HvJ EU 16 oktober 2025, C-805/24, ECLI:EU:C:2025:792
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
16 oktober 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Beperkende maatregelen gelet op de situatie in Oekraïne – Verordening (EU) nr. 269/2014 – Artikel 2 – Bevriezing van tegoeden en economische middelen – Artikel 9, lid 2 – Verplichting tot melding van tegoeden en economische middelen voor personen op wie een beperkende bevriezingsmaatregel van toepassing is – Juridische kwalificatie van een dergelijke verplichting – Rechtsgrondslag – Artikel 215, lid 2, VWEU – Artikelen 24, 26 en 29 VEU – Uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid door de lidstaten”
In zaak C‑805/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 november 2024,
Gennady Nikolayevich Timchenko, wonende te Genève (Zwitserland),
Elena Petrovna Timchenko, wonende te Genève,
vertegenwoordigd door S. Bonifassi, T. Bontinck, E. Fedorova en A. Guillerme, avocats,
rekwiranten,
andere partijen in de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M.‑C. Cadilhac, D. Laurent en J. Rurarz als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Carpus Carcea, C. Giolito, H. Krämer en L. Puccio als gemachtigden,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei (rapporteur), S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening vorderen rekwiranten, Gennady Nikolayevich Timchenko en Elena Petrovna Timchenko, vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 september 2024, Timchenko en Timchenko/Raad (T‑644/22, EU:T:2024:621; hierna: „bestreden arrest”), waarbij hun beroep is verworpen dat strekte tot nietigverklaring van artikel 1, punt 4, van verordening (EU) 2022/1273 van de Raad van 21 juli 2022 tot wijziging van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 194, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”), voor zover daarbij artikel 9 van verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6), is gewijzigd door toevoeging in artikel 9, lid 2, van die verordening van met name een verplichting tot melding van tegoeden en economische middelen voor personen op wie een beperkende bevriezingsmaatregel van toepassing is.
Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van het geding
2 De feitelijke en juridische achtergrond van de onderhavige zaak is uiteengezet in de punten 2 tot en met 16 van het bestreden arrest. Ten behoeve van de onderhavige procedure kan die achtergrond als volgt worden samengevat en aangevuld.
3 De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen die de Europese Unie sinds 2014 heeft vastgesteld naar aanleiding van acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.
4 Rekwiranten zijn onderworpen aan dergelijke maatregelen. Gennady Nikolayevich Timchenko is een zakenman en Elena Petrovna Timchenko is zijn echtgenote. Zij hebben allebei de Russische en de Finse nationaliteit.
Verordening nr. 269/2014
5 Artikel 2 van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 476/2014 van de Raad van 12 mei 2014 (PB 2014, L 137, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 269/2014”), waarvan de versie op de datum van vaststelling van de in punt 7 van het onderhavige arrest genoemde handelingen en op de datum van vaststelling van de litigieuze verordening dezelfde was, bepaalt: „1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, worden bevroren. 2. Er worden geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”
6 Artikel 9 van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij de litigieuze verordening, luidt: „1. Het is verboden om bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of gevolg hebben dat de in artikel 2 bedoelde maatregelen worden omzeild. 2. In de lijst van bijlage I opgenomen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen: a) melden vóór 1 september 2022 of binnen zes weken na de datum van opname op de lijst in bijlage I als dit later is, tegoeden of economische middelen die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen en toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van hen, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar deze tegoeden of economische middelen zich bevinden, en b) werken met de bevoegde autoriteit samen bij de verificatie van deze informatie. 3. Niet-naleving van lid 2 wordt beschouwd als deelname, als bedoeld in lid 1, aan activiteiten die tot doel of gevolg hebben dat de in artikel 2 bedoelde maatregelen worden omzeild. [...]”
