HvJ EU 22 januari 2026, C-902/24, ECLI:EU:C:2026:42

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

22 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 – Hypothecaire leningovereenkomst met oneerlijke bedingen die is gekoppeld aan een vreemde valuta – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is – Nietigheid van de overeenkomst – Nationale rechtspraak die voorziet in het ontstaan van twee onafhankelijke terugbetalingsvorderingen – Vordering van de consument tot terugbetaling van de uit hoofde van de overeenkomst betaalde termijnen – Vordering van de verkoper ter hoogte van het bedrag van de lening – Terugvordering – Recht van de verkoper om een exceptie van verrekening van zijn vordering met die van de consument op te werpen – Regeling inzake de verdeling van de kosten – Afschrikkende werking van het verbod op oneerlijke bedingen – Doeltreffendheidsbeginsel – Verplichting tot uitlegging overeenkomstig het Unierecht”

In zaak C‑902/24 [Herchoski] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 19 december 2024, ingekomen bij het Hof op 22 december 2024, in de procedure

RM,

EM

tegen

Santander Bank Polska S.A.,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– RM en EM, vertegenwoordigd door B. Sobierajska, radca prawny,

– Santander Bank Polska S.A., vertegenwoordigd door J. Kowalczyk, P. Litwiński, M. Valirakis-Wołyńska en R. Wechman, radcowie prawni,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door A. Pimenta en A. Rodrigues als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en B. Sasinowska als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid, rechtszekerheid en evenredigheid.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen RM en EM, twee in Polen woonachtige consumenten, enerzijds, en Santander Bank Polska S.A. (hierna: „SBP”), een in Polen gevestigde bank, anderzijds, over het verzoek van deze consumenten om terugbetaling van de bedragen die zij aan SBP hadden betaald ter uitvoering van een nietig verklaarde hypothecaire leningovereenkomst, en over de door SBP subsidiair opgeworpen exceptie om deze vordering te verrekenen met haar vordering op deze consumenten, die overeenkomt met het bedrag van deze lening.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen dat „de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

4 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

5 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Pools recht

Burgerlijk wetboek

6 Artikel 58, lid 1, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz.U. nr. 16, volgnr. 93), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), bepaalt: „Een rechtshandeling die in strijd is met de wet of die tot doel heeft de wet te omzeilen is nietig, tenzij een toepasselijke bepaling anders voorschrijft, met name wanneer die bepaling erin voorziet dat de ongeldige bedingen van de rechtshandeling worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet.”

7 Artikel 405 van dat wetboek luidt als volgt: „Eenieder die zonder rechtsgrond ten koste van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is gehouden om dat voordeel terug te geven in natura of, indien dat niet mogelijk is, om de waarde ervan te vergoeden.”

8 Artikel 410 van dat wetboek luidt: „§ 1. De bepalingen van de voorgaande artikelen zijn met name van toepassing op onverschuldigde prestaties. § 2. Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht daartoe in het geheel niet verplicht was of daartoe niet verplicht was ten aanzien van de begunstigde, indien de grondslag van deze prestatie is verdwenen of het doel ervan niet is bereikt, of indien de rechtshandeling waarbij die prestatie werd verlangd, nietig was en niet geldig is geworden nadat die prestatie is verricht.”

9 Artikel 455 van het voornoemde wetboek luidt als volgt: „Indien de termijn voor de uitvoering van een prestatie niet is vastgesteld en niet uit de aard van de verbintenis blijkt, moet de prestatie onmiddellijk worden verricht nadat de schuldenaar daartoe is aangemaand.”

10 Artikel 498, leden 1 en 2, van het burgerlijk wetboek bepaalt: „§ 1. Wanneer twee personen gelijktijdig elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn, kan elk van hen zijn schuldvordering met die van de wederpartij verrekenen, mits beide schuldvorderingen betrekking hebben op geldsommen of naar soort bepaalde zaken van dezelfde kwaliteit en beide schuldvorderingen opeisbaar zijn geworden en kunnen worden opgeëist voor een rechter of een andere overheidsinstantie. § 2. Als gevolg van verrekening gaan beide schuldvorderingen teniet tot het bedrag van de lagere schuldvordering.”

11 Artikel 499 van dit wetboek bepaalt: „Verrekening geschiedt door middel van een verklaring aan de wederpartij. De verklaring heeft terugwerkende kracht tot op het tijdstip waarop verrekening mogelijk is geworden.”

Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

12 In artikel 98, lid 1, van de ustawa – Kodeks postępowania cywilnego (wet tot vaststelling van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz.U. nr. 43, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), bepaalt: „De in het ongelijk gestelde partij moet de wederpartij op haar verzoek de kosten vergoeden die deze heeft moeten maken om haar rechten doeltreffend te doen gelden of om zich naar behoren te verdedigen (kosten).”

13 Artikel 100 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt: „In het geval dat de vorderingen slechts gedeeltelijk worden toegewezen, worden de kosten onderling verrekend of naar verhouding verdeeld. De rechter kan evenwel aan een partij de verplichting opleggen om alle kosten te vergoeden indien haar wederpartij slechts voor een onbeduidend deel van zijn vordering in het ongelijk is gesteld of indien de vaststelling van het aan hem verschuldigde bedrag afhing van een verrekening of van een beoordeling door de rechter.”

