HvJ EU 19 juni 2025, C-396/24, ECLI:EU:C:2025:460
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
19 juni 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 7, lid 1 – Overeenkomst betreffende een aan een vreemde valuta gekoppelde hypothecaire lening die oneerlijke bedingen bevat – Gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding – Nietigheid van deze overeenkomst – Terugbetaling door de consument van het op grond van een nietige overeenkomst verkregen bedrag van de lening, ongeacht de verrichte aflossingen – Afschrikkende werking van het verbod op oneerlijke bedingen – Berusting van de consument in de vordering tot terugbetaling – Verplichting voor de nationale rechter om de beslissing tot toewijzing van die vordering onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren”
In zaak C‑396/24 [Lubreczlik] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Krakowie (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen) bij beslissing van 22 april 2024, ingekomen bij het Hof op 6 juni 2024, in de procedure
mBank S.A.,
tegen
BL,
CY,
en
PU,
QS,
tegen
mBank S.A.,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, A. Arabadjiev en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– PU en QS, vertegenwoordigd door P. Dagiel, radca prawny,
– mBank S.A., vertegenwoordigd door A. Cudna-Wagner, radca prawny, en B. Miąskiewicz, adwokat,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen tussen respectievelijk mBank S.A. en BL en CY enerzijds, en PU en QS en mBank S.A. anderzijds, betreffende vorderingen tot terugbetaling van bedragen die waren betaald in het kader van leningsovereenkomsten die nietig zijn verklaard omdat zij oneerlijke bedingen bevatten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
4 In artikel 7, lid 1, van deze richtlijn is bepaald: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Pools recht
Burgerlijk wetboek
5 Artikel 58, lid 1, van de Ustawa Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. 1964, nr. 16, volgnr. 93), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), bepaalt dat een rechtshandeling die in strijd is met de wet of bedoeld is om de wet te omzeilen, nietig is, tenzij de relevante bepaling anders bepaalt, inzonderheid dat de nietige bedingen van de rechtshandeling worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet.
6 Overeenkomstig artikel 3851, lid 1, eerste volzin, van het burgerlijk wetboek binden bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een kennelijke schending van zijn belangen vormt.
7 Artikel 405 van dat wetboek luidt als volgt: „Eenieder die zonder rechtsgrond ten koste van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is gehouden om dat voordeel terug te geven in natura of, indien dat niet mogelijk is, om de waarde ervan te vergoeden.”
8 Artikel 410 van dat wetboek bepaalt: „§ 1. De bepalingen van de voorgaande artikelen zijn met name van toepassing op onverschuldigde betalingen. § 2. Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht daartoe in het geheel niet verplicht was of daartoe niet verplicht was ten aanzien van de begunstigde, indien de grondslag van deze prestatie is verdwenen of het doel ervan niet is bereikt, of indien de rechtshandeling waarbij die prestatie werd verlangd, nietig was en niet geldig is geworden nadat die prestatie is verricht.”
9 In artikel 498 van dit wetboek is bepaald: „§ 1. Wanneer twee personen gelijktijdig elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn, kan elk van hen zijn schuldvordering met die van de wederpartij verrekenen, mits beide schuldvorderingen betrekking hebben op geldsommen of een soort bepaalde zaken van dezelfde kwaliteit en beide schuldvorderingen opeisbaar zijn geworden en kunnen worden opgeëist voor een rechter of een andere overheidsinstantie. § 2. Als gevolg van verrekening worden de twee schuldvorderingen met elkaar verrekend tot het bedrag van de lagere schuldvordering.”
10 Artikel 499 van het burgerlijk wetboek bepaalt: „Verrekening geschiedt door middel van een verklaring aan de wederpartij. De verklaring heeft terugwerkende kracht tot op het tijdstip waarop verrekening mogelijk is geworden.”
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
11 Artikel 98 van de Ustawa Kodeks postępowania cywilnego (wet tot vaststelling van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. 2023, volgnr. 1550), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), bepaalt: „De in het ongelijk gestelde partij moet de wederpartij op haar verzoek de kosten vergoeden die deze heeft moeten maken om haar rechten doeltreffend te doen gelden of om zich naar behoren te verdedigen (kosten).”
12 Artikel 102 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt als volgt: „In bijzonder gerechtvaardigde gevallen kan de rechter de in het ongelijk gestelde partij slechts gedeeltelijk verwijzen in de kosten, of zelfs helemaal niet.”
