HvJ EU 11 september 2025, C-687/23, ECLI:EU:C:2025:687
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
11 september 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2014/59/EU – Afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen – Algemene beginselen – Artikel 34, lid 1, onder a) en b) – Bail-in – Afschrijving van kapitaalinstrumenten – Gevolgen – Artikel 53, leden 1 en 3 – Artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c) – Bescherming van rechten van aandeelhouders en schuldeisers – Verwerving van kapitaalinstrumenten – Gebrekkige en onjuiste informatie in het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden – Vordering strekkende tot nietigverklaring van de overeenkomst voor de aankoop van kapitaalinstrumenten – Aansprakelijkheidsvordering – Vorderingen die zijn ingediend voordat afwikkelingsmaatregelen zijn vastgesteld”
In zaak C‑687/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 2 november 2023, ingekomen bij het Hof op 15 november 2023, in de procedure
D.E.
tegen
Banco Santander SA,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, A. Kumin, I. Ziemele en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Banco Santander, SA, vertegenwoordigd door C. García Vega, J. M. Rodríguez Cárcamo en A. M. Rodríguez Conde, abogados,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en A. Gavela Llopis als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, J. Margarido en A. Rodrigues als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret, P. Němečková en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 februari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 34, lid 1, onder a), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).
2 Dit verzoek is ingesteld in het kader van een geschil tussen D.E. en Banco Santander SA, in haar hoedanigheid van opvolger van Banco Popular Español SA (hierna: „Banco Popular”). Het geschil betreft nietigheids- en aansprakelijkheidsvorderingen die D.E. heeft ingesteld wegens beweerdelijke gebrekkige en onjuiste informatie die hem zou zijn verstrekt in het prospectus dat met name moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden bij de verwerving van kapitaalinstrumenten die vervolgens in aandelen van Banco Popular zijn omgezet.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2004/39
3 De overwegingen 31, 44 en 46 van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB 2004, L 145, blz. 1) luidden: „(31) Deze richtlijn strekt onder meer tot bescherming van de beleggers. Maatregelen ter bescherming van de belegger dienen daarom te worden aangepast aan de bijzondere kenmerken van elke beleggerscategorie (niet-professionele beleggers, professionele beleggers en tegenpartijen). […] (44) In de dubbele optiek van beleggersbescherming en een goede werking van de effectenmarkten dient de transparantie van transacties te worden gewaarborgd en moeten de regels die met het oog daarop zijn vastgesteld, van toepassing zijn op beleggingsondernemingen wanneer zij op de markt activiteiten ontplooien. Teneinde beleggers of marktdeelnemers te allen tijde in staat te stellen de voorwaarden van een door hen overwogen aandelentransactie te beoordelen en achteraf te verifiëren onder welke voorwaarden deze transactie is uitgevoerd, moeten gemeenschappelijke regels worden vastgesteld voor de openbaarmaking van bijzonderheden over uitgevoerde aandelentransacties en voor de verstrekking van bijzonderheden over de op een gegeven moment bestaande handelsmogelijkheden. Deze regels zijn noodzakelijk om de effectieve integratie van de aandelenmarkten van de lidstaten te waarborgen, de efficiëntie van het algemene koersvormingsproces van eigen-vermogensinstrumenten te bevorderen en tot de effectieve nakoming van de verplichtingen inzake ‚optimale uitvoering’ bij te dragen. Dit alles vereist een alomvattende transparantieregeling die geldt voor alle aandelentransacties […]. De verplichtingen die beleggingsondernemingen op grond van deze richtlijn hebben tot het vermelden van een bied- en laatkoers en tot het uitvoeren van een order tegen de vermelde prijs, ontslaan een beleggingsonderneming niet van de verplichting een order om te leiden naar een andere plaats van uitvoering, wanneer een dergelijke interne afhandeling zou kunnen verhinderen dat de onderneming de verplichtingen inzake optimale uitvoering nakomt. […] (46) Een lidstaat kan besluiten de in deze richtlijn gestelde eisen inzake transparantie voor en na de handel toe te passen op andere financiële instrumenten dan aandelen. […]”
4 Artikel 19 („Bij het verrichten van beleggingsdiensten voor cliënten in acht te nemen gedragsregels”) van richtlijn 2004/39, bepaalde in de leden 2 en 3: „2. Alle aan cliënten of potentiële cliënten verstrekte informatie, met inbegrip van publicitaire mededelingen, moet correct, duidelijk en niet misleidend zijn. Publicitaire mededelingen moeten duidelijk als zodanig herkenbaar zijn. 3. In een voor de cliënten of potentiële cliënten begrijpelijke vorm wordt passende informatie verstrekt over: – de beleggingsonderneming en haar diensten; – financiële instrumenten en voorgestelde beleggingsstrategieën; hieronder vallen passende toelichting en waarschuwingen over de risico’s verbonden aan beleggingen in deze instrumenten of aan bepaalde beleggingsstrategieën; – plaatsen van uitvoering en – kosten en bijbehorende lasten zodat zij redelijkerwijs in staat zijn de aard en de risico’s van de aangeboden beleggingsdienst en van de specifiek aangeboden categorie van financieel instrument te begrijpen en derhalve met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen. Deze informatie mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.”