Tegen rekwiranten vastgestelde beperkende maatregelen
7 In 2022 heeft de Raad van de Europese Unie beperkende maatregelen vastgesteld tegen rekwiranten, waaronder de bevriezing van hun tegoeden en economische middelen, door hun namen toe te voegen aan de lijsten van personen, entiteiten en lichamen die zijn opgenomen in de bijlage bij besluit 2014/145/GBVB van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) en in bijlage I bij verordening nr. 269/2014. Wat Gennady Nikolayevich Timchenko betreft, zijn die maatregelen vastgesteld bij besluit (GBVB) 2022/337 van de Raad van 28 februari 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 59, blz. 1) en bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/336 van de Raad van 28 februari 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 58, blz. 1) en, wat Elena Petrovna Timchenko betreft, bij besluit (GBVB) 2022/582 van de Raad van 8 april 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 110, blz. 55) en bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 110, blz. 3). Nadien heeft de Raad de tegen rekwiranten vastgestelde beperkende maatregelen verlengd.
Bestreden arrest
8 Bij verzoekschrift van 14 oktober 2022 hebben rekwiranten bij het Gerecht beroep ingesteld dat in wezen strekt tot nietigverklaring van artikel 1, punt 4, van de litigieuze verordening, voor zover daarbij artikel 9, leden 2 en 3, van verordening nr. 269/2014 is gewijzigd. Zij betoogden met name dat de Raad, door artikel 9, lid 2, van die verordening aldus te wijzigen dat onder meer de in bijlage I bij die verordening vermelde natuurlijke personen worden verplicht om tegoeden en economische middelen die hun toebehoren, hun eigendom zijn, in hun bezit zijn of onder hun zeggenschap staan op het grondgebied van de Europese Unie te melden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten (hierna: „litigieuze meldingsverplichting”), de bevoegdheden heeft overschreden die hem krachtens artikel 215, lid 2, VWEU zijn toegekend, en ook, onder meer, artikel 29 VEU heeft geschonden.
9 In punt 65 van het bestreden arrest heeft het Gerecht onder verwijzing naar de punten 56 tot en met 64 van dat arrest geoordeeld dat aangezien de litigieuze meldingsverplichting valt onder de bevoegdheid van de Raad om uitvoering te geven aan een op grondslag van artikel 29 VEU genomen besluit op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), in casu besluit 2014/145, de Raad die verplichting heeft kunnen invoeren op basis van een krachtens artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde verordening van de Unie, los van het feit dat het ging om een positieve verplichting die aan personen als rekwiranten werd opgelegd, en dat die verplichting niet was vastgesteld in besluit 2014/145 zelf.
10 Meer in het bijzonder heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest het argument van rekwiranten afgewezen dat de litigieuze meldingsverplichting onder de uitvoeringsbevoegdheid van de lidstaten valt en schending van artikel 24, lid 2, VEU oplevert.
11 Nadat het Gerecht ook de overige middelen van rekwiranten had afgewezen, heeft het hun beroep verworpen.
Conclusies van partijen
12 Rekwiranten verzoeken het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak zelf af te doen en de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover daarbij artikel 9, lid 2, van verordening nr. 269/2014 is gewijzigd en hun de litigieuze meldingsverplichting is opgelegd; – de Raad te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
13 De Raad verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwiranten te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
14 De Europese Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwiranten te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
15 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten twee middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan ontoereikende motivering en, het tweede, aan onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de toepassing en de uitlegging van artikel 215 VWEU en de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236).
Eerste middel
Argumenten van partijen
16 Met hun eerste middel verwijten rekwiranten het Gerecht dat de motivering van het bestreden arrest ontoereikend is om te antwoorden op hun betoog dat de Raad zijn bevoegdheden heeft overschreden door te voorzien in de litigieuze meldingsverplichting van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij de litigieuze verordening. Dit middel bestaat uit twee onderdelen.
17 Met het eerste onderdeel van hun eerste middel verwijten rekwiranten het Gerecht dat het niet duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht of de litigieuze meldingsverplichting een krachtens artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU vastgestelde beperkende maatregel betreft, zoals volgt uit de punten 56 en 62 van het bestreden arrest, dan wel of zij een maatregel tot uitvoering of implementatie van beperkende maatregelen vormt, hetgeen volgt uit punt 60 van dat arrest. De redenering van het Gerecht is dus dubbelzinnig wat de juridische kwalificatie van die verplichting betreft.