13 Artikel 2031 van dat wetboek bepaalt in de leden 2 en 3: „§ 2. De verweerder kan uiterlijk bij de inleiding van een geding ten gronde of binnen twee weken na de datum waarop zijn schuldvordering opeisbaar is geworden, aanspraak maken op verrekening. § 3. Verrekening kan alleen worden aangevoerd bij wege van een processtuk. De regels betreffende het beroep zijn mutatis mutandis van toepassing op dit stuk, met uitzondering van de regels betreffende de kosten.”
14 Artikel 320 van dat wetboek luidt als volgt: „In bijzonder gerechtvaardigde gevallen kan de rechter de prestatie waartoe de verweerder is veroordeeld verdelen in verschillende maandelijkse termijnen, en in het geval van levering van een onroerend goed of ontruiming van gebouwen kan hij een passend tijdstip voor de nakoming van deze prestatie vaststellen.”
15 Artikel 333, lid 1, van dit wetboek bepaalt: „De rechter stelt ambtshalve vast dat de uitspraak onmiddellijk uitvoerbaar is indien: […] 2) hij de prestatie waarin de verweerder heeft berust, toewijst; […]”
16 Artikel 334, leden 1 en 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt als volgt: „§ 1. De rechter kan de onmiddellijke uitvoerbaarheid van een uitspraak afhankelijk stellen van het verstrekken van een passende zekerheid door de verzoekende partij. § 2. De zekerheid kan ook inhouden dat de afgifte aan de verzoekende partij van bij de verweerder in beslag genomen voorwerpen of van de uit de executie daarvan verkregen bedragen wordt opgeschort, of dat roerende goederen waarop beslag is gelegd nog niet worden verkocht.”
17 In artikel 335, lid 1, van dit wetboek is bepaald: „De rechter verklaart zijn uitspraak niet uitvoerbaar, zelfs niet door middel van een zekerheidstelling, indien de tenuitvoerlegging van de uitspraak onherstelbare schade voor de verweerder kan veroorzaken. […]”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
18 De twee hoofdgedingen, die zijn gevoegd door de Sąd Okręgowy w Krakowie (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen), de verwijzende rechter, vinden hun oorsprong in twee door consumenten gesloten hypothecaire leningsovereenkomsten, de eerste door BL en CY en de tweede door PU en QS.
19 Wat de eerste zaak betreft, geeft deze rechter aan dat BRE Bank S.A, waarvan mBank de rechtsopvolger is, in de loop van 2007 met BL en CY een aan de wisselkoers van de Zwitserse frank (CHF) gekoppelde hypothecaire leningsovereenkomst had gesloten voor een bedrag van 493770,02 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 115500 EUR). BL en CY hebben in totaal 1052843,95 PLN (ongeveer 247054 EUR) terugbetaald door de lening in de loop van 2016 vervroegd af te lossen. In november 2020 hebben zij bij die rechter een vordering tegen mBank ingesteld tot betaling van een bedrag van 571740,41 PLN (ongeveer 133700 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van instelling van de vordering tot de datum van betaling, waarbij zij met name aanvoerden dat de bedingen betreffende de in de overeenkomst opgesomde hoofdprestaties onrechtmatig waren.
20 Bij vonnis van 16 mei 2022 heeft de verwijzende rechter mBank veroordeeld tot betaling aan BL en CY van het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente.
21 MBank heeft vervolgens een vordering bij deze rechter ingesteld ertoe strekkende – naar haar zeggen – de litigieuze vragen te beslechten die in verband met de grief van nietigheid van de overeenkomst waren opgeworpen en die niet konden worden beslecht in het kader van de door BL en CY ingestelde procedure. Zij heeft verzocht om BL en CY te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van 493770,02 PLN (ongeveer 115500 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente.
22 In de tweede zaak hebben PU en QS in de loop van december 2023 bij de verwijzende rechter een vordering ingesteld tegen mBank, strekkende tot vaststelling van het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen van de aan de wisselkoers van de Zwitserse frank gekoppelde hypothecaire leningsovereenkomst en van de nietigheid van die overeenkomst, en bijgevolg verzocht om terugbetaling van de uit hoofde van die overeenkomst betaalde bedragen, te weten 362801,12 PLN (ongeveer 84880 EUR) en 65,91 CHF (ongeveer 70 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente. MBank heeft verzocht om deze vordering te verwerpen op grond dat de overeenkomst geldig is en heeft een reconventionele vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van verzoekers in het hoofdgeding tot betaling aan haar van een bedrag van 360000,03 PLN (ongeveer 84270 EUR), te weten het bedrag van de verstrekte lening, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente.