14 Artikel 102 van dat wetboek luidt: „In bijzonder gerechtvaardigde gevallen kan de rechter de in het ongelijk gestelde partij verwijzen in slechts een deel van de kosten, of haar helemaal niet in de kosten verwijzen.”

15 Artikel 203, lid 1, van dat wetboek bepaalt: „Het beroep kan zonder instemming van de verweerder worden ingetrokken tot aan het begin van de terechtzitting of, indien de intrekking de afstand van de vordering inhoudt, tot aan de uitspraak van het vonnis.”

16 Artikel 2031 van het voornoemde wetboek luidt als volgt: „§ 1. Een exceptie van verrekening kan enkel worden gebaseerd op een vordering: 1) van de verweerder die voortvloeit uit dezelfde rechtsbetrekking als de vordering van de verzoeker, tenzij de vordering onbetwist is, is vastgesteld bij een definitieve rechterlijke beslissing, een uitspraak van een scheidsgerecht, een voor een gerecht of scheidsgerecht gesloten overeenkomst, een voor een bemiddelaar gesloten en door een rechterlijke instantie bevestigde overeenkomst, of indien zij aannemelijk is gemaakt door een document waarin de erkenning ervan door de verzoeker is bevestigd; 2) betreffende de terugbetaling van een prestatie waarop een van de hoofdelijke schuldenaren recht heeft jegens de andere medeschuldenaren. § 2. De verweerder kan uiterlijk bij de inleiding van een geding ten gronde of binnen twee weken na de datum waarop zijn schuldvordering opeisbaar is geworden, aanspraak maken op verrekening. § 3. Verrekening kan alleen worden aangevoerd bij wege van een processtuk. De regels betreffende het beroep zijn mutatis mutandis van toepassing op dit stuk, met uitzondering van de regels betreffende de kosten.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17 Op 28 augustus 2008 hebben RM en EM met SBP een overeenkomst voor een in Zwitserse frank luidende hypothecaire lening gesloten, op grond waarvan SBP hun een lening van 360000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 84634 EUR) heeft verstrekt, waarvan de terugbetaling een periode van 360 maanden zou beslaan (hierna: „betrokken overeenkomst”).

18 De betrokken overeenkomst bevatte verschillende bedingen betreffende de wijze van omrekening tussen de Zwitserse frank en de Poolse zloty (hierna: „omrekeningsbedingen”).

19 Tussen 5 september 2008 en 15 maart 2022 heeft SBP van RM en EM een totaalbedrag van 327338 PLN (ongeveer 76956 EUR) ontvangen uit hoofde van de maandelijkse aflossingen van die lening.

20 Op 17 november 2022 hebben RM en EM bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de betrokken overeenkomst op grond van de vermeende oneerlijkheid van de omrekeningsbedingen, tot vaststelling dat deze overeenkomst zonder die bedingen niet kan voortbestaan, en tot veroordeling van SBP tot terugbetaling van het bedrag van 327338 PLN (ongeveer 76956 EUR), dat overeenkomt met de termijnen die ter uitvoering van die overeenkomst zijn betaald, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 7 september 2022, alsmede tot betaling van de kosten.

21 Voor de verwijzende rechter heeft SBP aangevoerd dat de betrokken overeenkomst geldig was en heeft zij verzocht om verwerping van het beroep en verwijzing van RM en EM in de kosten.

22 Op 18 juli 2024 heeft SBP RM en EM aangemaand om haar uiterlijk op 5 augustus 2024 het bedrag van 360000 PLN (ongeveer 84634 EUR) terug te betalen dat zij ter uitvoering van de betrokken overeenkomst hadden ontvangen.

23 Op 9 augustus 2024 heeft SBP aan RM en EM een verklaring betekend waarin zij hun meedeelde dat zij voornemens was haar vordering van 360000 PLN (ongeveer 84634 EUR) te verrekenen met de vordering die zij voor de verwijzende rechter hadden ingediend.

24 Op 14 augustus 2024 heeft SBP voor deze rechter een exceptie van verrekening van deze twee vorderingen opgeworpen, waartegen RM en EM zich hebben verzet.

25 Op 19 december 2024 heeft de verwijzende rechter een tussenvonnis gewezen waarin hij de betrokken overeenkomst nietig heeft verklaard op grond van artikel 58, lid 1, van het burgerlijk wetboek, omdat de omrekeningsbedingen oneerlijk waren en deze overeenkomst zonder die bedingen niet kon voortbestaan.

26 Wat voor het overige de door SBP opgeworpen exceptie van verrekening en de gevolgen van een beslissing tot toewijzing ervan betreft, vraagt de verwijzende rechter zich af of de uitlegging van de bepalingen van nationaal recht die hem ertoe zou brengen in die zin te beslissen, niet onverenigbaar is met het Unierecht.

27 Volgens deze rechter impliceert de nietigverklaring van een overeenkomst dat elke partij krachtens artikel 405 van het burgerlijk wetboek, gelezen in samenhang met artikel 410 ervan, verplicht is om aan de wederpartij alle op grond van die overeenkomst verrichte prestaties terug te betalen, die als gevolg van die verklaring als onverschuldigd moeten worden beschouwd.

