HvJ EU 26 februari 2026, C-382/22, ECLI:EU:C:2026:129
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
26 februari 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Coördinatie van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Verweermiddel inzake overheidsdwang – Beslissing van het Gerecht van de Europese Unie om geen uitspraak te doen op bepaalde middelen – Bewijs van deelname aan één enkele voortdurende inbreuk – Bewijsmateriaal met betrekking tot overwegingen van het litigieuze besluit die een deel van het dispositief daarvan, dat door het Gerecht nietig is verklaard, ondersteunen”
In zaak C‑382/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 juni 2022,
Cathay Pacific Airways Ltd, gevestigd te Hongkong (China), vertegenwoordigd door E. Estellon, M. Rees, avocats, en J. Flynn, KC,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Dawes en C. Urraca Caviedes als gemachtigden, bijgestaan door J. Holmes, BL,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 april 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Cathay Pacific Airways Ltd (hierna: „Cathay Pacific”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, Cathay Pacific Airways/Commissie (T‑343/17, EU:T:2022:184; hierna: „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke verwerping van haar beroep dat primair strekte tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit haar betreft, en tot nietigverklaring dan wel, subsidair, tot verlaging van de haar bij dit besluit opgelegde geldboete.
Toepasselijke bepalingen
Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer
2 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer”) is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.
3 Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten. 2. De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”
4 Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) is met ingang van 5 december 2007 toepasselijk verklaard in het kader van die overeenkomst, bij besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland, opgericht bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer van 5 december 2007 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (PB 2008, L 34, blz. 19). Deze verordening heeft op die datum verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (PB 1987, L 374, blz. 1) vervangen, die sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer was opgenomen in de bijlage bij deze overeenkomst.
VWEU
5 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; […]”
EER-Overeenkomst
6 Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.
7 Verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 411/2004 van de Raad van 26 februari 2004 (PB 2004, L 68, blz. 1), is opgenomen in de EER-Overeenkomst bij besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 tot wijziging van bijlage XIV (Mededinging), Protocol 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) en Protocol 23 (betreffende de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten) bij de EER-Overeenkomst (PB 2005, L 64, blz. 57), dat op 19 mei 2005 in werking is getreden, evenals bij besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER van 11 maart 2005 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) en Protocol nr. 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) bij de EER-Overeenkomst (PB 2005, L 198, blz. 38), dat nog dezelfde dag in werking is getreden.
Verordening nr. 1/2003
8 Artikel 25 („Verjaring ter zake van de oplegging van sancties”) van verordening nr. 1/2003 bepaalt: „1. De bevoegdheid van de [Europese] Commissie overeenkomstig de artikelen 23 en 24 verjaart a) na drie jaar bij inbreuken op de bepalingen betreffende het inwinnen van inlichtingen en het verrichten van inspecties; b) na vijf jaar bij de overige inbreuken. 2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd. 3. De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit door elke handeling van de Commissie of van de mededingingsautoriteit van een lidstaat ter instructie of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemersvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen. Handelingen die de verjaring stuiten, zijn met name: a) een schriftelijk verzoek om inlichtingen van de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat; b) een door de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat aan haar functionarissen verstrekte schriftelijke opdracht tot inspectie; c) de inleiding van een procedure door de Commissie of de mededingingsautoriteit van een lidstaat; d) de mededeling van punten van bezwaar door de Commissie of door de mededingingsautoriteit van een lidstaat. 4. De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemersverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen. 5. Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 6 wordt geschorst. 6. De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang de beschikking van de Commissie het voorwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
9 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 60 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.
10 Cathay Pacific is een luchtvaartmaatschappij. Ten tijde van de feiten verrichtte Cathay Pacific luchtvrachtdiensten via een van haar divisies, Cathay Pacific Cargo genaamd.
11 In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.
Administratieve procedure
12 Op 7 december 2005 heeft de Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3), een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof- en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).
13 Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.
14 Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder Cathay Pacific, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 12 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.
15 Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder Cathay Pacific, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Oorspronkelijk besluit
16 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder Cathay Pacific.
17 In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de EER en Zwitserland.
Arresten van 16 december 2015
18 Bij arrest van 16 december 2015, Cathay Pacific Airways/Commissie (T‑38/11, EU:T:2015:985), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op Cathay Pacific. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op 12 andere vervoerders of groepen van vervoerders.
19 Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.
Litigieus besluit
20 Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.
21 Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder Cathay Pacific.
22 In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.
23 In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten” heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.
24 In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.
25 Wat in dit verband haar bevoegdheid betreft, heeft de Commissie de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.
26 Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes”] en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot binnen de Unie gelegen luchthavens en luchthavens binnen Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.
27 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 „Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vliegroutes” van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, met betrekking tot de op deze routes aangeboden vrachtdiensten, „inkomende vrachtdiensten”).
28 Meer bepaald heeft de Commissie er in overweging 1045 van dat besluit op gewezen dat mededingingsverstorende praktijken op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende hubs in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.
29 Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormden, en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.
30 Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dit besluit geoordeeld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.
31 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit geoordeeld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 [VWEU vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Daarbij heeft de Commissie in overweging 881 van het litigieuze besluit vastgesteld dat Cathay Pacific betrokken was bij alle drie deze onderdelen.
32 Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.
33 Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.
34 Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.
35 Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op: – artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006, met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie; – artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes; – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER (hierna: „intra-EER-routes”); – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes; – artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.
36 In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie met betrekking tot Cathay Pacific vastgesteld dat de inbreuk had geduurd van 4 januari 2000 tot en met 14 februari 2006.
37 In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening [nr. 1/2003] worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2). Op grond van punt 37 van die richtsnoeren heeft zij met name een vermindering van 50 % toegepast op de basisbedragen van de geldboeten, aangezien een deel van de diensten met betrekking tot inkomende routes en de routes vanaf de EER naar derde landen, met uitzondering van de Unie-Zwitserlandroutes, buiten het door de EER-overeenkomst bestreken gebied werd verleend, zodat een deel van de schade dus buiten dat gebied kon zijn ontstaan. Bovendien heeft zij op grond van punt 29 van deze richtsnoeren aan de beschuldigde vervoerders een aanvullende verlaging van 15 % op de basisbedragen toegekend, omdat bepaalde regelgevingsstelsels de litigieuze mededingingsregeling hadden aangemoedigd.
38 De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt: „Artikel 1 Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden: 1) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER, voor de volgende perioden: […] g) [Cathay Pacific] van 4 januari 2000 tot en met 14 februari 2006; […] 2) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden: […] g) [Cathay Pacific] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; […] 3) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden: […] g) [Cathay Pacific] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 […] 4) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden: […] g) [Cathay Pacific] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006; […] Artikel 3 Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd: […] g) [Cathay Pacific]: 57120000 [EUR]; […] Artikel 4 De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
39 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 mei 2017, heeft Cathay Pacific beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van artikel 1, leden 1 tot en met 4, van het litigieuze besluit, voor zover dit haar betrof, alsmede tot nietigverklaring van artikel 3 van dat besluit, voor zover haar daarbij een geldboete van 57120000 EUR is opgelegd, dan wel, subsidiair, tot verlaging van die geldboete.
40 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring voerde Cathay Pacific zeven middelen aan. Het eerste middel was gebaseerd op een onjuiste opvatting van het recht en van de feiten, een onjuiste beoordeling en schending van de rechten van de verdediging doordat zij aansprakelijk was gesteld voor de enkele voortdurende inbreuk op de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes. Het tweede middel betrof schending van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 en van de beginselen van rechtszekerheid, „rechtvaardigheid” en een goede rechtsbedeling. Het derde middel was ontleend aan onjuistheden bij de toerekening van deze inbreuk aan Cathay Pacific. Het vierde middel had betrekking op de onvoldoende gemotiveerde vaststelling dat zij aan die inbreuk had deelgenomen wat de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes betreft. Het vijfde middel was ontleend aan verschillende onjuistheden, schending van het gelijkheidsbeginsel en ontoereikende motivering met betrekking tot de activiteiten van Cathay Pacific in derde landen, gelet op de specifieke kenmerken van de daar geldende regelgeving. Het zesde middel zag op onbevoegdheid van de Commissie om, wat de inkomende routes betreft, een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen. Het zevende middel betrof onjuistheden bij de berekening van de geldboete.
41 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht, na het tweede middel te hebben aanvaard, artikel 1, lid 1, onder g), en lid 4, onder g), van het litigieuze besluit nietig verklaard voor zover daarbij was vastgesteld dat Cathay Pacific, wat de intra-EER-routes betreft, inbreuk had gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst en, wat betreft de Unie-Zwitserlandroutes, op artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer.
42 In dit verband heeft het Gerecht in de punten 239 en 243 van het bestreden arrest geoordeeld dat het beroep dat Cathay Pacific tegen het oorspronkelijke besluit had ingesteld, niet kon leiden tot schorsing van de verjaringstermijn van artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 wat de inbreukmakende gedragingen op de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes betreft, aangezien dat besluit volgens het Gerecht geen betrekking had op die inbreukmakende gedragingen. Zo is het Gerecht in punt 245 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat de Commissie de verjaringsregels van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 had geschonden door Cathay Pacific in het litigieuze besluit een sanctie op te leggen voor de enkele voortdurende inbreuk op de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes.