18 Met het tweede onderdeel van hun eerste middel stellen rekwiranten dat het Gerecht de punten 57 tot en met 60 van het bestreden arrest ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien uit zijn redenering niet kan worden opgemaakt op welke concrete rechtsgrondslag de Raad zich kon baseren om in de litigieuze meldingsverplichting te voorzien. Het Gerecht legt namelijk niet uit hoe het tot de conclusie is gekomen dat de Raad met de invoering van die verplichting zijn bevoegdheden niet heeft overschreden, terwijl deze op grond van artikel 215, lid 2, VWEU uitsluitend beperkende maatregelen kan vaststellen waarin reeds is voorzien in het GBVB-referentiebesluit, en de uitvoering van beperkende maatregelen volgens artikel 24 VEU onder de verantwoordelijkheid valt van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en van de lidstaten.
19 De Raad en de Commissie betwisten de gegrondheid van de door rekwiranten aangevoerde argumenten.
Beoordeling door het Hof
20 In navolging van het Gerecht in de punten 51 en 52 van het bestreden arrest moet in herinnering worden gebracht dat de Raad krachtens artikel 29 VEU op het gebied van het GBVB besluiten kan vaststellen waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard, waarbij een dergelijke aanpak beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel groepen of entiteiten kan omvatten (zie in die zin arresten van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 87 en 88, en 6 oktober 2020, Bank Refah Kargaran/Raad, C‑134/19 P, EU:C:2020:793, punten 41 en 44).
21 Voorts biedt artikel 215, lid 2, VWEU de Raad de mogelijkheid om jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten beperkende maatregelen vast te stellen wanneer daarin is voorzien door een besluit dat is vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het VEU, waartoe artikel 29 VEU behoort.
22 Aangezien de Raad zowel in het kader van een op grondslag van artikel 29 VEU vastgesteld GBVB-besluit als in het kader van krachtens artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde Uniehandelingen beperkende maatregelen kan vaststellen, heeft het Hof, zoals het Gerecht in de punten 53 tot en met 55 van het bestreden arrest in wezen in herinnering heeft gebracht, uiteengezet hoe de bevoegdheden van de Raad in het licht van die twee Verdragsbepalingen moeten worden afgebakend.
23 Aldus wordt met de besluiten die in het kader van het GBVB worden vastgesteld op grondslag van artikel 29 VEU, de aanpak van de Unie ten aanzien van de vast te stellen beperkende maatregelen bepaald. Als algemene regel is de Raad bevoegd om met eenparigheid van stemmen het voorwerp ervan te bepalen of eventueel te verduidelijken (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 88 en 90).
24 De op grondslag van artikel 215 VWEU vastgestelde verordeningen knopen wat hun doelstellingen en inhoud betreft aan bij die besluiten en vormen het instrument om daaraan op het niveau van de Unie gevolg te geven. De Raad is namelijk op grond van die bepaling, die een brug slaat tussen de doelstellingen van het VEU op het gebied van het GBVB en de handelingen van de Unie waarbij onder het VWEU vallende economische maatregelen worden opgelegd, bevoegd om, op gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verordeningen vast te stellen om het betrokken GBVB-besluit uit te voeren en aldus gevolg te geven aan de beperkende maatregelen die onder de werkingssfeer van het VWEU vallen, en met name om de uniforme uitvoering daarvan in alle lidstaten te garanderen (zie in die zin arresten van 19 juli 2012, Parlement/Raad, C‑130/10, EU:C:2012:472, punten 72 en 76, en 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 88‑90).
25 Op basis van die rechtspraak heeft het Gerecht in de punten 56, 59 en 60 van het bestreden arrest, gelezen in samenhang met de punten 63 en 65 ervan, uiteengezet dat de litigieuze meldingsverplichting van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij de litigieuze verordening, was ingesteld op grondslag van artikel 215, lid 2, VWEU en tot doel had uitvoering te geven aan een krachtens artikel 29 VEU op het gebied van het GBVB vastgesteld besluit, te weten besluit 2014/145, teneinde de uniforme uitvoering van de bij dat besluit vastgestelde beperkende maatregelen op het grondgebied van de Unie te waarborgen, in het bijzonder om strategieën ter omzeiling van die maatregelen tegen te gaan.
