HvJ EU 23 april 2026, C-811/24, ECLI:EU:C:2026:341

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

23 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – De‑minimissteun – Verordening (EU) nr. 1407/2013 – Verordening (EU) nr. 1408/2013 – Verordening (EU) nr. 717/2014 – Respectieve werkingssfeer – Verordening (EU) nr. 1379/2013 – Visserij‑ en aquacultuursector – Gemeenschappelijke ordening der markten – Ondernemingen die visserijproducten produceren, verwerken en afzetten – Detailhandel – Nationale regeling die voorziet in de‑minimissteun voor ondernemingen in door aardbevingen getroffen gebieden”

In zaak C‑811/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissing van 22 november 2024, ingekomen bij het Hof op 26 november 2024, in de procedure

Pescheria Il Granchio Blu di JC

tegen

Ministero delle Imprese e del Made in Italy,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Pescheria Il Granchio Blu di JC, vertegenwoordigd door L. Filipponi en P. Lori, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door P. Passolunghi, procuratore dello Stato, en L. Vignato, avvocata dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Bottka, C. Calvo Langdon en C. Molinari als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, onder c), van verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 [VWEU] op de‑minimissteun in de visserij‑ en aquacultuursector (PB 2014, L 190, blz. 45), en van artikel 5, onder d) en g), van verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB 2013, L 354, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Pescheria Il Granchio Blu di JC (hierna: „Granchio Blu”) en het Ministero delle Imprese e del Made in Italy (ministerie van het Bedrijfsleven en Made in Italy, Italië) over de rechtmatigheid van twee besluiten waarbij dit ministerie de eerder aan Granchio Blu toegekende belastingvoordelen had ingetrokken.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1379/2013

3 Overweging 29 van verordening nr. 1379/2013 luidt: „Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de instelling van een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, vanwege het gemeenschappelijke karakter van de markt voor visserij‑ en aquacultuurproducten niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en zij derhalve, gezien de omvang en de gevolgen ervan en de noodzaak van gezamenlijk optreden, beter door de [Europese] Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.”

4 Artikel 1 van deze verordening, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt in lid 1: „Er wordt een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten ingesteld [‚de gemeenschappelijke marktordening’ (GMO)].”

5 Artikel 5 van die verordening, met als opschrift „Definities”, bepaalt: „[...] Daarnaast gelden de volgende definities: [...] d) ‚visserij‑ en aquacultuursector’: de economische sector die alle activiteiten voor de productie, verwerking en afzet van visserij‑ of aquacultuurproducten omvat; e) ‚op de markt aanbieden’: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een visserij‑ of aquacultuurproduct met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie; f) ‚op de markt brengen’: het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een visserij‑ of aquacultuurproduct; g) ‚detailhandel’: het hanteren en/of verwerken van levensmiddelen en het opslaan daarvan op de plaats van verkoop of levering aan de eindverbruiker, waaronder distributieterminals, cateringdiensten, bedrijfskantines, institutionele maaltijdvoorziening, restaurants en andere soortgelijke diensten voor voedselvoorziening, winkels, supermarkten en groothandelsbedrijven waar levensmiddelen worden verkocht; [...]”

6 Artikel 46 van verordening nr. 1379/2013, met als opschrift „Intrekking”, bepaalt: „Verordening (EG) nr. 104/2000 [van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (PB 2000, L 17, blz. 22)] wordt ingetrokken. Artikel 4 is echter van toepassing tot en met 12 december 2014. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.”

Verordening nr. 1407/2013

7 Overweging 6 van verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 [VWEU] op de‑minimissteun (PB 2013, L 352, blz. 1) luidt: „Gezien de bijzondere regels die op de sectoren van de primaire productie van landbouwproducten, de visserij en de aquacultuur van toepassing zijn, en gezien het risico dat steunbedragen die het in deze verordening vastgestelde plafond onderschrijden, niettemin aan de criteria van artikel 107, lid 1, [VWEU] kunnen voldoen, mag deze verordening niet op die sectoren van toepassing zijn.”

8 Artikel 1 van deze verordening, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1, onder a) en b): „Deze verordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen wordt verleend in alle sectoren, met uitzondering van: a) steun verleend aan in de sector visserij en aquacultuur actieve ondernemingen voor zover die onder [verordening nr. 104/2000] vallen; b) steun verleend aan in de primaire productie van landbouwproducten actieve ondernemingen”.

