tijdens de bijeenkomst van 4 februari 2003 naar voren is gebracht, maar het Gerecht herinnert eraan, dat de Commissie niet verplicht is op alle in de loop van de administratieve procedure aangevoerde feitelijke of juridische argumenten te antwoorden. Met betrekking tot de deelneming in de CMN is de bestreden beschikking echter in de punten 348 tot en met 354 voldoende met redenen omkleed. Bovendien was het voor verzoekster mogelijk de redenering van de Commissie op dit punt te begrijpen, aangezien uit punt 256 van de bestreden beschikking duidelijk blijkt, dat de Commissie van oordeel was, dat de niet-gerealiseerde meerwaarden niet in aanmerking konden worden genomen bij de bepaling van het niveau van de financiële middelen van de SNCM.
133 De argumenten die verzoekster verder aanvoert om de tegenstrijdigheden in de motivering van de bestreden beschikking op dit punt in het licht te stellen, betreffen in werkelijkheid de gegrondheid van de beschikking. In het kader van het hier besproken middel zijn zij dan ook irrelevant en moeten zij worden afgewezen.
134 De grieven en argumenten van verzoekster betreffende de motivering van de bepaling van de niet-strategische deelnemingen, moeten derhalve in hun geheel worden afgewezen.
Conclusie met betrekking tot het eerste middel
135 Uit al het voorgaande volgt, dat het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 253 EG doordat de bestreden beslissing onvoldoende met redenen is omkleed, moet worden verworpen.
3. Het tweede middel: schending van artikel 87, lid 3, sub c, EG, van verordening nr. 659/1999 en van de richtsnoeren, doordat de bestreden beschikking feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten bevat
136 In dit middel stelt verzoekster, dat de bestreden beschikking feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten bevat op het punt van de beoordeling van een gedeelte van de steun als compensatie voor de openbare dienst, de analyse van de oorzaken van de financiële problemen van de SNCM, de naleving van de richtsnoeren en de noodzaak van de door de Commissie gestelde voorwaarden.
Opmerking vooraf over het door het Gerecht uitgeoefende toezicht
137 Het is vaste rechtspraak, dat de Commissie bij de toepassing van artikel 87, lid 3, sub c, EG over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, waarvan de uitoefening een afweging van economische en sociale gegevens impliceert, die in een communautair kader dient te geschieden (arresten Hof van 24 februari 1987, Deufil/Commissie, 310/85, Jurispr. blz. 901, punt 18, en 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑372/97, Jurispr. blz. I‑3679, punt 83).
138 Bij de toetsing van de wijze waarop van deze beoordelingsvrijheid gebruik is gemaakt, gaat de gemeenschapsrechter enkel na, of de procedureregels en motiveringsvoorschriften zijn nageleefd, of de vastgestelde feiten materieel juist zijn, en of er geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten of van misbruik van bevoegdheid (arresten Hof van 13 februari 2003, Spanje/Commissie, C‑409/00, Jurispr. blz. I‑1487, punt 93, en Italië/Commissie, reeds aangehaald, punt 83; arresten Gerecht van 5 november 1997, Ducros/Commissie, T‑149/95, Jurispr. blz. II‑2031, punt 63; 6 oktober 1999, Salomon/Commissie, T‑123/97, Jurispr. blz. II‑2925, punt 47; Kneissl Dachstein/Commissie, T‑110/97, Jurispr. blz. II‑2881, punt 46, en arrest Westdeutsche Landesbank Girozentrale/Commissie, reeds aangehaald, punt 282). In het bijzonder komt het het Gerecht niet toe, zijn economische beoordeling in de plaats van die van de auteur van de beschikking te stellen (arrest British Airways e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 79).
139 Verder is de Commissie volgens de rechtspraak gebonden aan de kaderregelingen en mededelingen die zij op het gebied van het toezicht op staatssteun vaststelt, voorzover deze niet van de verdragsregels afwijken en door de lidstaten zijn aanvaard (arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, punt 95; arresten Gerecht van 8 juli 2004, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, T‑198/01, Jurispr. blz. II‑2717, punt 149, en 18 november 2004, Ferriere Nord/Commissie, T‑176/01, Jurispr. blz. II‑3931, punt 134).