26 Uit die punten volgt dat het Gerecht, gelet op de rechtspraak waarnaar in de punten 53 tot en met 55 van het bestreden arrest is verwezen en die in de punten 20 tot en met 24 van het onderhavige arrest is samengevat, heeft geoordeeld dat de litigieuze meldingsverplichting geen op grondslag van artikel 29 VEU of zelfs artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde beperkende maatregel was, maar wel een louter op grondslag van laatstgenoemde bepaling vastgestelde maatregel om de uniforme uitvoering te waarborgen van de beperkende maatregel tot bevriezing van tegoeden en economische middelen die is neergelegd in artikel 2 van besluit 2014/145 en in wezen is overgenomen in artikel 2 van verordening nr. 269/2014.
27 Het Gerecht heeft daarbij op duidelijke en ondubbelzinnige wijze in punt 60 van het bestreden arrest, gelezen in samenhang met punt 56 ervan, de rechtsgrondslag van de litigieuze meldingsverplichting aangegeven, namelijk artikel 215, lid 2, VWEU, en in punt 60 van dat arrest tevens de juridische aard van die verplichting, namelijk een maatregel om besluit 2014/145 op zodanige wijze uit te voeren dat de uniforme toepassing van de beperkende maatregel tot bevriezing van tegoeden en economische middelen waarin dat besluit voorziet, zou worden gewaarborgd.
28 Voorts kan, anders dan rekwiranten betogen, de vaststelling in punt 62 van het bestreden arrest dat de enkele verwijzing in artikel 215, lid 2, VWEU naar „beperkende maatregelen” niet tot gevolg heeft dat de in die bepaling bedoelde maatregelen worden beperkt tot negatieve verplichtingen, niet aldus worden opgevat dat het Gerecht de litigieuze meldingsverplichting als een „beperkende maatregel” heeft aangemerkt en aldus zijn vaststelling in punt 60 van dat arrest tegenspreekt dat die meldingsverplichting ziet op de uitvoering van een dergelijke maatregel.
29 Het is juist dat de bewoordingen van artikel 215, lid 2, VWEU uitsluitend verwijzen naar de uitdrukking „beperkende maatregelen” en in punt 56 van het bestreden arrest, alsook in de punten 63 en 65 ervan, door het Gerecht is vastgesteld dat de litigieuze meldingsverplichting uitsluitend is ingesteld op grondslag van die bepaling van het VWEU.
30 Dit betekent evenwel niet dat die verplichting noodzakelijkerwijze als een „beperkende maatregel” moet worden aangemerkt. Zoals blijkt uit punt 89 van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), dat is aangehaald in punt 54 van het bestreden arrest en in wezen in herinnering is gebracht in punt 24 van het onderhavige arrest, kunnen de maatregelen die de Raad heeft ingevoerd bij een op grondslag van die bepaling vastgestelde verordening immers zijn bedoeld om gevolg te geven aan de beperkende maatregelen waarin een GBVB-besluit voorziet wanneer dergelijke maatregelen onder de werkingssfeer van het VWEU vallen, en om die maatregelen in alle lidstaten uniform toe te passen. Daartoe kan de Raad de wezenlijke inhoud van het GBVB-besluit overnemen en er definities of verduidelijkingen met betrekking tot de toepassing van de in dat besluit vervatte beperkende maatregelen aan toevoegen.