23 PU en QS hebben verzocht om afwijzing van de reconventionele vordering en hebben daarbij een exceptie opgeworpen die was ontleend aan een aan mBank overgelegde verklaring van verrekening, maar die nadien door hun gevolmachtigde is ingetrokken.
24 De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af hoe de terugbetaling van de door de partijen verrichte prestaties moet geschieden in geval van nietigheid van een leningsovereenkomst wegens het bestaan van oneerlijke bedingen.
25 In dit verband wijst hij er om te beginnen op dat naar Pools recht, wanneer een kredietovereenkomst nietig wordt verklaard, de ter uitvoering van die overeenkomst verrichte betalingen, ongeacht of die door de kredietnemers dan wel door de financiële instelling zijn verricht, onverschuldigde betalingen vormen in de zin van artikel 410, lid 2, van het burgerlijk wetboek die krachtens artikel 410, lid 1, juncto artikel 405 van dit wetboek moeten worden terugbetaald.
26 Voorts volgt uit de rechtspraak van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen), die sinds 2021 is gebaseerd op de zogenaamde theorie van de „twee vorderingen”, dat de consument en de kredietgever elk een afzonderlijk en van elkaar onafhankelijk recht hebben op terugbetaling van de geldelijke prestaties die ter uitvoering van die overeenkomst zijn verricht. Elke partij kan dus de volledige terugbetaling van de betaalde bedragen eisen, ongeacht of zij al dan niet nog schuldenaar van de andere partij is en ongeacht het bedrag van haar eigen schuld.
27 Deze benadering houdt voor de consument een verplichting in om het volledige kredietbedrag terug te betalen, ongeacht het bedrag van de reeds verrichte aflossingen, ook al heeft hij het volledige nominale kredietbedrag terugbetaald of zelfs meer dan dat bedrag betaald. Hieruit volgt dat de toepassing van de zogenaamde theorie van de „twee vorderingen” in feite leidt tot een situatie waarin de consument die zich wenst te beroepen op de door richtlijn 93/13 gewaarborgde bescherming, moet verwachten dat de verkoper van hem terugbetaling vordert van alle bedragen die ter uitvoering van de nietig verklaarde overeenkomst zijn betaald. Bovendien kan de verkoper, indien de consument niet vrijwillig aan zijn verplichting voldoet, een procedure inleiden om hem te dwingen die bedragen, vermeerderd met rente, te betalen en hem te doen veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, die aanzienlijk zijn en voor de gemiddelde consument een grote last vormen.
28 De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat de kwestie van de wederzijdse terugbetaling van de prestaties die de partijen bij een nietig verklaarde kredietovereenkomst hebben verricht, zou kunnen worden opgelost via de indiening overeenkomstig artikel 499 van het burgerlijk wetboek van een daadwerkelijke verklaring van verrekening, waardoor de wederzijdse schuldvorderingen nietig zouden kunnen worden verklaard ten belope van de laagste schuldvordering, en hetgeen in voorkomend geval kan leiden tot het tenietgaan van de verbintenis. De indiening van een dergelijke verklaring of het opwerpen van een exceptie van verrekening in de loop van een gerechtelijke procedure is echter onderworpen aan ingewikkelde procedurele voorwaarden, die volgens deze rechter de consument kunnen benadelen.
29 Als de consument er niet in slaagt om zich op de verrekening te beroepen in het kader van zijn verweerschrift, kan de mogelijkheid om terugbetaling van de aan de bank betaalde bedragen te vorderen in de praktijk betekenen dat er meerdere procedures moeten worden ingeleid, wat dus extra kosten voor die consument met zich meebrengt.
