HvJ EU 11 juni 2026, C-903/24, ECLI:EU:C:2026:481
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
11 juni 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 – Aan vreemde valuta gekoppelde leningsovereenkomst die oneerlijke bedingen bevat – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is – Nietigheid van de overeenkomst – Vorderingen tot terugbetaling – Recht van de consument op wettelijke vertragingsrente over de bedragen die door de verkoper moeten worden terugbetaald – Nationale rechtspraak die vereist dat wettelijke vertragingsrente wordt betaald vanaf de datum van betekening van de aanmaning, waarin het bedrag van de gevorderde schuldvordering nauwkeurig wordt vermeld – Afschrikkende werking van het verbod op oneerlijke bedingen – Doeltreffendheidsbeginsel”
In zaak C‑903/24 [Zmarka] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 23 december 2024, ingekomen bij het Hof op 23 december 2024, in de procedure
DJ,
PJ
tegen
Santander Bank Polska S.A.,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, waarnemend voor de kamerpresident, R. Frendo (rapporteur) en A. Kornezov, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Santander Bank Polska S.A., vertegenwoordigd door A. Karpińska en B. Kubiak, radcowie prawni,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door A. Pimenta en A. Rodrigues als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en A. Szmytkowska als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) alsmede van het doeltreffendheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DJ en PJ, twee consumenten, en Santander Bank Polska S.A. (hierna: „SBP”), een in Polen gevestigde bank, over met name een vordering tot betaling van wettelijke vertragingsrente over de bedragen die aan SBP zijn betaald ter uitvoering van een leningsovereenkomst die nietig is verklaard wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen dat „de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.
4 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
5 In artikel 7, lid 1, van die richtlijn is bepaald: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Pools recht
Burgerlijk wetboek
6 Artikel 3851, §§ 1 en 2, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz.U. nr. 16, volgnr. 93), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie ervan (hierna: „burgerlijk wetboek”), luidt als volgt: „§ 1. Bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een kennelijke schending van zijn belangen vormt. Dat geldt niet voor bedingen over de voornaamste door de partijen te verrichten prestaties, waaronder die inzake de prijs of vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd. § 2. Indien een beding in een overeenkomst de consument overeenkomstig § 1 niet bindt, blijven de partijen gebonden aan de overige bepalingen van de overeenkomst.”
7 Artikel 481 van dat wetboek bepaalt: „§ 1. Indien de schuldenaar achterstand heeft bij de betaling van een geldelijke prestatie, kan de schuldeiser vertragingsrente vorderen, ook al heeft hij geen schade geleden en ook al is de vertraging te wijten aan omstandigheden waarvoor de schuldenaar niet verantwoordelijk is. § 2. Indien geen vertragingsrentevoet is bepaald, is de rente verschuldigd volgens de wettelijke vertragingsrentevoet […]. […]”
Wet tot vaststelling het wetboek van burgerlijke rechtsvordering
8 Artikel 203, § 4, van de ustawa - Kodeks postępowania cywilnego (wet tot vaststelling het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz.U. nr. 43, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „De rechter kan de intrekking, de afstand of de beperking van instantie enkel niet-ontvankelijk verklaren indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat deze handelingen in strijd zijn met de wet of met de regels van wat in het maatschappelijk verkeer betaamt of dat zij erop gericht zijn de wet te omzeilen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 Op 26 september 2008 hebben DJ en PJ met SBP een in Zwitserse frank luidende kredietovereenkomst gesloten met een looptijd van 348 maanden, op grond waarvan SBP hun een lening van 50000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 11500 EUR) heeft verstrekt (hierna: „betrokken overeenkomst”). Volgens de bedingen van deze overeenkomst moesten de maandelijkse aflossingen van deze lening in Poolse zloty worden betaald na omzetting ervan volgens de verkoopkoers van de Zwitserse frank overeenkomstig de op de datum van terugbetaling bij de bank geldende wisselkoerstabel (hierna: „omrekeningsbedingen”).
10 Tussen 3 oktober 2008 en 12 juli 2022 hebben DJ en PJ ter uitvoering van de betrokken overeenkomst aan SBP een bedrag van 54290,71 PLN (ongeveer 12500 EUR) betaald.