43 Aangezien het Gerecht dit tweede middel had aanvaard, oordeelde het in de punten 249 en 254 van het bestreden arrest dat onderzoek van het eerste en het vierde middel niet langer nodig was.
44 In het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht heeft het Gerecht in punt 671 van het bestreden arrest het bedrag van de aan Cathay Pacific opgelegde geldboete vastgesteld op 47040000 EUR.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
45 Met haar hogere voorziening verzoekt Cathay Pacific het Hof: – punt 3 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen; – de overige in eerste aanleg ingediende vorderingen toe te wijzen; – bijgevolg, de overige vaststellingen van inbreuken in artikel 1, leden 1 tot en met 4, van het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover zij haar betreffen, en het resterende deel van de haar bij artikel 3 van het litigieuze besluit opgelegde geldboete nietig te verklaren; – subsidiair, in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het resterende deel van de haar opgelegde geldboete nietig te verklaren of te verlagen wegens objectieve onjuistheden in de motivering en de redenering van het bestreden arrest, zoals beschreven in de zes middelen van de hogere voorziening; – in ieder geval de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de hogere voorziening als de procedure bij het Gerecht.
46 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en Cathay Pacific te verwijzen in de kosten; – subsidiair, indien de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
Hogere voorziening
47 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Cathay Pacific zes middelen aan. Het eerste middel is eraan ontleend dat het Gerecht ten onrechte de bevoegdheid van de Unie heeft erkend ten aanzien van gedragingen op de inkomende routes. Met het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht het verweer inzake overheidsdwang onjuist heeft gekwalificeerd en toegepast, en dat het niet naar behoren rekening heeft gehouden met de beginselen van internationale courtoisie en niet-inmenging in de aangelegenheden van een soevereine derde staat. Het derde middel ziet op het verzuim van het Gerecht om uitspraak te doen over alle aangevoerde argumenten. Het vierde middel, dat na het vijfde middel moet worden onderzocht, betreft het ontbreken van een toereikende motivering van de vaststelling van het Gerecht dat Cathay Pacific had deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk, alsook schending van het beginsel van gelijke behandeling. Het vijfde middel is gebaseerd op onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van het bewijs dat niet rechtstreeks verband houdt met de aan Cathay Pacific verweten inbreuken, en op een gebrekkige redenering met betrekking tot het bewijs van de deelname van Cathay Pacific aan de enkele voortdurende inbreuk. Met het zesde middel wordt aangevoerd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de weigering om commissies te betalen in strijd was met artikel 101 VWEU en/of één enkele voortdurende inbreuk vormde.
Eerste middel: onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten
48 Het eerste middel van Cathay Pacific bestaat uit vier onderdelen.
49 Met het eerste onderdeel betoogt Cathay Pacific dat het Gerecht gedwaald heeft ten opzichte van het recht door de drie cumulatieve elementen van het criterium dat is gebaseerd op de gekwalificeerde gevolgen van mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”) onjuist op te vatten. Met het tweede onderdeel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet hoeft te worden beoordeeld met betrekking tot een gedraging in het buitenland indien deze deel uitmaakt van één enkele voortdurende inbreuk waarvan andere elementen gevolgen hebben gehad in de EER. Met het derde onderdeel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet relevant is in het geval van een mededingingsbeperking naar strekking. Met het vierde onderdeel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van de ontoereikende motivering van de Commissie.
50 Het derde onderdeel dienst eerst te worden onderzocht.
Derde onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen bij de analyse van de gekwalificeerde gevolgen
– Argumenten van partijen
51 Cathay Pacific voert aan dat het Gerecht in de punten 122 en 123 van het bestreden arrest ten onrechte suggereert dat, aangezien de door de Commissie vastgestelde enkele voortdurende inbreuk bestaat in een mededingingsbeperking naar strekking in de zin van artikel 101 VWEU, de gekwalificeerde gevolgen van deze inbreuk binnen de EER niet noodzakelijkerwijs hoeven te worden aangetoond. In dit verband komt de redenering van het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest erop neer dat de bevoegdheid van de Commissie om gedragingen buiten de EER met betrekking tot inkomende routes te bestraffen, kon worden verondersteld op grond van het feit dat enerzijds het begrip „gevolg” in dat artikel voorkomt en anderzijds in geval van een inbreuk „naar strekking” niet noodzakelijkerwijs enig gevolg hoeft te worden aangetoond. Een dergelijk standpunt is evenwel niet juist. Om te beginnen vloeit het criterium van de gekwalificeerde gevolgen voort uit het vereiste dat een gedraging een territoriale band heeft met de interne markt, waarvoor de Commissie bevoegd is. Vervolgens kan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen dat in het kader van een inbreuk op artikel 102 VWEU van toepassing is, niet hetzelfde zijn als het criterium dat van toepassing is op een schending van artikel 101 VWEU. Ten slotte kan een gedraging buiten de EER met betrekking tot inkomende vrachtdiensten niet worden aangemerkt als een beperking naar strekking van de mededingingsregels van de Unie, aangezien zij betrekking heeft op het aanbieden van vrachtdiensten op een markt buiten de EER.
52 Volgens de Commissie is dit derde onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
53 Opgemerkt zij dat het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat in het geval van een gedraging waarvan de Commissie, zoals in het onderhavige geval, heeft vastgesteld dat deze de mededinging op de interne markt of binnen de EER zodanig nadelig beïnvloedt dat die gedraging als mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst kan worden aangemerkt, aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als mededingingsbeperking „naar gevolg” in de zin van deze bepalingen.
54 Evenzo heeft het Gerecht in punt 122 van dat arrest verklaard dat een uitlegging van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen – zoals Cathay Pacific lijkt aan te bevelen – in die zin dat, zelfs als er sprake is van een mededingingsbeperking „naar strekking”, de concrete gevolgen van de litigieuze gedraging moeten worden bewezen, erop neer zou komen dat de bevoegdheid van de Commissie om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen, wordt onderworpen aan een voorwaarde die niet gebaseerd is op de bewoordingen van die bepalingen.
55 Het Gerecht heeft daaruit in punt 123 van dat arrest ten eerste afgeleid dat Cathay Pacific de Commissie niet met recht kon verwijten dat zij een fout had begaan door te oordelen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, ook al had zij in de overwegingen 917, 1190 en 1277 van het litigieuze besluit aangegeven dat zij geen beoordeling van de mededingingsverstorende gevolgen van de litigieuze gedraging hoefde te verrichten gelet op de mededingingsverstorende strekking ervan, en ten tweede dat Cathay Pacific evenmin uit die overwegingen kon afleiden dat de Commissie geen enkele analyse had verricht van de gevolgen van die gedraging op de interne markt of binnen de EER.
56 Zoals reeds blijkt uit de motivering in het tweede deel van punt 123, kan uit deze door Cathay Pacific betwiste punten echter niet worden afgeleid dat het Gerecht, om aan te tonen dat in casu aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, heeft geoordeeld dat het volstond dat de litigieuze mededingingsregeling als mededingingsbeperking naar strekking kon worden aangemerkt.
57 Uit de punten 114 tot en met 133 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt namelijk dat het Gerecht in die betwiste punten enkel het betoog van Cathay Pacific, dat in de punten 103 en 104 van het bestreden arrest is samengevat, van de hand heeft gewezen. Zo heeft het in die punten uiteengezet waarom Cathay Pacific ten onrechte stelde dat het feit dat de Commissie in de motivering van het litigieuze besluit die betrekking had op de kwalificatie van de betrokken mededingingsbeperking – wat overweging 917 ervan betreft –, en op de berekening van de geldboete – wat de overwegingen 1190 en 1277 ervan betreft –, had aangegeven dat zij de werkelijke mededingingsverstorende gevolgen niet hoefde aan te tonen omdat de mededingingsverstorende strekking van de verweten gedragingen vaststond, betekende dat de Commissie wegens deze mededingingsverstorende strekking niet had beoordeeld of die gedragingen de vereiste gekwalificeerde gevolgen hadden gehad teneinde vast te stellen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.
58 Ten eerste heeft het Gerecht echter geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in essentie te antwoorden dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag dient voor de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie, verschilt van de vraag of de litigieuze mededingingsregeling kan worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het internationaal publiekrecht – voor de extraterritoriale toepassing van de mededingingsregels van de Unie en van de EER, niet samen met het materiële criterium van de mededingingsbeperking, naar strekking of naar gevolg, op de interne markt van de Unie of binnen de EER, waaraan de bevoegdheid van de Commissie – naar Unierecht – voor de vaststelling en de bestraffing van een inbreuk op deze mededingingsregels onderworpen is.
59 Ten tweede is de analyse waarbij het Gerecht heeft onderzocht of de Commissie terecht had geoordeeld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, uiteengezet in de punten 111 tot en met 180 van het bestreden arrest, wat de coördinatie op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd betreft, en in de punten 181 tot en met 190 van dit arrest, wat de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd betreft.