Richtlijn 2014/59
5 De overwegingen 45, 49 en 120 van richtlijn 2014/59 luiden: „(45) Om moreel risico (moral hazard) te voorkomen, moet een falende instelling, ongeacht haar grootte of verwevenheid, de markt kunnen verlaten zonder daarmee het systeem te verstoren. Een falende instelling moet in beginsel volgens een normale insolventieprocedure worden geliquideerd. Liquidatie volgens een normale insolventieprocedure kan echter de financiële stabiliteit in gevaar brengen, de verrichting van kritieke functies verstoren en de bescherming van deposanten aantasten. In dergelijke gevallen is het zeer waarschijnlijk dat het in het algemeen belang zou zijn om de instelling af te wikkelen en om afwikkelingsinstrumenten toe te passen eerder dan gebruik te maken van de normale insolventieprocedures. […] […] (49) De beperkingen van de rechten van aandeelhouders en schuldeisers moeten in overeenstemming zijn met artikel 52 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’)]. De afwikkelingsinstrumenten dienen daarom alleen te worden toegepast op instellingen die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven. Afwikkelingsinstrumenten dienen met name te worden toegepast wanneer de instelling niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel te destabiliseren, de maatregelen noodzakelijk zijn om de snelle overdracht en continuïteit van systeemkritische functies te verzekeren en er geen redelijk vooruitzicht is op een alternatieve oplossing vanuit de particuliere sector, zoals onder meer een zodanige kapitaalverhoging door de bestaande aandeelhouders of door een derde dat de levensvatbaarheid van de instelling volledig wordt hersteld. […] […] (120) De [richtlijnen van de Europese Unie] inzake vennootschapsrecht bevatten verplichte regels voor de bescherming van aandeelhouders en schuldeisers van instellingen die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijnen vallen. In situaties waarin afwikkelingsautoriteiten snel moeten handelen, kunnen deze regels een doeltreffend optreden van de afwikkelingsautoriteiten en het gebruik, door die autoriteiten, van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden belemmeren; daarvoor zouden passende afwijkingen in deze richtlijn moeten worden opgenomen. Om maximale rechtszekerheid voor de belanghebbende partijen te garanderen, moeten de afwijkingen duidelijk en precies worden omschreven en mogen ze alleen in het algemeen belang worden gebruikt, mits is voldaan aan de voorwaarden om tot afwikkeling over te gaan. […]”
6 Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „In deze richtlijn worden de regels en procedures vastgelegd voor het herstel en de afwikkeling van de volgende entiteiten: […] b) in de Unie gevestigde financiële instellingen indien zij dochterondernemingen zijn van een kredietinstelling of beleggingsonderneming, dan wel van een in punt c) of d) bedoelde onderneming, […]; c) in de Unie gevestigde financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings; d) financiële moederholdings in een lidstaat, financiële Unie-moederholdings, gemengde financiële moederholdings in een lidstaat, gemengde financiële Unie-moederholdings; […]”
7 Artikel 2, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] 57. ‚instrument van bail-in’: het mechanisme voor het verrichten van de uitoefening door een afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheden voor het afschrijven of omzetten van de passiva van een instelling in afwikkeling, in overeenstemming met artikel 43; […]”
8 Artikel 34 („Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling”) van die richtlijn bepaalt in lid 1: „De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen: a) de aandeelhouders van de instelling in afwikkeling dragen de eerste verliezen; b) schuldeisers van de instelling in afwikkeling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures, tenzij in deze richtlijn uitdrukkelijk anders is bepaald; […] f) tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, worden schuldeisers van dezelfde categorie op gelijkwaardige wijze behandeld; g) geen enkele crediteur lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden in het kader van een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling of de in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde entiteit, overeenkomstig de waarborgen in de artikelen 73 tot en met 75; […]”
9 In artikel 36 („Waardering met het oog op afwikkeling”) van richtlijn 2014/59 is bepaald: „1. Vóór het nemen van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten af te schrijven, dragen de afwikkelingsautoriteiten er zorg voor dat een eerlijke, prudente en realistische waardering van de activa en passiva van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), wordt verricht door een persoon die onafhankelijk is van zowel een overheidsinstantie, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteit, als de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d). Behoudens lid 13 van dit artikel en behoudens artikel 85 wordt de waardering, mits aan alle vereisten van dit artikel is voldaan, als definitief beschouwd. 2. Indien onafhankelijke waardering overeenkomstig lid 1 onmogelijk is, mogen de afwikkelingsautoriteiten een voorlopige waardering van de activa en passiva van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), verrichten overeenkomstig lid 9 van dit artikel. 3. De waardering heeft tot doel de waarde te bepalen van de activa en passiva van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), die aan de afwikkelingsvoorwaarden van de artikelen 32 en 33 voldoet. […] 6. De waardering wordt aangevuld met de volgende informatie zoals vermeld in de boekhouding van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d): a) een geactualiseerde balans en een verslag over de financiële positie van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d); b) een analyse en een raming van de nominale waarde van de activa; c) de lijst van de uitstaande buitenbalans- en balansverplichtingen zoals die voorkomt in de boeken en bescheiden van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), met vermelding van de respectieve kredieten en de respectieve prioriteitsniveaus volgens het toepasselijke insolventierecht. […] 9. Indien wegens de spoedeisende omstandigheden van de zaak hetzij onmogelijk aan de vereisten van de leden 6 en 8 kan worden voldaan, hetzij lid 2 van toepassing is, wordt een voorlopige waardering verricht. De voorlopige waardering voldoet aan de vereisten van lid 3 en, voor zover dit gezien de omstandigheden redelijkerwijze haalbaar is, aan de vereisten van de leden 1, 6 en 8. De in dit lid bedoelde voorlopige waardering omvat een buffer voor bijkomende verliezen, die passend wordt gemotiveerd. […]”
10 Artikel 48 („Volgorde van afschrijvingen en omzettingen”) van deze richtlijn luidt als volgt: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de toepassing van het instrument van bail-in, behoudens de uitzonderingen in artikel 44, leden 2 en 3, de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden met inachtneming van de volgende vereisten uitoefenen: a) tier 1-kernkapitaalposten worden verlaagd overeenkomstig artikel 60, lid 1, onder a); b) indien, en alleen indien, de totale verlaging overeenkomstig punt a) minder dan de som van de in artikel 47, lid 3, onder b) en c), bedoelde bedragen is, verlagen de autoriteiten de hoofdsom van de aanvullende tier 1-instrumenten in de mate die noodzakelijk is en in de mate van hun vermogen; c) indien, en alleen indien, de totale verlaging overeenkomstig punt a) en punt b) minder dan de som van de in artikel 47, lid 3, onder b) en c), bedoelde bedragen is, verlagen de autoriteiten de hoofdsom van de aanvullende tier 2-instrumenten in de mate die noodzakelijk is en in de mate van hun vermogen; […]”
11 Artikel 53 („Werking van bail-in”) van die richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat zodra een afwikkelingsautoriteit een van de in artikel 59, lid 2, en artikel 63, lid 1, onder e) tot en met i), bedoelde bevoegdheden uitoefent, de vermindering van de hoofdsom of van het nog uitstaande verschuldigde bedrag, de omzetting of de intrekking van kracht wordt en onmiddellijk bindend is voor de instelling in afwikkeling en de getroffen schuldeisers en aandeelhouders. […] 3. Indien een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, onder e), bedoelde bevoegdheid tot nul verlaagt, dan worden die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment waarop de bevoegdheid werd uitgeoefend, als voldaan beschouwd voor alle doeleinden en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de instelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie. 4. Wanneer een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, onder e), bedoelde bevoegdheid verlaagt maar niet tot nul reduceert: a) wordt de verplichting als voldaan beschouwd ten belope van het verminderde bedrag; b) blijft het betrokken instrument of de betrokken overeenkomst waarop de oorspronkelijke verplichting is gebaseerd, van toepassing op het resterende bedrag van de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van de verplichting, behoudens een eventuele wijziging van het verschuldigde rentebedrag om de verlaging van het bedrag van de hoofdsom weer te geven, en een eventuele verdere wijziging van de voorwaarden die de afwikkelingsautoriteit zou kunnen aanbrengen met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, onder j), bedoelde bevoegdheid.”