28 De verwijzende rechter preciseert dat elke partij een recht heeft om de onverschuldigde prestatie terug te vorderen van de wederpartij. In het bijzonder bestaan de vorderingen van beide partijen die voortvloeien uit de nietigheid van een overeenkomst volgens de zogenaamde theorie van de „twee sporen”, die in de Poolse rechtspraak algemeen wordt toegepast, onafhankelijk van elkaar. Elke partij kan dus haar vordering op de wederpartij in een afzonderlijke procedure doen gelden. De rechter bij wie door een van de partijen een vordering tot betaling aanhangig is gemaakt, is daarentegen niet bevoegd om hun wederzijdse vorderingen ambtshalve te verrekenen. De partij die deze vorderingen wil verrekenen, kan evenwel een exceptie van verrekening opwerpen onder de voorwaarden van artikel 2031 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

29 Volgens de verwijzende rechter voldoet de door SBP opgeworpen exceptie van verrekening in casu aan deze voorwaarden en is zij gebaseerd op een verklaring van verrekening in overeenstemming met de voorwaarden in de artikelen 498 en 499 van het burgerlijk wetboek. Deze exceptie van verrekening moet dus worden aanvaard.

30 Deze rechter is van oordeel dat hij bijgevolg de vordering tot terugbetaling van RM en EM slechts gedeeltelijk moet toewijzen, door het door SBP gevorderde bedrag in mindering te brengen op het aan hen terug te betalen bedrag. In casu zou SBP aan RM en EM 401195 PLN (ongeveer 94263 EUR) terug moeten betalen, namelijk 327338 PLN (ongeveer 76956 EUR) uit hoofde van de terugbetaling van de betaalde termijnen, vermeerderd met de rente van 7 september 2022 tot 5 augustus 2024, te weten 73857 PLN (ongeveer 17363 EUR). Na verrekening met haar schuldvordering van 360000 PLN (ongeveer 84634 EUR) moet SBP dus worden veroordeeld tot betaling aan RM en EM van een bedrag van 41195 PLN (ongeveer 9685 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 6 augustus 2024 tot de datum van betaling. Wat de kosten betreft, is deze rechter van mening dat hij de kosten moet verdelen met inachtneming van de verhouding waarin elke partij in het ongelijk is gesteld.

31 De verwijzende rechter betwijfelt echter of een dergelijk besluit verenigbaar is met het Unierecht.

32 In de eerste plaats wijst de verwijzende rechter erop dat de afwijzing van een groot deel van de vordering van RM en EM afbreuk dreigt te doen aan de terugbetalingsplicht en de afschrikkende werking die artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 volgens het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punten 62 en 63), willen hechten aan de vaststelling dat bedingen in consumentenovereenkomsten oneerlijk zijn.

33 Daarnaast zouden de beginselen van gelijkwaardigheid, evenredigheid en rechtszekerheid en het recht van de verkoper op effectieve rechterlijke bescherming kunnen worden geschonden indien hem de mogelijkheid om een exceptie van verrekening in te roepen volledig wordt ontnomen. Deze ontneming leidt immers tot een aanzienlijke beperking van zijn mogelijkheid om zich in rechte te verdedigen, temeer daar hij op grond van de bepalingen van het burgerlijk wetboek en het wetboek van burgerlijke rechtsvordering een dergelijke exceptie kan opwerpen. De verwijzende rechter merkt evenwel op dat het Hof, met name in het arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling) (C‑28/22, EU:C:2023:992, punt 87), heeft uitgesloten dat een verkoper zich op een opschortingsrecht kan beroepen in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden die in casu aan de orde zijn.

34 In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter erop dat een verkoper volgens de Poolse rechtspraak subsidiair een exceptie van verrekening kan opwerpen wanneer hij primair aanvoert dat de vordering van de consument niet gerechtvaardigd is wat de grond of de omvang ervan betreft.

35 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat een dergelijke exceptie de consument in een procedurele situatie plaatst die onverenigbaar zou kunnen zijn met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en met het doeltreffendheidsbeginsel. Wanneer de consument wordt geconfronteerd met een door de verkoper rechtsgeldig ingediende exceptie van verrekening, moet hij zijn vordering tot betaling in beginsel namelijk intrekken op grond van artikel 203, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. In de praktijk is het voor de consument echter moeilijk om een dergelijke vordering in te trekken, aangezien zijn betalingsvordering deel uitmaakt van het beroep strekkende tot nietigverklaring van de met de verkoper gesloten overeenkomst. Zonder intrekking zou de consument echter het risico lopen dat zijn beroep gedeeltelijk wordt verworpen en hij bijgevolg in een deel van de kosten wordt verwezen.

36 Volgens de verwijzende rechter zou de procedurele situatie van de consument minder complex zijn indien de verkoper zich op een exceptie van verrekening zou beroepen en tegelijkertijd de nietigheid van de met die consument gesloten kredietovereenkomst en het bestaan van een schuldvordering van de consument jegens hem ter hoogte van de tegenwaarde van de krediettermijnen onvoorwaardelijk zou erkennen. Deze rechter vraagt zich evenwel af of de uitsluiting van de mogelijkheid voor de verkoper om subsidiair een exceptie van verrekening op te werpen, niet in strijd is met de beginselen van gelijkwaardigheid, evenredigheid en rechtszekerheid en met zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming.