11 Op 25 juli 2022 hebben DJ en PJ een klacht aan SBP betekend waarin zij stelden dat de betrokken overeenkomst nietig was wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen. DJ en PJ hebben SBP dan ook aangemaand tot terugbetaling aan hen, binnen een termijn van 30 dagen, van „een bedrag dat overeenkomt met alle financiële prestaties die op grond van [deze overeenkomst] zijn verricht tot aflossing van de hoofdsom en de rente”.
12 Op 18 november 2022 hebben DJ en PJ bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tot nietigverklaring van de betrokken overeenkomst wegens oneerlijke omrekeningsbedingen, en tot veroordeling van SBP om hun het bedrag van 54290,71 PLN terug te betalen. Dat bedrag komt overeen met de maandelijkse aflossingen die zijn betaald ter uitvoering van die overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 17 augustus 2022 tot en met de datum van betaling.
13 Voor de verwijzende rechter heeft SBP aangevoerd dat de betrokken overeenkomst geldig was, aangezien deze geen oneerlijke bedingen bevatte, en heeft zij deze rechter verzocht de vordering te verwerpen.
14 Op 25 juli 2024 heeft SBP voor die rechter een exceptie van verrekening opgeworpen tussen haar schuldvordering van 50000 PLN, die overeenkomt met de hoofdsom van de aan DJ en PJ verstrekte lening, en de door hen bij die rechter aangevoerde schuldvordering. Daaropvolgend hebben DJ en PJ hun vordering op 6 november 2024 ingetrokken voor het gedeelte betreffende het bedrag van 50000 PLN, waarbij zij de vordering voor het overige hebben gehandhaafd.
15 Op 14 november 2024 heeft de verwijzende rechter een tussenvonnis gewezen waarin hij de betrokken overeenkomst nietig heeft verklaard, omdat de omrekeningsbedingen oneerlijk waren en deze overeenkomst niet kon voortbestaan zonder die bedingen. Bij beslissing van 29 november 2024 heeft de verwijzende rechter de procedure geschorst wat betreft de betaling van 50000 PLN.
16 Voor het overige is die rechter van oordeel dat de vordering van DJ en PJ tot betaling van 4290,71 PLN (ongeveer 1000 EUR) gegrond is. Wat daarentegen hun vordering betreft om SBP te veroordelen tot betaling van de wettelijke vertragingsrente, geeft de verwijzende rechter aan dat hij twijfels heeft over de vaststelling van de datum waarop deze rente moet ingaan.
17 Die rechter vraagt zich af of deze rente moet worden toegekend vanaf de betekening van de precontentieuze aanmaning aan SBP, te weten de klacht, dan wel pas vanaf de betekening van het inleidend verzoekschrift aan de bank. Die twijfel houdt verband met het feit dat DJ en PJ hebben verzuimd om in hun klacht het bedrag dat zij van SBP vorderen, nauwkeurig te vermelden, terwijl dat bedrag echter wel nauwkeurig is vermeld in dat verzoekschrift. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of moet worden aangenomen dat de vertragingsrente pas begint te lopen vanaf de datum van een door de consument aan de verkoper gericht verzoek om betaling van hetgeen zij vorderen waarin het bedrag daarvan nauwkeurig wordt vermeld.
18 De verwijzende rechter merkt op dat, hoewel de bepalingen van het burgerlijk wetboek geen formele vereisten bevatten met betrekking tot de inhoud van de aanmaning, uit de nationale rechtspraak en de rechtsliteratuur blijkt dat de verplichting tot betaling van vertragingsrente alleen ontstaat wanneer die aanmaning vergezeld gaat van een verzoek tot betaling waarbij het gevorderde bedrag nauwkeurig wordt vermeld.
19 Die rechter vraagt zich af of een dergelijk vereiste geen onredelijke belemmering voor de consument vormt om de gestelde verschuldigde vertragingsrente te vorderen, hetgeen in strijd is met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 alsmede met het doeltreffendheidsbeginsel. Indien de consument verzuimt om het door hem gevorderde bedrag nauwkeurig in zijn aanmaning te vermelden, dan is de tot betaling aangemaande verkoper namelijk geen wettelijke vertragingsrente verschuldigd.
20 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding buiten toepassing te laten, in beginsel leidt tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen. Het ontbreken van een volledige terugbetalingsplicht zou de afschrikkende werking in gevaar kunnen brengen die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, heeft willen hechten aan de vaststelling dat de bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn. Bijgevolg doet een beperking van de rechten van de consument op het gebied van de toekenning van wettelijke vertragingsrente afbreuk aan de terugbetalingsplicht en bijgevolg aan de afschrikkende werking, aangezien die beperking de verkoper in essentie in staat zou stellen om de door de consument verzonden aanmaning te negeren indien het door deze laatste gevorderde bedrag daarin niet nauwkeurig wordt vermeld.
21 Volgens de verwijzende rechter kan er dus enerzijds van worden uitgegaan dat de consument niet hoeft te worden onderworpen aan de verplichting om het bedrag nauwkeurig aan de verkoper mee te delen teneinde de vertragingsrente te doen ingaan. In zoverre een bank een gespecialiseerde instelling is die voor haar activiteiten gebruikmaakt van financiële documenten en computersystemen, is deze namelijk te allen tijde in staat om snel en gemakkelijk het bedrag vast te stellen van het krediet dat de consument gedurende de gehele looptijd van de lening of een deel daarvan heeft afgelost.
22 Anderzijds kan het als redelijk en gerechtvaardigd worden beschouwd dat de consument verplicht is om zijn vordering nauwkeurig te kwantificeren teneinde de door de verkoper verschuldigde vertragingsrente te laten ingaan. Aangezien de consument het krediet aflost, is hij namelijk op de hoogte van de bedragen die hij aan de bank heeft betaald. Hij kan dit controleren in zijn bankrekeninghistoriek of de bank verzoeken om een passend certificaat uit te reiken. In de onderhavige zaak hebben DJ en PJ een week na de indiening van hun klacht een certificaat van de bank ontvangen waarin het bedrag van alle op dat ogenblik verrichte kredietaflossingen was vermeld, zodat zij de klacht opnieuw hadden kunnen indienen en deze daarbij aan te vullen met het precieze bedrag van hun vordering. Bovendien worden DJ en PJ vertegenwoordigd door een advocaat op wie een zorgvuldigheidsplicht rust waarvan de niet-naleving aanleiding kan geven tot schadevergoeding ten gunste van zijn cliënten.
23 Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13] alsmede het beginsel van doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een rechterlijke uitlegging van nationale bepalingen op grond waarvan de rechter een verkoper ertoe kan veroordelen aan een consument pas wettelijke vertragingsrente over het bedrag van een onverschuldigde prestatie die is verricht op grond van een oneerlijk beding te betalen vanaf de datum waarop aan de verkoper een aanmaning tot betaling is betekend waarin de consument het concrete bedrag vermeldt dat door hem wordt gevorderd?”
Afdoening zonder beslissing
24 Volgens vaste rechtspraak is de in artikel 267 VWEU vastgestelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de elementen betreffende de uitlegging van het Unierecht verschaft die zij nodig hebben voor de beslechting van het bij hen aanhangige geding (zie beschikking van 26 januari 1990, Falciola, C‑286/88, EU:C:1990:33, punt 7, en arrest van 29 juli 2024, LivaNova, C‑713/22, EU:C:2024:642, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 In dit verband zij er evenwel aan herinnerd dat de reden voor de prejudiciële verwijzing niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken is, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil. Wanneer blijkt dat de gestelde vragen klaarblijkelijk niet langer relevant zijn voor de beslechting van dit geschil, dient het Hof de zaak dan ook af te doen zonder beslissing (arrest van 24 november 2022, Banco Cetelem, C‑302/21, EU:C:2022:919, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Aangezien uit zowel de bewoordingen als de opzet van artikel 267 VWEU blijkt dat een prejudiciële procedure slechts kan worden ingeleid indien bij de nationale rechterlijke instantie daadwerkelijk een geding aanhangig is in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met het prejudiciële arrest, moet het Hof oordelen dat niet hoeft te worden beslist op het verzoek om een prejudiciële beslissing indien het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt (arrest van 24 november 2022, Banco Cetelem, C‑302/21, EU:C:2022:919, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 In casu heeft de verwijzende rechter op 4 november 2025 aan het Hof zijn beslissing van 13 oktober 2025 doen toekomen, waarbij hij de gedeeltelijke afstand van instantie van verzoekers in het hoofdgeding van 10 april 2025 als gevolg van de intrekking van hun vordering tot betaling van vertragingsrente over de periode van 25 juli 2022 tot en met 9 februari 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 203, § 4, van de wet tot vaststelling van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in de versie zoals van toepassing op het hoofdgeding. Na te hebben vastgesteld dat de partijen geen minnelijke schikking hadden getroffen en dat geenszins was voldaan aan de vordering van verzoekers in het hoofdgeding, heeft de verwijzende rechter met name geoordeeld dat de gedeeltelijke afstand van instantie tot doel had de intrekking van het verzoek om een prejudiciële beslissing te bewerkstelligen. Deze intrekking moet dus worden beschouwd als strijdig met de essentiële normen van de maatschappij en als een poging om de wet te omzeilen.
