Gerecht EU 19 november 2025, T-366/23, ECLI:EU:T:2025:1037
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
19 november 2025 ( *1 )
„Economisch en monetair beleid – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Richtlijn 2013/36/EU – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Aan de Europese Centrale Bank (ECB) opgedragen specifieke toezichttaken – Beoordeling van verwervingen van gekwalificeerde deelnemingen – Verzet tegen de verwerving van een gekwalificeerde deelneming – Recht om te worden gehoord – Begrip ‚gekwalificeerde deelneming’ – Reputatie en vakbekwaamheid van de kandidaat-verwerver – Rechten die door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden beschermd – Evenredigheid”
In zaak T‑366/23,
YH, vertegenwoordigd door J. Lehnhardt, R. Hübner en A. Walter, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door E. Yoo, R. Bax en V. Hümpfner als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, N. Półtorak, I. Reine, T. Pynnä (rapporteur) en H. Cassagnabère, rechters,
griffier: A. Marghelis, administrateur,
gezien de stukken,
gezien de door het Gerecht aan verzoekster en de ECB gestelde schriftelijke vragen en de op 6 december 2024 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van laatstgenoemden,
na de terechtzitting op 16 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, YH, nietigverklaring van het besluit van de Europese Centrale Bank (ECB) van 5 mei 2023 waarbij zij zich verzet tegen de verwerving door YH van een gekwalificeerde deelneming in M.M. Warburg & Co (AG & Co.) KGaA (hierna: „doelwit”), M.M. Warburg & CO Hypothekenbank AG (hierna: „doelwit Hyp”) en Marcard, Stein & Co AG (hierna: „doelwit MS”) (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Het doelwit is een zogenaamde „minder belangrijke” kredietinstelling die onder rechtstreeks toezicht staat van de Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht (federale toezichthoudende autoriteit voor financiële diensten, Duitsland; hierna: „BaFin”) en onder indirect toezicht van de ECB.
3 Het doelwit behoort toe aan de familie van verzoeksters echtgenoot. In 2013 wilde laatstgenoemde de overdracht regelen van zijn deelneming in het kapitaal van het doelwit aan zijn kinderen.
4 Daartoe heeft verzoeksters echtgenoot als eerste stap 87,5 % van het kapitaal van vennootschap 1. Max Warburg Beteiligungsgesellschaft mbH (hierna: „MWB 1”) overgedragen aan de vennootschap Familie Max Warburg Vermögensverwaltung KG (hierna: „FMWV”) ten gunste van zijn kinderen. Hij heeft 12,5 % van het resterende kapitaal van MWB 1 behouden, en met name een preferent aandeel dat hem 51 % van de stemrechten in MWB 1 verleende. FMWV en verzoeksters echtgenoot hebben zich ertoe verbonden om hun stemrechten op uniforme wijze uit te oefenen (hierna: „poolingovereenkomst”) en laatstgenoemde geniet levenslang kosteloos vruchtgebruik op de aan FMWV overgedragen aandelen.
5 MWB 1 bezit 40,24 % van het kapitaal van de financiële houdstermaatschappij van de prudentiële groep M.M.Warburg & CO, te weten de vennootschap M.M.Warburg & CO Gruppe GmbH (hierna: „Warburg Gruppe”). Warburg Gruppe wordt ook gehouden door een andere meerderheidsaandeelhouder, ten belope van 41,25 %, en zeven minderheidsaandeelhouders, waaronder familieleden van verzoeksters echtgenoot.
6 Warburg Gruppe bezit op haar beurt 100 % van het kapitaal van het doelwit, dat op het moment van het bestreden besluit zelf 100 % en 60 % in handen had van respectievelijk doelwit MS en doelwit Hyp, die eveneens kredietinstellingen zijn. Doelwit Hyp is op 3 november 2022 verkocht met inwerkingtreding op 1 juni 2023.
7 MWB 1 bezat dus via Warburg Gruppe een middellijke deelneming in het doelwit, in doelwit Hyp en in doelwit MS (hierna samen: „doelwitten”).
8 Als tweede stap moest verzoekster het preferente aandeel van haar echtgenoot verkrijgen en aldus 0,01 % van het kapitaal van MWB 1 en 51 % van de stemrechten in MWB 1 verwerven (hierna: „voorgenomen verwerving”). Zij zou ook partij worden bij de poolingovereenkomst betreffende MWB 1. Haar echtgenoot zou 12,49 % van het kapitaal van MWB 1 en 6 % van de stemrechten in die vennootschap behouden, terwijl FMWV daarin 87,5 % van het kapitaal en 43 % van de resterende stemrechten zou behouden. De structuur van de voorgenomen verwerving wordt weergegeven in het hiernavolgende schema:
9 De uitvoering van die tweede stap is uitgesteld vanwege een onderzoek door de Duitse autoriteiten naar de zogenoemde „com/ex”-beurstransacties die het doelwit tussen 2007 en 2011 had gesloten, toen verzoeksters echtgenoot er algemeen directeur van was. Naar aanleiding van een herbeoordelingsprocedure die BaFin in 2019 heeft gevoerd in het kader van de tegen laatstgenoemde geuite beschuldigingen van belastingfraude betreffende die „com/ex”-beurstransacties, heeft MWB 1 met BaFin afgesproken dat haar stemrechten in Warburg Gruppe zouden worden uitgeoefend via twee gemachtigden, die sinds februari 2020 zijn aangesteld.
10 Op 12 november 2021 heeft verzoekster BaFin overeenkomstig de toepasselijke regeling voor het toezicht op gekwalificeerde deelnemingen in kennis gesteld van de voorgenomen verwerving. Die kennisgeving is op 16 november 2021 door BaFin in ontvangst genomen.
11 Op 16 augustus 2022 heeft BaFin bevestigd dat zij de kennisgeving van de voorgenomen verwerving had ontvangen.
12 Op 14 september 2022 heeft BaFin verzocht om aanvullende informatie over de voorgenomen verwerving en verzoekster gevraagd om voor haar middellijke deelnemingen in doelwit MS en doelwit Hyp twee aanvullende kennisgevingen in te dienen.
13 Verzoekster heeft op 29 september en 14 oktober 2022 op die verzoeken gereageerd. Zij heeft op respectievelijk 12 december 2022 en 19 januari 2023 ook een kennisgeving ingediend voor doelwit MS en doelwit Hyp.
14 Op 27 januari 2023 heeft BaFin een e-mail naar verzoekster gestuurd met het verzoek om bepaalde documenten te verstrekken en aanvullende vragen te beantwoorden, zodat de kennisgeving van de voorgenomen verwerving als volledig zou kunnen worden beschouwd.
15 Bij e-mail van 1 februari 2023 heeft verzoekster geantwoord op de door BaFin in haar e-mail van 27 januari 2023 geformuleerde verzoeken; zij heeft de gevraagde documenten verstrekt in bijlage bij haar e-mail, met de vermelding dat deze „vooraf per e-mail” werden verzonden. Zij heeft ook bij brief op die verzoeken geantwoord.
16 Op 3 februari 2023 heeft BaFin verzoeksters in punt 15 hierboven vermelde antwoordbrief in ontvangst genomen.
17 Op 21 februari 2023 heeft BaFin bevestigd dat zij de informatie had ontvangen, waardoor de kennisgeving op 3 februari 2023 als volledig kon worden beschouwd. Zij heeft verzoekster meegedeeld dat de beoordelingsperiode van 60 werkdagen op 8 februari 2023 was ingegaan en op 5 mei 2023 zou aflopen.
18 Op 3 april 2023 hadden verzoekster en haar raadslieden een ontmoeting met vertegenwoordigers van de ECB, waaronder de voorzitter van de raad van toezicht van de ECB, om de moeilijkheden in verband met de voorgenomen verwerving te bespreken.
19 Op 4 april 2023 heeft BaFin de ECB gevraagd om zich niet te verzetten tegen de voorgenomen verwerving.
20 Op 5 april 2023 heeft verzoekster per brief voorgesteld om de stemrechten van MWB 1 in Warburg Gruppe gedurende een jaar uit te oefenen via een van de twee gemachtigden, teneinde tegemoet te komen aan de bezorgdheden die de ECB tijdens de ontmoeting van 3 april 2023 had geuit. In antwoord op die brief heeft de voorzitter van de raad van toezicht van de ECB verzoekster op 12 april 2023 meegedeeld dat zij spoedig een ontwerpbesluit zou ontvangen waarin bezwaar werd gemaakt tegen de voorgenomen verwerving.
21 Op 12 april 2023 heeft de ECB verzoekster in kennis gesteld van een ontwerpbesluit waarin zij zich verzet tegen de voorgenomen verwerving op grond dat verzoekster niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling. Verzoekster heeft een verzoek om inzage in het dossier ingediend, alsmede een verzoek tot verlenging van de termijn om haar opmerkingen in te dienen. Op 14 april 2023 heeft de ECB die verzoeken ingewilligd.
22 Op 21 april 2023 heeft verzoekster haar opmerkingen over dat ontwerpbesluit ingediend.
23 Bij e-mail van 5 mei 2023 heeft de ECB verzoekster in kennis gesteld van het bestreden besluit, waarbij zij haar in punt 21 hierboven vermelde ontwerpbesluit inhoudelijk heeft bevestigd. Na tot de slotsom te zijn gekomen dat verzoekster via MWB 1 een gekwalificeerde deelneming in het doelwit zou verwerven ten belope van 100 % van de stemrechten en 100 % van het kapitaal, heeft de ECB aangegeven waarom verzoekster haars inziens niet voldeed aan de wettelijke criteria om een dergelijke gekwalificeerde deelneming te verwerven. Ten eerste was de ECB van mening dat verzoekster niet voldeed aan het vereiste van een goede reputatie, aangezien zij onder de invloed stond van haar echtgenoot, die volgens die instelling een slechte naam had, en daarnaast niet over voldoende vakbekwaamheid beschikte. Ten tweede heeft de ECB erop gewezen dat verzoekster niet over de vereiste financiële soliditeit beschikte om het nodige kapitaal aan het doelwit te verschaffen. Ten derde was de ECB met name van mening dat de voorgenomen verwerving geen effectief prudentieel toezicht op het doelwit mogelijk maakte.
24 Nadat de ECB verzoeksters raadsman op 5 mei 2023 herhaaldelijk had aangemaand om de goede ontvangst van het bestreden besluit te bevestigen, heeft deze op 8 mei 2023 aan de ECB geantwoord dat de geldigheid van de gedane kennisgeving werd betwist.
25 Bij e-mail van 12 mei 2023 heeft verzoekster herhaald dat zij de geldigheid van de kennisgeving van het bestreden besluit betwistte en verzocht om toezending van de in het bestreden besluit vermelde afzonderlijke nota met de beoordeling van de opmerkingen over het ontwerpbesluit (hierna: „afzonderlijke beoordelingsnota”).
26 Op 15 mei 2023 heeft de ECB verzoekster de afzonderlijke beoordelingsnota toegezonden.
Conclusies van partijen
27 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de ECB te verwijzen in de kosten.
28 De ECB verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
29 Verzoekster voert zeven middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van de procedureregels voor de beoordeling van een gekwalificeerde deelneming, het tweede aan schending van het recht om te worden gehoord en aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, het derde aan het ontbreken van een onderzoek van de relevante feiten en aan niet-nakoming van de verplichting om het besluit uitsluitend vast te stellen op een voldoende solide feitelijke grondslag, het vierde aan een onjuiste uitlegging en toepassing door de ECB van het begrip „gekwalificeerde deelneming”, het vijfde aan een onjuiste uitlegging en toepassing door de ECB van de criteria voor de beoordeling van de kandidaat-verwerver, het zesde aan schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en het zevende aan schending van het evenredigheidsbeginsel.
Eerste middel: schending van de procedureregels voor de beoordeling van een gekwalificeerde deelneming
30 Verzoekster heeft het eerste middel opgesplitst in drie onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan het ontbreken van een ontvangstbevestiging van de kennisgeving van de voorgenomen verwerving, het tweede aan het ontbreken van een kennisgeving van het bestreden besluit en het derde aan het verstrijken van de beoordelingsperiode.