Verordening nr. 1408/2013

9 Artikel 1 van verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 [VWEU] op de‑minimissteun in de landbouwsector (PB 2013, L 352, blz. 9), met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1: „Deze verordening is van toepassing op steun die wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten, met uitzondering van: a) steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de op de markt gebrachte producten; b) steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, met name steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of aan andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer; c) steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.”

Verordening nr. 717/2014

10 Artikel 1 van verordening nr. 717/2014, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1: „Deze verordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen in de visserij‑ en aquacultuursector wordt verleend, met uitzondering van: a) steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de afgenomen of op de markt gebrachte producten; b) steun voor activiteiten die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, namelijk steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of steun voor andere lopende uitgaven in verband met activiteiten op het gebied van uitvoer; c) steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen; d) steun voor de aankoop van vissersvaartuigen; e) steun voor de modernisering of de vervanging van hoofd‑ of hulpmotoren van vissersvaartuigen; f) steun voor concrete acties die de vangstcapaciteit van het vaartuig vergroten of voor uitrusting die de capaciteit van een vaartuig om vis te vinden vergroot; g) steun voor de bouw van nieuwe vissersvaartuigen of de invoer van vissersvaartuigen; h) steun voor de tijdelijke of definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten, tenzij daarin specifiek is voorzien bij verordening (EU) nr. 508/2014 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 149, blz. 1)]; i) steun voor de experimentele visserij; j) steun voor de overdracht van de eigendom van een bedrijf; k) steun voor het rechtstreeks uitzetten van vis, behalve als instandhoudingsmaatregel waarin uitdrukkelijk bij een rechtshandeling van de Unie is voorzien of wanneer sprake is van het experimenteel uitzetten van vis.”

11 Artikel 2 van verordening nr. 717/2014, met als opschrift „Definities”, bepaalt in lid 1: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a) ‚ondernemingen in de visserij‑ en aquacultuursector’: ondernemingen die actief zijn in de productie, verwerking en afzet van visserij‑ en aquacultuurproducten; b) ‚visserij‑ en aquacultuurproducten’: de producten als omschreven in artikel 5, onder a) en b), van verordening (EU) nr. 1379/2013; c) ‚verwerking en afzet’: alle handelingen, met inbegrip van de behandeling, de bewerking, de productie en de distributie, tussen het moment van de aanlanding of oogst en de fase van het eindproduct.”

12 Artikel 3 van verordening nr. 717/2014, met als opschrift „De‑minimissteun”, bepaalt in lid 1: „Steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, [VWEU] te voldoen en zijn derhalve vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, [VWEU], indien zij voldoen aan de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgesteld.”

Italiaans recht

13 Artikel 46, lid 7, van decreto-legge n. 50 – Disposizioni urgenti in materia finanziaria, iniziative a favore degli enti territoriali, ulteriori interventi per le zone colpite da eventi sismici e misure per lo sviluppo (wetsbesluit nr. 50 houdende spoedmaatregelen op het gebied van financiën, initiatieven ten gunste van territoriale organen, aanvullende maatregelen ten behoeve van door aardbevingen getroffen gebieden en ontwikkelingsmaatregelen) van 24 april 2017 (GURI nr. 95 van 24 april 2017; hierna: „wetsbesluit nr. 50/2017”) bepaalt: „De in dit artikel bedoelde belastingvoordelen worden verleend overeenkomstig en binnen de grenzen van [verordening nr. 1407/2013] en [verordening nr. 1408/2013].”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14 Na de aardbevingen die in 2016 in het centrum van Italië hebben plaatsgevonden, is in wetsbesluit nr. 50/2017 voorzien in belastingvoordelen voor bepaalde ondernemingen die actief zijn in de door deze aardbevingen getroffen gebieden. In het bijzonder bepaalt artikel 46, lid 7, van dit wetsbesluit dat deze voordelen worden toegekend overeenkomstig en binnen de grenzen van de verordeningen nr. 1407/2013 en nr. 1408/2013.

15 Granchio Blu is een vennootschap naar Italiaans recht die actief is in de detailhandel in vis, schaal‑ en weekdieren in een supermarkt in een van die gebieden.

16 Aan deze vennootschap zijn voor de jaren 2017 en 2019 belastingvoordelen toegekend krachtens wetsbesluit nr. 50/2017.

17 Deze voordelen zijn echter ingetrokken bij twee ministeriële besluiten van 11 januari 2023, in wezen op grond dat Granchio Blu een economische activiteit uitoefende die niet binnen de respectieve werkingssfeer van de verordeningen nr. 1407/2013 en nr. 1408/2013 viel en waarvoor die voordelen dus niet konden worden verkregen.