12 Artikel 60 („Voorschriften voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten”) van die richtlijn is geformuleerd als volgt: „1. Bij het voldoen aan het in artikel 59 vastgelegde vereiste oefenen de afwikkelingsautoriteiten, met inachtneming van de rangorde van vorderingen in het kader van een normale insolventieprocedure, de afschrijvings- of de omzettingsbevoegdheid op zodanige wijze uit dat dit de volgende resultaten oplevert: a) tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden eerst verlaagd in verhouding tot de verliezen en tot de volledige omvang ervan. De afwikkelingsautoriteit neemt jegens houders van tier 1-kernkapitaalinstrumenten een of meer maatregelen als bedoeld in artikel 47, lid 1; b) de hoofdsom van de aanvullende tier 1-instrumenten wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, dan wel beide, in de mate die noodzakelijk is om de in artikel 31 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te bereiken of tot de volledige omvang van de relevante kapitaalinstrumenten, al naargelang hetgeen lager is; c) de hoofdsom van de aanvullende tier 2-instrumenten wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, dan wel beide, in de mate die noodzakelijk is om de in artikel 31 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te bereiken of tot de volledige omvang van de relevante kapitaalinstrumenten, al naargelang hetgeen lager is. 2. Bij afschrijving van de hoofdsom van een relevant kapitaalinstrument: […] b) resteert voor de houder van het relevante kapitaalinstrument geen verplichting uit hoofde van of in verband met de som die met betrekking tot dit instrument is afgeschreven, met uitzondering van alle reeds te betalen verplichtingen en elke schadevergoedingsverplichting die is ontstaan uit een beroep ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid […]; c) wordt aan houders van de relevante kapitaalinstrumenten […] geen compensatie betaald, behalve in overeenstemming met lid 3. […] 3. Met het oog op de omzetting van relevante kapitaalinstrumenten uit hoofde van lid 1, onder b), van dit artikel kunnen de afwikkelingsautoriteiten verlangen dat instellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) en d), tier 1-kernkapitaalinstrumenten verstrekken aan de houders van de relevante kapitaalinstrumenten. […] […]”
Besluit van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
13 Bij besluit SRB/EES/2017/08 van 7 juni 2017 heeft de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) een afwikkelingsregeling vastgesteld voor Banco Popular. Die regeling is op dezelfde dag door de Europese Commissie goedgekeurd bij besluit (EU) 2017/1246 (PB 2017, L 178, blz. 15).
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 Op 3 oktober 2009 heeft D.E., in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van Lera Blava, S.L.U., ingeschreven op achtergestelde obligaties die converteerbaar waren in door Banco Popular uitgegeven achtergestelde obligaties.
15 In mei 2012 zijn deze obligaties door D.E., namens Lera Blava, ingewisseld voor andere verplicht converteerbare achtergestelde obligaties.
16 Op 14 januari 2013 heeft Lera Blava de eigendom van deze obligaties aan D.E. overgedragen als betaling voor uitstaande lonen. Banco Popular heeft deze eigendomsoverdracht op 22 februari 2013 goedgekeurd.
17 Op 25 november 2015 zijn die obligaties verplicht omgezet in aandelen van Banco Popular.
18 In oktober 2016 heeft D.E. bij de Juzgado de Primera Instancia (rechter in eerste aanleg, Spanje) een vordering ingesteld tegen Banco Popular waarin hij verzocht om nietigverklaring van de verwerving van de converteerbare achtergestelde obligaties wegens dwaling bij de instemming, en om terugbetaling van het oorspronkelijk belegde bedrag voor de verwerving van deze obligaties, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze verwerving. Subsidiair heeft hij vergoeding gevorderd van de schade die was veroorzaakt door de niet-naleving door Banco Popular van de uit de Unieregeling betreffende de markten voor financiële instrumenten voortvloeiende informatievereisten bij de verhandeling van die obligaties in 2009 en de latere omzetting ervan in 2012.
19 De Juzgado de Primera Instancia heeft deze vordering toegewezen en de inschrijving op de verplicht converteerbare achtergestelde obligaties nietig verklaard.
20 Banco Popular heeft tegen het vonnis van deze rechter hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial (rechter in tweede aanleg, Spanje), die het hoger beroep heeft toegewezen op grond dat D.E. geen procesbevoegdheid had.
21 D.E. heeft tegen de beslissing in hoger beroep cassatieberoep ingesteld bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak. Voor deze rechter stelde hij dat de Audiencia Provincial ten onrechte had geweigerd om zijn procesbevoegdheid te erkennen, terwijl volgens hem de eigendomsoverdracht van de obligaties van Lera Blava aan haar bestuurder en enig aandeelhouder rechtsgeldig was.
22 Op 7 juni 2017 heeft de GAR de afwikkelingsregeling voor Banco Popular vastgesteld, die op dezelfde dag door de Commissie is goedgekeurd.
23 Deze afwikkelingsregeling is uitgevoerd bij besluit van de Fondo de Reestructuración Ordenada Bancaria (fonds voor ordelijke herstructurering van bankinstellingen, Spanje) (hierna: „FROB”), dat eveneens op 7 juni 2017 is vastgesteld. Bij dit besluit heeft het FROB met name het aandelenkapitaal van Banco Popular tot nul verlaagd door al haar in omloop zijnde aandelen af te schrijven. Als gevolg van dat besluit is D.E. niet langer houder van de aandelen van Banco Popular die hij had verkregen na de omzetting van zijn oorspronkelijke obligaties, en zonder daarvoor enige vergoeding te ontvangen.