Eerste onderdeel: geen ontvangstbevestiging van de kennisgeving van de voorgenomen verwerving
31 Verzoekster betoogt dat krachtens artikel 22, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB 2013, L 176, blz. 338; hierna: „CRD IV-richtlijn”) en krachtens § 2c, lid 1, negende volzin, van het Gezetz über das Kreditwesen (Kreditwesengesetz, wet op de kredietsector), in de versie van 9 september 1998 (BGBl. 1998 I, blz. 2776), zoals gewijzigd bij de wet van 22 februari 2023 (BGBl. 2023 I nr. 51) (hierna: „KWG”), waarbij die richtlijn is omgezet, BaFin en de ECB binnen twee werkdagen, namelijk op 19 november 2021, de ontvangst van de kennisgeving van de voorgenomen verwerving hadden moeten bevestigen. In casu heeft BaFin acht maanden laten verstrijken alvorens om aanvullende informatie te verzoeken en de ontvangst van de volledige kennisgeving pas op 21 februari 2023 bevestigd met terugwerkende kracht tot 8 februari 2023.
32 Verzoekster stelt dat de termijn van twee werkdagen moet ingaan vanaf de kennisgeving van de voorgenomen verwerving, ongeacht of de kennisgeving al dan niet volledig is. Dit volledigheidsvereiste is niet opgenomen in artikel 22, lid 2, eerste alinea, van de CRD IV-richtlijn, dat enkel verwijst naar de in artikel 22, lid 1, van die richtlijn bedoelde kennisgeving, zonder melding te maken van alle voor de beoordeling vereiste documenten. Die richtlijn verbiedt de lidstaten bovendien om voor de kennisgeving strengere eisen te stellen dan die waarin zij zelf voorziet. § 2c, lid 1, negende volzin, KWG moet dus in die zin worden uitgelegd en kan bijgevolg niet vereisen dat de kennisgeving volledig is om de termijn van twee werkdagen te laten ingaan, zoals wordt bevestigd in punt 9.2 van de op 20 december 2016 gepubliceerde gemeenschappelijke richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector (JC/GL/2016/01; hierna: „gemeenschappelijke richtsnoeren”).
33 Voorts is verzoekster van mening dat die uitlegging aansluit bij de specifieke regels voor verzoeken om aanvullende informatie, die bedoeld zijn om in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel ongerechtvaardigde vertragingen bij de bevoegde autoriteiten te voorkomen. Overeenkomstig de doelstellingen van zowel de CRD IV-richtlijn als verordening (EU) nr. 468/2014 van de ECB van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de ECB en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (PB 2014, L 141, blz. 1; hierna: „GTM-kaderverordening”) behoedt die uitlegging kandidaat-verwervers voor aanzienlijke vertraging van voorgenomen verwervingen waarvan zij kennis hebben gegeven.
34 Ten slotte stelt verzoekster dat aan de doeltreffendheid van het prudentieel toezicht niet wordt afgedaan door de uitlegging die zij voorstaat, aangezien de bevoegde autoriteiten zich tegen een verwerving konden verzetten indien de door de kandidaat-verwerver verstrekte informatie onvolledig was. Die uitlegging leidt evenmin tot een grotere werklast voor de bevoegde autoriteiten. Volgens verzoekster moeten de bevoegde autoriteiten de duidelijke regels inzake de termijnen voor het toezicht op gekwalificeerde deelnemingen naleven, omdat zij hun beslissing anders voor onbepaalde tijd kunnen uitstellen. Zij concludeert daaruit dat de kennisgeving als volledig moet worden beschouwd wanneer de bevoegde autoriteit niet binnen de gestelde termijn van twee werkdagen reageert.
35 De ECB betwist verzoeksters argumenten.
36 Vooraf zij eraan herinnerd dat de ECB krachtens artikel 4, lid 1, onder c), van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de ECB specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63; hierna: „GTM-verordening”), gelezen in samenhang met artikel 15, lid 3, van die verordening en artikel 87 van de GTM-kaderverordening, exclusief bevoegd is om aan het einde van de procedure die met name is neergelegd in artikel 15 van de GTM-verordening en de artikelen 85 en 86 van de GTM-kaderverordening al dan niet goedkeuring te verlenen aan de voorgenomen verwerving (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest, C‑219/17, EU:C:2018:1023, punt 54).
37 Bovendien hebben de nationale autoriteiten in het kader van de betrekkingen waarvoor krachtens artikel 6, lid 2, van de GTM-verordening het beginsel van loyale samenwerking geldt, als taak – zoals volgt uit die bepaling, uit artikel 15, leden 1 en 2, van deze verordening en uit de artikelen 85 en 86 van de GTM-kaderverordening – goedkeuringsverzoeken te registreren en bijstand te verlenen aan de ECB, die als enige beslissingsbevoegdheid heeft, met name door haar alle informatie te verstrekken die nodig is voor de vervulling van haar taken, door dergelijke verzoeken te onderzoeken en door vervolgens aan de ECB een voorstel voor een besluit toe te zenden dat niet bindend is voor de ECB (arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest, C‑219/17, EU:C:2018:1023, punt 55).
38 Het is derhalve aan de Unierechter om op grond van zijn exclusieve bevoegdheid krachtens artikel 263 VWEU de wettigheid van de handelingen van de Unie te toetsen, zich uit te spreken over de wettigheid van het definitieve besluit van de ECB en eventuele gebreken in de voorbereidende handelingen of voorstellen van de nationale autoriteiten die de geldigheid van dat definitieve besluit kunnen aantasten, te onderzoeken teneinde een doeltreffende rechterlijke bescherming van de betrokken personen te waarborgen (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest, C‑219/17, EU:C:2018:1023, punt 44).
39 Volgens artikel 22, lid 1, van de CRD IV-richtlijn schrijven de lidstaten voor dat een kandidaat-verwerver de bevoegde autoriteiten van de kredietinstelling waarin hij een gekwalificeerde deelneming wil verwerven dan wel vergroten, daarvan schriftelijk voorafgaande aan de verwerving in kennis stelt onder vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in overeenstemming met artikel 23, lid 4, van die richtlijn gespecificeerde ter zake doende informatie. Artikel 22, lid 2, van die richtlijn bepaalt dat de bevoegde autoriteiten de kandidaat-verwerver terstond en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving een schriftelijke ontvangstbevestiging van de kennisgeving zenden. Zij hebben vanaf de datum van de schriftelijke bevestiging van ontvangst van de kennisgeving en van alle door de lidstaat vereiste documenten van de in artikel 23, lid 4, van de CRD IV-richtlijn bedoelde lijst die bij de kennisgeving gevoegd moeten worden, een termijn van 60 werkdagen.
40 Artikel 23, lid 4, van de CRD IV-richtlijn bepaalt dat de lidstaten een lijst publiceren met informatie die nodig is voor de beoordeling en die bij de in artikel 22, lid 1, van die richtlijn bedoelde kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt.
41 Artikel 22, leden 1 en 2, en artikel 23, lid 4, van de CRD IV-richtlijn zijn in Duits recht omgezet bij § 2c, leden 1 en 1a, KWG.
42 Volgens § 2c, lid 1, tweede volzin, KWG moet de kandidaat-verwerver in zijn kennisgeving de voor de vaststelling van de omvang van de deelneming en de invloed van betekenis, de beoordeling van zijn betrouwbaarheid en het onderzoek van andere verzetsgronden als bedoeld in § 2c, lid 1b, eerste volzin, KWG wezenlijke feiten en documenten vermelden – die bij besluit nader moeten worden bepaald overeenkomstig § 24, lid 4, KWG –, alsook de personen en ondernemingen waarvan hij de desbetreffende aandelen wil verwerven.
43 Ingevolge § 2c, lid 1, negende volzin, KWG moet BaFin de meldingsplichtige persoon terstond en uiterlijk binnen twee werkdagen na ontvangst van de volledige kennisgeving een schriftelijke ontvangstbevestiging van de kennisgeving zenden.
44 § 2c, lid 1a, eerste volzin, KWG bepaalt dat BaFin vanaf de datum van de brief waarbij zij de ontvangst van de volledige kennisgeving schriftelijk heeft bevestigd, een termijn heeft van 60 werkdagen om haar beoordeling uit te voeren. In § 2c, lid 1a, tweede volzin, KWG wordt bepaald dat het door BaFin afgegeven ontvangstbewijs de datum moet vermelden waarop de beoordelingsperiode afloopt.
45 Uit de bewoordingen van de in de punten 42 tot en met 44 hierboven aangehaalde Duitse bepalingen volgt ten eerste dat BaFin terstond en uiterlijk binnen twee werkdagen na ontvangst van de volledige kennisgeving een ontvangstbevestiging moet zenden en, ten tweede, dat de beoordelingsperiode van 60 werkdagen pas ingaat op de datum van afgifte van die ontvangstbevestiging, die de datum moet vermelden waarop de beoordelingsperiode afloopt.
46 Er zij voorts op gewezen dat de Europese toezichthoudende autoriteiten in 2016 gemeenschappelijke richtsnoeren hebben vastgesteld teneinde de praktijk in de lidstaten te homogeniseren.
47 Wat bankinstellingen betreft, wordt de rechtsgrondslag van de gemeenschappelijke richtsnoeren gevormd door artikel 16, lid 1, van verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (EBA), tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 12), waarin is bepaald dat EBA met het oog op het invoeren van consistente, efficiënte en effectieve toezichtpraktijken binnen het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS) en het verzekeren van de gemeenschappelijke, uniforme en consistente toepassing van het Unierecht richtsnoeren en aanbevelingen tot bevoegde autoriteiten of financiële instellingen richt.
48 Hoewel de gemeenschappelijke richtsnoeren niet-bindende rechtshandelingen zijn, volgt uit artikel 16, lid 3, van verordening nr. 1093/2010 dat de bevoegde autoriteiten en de financiële instellingen zich tot het uiterste inspannen om daaraan te voldoen (conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Berlusconi en Fininvest, C‑219/17, EU:C:2018:502, punten 84 en 85). In die bepaling wordt niettemin gepreciseerd dat deze autoriteiten moeten aangeven of zij aan deze richtsnoeren voldoen of voornemens zijn die op te volgen en, indien zulks niet het geval is, de EBA daarvan in kennis moeten stellen, onder opgave van de aan hun besluit ten grondslag liggende redenen (arrest van 15 juli 2021, FBF, C‑911/19, EU:C:2021:599, punt 43). Zoals de ECB in haar schriftelijke stukken heeft verklaard, heeft zij zich er dus toe verbonden om aan die gemeenschappelijke richtsnoeren te voldoen. Bovendien is er aangegeven dat BaFin te kennen had gegeven zich aan de gemeenschappelijke richtsnoeren te zullen houden.
49 In punt 9.1 van de gemeenschappelijke richtsnoeren wordt het beginsel overgenomen dat de bevoegde autoriteiten de kandidaat-verwerver terstond en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving een schriftelijke ontvangstbevestiging moeten zenden. Volgens punt 9.2 van de gemeenschappelijke richtsnoeren, waarop verzoekster zich in het kader van het eerste onderdeel van haar eerste middel zelf beroept, moet binnen twee werkdagen een ontvangstbevestiging worden afgegeven, ongeacht of de kennisgeving volledig is of niet. In dat punt wordt namelijk bepaald dat de bevoegde autoriteit in geval van een onvolledige kennisgeving binnen twee werkdagen de ontvangst ervan moet bevestigen en de kandidaat-verwerver binnen een redelijke termijn moet informeren over de ontbrekende informatie.
50 Zoals is aangegeven in punt 9.1 van de gemeenschappelijke richtsnoeren, heeft een onvolledige kennisgeving noch de reikwijdte noch de gevolgen van een volledige kennisgeving. Uit de tweede volzin van dat punt volgt dat de kennisgeving slechts als volledig mag worden beschouwd indien zij alle door de betrokken lidstaat verlangde informatie bevat. In de derde volzin van dat punt staat bovendien dat de bevestiging uitsluitend een procedurele stap vormt die betrekking heeft op de formele volledigheid van de kennisgeving en die tot gevolg heeft dat de termijn van 60 werkdagen voor de prudentiële beoordeling begint te lopen, en geen inhoudelijke beoordeling van de verstrekte documentatie door de toezichthouder van de doelbank inhoudt.
51 Door te bepalen dat een bevestiging slechts tot gevolg kan hebben dat de beoordelingsperiode van 60 werkdagen ingaat als de kennisgeving volledig is, brengen die richtsnoeren gewoon de regel van artikel 22, leden 1 en 2, van de CRD IV-richtlijn in herinnering dat de termijn van 60 werkdagen pas ingaat nadat de kennisgeving samen met „alle door de lidstaat vereiste documenten” is ontvangen en de bevoegde autoriteit binnen twee werkdagen na ontvangst ervan een schriftelijke ontvangstbevestiging heeft gestuurd.