140 Wanneer de Commissie een individuele steunmaatregel aan dergelijke, vooraf door haar vastgestelde richtsnoeren toetst, aldus de rechtspraak, kan zij niet worden geacht de grenzen van haar beoordelingsvrijheid te overschrijden of er afstand van te doen. Enerzijds blijft zij immers bevoegd die richtsnoeren in te trekken of te wijzigen indien de omstandigheden dat vereisen. Anderzijds gelden die richtsnoeren voor een welbepaalde sector en zijn zij ingegeven door het streven een bepaalde, door de Commissie vastgestelde beleidslijn voort te zetten (arrest Vlaams Gewest/Commissie, reeds aangehaald, punt 89).
141 In deze context dient het Gerecht dus na te gaan, of de vereisten die de Commissie voor zichzelf heeft gesteld, zoals omschreven in de richtsnoeren, zijn nageleefd (arresten Gerecht van 30 januari 2002, Keller en Keller Meccanica/Commissie, T‑35/99, Jurispr. blz. II‑261, punt 77, en Ducros/Commissie, reeds aangehaald, punten 61 en 62).
142 Voorts moet in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG de wettigheid van een gemeenschapshandeling worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op het tijdstip waarop de handeling is verricht. Inzonderheid de ingewikkelde beoordelingen van de Commissie mogen enkel worden onderzocht in het licht van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen verrichtte (arresten Salomon/Commissie, punt 48, en Kneissl Dachstein/Commissie, punt 49, beide reeds aangehaald).
143 Ten slotte kan de loutere bewering, dat aan een van de voorwaarden waaronder een steunmaatregel is goedgekeurd, niet zal worden voldaan, de wettigheid van de goedkeuringsbeschikking niet aantasten. In de regel kan de wettigheid van een gemeenschapshandeling immers niet afhangen van eventuele mogelijkheden tot omzeiling en evenmin van overwegingen achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van die handeling (arrest British Airways e.a./Commissie, punt 291, en Salomon/Commissie, punt 49, beide reeds aangehaald).
144 Het is in het licht van deze beginselen dat de door verzoekster aangevoerde grieven en argumenten moeten worden onderzocht.
De grieven met betrekking tot de gegrondheid van de bestreden beschikking
145 Voorzover het tweede middel is ontleend aan schending van verordening nr. 659/1999, moet meteen al worden vastgesteld dat het geen doel treft. Deze verordening, die de procedureregels voor het onderzoek van staatssteun bevat, kan immers hoegenaamd niet door de beweerde feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten zijn geschonden, en dit te minder nu de bestreden beschikking na inleiding van de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde formele onderzoeksprocedure is vastgesteld. Verzoekster voert overigens geen bewijs aan voor zijn bewering dat de bestreden beschikking inbreuk maakt op verordening nr. 659/1999, en zegt niet, welke bepalingen van die verordening door de beschikking zouden zijn geschonden.
146 Het hier besproken middel moet dus enkel worden onderzocht voorzover daarin schending van artikel 87, lid 3, sub c, EG en van de richtsnoeren wordt gesteld.
De beoordeling van een gedeelte van de steun als compensatie voor de openbare dienst
147 Verzoekster stelt, dat de Commissie het met de ondercompensatie voor de openbare dienst overeenkomende gedeelte van de steun verkeerd heeft beoordeeld, doordat zij wel de waardevermindering van de Liamone in aanmerking heeft genomen, ofschoon dit schip niet voor openbaredienstverplichtingen was ingezet, maar niet de potentiële meerwaarde van de voor die verplichtingen ingezette vloot. Verder beklemtoont verzoekster de sterke toename van de verliezen in 2000 en 2001.
148 Voorzover verzoekster met deze grieven wil aantonen dat de verenigbaarheid van de steun met artikel 86, lid 2, EG in de bestreden beschikking verkeerd is beoordeeld, treffen zij geen doel, aangezien de Commissie in punt 260 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, dat het gehele steunbedrag van 76 miljoen EUR, inclusief het met de ondercompensatie voor de openbare dienst overeenkomende gedeelte, als herstructureringssteun moet worden beoordeeld.
149 Bedoelde grieven moeten echter wel worden onderzocht voorzover zij betrekking hebben op het bedrag waarop de Commissie de ondercompensatie voor de openbare dienst heeft bepaald.