24 Bovendien heeft het FROB besloten om de tier 2-kapitaalinstrumenten van Banco Popular om te zetten en de daaruit voortvloeiende nieuwe aandelen aan Banco Santander over te dragen, zonder de toestemming te vragen van de voormalige houders van deze instrumenten.
25 In de loop van 2018 is Banco Santander de rechtsopvolger onder algemene titel van Banco Popular geworden door middel van een fusie door overneming, waarbij Banco Popular als afzonderlijke rechtspersoon ophield te bestaan.
26 De verwijzende rechter merkt op dat er in Spanje een groot aantal gedingen bestaat waarin de kopers van verschillende kapitaalinstrumenten van Banco Popular procedures hebben ingesteld met het oog op de nietigverklaring van de aankoopovereenkomsten van deze instrumenten, de terugbetaling van de betaalde aankoopprijs en/of schadevergoeding wegens de informatie in het prospectus dat met name moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten.
27 In het arrest van 5 mei 2022, Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), [C‑410/20, EU:C:2022:351; hierna: „arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular)”], heeft het Hof geoordeeld dat artikel 34, lid 1, onder a), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59 eraan in de weg staan dat, wanneer bij de afwikkeling van een bank alle aandelen van die bank zijn afgeschreven, tegen die bank of haar rechtsopvolger aansprakelijkheidsvorderingen worden ingesteld op grond van de informatie in het prospectus – dat met name moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden – alsmede vorderingen tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen.
28 Na de uitspraak van dat arrest vraagt de verwijzende rechter zich nog steeds af wat de reikwijdte is van het verbod op elke aansprakelijkheids- of nietigheidsvordering dat, overeenkomstig de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde bepalingen, zoals uitgelegd door het Hof, voortvloeit uit een afwikkelingsmaatregel. In dit verband merkt hij op dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular) de aansprakelijkheids- en nietigheidsvorderingen betrekking hadden op overeenkomsten tot inschrijving op aandelen van Banco Popular. In de zaken die aanleiding hebben gegeven tot het arrest van 5 september 2024, Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II) [C‑775/22, C‑779/22 en C‑794/22,EU:C:2024:679; hierna: „arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II)”], ging het echter om overeenkomsten tot inschrijving op achtergestelde obligaties die vóór de afwikkeling van Banco Popular in aandelen waren omgezet.
29 Aangezien de converteerbare obligaties in het bij hem aanhangige geding eveneens vóór de vaststelling van de afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot Banco Popular in aandelen zijn omgezet, vraagt de verwijzende rechter zich in essentie af of D.E. zich in het kader van dit geding kan beroepen op een „vorderbare” schuldvordering in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59.
30 In dit verband merkt hij ten eerste op dat naar Spaans recht de term „vorderbaar” duidt op het tijdstip waarop het recht ontstaat om nakoming van een verbintenis te vorderen, terwijl de term „vervaldatum” het einde aanduidt van de periode die voor de nakoming van een verbintenis is vastgesteld, waarna deze opeisbaar wordt. De converteerbare obligaties in het bij hem aanhangige geding vervielen op de dag waarop zij in aandelen werden omgezet, dus vóór de inleiding van de afwikkelingsprocedure van Banco Popular. Bovendien is de rechterlijke beslissing waarbij de aansprakelijkheid van laatstgenoemde voor eventuele schade bij de inschrijving op die obligaties wordt erkend, niet constitutief, maar stelt zij het bestaan van die aansprakelijkheid vast en kwantificeert zij de verschuldigde schadevergoeding. Indien de daaruit voortvloeiende verplichting tot schadevergoeding tot aan de definitieve vaststelling ervan in rechte als een „eventuele schuldvordering” geldt, moet zij zelfs vóór die vaststelling reeds als een vorderbare schuldvordering worden beschouwd.
31 Ten tweede benadrukt de verwijzende rechter dat de bij hem aanhangige zaak zich onderscheidt van de zaken die hebben geleid tot de in de punten 27 en 28 hierboven genoemde arresten, aangezien D.E. de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op converteerbare obligaties en de aansprakelijkheidsvordering vóór de afwikkeling van Banco Popular heeft ingesteld.
32 Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 34, lid 1, onder a) en b), [van richtlijn 2014/59] juncto artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van [deze richtlijn] aldus worden uitgelegd dat de vordering die of het recht dat zou voortvloeien uit een veroordeling van de rechtsopvolger van Banco Popular tot betaling van schadevergoeding naar aanleiding van een aansprakelijkheidsvordering die is ingesteld in verband met het op de markt brengen van financiële producten (achtergestelde obligaties die verplicht converteerbaar zijn in aandelen van dezelfde bank) die niet behoren tot de aanvullende kapitaalinstrumenten waarop de ten aanzien van Banco Popular getroffen afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden en die uiteindelijk – voordat de afwikkelingsmaatregelen voor de bank werden vastgesteld (7 juni 2017) – zijn omgezet in aandelen, kan worden aangemerkt als een verplichting die valt onder artikel 53, lid 3, van richtlijn 2014/59 en de daarin geregelde afschrijving of annulering, daar het gaat om een ‚niet vorderbare’ verplichting of vordering, zodat deze als voldaan is te beschouwen en niet kan worden tegengeworpen aan Banco Santander, als rechtsopvolger van Banco Popular, wanneer de vordering waaruit de veroordeling tot schadevergoeding zou voortvloeien aanhangig is gemaakt voordat de afwikkeling van de bank had plaatsgevonden? 2) Of moeten die bepalingen daarentegen aldus worden uitgelegd dat die vordering of dat recht is aan te merken als een ‚vorderbare’ verplichting of vordering (artikel 53, lid 3, van [richtlijn 2014/59]) of een bij de afwikkeling van de bank ‚reeds te betalen verplichting’ [artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b)] en als zodanig is uitgesloten van de gevolgen die verbonden zijn aan de voldoening of annulering van dergelijke verplichtingen of vorderingen, zodat die vordering of dat recht kan worden tegengeworpen aan Banco Santander, als rechtsopvolger van Banco Popular, ook wanneer de vordering waaruit de veroordeling tot schadevergoeding zou voortvloeien aanhangig is gemaakt voordat de afwikkeling van de bank had plaatsgevonden?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
33 Banco Santander betoogt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, omdat de Tribunal Supremo dit verzoek heeft ingediend zonder vooraf de nationale rechtsvraag betreffende de procesbevoegdheid van D.E. nader toe te lichten. Indien laatstgenoemde niet de bevoegdheid zou hebben om in eigen naam een vordering tegen Banco Popular in te stellen, zou de gevraagde uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2014/59 niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.