52 Uit het voorgaande volgt ten eerste dat een onvolledige kennisgeving de in artikel 22, lid 2, van de CRD IV-richtlijn gestelde termijn van 60 werkdagen niet doet ingaan, ten tweede dat de bevoegde autoriteit in geval van een onvolledige kennisgeving de ontbrekende informatie niet hoeft te vermelden in de ontvangstbevestiging van de onvolledige kennisgeving, maar dit slechts dient aan te geven binnen een redelijke termijn, en ten derde dat de beoordelingsperiode van 60 werkdagen, zoals overigens is bepaald in § 2c, lid 1a, KWG, begint te lopen vanaf de datum van de schriftelijke ontvangstbevestiging van de volledige kennisgeving.
53 Verzoekster voert evenwel in wezen aan dat BaFin, doordat zij de ontvangst van de kennisgeving van 12 november 2021 niet heeft bevestigd en haar niet binnen een redelijke termijn de lijst met ontbrekende informatie heeft doen toekomen, de door de ECB te verrichten beoordeling van de voorgenomen verwerving onnodig heeft vertraagd.
54 Dienaangaande zij opgemerkt dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat BaFin pas negen maanden later op de kennisgeving van 12 november 2021 heeft gereageerd, dat wil zeggen na het verstrijken van een relatief lange periode. Die omstandigheid heeft de facto de daadwerkelijke aanvang van de beoordeling door de ECB van de voorgenomen verwerving vertraagd.
55 Volgens de rechtspraak van het Gerecht kan de niet-inachtneming van een dwingend vormvoorschrift evenwel alleen leiden tot de onwettigheid van het eindbesluit van de betrokken instelling wanneer zij van voldoende wezenlijke aard is en nadelige gevolgen heeft voor de juridische en feitelijke situatie van de partij die zich op een dergelijke vormfout beroept (zie in die zin arrest van 21 december 2022, Vialto Consulting/Commissie, T‑537/18, niet gepubliceerd, EU:T:2022:852, punt 183 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Gelet op het in de punten 39 tot en met 52 hierboven uiteengezette rechtskader heeft het feit dat BaFin geen ontvangstbevestiging heeft afgegeven bij de ontvangst van de kennisgeving van 12 november 2021, die op dat moment onvolledig was, in casu geen invloed gehad op de inhoud van het bestreden besluit, noch op de beoordelingsperiode van 60 werkdagen.
57 Bovendien is de periode van negen maanden die BaFin nodig had om te reageren op de kennisgeving van de voorgenomen verwerving, volgens de ECB te verklaren door het feit dat BaFin tot aan een telefoongesprek met verzoekster van mening was dat verzoeksters kennisgeving slechts betrekking had op een deel van het fusieproject van Warburg Gruppe met het doelwit.
58 Dienaangaande wijst het Gerecht erop dat verzoekster ten tijde van de indiening van de kennisgeving van de voorgenomen verwerving had aangegeven dat die kennisgeving werd gedaan „in verband” met het fusieproject van Warburg Gruppe en het doelwit. In die omstandigheden kon BaFin, zoals de ECB stelt, zich op goede gronden op het standpunt stellen dat de kennisgeving van 12 november 2021 moest worden onderzocht in de ruimere context van een ander project.
59 Derhalve moet worden vastgesteld dat verzoekster geen elementen aandraagt waaruit blijkt dat het niet verzenden van een ontvangstbevestiging van de onvolledige kennisgeving van voldoende wezenlijke aard was. Zij voert evenmin elementen aan waaruit blijkt dat het ontbreken van een dergelijke ontvangstbevestiging van dien aard was dat haar juridische en feitelijke situatie erdoor werd beïnvloed overeenkomstig de in punt 55 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.
60 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
Derde onderdeel: verstrijken van de beoordelingsperiode
61 Verzoekster betoogt dat de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 22, leden 2 en 6, van de CRD IV-richtlijn, zoals omgezet in Duits recht, haar beoordeling binnen een strikte termijn van maximaal 60 werkdagen moet verrichten wanneer er niet om aanvullende informatie wordt verzocht. Indien de bevoegde autoriteit zich niet verzet tegen de voorgenomen verwerving waarvan zij binnen die termijn in kennis is gesteld, wordt die verwerving geacht te zijn goedgekeurd.
62 Ten eerste voert verzoekster aan dat de kennisgeving van de voorgenomen verwerving van 12 november 2021 door BaFin is ontvangen op 16 november 2021, waardoor de beoordelingsperiode had moeten ingaan op 19 november 2021.
63 Verzoekster stelt dat het opleggen van strikte termijnen aan de bevoegde autoriteit de beoordelingsprocedure een duidelijk en voorspelbaar karakter verleent en er tegelijkertijd voor zorgt dat snel een beslissing wordt genomen.
64 Verzoekster voegt daaraan toe dat op grond van artikel 41 van het Handvest en de documenten ter voorbereiding van de omzetting in Duits recht van richtlijn 2007/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot wijziging van richtlijn 92/49/EEG van de Raad en de richtlijnen 2002/83/EG, 2004/39/EG, 2005/68/EG en 2006/48/EG wat betreft procedureregels en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de financiële sector (PB 2007, L 247, blz. 1), § 2c, lid 1, negende volzin, KWG aldus moet worden uitgelegd dat de beoordelingsperiode twee dagen na ontvangst van de kennisgeving door BaFin begint te lopen, ongeacht of de volledigheid van die kennisgeving is bevestigd.
65 Ten tweede en subsidiair voert verzoekster aan dat, gelet op de ontvangstbevestiging van BaFin van 16 augustus 2022, de beoordelingsperiode had moeten ingaan op 19 augustus 2022.
66 Ten derde, en nog meer subsidiair, stelt verzoekster zich op het standpunt dat de beoordelingsperiode, zelfs bij gebreke van een ontvangstbevestiging, op 23 januari 2023 had moeten ingaan, omdat zij de laatste kennisgevingen voor doelwit MS en doelwit Hyp had ingediend op 19 januari 2023. Aangezien het verzoek van BaFin om aanvullende informatie is ingediend op 27 januari 2023, dat wil zeggen na het verstrijken van de dwingende termijn van twee werkdagen, had de beoordelingsperiode uiterlijk op 19 april 2023 moeten aflopen.
67 Ten vierde heeft BaFin de beoordelingsperiode verkeerd berekend door ervan uit te gaan dat zij de laatste informatie van verzoekster had ontvangen op 3 februari 2023, terwijl verzoekster de laatste vereiste informatie op 1 februari 2023 had verstrekt. De ECB kan niet op goede gronden stellen dat de kennisgeving en de daarbij horende informatie schriftelijk moet worden ingediend, aangezien een dergelijk standpunt niet alleen in tegenspraak zou zijn met het feit dat de ECB zelf de wijze van elektronische kennisgeving kiest die zij passend acht, maar ook rechtens onjuist zou zijn, omdat die wijze van kennisgeving noch door artikel 22 van de CRD IV-richtlijn, noch door § 2c, lid 1a, KWG wordt vereist.
68 Verzoekster concludeert dat de ECB zich binnen de beoordelingsperiode niet tegen de voorgenomen verwerving heeft verzet, zodat deze wordt geacht te zijn goedgekeurd.
69 De ECB betwist verzoeksters stellingen.
70 In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 22, lid 6, van de CRD IV-richtlijn bepaalt dat indien de bevoegde autoriteiten zich binnen de beoordelingsperiode niet schriftelijk tegen de voorgenomen verwerving verzetten, zij wordt geacht te zijn goedgekeurd.
71 De omzetting van die bepaling in Duits recht is vervat in § 2c, lid 1b, achtste volzin, KWG, waarin wordt bepaald dat indien de toezichthoudende autoriteit zich binnen de beoordelingsperiode niet schriftelijk tegen de verwerving of de vergroting van de deelneming verzet, de verwerving of de vergroting is toegestaan.
72 Zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel, gaat de beoordelingsperiode van 60 werkdagen pas in vanaf de bevestiging van ontvangst van de volledige kennisgeving (zie punt 45 hierboven).
73 Bovendien volgt uit artikel 22, lid 1, van de CRD IV-richtlijn dat de kennisgeving van een gekwalificeerde deelneming schriftelijk moet geschieden, zonder dat de schriftelijke vorm daarin is gedefinieerd. In het Duitse recht bepaalt § 2c, lid 1, eerste volzin, KWG dienovereenkomstig dat de kennisgeving van een gekwalificeerde deelneming overeenkomstig de tweede volzin van die bepaling schriftelijk moet gebeuren. Volgens die tweede volzin moet de kandidaat-verwerver in zijn kennisgeving de wezenlijke feiten en documenten vermelden, die met name bij besluit nader moeten worden bepaald overeenkomstig § 24, lid 4, KWG.
74 Bijgevolg was de verstrekking van de aldus gevraagde informatie door verzoekster een noodzakelijke voorwaarde opdat BaFin de ontvangstbevestiging van de volledige kennisgeving zou verzenden, waardoor de beoordelingsperiode kon beginnen te lopen.
75 In casu heeft BaFin op 27 januari 2023 om informatie over verzoeksters financiële situatie verzocht. Die informatie had onder meer betrekking op de vaststelling van de aankoopprijs van haar deelneming in het doelwit, haar belastingaangiften en de beschrijving van haar inkomstenbronnen.
76 Dat soort informatie is opgenomen in § 13, lid 3, van de Verordnung über die Anzeigen nach § 2c des Kreditwesengesetzes und § 17 des Versicherungsaufsichtsgesetzes (Inhaberkontrollverordnung, besluit inzake het toezicht op aandeelhouders) van 20 maart 2009 (BGBl. 2009 I, blz. 562; hierna: „InhKontrollV”), waarin overeenkomstig § 24, lid 4, KWG de voor de kennisgeving van de verwerving van een gekwalificeerde deelneming vereiste gegevens nader worden bepaald.
77 Hieruit volgt dat de kennisgeving vóór de ontvangst van die informatie niet volledig was en dat de termijn voor de beoordelingsperiode dus niet kon ingaan.
78 Op 1 februari 2023 heeft verzoekster BaFin een e-mail gestuurd in antwoord op haar verzoek van 27 januari 2023. Die e-mail bevatte als bijlagen een gescande versie van de namens verzoekster ondertekende antwoordbrief met de vermelding „vooraf per e-mail”, alsmede vier documenten in pdf-versie. Verzoekster heeft die brief en bijlagen eveneens per post verzonden.
79 Bij ontvangstbevestiging van 21 februari 2023 heeft BaFin verzoekster laten weten dat haar antwoordbrief van 1 februari 2023 op 3 februari 2023 in ontvangst was genomen en dat haar kennisgeving als volledig werd beschouwd. Bij dat schrijven heeft BaFin verzoekster uitdrukkelijk meegedeeld dat de beoordelingsperiode bijgevolg zou lopen van 8 februari tot en met 5 mei 2023.
80 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat verzoekster tot aan de indiening van haar verzoekschrift geen opmerkingen heeft gemaakt over dat schrijven, waarin BaFin zich op het standpunt had gesteld dat het beginpunt van de beoordelingsperiode niet de ontvangst van de e-mail van 1 februari 2023 was, maar de ontvangst van de papieren documenten van 3 februari 2023.
81 Gelet op die ontvangstbevestiging kon de beoordelingsperiode overeenkomstig § 2c, lid 1a, KWG, gelezen en uitgelegd in het licht van artikel 22, lid 2, tweede alinea, van de CRD IV-richtlijn, dus niet ingaan vóór 8 februari 2023, noch aflopen vóór 5 mei 2023.
82 Alleen al om die reden heeft de ECB het recht niet onjuist toegepast en met name geen inbreuk gemaakt op artikel 41 van het Handvest door zich op het standpunt te stellen dat de beoordelingsperiode liep van 8 februari 2023 tot en met 5 mei 2023.
83 Verzoekster betoogt evenwel dat zij de laatste vereiste informatie heeft verstrekt op 1 februari 2023 en niet op 3 februari 2023, zoals BaFin stelt. De ECB kan niet op goede gronden stellen dat de bij de kennisgeving gevoegde informatie schriftelijk moet worden ingediend en dat de kennisgeving bijgevolg pas vanaf 3 februari 2023 als volledig kan worden beschouwd. Verzoekster betoogt dus dat de toezending van de door BaFin op 27 januari 2023 gevraagde informatie niet schriftelijk diende te gebeuren.
84 In dat verband moet worden vastgesteld dat verzoekster de door BaFin en de ECB vereiste schriftelijke vorm in acht heeft genomen voor de oorspronkelijke kennisgeving van de voorgenomen verwerving van 12 november 2021.