30 In deze context is de verwijzende rechter van oordeel dat de nationale rechtspraak die gebaseerd is op de zogenaamde theorie van de „twee vorderingen”, in strijd is met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, voor zover deze bepaling zich ertegen verzet dat de consument verplicht is om over te gaan tot terugbetaling zonder dat bij het bepalen van de omvang van zijn terugbetalingsverplichting rekening wordt gehouden met de betalingen die hij ter uitvoering van de nietig verklaarde overeenkomst heeft verricht en met name met het feit dat hij het bedrag van de lening heeft kunnen terugbetalen. Volgens deze rechter benadeelt deze situatie de consument, temeer daar de nietigheid van de leningsovereenkomst tot gevolg kan hebben dat het nog verschuldigde bedrag van de lening onmiddellijk opeisbaar wordt op een manier die de financiële draagkracht van de consument kan overstijgen. In die omstandigheden zal de verkoper er niet van worden weerhouden om oneerlijke bedingen in zijn overeenkomsten op te nemen.
31 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat artikel 333, lid 1, punt 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de rechters verplicht om hun uitspraken onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren indien zij een vordering toewijzen waarin de verweerder berust.
32 Aangezien de vordering van de verkoper in geval van nietigheid van de overeenkomst in het algemeen gegrond is en de consument zich daarvan ten volle bewust is, heeft laatstgenoemde volgens deze rechter de neiging om die vordering te erkennen gelet op het procedurele voordeel dat hij daaruit kan trekken, namelijk het feit dat de zaak kan worden behandeld als een „bijzonder gerechtvaardigd geval” in de zin van artikel 102 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, zodat de rechter de consument kan veroordelen tot betaling van slechts een deel van de kosten die werden gemaakt door de in het gelijk gestelde verkoper, of hem zelfs niet kan veroordelen uit dien hoofde. Deze erkenning heeft evenwel tot gevolg dat de consument verplicht is om het volledige ontvangen bedrag van de lening terug te betalen en dat de kredietgever de beslissing waarbij die terugbetaling wordt gelast, onmiddellijk kan laten uitvoeren. Een dergelijke situatie wordt niet noodzakelijkerwijs verholpen door het toepassen van de verschillende bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering die voorzien in de mogelijkheid om een gespreide betaling te gelasten, of door de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de uitspraak afhankelijk te stellen van een zekerheidstelling, aangezien deze mogelijkheden aan de vrije beoordeling van de rechter worden overgelaten.
33 De verwijzende rechter wijst erop dat deze situatie nadelig is voor de consument, die wordt blootgesteld aan een zeer hoog financieel risico, waaronder het risico op verlies van controle over zijn goederen die in het kader van een procedure van gedwongen tenuitvoerlegging in beslag zijn genomen, ook al heeft hij het krediet reeds volledig of grotendeels terugbetaald. De consument kan er bijgevolg van worden weerhouden om het oneerlijke karakter van contractuele bedingen in te roepen en om de in richtlijn 93/13 vastgestelde rechten te doen gelden.
34 Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Okręgowy w Krakowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Verzet artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] zich tegen nationale rechtspraak volgens welke de vaststelling dat een overeenkomst, in het bijzonder een met een consument gesloten kredietovereenkomst, een oneerlijk beding bevat en bijgevolg nietig is, inhoudt dat de consument, ongeacht het bedrag dat hij ter uitvoering van die overeenkomst heeft afgelost en ongeacht het nog uitstaande bedrag, gehouden is tot terugbetaling aan de [verkoper] van het nominale totaalbedrag van het krediet dat hij ter uitvoering van de nietige overeenkomst van de [verkoper] heeft ontvangen en dat de [verkoper] kan eisen dat de consument dat totaalbedrag [in beide gevallen], ongeacht het afgeloste en het uitstaande bedrag, aan hem terugbetaalt? 2) Verzet artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] zich tegen nationale rechtspraak volgens welke de nationale rechter bij de behandeling van een zaak betreffende de terugbetaling van prestaties die door een [verkoper] aan een consument zijn uitgekeerd krachtens een nietige kredietovereenkomst, gehouden is om de consument te veroordelen tot terugbetaling van het volledige bedrag dat de [verkoper] krachtens die overeenkomst aan de consument heeft uitgekeerd, ongeacht of de consument nog schulden jegens de [verkoper] heeft en ongeacht het bedrag dat de consument ter uitvoering van de nietige overeenkomst aan de [verkoper] heeft betaald? 3) Verzet artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] zich tegen een nationaalrechtelijke regeling volgens welke de nationale rechter gehouden is om een uitspraak waarbij de vordering van de [verkoper] wordt toegewezen, ambtshalve onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren wanneer de rechtsvordering van de [verkoper] door de consument is erkend?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
35 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de verkoper, wanneer een leningsovereenkomst nietig wordt verklaard omdat zij een als oneerlijk gekwalificeerd beding bevat, van de consument terugbetaling kan eisen van het volledige nominale bedrag van de verstrekte lening, ongeacht het bedrag van de aflossingen die de consument ter uitvoering van die overeenkomst heeft verricht en ongeacht het nog verschuldigde bedrag.