18 Dienaangaande heeft het ministerie van het Bedrijfsleven en Made in Italy vastgesteld dat de economische activiteiten in de sector van de productie, de verwerking en de afzet van visserijproducten, met inbegrip van de detailhandel van dergelijke producten, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 717/2014 vielen.

19 Granchio Blu heeft bij de Tribunale amministrativo regionale per le Marche (bestuursrechter in eerste aanleg Marken, Italië) beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de ministeriële besluiten tot intrekking van de belastingvoordelen die zij had genoten. Bij vonnis van 6 oktober 2023 heeft deze rechter het beroep verworpen.

20 Granchio Blu heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), de verwijzende rechter.

21 Volgens Granchio Blu heeft de Tribunale amministrativo regionale per le Marche ten onrechte geoordeeld dat de loutere detailverkoop van visserijproducten als commerciële activiteit onder het begrip „verwerking en afzet” van visserij‑ en aquacultuurproducten in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van verordening nr. 717/2014 valt, aangezien dit begrip volgens Granchio Blu niet de detailhandel van die producten aan eindverbruikers omvat.

22 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of de detailhandel in vis, schaal‑ en weekdieren onder het begrip „verwerking en afzet” van visserij‑ en aquacultuurproducten in de zin van deze bepaling valt. Indien deze activiteit zou worden geacht deel uit te maken van de visserij‑ en aquacultuursector, zou Granchio Blu niet in aanmerking komen voor de belastingvoordelen van artikel 46, lid 7, van wetsbesluit nr. 50/2017. Indien deze activiteit daarentegen wordt geacht niet tot die sector te behoren en dus niet is uitgesloten van de respectieve werkingssfeer van de verordeningen nr. 1407/2013 en nr. 1408/2013, zou Granchio Blu voor deze voordelen in aanmerking kunnen komen.

23 Tegen deze achtergrond heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Omvat de definitie van ,verwerking en afzet’ in artikel 2, onder c), van [verordening nr. 717/2014] van de Commissie van 27 juni 2014 ook de activiteit van detailhandel in visserijproducten, en is een eventuele uitsluiting van die activiteit van de werkingssfeer van [verordening nr. 717/2014] op grond van de letterlijke bewoordingen van die bepaling verenigbaar met artikel 5, onder d) en g), van [verordening nr. 1379/2013], waarin detailhandel apart is gedefinieerd in de gemeenschappelijke regeling van de markten van visserijproducten, of is die uitsluiting niet verenigbaar met de algemene regeling van de visserijsector, aangezien [verordening nr. 1379/2013] hoe dan ook een definitie van detailhandel bevat volgens welke ook die handel deel uitmaakt van de activiteiten van de visserijsector? (de verwijzende rechter is geneigd te oordelen dat die uitsluiting verenigbaar is); 2) Is [verordening nr. 717/2014] van de Commissie van 27 juni 2014 uiteindelijk al of niet van toepassing op de activiteit van detailhandel in visserijproducten [...] op grond van het belang van detailhandel voor de visserijsector of op grond van het feit dat het duidelijk een aparte regeling betreft? (de laatste opvatting, die ertoe leidt dat de activiteit van detailhandel wordt uitgesloten van de werkingssfeer van [verordening nr. 717/2014], overtuigt de verwijzende rechter meer); 3) Staat het Unierecht in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan de‑minimissteun kan worden verleend aan ondernemingen die zich bezighouden met detailhandel van visserijproducten, die voor steun in aanmerking komen omdat zij verschillen van de industriële visserij en zijn opgenomen in de stedelijke vrije zone die is ingesteld na de aardbeving die Midden-Italië heeft getroffen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

24 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), van verordening nr. 717/2014, gelezen in het licht van artikel 5, onder d) en g), van verordening nr. 1379/2013, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „verwerking en afzet” van visserij‑ en aquacultuurproducten, zoals gedefinieerd in dat artikel 2, lid 1, onder c), de activiteit van detailhandel in visserijproducten omvat, zodat deze activiteit binnen de werkingssfeer van verordening nr. 717/2014 valt.