37 Voorts wijst de verwijzende rechter erop dat volgens de Poolse rechtspraak uit artikel 455 van het burgerlijk wetboek inderdaad volgt dat een vordering die voortvloeit uit de verplichting tot terugbetaling van een onverschuldigde prestatie die in het kader van een nietige overeenkomst is verricht, opeisbaar wordt in de zin van artikel 498, lid 1, van dat wetboek na de aanmaning tot betaling van een specifiek bedrag. Een dergelijke vordering veronderstelt evenwel de nietigheid van die overeenkomst.

38 In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of een zo korte terugbetalingstermijn als de twee weken die SBP in haar aanmaning heeft gesteld, verenigbaar is met het Unierecht. In dit verband volgt uit de Poolse rechtspraak dat de uitdrukking „onmiddellijk” in artikel 455 van het burgerlijk wetboek aldus moet worden opgevat dat de prestatie in gewone situaties binnen veertien dagen na de ingebrekestelling moet worden verricht. Aangezien SBP in overeenstemming met die rechtspraak heeft gehandeld, moet haar vordering vanuit dit oogpunt als opeisbaar worden beschouwd.

39 In het bijzonder vraagt deze rechter zich af of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel zich ertegen verzetten dat een verkoper een consument kan aanmanen om binnen een korte termijn een bedrag te betalen dat, gelet op de middelen van de consument, erg hoog is. Hij wijst er evenwel op dat hij RM en EM in casu vooraf in kennis heeft gesteld van de gevolgen van de nietigheid van de betrokken overeenkomst, met name van de verplichting om de tegenwaarde van het geleende kapitaal terug te betalen.

40 In de vierde en laatste plaats herinnert de verwijzende rechter eraan dat RM en EM reeds in het gelijk zijn gesteld wat de nietigheid van de betrokken overeenkomst betreft. Indien hij de door SBP opgeworpen exceptie van verrekening afwijst en het volledige door RM en EM gevorderde bedrag aan hen toekent, zou SBP volledig in het ongelijk worden gesteld en overeenkomstig artikel 98, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering dus alle kosten moeten dragen.

41 Indien hij deze exceptie van verrekening toewijst, zou hij daarentegen niet alle kosten ten laste van SBP kunnen leggen, maar zouden RM en EM een deel daarvan moeten dragen, aangezien zij ten onrechte hebben gesteld dat deze exceptie moet worden afgewezen. Na een dergelijke verdeling overeenkomstig artikel 100, eerste volzin, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering krijgen RM en EM slechts een bedrag van 5504 PLN (ongeveer 1293 EUR) aan invorderbare kosten toegewezen, terwijl hun uitgaven in werkelijkheid 17334 PLN (ongeveer 4071 EUR) bedragen.

42 De verwijzende rechter betwijfelt of een dergelijk resultaat verenigbaar is met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en met het doeltreffendheidsbeginsel. Niettemin kan hij op grond van artikel 102 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering een voor RM en EM gunstigere beslissing nemen over de kosten.

43 In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13] en de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid, evenredigheid en rechtszekerheid, in de context van nietigheid van de gehele hypothecaire leningovereenkomst op grond dat deze na schrapping van de oneerlijke bedingen niet kan voortbestaan, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een uitlegging door een rechter van het nationale recht op grond waarvan: – de bank in het kader van een door een consument tegen een bank ingestelde vordering tot terugbetaling van de tegenwaarde van de krediettermijnen met vrucht een exceptie van verrekening van haar vordering tot terugbetaling van de tegenwaarde van de hoofdsom van het krediet met de vordering van de consument kan inroepen, – de bank deze exceptie van verrekening ook subsidiair kan inroepen, terwijl zij in het geding in wezen stelt dat de kredietovereenkomst geldig is en geen oneerlijke bedingen bevat, – de bank de consument kan verzoeken om terugbetaling van de tegenwaarde van de ter uitvoering van de nietige overeenkomst uitbetaalde hoofdsom van het krediet (waardoor deze vordering van de bank opeisbaar wordt), terwijl de bank in het proces in wezen stelt dat de kredietovereenkomst geldig is en geen oneerlijke bedingen bevat, – de bank de consument een termijn van twee weken kan stellen om de tegenwaarde van de volledige hoofdsom van het krediet terug te betalen (waardoor de vordering van de bank tot terugbetaling van de tegenwaarde van de volledige hoofdsom van het krediet opeisbaar wordt), [en] – een deel van de proceskosten ten laste van de consument wordt gebracht, voor zover de vordering tot betaling naar aanleiding van de toewijzing van de door de bank ingeroepen exceptie van verrekening is afgewezen?”

Bevoegdheid van het Hof

44 De Portugese regering betoogt dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een prejudiciële beslissing, aangezien de verwijzende rechter het Hof daarmee verzoekt het nationale recht uit te leggen.

45 Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat deze wel degelijk betrekking heeft op de uitlegging van bepalingen en beginselen van het Unierecht.

46 Aangezien het Hof bevoegd is om de bepalingen en beginselen van het Unierecht uit te leggen, is het derhalve bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een prejudiciële beslissing en om de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden.