150 In de eerste plaats moet met betrekking tot de waardevermindering van de Liamone worden vastgesteld, dat de grief van verzoekster op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking berust. Immers, anders dan verzoekster betoogt, heeft de Commissie voor de berekening van het met de ondercompensatie overeenkomende gedeelte van de steun niet de uitkering ter zake van die waardevermindering in aanmerking genomen, maar zoals duidelijk uit punt 257, tabel 11, blijkt, heeft zij het bedrag van die uitkering juist van haar berekening afgetrokken. Op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft verzoekster overigens uitdrukkelijk erkend, dat zij de bestreden beschikking op dat punt verkeerd had gelezen.
151 Bij het bedrag van 53,48 miljoen EUR, dat volgens de Commissie overeenkomt met de niet gecompenseerde kosten van de openbaredienstverplichtingen van de SNCM op de verbindingen met Corsica in de periode 1991‑2001, is de waardevermindering van de Liamone dus buiten beschouwing gelaten.
152 Wat in de tweede plaats de potentiële meerwaarde van de voor de openbaredienstverplichtingen ingezette vloot betreft, stelt verzoekster vast, dat de verkoopwaarde van de vijf op 31 december 2001 voor de uitvoering van die verplichtingen gebruikte schepen 22,2 miljoen EUR hoger was dan hun nettoboekwaarde. De verliezen die tussen 1991 en 2001 op de verbindingen met Corsica zijn gemaakt en die volgens de Commissie overeenkomen met de ondercompensatie voor de openbare dienst, moeten naar de mening van verzoekster met het bedrag van die meerwaarde worden verminderd.
153 Vaststaat dat de gestelde latente meerwaarde niet in de door accountants goedgekeurde jaarrekeningen van de SNCM over 2000 en 2001 is opgenomen. Zoals de Commissie immers heeft gesteld en door verzoekster niet is weersproken – wat deze ter terechtzitting heeft bevestigd –, mag een onderneming volgens de algemene boekhoudkundige beginselen, in het bijzonder het prudentiebeginsel, een actiefpost van zijn balans niet hoger waarderen op grond dat de verkoopwaarde hoger is dan de boekwaarde. Volgens dezelfde beginselen moet een onderneming daarentegen vervroegd afschrijven wanneer de verkoopwaarde van een bezitting lager is dan de boekwaarde ervan.
154 In het kader van andere grieven stelt verzoekster weliswaar in het algemeen, dat de voorlopige jaarrekeningen waarover de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking beschikte, verschilden van de door de accountants goedgekeurde definitieve rekeningen, die pas na de vaststelling van de beschikking beschikbaar waren, maar zij voert niets aan tot staving van deze stelling en geeft nergens aan, op welke punten de voorlopige rekeningen van de goedgekeurde definitieve rekeningen verschilden.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaald in
- Gerecht EU 20 juli 2017, T-619/15, ECLI:EU:T:2017:532
- Gerecht EU 1 maart 2017, T-454/13, ECLI:EU:T:2017:134
- Gerecht EU 13 mei 2015, T-511/09, ECLI:EU:T:2015:284
- HvJ EU 4 september 2014, C-533/12, ECLI:EU:C:2014:2142
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-419/14, ECLI:EU:T:2018:445
- Gerecht EU 12 maart 2020, T-732/16, ECLI:EU:T:2020:98
- Gerecht EU 16 december 2020, T-93/18, ECLI:EU:T:2020:610
- Gerecht EU 20 september 2019, T-696/17, ECLI:EU:T:2019:652
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-449/14, ECLI:EU:T:2018:456
- Gerecht EU 15 september 2016, T-76/14, ECLI:EU:T:2016:481
- Gerecht EU 26 mei 2016, T-479/11, ECLI:EU:T:2016:320
- Gerecht EU 3 maart 2016, T-15/14, ECLI:EU:T:2016:124
- Gerecht EU 12 mei 2021, T-516/18, ECLI:EU:T:2021:251
- Gerecht EU 13 mei 2020, T-8/18, ECLI:EU:T:2020:182
- Gerecht EU 13 mei 2020, T-607/17, ECLI:EU:T:2020:180
- Gerecht EU 15 september 2016, T-386/14, ECLI:EU:T:2016:474
- Gerecht EU 19 november 2025, T-366/23, ECLI:EU:T:2025:1037
- Gerecht EU 20 december 2023, T-166/21, ECLI:EU:T:2023:862
- Gerecht EU 20 september 2023, T-201/16, ECLI:EU:T:2023:566