60 Derhalve leest Cathay Pacific het bestreden arrest onjuist wanneer zij stelt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat, om op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen vast te stellen dat de Commissie bevoegd is om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op gedragingen die buiten het grondgebied van de EER hebben plaatsgevonden, het bewijs van dergelijke gevolgen achterwege kon worden gelaten wanneer die gedragingen als mededingingsbeperking naar strekking kunnen worden aangemerkt.
61 Bijgevolg is het in punt 51 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog ongegrond.
Eerste onderdeel: onjuiste opvatting van de bestanddelen van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen
– Argumenten van partijen
62 Cathay Pacific betoogt dat het Gerecht elk van de drie bestanddelen van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen onjuist heeft opgevat, te weten dat die gevolgen voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk moeten zijn.
63 Wat in de eerste plaats de gestelde voorzienbaarheid van de gevolgen van het inbreukmakende gedrag in de EER betreft, betoogt Cathay Pacific dat, anders dan in de punten 134 tot en met 150 van het bestreden arrest is verklaard, haar gedrag met betrekking tot de diensten die de EER binnenkomen, geen dergelijk gevolg binnen de EER heeft gehad. In dit verband wijst zij erop dat de redenering waarmee het Gerecht in de punten 142 tot en met 147 van dat arrest tot deze conclusie is gekomen, „zeer vluchtig en simplistisch” is, aangezien een beoordeling van de waarschijnlijkheid van het intreden van de gevolgen, doorgaans een complexe feitelijke en economische analyse vereist. Volgens rekwirante werd er in de loop van de procedure in eerste aanleg een dergelijke economische analyse overgelegd, maar het Gerecht heeft hiermee geen rekening gehouden.
64 Wat in de tweede plaats het vermeende wezenlijke karakter van die gevolgen in de EER betreft, betoogt Cathay Pacific dat het Gerecht in de punten 151 tot en met 161 van het bestreden arrest het begrip „wezenlijk karakter” van de gevolgen van het inbreukmakende gedrag in de EER onjuist heeft uitgelegd. Zij voert aan dat het Gerecht in punt 160 van dat arrest heeft erkend dat de betrokken luchtvaartmaatschappijen samen 34 % van het aanbod van inkomende diensten in de EER vertegenwoordigden, waarvan Cathay Pacific slechts een klein deel uitmaakte. Een dergelijk aandeel is verre van wezenlijk. Zij voegt daaraan toe dat het enige gevolg binnen de EER dat het Gerecht in punt 153 van dat arrest vermeldt, de vermeende invloed op de prijs van de in de EER ingevoerde goederen is. Het Gerecht heeft echter geen aanwijzingen verstrekt omtrent het aandeel van deze goederen dat daadwerkelijk door de inkomende diensten van Cathay Pacific werd vertegenwoordigd. Bovendien zijn de punten 154 tot en met 158 van dat arrest irrelevant om de invloed vast te stellen van het gedrag in het buitenland op de prijs van de in de EER ingevoerde goederen. Ten slotte bekritiseert Cathay Pacific de redenering in punt 159 van het bestreden arrest, voor zover deze redenering enkel verwijst naar overweging 1031 van het oorspronkelijke besluit, waarin op zijn beurt wordt gerefereerd aan een besluit inzake trans-Atlantische zeevracht. Deze verwijzing heeft dus geen betrekking op de betrokken luchtvracht en kan bovendien slechts aantonen dat de prijs van de vervoersdiensten een „aandeel”, en niet een „wezenlijk aandeel”, van de eindprijs van de goederen vertegenwoordigde.
65 Wat in de derde plaats het vermeende onmiddellijke karakter van die gevolgen in de EER betreft, voert Cathay Pacific aan dat, anders dan in de punten 162 tot en met 170 van het bestreden arrest is aangegeven, haar gedrag met betrekking tot de inkomende diensten in de EER geen onmiddellijke of rechtstreekse gevolgen binnen de EER heeft gehad. In de punten 145, 146, 147 en 164 van dat arrest heeft het Gerecht immers erkend dat elk gevolg van de litigieuze gedraging binnen de EER of op de interne markt slechts indirect kan zijn, aangezien de inkomende diensten in de EER zijn verkocht aan klanten buiten de EER en deze afnemers buiten de EER – om te kunnen spreken van gevolgen binnen de EER – de extra kosten hadden moeten doorberekenen aan klanten binnen de EER. Een indirect gevolg is per definitie echter niet onmiddellijk. In dit verband komt de benadering van het Gerecht erop neer dat de Commissie artikel 101 VWEU op een kartel overal ter wereld kan toepassen zodra dit leidt tot een prijsstijging van enerzijds goederen die zonder enig toedoen van de kartelleden uiteindelijk binnen de EER zouden zijn verkocht, of anderzijds elke dienst die indirect verband houdt met dergelijke goederen.
66 Volgens de Commissie is dit eerste onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
67 Er moet aan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen.
68 Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof dus enkel bevoegd om krachtens artikel 256 VWEU toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 21, en 11 januari 2024, Planistat Europe en Charlot/Commissie, C‑363/22 P, EU:C:2024:20, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Het Gerecht is evenwel bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijzen te beoordelen. Wanneer deze bewijzen volgens de ter zake geldende regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen alsook de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig door het Hof kan worden getoetst in hogere voorziening (arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 22, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, moet hij op grond van artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof precies aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat en welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht. Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat een onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 10 november 2022, Commissie/Valencia Club de Fútbol, C‑211/20 P, EU:C:2022:862, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het volstaat dus niet dat wordt aangetoond dat een document kan worden opgevat op een wijze die verschilt van die van het Gerecht (arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol, C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 Er moet ook aan worden herinnerd dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke punten van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het betrokken middel. De onderdelen van een hogere voorziening waarin geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoen niet aan dit vereiste en moeten niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest van 4 oktober 2024, Ferriere Nord/Commissie, C‑31/23 P, EU:C:2024:851, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72 Wat in casu in de eerste plaats het voorzienbare karakter van de gevolgen van het inbreukmakende gedrag betreft, verwijt Cathay Pacific het Gerecht in wezen dat het een simplistische redenering heeft gevolgd en geen rekening heeft gehouden met de economische analyse die zij had voorgelegd.
73 Daarbij herinnert Cathay Pacific echter in wezen enkel aan de inhoud van de punten 142 en 147 van het bestreden arrest – respectievelijk het inleidende en het afsluitende punt van de redenering van het Gerecht – waarin het heeft geantwoord op de vraag of het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de expediteurs de extra kosten zouden doorberekenen aan de verzenders. Afgezien van de algemene bewering dat de redenering van het Gerecht „zeer vluchtig en simplistisch” is, voert Cathay Pacific dus geen enkel juridisch argument aan om aan te tonen dat het Gerecht in dit verband blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
74 Wat betreft de economische analyse die in eerste aanleg is voorgelegd, heeft het Gerecht in punt 140 van het bestreden arrest duidelijk aangegeven waarom het deze analyse niet in aanmerking heeft genomen, namelijk omdat Cathay Pacific niet had gespecificeerd op welke passages van het verslag van 48 bladzijden zij zich wilde beroepen, en zelfs niet aanvoerde dat dit verslag aantoonde dat de relevante economische en juridische context de stijging van de toeslagen als gevolg van het betwiste gedrag onvoorzienbaar maakte, hetgeen zij niet betwist. Hoewel Cathay Pacific het Gerecht verwijt dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting, beoogt zij dus in werkelijkheid de beoordeling van dat bewijs door het Gerecht in punt 140 ter discussie te stellen, zonder aan te geven in welk opzicht die beoordeling volgens haar kennelijk onjuist is, wat overeenkomstig de in de punten 69 en 70 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak in hogere voorziening niet-ontvankelijk is.
75 Wat in de tweede plaats het „wezenlijke karakter” van die gevolgen betreft, moet worden opgemerkt dat Cathay Pacific zich beperkt tot de stelling dat het Gerecht in de punten 151 tot en met 161 van het bestreden arrest dit begrip onjuist heeft uitgelegd, op grond van het feit dat verschillende elementen van de redenering van het Gerecht niet relevant zijn. Het gaat dan onder meer om de vaststelling dat de betrokken luchtvaartmaatschappijen samen 34 % van het aanbod van inkomende diensten in de EER vertegenwoordigden, de vermelding van een vermeend effect op de prijs van de in de EER ingevoerde goederen zonder nadere precisering van het daadwerkelijke aandeel van de eigen inkomende diensten van Cathay Pacific, alsmede de verwijzing in punt 159 van dat arrest naar een besluit inzake trans-Atlantische zeevracht.
76 Derhalve moet worden vastgesteld dat Cathay Pacific met dit betoog het Hof verzoekt om, onder het mom van een gestelde onjuiste opvatting, een nieuwe beoordeling van de feiten te verrichten die het Gerecht reeds heeft verricht in die punten, hetgeen, overeenkomstig de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, niet tot de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening behoort.