25 Vooraf zij opgemerkt dat het aan de lidstaten staat om te beslissen of aan bepaalde ondernemingen of sectoren de‑minimissteun wordt verleend, mits zij de desbetreffende Unieregels in acht nemen. In casu heeft de Italiaanse Republiek met de vaststelling van decreto-legge nr. 50/2017, naar aanleiding van de aardbevingen die in 2016 het centrale gedeelte van Italië hadden getroffen, besloten om alleen de‑minimissteun toe te kennen aan ondernemingen die binnen de werkingssfeer van de verordeningen nr. 1407/2013 en nr. 1408/2013 vallen.

26 In dit verband zij erop gewezen dat verordening nr. 1407/2013 tot doel heeft om bij staatssteun van een gering bedrag (de minimis) te kunnen afwijken van de regel dat elke steun voordat er uitvoering aan wordt gegeven bij de Europese Commissie moet worden aangemeld (zie in die zin arrest van 28 oktober 2020, INAIL,C‑608/19, EU:C:2020:865, punt 26).

27 In artikel 1, lid 1, onder a), van deze verordening wordt „steun verleend aan in de sector visserij en aquacultuur actieve ondernemingen voor zover die onder [verordening nr. 104/2000] vallen”, van de werkingssfeer ervan uitgesloten, met dien verstande dat deze verordening is ingetrokken bij verordening nr. 1379/2013, waarvan artikel 46 verduidelijkt dat verwijzingen naar eerstgenoemde verordening gelden als verwijzingen naar laatstgenoemde verordening.

28 Deze uitsluiting is, zoals blijkt uit overweging 6 van verordening nr. 1407/2013, te verklaren door het feit dat voor de visserij‑ en aquacultuursector specifieke regels gelden, en door het risico dat steunbedragen die het in deze verordening vastgestelde plafond onderschrijden, niettemin aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het VWEU kunnen voldoen.

29 De „visserij‑ en aquacultuursector” wordt in artikel 5, onder d), van verordening nr. 1379/2013 gedefinieerd als de economische sector die „alle activiteiten voor de productie, verwerking en afzet van visserij‑ of aquacultuurproducten omvat”.

30 Voor zover de verwijzende rechter zich afvraagt of de detailhandel van visserijproducten valt onder het begrip „afzet” van dergelijke producten in de zin van artikel 5, onder d), van verordening nr. 1379/2013, dat in deze verordening niet wordt gedefinieerd, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft, moeten worden bepaald in overeenstemming met hun in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doelstellingen die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaken (arrest van 13 juni 2024, A GmbH & Co. KG, C‑104/23, EU:C:2024:504, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de term „afzet” in de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, zonder enige verduidelijking, op algemene wijze verwijst naar alle activiteiten die plaatsvinden na de productie en verwerking van een product tot aan de verkoop ervan aan de eindverbruiker, met inbegrip van de verkoop van dergelijke producten in de detailhandel.

32 Wat vervolgens de context betreft waarin deze term wordt gebruikt, moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1379/2013 ook het „op de markt aanbieden”, het „op de markt brengen” en de „detailhandel” van dergelijke producten regelt, zoals volgt uit artikel 5, onder e) tot en met g), van deze verordening. Hieruit volgt dat de „in de sector visserij en aquacultuur actieve ondernemingen voor zover die onder [verordening nr. 1379/2013] vallen” in de zin van artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 1407/2013, ook ondernemingen zijn die met name actief zijn in de „detailhandel” in visserijproducten.

33 Ten slotte blijkt uit artikel 1 van verordening nr. 1379/2013, gelezen in het licht van overweging 29 ervan, dat deze verordening tot doel heeft een GMO voor visserij‑ en aquacultuurproducten tot stand te brengen. Deze doelstelling zou echter in gevaar worden gebracht indien bepaalde fasen van de distributieketen van visserijproducten, te weten de detailhandel van dergelijke producten, van deze GMO zouden worden uitgesloten.

34 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de „visserij‑ en aquacultuursector” in de zin van verordening nr. 1379/2013 de afzet van visserijproducten omvat, ongeacht of het om de groothandel of de detailhandel gaat.

35 Hieruit volgt dat ondernemingen die zich bezighouden met de afzet van dergelijke producten, waaronder ook in de detailhandel, krachtens artikel 1, lid 1, onder a), van verordening nr. 1407/2013 niet binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen.

36 Deze ondernemingen vallen evenmin onder verordening nr. 1408/2013, waarvan artikel 1, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt dat deze verordening van toepassing is op steun die wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten.

37 Daarentegen moet worden verduidelijkt dat ondernemingen die actief zijn in de visserij‑ en aquacultuursector binnen de werkingssfeer vallen van verordening nr. 717/2014, waarin specifieke regels inzake de‑minimissteun voor deze sector zijn vastgesteld.