28 Naar aanleiding van het verzoek om verduidelijkingen dat op 12 november 2025 krachtens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof aan de verwijzende rechter is toegezonden, heeft deze in zijn op 4 december 2025 bij de griffie van het Hof ingekomen antwoord gepreciseerd dat geen rechtsmiddel meer openstond tegen de beslissing van 13 oktober 2025 en dat deze beslissing dus gezag van gewijsde had verkregen. Voorts heeft deze rechter bevestigd dat, afhankelijk van het antwoord van het Hof, aan verzoekers in het hoofdgeding vertragingsrente zou kunnen worden toegekend over het bedrag van hun schuldvordering voor de periode van 25 juli 2022 tot en met 9 februari 2023, ook al hadden zij te kennen gegeven dat zij deze rente niet meer zouden invorderen voor die periode. Bijgevolg is die rechter in het kader van de onderhavige zaak van oordeel dat hij verplicht is om de vordering van de kredietnemers strekkende tot het verkrijgen van de bank van betaling van de wettelijke vertragingsrente voor die periode, ten gronde dient te onderzoeken, waarbij zijn beslissing in dit verband afhankelijk is van het antwoord dat het Hof op de gestelde prejudiciële zal geven.
29 Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt derhalve dat een antwoord op de prejudiciële vraag noodzakelijk lijkt voor de beslechting van het geschil dat de verwijzende rechter dient af te doen.
30 In die omstandigheden moet uitspraak worden gedaan op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.
Bevoegdheid van het Hof
31 SBP en de Portugese regering betogen dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een prejudiciële beslissing, aangezien de verwijzende rechter het Hof daarmee in essentie verzoekt het nationale recht uit te leggen.
32 SBP wijst erop dat de bij de prejudiciële vraag aan de orde gestelde vragen geen uitlegging van richtlijn 93/13 behoeven. Deze richtlijn regelt immers niet de gevolgen van de nietigheid van een overeenkomst. Zij voegt daaraan toe dat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen betrekking kan hebben op een aangelegenheid die door de Poolse wetgever is geregeld. Ten eerste vormt de uitspraak ten gronde door het Hof een buitensporige inmenging in de Poolse rechtsorde, aangezien die wetgever reeds het mechanisme van de aanmaning en bijgevolg de opeisbaarheid van de schuldvordering heeft geregeld. Ten tweede leidt een onderscheid tussen de rechtspositie van kredietnemers die de hoedanigheid van consument hebben en die van elke andere kredietnemer met name tot schending van de artikelen 20 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
33 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is om zich over de uitlegging of de rechtsgeldigheid van een rechtsvoorschrift van de Europese Unie uit te spreken op basis van de door de nationale rechterlijke instantie omschreven feiten (zie arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, EU:C:1978:69, punt 4, en 18 december 2025, Jouxy e.a., C‑296/24–C‑307/24, EU:C:2025:999, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In casu heeft de gestelde vraag uitdrukkelijk betrekking op de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel. De verwijzende rechter vraagt zich in essentie af of de in de rechtspraak aan de nationale regelgeving inzake de toekenning van vertragingsrente gegeven uitlegging verenigbaar is met die bepalingen en dat beginsel. Wanneer een door een verkoper met een consument gesloten leningsovereenkomst nietig is verklaard wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen, kan deze verkoper volgens die rechtspraak slechts tot betaling aan de consument van wettelijke vertragingsrente over het bedrag van diens schuldvordering worden veroordeeld vanaf het moment waarop in de door de consument aan hem betekende handeling het bedrag waarvan terugbetaling wordt gevorderd, nauwkeurig wordt vermeld.