77 In de derde plaats verwijt Cathay Pacific het Gerecht in wezen dat het het onmiddellijke karakter van die gevolgen niet heeft vastgesteld, maar deze ten onrechte heeft afgeleid uit een indirect gevolg van het inbreukmakende gedrag binnen de EER of de interne markt.
78 Geoordeeld moet echter worden dat Cathay Pacific, schuilgaand achter het verwijt dat het Gerecht het onmiddellijke karakter onjuist zou hebben opgevat, met haar argumenten betreffende het vermeende ontbreken van het onmiddellijke karakter van de gevolgen van het inbreukmakende gedrag in de EER in werkelijkheid beoogt de feiten opnieuw te laten beoordelen, door zich te beroepen op een zogenoemd indirect gevolg van dit gedrag in de EER. Anders dan Cathay Pacific stelt, heeft het Gerecht in de punten 145 tot en met 147 en 164 van het bestreden arrest overigens geenszins een dergelijk indirect gevolg vastgesteld, aangezien in die punten alleen wordt benadrukt dat het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat het inbreukmakende gedrag in kwestie, voor zover het de inkomende routes betrof, zou leiden tot een stijging van de prijzen van de in de EER ingevoerde goederen. Bijgevolg moeten deze argumenten overeenkomstig de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
79 Het eerste onderdeel van het onderhavige middel is dan ook niet-ontvankelijk.
Vierde onderdeel: onrechtmatige vervanging van de motivering
– Argumenten van partijen
80 Cathay Pacific betoogt dat het Gerecht in het bestreden arrest zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van de ontoereikende motivering van de Commissie met betrekking tot de vaststelling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. De desbetreffende motivering beperkt zich namelijk tot overweging 1045 van het litigieuze besluit. Het Gerecht daarentegen heeft 80 punten van het bestreden arrest gewijd aan het onderzoek van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.
81 Meer in het bijzonder heeft het Gerecht zijn eigen motivering in de plaats gesteld van die van de Commissie aangaande de volgende punten. Ten eerste heeft het Gerecht elk van de drie onderdelen van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen in detail onderzocht, terwijl de Commissie zich ertoe heeft beperkt deze aan te halen zonder grondig na te gaan of aan elk van deze onderdelen afzonderlijk was voldaan. Ten tweede maakt het litigieuze besluit in dit verband geen melding van, allereerst, het vermoeden van afwenteling van de toeslagen door de expediteurs op de verzenders, waarop het Gerecht zich in de punten 125 tot en met 127 en 137 tot en met 140 van het bestreden arrest beroept, vervolgens van het door het Gerecht in de punten 162 en volgende van dat arrest geïntroduceerde begrip „causaal verband” en ten slotte van de verklaring in punt 131 van dat arrest. Ten derde bevat het litigieuze besluit geen analyse van de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk in haar geheel, die nochtans door het Gerecht zijn vastgesteld en geanalyseerd in de punten 106 en 163 tot en met 178 van dat arrest.
82 Volgens de Commissie is dit vierde onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
83 Uit de rechtspraak blijkt inderdaad dat de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU betrekking heeft op alle aspecten van de in procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, welke door het Gerecht grondig, zowel juridisch als feitelijk, worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door deze laatste aangedragen informatie. Het Hof en het Gerecht kunnen in het kader van die toetsing echter in geen geval hun eigen motivering in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (arrest van 4 juli 2024, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑70/23 P, EU:C:2024:580, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Het Gerecht kan dus niet met een eigen motivering een hiaat in de motivering van de aangevochten handeling wegwerken op een manier dat zijn onderzoek niet aansluit bij enig oordeel in die handeling (arrest van 18 juli 2013, UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85 Wanneer het Gerecht zich ertoe beperkt te antwoorden op de door de partijen aangevoerde argumenten en aldus de motivering van die handeling toelicht, kan evenwel niet worden geoordeeld dat het zijn eigen motivering in de plaats stelt van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 56, en 23 november 2023, Ryanair/Commissie, C‑209/21 P, EU:C:2023:905, punt 49).
86 Zoals blijkt uit de punten 108 en 124 van het bestreden arrest, bevatte de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit in casu, zij het beknopt, de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie haar extraterritoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het zijn immers deze elementen die, gelezen in het licht van de andere relevante overwegingen van dat besluit, waarnaar in de punten 129, 136 tot en met 139, 143, 146, 154 tot en met 156, 159 en 160 van het bestreden arrest wordt verwezen, het Gerecht in staat hebben gesteld na te gaan of de Commissie het bestaan van dergelijke gevolgen daadwerkelijk had aangetoond. Bovendien blijkt uit de punten 114 tot en met 180 van het bestreden arrest dat het Gerecht er in die punten mee heeft volstaan te antwoorden op het betoog van Cathay Pacific, de motivering van het litigieuze besluit toe te lichten en meer in het bijzonder bepaalde aanwijzingen af te leiden uit de in dat besluit opgenomen informatie. Gelet op de in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak is de gestelde vervanging van de motivering dan ook niet bewezen.
87 Bijgevolg moet het in de punten 80 en 81 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog ongegrond worden verklaard.
Tweede onderdeel: noodzaak van een beoordeling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen met betrekking tot een gedraging in het buitenland
– Argumenten van partijen
88 Cathay Pacific betoogt dat de redenering van het Gerecht in de punten 181 tot en met 190 van het bestreden arrest, en in het bijzonder in punt 188 van dat arrest, onjuist is. In dit verband komt volgens haar uit het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), naar voren dat het begrip „enkele voortdurende inbreuk” niet kan worden gebruikt om de bevoegdheid van artikel 101 VWEU kunstmatig uit te breiden. In het bijzonder kan een gedraging in het buitenland niet als onrechtmatig in de zin van dat artikel worden beschouwd zonder dat specifiek is aangetoond dat die gedraging nadelige gevolgen heeft voor de EER en de interne markt. Indien een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging er niet toe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de EER en de interne markt wordt beperkt, kan deze overeenkomst of gedraging geen deel uitmaken van een vermeende enkele voortdurende inbreuk.
89 Cathay Pacific voegt daaraan toe dat de in het litigieuze besluit gestelde enkele voortdurende inbreuk verschilt van de inbreuk die het Hof heeft onderzocht in de zaak die tot dat arrest heeft geleid. In casu vond de verkoop van vrachtdiensten namelijk lokaal plaats, dat wil zeggen op de luchthavens vanwaar de zendingen afkomstig zijn, zodat de relevante markten lokaal van aard zijn. Een gedraging die betrekking heeft op de markten van de inkomende routes, heeft geen enkel effect op de markten voor de uitgaande routes in de EER, aangezien de concurrentieverhoudingen op elke markt verschillend zijn.
90 Volgens de Commissie is dit tweede onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
91 Opgemerkt zij dat Cathay Pacific met haar zesde middel voor het Gerecht enkel de bevoegdheid van de Commissie betwistte om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten. In dit verband heeft het Gerecht in punt 180 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie terecht had vastgesteld dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was vervuld wat de coördinatie op het gebied van de inkomende vrachtdiensten afzonderlijk beschouwd betreft, zodat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op het litigieuze gedrag, voor zover die werd betwist, was aangetoond. Hieruit volgt dat het voor het Gerecht overbodig was om in de punten 181 tot en met 190 van het bestreden arrest te onderzoeken of de Commissie, ter vaststelling van haar bevoegdheid om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op het litigieuze gedrag, zich in overweging 1046 van het litigieuze besluit eveneens terecht op het standpunt had gesteld dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was vervuld gelet op de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk in haar geheel beschouwd.
92 Bovendien heeft het Gerecht – zoals blijkt uit de voorgaande analyse met betrekking tot het eerste, het derde en het vierde onderdeel van het eerste middel – geen blijk gegeven van de gestelde onjuiste rechtsopvattingen door in punt 180 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat dit het geval was.
93 Gelet hierop moet worden vastgesteld dat het onderhavige onderdeel betrekking heeft op ten overvloede aangevoerde overwegingen van het bestreden arrest. Volgens vaste rechtspraak kunnen grieven die zijn gericht tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen niet leiden tot vernietiging van die uitspraak en dus niet ter zake dienend zijn (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel: verweer inzake overheidsdwang
95 Met haar tweede middel voert Cathay Pacific aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van de criteria ter beoordeling van het bestaan van overheidsdwang die de niet-toepassing van artikel 101 VWEU rechtvaardigt, alsook bij de uitlegging van het toepasselijke buitenlandse recht en van de vereisten die worden opgelegd door de lokale regelgevende autoriteiten, met name die van de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China (hierna: „Hongkong”), Japan, de Republiek India en de Republiek Singapore. Het Gerecht had tot de conclusie moeten komen dat aan de relevante criteria was voldaan. Cathay Pacific voegt daaraan toe dat, voor zover de inhoud van het buitenlandse recht een feitelijk gegeven is dat moet worden vastgesteld op basis van de bewijselementen waarover de met de toetsing belaste rechter beschikt, het Gerecht de bewijzen betreffende het recht en de administratieve praktijken van die derde landen op ontoelaatbare wijze heeft verdraaid. Cathay Pacific verdeelt de specifieke fouten die in dit verband volgens haar zijn gemaakt, in zes onderdelen, die achtereenvolgens moeten worden onderzocht.