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

47 De Poolse regering betoogt dat het onderdeel van de prejudiciële vraag dat betrekking heeft op de mogelijkheid voor een verkoper om in het kader van het geding tussen hem en een consument die nietigverklaring vordert van de hypothecaire leningovereenkomst die zij hebben gesloten, subsidiair een exceptie van verrekening in te roepen, en tegelijkertijd primair aan te voeren dat deze overeenkomst geldig is, niet-ontvankelijk is. De verwijzende rechter heeft immers reeds bij het in punt 25 van het onderhavige arrest vermelde tussenvonnis beslist dat de betrokken overeenkomst nietig was.

48 In dit verband is de rechtvaardiging van een prejudiciële verwijzing volgens vaste rechtspraak niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de werkelijke beslechting van een geschil [zie arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 18, en 11 september 2025, Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular III), C‑687/23, EU:C:2025:687, punt 35].

49 In casu heeft de verwijzende rechter de betrokken overeenkomst bij een tussenvonnis nietig verklaard. Hij heeft echter tegelijkertijd besloten het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof voor te leggen, aangezien hij van mening was dat een uitlegging van bepalingen en beginselen van het Unierecht noodzakelijk was om in dezelfde procedure waarin hij dit tussenvonnis heeft gewezen, uitspraak te kunnen doen op het resterende deel van het beroep van RM en EM, gelet op een exceptie van verrekening die, toen zij werd ingediend, een subsidiair verweer vormde ten opzichte van de stelling dat die overeenkomst geldig was.

50 In die omstandigheden is dit onderdeel van de prejudiciële vraag niet kennelijk hypothetisch. Het antwoord daarop kan namelijk noodzakelijk zijn voor de beslechting van het hoofdgeding en met name voor de beoordeling van de verenigbaarheid van het nationale recht met de Unierechtelijke bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht.

51 Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel ontvankelijk.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

52 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26, en 25 februari 2025, Alphabet e.a., C‑233/23, EU:C:2025:110, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen uitleg waaruit kan worden opgemaakt in welk opzicht het gelijkwaardigheidsbeginsel, dat nochtans in de gestelde vraag wordt genoemd, relevant zou zijn.

54 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn enige vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het nationale recht op grond waarvan een kredietverstrekker, in het kader van een door een consument ingestelde procedure tot ongeldigverklaring van de door die consument en die kredietverstrekker gesloten hypothecaire leningovereenkomst en tot terugbetaling van de ter uitvoering van die overeenkomst betaalde termijnen, hoewel hij primair aanvoert dat die overeenkomst geldig is, subsidiair een exceptie van verrekening kan opwerpen die is gebaseerd op een vordering die overeenkomt met het bedrag van die hypothecaire lening, aangezien deze vordering als opeisbaar moet worden beschouwd op grond dat de in de aanmaning aan deze consument gestelde termijn is verstreken en het aanvaarden van deze exceptie wegens het vruchteloze verweer van de consument daartegen leidt tot een verdeling van de kosten die evenredig is aan de mate waarin elke partij in het ongelijk is gesteld.

55 Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepalen de lidstaten dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden.

56 Bovendien verplicht deze richtlijn, gelet op de aard en het gewicht van het algemene belang waarop de aan de consument – die zich tegenover de verkoper in een zwakkere positie bevindt – verschafte bescherming berust, de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, gelezen in het licht van de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 De nationale rechter is derhalve verplicht een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken te zijn, buiten toepassing te laten. Een dergelijke verplichting brengt in beginsel een plicht tot terugbetaling van overeenkomstige bedragen met zich mee, aangezien het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht de afschrikkende werking in gevaar zou brengen die artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, ervan, heeft willen hechten aan de vaststelling dat bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

58 Richtlijn 93/13 bepaalt echter niet uitdrukkelijk de gevolgen van de nietigheid van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen. Bijgevolg staat het aan de lidstaten om te bepalen welke gevolgen een dergelijke vaststelling heeft, met dien verstande dat de regels die zij dienaangaande vaststellen verenigbaar moeten zijn met het Unierecht en in het bijzonder met de doelstellingen van die richtlijn [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

59 In casu blijkt in de eerste plaats uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de situatie die de verwijzende rechter ertoe heeft gebracht dit verzoek aan het Hof voor te leggen, voortvloeit uit de zogenaamde theorie van de „twee sporen”, op grond waarvan de nietigheid van een dergelijke overeenkomst twee vorderingen doet ontstaan die onafhankelijk van elkaar kunnen worden geïnd.

60 In dit verband heeft het Hof om te beginnen reeds voor recht verklaard dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de verkoper, wanneer een leningovereenkomst nietig wordt verklaard omdat zij een als oneerlijk aangemerkt beding bevat, van de consument terugbetaling kan eisen van het volledige nominale bedrag van de verstrekte lening, ongeacht het bedrag van de aflossingen die de consument ter uitvoering van die overeenkomst heeft verricht en ongeacht het nog verschuldigde bedrag (arrest van 19 juni 2025, Lubreczlik, C‑396/24, EU:C:2025:460, punt 44).

61 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat aanvaarding van de exceptie van verrekening die de kredietverstrekker heeft opgeworpen naar aanleiding van het verzoek van de consument om terugbetaling van de prestaties die hij heeft verricht ter uitvoering van een nietig verklaarde hypothecaire leningovereenkomst, leidt tot een situatie waarin alleen de partij met de hoogste vordering schuldeiser blijft jegens de andere partij. In een dergelijke situatie wordt dus wel degelijk rekening gehouden met de termijnen die de consument ter uitvoering van de nietig verklaarde overeenkomst heeft betaald en met het nog verschuldigde bedrag, zodat deze consument niet verplicht is het volledige nominale bedrag van de verkregen lening terug te betalen.

62 De in punt 60 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte beginselen verzetten zich dus niet tegen een uitlegging van de relevante regels van het nationale recht op grond waarvan een situatie kan worden bereikt waarin, als gevolg van een verrekening tussen twee vorderingen waarvan de bedragen niet identiek zijn, alleen de partij die schuldenaar blijft van het bedrag dat niet door haar eigen vordering op de andere partij wordt gedekt, wordt veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan de wederpartij.

63 Voorts staan artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, volgens vaste rechtspraak in de weg aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het nationale recht dat een verkoper, in het geval dat een door hem met een consument gesloten hypothecaire leningovereenkomst na de schrapping van de oneerlijke bedingen in die overeenkomst niet kan voortbestaan, zich kan beroepen op een opschortingsrecht op grond waarvan hij de terugbetaling van de door hem van de consument ontvangen prestaties afhankelijk kan stellen van het aanbod van die consument om de prestaties terug te betalen die hij op zijn beurt van de verkoper heeft ontvangen of om voor die terugbetaling zekerheid te stellen, wanneer de consument, doordat deze verkoper dit opschortingsrecht uitoefent, zijn recht op vertragingsrente verliest [zie in die zin arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling), C‑28/22, EU:C:2023:992, punt 87, en beschikking van 8 mei 2024, Santander Bank PolskaC‑424/22, EU:C:2024:398, punt 38].

64 Het opschortingsrecht dat aan de orde was in de zaken die tot die rechtspraak hebben geleid, bestond er echter in dat de eerste partij de teruggave van een prestatie die zij aan de tweede partij verschuldigd was, afhankelijk stelde van de voorwaarde dat die tweede partij zich ertoe verbond de prestatie die de eerste partij voor haar had verricht, terug te betalen. Bovendien blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het bedrag van de hoofdvordering van RM en EM hoe dan ook zou worden vermeerderd met vertragingsrente indien de door SBP opgeworpen exceptie van verrekening zou worden aanvaard.

65 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt daarentegen uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verrekening naar Pools recht hetzelfde effect heeft als de verrichting van de prestaties door beide partijen.

66 In dergelijke omstandigheden kan, anders dan bij de uitoefening van het opschortingsrecht in de in punt 63 van het onderhavige arrest aangehaalde zaken, een verrekening tussen de vorderingen van de kredietverstrekker en de consument in beginsel dus geen afbreuk doen aan de bescherming die richtlijn 93/13 de consument waarborgt.

67 Ten slotte is voor de beoordeling van de gevolgen voor de situatie van de consument van de ongeldigverklaring van een overeenkomst in haar geheel de door de consument tot uitdrukking gebrachte wil doorslaggevend. Het door richtlijn 93/13 ingestelde beschermingsstelsel is namelijk niet van toepassing wanneer de consument zich daartegen verzet. Deze consument kan, na door de nationale rechter te zijn gewaarschuwd, afzien van het aanvoeren van het oneerlijke en niet-bindende karakter van een beding. Zodoende stemt hij vrijwillig en geïnformeerd met het betrokken beding in en voorkomt hij de ongeldigverklaring van de overeenkomst. Teneinde de consument in staat te stellen vrijwillig en goed geïnformeerd zijn instemming te geven, staat het aan de nationale rechter om de partijen in het kader van het nationale procesrecht en met inachtneming van het beginsel van billijkheid in burgerlijke zaken, objectief en uitputtend te wijzen op de rechtsgevolgen die de schrapping van het oneerlijke beding kan hebben. Dergelijke informatie is van nog groter belang wanneer de niet-toepassing van het oneerlijke beding kan leiden tot de nietigverklaring van de gehele overeenkomst, waardoor de consument eventueel met restitutievorderingen kan worden geconfronteerd [zie in die zin arrest van 16 maart 2023, M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑6/22, EU:C:2023:216, punten 38‑41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

68 Wanneer de consument door de bevoegde rechter is geïnformeerd over de mogelijke gevolgen die voortvloeien uit de nietigverklaring van de overeenkomst tussen hem en de verkoper, maar niettemin besluit zich er niet tegen te verzetten dat die rechter die overeenkomst ongeldig verklaart, moet evenwel worden geoordeeld dat het niet in strijd is met de door richtlijn 93/13 gewaarborgde bescherming van de consument wanneer die rechter de vordering van die verkoper toewijst die ertoe strekt dat de uit die nietigverklaring voortvloeiende vorderingen van de twee partijen worden verrekend. Een dergelijke verrekening vormt voor de kredietverstrekker immers een van de manieren om het geleende kapitaal terug te krijgen, waarop hij na de ongeldigverklaring van die overeenkomst recht heeft.

69 Bovendien kan met een dergelijk verrekeningsmechanisme worden voorkomen dat de verkoper ervoor kiest om een afzonderlijke vordering in te stellen om zijn vordering jegens de consument geldend te maken, hetgeen leidt tot een toename van de procedures en dus tot extra kosten, hetgeen niet in het belang van de consument is.

70 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat niet alleen de vermeende slachtoffers van een schending van het Unierecht zich kunnen beroepen op het door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op een eerlijk proces: dit recht beschermt namelijk ook de verweerder, zelfs wanneer eerder is vastgesteld dat hij richtlijn 93/13 heeft geschonden. Het recht op een eerlijk proces beschermt namelijk elke rechtspersoon afzonderlijk beschouwd. De procedurele waarborgen van dit artikel gelden dus ook voor consumentengeschillen [zie, naar analogie met betrekking tot artikel 101 VWEU, arrest van 11 juli 2024, Volvo (Betekening of kennisgeving van een dagvaarding op de zetel van een dochteronderneming van de verweerster), C‑632/22, EU:C:2024:601, punt 54].

71 Indien de verkoper de in het toepasselijke nationale recht neergelegde mogelijkheid zou worden ontnomen om tegen de consument een exceptie van verrekening in te roepen, zou zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming onevenredig worden aangetast, aangezien hij zich niet op dit verweermiddel zou kunnen beroepen.

72 Aangezien een consument de bevoegde rechter kan verzoeken, indien hij de overeenkomst die deze consument met een verkoper heeft gesloten ongeldig verklaart, die verkoper te veroordelen tot terugbetaling van de prestaties die hij op grond van die overeenkomst van de consument heeft ontvangen, vereist het beginsel van processuele gelijkheid, dat een logisch uitvloeisel is van het begrip eerlijk proces (zie in die zin arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat die verkoper op zijn beurt over de mogelijkheid beschikt om de prestaties die hij ten behoeve van dezelfde consument heeft verricht, terug te vorderen, eventueel door middel van een subsidiair opgeworpen exceptie van verrekening, voor het geval dat het primaire verweer van dezelfde verkoper, dat is ontleend aan de geldigheid van die overeenkomst, wordt afgewezen.

73 In deze context moet evenwel worden gepreciseerd dat uit de rechtspraak volgt dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het recht van een lidstaat volgens welke de bank na de nietigverklaring van een hypothecaire leningovereenkomst het recht heeft om van de consument een hoger bedrag te vorderen dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst verstrekte kapitaal en de betaling van wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling. Onder dit voorbehoud met betrekking tot de wettelijke vertragingsrente heeft de bank geen recht op een vergoeding voor het gebruik van dit kapitaal door de consument [zie in die zin arrest van 7 december 2023, mBank (Verklaring van de consument), C‑140/22, EU:C:2023:965, punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

74 In het kader van een subsidiair opgeworpen exceptie van verrekening brengt dit voorbehoud mee dat, zolang de kredietverstrekker aanvoert dat de met de consument gesloten overeenkomst geldig is, een ingebrekestelling die hij aan de consument betekent met het oog op de terugbetaling van het geleende kapitaal, geen rechtsgevolg kan hebben, met name met het oog op de betaling van vertragingsrente, tot aan de definitieve ongeldigverklaring van die overeenkomst.

75 Wat in de derde plaats de duur van de betalingstermijn betreft die de kredietverstrekker kan vaststellen in de aanmaning die hij aan de consument richt, moet worden geoordeeld dat deze duur deel uitmaakt van alle informatie over de gevolgen van de ongeldigverklaring van de overeenkomst die de bevoegde rechter overeenkomstig de in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak aan die consument moet verstrekken alvorens hij de overeenkomst ongeldig kan verklaren. Hoewel de vaststelling van die duur afhangt van het nationale recht, moet deze rechter er, gelet op alle relevante omstandigheden, niettemin op toezien dat deze termijn niet van dien aard is dat hij de consument ervan weerhoudt, of hem zelfs belet, om zich op de hem door richtlijn 93/13 verleende bescherming te beroepen.