36 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden.
37 Richtlijn 93/13 strekt er weliswaar toe om een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen, maar draagt geen uniforme oplossingen aan met betrekking tot de gevolgen die moeten worden verbonden aan de vaststelling dat een beding in een overeenkomst oneerlijk is [zie in die zin arrest van 16 maart 2023, M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑6/22, EU:C:2023:216, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38 In dat geval moeten de gevolgen die aan de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument dienen te worden verbonden, de verwezenlijking van twee doelstellingen mogelijk maken. Ten eerste moet de rechter ervoor zorgen dat de gelijkheid tussen de partijen bij de overeenkomst – die door de toepassing van een oneerlijk beding jegens de consument in gevaar wordt gebracht – kan worden hersteld. Ten tweede moet worden verzekerd dat de verkoper ervan wordt afgeschrikt om dergelijke bedingen op te nemen in de overeenkomsten die hij consumenten aanbiedt (arrest van 25 november 2020, Banca B.,C‑269/19, EU:C:2020:954, punt 38).
39 Wanneer de overeenkomst na de schrapping van de betreffende oneerlijke bedingen niet kan voortbestaan, de nietigverklaring van de overeenkomst uiterst nadelige gevolgen zou hebben voor die consument en er geen nationale bepaling van aanvullend recht is, moet de nationale rechter, met inachtneming van het volledige nationale recht, alle maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de consument te beschermen tegen de uiterst nadelige gevolgen die uit de nietigverklaring van die overeenkomst zouden kunnen voortvloeien (arrest van 25 november 2020, Banca B.,C‑269/19, EU:C:2020:954, punt 45).
40 In casu heeft het feit dat de rechter de nietigheid van een leningsovereenkomst heeft vastgesteld wegens een daarin opgenomen oneerlijk beding tot gevolg dat de betalingen die ter uitvoering van die overeenkomst zijn verricht, hetzij door de kredietnemers, hetzij door de financiële instelling, naar Pools recht onverschuldigde betalingen vormen in de zin van artikel 410, lid 2, van het burgerlijk wetboek, die krachtens artikel 410, lid 1, juncto artikel 405 van dat wetboek moeten worden terugbetaald.
41 Volgens de verwijzende rechter volgt in wezen uit de in de punten 26 en 27 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van de Sąd Najwyższy, die is gebaseerd op de zogenaamde theorie van de „twee vorderingen”, dat elke partij bij een dergelijke overeenkomst die zich als gevolg van de vaststelling van de nietigverklaring ervan zowel ongerechtvaardigd heeft verrijkt als verarmd, volledige terugbetaling kan eisen van de bedragen die ter uitvoering van de nietig verklaarde overeenkomst zijn betaald, ongeacht het bedrag van de verrichte aflossingen en het uit hoofde van de lening nog verschuldigde bedrag. Volgens de Poolse regering is deze rechtspraak in de plaats gekomen van een andere, door de meerderheid van de Poolse rechters toegepaste rechtspraak, die, na de wederkerige regelingen van de partijen bij de nietig verklaarde leningsovereenkomst te hebben vastgesteld, toestond dat één enkele schuldvordering werd gehandhaafd ten gunste van de partij die de grootste betaling ter uitvoering van die overeenkomst had verricht.
42 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, rekening houdend met het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke moet doen om de volle werking van richtlijn 93/13 te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst),C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43 Het vereiste van uitlegging in overeenstemming met het Unierecht houdt voor de nationale rechters met name de verplichting in om zo nodig vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Bijgevolg kan een nationale rechter niet op goede gronden oordelen dat hij een nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met dit recht [arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst),C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de verkoper, wanneer een leningsovereenkomst nietig wordt verklaard omdat zij een als oneerlijk aangemerkt beding bevat, van de consument terugbetaling kan eisen van het volledige nominale bedrag van de verstrekte lening, ongeacht het bedrag van de aflossingen die de consument ter uitvoering van die overeenkomst heeft verricht en ongeacht het nog verschuldigde bedrag.