85 De vraag rijst dus of in wezen dezelfde vorm moest worden verlangd voor de mededeling van de informatie waarom BaFin op 27 januari 2023 had verzocht om de kennisgeving van de voorgenomen verwerving als volledig te kunnen beschouwen.
86 Zoals volgt uit de punten 73 tot en met 77 hierboven, moest die informatie, die verband hield met verzoeksters financiële situatie en met name betrekking had op de vaststelling van de aankoopprijs van haar deelneming in het doelwit, haar belastingaangiften en de beschrijving van haar inkomstenbronnen, aan BaFin worden meegedeeld opdat de kennisgeving van de voorgenomen verwerving als volledig zou kunnen worden beschouwd. Ook die informatie moest dus aan BaFin worden meegedeeld in de voor de oorspronkelijke kennisgeving geldende vorm.
87 Het staat evenwel vast dat verzoeksters e-mail van 1 februari 2023, die in antwoord op de verzoeken van BaFin van 27 januari 2023 is verzonden, niet voldoet aan de voor de oorspronkelijke kennisgeving vereiste schriftelijke vorm. Voorts betwist verzoekster in haar schriftelijke stukken weliswaar dat § 126, eerste volzin, van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek) in casu van toepassing is, maar uit de gegevens van het dossier blijkt dat zij de kennisgeving van 12 november 2021 per brief heeft verricht. Zodoende heeft verzoekster aanvaard dat de door § 2c, lid 1, eerste volzin, KWG vereiste schriftelijke vorm inhield dat voornoemde kennisgeving in fysieke vorm moest worden toegezonden en door haar met de hand ondertekend moest worden.
88 Dienaangaande heeft het Gerecht partijen bij maatregel tot organisatie van de procesgang van 13 november 2024 verzocht om de definitie van schriftelijke vorm in de in punt 87 hierboven genoemde bepaling te verduidelijken in het licht van het Duitse nationale recht. De kwestie is ook besproken ter terechtzitting.
89 Uit de schriftelijke antwoorden van partijen en uit hun mondelinge opmerkingen ter terechtzitting volgt dat de schriftelijke vorm die wordt voorgeschreven door § 2c, lid 1, eerste volzin, KWG – waarbij artikel 22, lid 1, van de CRD IV-richtlijn is omgezet –, noch in het Duitse wetgevend kader, noch door de nationale bestuursrechters is gedefinieerd. Zoals de ECB uiteenzet, is § 126, eerste volzin, van het Duitse burgerlijk wetboek ook relevant voor de toepassing van § 2c, lid 1, eerste volzin, KWG. Volgens die bepaling moet het betrokken document, indien de schriftelijke vorm bij wet is voorgeschreven, door de opsteller eigenhandig met zijn naam of middels zijn notarieel gewaarmerkte initialen worden ondertekend.
90 In casu heeft verzoekster zelf bovenaan haar e-mail van 1 februari 2023 de volgende woorden opgenomen: „vooraf per e-mail”. Ter terechtzitting heeft zij ook uitgelegd dat zij de bij die e-mail gevoegde documenten in fysieke vorm had verzonden om te voorkomen dat de termijn niet zou beginnen lopen totdat de documenten in die vorm waren ontvangen.
91 Daarmee heeft verzoekster niet alleen niet betwist dat de verplichting tot kennisgeving van de voorgenomen verwerving – die „schriftelijk” moest geschieden – verzending op papier inhield, maar heeft zij dit kennelijk ook zelf erkend.
92 Voorts kan de elektronische vorm onder de in § 3a, lid 2, van het Verwaltungsverfahrensgesetz, in de versie van 23 januari 2003 (BGBl. I, blz. 102) (hierna: „Duitse wet inzake bestuurlijke procedures”) gestelde voorwaarden in de plaats komen van de schriftelijke vorm. Volgens die bepaling is de toezending van elektronische documenten namelijk slechts toegestaan „voor zover de ontvanger daartoe toegang verleent” of indien de betrokken documenten voorzien zijn van een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3, punt 12, van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG (PB 2014, L 257, blz. 73). In casu is aan geen van die twee voorwaarden voldaan.
93 In antwoord op een mondelinge vraag van het Gerecht en in aanvulling op haar antwoord op de in punt 88 hierboven vermelde maatregel tot organisatie van de procesgang heeft de ECB uiteengezet, zonder op dit punt door verzoekster te zijn tegengesproken, dat BaFin in haar e-mails de specifieke e-mailadressen vermeldt waarnaar documenten in elektronische vorm moeten worden verzonden. Voorts heeft zij verklaard dat ook op de website van BaFin uitdrukkelijk wordt aangegeven dat elk elektronisch document uitsluitend naar die twee adressen moet worden verzonden, hetgeen verzoekster ter terechtzitting evenmin heeft betwist.
94 Vastgesteld moet worden dat verzoekster na de e-mail die haar op 27 januari 2023 door BaFin was toegezonden en waarin naar die functionele adressen werd verwezen, de e-mail van 1 februari 2023 niet naar een van die adressen heeft verzonden en dat de documenten, die oorspronkelijk met de hand waren ondertekend, geen elektronische handtekening bevatten.
95 De door verzoekster op 1 februari 2023 toegezonden documenten kunnen dus niet worden geacht rechtsgeldig langs elektronische weg ter kennis te zijn gebracht en dientengevolge de kennisgeving van de voorgenomen verwerving van 12 november 2023 rechtsgeldig te hebben vervolledigd.
96 Ten slotte moet, gelet op de bepalingen van § 3a, lid 2, van de Duitse wet inzake bestuurlijke procedures, de stelling worden verworpen dat verzoekster de e-mail van BaFin van 27 januari 2023 kon beantwoorden met een e-mail naar hetzelfde adres.
97 Hoe dan ook moet er eveneens op worden gewezen dat elke partij bij de procedure de op haar toepasselijke regels moet naleven. Terwijl voor de kennisgeving van de voorgenomen verwerving de voorwaarden van § 2c, lid 1, eerste volzin, KWG gelden, moet de kennisgeving van een toezichtbesluit door de ECB voldoen aan het in de punten 123 tot en met 126 hieronder uiteengezette rechtskader, dat in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel zal worden onderzocht.
98 Uit het voorgaande volgt dat BaFin, gelet op de juridische en feitelijke context van de onderhavige zaak, het recht niet onjuist heeft toegepast door zich op het standpunt te stellen dat de schriftelijke kennisgeving volledig was op de dag van ontvangst van de door verzoekster op een fysieke drager verstrekte gegevens, namelijk op 3 februari 2023, aangezien verzoekster de gevraagde informatie per e-mail naar een niet daartoe bestemd adres had gestuurd en tegelijkertijd een fysieke verzending had aangekondigd en uitgevoerd.
99 Uit het voorgaande volgt dat het derde onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede onderdeel: geen schriftelijke vorm en geen kennisgeving van het bestreden besluit
100 In de eerste plaats betoogt verzoekster dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat het haar niet overeenkomstig artikel 35, leden 1 en 10, en artikel 88, lid 1, onder b), van de GTM-kaderverordening ter kennis is gebracht.
101 Het bestreden besluit is verzoekster toegezonden in de vorm van een bijlage bij een e-mail, hoewel de ECB geen besluit heeft genomen over de criteria voor elektronische kennisgeving overeenkomstig artikel 35, lid 10, van de GTM-kaderverordening.
102 Verzoekster voegt daar nog aan toe dat artikel 35, lid 10, van de GTM-kaderverordening de ECB niet de bevoegdheid verleent om het elektronische communicatiemiddel te kiezen dat zij geschikt acht om kennis te geven van een besluit. Dat artikel vereist dat de ECB criteria voor elektronische kennisgeving vaststelt die voldoen aan het rechtszekerheidsbeginsel en die de adressaat van het besluit in staat stellen de authenticiteit en het precieze tijdstip van de kennisgeving te verifiëren. Verzoekster beroept zich in dit verband op artikel 100, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
103 In de tweede plaats voegt verzoekster daaraan toe dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van het bestreden besluit, aangezien de afzonderlijke beoordelingsnota, die een integrerend deel uitmaakt van de redenering van de ECB, haar niet is meegedeeld als onderdeel van of bijlage bij dat besluit.
104 In de derde plaats betoogt verzoekster in aanvulling op haar antwoorden op de maatregel tot organisatie van de procesgang van 13 november 2024 dat uit § 2c, lid 1b, vijfde en achtste volzin, KWG en artikel 22, lid 6, van de CRD IV-richtlijn volgt dat een besluit om zich te verzetten tegen een voorgenomen verwerving van een gekwalificeerde deelneming schriftelijk moet worden vastgesteld en meegedeeld. Volgens § 37, leden 2 en 3, van de Duitse wet inzake bestuurlijke procedures vereist die schriftelijke vorm dat de bestuurshandeling in fysieke vorm bestaat.
105 Het is juist dat de schriftelijke vorm overeenkomstig § 3a, lid 2, en § 37, lid 3, van de Duitse wet inzake bestuurlijke procedures kan worden vervangen door de elektronische vorm. Het bestreden besluit voldoet evenwel niet aan die vorm, aangezien het niet is ondertekend met een gekwalificeerd middel voor elektronische handtekeningen in de zin van artikel 3, punt 12, van verordening nr. 910/2014.
106 Voorts is verzoekster van mening dat het bestreden besluit niet is geauthenticeerd, zodat het op zich nietig moet worden verklaard.
107 De ECB wijst verzoeksters stellingen van de hand.
108 Met haar derde grief betoogt verzoekster in haar antwoorden op de maatregel tot organisatie van de procesgang van 13 november 2024 dat het bestreden besluit niet voldoet aan de schriftelijke vorm, aangezien het niet in fysieke vorm is opgesteld, noch aan de elektronische vorm, aangezien er geen gekwalificeerde elektronische handtekening op is aangebracht.
109 De geldigheid van de kennisgeving van het bestreden besluit kan naar nationaal procesrecht echter niet ter discussie worden gesteld.
110 Ten eerste is de procedure voor het toezicht op gekwalificeerde deelnemingen, zoals in de punten 36 en 37 hierboven is opgemerkt, een samengestelde procedure die eerst bij de nationale bevoegde autoriteit en vervolgens bij de ECB wordt gevoerd. In dat verband is de ECB overeenkomstig artikel 4, lid 3, van de GTM-verordening gehouden „alle toepasselijke Uniewetgeving [toe te passen], en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet”. Dienaangaande wordt in overweging 34 van die verordening gepreciseerd dat „de ECB de materiële voorschriften betreffende het prudentieel toezicht op kredietinstellingen [dient] toe te passen”.
111 Derhalve hoeven § 3a en § 37 van de Duitse wet inzake bestuurlijke procedures, die niet onder het materiële recht betreffende het prudentieel toezicht vallen, niet door de ECB te worden toegepast.
112 Ten tweede mag niet uit het oog worden verloren dat, gesteld al dat de kennisgeving niet schriftelijk of langs elektronische weg in de zin van het Duitse recht heeft plaatsgevonden, het voor de regelmatigheid van de kennisgeving van een besluit volstaat dat het aan de adressaat ervan wordt meegedeeld en dat laatstgenoemde in staat wordt gesteld er kennis van te nemen, met dien verstande bovendien dat eventuele onregelmatigheden in de wijze van kennisgeving niet afdoen aan de wettigheid of de regelmatigheid van de meegedeelde handeling zelf (arrest van 12 maart 2020, LL-Carpenter/Commissie, T‑531/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:91, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113 In casu is het bestreden besluit bij e-mail van 5 mei 2023 ter kennis van verzoekster gebracht. In dat besluit is het verzet van de ECB tegen de voorgenomen verwerving uitdrukkelijk opgenomen en worden ook de redenen voor dat verzet uiteengezet.
114 Eveneens op 5 mei 2023 heeft de ECB per e-mail gevraagd om de ontvangst van het bestreden besluit te bevestigen. Op 8 mei 2023 heeft verzoeksters raadsman op die e-mail geantwoord dat hij de geldigheid van de kennisgeving betwistte en verzocht hij om informatie over de criteria waaraan moest worden voldaan voor een elektronische kennisgeving.
115 Verzoekster betwist dus niet dat zij het bestreden besluit heeft ontvangen en op 5 mei 2023 daarvan kennis heeft kunnen nemen. Die kennisneming blijkt hoe dan ook uit het feit dat zij op 12 mei 2023 heeft gevraagd om haar de afzonderlijke beoordelingsnota te verstrekken, waarbij zij uitdrukkelijk heeft verwezen naar de vermelding ervan in het bestreden besluit.