76 Wat in de vierde en laatste plaats de gevolgen betreft die het toewijzen van de door de kredietverstrekker opgeworpen exceptie van verrekening kan hebben voor de proceskosten, moet worden opgemerkt dat de verdeling van de kosten van een gerechtelijke procedure bij de nationale rechterlijke instanties onder de procesautonomie van de lidstaten valt, op voorwaarde dat de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen (arrest van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77 Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel – dat als enige aan de orde is in de overwegingen van de verwijzende rechter dienaangaande – moet eraan worden herinnerd dat bij het onderzoek van de vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds rekening moet worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 Hoewel het doeltreffendheidsbeginsel zich er in het algemeen niet tegen verzet dat een consument bepaalde proceskosten draagt wanneer hij beroep instelt strekkende tot vaststelling van de oneerlijkheid van een contractueel beding (arrest van 7 april 2022, Caixabank, C‑385/20, EU:C:2022:278, punt 51), moet ook worden opgemerkt dat richtlijn 93/13 de consument het recht verleent om zich tot een rechter te wenden om een contractueel beding oneerlijk te laten verklaren en om dat beding buiten toepassing te laten, en dat de doeltreffendheid van dit recht moet worden gevrijwaard. Bijgevolg mag de kostenverdelingsregeling van dergelijke procedures de consument niet ontmoedigen om dit recht uit te oefenen (zie in die zin arrest van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat hij, indien hij de door SBP opgeworpen exceptie van verrekening zou aanvaarden, artikel 98, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering niet zou kunnen toepassen om SBP te verwijzen in alle kosten van de procedure, aangezien RM en EM in het ongelijk zouden worden gesteld wat betreft hun vordering tot terugbetaling van de bedragen die zij krachtens de betrokken overeenkomst aan SBP hebben betaald, aangezien het terug te betalen bedrag moet worden verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de vordering van SBP op hen. Hij preciseert dat hij zich op deze bepaling had kunnen baseren indien RM en EM zich niet hadden verzet tegen de door SBP opgeworpen exceptie van verrekening en hun vordering gedeeltelijk hadden ingetrokken. In die omstandigheden acht deze rechter zich verplicht artikel 100, eerste volzin, van dat wetboek toe te passen en de kosten te verdelen met inachtneming van de verhouding waarin elke partij in het ongelijk is gesteld. Niettemin wijst de verwijzende rechter op de mogelijkheid om zich te baseren op artikel 102 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, op grond waarvan hij de in het ongelijk gestelde partij in slechts een deel van de kosten kan verwijzen of haar in het geheel niet in de kosten kan verwijzen, om aldus een voor verzoekers gunstigere beslissing te nemen over de kosten.

80 In dit verband zij eraan herinnerd dat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, en met inachtneming van met name het verbod van uitlegging contra legem van het nationale recht, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punten 118 en 119, en 15 oktober 2024, KUBERA, C‑144/23, EU:C:2024:881, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81 In haar schriftelijke opmerkingen wijst de Poolse regering erop dat de nationale rechterlijke instanties over voldoende rechtsinstrumenten beschikken om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die consumenten aan richtlijn 93/13 ontlenen. In het bijzonder kunnen deze rechterlijke instanties op grond van artikel 102 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, waarin het beginsel van billijkheid is neergelegd, de vergoeding van de kosten gelasten. Op grond van het beginsel van conforme uitlegging kunnen die rechterlijke instanties afwijken van een restrictieve uitlegging van dit artikel.

82 Het staat uiteindelijk aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of de aan de orde zijnde nationale regeling in overeenstemming met richtlijn 93/13 kan worden uitgelegd, en zo ja, om er de passende rechtsgevolgen aan te verbinden.

83 In het bijzonder moet deze rechter ten eerste de doeltreffendheid waarborgen van het recht van RM en EM om de ongeldigverklaring van de betrokken overeenkomst met oneerlijke bedingen en de terugbetaling van de ten onrechte door de kredietverstrekker ontvangen prestaties te verkrijgen, door te voorkomen dat de kostenverdelingsregeling consumenten ervan weerhoudt zich te beroepen op de rechten die richtlijn 93/13 hun toekent.

84 Ten tweede moet die rechter ook alle omstandigheden van de bij hem aanhangige zaak kunnen beoordelen teneinde in voorkomend geval rekening te houden met de eventuele kwade trouw van de consumenten die, ondanks de van de rechter ontvangen informatie, zich ten onrechte verzetten tegen de verrekening van de wederzijdse vorderingen van deze consumenten en de kredietverstrekker (zie in die zin arrest van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punten 42 en 43).

85 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, niet in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het nationale recht op grond waarvan een kredietverstrekker, in het kader van een door een consument ingestelde procedure tot ongeldigverklaring van de door die consument en die kredietverstrekker gesloten hypothecaire leningovereenkomst en tot terugbetaling van de ter uitvoering van die overeenkomst betaalde termijnen, hoewel hij primair aanvoert dat die overeenkomst geldig is, subsidiair een exceptie van verrekening kan opwerpen die is gebaseerd op een vordering die overeenkomt met het bedrag van die hypothecaire lening, mits, ten eerste, deze vordering niet wordt geacht opeisbaar te zijn voordat de bevoegde rechter die overeenkomst ongeldig heeft verklaard en, ten tweede, de aanvaarding van een dergelijke exceptie niet leidt tot een beslissing over de proceskosten die de consument ervan kan weerhouden de rechten uit te oefenen die hem door deze richtlijn worden toegekend.

Kosten

86 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en het doeltreffendheidsbeginsel, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij niet in de weg staan aan een in de rechtspraak ontwikkelde uitlegging van het nationale recht op grond waarvan een kredietverstrekker, in het kader van een door een consument ingestelde procedure tot ongeldigverklaring van de door die consument en die kredietverstrekker gesloten hypothecaire leningovereenkomst en tot terugbetaling van de ter uitvoering van die overeenkomst betaalde termijnen, hoewel hij primair aanvoert dat die overeenkomst geldig is, subsidiair een exceptie van verrekening kan opwerpen die is gebaseerd op een vordering die overeenkomt met het bedrag van die hypothecaire lening, mits, ten eerste, deze vordering niet wordt geacht opeisbaar te zijn voordat de bevoegde rechter die overeenkomst ongeldig heeft verklaard en, ten tweede, de aanvaarding van een dergelijke exceptie niet leidt tot een beslissing over de proceskosten die de consument ervan kan weerhouden de rechten uit te oefenen die hem door deze richtlijn worden toegekend.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in