Eerste onderdeel: onjuiste uitlegging van de betekenis van de overeenkomsten inzake luchtdiensten in Hongkong
– Argumenten van partijen
96 Cathay Pacific betoogt dat het Gerecht de bepalingen van de door Hongkong gesloten overeenkomsten inzake luchtdiensten (hierna: „OLD”) onjuist heeft uitgelegd. In dit verband erkent het Gerecht in de punten 424 en 425 van het bestreden arrest, evenals de Commissie, terecht dat de bepalingen van de OLD het overleg tussen vervoerders goedkeurden en toestonden. Het Gerecht heeft echter ten onrechte geoordeeld dat dit overleg niet verplicht was. Uit bewoordingen van de OLD blijkt namelijk dat, voordat een individuele aanvraag van een aangewezen luchtvaartmaatschappij kan worden ingediend, eerst moest worden getracht de zaak via overleg op te lossen. Deze stap kon dus niet worden overgeslagen.
97 Volgens de Commissie is dit onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
98 Er zij op gewezen dat uit de vaststellingen van het Gerecht in de punten 424 en 425 van het bestreden arrest blijkt dat, hoewel Cathay Pacific betoogde dat de door Hongkong gesloten OLD voorzagen in of toestemming gaven voor tariefcoördinatie en dat het gedrag van de luchtvaartmaatschappijen officieel was goedgekeurd of toegestaan, deze argumenten geen afbreuk deden aan de vaststellingen in het litigieuze besluit dat de OLD zich beperkten tot het toestaan van prijsoverleg, zonder een verplichting in die zin op te leggen.
99 In casu moet worden geoordeeld dat Cathay Pacific met het eerste onderdeel van haar tweede middel de inhoud van die overeenkomsten opnieuw wil laten beoordelen, zodat dit onderdeel overeenkomstig de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Rekwirante tracht immers, onder het mom van het verwijt dat het Gerecht die overeenkomsten onjuist heeft uitgelegd, de feiten opnieuw te laten beoordelen, maar geeft niet aan in welk opzicht, zoals de in punt 70 van dat arrest in herinnering gebrachte rechtspraak vereist, de uitlegging ervan door het Gerecht kennelijk onjuist is.
100 Het eerste onderdeel van het tweede middel moet dus ongegrond worden verklaard.
Tweede onderdeel: het Gerecht heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de overgelegde bewijzen of heeft deze onjuist opgevat
– Argumenten van partijen
101 Cathay Pacific voert aan dat het Gerecht ten onrechte de door een deskundige inzake het recht van Hongkong overgelegde bewijzen buiten beschouwing heeft gelaten of deze onjuist heeft opgevat. Zij wijst erop dat de inhoud van het recht en de administratieve praktijken van Hongkong in een rapport van deze deskundige aan het Gerecht is voorgelegd en dat deze inhoud is bevestigd door de afdeling burgerluchtvaart van Hongkong (hierna: „ABL”). De conclusie van het Gerecht dat Cathay Pacific of enige andere aanbieder van luchtvrachtdiensten vanuit Hongkong beschikte over een realistisch alternatief voor het collectieve verzoek om goedkeuring van een brandstoftoeslag, gaat voorbij aan het voorgelegde bewijsmateriaal, aangezien een dergelijk alternatief niet bestond. Rekwirante voegt daaraan toe dat het Gerecht deze onjuistheid heeft begaan, hoewel het in punt 436 van het bestreden arrest heeft erkend dat de Commissie in overweging 988, onder a), van het litigieuze besluit een brief van de ABL onjuist had geïnterpreteerd. Uit die brief bleek namelijk niet, anders dan de Commissie in die overweging had aangenomen, dat een individueel verzoek om een forfaitaire brandstoftoeslag mogelijk zou zijn geweest.
102 Volgens de Commissie is dit tweede onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
103 Opgemerkt zij dat het Gerecht in punt 436 van het bestreden arrest inderdaad heeft aangegeven dat, anders dan de Commissie in overweging 988, onder a), van het litigieuze besluit had aangenomen, de mogelijkheid om individuele verzoeken met betrekking tot de veiligheidstoeslag in te dienen niet duidelijk naar voren kwam uit de in die overweging bedoelde brief van de ABL van 1 juni 2005. In punt 439 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter ook vastgesteld dat die brief slechts één van de in overweging 988 van het litigieuze besluit onderzochte elementen uitmaakte en dat het enkele feit dat uit die brief niet bleek dat de ABL individuele verzoeken met betrekking tot de brandstoftoeslag onderzocht, niet volstond om alle door de Commissie in de overwegingen 987 tot en met 989 van dat besluit aangevoerde motieven te ontkrachten.
104 Gelet daarop moet worden geoordeeld dat Cathay Pacific, onder het mom van een vermeende onjuiste opvatting, het Hof met dit onderdeel in wezen verzoekt de feiten die het Gerecht in die punten reeds heeft onderzocht opnieuw te beoordelen, zonder aan te tonen in welk opzicht die beoordeling kennelijk onjuist is, wat overeenkomstig de in de punten 69 en 70 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet tot de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening behoort.
105 Dit tweede onderdeel moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
Derde onderdeel: schending van de beginselen van internationaal publiekrecht
– Argumenten van partijen
106 Cathay Pacific voert aan dat het Gerecht – nadat het in punt 432 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de in Hongkong geldende collectieve goedkeuringsprocedure verplicht was voor de goedkeuring van een op een index gebaseerde brandstoftoeslag – in punt 451 van dat arrest op grond van het toepasselijke Unierechtelijke criterium ten onrechte heeft geoordeeld dat een dergelijke verplichting niet bestond, aangezien rekwirante „niet had aangetoond dat de regelgeving van Hongkong […] het onmogelijk had gemaakt om bij de ABL een individueel verzoek om een forfaitaire brandstoftoeslag in te dienen”. Aldus heeft het Gerecht inbreuk gepleegd op „de beginselen van internationaal publiekrecht”.
107 Om te beginnen heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat uit een verklaring van de ABL betreffende de individuele verzoeken bleek dat er een andere realistische manier was om goedkeuring van een brandstoftoeslag te verkrijgen, en door daaruit af te leiden dat Cathay Pacific zich niet kon beroepen op het verweermiddel inzake overheidsdwang. Bovendien heeft het zijn eigen criterium op onjuiste en onredelijke wijze toegepast door in punt 451 van dat arrest te besluiten dat Cathay Pacific niet had aangetoond dat de regelgeving van Hongkong haar verplichtte haar tarieven met andere vervoerders te bespreken en dat het bijgevolg onmogelijk was om bij de ABL een individueel verzoek voor een forfaitaire brandstoftoeslag in te dienen. Het Gerecht heeft dan ook eveneens onterecht geoordeeld dat Cathay Pacific niet heeft aangetoond dat de Commissie in het litigieuze besluit ten onrechte had vastgesteld dat de regelgeving van Hongkong geen belemmering vormde voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU. In dit verband is de mogelijkheid om een individueel verzoek in te dienen bij de ABL voor het eerst overwogen in september 2006, dat wil zeggen na de eerste inspecties van de Commissie. Daarbij was deze mogelijkheid hoe dan ook slechts theoretisch en voorwaardelijk.
108 Cathay Pacific voert tevens aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat het aan de Uniewetgever enerzijds en aan de overheidsinstanties van derde landen anderzijds stond om „een systeem op te zetten en toe te passen dat verschillende doelstellingen nastreeft met verschillende methoden”, waarmee het rekening had moeten houden bij zijn uitlegging van het criterium van de aan de betrokken onderneming opgelegde „wettelijke verplichting”. In dit verband heeft het Gerecht de toepassing van het beginsel van overheidsdwang ten onrechte beperkt tot situaties waarin deze onderneming kan aantonen dat het onmogelijk was om enige andere mogelijkheid te vinden om aan het buitenlandse recht in kwestie te voldoen. Daarmee heeft het Gerecht het toepasselijke juridische criterium onjuist uitgelegd, met name gelet op de beginselen van internationale courtoisie en niet-inmenging.
109 Volgens de Commissie is dit derde onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
110 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat Cathay Pacific in essentie kritiek levert op punt 451 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht, na de argumenten te hebben onderzocht en de voorgelegde feiten te hebben beoordeeld, tot de slotsom is gekomen dat Cathay Pacific „niet had aangetoond dat de regelgeving van Hongkong haar verplichtte om haar tarieven met andere vervoerders te bespreken en het bijgevolg onmogelijk was om bij de ABL een individueel verzoek voor een forfaitaire brandstoftoeslag in te dienen en zij dus niet had aangetoond dat de Commissie in het [litigieuze] besluit ten onrechte had vastgesteld dat de regelgeving van Hongkong geen belemmering vormde voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU”. Met deze grief verzoekt Cathay Pacific het Hof dus om een nieuwe beoordeling van de feiten die reeds door het Gerecht zijn beoordeeld, waarvoor het Hof overeenkomstig de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet bevoegd is in hogere voorziening, aangezien geen onjuiste opvatting van deze feiten wordt aangevoerd.