Derde vraag
45 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de aangezochte rechter gehouden is om de uitspraak houdende toewijzing van de vordering van de verkoper tot terugbetaling van bedragen die zijn betaald in het kader van een leningsovereenkomst die nietig is verklaard wegens een daarin opgenomen oneerlijk beding, ambtshalve onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren wanneer de consument de vordering van de verkoper erkent.
Ontvankelijkheid
46 In hun schriftelijke opmerkingen betwijfelen mBank en de Poolse regering of de derde vraag ontvankelijk is omdat deze volgens hen hypothetisch is, aangezien de kredietnemers in de twee hoofdgedingen geen verklaring van berusting hebben afgelegd.
47 Er zij dienaangaande aan herinnerd dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn uitspraak als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen, waarbij voor deze vragen een vermoeden van relevantie geldt. Wanneer de gestelde vraag betrekking heeft op de uitlegging of de geldigheid van een regel van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden, tenzij de gevraagde uitlegging kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op deze vraag (arrest van 21 december 2021, Trapeza Peiraios,C‑243/20, EU:C:2021:1045, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing allereerst dat de verwerende partij in elk stadium van de procedure de vordering van de tegenpartij kan erkennen. Voorts zou de consument geneigd zijn te berusten in de vordering van de verkoper tot terugbetaling van de bedragen die zijn betaald ter uitvoering van een leningsovereenkomst die nietig is verklaard omdat zij een oneerlijk beding bevatte, voor zover die berusting ertoe kan leiden dat het bedrag van de door de verweerder te dragen procedurekosten vermindert.
49 In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13 geen verband houdt met een reëel voorwerp van het hoofdgeding of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is.
50 Derhalve moet worden geoordeeld dat de derde vraag ontvankelijk is.
Ten gronde
51 De verwijzende rechter merkt op dat de berusting van de consument in de vordering van de verkoper tot terugbetaling van de bedragen die zijn betaald ter uitvoering van een nietig verklaarde leningsovereenkomst wegens een daarin opgenomen oneerlijk beding, het enerzijds mogelijk maakt dat de betrokken zaak wordt behandeld als een „bijzonder gerechtvaardigd geval” in de zin van artikel 102 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, zodat de consument slechts in een deel van de door de verkoper gedragen kosten of zelfs in geen enkele van die kosten, kan worden verwezen. Anderzijds is de nationale rechter, in geval van berusting, verplicht om zijn uitspraak onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren, hetgeen de toepassing uitsluit van artikel 320 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, op grond waarvan de rechter in bijzonder gerechtvaardigde gevallen een gespreide betaling kan gelasten van het bedrag waartoe de consument is veroordeeld. Volgens deze rechter stelt een dergelijke situatie de consument bloot aan een zeer hoog financieel risico en kan dit hem er bijgevolg van weerhouden om zich op het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te beroepen.
52 MBank en de Poolse regering merken op dat de nationale rechter de uitspraak niet onmiddellijk uitvoerbaar hoeft te verklaren wanneer de consument berust in de vordering tot terugbetaling van de verkoper en tegelijkertijd krachtens artikel 320 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering om gespreide betaling van de verschuldigde bedragen verzoekt, indien de tenuitvoerlegging van de uitspraak onherstelbare schade voor de veroordeelde persoon kan meebrengen in de zin van artikel 335 van dat wetboek.