116 De gestelde niet-inachtneming van de schriftelijke en de elektronische vorm kan in casu voor verzoeksters juridische en feitelijke situatie dus geen nadelige gevolgen hebben in de zin van de in punt 55 hierboven aangehaalde rechtspraak. Aangezien de niet-inachtneming van de regels inzake de kennisgeving van het bestreden besluit geen gevolgen kan hebben voor de wettigheid van dat besluit, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat verzoeksters grief niet ter zake dienend is.
117 Bijgevolg moeten verzoeksters argumenten worden afgewezen.
118 Ten slotte voert verzoekster aan dat het bestreden besluit niet is geauthenticeerd, met name omdat het geen gekwalificeerde elektronische handtekening bevat. Deze authenticatie vormt een wezenlijk vormvoorschrift. De schending daarvan kan tot nietigverklaring van de betrokken handeling leiden en kan ambtshalve door de rechter worden opgeworpen (zie in die zin en naar analogie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 152).
119 Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak dat de authenticatie van een handeling is bedoeld om de rechtszekerheid te waarborgen door de door de auteur van de handeling vastgestelde tekst vast te leggen. Het toezicht op de inachtneming van de authenticatieformaliteit komt er dus op neer dat de zekerheid van de handeling wordt getoetst (zie in die zin ook arrest van 28 november 2019, Banco Cooperativo Español/GAR, T‑323/16, EU:T:2019:822, punten 75 en 77).
120 Zoals verzoekster in haar verzoekschrift opmerkt, is het bestreden besluit in casu een identieke weergave van het tijdens de bestuurlijke procedure aan haar meegedeelde ontwerpbesluit, enkele kleine formele wijzigingen niet te na gesproken. Verzoekster stelt niet dat het bestreden besluit na de ondertekening ervan is gewijzigd en betwist noch de identiteit noch de bevoegdheid van de ondertekenaar ervan. Zij beroept zich uitsluitend op de formele onregelmatigheid van die ondertekening, zonder de bewijskracht ervan te betwisten.
121 Bij gebreke van enig ander element dat twijfel kan doen rijzen over de zekerheid van het bestreden besluit kan de authenticatie ervan bijgevolg niet ter discussie worden gesteld.
122 Wat verzoeksters betoog betreft dat zij niet overeenkomstig artikel 35, leden 1 en 10, en artikel 88, lid 1, onder b), van de GTM-kaderverordening in kennis is gesteld van het bestreden besluit, moet het volgende worden opgemerkt.
123 Volgens artikel 35, leden 1 en 10, van de GTM-kaderverordening kan de ECB een partij onder meer elektronisch in kennis stellen van een ECB-toezichtbesluit. Artikel 35, lid 10, van de GTM-kaderverordening bepaalt bovendien dat de ECB de criteria bepaalt waaraan uitreiking van een ECB-toezichtbesluit middels een elektronisch of ander vergelijkbaar mededelingsmiddel moet voldoen.
124 Vast staat dat de ECB dergelijke criteria niet heeft vastgesteld. De hierboven opgenomen bewoordingen van artikel 35 van de GTM-kaderverordening stellen de mogelijkheid voor de ECB om langs elektronische weg kennis te geven van een toezichtbesluit evenwel niet afhankelijk van de voorafgaande vaststelling van die criteria. Artikel 35, lid 10, van de GTM-kaderverordening voorziet immers uitsluitend in de mogelijkheid voor de ECB om de criteria te bepalen waaraan uitreiking van een ECB-toezichtbesluit middels een elektronisch of ander vergelijkbaar mededelingsmiddel moet voldoen. Die bepaling stond er dus niet aan in de weg dat de ECB verzoekster per e-mail in kennis stelde van het bestreden besluit.
125 Voorts staat in artikel 88, lid 1, onder b), van de GTM-kaderverordening te lezen dat de ECB de partijen in overeenstemming met artikel 35 van die kaderverordening onverwijld op de hoogte brengt van besluiten inzake de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling.
126 Ten slotte bepaalt artikel 22, lid 5, van de CRD IV-richtlijn dat indien de bevoegde autoriteiten besluiten zich te verzetten tegen een verwerving, zij de kandidaat-verwerver daarvan binnen twee werkdagen na voltooiing van de beoordeling en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden schriftelijk en gemotiveerd kennisgeven.
127 Volgens de rechtspraak is een besluit naar behoren betekend zodra het aan de geadresseerde is meegedeeld en deze in staat is gesteld er kennis van te nemen. Een wijze van betekening wordt derhalve passend geacht indien daarmee met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer de beroepstermijn ingaat (zie in die zin arrest van 6 april 1995, BASF e.a./Commissie, T‑80/89, T‑81/89, T‑83/89, T‑87/89, T‑88/89, T‑90/89, T‑93/89, T‑95/89, T‑97/89, T‑99/89–T‑101/89, T‑103/89, T‑105/89, T‑107/89 en T‑112/89, EU:T:1995:61, punt 59).
128 Vastgesteld moet worden dat de ECB artikel 35, leden 1 en 10, en artikel 88, lid 1, onder b), van de GTM-kaderverordening niet heeft geschonden door verzoekster overeenkomstig de voorwaarden van artikel 22, lid 5, van de CRD IV-richtlijn bij e-mail van 5 mei 2023 in kennis te stellen van haar besluit om zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten, en van de motivering van dat besluit.
129 Verzoeksters betoog moet derhalve worden afgewezen.
130 Verzoekster kan bovendien niet stellen dat zij door de tardieve toezending van de afzonderlijke beoordelingsnota geen kennis had kunnen nemen van het bestreden besluit.
131 Vast staat dat de afzonderlijke beoordelingsnota pas op 15 mei 2023, dat wil zeggen tien dagen na de kennisgeving van het bestreden besluit, op verzoekster verzoek aan haar is verstrekt. De ECB stelt dat die latere toezending is toe te schrijven aan een interne fout.
132 Die latere toezending van de afzonderlijke beoordelingsnota heeft evenwel geen invloed op de berekening van de termijn waarbinnen de ECB haar beoordeling moet afronden, aangezien, zoals in de punten 112 tot en met 115 hierboven is opgemerkt, in het bestreden besluit, zoals dat aan verzoekster op 5 mei 2023 is verstrekt, duidelijk is aangegeven dat de ECB zich tegen de voorgenomen verwerving verzette, een verzet waartegen verzoekster met haar beroep opkomt.
133 Het verzet van de ECB tegen de voorgenomen verwerving is in het bestreden besluit gemotiveerd. De ECB stelt vast dat er sprake is van een gecoördineerd optreden en dientengevolge van de verwerving van een gekwalificeerde deelneming door verzoekster. Zij zet ook uitvoerig uiteen waarom verzoekster niet voldoet aan de criteria waaraan een aandeelhouder die een gekwalificeerde deelneming wil verwerven, moet voldoen, zoals is aangegeven in punt 23 hierboven.
134 Dat argument van verzoekster moet bijgevolg worden afgewezen.
135 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het eerste middel, en dus het eerste middel in zijn geheel, worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het recht om te worden gehoord en niet-nakoming van de motiveringsplicht
136 Verzoekster heeft haar tweede middel opgesplitst in twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan schending van haar recht om te worden gehoord en het tweede aan niet-nakoming van de motiveringsplicht.
Eerste onderdeel: schending van het recht om te worden gehoord
137 Verzoekster betoogt dat de ECB, gelet op artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, artikel 31 van de GTM-kaderverordening en artikel 22, lid 1, eerste alinea, van de GTM-verordening, haar recht om te worden gehoord heeft geschonden.
138 De ECB heeft het bestreden besluit namelijk vastgesteld op basis van feiten die voor het eerst zijn vermeld in een afzonderlijke beoordelingsnota die tien dagen na de vaststelling van het bestreden besluit aan verzoekster is verstrekt en bijgevolg buiten beschouwing moet worden gelaten. De ECB heeft niettemin op grond van die feiten geconcludeerd dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg hadden gehandeld. De ECB heeft vervolgens vastgesteld dat de voorgenomen verwerving betrekking had op een gekwalificeerde deelneming van 100 % van de stemrechten en het kapitaal van het doelwit, alsook op de verwerving van zeggenschap over doelwit MS en doelwit Hyp.
139 De ECB heeft verzoekster dus de mogelijkheid ontnomen om opmerkingen over die feiten te maken en dus aan te tonen dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe niet in onderling overleg handelden, met name wat de voorgenomen verwerving betreft. Aangezien de aandeelhouders van Warburg Gruppe niet in onderling overleg handelden, vertegenwoordigt verzoeksters gekwalificeerde deelneming geen 100 % van de stemrechten en het kapitaal van het doelwit. In een dergelijk geval had de ECB minder strenge beoordelingscriteria op de voorgenomen verwerving kunnen toepassen.
140 Verzoekster voegt daaraan toe dat de afzonderlijke beoordelingsnota een onjuiste analyse bevat omdat de ECB ten onrechte van die feiten is uitgegaan om te concluderen tot het bestaan van een gecoördineerd optreden op het niveau van zowel MWB 1 als Warburg Gruppe. Evenzo heeft de ECB ten onrechte rekening gehouden met de kennisgeving van de voorgenomen fusie tussen Warburg Gruppe en het doelwit op basis van een gecoördineerd optreden, om te concluderen dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe principieel in onderling overleg handelden. Die kennisgeving vloeide namelijk voort uit § 2c, lid 1, eerste volzin, KWG, op grond waarvan een gezamenlijke kennisgeving is vereist indien de aandeelhouders in het kader van de voorgenomen transactie in onderling overleg handelen. Verzoekster meent ook dat de ECB geen feitelijke gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat er sprake was van een stemschema tussen de aandeelhouders van Warburg Gruppe.
141 Verzoekster betoogt dat zelfs wanneer de aandeelhouders van Warburg Gruppe niet in onderling overleg hebben gehandeld, haar geen deelneming van 40,24 % in het kapitaal van het doelwit kon worden toegerekend, aangezien de redenering daarachter is gebaseerd op § 5, lid 1, tweede volzin, InhKontrollV, een onwettige bepaling.
142 Hoe dan ook kan volgens verzoekster niet worden uitgesloten dat de procedure een andere uitkomst zou hebben gehad indien zij in de gelegenheid was gesteld om haar standpunt kenbaar te maken, zodat de procedure gebrekkig is.
143 De ECB wijst verzoeksters stellingen van de hand.
144 Verzoekster verwijt de ECB in wezen dat zij haar niet heeft gehoord over de gegevens waarop de ECB zich had gebaseerd voor de vaststelling van het bestaan van een gecoördineerd optreden tussen de aandeelhouders van Warburg Gruppe, aangezien die gegevens uitsluitend zijn opgenomen in de afzonderlijke beoordelingsnota, die is verstrekt na de kennisgeving van het bestreden besluit.
145 In herinnering dient te worden gebracht dat artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest bepaalt dat het recht op behoorlijk bestuur zich mede uitstrekt tot het recht van eenieder om te worden gehoord voordat te zijnen aanzien een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.
146 Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld om in het kader van de bestuurlijke procedure op een dienstige en effectieve wijze zijn standpunt kenbaar te maken voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Voorts is het vaste rechtspraak dat het recht om te worden gehoord een tweeledig doel heeft. Ten eerste wordt het gebruikt om het dossier te onderzoeken en om de feiten zo nauwkeurig en correct mogelijk vast te stellen, en ten tweede maakt dat recht het mogelijk om een effectieve bescherming van de betrokkene te waarborgen. Het recht om te worden gehoord is er in het bijzonder op gericht om te verzekeren dat elk bezwarend besluit met volledige kennis van zaken wordt genomen en heeft met name tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of voor de betrokken persoon om omstandigheden aan te voeren met betrekking tot zijn persoonlijke situatie die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten (zie arrest van 22 november 2023, Del Valle Ruíz e.a./GAR, T‑302/20, T‑303/20 en T‑307/20, EU:T:2023:735, punt 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
147 Zoals uit de bewoordingen ervan blijkt, is artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van algemene toepassing. Bijgevolg moet het recht om te worden gehoord worden geëerbiedigd in iedere procedure die tot een bezwarend besluit kan leiden, ook al voorziet de toepasselijke wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit (zie arrest van 22 november 2023, Del Valle Ruíz e.a./GAR, T‑302/20, T‑303/20 en T‑307/20, EU:T:2023:735, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
148 Een regelgevende bepaling kan de toepassing van het beginsel van de rechten van de verdediging – dat een fundamenteel en algemeen beginsel van het Unierecht is en dat het recht om te worden gehoord omvat – niet uitsluiten of beperken, zodat het zowel in acht moet worden genomen wanneer een specifieke regeling geheel ontbreekt als wanneer een bestaande regeling met dit beginsel geen rekening houdt (zie arrest van 22 november 2023, Del Valle Ruíz e.a./GAR, T‑302/20, T‑303/20 en T‑307/20, EU:T:2023:735, punt 143 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 Uit artikel 31, lid 1, van de GTM-kaderverordening volgt dat een partij – behoudens in spoedeisende gevallen – alvorens een ECB-toezichtbesluit wordt vastgesteld dat een nadelige invloed kan hebben op de rechten van die partij, in de gelegenheid dient te worden gesteld om zich schriftelijk uit te laten bij de ECB inzake feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden die relevant zijn voor het ECB-toezichtbesluit, met dien verstande dat de kennisgeving waarbij de ECB de partij gelegenheid geeft haar reactie te geven, de materiële inhoud van het voorgenomen ECB-toezichtbesluit vermeldt, alsook de materiële feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden waarop de ECB haar besluit wil baseren.