111 Overigens – voor zover Cathay Pacific met deze grief het Gerecht verwijt haar een onmogelijke bewijslast te hebben opgelegd – volgt uit vaste rechtspraak dat het aan de Commissie staat om de elementen aan te dragen die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve bestanddelen van een inbreuk op het mededingingsrecht bewijzen. Daarentegen staat het aan de onderneming die verweer voert tegen een vastgestelde inbreuk, het bewijs te leveren dat dit verweer moet worden aanvaard. Zelfs indien de bewijslast volgens die beginselen rust op de Commissie of de betrokken onderneming, kunnen de door een partij aangevoerde feiten van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden besloten dat aan de regels inzake de bewijslast is voldaan (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
112 Het Gerecht heeft in de punten 423 tot en met 450 van het bestreden arrest vastgesteld dat de door Cathay Pacific aangevoerde elementen niet in tegenspraak waren met de conclusies van de Commissie. In de punten 424 en 425 van dat arrest heeft het Gerecht immers aangegeven dat de OLD weliswaar tariefoverleg toelieten, maar geen verplichte coördinatie oplegden. Vervolgens heeft het in de punten 426 tot en met 431 van dat arrest opgemerkt dat uit de administratieve praktijk weliswaar bleek dat de ABL de voorkeur gaf aan collectieve verzoeken, maar niettemin individuele aanvragen kon aanvaarden, met name voor een forfaitaire brandstoftoeslag. Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 432 tot en met 450 van dat arrest vastgesteld dat de overgelegde documenten, met inbegrip van de juridische adviezen en de brieven van de ABL, niet voldoende waren om het bestaan van een wettelijke verplichting of van een onweerstaanbare druk tot tariefcoördinatie aan te tonen.
113 In dit verband kon het Gerecht, zonder de bewijslast om te keren, oordelen dat de Commissie – bij gebreke van door Cathay Pacific overgelegd bewijsmateriaal – niet alleen de deelname van deze onderneming aan de tariefcoördinatie had aangetoond, maar, zoals met name blijkt uit punt 425 van het bestreden arrest, ook in de overwegingen 984, 985 en 991 van het litigieuze besluit had vastgesteld dat de relevante OLD geen prijsoverleg tussen vervoerders oplegden. Het was derhalve aan Cathay Pacific om het bewijs te leveren dat haar gedrag in Hongkong gerechtvaardigd was op grond van een dergelijke verplichting die uit de lokale regelgeving voortvloeide. Bij gebrek aan dergelijk bewijs kon het Gerecht op goede gronden het argument verwerpen dat het onmogelijk zou zijn geweest om individuele verzoeken bij de ABL in te dienen, en bijgevolg in punt 451 van het bestreden arrest besluiten dat de regelgeving van Hongkong geen belemmering vormde voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU.
114 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat Cathay Pacific in essentie opkomt tegen de vaststellingen van het Gerecht in de punten 458 tot en met 472 van het bestreden arrest, en meer in het bijzonder tegen het feit dat het Gerecht volgens haar een onterecht enge opvatting van het verweer inzake overheidsdwang heeft gehanteerd door de toepassing ervan te beperken tot situaties waarin de betrokken onderneming kan aantonen dat het onmogelijk was om een andere mogelijkheid te vinden om aan het betrokken buitenlandse recht te voldoen, zonder daarbij evenwel nauwkeurig aan te geven op welk punt het recht verkeerd zou zijn opgevat.
115 Opgemerkt zij dat het Gerecht in de punten 461 tot en met 472 van het bestreden arrest de argumenten van Cathay Pacific in wezen heeft afgewezen op basis van feitelijke beoordelingen. Zo heeft het Gerecht in punt 462 van dat arrest vastgesteld dat de premisse van het betoog van Cathay Pacific onjuist was, aangezien uit de brief van de ABL niet bleek dat alle verzoeken met betrekking tot de brandstoftoeslag collectief moesten worden ingediend en dat zij in ieder geval niet had aangetoond dat de ABL de vervoerders verplichtte om de tarieven onderling af te stemmen. In de punten 466 tot en met 471 van hetzelfde arrest benadrukte het Gerecht verder dat er geen aanwijzingen waren dat de Commissie het bestaan van een wettelijke verplichting tot tariefcoördinatie in Hongkong had erkend of bekrachtigd. Gezien het voorgaande komt de kritiek van Cathay Pacific in feite neer op een verzoek aan het Hof om de feiten opnieuw te beoordelen, wat overeenkomstig de in punt 69 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk is.
116 Overigens heeft het Gerecht in de punten 463 tot en met 466 van het bestreden arrest gepreciseerd dat Cathay Pacific niet heeft uitgelegd in welk opzicht de door haar aangevoerde beginselen van internationaal recht zouden kunnen leiden tot de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en dat geen enkel beginsel van internationaal recht de Commissie verplichtte om contact op te nemen met de autoriteiten van een derde land, zoals de autoriteiten van Hongkong. Ten slotte heeft het Gerecht erop gewezen dat het in een dergelijk geval aan de Commissie was om haar beweringen te staven. Volgens het Gerecht had de Commissie echter het bestaan van die Hongkongse regelgeving erkend en onderzocht. Vastgesteld moet worden dat geen enkel argument van Cathay Pacific deze overwegingen in twijfel kan trekken.
117 Bijgevolg is dit derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.
Vierde onderdeel: onrechtmatige vervanging van de motivering en ontoereikende motivering
– Argumenten van partijen
118 Cathay Pacific betoogt dat het Gerecht zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie om haar argumenten betreffende het verweer inzake overheidsdwang in Japan af te wijzen. Verder is deze motivering volgens haar irrationeel en ontoereikend. Bovendien geeft de beoordeling van het Gerecht in de punten 474 tot en met 487 van het bestreden arrest blijk van verschillende onjuiste rechtsopvattingen. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 482 van het bestreden arrest erkend dat de door Japan gesloten OLD vervoerders formeel verplichten om hun tarieven onderling af te stemmen. Het Gerecht heeft evenwel verduidelijkt dat de omvang van deze verplichting beperkt is tot de vervoerders die voor bepaalde routes zijn aangewezen, waarbij de kracht van dat argument, wat Cathay Pacific betreft, volstrekt onduidelijk is. Bovendien heeft het Gerecht in punt 483 van dat arrest geoordeeld dat de clausule die het tariefoverleg strikt beperkt tot de voor bepaalde routes aangewezen vervoerders, in geen geval algemene besprekingen tussen meerdere vervoerders kan rechtvaardigen. Cathay Pacific legt echter uit dat zij niet heeft gesuggereerd dat de wettelijke vereisten in Japan een soort „dekking” zouden bieden voor algemene besprekingen tussen vervoerders over de prijsstelling op andere routes. Haar argument was veeleer dat de Commissie zich voor het bewijs van één enkele voortdurende inbreuk niet kon baseren op besprekingen tussen vervoerders die krachtens de wetgeving van die derde landen verplicht waren. Dat is echter precies wat de Commissie heeft gedaan, zonder dat zij daarvoor door het Gerecht werd gecorrigeerd.
119 Volgens de Commissie is dit vierde onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
120 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat Cathay Pacific niet aangeeft waar precies in het bestreden arrest het Gerecht de motivering van het litigieuze besluit zou hebben vervangen.
121 Voorts moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 477 van het bestreden arrest, de overwegingen 995 tot en met 1012 van het litigieuze besluit betrekking hebben op de door Japan gesloten OLD alsmede op de Japanse regelgeving, en dat volgens deze overwegingen de Commissie van het standpunt was dat de regelgeving van Japan de vervoerders geen verplichting oplegde om over de tarieven te onderhandelen. Op basis van die elementen kon het Gerecht tot het besluit komen dat Cathay Pacific niet had aangetoond dat de beoordelingen van de Commissie onrechtmatig waren.
122 Het Gerecht heeft in de punten 482 en 483 van het bestreden arrest namelijk vastgesteld dat uit de aangevoerde tariefclausule, die ook in het verzoekschrift van Cathay Pacific bij het Gerecht is overgenomen, blijkt dat de omvang van deze verplichting beperkt was tot de vervoerders die voor bepaalde routes waren aangewezen, zoals de Commissie in overweging 1007 van het litigieuze besluit had vastgesteld, en dat deze clausule in geen geval een rechtvaardigingsgrond kon vormen voor de algemene besprekingen tussen verschillende vervoerders die deel uitmaakten van de enkele voortdurende inbreuk.