35 In tegenstelling tot hetgeen SBP en de Portugese regering beweren, verzoekt de verwijzende rechter dus om uitlegging van een handeling van de Unie.
36 Bijgevolg is het aan het Hof om de verwijzende rechter alle Unierechtelijke uitleggingselementen te verstrekken die hem in staat zullen stellen zelf uitspraak te doen over de verenigbaarheid van het nationale recht, zoals uitgelegd door de nationale rechtspraak, met het Unierecht.
37 Aangezien het Hof bevoegd is om de bepalingen en beginselen van het Unierecht uit te leggen, is het derhalve bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een prejudiciële beslissing en om de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
38 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich verzetten tegen een gegeven uitlegging van het nationale recht in de rechtspraak volgens welke een verkoper, na de nietigverklaring van een tussen een consument en die verkoper gesloten leningsovereenkomst op grond dat deze overeenkomst na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen niet kan voortbestaan, slechts tot betaling aan die consument van wettelijke vertragingsrente over het bedrag van de schuldvordering van deze laatste kan worden veroordeeld vanaf de datum waarop die consument een buitengerechtelijk of procedureel stuk aan die verkoper heeft betekend waarin het bedrag waarvan terugbetaling wordt gevorderd, nauwkeurig wordt vermeld.
39 Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepalen de lidstaten dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden.
40 Bovendien verplicht deze richtlijn, gelet op de aard en het gewicht van het algemene belang waarop de aan de consument – die zich tegenover de verkoper in een zwakkere positie bevindt – verschafte bescherming berust, de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, gelezen in het licht van de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” (arrest van 22 januari 2026, Herchoski, C‑902/24, EU:C:2026:42, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 De nationale rechter is derhalve verplicht een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken te zijn, buiten toepassing te laten. Een dergelijke verplichting brengt in beginsel een plicht tot terugbetaling van overeenkomstige bedragen met zich mee, aangezien het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht de afschrikkende werking in gevaar zou brengen die artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, heeft willen hechten aan de vaststelling dat bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn (arrest van 22 januari 2026, Herchoski, C‑902/24, EU:C:2026:42, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 In dit verband dient te worden opgemerkt dat richtlijn 93/13 niet uitdrukkelijk de gevolgen bepaalt van de nietigheid van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen. Bijgevolg staat het aan de lidstaten om te bepalen welke gevolgen een dergelijke nietigheid heeft, met dien verstande dat de regels die zij dienaangaande vaststellen verenigbaar moeten zijn met het Unierecht en in het bijzonder met de doelstellingen van die richtlijn (arrest van 22 januari 2026, Herchoski, C‑902/24, EU:C:2026:42, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Bij gebreke van specifieke Unieregelgeving ter zake, zijn de nadere uitvoeringsregels voor de in richtlijn 93/13 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van deze staten. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling), C‑28/22, EU:C:2023:992), punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
44 Wat betreft het doeltreffendheidsbeginsel – dat als enige aan de orde is in de vragen van de verwijzende rechter – moet eraan worden herinnerd dat bij het onderzoek van de vraag of een nationale bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds rekening moet worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 22 januari 2026, Herchoski, C‑902/24, EU:C:2026:42, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Bovendien heeft het Hof verduidelijkt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste tevens is verankerd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste geldt onder meer voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (arrest van 18 december 2025, Soledil, C‑320/24, EU:C:2025:993, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het burgerlijk wetboek geen enkel vereiste bevat met betrekking tot de verplichting om het bedrag te kwantificeren waarvan een schuldeiser de terugbetaling vordert via een aanmaning. Niettemin moet deze aanmaning volgens de nationale rechtspraak een vordering tot betaling bevatten waarin het bedrag nauwkeurig wordt vermeld om gevolgen te kunnen sorteren zoals het recht van de schuldeiser om vertragingsrente te innen.