31 In die omstandigheden en, mede gelet op het feit dat de Raad krachtens artikel 26, lid 2, tweede alinea, VEU moet toezien op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie op het gebied van het GBVB, moet die instelling bij een dergelijke verordening mogelijk maatregelen vaststellen om een uniforme, samenhangende en doeltreffende toepassing van de in een GBVB-besluit vastgestelde beperkende maatregelen te waarborgen, zonder dat die uitvoeringsmaatregelen zelf beperkende maatregelen vormen. Dat is nu net wat met de litigieuze meldingsverplichting is bedoeld als maatregel die, zoals in wezen uit de punten 59 en 60 van het bestreden arrest voortvloeit, betrekking heeft op de beperkende maatregel tot bevriezing van tegoeden en economische middelen die is neergelegd in artikel 2 van besluit 2014/145 en in wezen is overgenomen in artikel 2 van verordening nr. 269/2014.
32 Door in punt 62 van het bestreden arrest te verklaren dat de enkele verwijzing in artikel 215, lid 2, VWEU naar „beperkende maatregelen” niet tot gevolg heeft dat de in die bepaling bedoelde maatregelen worden beperkt tot negatieve verplichtingen, heeft het Gerecht uitgelegd, zoals trouwens uitdrukkelijk blijkt uit de tweede volzin van punt 62 en uit punt 63 van dat arrest, dat een op grondslag van artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde maatregel, zoals in casu, een positieve verplichting kan inhouden om te zorgen voor de uniforme toepassing van een beperkende maatregel waarin een GBVB-besluit voorziet.
33 Derhalve zijn de ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het eerste middel en ter ondersteuning van een deel van het tweede onderdeel van dat middel aangevoerde grieven waarmee het Gerecht wordt verweten dat het zichzelf heeft tegengesproken en zijn redenering met betrekking tot de rechtsgrondslag waarop de Raad zich kon baseren om te voorzien in de litigieuze meldingsverplichting, ontoereikend heeft gemotiveerd, ongegrond.
34 Ook de tot staving van het tweede onderdeel van dat middel aangevoerde grief dat de redenering van het Gerecht met betrekking tot de rechtsgrondslag van de litigieuze meldingsverplichting in de punten 57 tot en met 60 van het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd omdat het Gerecht er geen rekening mee heeft gehouden dat volgens artikel 24 VEU aan beperkende maatregelen uitvoering wordt gegeven door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en door de lidstaten, moet worden afgewezen.
35 In punt 61 van het bestreden arrest, dat in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel niet wordt betwist, heeft het Gerecht namelijk, onder uitdrukkelijke verwijzing naar zijn redenering en de motivering in de punten 57 tot en met 60 van dat arrest, het argument afgewezen waarmee rekwiranten juist aanvoerden dat dit artikel van het VEU en de uitvoeringsbevoegdheden van de lidstaten waren geschonden. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het Gerecht het bestreden arrest op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd.
36 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Tweede middel
37 Met hun tweede middel betogen rekwiranten dat het Gerecht als gevolg van een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 215 VWEU en van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), in punt 63 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad kon voorzien in de litigieuze meldingsverplichting van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij de litigieuze verordening, ongeacht of dat arrest aldus wordt opgevat dat die verplichting daarin wordt aangemerkt als een beperkende maatregel (eerste onderdeel van het tweede middel) dan wel als een maatregel tot uitvoering of implementatie van een beperkende maatregel tot bevriezing van tegoeden en economische middelen (tweede onderdeel van het tweede middel).
Eerste onderdeel van het tweede middel
– Argumenten van partijen
38 Voor het geval dat het Gerecht de litigieuze meldingsverplichting zou hebben aangemerkt als een beperkende maatregel, stellen rekwiranten zich op het standpunt dat het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad die verplichting kon vaststellen op grondslag van artikel 215, lid 2, VWEU, ondanks dat die verplichting niet uitdrukkelijk was voorzien in het daarmee verband houdende GBVB-besluit.
39 Ten eerste sluit artikel 215, lid 2, VWEU de mogelijkheid uit om beperkende maatregelen vast te stellen die een aanvulling vormen op en verschillen van die waarin het betrokken GBVB-besluit voorziet. In besluit 2014/145 wordt niet naar de litigieuze meldingsverplichting verwezen. Ten tweede vereist de aard zelf van die verplichting – die een opzichzelfstaande verplichting vormt die door de betrokkenen moet worden nagekomen, waarbij niet-melding als strafbare omzeiling van de beperkende maatregelen wordt beschouwd – dat zij niet alleen wordt opgenomen in de verordening die in die verplichting voorziet, maar ook in het GBVB-referentiebesluit, dat met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld.