150 Artikel 22, lid 1, eerste alinea, van de GTM-verordening bepaalt voorts dat de ECB, behoudens in spoedeisende gevallen, haar besluiten inzake de beoordeling van een gekwalificeerde deelneming uitsluitend baseert op de punten van bezwaar waarover de betrokken partijen opmerkingen hebben kunnen maken.
151 In casu vermelden de door de ECB en BaFin opgestelde ontwerpbesluiten de materiële feitelijke en juridische gegevens waarop het bestreden besluit is gebaseerd. In die ontwerpen wordt met name vastgesteld dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg handelen. Gelet op dit gecoördineerde optreden wordt in die ontwerpen vervolgens de voorgenomen verwerving geanalyseerd en tot de slotsom gekomen dat verzoekster als gevolg daarvan een gekwalificeerde deelneming in het doelwit verwerft.
152 Overeenkomstig artikel 31, lid 1, van de GTM-kaderverordening heeft de ECB het ontwerp van het bestreden besluit, dat in de punten 1.1 en 2.1 uitdrukkelijk verwijst naar de door BaFin in haar ontwerpbesluit uitgevoerde analyse, ter beschikking gesteld van verzoekster. Op 14 april 2023 heeft verzoekster toegang tot het dossier gekregen. Zij heeft aldus kennis kunnen nemen van het ontwerpbesluit van BaFin.
153 In haar opmerkingen van 21 april 2023 over het ontwerpbesluit van de ECB heeft verzoekster derhalve haar standpunt over het bestaan van een gecoördineerd optreden tussen de aandeelhouders van Warburg Gruppe naar voren kunnen brengen, teneinde de vaststelling dat zij een gekwalificeerde deelneming in het doelwit zou verwerven, te betwisten. Zij heeft met name verklaard dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe niet in onderling overleg handelden en aangevoerd dat de vaststelling van de ECB dienaangaande willekeurig was, omdat zij niet was onderbouwd.
154 Uit de afzonderlijke beoordelingsnota blijkt dat de ECB rekening heeft gehouden met verzoeksters opmerkingen en daarop heeft geantwoord. Zo heeft zij nader aangegeven welke elementen volgens haar aantoonden dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg handelden.
155 Hieruit volgt dat verzoekster vóór de vaststelling van het bestreden besluit gebruik heeft gemaakt van haar recht om over dat aspect van het besluit te worden gehoord.
156 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: ontoereikende motivering van het bestreden besluit
157 In de eerste plaats betoogt verzoekster dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd in het licht van artikel 296, lid 2, VWEU, artikel 33, leden 1 en 2, van de GTM-kaderverordening en artikel 22, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, en lid 2, tweede alinea, van de GTM-verordening.
158 In de tweede plaats is verzoekster van mening dat de motivering van het bestreden besluit op zich dient te volstaan, zonder te moeten verwijzen naar de afzonderlijke beoordelingsnota, die geen integrerend deel van dat besluit vormt omdat zij er niet aan is gehecht. Die beoordelingsnota is voorts opgesteld na de vaststelling van het bestreden besluit. De feiten waarop de ECB zich baseert om het bestaan van een gecoördineerd optreden op het niveau van Warburg Gruppe vast te stellen, zijn uitsluitend terug te vinden in de afzonderlijke beoordelingsnota. Dat blijkt uit de omstandigheid dat de afzonderlijke beoordelingsnota bijna tweemaal zo lang is als het bestreden besluit en dat de ECB er in haar schriftelijke stukken herhaaldelijk naar verwijst.
159 Verzoekster voegt aan haar antwoorden op de maatregel tot organisatie van de procesgang van 13 november 2024 toe dat de afzonderlijke beoordelingsnota, die een essentieel onderdeel van het bestreden besluit vormt, niet onlosmakelijk met dat besluit is verbonden en dat er geen gekwalificeerde elektronische handtekening aan gekoppeld is. Het is onmogelijk te achterhalen welke versie van dat document ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van bestuur. De authenticiteit ervan is dus niet aangetoond.
160 Verzoekster verklaart voorts dat het irrelevant is dat zij na ontvangst van de afzonderlijke beoordelingsnota voldoende tijd had om beroep in te stellen. Om te beginnen heeft de ECB haar pas na haar verzoek daartoe de afzonderlijke beoordelingsnota doen toekomen. Voorts is het niet mogelijk om de beroepstermijnen, die van openbare orde zijn, op enigerlei wijze in te korten. Ten slotte vereist de rechtspraak volgens haar dat de motivering van een besluit van een instelling tegelijk met de kennisgeving van het betrokken besluit wordt meegedeeld, temeer wanneer een dergelijk besluit binnen een voorgeschreven termijn moet worden vastgesteld, zoals in casu het geval is.
161 In de derde plaats is verzoekster van mening dat de ECB de motivering van het bestreden besluit in de loop van de procedure heeft gewijzigd en aangevuld, hetgeen volgens haar in strijd is met de rechtspraak. Verzoekster stelt zich met name op het standpunt dat de argumenten van de ECB inzake haar vermeende slechte reputatie en vermeend gebrek aan vakbekwaamheid die gelet op zowel de inhoud van haar verzoekschrift als haar briefwisseling met BaFin nieuw zijn ontwikkeld, moeten worden afgewezen. Zij benadrukt ook dat de ECB zich niet kan beroepen op het besluit dat is vastgesteld in het kader van het proces van prudentieel toezicht en prudentiële beoordeling (hierna: „SREP-besluit”) van 2022, aangezien dat besluit dateert van na het bestreden besluit. Uit de niet-vertrouwelijke versie van het SREP-besluit van 2021 blijkt evenmin dat verzoeksters echtgenoot aanzienlijke risico’s voor het doelwit opleverde.
162 Ten slotte wijst verzoekster erop dat nergens in het bestreden besluit is geanalyseerd dat zij overeenkomstig § 5, lid 1, tweede volzin, InhKontrollV hoe dan ook 40,24 % van het kapitaal van het doelwit zou verwerven, en dat met een dergelijke analyse dus geen rekening kan worden gehouden.
163 De ECB betwist die argumenten.
164 In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd dat artikel 296, tweede alinea, VWEU bepaalt dat rechtshandelingen van de instellingen van de Unie met redenen worden omkleed en dat het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur met zich meebrengt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie verplicht zijn om hun beslissingen met redenen te omkleden (arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 102).
165 Aan de motivering van een besluit van een instelling, orgaan of instantie van de Unie komt een bijzonder belang toe, aangezien de betrokkene daardoor in staat wordt gesteld met volledige kennis van zaken te beslissen of hij beroep zal instellen tegen dat besluit en de bevoegde rechter daardoor zijn toezicht kan uitoefenen, en deze motivering dus een van de voorwaarden vormt voor de doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing (zie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
166 Uit de rechtspraak van het Hof volgt tevens dat een dergelijke motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. Het is in dat verband niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen, en in het bijzonder op het belang dat de adressaten van de handeling bij een toelichting kunnen hebben. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een voor de betrokkene bekende context op basis waarvan hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
167 In casu zijn de feiten met betrekking tot de voorgenomen verwerving en de vaststelling dat die verwerving, gelet op het gecoördineerde optreden van de aandeelhouders van Warburg Gruppe, zou leiden tot de verwerving door verzoekster van een gekwalificeerde deelneming in het doelwit, uiteengezet in de punten 1.1 tot en met 1.5 en punt 2.1 van het bestreden besluit.
168 De in punt 23 hierboven in herinnering gebrachte criteria voor de ECB om zich tegen de voorgenomen verwerving te verzetten, zijn voorts duidelijk onderzocht in de punten 2.3 tot en met 2.12 van het bestreden besluit, wat verzoeksters reputatie betreft, in punt 2.12, onder c), wat haar solvabiliteit betreft, en in de punten 2.13 tot en met 2.15, wat de naleving van de prudentiële vereisten door het doelwit betreft. Bovendien is het bestreden besluit vastgesteld in een voor verzoekster bekende context, aangezien zij zelf de gegevens met betrekking tot de voorgenomen verwerving heeft meegedeeld en zij is geraadpleegd tijdens de aan de vaststelling van dat besluit voorafgaande bestuurlijke procedure.
169 Hieruit volgt dat in het bestreden besluit de relevante feitelijke en juridische gegevens zijn vermeld waarop het is gebaseerd, zonder dat hoeft te worden verwezen naar de afzonderlijke beoordelingsnota of de latere uitleg van de ECB.
170 Dat besluit is dus toereikend gemotiveerd, waarbij moet worden opgemerkt dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering van het besluit, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de omstreden handeling betreft (arrest van 12 december 2012, Electrabel/Commissie, T‑332/09, EU:T:2012:672, punt 179).
171 Wat in de tweede plaats de afzonderlijke beoordelingsnota betreft, stelt verzoekster in wezen dat die nota geen integrerend deel uitmaakt van het bestreden besluit, hoewel zij daarvan een essentieel onderdeel vormt, en dat zij is opgesteld na de kennisgeving van dat besluit. Met die nota mag dus geen rekening worden genomen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
172 Het Gerecht heeft geoordeeld dat aangezien de antwoorden van de ECB op de opmerkingen van kandidaat-verwervers over een ontwerpbesluit op dezelfde dag waren meegedeeld als de kennisgeving van dat besluit, die antwoorden, net als de tijdens de bestuurlijke procedure aan de kandidaat-verwervers gerichte correspondentie van BaFin en het voorstel voor een besluit van BaFin, deel uitmaakten van de context van het bestreden besluit en in aanmerking moesten worden genomen bij de beoordeling van de motivering van dat besluit [zie in die zin arrest van 10 juli 2024, PH e.a./ECB, T‑323/22, EU:T:2024:460, punt 20 en punten 85 en 86 (niet gepubliceerd)]. Hetzelfde geldt met name voor de op de datum van het bestreden besluit op de website van de betrokken instelling toegankelijke gegevens (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 168).
173 In casu is de afzonderlijke beoordelingsnota tien dagen na de kennisgeving van het bestreden besluit aan verzoekster verstrekt.
174 In punt 1.12 van het bestreden besluit wordt naar de afzonderlijke beoordelingsnota verwezen in de volgende bewoordingen: „De opmerkingen [van verzoekster] zijn beoordeeld en behandeld in een afzonderlijke beoordelingsnota die aan de kandidaat-verwerver is verstrekt, alsook in de punten 1.10 en 2.10 van het onderhavige besluit”. In die tekst wordt de afzonderlijke beoordelingsnota niet aangeduid als een bijlage bij het bestreden besluit waarmee zij onlosmakelijk is verbonden.
175 Niettemin wordt daarin uitdrukkelijk naar de afzonderlijke beoordelingsnota verwezen. In het licht van de in punt 172 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak kan de afzonderlijke beoordelingsnota dus worden geacht deel uit te maken van de context van het bestreden besluit en in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de motivering van dat besluit.
176 Het is juist dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld (zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In uitzonderlijke omstandigheden kan de motivering van een handeling evenwel voortvloeien uit latere toelichtingen (zie in die zin arrest van 15 juni 2005, Corsica Ferries France/Commissie, T‑349/03, EU:T:2005:221, punt 287).