53 In dit verband volstaat het om eraan te herinneren dat het in het kader van het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van rechterlijke samenwerking niet aan het Hof staat om de door de nationale rechter gegeven uitlegging van het nationale recht te verifiëren of ter discussie te stellen, aangezien deze uitlegging tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale rechter behoort. Wanneer het Hof uitspraak moet doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, moet het zich ook houden aan de uitlegging die deze rechter aan het nationale recht heeft gegeven (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Trapeza Peiraios,C‑243/20, EU:C:2021:1045, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 In herinnering moet worden gebracht dat, wanneer de nationale rechter van oordeel is dat de betreffende leningsovereenkomst na de schrapping van de oneerlijke bedingen in kwestie volgens het contractenrecht juridisch niet kan voortbestaan en wanneer er geen nationale bepaling van aanvullend recht of geen toepasselijke bepaling is die met instemming van de partijen bij de overeenkomst deze bedingen kan vervangen, moet er vanuit worden gegaan dat het hoge niveau van consumentenbescherming – dat overeenkomstig richtlijn 93/13 moet worden gegarandeerd – vereist dat de nationale rechter, teneinde het reële evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst te herstellen, met inachtneming van het volledige nationale recht alle maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om de consument te beschermen tegen de voor hem uiterst nadelige gevolgen die uit de nietigverklaring van de betrokken kredietovereenkomst zouden kunnen voortvloeien, met name vanwege de onmiddellijke opeisbaarheid van de vordering van de verkoper jegens hem [arrest van 16 maart 2023, M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑6/22, EU:C:2023:216, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
55 In casu lijkt de verplichting voor de nationale rechter om de uitspraak waarbij de vordering van de verkoper tot terugbetaling van de ter uitvoering van een nietige leningsovereenkomst betaalde bedragen is toegewezen, onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren, de consument ervan te kunnen weerhouden om te berusten in die vordering. Een dergelijke situatie stelt de consument namelijk bloot aan een reëel financieel risico, aangezien volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter het afzien van die berusting hem de mogelijkheid ontneemt om slechts gedeeltelijk te worden verwezen in de door de verkoper gedragen kosten, of zelfs helemaal niet in die kosten te worden verwezen, terwijl het te kennen geven van die berusting, door de toepassing van artikel 333, lid 1, punt 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering betreffende de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de uitspraak waarbij hij wordt veroordeeld, hem ertoe dwingt de door die verkoper aan hem betaalde bedragen onmiddellijk terug te betalen.
56 In deze context moet de aangezochte rechter het nationale recht voor zover mogelijk in dier voege toepassen dat de gevolgen die volgens dat recht voortvloeien uit de vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding, geen afbreuk doen aan de doelstelling van richtlijn 93/13 om een hoog niveau van consumentenbescherming te garanderen overeenkomstig de in punt 54 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
57 Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om de bepalingen van nationaal recht te identificeren, zoals die betreffende de mogelijkheid om rekening te houden met de onherstelbare schade die de consument kan lijden als gevolg van de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de tegen hem gewezen uitspraak alsmede die betreffende een mogelijke gespreide betaling van de verschuldigde bedragen, waarmee hij ervoor kan zorgen dat zijn verplichting om die uitspraak uitvoerbaar te verklaren ingeval de consument berust in de vordering tot terugbetaling van de verkoper, geen afbreuk doet aan de door richtlijn 93/13 nagestreefde doelstelling van een hoog niveau van consumentenbescherming.
58 In die omstandigheden moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke de aangezochte rechter gehouden is om de uitspraak houdende toewijzing van de vordering van de verkoper tot terugbetaling van bedragen die zijn betaald in het kader van een leningsovereenkomst die nietig is verklaard wegens een daarin opgenomen oneerlijk beding, ambtshalve onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren wanneer de consument berust in de vordering van de verkoper, voor zover het nationale recht die rechter niet toelaat om alle maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om de consument te beschermen tegen de uiterst nadelige gevolgen die deze nietigverklaring voor hem zou kunnen hebben.
Kosten
59 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de verkoper, wanneer een leningsovereenkomst nietig wordt verklaard omdat zij een als oneerlijk aangemerkt beding bevat, van de consument terugbetaling kan eisen van het volledige nominale bedrag van de verstrekte lening, ongeacht het bedrag van de aflossingen die de consument ter uitvoering van die overeenkomst heeft verricht en ongeacht het nog verschuldigde bedrag.
2) Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke de aangezochte rechter gehouden is om de uitspraak houdende toewijzing van de vordering van de verkoper tot terugbetaling van bedragen die zijn betaald in het kader van een leningsovereenkomst die nietig is verklaard wegens een daarin opgenomen oneerlijk beding, ambtshalve onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren wanneer de consument berust in de vordering van de verkoper, voor zover het nationale recht die rechter niet toelaat om alle maatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om de consument te beschermen tegen de uiterst nadelige gevolgen die deze nietigverklaring voor hem zou kunnen hebben.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.