123 Tevens is het Gerecht in punt 485 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat de door Cathay Pacific aangevoerde omstandigheid dat de niet-Japanse vervoerders hun goedkeuringsverzoeken hadden moeten afstemmen op die van de Japanse vervoerders, niet aantoonde dat er een wettelijke verplichting tot algemene tariefcoördinatie bestond of dat er sprake was van onweerstaanbare overheidsdwang in die zin. Bovendien heeft het Gerecht in punt 486 van dat arrest opgemerkt dat Cathay Pacific geen enkel bewijs had overgelegd ter ondersteuning van haar stellingen met betrekking tot de procedure voor de goedkeuring van tarieven, hetgeen zij voor het Hof niet betwist.
124 Voor zover de argumenten van Cathay Pacific aldus moeten worden opgevat dat zij het Gerecht verwijten dat het bij zijn beoordeling van het verweer inzake overheidsdwang een onjuist juridisch criterium heeft toegepast, volstaat het overigens eraan te herinneren dat de artikelen 101 en 102 VWEU enkel betrekking hebben op mededingingsverstorende gedragingen waartoe de ondernemingen op eigen initiatief hebben besloten. Indien een mededingingsverstorende gedraging bij een nationale wettelijke regeling aan de ondernemingen wordt voorgeschreven of indien deze wettelijke regeling een rechtskader creëert dat zelf iedere mogelijkheid van concurrerend gedrag door deze ondernemingen uitsluit, zijn deze artikelen niet van toepassing. In een dergelijke situatie vloeit de beperking van de mededinging, zoals in deze bepalingen besloten ligt, niet voort uit autonome gedragingen van de ondernemingen. Daarentegen kunnen deze artikelen van toepassing zijn indien blijkt dat de nationale wettelijke regeling ruimte laat voor mededinging die door autonome gedragingen van de ondernemingen kan worden verhinderd, beperkt of vervalst (zie in die zin arresten van 11 november 1997, Commissie en Frankrijk/Ladbroke Racing, C‑359/95 P en C‑379/95 P, EU:C:1997:531, punten 33 en 34, en 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C‑280/08 P, EU:C:2010:603, punten 80 en 81).
125 Ook heeft het Hof dus slechts in beperkte mate aanvaard dat een bepaalde mededingingsverstorende gedraging van de werkingssfeer van de artikelen 101 en 102 VWEU kan worden uitgesloten omdat de bestaande nationale wetgeving de betrokken ondernemingen hiertoe heeft verplicht of omdat deze wetgeving iedere mogelijkheid van concurrentieel gedrag voor deze ondernemingen heeft uitgesloten (arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C‑280/08 P, EU:C:2010:603, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
126 Zo heeft het Hof geoordeeld dat indien een nationale wet zich ertoe beperkt ondernemingen tot autonome mededingingsverstorende gedragingen aan te zetten of deze te vergemakkelijken, de artikelen 101 en 102 VWEU op deze ondernemingen van toepassing blijven (arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C‑280/08 P, EU:C:2010:603, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
127 Bijgevolg moet het vierde onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Vijfde onderdeel: onjuiste opvatting van de argumenten van Cathay Pacific betreffende overheidsdwang in India en Singapore en onjuiste uitlegging van het bewijsmateriaal
– Argumenten van partijen
128 Cathay Pacific betoogt dat het Gerecht in punt 498 van het bestreden arrest haar argumenten betreffende de overheidsdwang in India en Singapore heeft afgewezen, in essentie op grond dat zij haar beweringen betreffende Hongkong en Japan, waarnaar zij in die argumentatie had verwezen, niet had onderbouwd. Zij verwijst specifiek naar punt 494 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht haar betoog heeft afgewezen dat de redenering met betrekking tot die landen moest worden uitgebreid tot andere gebieden die aan een bijzondere regeling zijn onderworpen. Hieruit volgt dat, indien het Hof haar betoog met betrekking tot de regelgeving die van toepassing is in Hongkong en Japan zou aanvaarden, het ook zou moeten vaststellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de in India en Singapore toepasselijke regelgeving, aangezien de relevante OLD uitdrukkelijk bepaalden dat de betrokken tarieven tussen de vervoerders moesten worden overeengekomen, waarbij Cathay Pacific verwijst naar punt 490 van het bestreden arrest.
129 Volgens de Commissie is dit vijfde onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
130 Het volstaat vast te stellen dat Cathay Pacific in het onderhavige onderdeel niet aanvoert dat het Gerecht in de punten 490 tot en met 498 van het bestreden arrest het recht of de feiten onjuist heeft opgevat. In haar betoog beperkt zij zich er namelijk toe in algemene zin te bekritiseren dat het Gerecht de beoordeling van de Commissie in het litigieuze besluit heeft bevestigd, dan wel haar stelling te herhalen dat de besprekingen over India en Singapore niet onder de enkele voortdurende inbreuk konden worden gebracht. Zij wijst dus niet op een specifieke onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht bij zijn onderzoek in de punten 494 tot en met 497 van het bestreden arrest blijk zou hebben gegeven. Bijgevolg is dit onderdeel overeenkomstig de in punt 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk.
131 Zelfs indien wordt aangenomen dat Cathay Pacific met haar argumenten het Gerecht in wezen verwijt dat het in punt 494 van het bestreden arrest haar grieven met betrekking tot de regelgeving van India en Singapore heeft afgewezen op basis van uitsluitend zijn beoordeling van de regelgeving van Japan en Hongkong, moet worden vastgesteld dat deze argumentatie berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Zoals blijkt uit de punten 495 en 496 van dat arrest heeft het Gerecht namelijk de grieven onderzocht die specifiek betrekking hadden op de respectieve regelgeving van India en Singapore.
Zesde onderdeel: schending van het gelijkheidsbeginsel
– Argumenten van partijen
132 Cathay Pacific betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 502 van het bestreden arrest te oordelen dat haar argument ertoe strekte aan te tonen dat de behandeling die een andere vervoerder zou hebben gekregen als gevolg van overheidsdwang in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) onrechtmatig was, en dat zij zich ten eigen voordele op die onrechtmatige behandeling wilde beroepen. Volgens haar kwam dit niet overeen met de strekking van haar betoog. Haar standpunt was veeleer dat – aangezien de Commissie had erkend dat een andere vervoerder zich op het verweer inzake overheidsdwang kon beroepen, met name op basis van een brief van de bevoegde autoriteit van Dubai – zij om consistent te blijven had moeten erkennen dat deze redenering ook voor Cathay Pacific in Hongkong gold, temeer daar ook de ABL in haar brieven duidelijk had aangegeven dat zij een collectieve goedkeuringsprocedure oplegde.
133 Volgens de Commissie is dit zesde onderdeel ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
134 Opgemerkt moet worden dat Cathay Pacific met dit onderdeel in essentie stelt dat het Gerecht de door haar aangevoerde argumenten onjuist heeft uitgelegd. Haar kritiek is in dit verband uitsluitend gericht op punt 502 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft opgemerkt dat, zelfs indien de Commissie een onrechtmatigheid had begaan door andere vervoerders niet aansprakelijk te stellen, een dergelijke onrechtmatigheid – waarover het Gerecht zich in het kader van het ingestelde beroep niet diende uit te spreken – geenszins kan leiden tot de vaststelling van discriminatie en dus van onrechtmatigheid ten opzichte van rekwirante, aangezien het gelijkheidsbeginsel moet worden verzoend met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, volgens hetwelk niemand zich in zijn voordeel kan beroepen op een onrechtmatigheid die is begaan ten gunste van een ander.
135 In punt 505 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter aangegeven dat het betoog van Cathay Pacific berustte op de onjuiste premisse dat „de verklaringen en de praktijk” van de bevoegde administratieve autoriteit in Dubai vergelijkbaar waren met die van de ABL van Hongkong, zodat de vervoerders zich in de betrokken gebieden in een vergelijkbare situatie bevonden in die zin dat zij verplicht waren om de toeslagen te bespreken alvorens goedkeuring te vragen. Uit deze beoordeling blijkt dus dat het Gerecht het aangevoerde betoog niet onjuist heeft uitgelegd.
136 Bovendien heeft het Gerecht in punt 508 van het bestreden arrest, verwijzend naar de punten 416 tot en met 451 van dat arrest, in herinnering gebracht dat Cathay Pacific niet had aangetoond dat de vervoerders in Hongkong verplicht werden om hun tarieven onderling af te stemmen. Uit de analyse van de eerste drie onderdelen van het onderhavige middel blijkt dat Cathay Pacific deze conclusies niet heeft kunnen weerleggen.
137 Derhalve moet het eerste onderdeel ongegrond worden verklaard.
138 Uit een en ander volgt dat het tweede middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.
Derde middel: verzuim van het Gerecht om, na het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig te hebben verklaard op grond van verjaring, uitspraak te doen over alle aangevoerde argumenten
Argumenten van partijen
139 Cathay Pacific voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, nadat dit het tweede aangevoerde middel had aanvaard, te oordelen dat het eerste en het vierde middel in eerste aanleg niet meer hoefden te worden onderzocht.