47 Een verkoper kan dus slechts tot betaling aan een consument van wettelijke vertragingsrente over het door deze consument op grond van een oneerlijk contractueel beding onverschuldigd betaalde bedrag worden veroordeeld vanaf de datum waarop aan die verkoper een buitengerechtelijk of procedureel stuk is betekend waarin het bedrag waarvan die consument terugbetaling vordert nauwkeurig wordt vermeld.
48 In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat het vereiste dat een consument in een buitengerechtelijk of procedureel stuk het bedrag waarvan hij terugbetaling vordert nauwkeurig vermeldt, de verkoper als schuldenaar in staat stelt om kennis te nemen van het bedrag van de uit te voeren verbintenis en om de gegrondheid ervan te beoordelen.
49 Voorts vormt de nauwkeurige vermelding van het bedrag van de schuldvordering in de fase van de aanmaning geen buitensporige last voor de consument die bekend is met de bedragen die aan de verkoper, in dit geval de bank, zijn betaald, en kan hij deze bedragen in voorkomend geval in zijn bankrekeninghistoriek verifiëren of de bank verzoeken hem een certificaat te verstrekken waarin het bedrag van alle reeds afgeloste kredieten van de lening wordt vermeld.
50 Gelet op de in punt 43 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan een dergelijk vereiste dus niet worden geacht de uitoefening van de door richtlijn 93/13 aan consumenten verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken.
51 Het feit dat de consumenten in de onderhavige zaak worden vertegenwoordigd door een advocaat, laat die analyse overigens onverlet. De algemene vraag of het betreffende bedrag moet worden vermeld teneinde vertragingsrente te kunnen vorderen, moet immers worden beantwoord zonder rekening te houden met de concrete omstandigheden van elke zaak (zie in die zin arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 40).
52 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een gegeven uitlegging van het nationale recht in de rechtspraak volgens welke een verkoper, na de nietigverklaring van een tussen een consument en die verkoper gesloten leningsovereenkomst op grond dat deze overeenkomst na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen niet kan voortbestaan, slechts tot betaling aan die consument van wettelijke vertragingsrente over het door deze consument ter uitvoering van die overeenkomst ten onrechte betaalde bedrag kan worden veroordeeld vanaf de datum waarop die consument een buitengerechtelijk of procedureel stuk aan die verkoper heeft betekend waarin het bedrag waarvan terugbetaling wordt gevorderd, nauwkeurig wordt vermeld.
Kosten
53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een gegeven uitlegging van het nationale recht in de rechtspraak volgens welke een verkoper, na de nietigverklaring van een tussen een consument en die verkoper gesloten leningsovereenkomst op grond dat deze overeenkomst na de schrapping van de daarin opgenomen oneerlijke bedingen niet kan voortbestaan, slechts tot betaling aan die consument van wettelijke vertragingsrente over het door deze consument ter uitvoering van die overeenkomst ten onrechte betaalde bedrag kan worden veroordeeld vanaf de datum waarop die consument een buitengerechtelijk of procedureel stuk aan die verkoper heeft betekend waarin het bedrag waarvan terugbetaling wordt gevorderd, nauwkeurig wordt vermeld.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 januari 2026, C-902/24, ECLI:EU:C:2026:42
- HvJ EU 18 december 2025, C-320/24, ECLI:EU:C:2025:993
- HvJ EU 18 december 2025, C-296/24, ECLI:EU:C:2025:999
- HvJ EU 29 juli 2024, C-713/22, ECLI:EU:C:2024:642
- HvJ EU 14 december 2023, C-28/22, ECLI:EU:C:2023:992
- HvJ EU 24 november 2022, C-302/21, ECLI:EU:C:2022:919
- HvJ EU 11 maart 2020, C-511/17, ECLI:EU:C:2020:188