34 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een regel van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 6 maart 2025, NOB e.a., C‑575/23, EU:C:2025:141, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Eveneens volgens vaste rechtspraak is de reden voor de prejudiciële verwijzing bovendien niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil (arrest van 6 maart 2025, NOB e.a., C‑575/23, EU:C:2025:141, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 In casu volstaat het op te merken dat de verwijzende rechter, overeenkomstig de aanwijzingen van de Spaanse regering, het beroep in het hoofdgeding zou moeten verwerpen zonder te onderzoeken of D.E. procesbevoegdheid heeft om in eigen naam een vordering tegen Banco Popular in te stellen, indien het Hof op de gestelde vragen zou antwoorden dat de rechten die voortvloeien uit een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot verwerving van achtergestelde obligaties die vervolgens in aandelen zijn omgezet, alsook uit een aansprakelijkheidsvordering wegens schending van de informatievereisten van richtlijn 2004/39, ingesteld vóór de afwikkeling van de betrokken kredietinstelling, geen „vorderbare” verplichtingen zijn in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), richtlijn 2014/59.
37 Bijgevolg blijkt niet dat de door deze rechter gevraagde uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2014/59 kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het vraagstuk van hypothetische aard is.
38 Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
39 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 34, lid 1, onder a) en b), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59 aldus moeten worden uitgelegd dat deze bepalingen zich ertegen verzetten dat de rechten die voortvloeien uit een vordering tot nietigverklaring van een overeenkomst tot inschrijving op achtergestelde obligaties die vervolgens in aandelen zijn omgezet, alsook uit een aansprakelijkheidsvordering, beide gebaseerd op de niet-naleving van de uit richtlijn 2004/39 voortvloeiende informatievereisten, worden geacht te behoren tot de categorie verplichtingen of schuldvorderingen die op het tijdstip van de afwikkeling van de betrokken kredietinstelling „vorderbaar” zijn in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59, wanneer die vorderingen zijn ingesteld vóór de volledige afschrijving van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van die kredietinstelling in het kader van een afwikkelingsprocedure.
40 In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 34, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2014/59 het beginsel formuleert dat de aandeelhouders en vervolgens de schuldeisers van een kredietinstelling of een beleggingsonderneming in afwikkeling de eerste verliezen als gevolg van de toepassing van die procedure dragen.
41 Volgens artikel 53, lid 3, van deze richtlijn worden, indien een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting tot nul verlaagt, die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment van de afwikkeling, als voldaan beschouwd voor alle doeleinden en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de kredietinstelling of de beleggingsonderneming in afwikkeling of tegen een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie.
42 Artikel 60 van die richtlijn, dat betrekking heeft op de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten, bepaalt in lid 2, eerste alinea, onder b), dat jegens de houder van in waarde verminderde kapitaalinstrumenten krachtens het afwikkelingsbesluit geen verplichting resteert uit hoofde van of in verband met de som die met betrekking tot die instrumenten is afgeschreven, met uitzondering van alle reeds te betalen verplichtingen en elke schadevergoedingsverplichting die kan ontstaan uit een beroep ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid.
43 Hieruit volgt dat in geval van volledige afschrijving van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling in afwikkeling op grond van richtlijn 2014/59, de aandeelhouders van die kredietinstelling zich jegens die kredietinstelling of de opvolgende entiteit uitsluitend kunnen beroepen op de verplichtingen of vorderingen die voortvloeien uit afgeschreven kapitaalinstrumenten die op het tijdstip van de afwikkeling reeds „vorderbaar” waren in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van die richtlijn.
44 Wat de rechten betreft die voortvloeien uit aansprakelijkheidsvorderingen wegens gebrekkige en onjuiste informatie in met name het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten, zoals bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2003, L 345, blz. 64), en uit een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen of achtergestelde obligaties die in aandelen zijn omgezet, die na de vaststelling van een afwikkelingsbesluit zijn ingesteld op basis van de in het vorige punt van dit arrest genoemde bepalingen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze rechten, gelet op de daaraan verbonden terugwerkende kracht, niet kunnen worden geacht te behoren tot de categorie van „vorderbare” obligaties of vorderingen in de zin van laatstgenoemde bepalingen [zie in die zin arresten Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punten 41, 42 en 51, en Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punten 62 en 85].
45 In casu zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nietigheids- en aansprakelijkheidsvorderingen echter ingesteld vóór de afwikkeling van Banco Popular. In dit verband betoogt de Commissie in essentie dat het volstaat dat dergelijke vorderingen vóór de afwikkeling zijn ingesteld om de daaruit voortvloeiende rechten op het tijdstip van de afwikkeling als „vorderbaar” in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59 te kunnen beschouwen. Volgens Banco Santander en de Spaanse, de Italiaanse en de Portugese regering daarentegen moeten de uit dergelijke vorderingen voortvloeiende rechten bovendien vóór dat tijdstip het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve rechterlijke beslissing.
46 Volgens vaste rechtspraak is het met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling als algemene regel noodzakelijk dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en reikwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arresten van 30 april 2024, M.N. (EncroChat), C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 48].
47 Wat in de eerste plaats de termen van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59 betreft, moet worden opgemerkt dat het gebruik van het begrip „reeds te betalen verplichtingen” of de verwijzing naar vorderbare schuldvorderingen op zich geen enkele aanwijzing vormen voor de vraag of nietigheids- en aansprakelijkheidsvorderingen enkel moeten zijn ingesteld op het tijdstip van de afwikkeling dan wel reeds het voorwerp moeten zijn geweest van een definitieve rechterlijke beslissing.
48 Artikel 53, lid 3, van deze richtlijn preciseert evenwel dat verplichtingen of vorderingen die voortvloeien uit een afgeschreven verschuldigd bedrag en die op het moment van de afwikkeling niet vorderbaar zijn, „in het kader van eventuele latere procedures” als voldaan worden beschouwd voor alle doeleinden en niet kunnen worden tegengeworpen aan de kredietinstelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit. Zoals de Commissie in haar bij het Hof ingediende opmerkingen terecht betoogt, vormt deze precisering een aanwijzing dat dergelijke verplichtingen of vorderingen aan een dergelijke instelling of entiteit kunnen worden tegengeworpen wanneer zij het voorwerp zijn van een gerechtelijke procedure die vóór de afwikkeling is ingeleid. Door de nadruk te leggen op latere procedures sluit deze bepaling namelijk geenszins uit dat deze verplichtingen of vorderingen kunnen worden ingebracht in het kader van procedures die op het moment van de afwikkeling aanhangig zijn.
49 Wat in de tweede plaats de context van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59 betreft, is het juist dat de aandeelhouders – gevolgd door de schuldeisers – van een kredietinstelling in afwikkeling krachtens artikel 34, lid 1, onder a) en b), van deze richtlijn, als eersten de verliezen moeten dragen die het gevolg zijn van de toepassing van die procedure.
50 Het beginsel dat aandeelhouders en schuldeisers als eersten aansprakelijk zijn om deze verliezen te dragen wordt echter afgezwakt door de bepalingen van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59, waarvan het persoonlijke toepassingsgebied noodzakelijkerwijs hetzelfde is als dat van artikel 34, lid 1, onder a) en b), van deze richtlijn. Voor zover de eerste twee bepalingen uitdrukkelijk verwijzen naar de verplichtingen en vorderingen die voortvloeien uit een afgeschreven „verschuldigd bedrag” of die bestaan ten aanzien van de houder van de afgeschreven kapitaalinstrumenten, zijn zij met name van toepassing op de vorderingen en verplichtingen van personen die aandeelhouder of schuldeiser van een kredietinstelling in afwikkeling zijn. Voor zover deze verplichtingen of vorderingen op het moment van de afwikkeling „vorderbaar” zijn, volgt uit artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van die richtlijn dat zij tegenwerpbaar blijven jegens de kredietinstelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit.
51 Uit artikel 34, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2014/59 kan dus niet worden afgeleid dat alleen personen die de hoedanigheid van aandeelhouder of schuldeiser van een dergelijke instelling hebben verloren na een definitieve rechterlijke beslissing waarbij de nietigheid van de overeenkomst tot inschrijving op de betrokken kapitaalinstrumenten is bevestigd, de op het moment van afwikkeling „vorderbare” verplichtingen of vorderingen in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn mogen inbrengen.
52 Daarnaast is het zo dat, wanneer er bij de afwikkelingsprocedure sprake is van de toepassing van het „instrument van bail-in” in de zin van artikel 2, lid 1, punt 57, van richtlijn 2014/59, artikel 48, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat bij de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden de afwikkelingsautoriteiten eerst de verschillende categorieën kapitaalinstrumenten verminderen. Artikel 53, lid 1, van richtlijn 2014/59 bepaalt dat de door deze bail-in toegestane maatregelen inzake de vermindering van het aandelenkapitaal, omzetting of intrekking van deze instrumenten onmiddellijk bindend zijn voor de getroffen aandeelhouders en schuldeisers. Bij een bail-in dragen de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten dus rechtstreeks bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de afwikkelingsprocedure [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 52].
53 Vanuit dat oogpunt bepaalt artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/59 dat aan houders van de relevante kapitaalinstrumenten geen compensatie wordt betaald, behalve in geval van omzetting van die instrumenten als bedoeld in dat lid 3, in welk geval de compensatie de vorm aanneemt van een uitgifte van kapitaalinstrumenten ten gunste van die houders. Door de compensatie te beperken tot een dergelijke uitgifte van kapitaalinstrumenten, voorkomen deze bepalingen namelijk dat die compensatie met terugwerkende kracht het voor de afwikkeling gebruikte bedrag aan kapitaal kan verminderen [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 54].
54 Zo heeft het Hof met betrekking tot nietigheids- of aansprakelijkheidsvorderingen die na de afwikkeling zijn ingesteld, reeds geoordeeld dat dergelijke vorderingen het risico inhouden dat het bedrag van de kapitaalinstrumenten waar de bail-in betrekking op heeft in het kader van de afwikkelingsprocedure met terugwerkende kracht wordt verminderd, voor zover zij strekken tot vergoeding of terugbetaling van het bedrag dat vóór de afwikkeling is betaald voor de verwerving van die kapitaalinstrumenten. Die handelingen kunnen dus afbreuk doen aan de verwezenlijking van de met de afwikkelingsmaatregel nagestreefde doelstellingen [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 53].
55 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat dergelijke na de afwikkeling ingestelde vorderingen de verplichting inhouden dat de kredietinstelling of beleggingsonderneming in afwikkeling of de rechtsopvolger van deze entiteiten, de aandeelhouders schadeloosstelt voor de verliezen die zij hebben geleden als gevolg van de uitoefening, door een afwikkelingsautoriteit, van de bevoegdheid tot afschrijving en omzetting van de schulden van die instelling of onderneming, of dat de bij de inschrijving op aandelen belegde bedragen die als gevolg van die procedure zijn afgeschreven volledig worden terugbetaald door die instelling of onderneming. Door deze vorderingen komt, gelet op de terugwerkende kracht ervan, de gehele waardering waarop het afwikkelingsbesluit berust op losse schroeven te staan, aangezien de samenstelling van het kapitaal deel uitmaakt van de objectieve gegevens van die waardering en er dus afbreuk zou kunnen worden gedaan aan de afwikkelingsprocedure zelf en de door richtlijn 2014/59 nagestreefde doelstellingen [zie in die zin arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punten 59 en 62].
56 In tegenstelling tot nietigheids- en/of aansprakelijkheidsvorderingen die na de afwikkeling zijn ingesteld, kunnen dergelijke vorderingen, wanneer zij vóór de afwikkeling zijn ingesteld, echter niet worden beschouwd terugwerkende kracht te hebben in de zin van de in het vorige punt van dit arrest genoemde rechtspraak, en kunnen zij niet afdoen aan de waardering als bedoeld in artikel 36, lid 1, van richtlijn 2014/59 en het daarop gebaseerde afwikkelingsbesluit. Zoals de advocaat-generaal in punt 73 van haar conclusie immers heeft opgemerkt, moeten de financiële risico’s die voortvloeien uit aanhangige rechtszaken verplicht in de boekhouding tot uiting worden gebracht bij beursgenoteerde banken.