140 Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, vormt de nietigverklaring van artikel 1, lid 1, onder g), en lid 4, onder g), van het litigieuze besluit – voortvloeiend uit de aanvaarding van het tweede middel – slechts een gedeeltelijke nietigverklaring van dat besluit, zodat deze nietigverklaring het eerste in eerste aanleg aangevoerde middel niet zonder voorwerp heeft gemaakt. Integendeel, dit eerste middel was beslissend voor het beroep van Cathay Pacific in zijn geheel, aangezien het strekte tot volledige nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover de Commissie tot de slotsom was gekomen dat Cathay Pacific had deelgenomen aan de enkele voortdurende inbreuk. Ook het vierde middel in eerste aanleg, waarin werd betoogd dat de Commissie haar conclusie over de deelname van Cathay Pacific aan die inbreuk ontoereikend had gemotiveerd, stelde de rechtmatigheid van dat besluit in zijn geheel ter discussie. Volgens rekwirante heeft het Gerecht ook dit middel onjuist uitgelegd.
141 Volgens de Commissie is dit derde middel ongegrond.
Beoordeling door het Hof
142 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Gerecht het tweede middel in eerste aanleg heeft aanvaard, en bijgevolg artikel 1, lid 1, onder g), en lid 4, onder g), van het litigieuze besluit heeft nietig verklaard voor zover daarbij was vastgesteld dat Cathay Pacific, wat de intra-EER-routes betreft, inbreuk had gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst en, wat de Unie-Zwitserlandroutes betreft, op artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer.
143 Zo heeft het Gerecht in punt 243 van het bestreden arrest geoordeeld dat het beroep dat Cathay Pacific tegen het oorspronkelijke besluit had ingesteld, niet kon leiden tot schorsing van de verjaringstermijn van artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 wat de inbreukmakende gedragingen op de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes betreft, aangezien dat besluit volgens het Gerecht geen betrekking had op die inbreukmakende gedragingen. In punt 245 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat de Commissie de verjaringsregels van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 had geschonden door Cathay Pacific in het litigieuze besluit een sanctie op te leggen voor de enkele voortdurende inbreuk op de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes.
144 Na dit tweede middel in eerste aanleg te hebben aanvaard, heeft het Gerecht in de punten 249 en 254 van het bestreden arrest geoordeeld dat het onderzoek van het eerste en het vierde aangevoerde middel „niet langer nodig was”.
145 Uit het bestreden arrest en uit het verzoekschrift bij het Gerecht blijkt dat Cathay Pacific met haar eerste en vierde middel voor het Gerecht enkel heeft aangevoerd dat het recht en de feiten op verschillende punten onjuist waren opgevat en dat het litigieuze besluit ontoereikend was gemotiveerd, en dit uitsluitend wat betreft de „intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes”.
146 Het eerste middel voor het Gerecht is er namelijk aan ontleend dat „de Commissie de feiten en/of het recht heeft geschonden en/of niet aan de relevante bewijsstandaard heeft voldaan, door [Cathay Pacific] op te nemen in artikel 1, leden 1 en 4, van het dispositief van het [litigieuze] besluit alsook door vast te stellen dat [Cathay Pacific] heeft deelgenomen aan de vermeende enkele en voortdurende inbreuk”. In dit verband blijkt uit het verzoekschrift in eerste aanleg dat dit eerste middel enkel betrekking had op de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes. Cathay Pacific richtte zich dus duidelijk – niet alleen in de benaming van haar eerste middel, maar ook inhoudelijk – uitsluitend tegen de bepalingen van het litigieuze besluit die door het Gerecht wegens verjaring nietig waren verklaard.
147 Bovendien had Cathay Pacific in punt 44 van haar verzoekschrift voor het Gerecht inderdaad aangegeven dat het daarin aangevoerde eerste middel ook „doorslaggevend” was voor „haar beroep in zijn geheel, met name gelet op de vaststelling van de Commissie dat het kunstmatig zou zijn om de enkele voortdurende inbreuk op te splitsen in afzonderlijke inbreuken”, en dat „indien [zij] ten onrechte in twee onderdelen van de inbreuk wordt genoemd, […] zij niet kan worden geacht te hebben deelgenomen aan de enkele voortdurende inbreuk en het [litigieuze] besluit nietig moet worden verklaard voor zover het op haar betrekking heeft”.
148 Niettemin moet worden vastgesteld dat Cathay Pacific bovendien, in het kader van het derde voor het Gerecht aangevoerde middel, haar deelname aan de enkele voortdurende inbreuk zoals vastgesteld in het litigieuze besluit specifiek heeft betwist, voor zover deze betrekking heeft op de drie materieel verschillende onderdelen daarvan, te weten de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Dit derde middel is onderzocht in de punten 255 tot en met 377 van het bestreden arrest. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat het Gerecht – door vast te stellen dat het niet langer nodig was om uitspraak te doen over het eerste en het vierde middel dat aan het Gerecht was voorgelegd, omdat het tweede middel gegrond was – heeft nagelaten uitspraak te doen over het betoog van Cathay Pacific betreffende haar deelname aan de enkele voortdurende inbreuk.
149 Haar vierde middel voor het Gerecht was eraan ontleend dat „de Commissie haar vaststelling van de deelname van Cathay Pacific aan de enkele voortdurende inbreuk ontoereikend heeft gemotiveerd”. Het is juist dat de benaming van dit middel op zich niet aangaf dat het middel uitsluitend gericht was op „de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes”. Uit de met dit middel aangevoerde argumenten, met name in de punten 88 tot 90 van het verzoekschrift bij het Gerecht, blijkt echter dat Cathay Pacific met dat middel eveneens uitsluitend deze routes beoogde. Evenzo blijkt uit punt 91 van dat verzoekschrift dat Cathay Pacific kritiek uitte op haar opname in de lijst van deelnemers in artikel 1, leden 1 en 4, van het dispositief van het litigieuze besluit.
150 Aangezien het Gerecht door het tweede middel in eerste aanleg te aanvaarden artikel 1, leden 1 en 4, van het dispositief van het litigieuze besluit nietig heeft verklaard voor zover deze bepalingen Cathay Pacific betroffen – en deze bepalingen juist zagen op de intra-EER-routes en de Unie-Zwitserlandroutes –, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat deze twee andere middelen niet meer hoefden te worden onderzocht.
151 Gelet op het voorgaande is het derde middel ongegrond.
Vijfde middel: onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van het bewijs dat niet rechtstreeks verband houdt met de aan Cathay Pacific toegerekende inbreuken, en een gebrekkige redenering met betrekking tot het bewijs van de deelname van Cathay Pacific aan de enkele voortdurende inbreuk
Argumenten van partijen
152 Cathay Pacific voert, onder verwijzing naar de punten 312 tot en met 345 van het bestreden arrest, aan dat het Gerecht, door artikel 1, lid 1, onder g), en lid 4, onder g), van het litigieuze besluit nietig te verklaren en bijgevolg de omvang en de duur van de deelname van Cathay Pacific aan de enkele voortdurende inbreuk aanzienlijk te beperken, een fout heeft gemaakt door geen overtuigende uitleg te geven over de gevolgde benadering bij het beoordelen van het bewijsmateriaal dat geen betrekking had op de inbreukperiode of buiten de geografische bevoegdheid van de Commissie viel, en met name over de wijze waarop dat bewijsmateriaal de interpretatie van bepaald ander bewijsmateriaal zou kunnen ondersteunen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-581/22, ECLI:EU:C:2024:821
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-31/23, ECLI:EU:C:2024:851
- HvJ EU 26 september 2024, C-790/21, ECLI:EU:C:2024:792
- HvJ EU 4 juli 2024, C-70/23, ECLI:EU:C:2024:580
- HvJ EU 5 maart 2024, C-755/21, ECLI:EU:C:2024:202
- HvJ EU 11 januari 2024, C-363/22, ECLI:EU:C:2024:20
- HvJ EU 21 december 2023, C-680/21, ECLI:EU:C:2023:1010
- HvJ EU 23 november 2023, C-209/21, ECLI:EU:C:2023:905
- HvJ EU 10 november 2022, C-211/20, ECLI:EU:C:2022:862
- HvJ EU 18 maart 2021, C-440/19, ECLI:EU:C:2021:214
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632
- HvJ EU 12 juni 2014, C-578/11, ECLI:EU:C:2014:1742
- HvJ EU 18 juli 2013, C-201/11, ECLI:EU:C:2013:519
- HvJ EU 11 april 2013, C-652/11, ECLI:EU:C:2013:229
- HvJ EU 14 oktober 2010, C-280/08, ECLI:EU:C:2010:603
- HvJ EU 1 juli 2010, C-407/08, ECLI:EU:C:2010:389
- HvJ EU 7 januari 2004, C-204/00, ECLI:EU:C:2004:6
- HvJ EU 15 oktober 2002, C-238/99, ECLI:EU:C:2002:582
- HvJ EU 28 mei 1998, C-7/95, ECLI:EU:C:1998:256
- HvJ EU 11 november 1997, C-359/95, ECLI:EU:C:1997:531