177 In casu is de tardieve toezending van de afzonderlijke beoordelingsnota het gevolg van een materiële fout binnen de ECB. Dit neemt niet weg dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt verwezen naar die nota, waarin de ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit beschikbare gronden worden uiteengezet, zodat verzoekster reeds bij de kennisgeving van het bestreden besluit van het bestaan ervan op de hoogte was en dus vanaf de ontvangst van dat besluit om mededeling ervan kon verzoeken. Verzoekster heeft dan ook op vrijdag 12 mei 2023, dus vijf werkdagen na ontvangst van het bestreden besluit, om toegang tot dat document verzocht. De ECB heeft hier snel gehoor aan gegeven, aangezien zij haar dat document heeft toegezonden op de volgende werkdag, te weten maandag 15 mei 2023.
178 De in punt 177 hierboven in herinnering gebrachte omstandigheden hebben er dus toe geleid dat de ECB de afzonderlijke beoordelingsnota later aan verzoekster heeft toegezonden, zonder dat verzoekster evenwel de mogelijkheid werd ontnomen om er kennis van te nemen. Ook moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond, en zelfs niet heeft gesteld, dat de tardieve toezending van de afzonderlijke beoordelingsnota haar rechten zou hebben aangetast (zie in die zin en naar analogie arrest van 7 april 1987, SISMA/Commissie, 32/86, EU:C:1987:187, punt 4). Zij heeft met name niet aangevoerd dat die tardieve toezending haar heeft belet om binnen de in artikel 263 VWEU gestelde termijn beroep in te stellen, noch dat die termijn had moeten worden verlengd.
179 Verzoekster stelt dat de aan haar verstrekte afzonderlijke beoordelingsnota is opgesteld na de kennisgeving van het bestreden besluit, zoals zou blijken uit de metagegevens van dat document.
180 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat die stelling in twijfel wordt getrokken door het bewijsmateriaal waarop de ECB zich beroept. Zij verklaart namelijk dat de metagegevens waarnaar verzoekster verwijst, gesteld al dat zij kloppen, het resultaat zijn van het feit dat de afzonderlijke nota is gedownload uit het interne opslagsysteem van de ECB en, net vóór de verzending naar verzoekster, in pdf-formaat is omgezet. Daarnaast legt de ECB een schermafdruk over van de Word-versie van de afzonderlijke beoordelingsnota, zoals deze is geregistreerd in het voornoemde opslagsysteem. Ofschoon die schermafdruk niet is gedateerd, blijkt eruit dat de Word-versie van de afzonderlijke beoordelingsnota reeds op 25 april 2023 is opgesteld, ruim vóór de kennisgeving van het bestreden besluit.
181 Gelet op het voorgaande is niet aangetoond dat de afzonderlijke beoordelingsnota is opgesteld na de kennisgeving van het bestreden besluit.
182 In het licht van de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval staat de tardieve toezending van de afzonderlijke beoordelingsnota er niet aan in de weg dat met de daarin opgenomen informatie rekening wordt genomen bij het onderzoek van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
183 In de derde plaats verwijt verzoekster de ECB dat zij de motivering van het bestreden besluit voor het Gerecht heeft aangevuld om aan te tonen dat de voorgenomen verwerving zou leiden tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in het doelwit en om haar verzet tegen die verwerving te rechtvaardigen in het licht van de wettelijke beoordelingscriteria.
184 In dat verband volgt uit de rechtspraak dat de motivering niet voor het eerst en a posteriori voor de rechter mag worden uiteengezet, behoudens uitzonderlijke omstandigheden (arrest van 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie, T‑590/20, EU:T:2023:650, punt 175).
185 Tenzij gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden, kan een door de ECB voor het eerst voor het Gerecht aangevoerde grond niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de motivering van het bestreden besluit, die hoe dan ook als toereikend is beoordeeld overeenkomstig punt 170 hierboven.
186 Hieruit volgt dat het Gerecht in het kader van de analyse van het vierde en het vijfde middel waarnaar wordt verwezen, geen rekening mag houden met eventuele nieuwe gronden die niet door uitzonderlijke omstandigheden worden gerechtvaardigd.
187 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel en dientengevolge het derde middel in zijn geheel worden afgewezen.
Derde middel: geen onderzoek van de relevante feiten en niet-nakoming van de verplichting om het bestreden besluit uitsluitend op een voldoende solide feitelijke grondslag vast te stellen
188 Verzoekster betoogt dat de ECB de feiten waarop zij het bestreden besluit heeft gebaseerd, niet zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht, en betwist de juistheid ervan.
189 Verzoekster meent dat de ECB ten onrechte rekening heeft gehouden met de door BaFin in 2019 gevoerde toezichtprocedure met betrekking tot de geschiktheid van haar echtgenoot om zijn stemrechten in het doelwit uit te oefenen. Volgens haar had de ECB de juistheid van de bevindingen van BaFin moeten nagaan en daarbij rekening moeten houden met het feit dat haar echtgenoot na zeven jaar onderzoek naar vermeende belastingfraude niet was veroordeeld, en met name met het vonnis van het Landgericht Bonn (rechter in eerste aanleg Bonn, Duitsland) van 13 december 2022, waarbij werd vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was van zijn doelbewuste deelname aan belastingfraude.
190 De conclusies van de ECB betreffende het gecoördineerde optreden van de aandeelhouders van Warburg Gruppe en de opname van de doelwitten in een netwerk van ondernemingen berusten op achterhaalde informatie, ondanks dat verzoekster de ECB tijdens de bestuurlijke procedure erop had gewezen dat de informatie waarover zij beschikte niet langer actueel was. Verzoekster voegt daaraan toe dat de gezamenlijke kennisgeving van het fusievoorstel tussen Warburg Gruppe en het doelwit, waarnaar voor het eerst in de afzonderlijke beoordelingsnota wordt verwezen, valt te verklaren door het feit dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg handelen in het kader van die specifieke transactie, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat zij principieel in onderling overleg handelen. Zij wijst er ook op dat het SREP-besluit van 2021 geen rekening hield met de door het doelwit uit te voeren toezichtmaatregelen en dat het SREP-besluit van 2022 ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld.
191 De ECB wijst verzoeksters stellingen van de hand.
192 Vooraf dient te worden opgemerkt dat het bestreden besluit een handeling betreft die ter zake van het prudentieel toezicht op een kredietinstelling is vastgesteld door de ECB, die daarbij over een ruime beoordelingsmarge beschikt aangezien zij, zoals in overweging 55 van de GTM-verordening is vermeld, als gevolg van de aan haar opgedragen toezichttaken in belangrijke mate verantwoordelijk is voor het waarborgen van de financiële stabiliteit in de Unie en voor een zo doeltreffend en evenredig mogelijk gebruik van haar toezichtbevoegdheden (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB, C‑450/17 P, EU:C:2019:372, punt 86).
193 De ruime beoordelingsmarge van de ECB vloeit ook voort uit het feit dat het bestreden besluit de beoordeling van ingewikkelde economische en financiële feiten en omstandigheden impliceert (zie in die zin en naar analogie arresten van 10 november 2022, Commissie/Valencia Club de Fútbol, C‑211/20 P, EU:C:2022:862, punt 34, en 22 juni 2023, Duitsland en Estland/Pharma Mar en Commissie, C‑6/21 P en C‑16/21 P, EU:C:2023:502, punt 52).
194 Derhalve mag de door de Unierechter te verrichten rechterlijke toetsing van de gegrondheid van de motivering van een besluit als het bestreden besluit er niet toe leiden dat hij zijn eigen beoordeling in de plaats stelt van die van de ECB, maar dient hij na te gaan of dat besluit niet op feitelijk onjuiste gegevens berust en geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, een kennelijk onjuiste beoordeling of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten van 2 september 2021, EPSU/Commissie, C‑928/19 P, EU:C:2021:656, punt 96, en 4 mei 2023, ECB/Crédit Lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 55).
195 De Unierechter dient niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen en de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan te controleren, maar moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 56).
196 Wanneer een instelling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, is de inachtneming van de procedurele waarborgen, waaronder de verplichting van deze instelling om alle relevante elementen van de betrokken situatie zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, immers van fundamenteel belang (arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 57).
197 In casu betwist verzoekster de juistheid van de feiten die de ECB in aanmerking heeft genomen bij het onderzoek van de reputatie van haar echtgenoot en voert zij ook aan dat het bestaan van een gecoördineerd optreden tussen de aandeelhouders van Warburg Gruppe en de opname van de doelwitten in een netwerk van ondernemingen berust op achterhaalde informatie.
198 Wat verzoeksters eerste grief betreft, wordt er in het bestreden besluit op gewezen dat de ECB vanwege de herbeoordelingsprocedure die BaFin in 2019 ten aanzien van verzoeksters echtgenoot had gevoerd, „zeer ernstige twijfels” had over diens reputatie.
199 In het kader van die in 2019 gevoerde procedure had BaFin toezichtmaatregelen aan verzoeksters echtgenoot willen opleggen met het oog op beperking van diens invloed op het doelwit. Gelet op de door hem aangegane verbintenissen, heeft zij dat uiteindelijk niet gedaan. BaFin heeft daarmee niet afgedaan aan haar analyse met betrekking tot de invloed van verzoeksters echtgenoot op het doelwit.
200 Zoals de ECB in het bestreden besluit bovendien aanvoert, blijkt uit het voornemen van BaFin om de in punt 9 hierboven genoemde oplossing van delegatie van de stemrechten van MWB 1 in Warburg Gruppe aan twee gemachtigden te handhaven, zelfs na de eventuele uitvoering van de voorgenomen verwerving, dat BaFin in haar analyse ten aanzien van verzoeksters echtgenoot consistent is gebleven, ook tijdens de beoordelingsperiode.
201 In punt 1.8 van het bestreden besluit wordt er ter herinnering aan de feiten voorts op gewezen dat ook in het door BaFin vastgestelde SREP-besluit van 2021 is vastgesteld dat de middellijke eigenaren van het doelwit ongeschikt waren en invloed bleven uitoefenen op het doelwit, ondanks de nakoming van de verbintenissen die verzoeksters echtgenoot jegens BaFin was aangegaan. Het doelwit kreeg daarom een score van 4 (wat overeenkomt met de laagste score die in dit kader kan worden toegekend). Dit SREP-besluit, dat bij gebreke van beroep onherroepelijk is geworden, bevestigt de analyse dat verzoeksters echtgenoot geen goede reputatie had. Zoals de ECB in haar schriftelijke stukken uiteenzet, vloeide dit besluit voort uit de meest recente prudentiële beoordeling van het doelwit die tijdens de beoordelingsfase beschikbaar was.
202 Verzoekster meent niettemin dat die beoordelingen berusten op achterhaalde feiten, omdat het Landgericht Bonn bij vonnis van 13 december 2022 heeft vastgesteld dat er onvoldoende elementen waren om aan te tonen dat haar echtgenoot doelbewust had deelgenomen aan de belastingfraude die ten grondslag lag aan de door BaFin in 2019 gevoerde herbeoordelingsprocedure.
203 Zoals de ECB in haar schriftelijke stukken en in de afzonderlijke beoordelingsnota aanvoert, had het in punt 202 hierboven genoemde vonnis betrekking op de veroordeling van een derde en niet op die van verzoeksters echtgenoot, en was het strafrechtelijk onderzoek tegen laatstgenoemde nog hangende, hetgeen door verzoekster niet was ontkend.
204 Bovendien moet erop worden gewezen dat de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een persoon in het kader van een gerechtelijke procedure niet van dezelfde aard is als de beoordeling van de reputatie van een kandidaat-verwerver in het kader van een bestuurlijke procedure inzake bankentoezicht, zoals in de onderhavige zaak. Bijgevolg kan het in het kader van een strafprocedure gewezen vonnis van het Landgericht Bonn van 13 december 2022 hoe dan ook niet afdoen aan de beoordeling door BaFin en de ECB van de reputatie van verzoeksters echtgenoot.
205 Gelet op het voorgaande volstaan verzoeksters stellingen niet om de juistheid te betwisten van de feiten die de ECB in aanmerking heeft genomen bij het onderzoek van de reputatie van haar echtgenoot.
206 De eerste grief van verzoeksters derde middel wordt derhalve afgewezen.
207 Wat verzoeksters tweede grief betreft, waarmee zij aanvoert dat de ECB zich heeft gebaseerd op achterhaalde informatie over de opname van de doelwitten in een netwerk van ondernemingen en over het gecoördineerde optreden tussen de aandeelhouders van Warburg Gruppe, moet worden vastgesteld dat verzoekster niet verduidelijkt welke bij haar beroep gevoegde relevante elementen in aanmerking moeten worden genomen indien de door de ECB in het bestreden besluit aangevoerde elementen inderdaad achterhaald zijn.