57 Wat de omstandigheid betreft dat bij de waardering mogelijk niet alle ingestelde beroepen worden meegenomen, heeft de advocaat-generaal in punt 72 van haar conclusie terecht opgemerkt dat een mate van onzekerheid in elke „inventarisatie” aanwezig is en dus aantoonbaar deel uitmaakt van het algemene risico dat in het kader van de afwikkeling op grond van richtlijn 2014/59 moet worden aanvaard, met name door de entiteit die de kredietinstelling in afwikkeling verwerft.
58 Artikel 36, lid 1, van die richtlijn voorziet immers in een „eerlijke, prudente en realistische” waardering van de activa en passiva van een dergelijke kredietinstelling, zonder dat vereist is dat deze volledig en gedetailleerd worden gewaardeerd. In het bijzonder wanneer het wegens de spoedeisendheid van de situatie niet mogelijk is om de lijst van de uitstaande buitenbalans- en balansverplichtingen op te stellen, kan de afwikkelingsautoriteit zich volgens artikel 36, lid 9, gelezen in samenhang met de leden 2, 3 en 6, beperken tot een voorlopige waardering waarbij de waarde van de activa en passiva wordt geraamd.
59 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat nietigheids- en/of aansprakelijkheidsvorderingen die vóór de afwikkeling zijn ingesteld, niet kunnen afdoen aan de waardering als bedoeld in artikel 36, lid 1, van richtlijn 2014/59 en aan het daarop gebaseerde afwikkelingsbesluit.
60 In de derde plaats blijkt, wat de door richtlijn 2014/59 nagestreefde doelstellingen betreft, uit overweging 49 dat afwikkelingsinstrumenten alleen dienen te worden toegepast op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven. Deze instrumenten moeten dus enkel worden toegepast in bijzonder spoedeisende situaties, wanneer de betrokken kredietinstelling of beleggingsonderneming niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel te destabiliseren.
61 Zoals bovendien is vermeld in overweging 45 van deze richtlijn, wordt met de afwikkelingsprocedure beoogd om moreel risico in de financiële sector te verminderen door de verliezen als gevolg van de liquidatie van een kredietinstelling of beleggingsonderneming eerst door de aandeelhouders te laten dragen, zodat wordt voorkomen dat die liquidatie de overheidsmiddelen aantast en de bescherming van deposanten in gevaar brengt [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
62 Richtlijn 2014/59 voorziet dus, voor het geval dat er zich een uitzonderlijke economische context voordoet, in het gebruik van een procedure die met name de rechten van aandeelhouders en schuldeisers van een kredietinstelling of beleggingsonderneming kan aantasten, teneinde de financiële stabiliteit van de lidstaten te waarborgen, door een insolventieprocedure in te voeren die afwijkt van het gemene recht inzake insolventieprocedures, die slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegepast en die moet worden gerechtvaardigd door een hoger algemeen belang. Het uitzonderingskarakter van deze procedure impliceert dat andere bepalingen van Unierecht buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer deze de uitvoering van de afwikkelingsprocedure elk nuttig effect ontnemen of belemmeren [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
63 Bovendien wordt in overweging 120 van richtlijn 2014/59 gespecificeerd dat de in deze richtlijn opgenomen afwijkingen van de verplichte regels voor de bescherming van aandeelhouders en schuldeisers van instellingen die binnen het toepassingsgebied van de Unierichtlijnen inzake vennootschapsrecht vallen, die een doeltreffend optreden van de bevoegde autoriteiten en het gebruik van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden door die autoriteiten kunnen belemmeren, niet alleen passend moeten zijn, maar ook duidelijk en precies moeten worden omschreven om voor de belanghebbende partijen maximale rechtszekerheid te garanderen [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
64 Richtlijn 2004/39, die tot doel had potentiële beleggers te beschermen wanneer zij beleggingsbeslissingen nemen, maakt deel uit van de „Unierichtlijnen inzake vennootschapsrecht” zoals vermeld in overweging 120 van richtlijn 2014/59. Laatstgenoemde richtlijn staat dus afwijkingen toe van de bepalingen van richtlijn 2004/39 wanneer de toepassing ervan de uitvoering van een afwikkelingsprocedure haar nuttig effect zou kunnen ontnemen of die uitvoering zou kunnen belemmeren [zie naar analogie arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
65 Gelet op de overwegingen in de punten 56 tot en met 59 van het onderhavige arrest kunnen nietigheids- en aansprakelijkheidsvorderingen die zijn gebaseerd op het niet-naleven van de informatievereisten van richtlijn 2004/39, het nuttig effect van de uitvoering van een afwikkelingsprocedure niet ontnemen of belemmeren wanneer die vorderingen vóór de afwikkeling zijn ingesteld.
66 Bovendien moeten de bepalingen van richtlijn 2014/59 worden uitgelegd in het licht van de grondrechten die door het Handvest worden gegarandeerd, en in het bijzonder het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zoals gewaarborgd in artikel 47 van dat Handvest.
67 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op rechterlijke bescherming geen absolute strekking heeft en dat de uitoefening ervan aan beperkingen kan worden onderworpen die hun rechtvaardiging vinden in door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang. Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, kan dit grondrecht aan beperkingen worden onderworpen, mits deze beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang en vanuit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep opleveren waardoor het gewaarborgde recht in zijn kern wordt aangetast [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
68 Verder heeft het Hof reeds geoordeeld dat, hoewel het duidelijk van algemeen belang is dat een sterke en eenvormige bescherming van beleggers in de gehele Unie wordt verzekerd, dat belang niet in alle gevallen kan worden geacht voorrang te hebben op het algemeen belang dat erin bestaat de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II), punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
69 Met betrekking tot de nietigheids- en aansprakelijkheidsvorderingen die na de vaststelling van het afwikkelingsbesluit zijn ingesteld om terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zijn betaald bij de verwerving van de betrokken kapitaalinstrumenten, blijkt in essentie uit de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular) (punten 48‑50) en Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular II) (punten 82‑84), dat artikel 47 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, ervan, zich niet verzet tegen een uitlegging volgens welke de bepalingen van richtlijn 2014/59 de aandeelhouders van een kredietinstelling in afwikkeling beletten om dergelijke vorderingen na de afwikkeling in te stellen.