40 De Raad en de Commissie betwisten de argumenten van rekwiranten.
– Beoordeling door het Hof
41 Het eerste onderdeel van het tweede middel wordt aangevoerd voor het geval dat het Gerecht de litigieuze meldingsverplichting als beperkende maatregel zou hebben aangemerkt. Uit de overwegingen in de punten 26 tot en met 32 van het onderhavige arrest blijkt evenwel dat dit niet het geval is. In die omstandigheden moet dit onderdeel als niet ter zake dienend worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het tweede middel
– Argumenten van partijen
42 Voor het geval dat het Gerecht de litigieuze meldingsverplichting zou hebben aangemerkt als een maatregel tot uitvoering of implementatie van de met name in artikel 2 van besluit 2014/145 neergelegde beperkende maatregel tot bevriezing van tegoeden en economische middelen, verwijten rekwiranten het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 63 van het bestreden arrest te oordelen dat de Raad bevoegd was om in verordening nr. 269/2014 een dergelijke verplichting op te nemen. Het Gerecht heeft artikel 24 VEU geschonden, volgens hetwelk, bij gebreke van toepassing van artikel 291, lid 2, VWEU, niet de Raad maar elke lidstaat de maatregelen moet vaststellen die nodig zijn voor de uitvoering van de bij een GBVB-besluit vastgestelde beperkende maatregelen.
43 Voorts betogen rekwiranten in wezen – nog steeds uitgaande van die hypothese – dat het Gerecht in de punten 54 tot en met 59 van het bestreden arrest het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), onjuist heeft uitgelegd en toegepast en daardoor blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de Raad bevoegd was om in verordening nr. 269/2014 een dergelijke verplichting op te nemen. Uit dat arrest blijkt immers dat een op grondslag van artikel 215 VWEU vastgestelde verordening louter een instrument is waarmee wordt beoogd rechtstreekse werking, en dus bindende kracht te verlenen aan beperkende maatregelen die reeds in een GBVB-besluit zijn vastgesteld, zo nodig door deze te preciseren, doch zonder andere maatregelen toe te voegen of de draagwijdte van de aldus vastgestelde maatregelen te wijzigen. Het Gerecht heeft de draagwijdte van dat arrest verruimd door te verklaren dat met een dergelijke verordening niet alleen gevolg, maar ook uitvoering wordt gegeven aan dergelijke beperkende maatregelen.
44 De Raad en de Commissie betwisten die argumenten.
– Beoordeling door het Hof
45 Wat in de eerste plaats de in punt 42 van het onderhavige arrest samengevatte argumenten van rekwiranten betreft, zij eraan herinnerd dat de Raad krachtens artikel 24, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 26, lid 2, eerste alinea, en lid 3, VEU met eenparigheid van stemmen de voor het bepalen en uitvoeren van het GBVB nodige besluiten neemt op basis van de door de Europese Raad vastgestelde algemene richtsnoeren en strategische beleidslijnen, en dat het GBVB wordt uitgevoerd door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en door de lidstaten in overeenstemming met de Verdragen en met gebruikmaking van de nationale middelen en de middelen van de Unie.
46 Zoals het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest, gelezen in samenhang met de punten 57 tot en met 60 van dat arrest waarnaar punt 61 verwijst, in wezen heeft geoordeeld, is de Raad, zoals ook blijkt uit de punten 30, 31 en 32 van het onderhavige arrest, krachtens de artikelen 24 en 26 VEU, gelezen in samenhang met artikel 215, lid 2, VWEU, bevoegd om uitvoering te geven aan besluiten die op grondslag van artikel 29 VEU op het gebied van het GBVB zijn vastgesteld om er met name voor te zorgen dat de beperkende maatregelen waarin dergelijke besluiten voorzien, in alle lidstaten uniform, samenhangend en doeltreffend worden toegepast wanneer die maatregelen onder de werkingssfeer van het VWEU vallen.