208 Voorts verwijst verzoekster in het kader van die grief naar de argumenten die zij in het kader van het vierde middel heeft uiteengezet met betrekking tot het door de ECB in het bestreden besluit vastgestelde gecoördineerde optreden van de aandeelhouders van Warburg Gruppe.
209 Bijgevolg moeten verzoeksters stellingen met betrekking tot de opname van de doelwitten in een netwerk van ondernemingen worden afgewezen en die met betrekking tot het gecoördineerde optreden van de aandeelhouders van Warburg Gruppe worden onderzocht in het kader van het vierde middel.
210 Uit het voorgaande volgt dat de tweede grief van het derde middel, en dus het derde middel in zijn geheel, moet worden afgewezen.
Vierde middel: onjuiste uitlegging en toepassing door de ECB van het begrip „gekwalificeerde deelneming”
211 Verzoekster betwist dat zij een gekwalificeerde deelneming in het doelwit zou verwerven, of het nu in termen van stemrechten of kapitaal is.
212 Met het eerste onderdeel van haar vierde middel betwist verzoekster dat zij een gekwalificeerde deelneming zou verwerven in termen van stemrechten.
213 Verzoekster meent dat zij slechts indirect een gekwalificeerde deelneming kan verwerven indien haar de stemrechten op het niveau van MWB 1 en op het niveau van Warburg Gruppe worden toegewezen. MWB 1 heeft noch individueel, noch via een gecoördineerd optreden samen met de andere aandeelhouders van Warburg Gruppe zeggenschap over Warburg Gruppe.
214 De ECB gaat er willekeurig van uit dat MWB 1 en de andere aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg handelen, aangezien geen enkel feitelijk element in het bestreden besluit of in het dossier een dergelijke conclusie wettigt. De elementen waarnaar in de afzonderlijke beoordelingsnota wordt verwezen tot staving van het bestaan van een gecoördineerd optreden, zijn achterhaald, onjuist of irrelevant, of het nu gaat om de aandeelhoudersovereenkomst op het niveau van Warburg Gruppe, de gestelde familiebanden tussen de aandeelhouders van Warburg Gruppe, de banden tussen de vennootschappen van de Warburg-groep, de financieringsbronnen van de aandeelhouders van Warburg Gruppe of hun stemschema’s uit het verleden. Uit dergelijke feiten kan het bestaan van een gecoördineerd optreden van de aandeelhouders van Warburg Gruppe dan ook niet worden afgeleid.
215 De ECB betwist verzoeksters stellingen.
216 Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 4, lid 1, punt 36, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1), waarnaar artikel 3, lid 1, punt 33, van de CRD IV-richtlijn verwijst, een gekwalificeerde deelneming definieert als het in een onderneming, direct of indirect, bezitten van 10 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een percentage dat het mogelijk maakt een invloed van betekenis op de bedrijfsvoering van die onderneming uit te oefenen.
217 Het begrip „verwerving van een gekwalificeerde deelneming” in een kredietinstelling is een autonoom Unierechtelijk begrip. Dit blijkt uit het feit dat noch de definitie van „gekwalificeerde deelneming” in artikel 4, lid 1, punt 36, van verordening nr. 575/2013, noch artikel 15 van de GTM-verordening, noch artikel 22 van de CRD IV-richtlijn waarin de nadere regels voor het toezicht op een dergelijke verwerving zijn neergelegd, verwijst naar het nationale recht. Dit blijkt ook uit de door de Uniewetgever nagestreefde doelstelling – zoals die met name naar voren komt uit overweging 11 en artikel 1 van de GTM-verordening – om een geharmoniseerd prudentieel toezicht op het financiële stelsel in te voeren, in het bijzonder – zoals blijkt uit overweging 22 van die verordening – op de verwerving van belangrijke, zogenoemde „gekwalificeerde” deelnemingen in kredietinstellingen (arrest van 19 september 2024, Fininvest e.a./ECB e.a., C‑512/22 P en C‑513/22 P, EU:C:2024:774, punt 48).
218 In die context kan het begrip „gekwalificeerde deelneming” niet restrictief worden uitgelegd, omdat anders de beoordelingsprocedure zou kunnen worden omzeild door bepaalde wijzen van verwerving van gekwalificeerde deelnemingen aan de controle van de ECB te onttrekken, en daardoor de nagestreefde doelstellingen in gevaar zouden worden gebracht. Dienaangaande zij er ook aan herinnerd dat uit overweging 22 van de GTM-verordening blijkt dat een beoordeling van de geschiktheid van elke nieuwe eigenaar, vóór de aankoop van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling, een onmisbaar instrument is voor de waarborging van de continue geschiktheid en financiële soliditeit van eigenaren van kredietinstellingen.
219 In casu wordt in punt 2.1 van het bestreden besluit aangegeven dat de voorgenomen verwerving ertoe zou leiden dat verzoekster 100 % van de stemrechten in het doelwit verwerft, waarbij met name wordt verwezen naar artikel 1, lid 9, tweede volzin, KWG, zoals uitgelegd in het licht van de gemeenschappelijke richtsnoeren.
220 Zoals in punt 192 hierboven in herinnering is gebracht, beschikt de ECB bij de uitoefening van haar toezichttaken, waaronder haar taak om toezicht te houden op de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen, over een ruime beoordelingsmarge.
221 Dientengevolge moet het Gerecht in casu nagaan of het bestreden besluit, wat de vaststelling daarin betreft dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg handelen, op feitelijk onjuiste gegevens of een kennelijk onjuiste beoordeling berust, zoals verzoekster stelt.
222 In dat verband staat het met name aan de verzoekende partij om voldoende elementen aan te dragen om de in de bestreden Uniehandeling in aanmerking genomen beoordelingen van de feiten te ontkrachten, zodat kan worden vastgesteld dat de instelling die de handeling heeft vastgesteld, een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan die de nietigverklaring van die handeling rechtvaardigt (zie in die zin en naar analogie arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑444/11, EU:T:2014:773, punt 62).
223 In casu zet de ECB in het bestreden besluit uiteen dat de aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg handelen en dat zij samen middellijk 100 % van de aandelen in het doelwit en van de stemrechten daarin bezitten. Zij voegt daaraan toe dat op grond van de poolingovereenkomst ook wordt uitgegaan van een gecoördineerd optreden op het niveau van MWB 1. De ECB leidt daaruit af dat verzoekster 100 % van de aandelen en van de stemrechten in het doelwit zal verwerven en dat zij daarover indirect zeggenschap zal kunnen uitoefenen.
224 In de afzonderlijke beoordelingsnota worden de criteria onderzocht die in punt 4.6 van de gemeenschappelijke richtsnoeren zijn opgesomd om te beoordelen of er sprake is van een gecoördineerd optreden, waarna tot de slotsom wordt gekomen dat, gelet op dat gecoördineerd optreden, de stemrechten volledig aan de kandidaat-verwerver moeten worden toegewezen. Daarbij wordt rekening gehouden met de tussen de aandeelhouders van Warburg Gruppe gesloten overeenkomst, de bestaande banden binnen de groep waartoe het doelwit behoort, de financieringsbronnen van de aandeelhouders van Warburg Gruppe en de stemschema’s van laatstgenoemden uit het verleden.
225 Verzoekster betwist dat MWB 1 en de andere aandeelhouders van Warburg Gruppe in onderling overleg handelen. Zij voert daartoe aan dat uit de in de afzonderlijke beoordelingsnota opgenomen gegevens geen dergelijk gecoördineerd optreden kan worden afgeleid.
226 Wat de op het niveau van Warburg Gruppe gesloten aandeelhoudersovereenkomst betreft, betoogt verzoekster dat deze ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit niet meer van kracht was omdat in 2021 nieuwe statuten zijn vastgesteld. Bovendien bepaalt punt 4.6 van de gemeenschappelijke richtsnoeren uitdrukkelijk dat dergelijke verkoopbeperkingen niet volstaan om aan te tonen dat er sprake is van een gecoördineerd optreden.
227 Zoals de ECB evenwel betoogt, is haar analyse in de afzonderlijke beoordelingsnota niet achterhaald, aangezien de nieuwe statuten van Warburg Gruppe, net als de in punt 226 hierboven vermelde aandeelhoudersovereenkomst, bepalen dat voor de overdracht van aandelen aan personen buiten de aandeelhoudersfamilies de voorafgaande toestemming van de „vennootschap” is vereist bij besluit van de algemene vergadering.
228 Uit verzoeksters stellingen kan dus niet worden afgeleid dat het besluit van de ECB op onjuiste feiten berust of dat de beoordeling van de feiten erdoor wordt ontkracht.
229 Zoals de ECB bovendien aanvoert, sluit punt 4.6 van de gemeenschappelijke richtsnoeren dit soort overeenkomsten niet uit van de werkingssfeer ervan, in tegenstelling tot zuivere aandelenkoopovereenkomsten, clausules inzake gezamenlijke uittreding en gedwongen overdracht en zuivere statutaire voorkooprechten.
230 Wat het door de ECB vastgestelde omstandigheid betreft dat twee andere familieleden van verzoeksters echtgenoot aandelen in Warburg Gruppe bezitten, voert verzoekster aan dat die familieleden, die zeer verre verwanten zijn met wie zij geen contact heeft, slechts 0,58 % van het kapitaal van Warburg Gruppe bezitten en dat zij op grond van die deelnemingen in combinatie met die van MWB 1 hoe dan ook niet meer dan 50 % van het kapitaal van Warburg Gruppe kan bezitten.
231 Vastgesteld moet worden dat verzoekster met die stellingen de door de ECB aangevoerde feiten, namelijk dat twee andere leden van de familie Warburg aandelen in Warburg Gruppe bezitten, niet ontkent. Zij voert evenmin bewijzen aan waarmee de beoordeling door de ECB van die familiebanden in twijfel kan worden getrokken.
232 Wat de banden tussen de ondernemingen van die groep betreft, heeft de ECB in de afzonderlijke beoordelingsnota uiteengezet dat verzoeksters echtgenoot en A een stichting vertegenwoordigen die hun beider namen draagt. Zij waren tevens algemeen directeur van de belangrijkste medeaandeelhouder van MWB 1 in Warburg Gruppe, alsook van MWB 1. Verzoeksters echtgenoot, A, MWB 1 en de belangrijkste medeaandeelhouder van MWB 1 in Warburg Gruppe hebben ook dezelfde vertegenwoordigers in rechte.
233 Verzoekster betoogt dat de in punt 232 hierboven genoemde stichting een liefdadigheidsstichting is die tot februari 2022 slechts 0,02 % van het kapitaal van Warburg Gruppe bezat, zodat zij niet in aanmerking kan worden genomen in het kader van de banden tussen de vennootschappen van die groep.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 15 juli 2025, C-777/22, ECLI:EU:C:2025:580
- HvJ EU 19 september 2024, C-512/22, ECLI:EU:C:2024:774
- HvJ EU 29 juli 2024, C-697/22, ECLI:EU:C:2024:641
- Gerecht EU 10 juli 2024, T-323/22, ECLI:EU:T:2024:460
- Gerecht EU 22 november 2023, T-302/20, ECLI:EU:T:2023:735
- Gerecht EU 18 oktober 2023, T-590/20, ECLI:EU:T:2023:650
- HvJ EU 22 juni 2023, C-6/21, ECLI:EU:C:2023:502
- HvJ EU 4 mei 2023, C-389/21, ECLI:EU:C:2023:368
- Gerecht EU 7 december 2022, T-330/19, ECLI:EU:T:2022:775
- HvJ EU 10 november 2022, C-211/20, ECLI:EU:C:2022:862
- HvJ EU 2 september 2021, C-928/19, ECLI:EU:C:2021:656
- HvJ EU 15 juli 2021, C-911/19, ECLI:EU:C:2021:599
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- Gerecht EU 28 november 2019, T-323/16, ECLI:EU:T:2019:822
- HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530
- HvJ EU 8 mei 2019, C-450/17, ECLI:EU:C:2019:372
- HvJ EU 19 december 2018, C-219/17, ECLI:EU:C:2018:1023
- HvJ EU 20 september 2016, C-8/15, ECLI:EU:C:2016:701
- HvJ EU 25 juni 2015, C-18/14, ECLI:EU:C:2015:419
- Gerecht EU 11 september 2014, T-444/11, ECLI:EU:T:2014:773