70 De situatie van de personen die dergelijke vorderingen vóór de afwikkeling hebben ingesteld, verschilt evenwel wezenlijk van die van de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde personen.
71 Allereerst, zoals de advocaat-generaal in punt 86 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, heeft de uitlegging volgens welke de rechten die voortvloeien uit nietigheids- en/of aansprakelijkheidsvorderingen die vóór de afwikkeling zijn ingesteld, geen „vorderbare” verplichtingen of vorderingen vormen in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59 en die kunnen worden tegengeworpen aan de kredietinstelling in afwikkeling en de opvolgende entiteit, tot gevolg dat het afwikkelingsbesluit de aanhangige gerechtelijke procedures zonder voorwerp zou maken en dat deze procedures dus zouden moeten worden beëindigd.
72 De mate van de uit deze uitlegging voortvloeiende inmenging in het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht wordt echter niet afgezwakt door de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het afwikkelingsbesluit. Volgens die uitlegging wijzigt het afwikkelingsbesluit immers met terugwerkende kracht de juridische context die relevant is voor de beslechting van het geschil dat reeds vóór de vaststelling van dat besluit is ingesteld, of zelfs rechtstreeks de juridische situatie waarop dit geschil betrekking heeft. De mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het afwikkelingsbesluit doet derhalve geen afbreuk aan de gevolgen die dit besluit, zodra het is vastgesteld, zou hebben op reeds aanhangige geschillen (zie naar analogie arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a., C‑504/19, EU:C:2021:335, punten 63, 65 en 66).
73 Vervolgens zou de uitlegging volgens welke de rechten die voortvloeien uit nietigheids- en/of aansprakelijkheidsvorderingen, om aan de kredietinstelling in afwikkeling of de opvolgende entiteit te kunnen worden tegengeworpen, vóór de afwikkeling het voorwerp moeten hebben uitgemaakt van een definitieve rechterlijke beslissing, de afdwingbaarheid van die rechten op grond van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59 doen afhangen van omstandigheden waarop de indiener van dergelijke vorderingen in wezen geen invloed heeft. De duur van de gerechtelijke procedure wordt immers bepaald door, met name, de werklast van de aangezochte rechter en van het procesgedrag van de tegenpartij.
74 Bovendien heeft deze persoon, door dergelijke vorderingen bij de nationale rechterlijke instanties aanhangig te maken, in beginsel de nodige zorgvuldigheid betracht om vóór de afwikkeling van de uit die vorderingen voortvloeiende schuldvorderingen betaling te verkrijgen, anders dan de personen die dergelijke vorderingen pas na de afwikkeling hebben ingesteld. Gelet hierop en rekening houdend met het adagium „iura vigilantibus non dormientibus prosunt”, kan het lot van de vóór de afwikkeling ingestelde vorderingen niet afhankelijk worden gesteld van de omstandigheid of zij op het tijdstip van de afwikkeling al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve rechterlijke beslissing.
75 Ten slotte blijkt uit de overwegingen in de punten 56 tot en met 59 van het onderhavige arrest dat de rechten die voortvloeien uit nietigheids- en/of aansprakelijkheidsvorderingen die vóór de afwikkeling zijn ingesteld, in tegenstelling tot de rechten die voortvloeien uit vorderingen die na de afwikkeling zijn ingesteld, in aanmerking kunnen worden genomen bij de waardering als bedoeld in artikel 36, lid 1, van richtlijn 2014/59 en dus geen afbreuk kunnen doen aan deze waardering en aan het daarop gebaseerde afwikkelingsbesluit. Een uitlegging van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn op grond waarvan aandeelhouders en schuldeisers nietigheids- en/of aansprakelijkheidsvorderingen die op het tijdstip van de afwikkeling reeds aanhangig waren, mogen voortzetten, brengt de financiële stabiliteit van de Unie niet in gevaar.
76 Bovendien vormt een dergelijke uitlegging geen onevenredig aantasting van de rechten van eventuele kopers van een kredietinstelling in afwikkeling, noch van die van de entiteit die deze na de afwikkeling heeft opgevolgd. Gelet op de overwegingen in de punten 56 tot en met 59 van het onderhavige arrest, kunnen deze personen immers ook kennisnemen van de passiva van die instelling, bestaande uit de rechten die voortvloeien uit de vóór de afwikkeling ingestelde nietigheids- en/of aansprakelijkheidsvorderingen, alvorens zij een bod tot verwerving van die instelling uitbrengen.
77 Gelet op een en ander moeten artikel 34, lid 1, onder a) en b), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59 aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich er niet tegen verzetten dat de rechten die voortvloeien uit een vordering tot nietigverklaring van een overeenkomst tot inschrijving op achtergestelde obligaties die vervolgens in aandelen zijn omgezet, alsook uit een aansprakelijkheidsvordering, beide gebaseerd op de niet-naleving van de uit richtlijn 2004/39 voortvloeiende informatievereisten, worden geacht te behoren tot de categorie verplichtingen of schuldvorderingen die op het tijdstip van de afwikkeling van de betrokken kredietinstelling „vorderbaar” zijn in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59, wanneer die vorderingen zijn ingesteld vóór de volledige afschrijving van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van die kredietinstelling in het kader van een afwikkelingsprocedure.
Kosten
78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 34, lid 1, onder a) en b), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad,
moeten aldus worden uitgelegd dat
deze bepalingen zich er niet tegen verzetten dat de rechten die voortvloeien uit een vordering tot nietigverklaring van een overeenkomst tot inschrijving op achtergestelde obligaties die vervolgens in aandelen zijn omgezet, alsook uit een aansprakelijkheidsvordering, beide gebaseerd op de niet-naleving van de informatievereisten die voortvloeien uit richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, worden geacht te behoren tot de categorie verplichtingen of schuldvorderingen die op het tijdstip van de afwikkeling van de betrokken kredietinstelling „vorderbaar” zijn in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59, wanneer die vorderingen zijn ingesteld vóór de volledige afschrijving van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van die kredietinstelling in het kader van een afwikkelingsprocedure.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.