47 Door aldus op grondslag van artikel 215, lid 2, VWEU een verordening vast te stellen om uitvoering te geven aan een GBVB-besluit, doet de Raad geenszins afbreuk aan de in artikel 24, lid 1, tweede alinea, en artikel 26, lid 3, VEU bedoelde uitvoeringsbevoegdheid van de lidstaten.
48 Een dergelijke verordening beoogt immers op het niveau van de Unie gevolg te geven aan de beperkende maatregelen waarin een GBVB-besluit voorziet, en tegelijk een uniforme, samenhangende en doeltreffende toepassing ervan te waarborgen, terwijl de in die bepalingen van het VEU bedoelde uitvoeringsbevoegdheid van de lidstaten geen verband houdt met de uitvoering van de GBVB-besluiten en de toepassing van de beperkende maatregelen op het niveau van de Unie, maar met de uitvoering van die maatregelen door de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat op hun nationale grondgebied.
49 Dit geldt temeer daar het GBVB volgens de bewoordingen van artikel 26, lid 3, VEU wordt uitgevoerd door de lidstaten „die daartoe gebruikmaken van de [...] middelen [...] van de Unie”. Dit impliceert dat de lidstaten de uitvoering van de beperkende maatregelen moeten waarborgen op hun respectieve grondgebied met inachtneming van de maatregelen die de Raad op grondslag van artikel 215, lid 2, VWEU heeft vastgesteld teneinde te waarborgen dat de in het kader van de GBVB-besluiten vastgestelde beperkende maatregelen op het niveau van de Unie uniform, samenhangend en doeltreffend worden toegepast.
50 Voor zover rekwiranten zich op het standpunt stellen dat de Raad de litigieuze meldingsverplichting niet bij een op grondslag van artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde verordening kon vaststellen omdat hem daartoe geen uitvoeringsbevoegdheid in de zin van artikel 291, lid 2, VWEU is toegekend, kan worden volstaan met de opmerking dat beperkende maatregelen – alsook maatregelen, zoals de litigieuze meldingsverplichting, die ertoe strekken beperkende maatregelen waarin een GBVB-besluit voorziet op uniforme, samenhangende en doeltreffende wijze toe te passen op het niveau van de Unie –, weliswaar op grond van artikel 291, lid 2, VWEU kunnen worden vastgesteld wanneer aan de Commissie of de Raad uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend bij een op grondslag van artikel 215 VWEU vastgestelde verordening, maar dat zij ook uitsluitend op basis van laatstgenoemde bepaling kunnen worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 34).
51 Wat in de tweede plaats de in punt 43 van het onderhavige arrest samengevatte argumenten van rekwiranten betreft, moet worden geoordeeld dat het Gerecht in de punten 54 tot en met 59 van het bestreden arrest de uit het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), voortvloeiende rechtspraak op de juiste manier in herinnering heeft gebracht en heeft toegepast. Zoals het Gerecht in wezen heeft geoordeeld en reeds is aangegeven in punt 29 van het onderhavige arrest, blijkt immers uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), dat de Raad bevoegd is om met een op grondslag van artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde verordening elke maatregel – zoals de litigieuze meldingsverplichting – vast te stellen die ertoe strekt uitvoering te geven aan een op grondslag van artikel 29 VEU vastgesteld GBVB-besluit, en in dat kader te waarborgen dat de in een dergelijk besluit vastgestelde en in de betrokken verordening herhaalde of zelfs nader uitgewerkte beperkende maatregelen op uniforme wijze worden toegepast op het niveau van de Unie. Anders dan rekwiranten stellen, voegt de Raad daarmee geen nieuwe beperkende maatregel toe en wijzigt hij evenmin de draagwijdte van de in het GBVB-besluit vastgestelde beperkende maatregelen.
52 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard en moet de hogere voorziening derhalve in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
53 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
54 Artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij wordt verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
55 Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Raad en de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Gennady Nikolayevich Timchenko en Elena Petrovna Timchenko worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.