38 Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalt immers de werkingssfeer ervan door te verduidelijken dat zij van toepassing is op steun die wordt verleend aan „ondernemingen in de visserij‑ en aquacultuursector”, met uitzondering van de steun die uitdrukkelijk in die bepaling wordt genoemd (zie in die zin arrest van 27 januari 2022, Sātiņi‑S, C‑238/20, EU:C:2022:57, punt 55). Nergens wordt evenwel steun genoemd die betrekking heeft op de „detailhandel”.

39 Artikel 2, lid 1, onder a), van deze verordening definieert „ondernemingen in de visserij‑ en aquacultuursector” als ondernemingen die actief zijn „in de productie, verwerking en afzet van visserij‑ en aquacultuurproducten”, zonder enige beperking ten aanzien van de betrokken soort afzet.

40 Bovendien wordt het begrip „verwerking en afzet” in artikel 2, lid 1, onder c), van deze verordening gedefinieerd als „alle handelingen, met inbegrip van de behandeling, de bewerking, de productie en de distributie, tussen het moment van de aanlanding of oogst en de fase van het eindproduct”.

41 Aangezien de detailhandel de laatste fase van de distributie van visserijproducten is, die plaatsvindt in „de fase van het eindproduct” van de toeleveringsketen, moet worden geoordeeld dat dit soort handel binnen de werkingssfeer van verordening nr. 717/2014 valt.

42 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder c), van verordening nr. 717/2014, gelezen in het licht van artikel 5, onder d) en g), van verordening nr. 1379/2013, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „verwerking en afzet” van visserij‑ en aquacultuurproducten, zoals gedefinieerd in dat artikel 2, lid 1, onder c), de activiteit van detailhandel in visserijproducten omvat, zodat deze activiteit binnen de werkingssfeer van verordening nr. 717/2014 valt.

Derde vraag

43 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de‑minimissteun kan worden toegekend aan detailhandelsondernemingen in visserijproducten die voor dergelijke steun in aanmerking komen op grond dat zij zich onderscheiden van industriële visserijen en zich bevinden in een stedelijke vrije zone die is opgericht om de economische gevolgen van een aardbeving te ondervangen.

44 Volgens vaste rechtspraak is de rechtvaardiging van een prejudiciële verwijzing niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil (arrest van 22 januari 2026, Herchoski,C‑902/24, EU:C:2026:42, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit de punten 14 en 22 van het onderhavige arrest, de belastingvoordelen voor bepaalde ondernemingen die actief zijn in de door aardbevingen getroffen gebieden, overeenkomstig artikel 46, lid 7, van wetsbesluit nr. 50/2017 worden toegekend overeenkomstig en binnen de grenzen van de verordeningen nr. 1407/2013 en nr. 1408/2013.

46 Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste en de tweede vraag, valt de detailhandel in visserijproducten binnen de werkingssfeer van verordening nr. 717/2014 en niet binnen de respectieve werkingssfeer van de verordeningen nr. 1407/2013 en nr. 1408/2013.

47 In die omstandigheden en aangezien de verwijzende rechter niet heeft verwezen naar enige andere nationale regeling op grond waarvan kan worden aangenomen dat de Italiaanse Republiek had besloten de in het hoofdgeding aan de orde zijnde de‑minimissteun toe te kennen op grond van en binnen de grenzen van verordening nr. 717/2014, moet worden vastgesteld dat het antwoorden op de derde vraag, in deze omstandigheden dus duidelijk zou neerkomen op het geven van rechtsgeleerd advies over een hypothetische kwestie, zonder rekening te houden met de taak die aan het Hof is opgedragen in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde rechterlijke samenwerking (zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a.,C‑160/20, EU:C:2022:101, punt 84).

48 Bijgevolg is de derde prejudiciële vraag niet-ontvankelijk.

Kosten

49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, lid 1, onder c), van verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 [VWEU] op de‑minimissteun in de visserij‑ en aquacultuursector, gelezen in het licht van artikel 5, onder d) en g), van verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad,

moet aldus worden uitgelegd dat

het begrip „verwerking en afzet” van visserij‑ en aquacultuurproducten, zoals gedefinieerd in dat artikel 2, lid 1, onder c), de activiteit van detailhandel in visserijproducten omvat, zodat deze activiteit binnen de werkingssfeer van verordening nr. 717/2014 valt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken