HvJ EU 18 december 2025, C-633/23, ECLI:EU:C:2025:991

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

18 december 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Interne markt voor elektriciteit – Verordening (EU) 2022/1854 – Noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen – Artikel 2, punten 5 en 9 – Artikelen 6 tot en met 8 – Plafond op de marktinkomsten van elektriciteitsproducenten die bepaalde energiebronnen gebruiken – Bepaling van ‚marktinkomsten’ – Nationale regeling die voorziet in het gebruik van onweerlegbare of door middel van andere vermoedens weerlegbare vermoedens – Evenredigheidsbeginsel – Artikel 22, lid 2, onder c) – Tijdvak van de toepassing van de artikelen 6 tot en met 8 van deze verordening – Toepassing van een maatregel tot plafonnering van de inkomsten voor een eerdere periode dan die waarin voornoemde verordening voorziet, op grond van een nationale regeling die na de datum van inwerkingtreding van diezelfde verordening is vastgesteld – Beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht – Beginsel van loyale samenwerking ”

In zaak C‑633/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Brussel (België) bij beslissing van 18 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 23 oktober 2023, in de procedure

Electrabel nv,

Federatie van de Belgische Elektriciteits‑ en Gasbedrijven vzw,

Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen vzw,

Wind4Wallonia 2 nv,

Luminus nv,

EDF Belgium nv,

ActiVent Wallonie cvba,

Eol’Wapi nv,

Lumiwind cv,

Luminus Wind Together cv

tegen

Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG),

in tegenwoordigheid van:

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), kamerpresident, M. Condinanzi en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Electrabel nv, vertegenwoordigd door X. Taton en H. Vanhulle, advocaten,

– de Federatie van de Belgische Elektriciteits‑ en Gasbedrijven vzw, de Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen vzw en Wind4Wallonia 2 nv, vertegenwoordigd door D. Verhoeven, advocaat,

– Luminus nv, EDF Belgium nv, ActiVent Wallonie cvba, Eol’Wapi nv, Lumiwind cv en Luminus Wind Together cv, vertegenwoordigd door D. Verhoeven, advocaat,

– de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG), vertegenwoordigd door G. Block, M. Vandersmissen en K. Wauters, advocaten,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, M. Jacobs en C. Pochet als gemachtigden, bijgestaan door K. Decroix en B. Martel, advocaten,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits en C. Kokkosi als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet en T. Scharf als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 februari 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22 van verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PB 2022, L 261 I, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, artikel 6 VEU, artikel 288 VWEU alsmede met de beginselen van evenredigheid, voorrang, doeltreffendheid en loyale samenwerking.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van drie gedingen tussen, ten eerste, Electrabel nv, ten tweede, de Federatie van de Belgische Elektriciteits‑ en Gasbedrijven vzw, de Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen vzw en Wind4Wallonia 2 nv (hierna samen: „FEBEG e.a.”) en, ten derde, Luminus nv, EDF Belgium nv, ActiVent Wallonie cvba, Eol’Wapi nv, Lumiwind cv en Luminus Wind Together cv (hierna samen: „Luminus e.a.”) (hierna alle samen: „verzoeksters in het hoofdgeding”) enerzijds, en de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (België; hierna: „CREG”) anderzijds, over de rechtmatigheid van de door laatstgenoemde op 28 februari 2023 genomen beslissing over het model van aangifte in te dienen door de schuldenaars van de heffing ingevoerd in het kader van het plafond op de marktinkomsten van elektriciteitsproducenten (hierna: „beslissing van 28 februari 2023”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

VEU

3 Artikel 4, lid 3, VEU luidt:

„Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de [Europese] Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.

De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.”

4 Artikel 6 VEU bepaalt:

„1. De Unie erkent de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: „Handvest”)] [...], dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.

De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen.

De rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest worden uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest betreffende de uitlegging en toepassing ervan, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen, waarin de bronnen van deze bepalingen vermeld zijn, terdege in acht genomen worden.

2. De Unie treedt toe tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Die toetreding wijzigt de bevoegdheden van de Unie, zoals bepaald in de Verdragen, niet.

3. De grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie.”

VWEU

5 Artikel 288, tweede alinea, VWEU bepaalt het volgende:

„Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.”

Verordening 2022/1854

6 De overwegingen 1, 5, 28, 30 en 37 van verordening 2022/1854 luidden:

„(1) Sinds september 2021 zijn de prijzen op de elektriciteitsmarkten zeer hoog. [...] Door de escalatie van de aanvalsoorlog van [de Russische Federatie] tegen Oekraïne[] [...] sinds februari 2022 loopt de gasvoorziening sterk terug. De aanvalsoorlog van [de Russische Federatie] tegen Oekraïne heeft ook geleid tot onzekerheid over de levering van andere grondstoffen[] [...] die worden gebruikt door elektriciteitsproductie-installaties. Dit zorgde opnieuw voor aanzienlijke stijgingen en volatiliteit van de elektriciteitsprijs.

[...]

(5) Alle lidstaten ondervinden negatieve gevolgen van de huidige energiecrisis, zij het in verschillende mate. [...]

[...]

(28) [...] [D]e extreme en aanhoudende prijsstijging sinds februari 2022 [verschilt] aanzienlijk van een normale marktsituatie met occasionele piekprijzen. [...]

[...]

(30) Het plafond op marktinkomsten moet worden vastgesteld op basis van marktinkomsten en niet op basis van de totale opwekkingsinkomsten [...], om te voorkomen dat de aanvankelijk verwachte winstgevendheid van een project aanzienlijk wordt beïnvloed. Ongeacht de contractuele vorm waarin de handel in elektriciteit kan plaatsvinden, mag het plafond op marktinkomsten alleen gelden voor gerealiseerde marktinkomsten. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat producenten die niet daadwerkelijk profiteren van de huidige hoge elektriciteitsprijzen, worden benadeeld omdat zij hun inkomsten hebben afgedekt tegen schommelingen op de groothandelsmarkt voor elektriciteit. Derhalve, voor zover bestaande of toekomstige contractuele verplichtingen [...] leiden tot marktinkomsten uit de productie van elektriciteit tot het niveau van het plafond op marktinkomsten, mag deze verordening geen afbreuk doen aan dergelijke inkomsten. [...]

[...]

(37) Om een effectieve handhaving van het plafond op marktinkomsten te handhaven, verstrekken producenten, intermediairs en relevante marktdeelnemers de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, de benodigde gegevens. Gezien het grote aantal individuele transacties waarvoor de bevoegde instanties van de lidstaten het plafond op marktinkomsten moeten handhaven, moeten die instanties voor de berekening van het plafond van marktinkomsten kunnen gebruikmaken van redelijke ramingen.”

7 Artikel 1 van deze verordening, met als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied”, bepaalde:

„Bij deze verordening wordt een noodinterventie vastgesteld om de gevolgen van de hoge energieprijzen te verzachten door middel van uitzonderlijke, gerichte en in de tijd beperkte maatregelen. Die maatregelen zijn erop gericht het elektriciteitsverbruik te verminderen, een plafond te introduceren op de marktinkomsten die bepaalde producenten ontvangen uit de opwekking van elektriciteit en deze op gerichte wijze onder de eindafnemers van elektriciteit te herverdelen, [...].”

8 Artikel 2 van voornoemde verordening, met als opschrift „Definities”, luidde als volgt:

„Voor de toepassing van deze verordening [...] zijn ook de volgende definities van toepassing:

[...]

5) ‚marktinkomsten’: de inkomsten die een producent ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit in de Unie, ongeacht de contractuele vorm waarin die ruil plaatsvindt, met inbegrip van stroomafnameovereenkomsten en andere verrichtingen ter afdekking van schommelingen op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, met uitzondering van alle door de lidstaten verleende steun;

[...]

9) ‚surplus aan inkomsten’: een positief verschil tussen de marktinkomsten van producenten per [megawattuur (MWh)] elektriciteit en het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten van 180 EUR per MWh elektriciteit;

[...]”

9 Artikel 6 van dezelfde verordening, met als opschrift „Verplicht plafond op marktinkomsten”, bepaalde het volgende:

„1. De marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, bedoelde bronnen worden geplafonneerd op maximaal 180 EUR per MWh geproduceerde elektriciteit.

2. De lidstaten passen het plafond op marktinkomsten toe op alle marktinkomsten van producenten, en, indien van toepassing, op intermediairs die namens producenten op groothandelsmarkten voor elektriciteit actief zijn, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale, dan wel een gecentraliseerde markt wordt verhandeld.

3. De lidstaten nemen doeltreffende maatregelen om te voorkomen dat de uit hoofde van lid 2 op producenten rustende verplichtingen worden omzeild. Zij zorgen er met name voor dat het plafond op marktinkomsten daadwerkelijk wordt toegepast in gevallen waarin producenten worden gecontroleerd door, of gedeeltelijk eigendom zijn van, andere ondernemingen, met name wanneer zij deel uitmaken van een verticaal geïntegreerde onderneming.

4. De lidstaten beslissen of zij het plafond op marktinkomsten toepassen bij de vereffening van de uitwisseling van energie of daarna.

5. De [Europese] Commissie biedt de lidstaten sturing bij de uitvoering van dit artikel.”

10 Artikel 7 van verordening 2022/1854, met als opschrift „Toepassing van het plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten”, bepaalde:

„1. Het in artikel 6 vastgestelde plafond op marktinkomsten is van toepassing op de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit die wordt opgewekt uit de volgende bronnen:

a) windenergie;

b) zonne-energie (zowel thermische als fotovoltaïsche zonne-energie);

c) geothermische energie;

d) waterkracht zonder reservoir;

e) biomassabrandstoffen (vaste of gasvormige biomassabrandstoffen), met uitzondering van biomethaan;

f) afvalstoffen;

g) kernenergie;

h) bruinkool;

i) ruwe aardolieproducten;

j) turf.

2. Het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten is niet van toepassing op demonstratieprojecten of op producenten waarvan de inkomsten per MWh geproduceerde elektriciteit reeds door andere, niet uit hoofde van artikel 8 vastgestelde overheidsmaatregelen worden geplafonneerd.

3. In het bijzonder in gevallen waarin de toepassing van het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten aanzienlijke administratieve lasten met zich meebrengt, kunnen de lidstaten besluiten dat het plafond niet van toepassing is op producenten die elektriciteit opwekken met productie-installaties met een geïnstalleerd vermogen tot 1 MW. [...]

[...]

6. Producenten, intermediairs en relevante marktdeelnemers, alsook systeembeheerders, in voorkomend geval, verstrekken de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, de systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, alle nodige gegevens voor de toepassing van artikel 6, onder meer over de geproduceerde elektriciteit en de daaruit voortvloeiende marktinkomsten, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale markt, binnen dezelfde onderneming of op een gecentraliseerde markt wordt verhandeld.”

11 Artikel 8 van deze verordening, met als opschrift „Nationale crisismaatregelen”, luidde als volgt:

„1. De lidstaten kunnen:

a) maatregelen handhaven of invoeren die de marktinkomsten van de producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen, alsook de marktinkomsten van andere marktdeelnemers, waaronder deelnemers die zich bezighouden met elektriciteitshandel, verder beperken, inclusief de mogelijkheid om tussen technologieën te differentiëren;

[...]

c) nationale maatregelen handhaven of invoeren om de marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit andere dan de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen te beperken;

[...]

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen, overeenkomstig deze verordening:

a) zijn evenredig en niet-discriminerend;

b) ondermijnen investeringssignalen niet;

c) zorgen ervoor dat de investerings- en exploitatiekosten worden gedekt;

d) hebben geen verstorende werking op de groothandelsmarkt voor elektriciteit en hebben in het bijzonder geen gevolgen voor de rangorde van in te zetten capaciteit (‚merit order’) en de prijsvorming op de groothandelsmarkt;

e) zijn verenigbaar met het Unierecht.”

12 Artikel 22 van voornoemde verordening, met als opschrift „Inwerkingtreding en toepassing”, bepaalde het volgende:

„1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2. Onverminderd de verplichting om de verdeling van het surplus aan inkomsten overeenkomstig artikel 10 te waarborgen en om de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage overeenkomstig artikel 17 te gebruiken, en onverminderd de in artikel 20, lid 2, bedoelde verslagleggingsverplichting, is deze verordening van toepassing tot en met 31 december 2023, waarbij het volgende geldt:

[...]

c) De artikelen 6, 7 en 8 zijn van toepassing van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2023.

[...]”

Belgisch recht

Elektriciteitswet

13 Artikel 22 ter van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (Belgisch Staatsblad van 11 mei 1999, blz. 16264), zoals gewijzigd bij de wet van 16 december 2022 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten (Belgisch Staatsblad van 22 december 2022, blz. 98819) (hierna: „elektriciteitswet”), is van toepassing op het hoofdgeding en bepaalt het volgende:

„§ 1. Bij dit artikel wordt een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten ingesteld door middel van een heffing ten behoeve van de Staat op het surplus aan inkomsten die tussen 1 augustus 2022 en 30 juni 2023 door de in paragraaf 2 bedoelde schuldenaars wordt behaald.

§ 2. De heffing is verschuldigd door:

1° iedere natuurlijke of rechtspersoon die in de paragraaf 1 bedoelde periode elektriciteit injecteert in het transmissienet, een net dat een transmissiefunctie heeft, een (gesloten) distributienet, een gesloten industrieel net, een tractienet spoor of een directe lijn, door middel van een in België gelegen installatie voor elektriciteitsproductie die gebruikmaakt van een van de in artikel 7[, lid 1,] van verordening [2022/1854] genoemde technologieën, met een geïnstalleerd vermogen van minimaal 1 MW;

2° iedere kernexploitant [...];

3° iedere bijdragende vennootschap [...];

4° iedere eigenaar van de kerncentrale als bedoeld in artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie [Belgisch Staatsblad van 28 februari 2003, blz. 9879].

In afwijking van het eerste lid is de heffing niet verschuldigd door energiegemeenschappen van burgers en hernieuwbare energiegemeenschappen of door de gelijkgestelde energiegemeenschappen als bedoeld in de regionale wetgeving, mits het surplus aan inkomsten rechtstreeks aan consumenten die leden van deze gemeenschappen zijn wordt overgedragen.

§ 3. De heffing verschuldigd door de in paragraaf 2 bedoelde schuldenaar, is gelijk aan 100 procent van het surplus aan inkomsten.

Het surplus aan inkomsten is het positief verschil tussen de marktinkomsten en het overeenkomstig paragraaf 4 vastgestelde plafond op marktinkomsten, berekend voor elke transactie tot verkoop van elektriciteit in MWh geleverd in de in paragraaf 1 bedoelde periode, en per installatie voor elektriciteitsproductie gelegen in België die gebruik maakt van een van de in artikel 7[, lid 1,] van verordening [2022/1854] genoemde technologieën, met een geïnstalleerd vermogen van minimaal 1 MW.

Het surplus aan inkomsten wordt geacht nul te zijn wanneer de op de markt verkochte elektriciteit is opgewekt door een installatie voor elektriciteitsproductie die onder een productiesteunregeling valt, en waarvan de marktinkomsten door een bevoegde autoriteit worden geplafonneerd.

§ 4. Het plafond op marktinkomsten bedraagt 130 euro per MWh elektriciteit.

[...]

§ 5. Marktinkomsten zijn de inkomsten die de in paragraaf 2 bedoelde schuldenaar voor elke transactie ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit gedurende de in paragraaf 1 bedoelde periode, ongeacht de contractuele vorm waarin die ruil plaatsvindt, met inbegrip van stroomafnameovereenkomsten en andere verrichtingen ter afdekking van schommelingen op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, met uitzondering van alle door een overheidsinstantie verleende steun of subsidie.

Voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde marktinkomsten gelden de volgende vermoedens:

1° voor de kerncentrales bedoeld in de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage [Belgisch Staatsblad van 15 juli 2003, blz. 37954] worden de marktinkomsten berekend per installatie overeenkomstig afdeling 3 van de bijlage bij de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage, zoals gewijzigd bij de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales en van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt [Belgisch Staatsblad van 29 december 2016, blz. 90988], met dien verstande dat:

a) het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld op elke dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door het in voormelde afdeling 3 platform voor de uitwisseling van energieblokken;

b) het volume van elektriciteit dat op de day-aheadmarkt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis;

2° voor de kerncentrale bedoeld in artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie worden de marktinkomsten berekend overeenkomstig artikel 4/1, § 2, derde lid, van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, met dien verstande dat:

a) het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld op de eerste werkdag van elke maand waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door het platform voor de uitwisseling van energieblokken in het kader van de toepassing van artikel 4/1 hierboven;

b) het volume van elektriciteit dat op de day-aheadmarkt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis;

3° voor de niet onder 1° en 2° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie waarvan de productie onder een stroomafnameovereenkomst valt, worden de marktinkomsten berekend overeenkomstig de bepalingen van dat contract, mits de commerciële voorwaarden van het contract overeenstemmen met redelijke marktvoorwaarden, met dien verstande dat:

a) het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag die door de bovengenoemde overeenkomst in aanmerking wordt genomen om de prijs te bepalen;

b) het volume van elektriciteit dat op de day-aheadmarkt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis;

4° voor de niet onder 1°, 2° en 3° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie en waarvoor geen productiesteunregeling geldt, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag niet afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs op een periode van drie jaar, worden de marktinkomsten berekend op basis van het volgende:

a) de verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt geacht als op termijn verkocht te zijn op basis van een baseload kalenderproduct volgens de strategie van verkoop van een derde in jaar-3 (CAL+3), een derde in jaar-2 (CAL+2) en een derde in jaar-1 (CAL+1) tegen de prijzen die worden gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is. Deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt beschouwd als de jaarproductie in 2019 voor installaties voor elektriciteitsproductie die vallen onder de technologieën bedoeld in artikel 7[, lid 1], onder a), b), d), e) en f), van verordening [2022/1854]. Indien de installatie voor elektriciteitsproductie in 2019 niet operationeel was, moet deze verwachte productie in jaar-1 door de schuldenaar worden gerapporteerd. Voor andere installaties voor elektriciteitsproductie wordt deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 geacht 85 % van de maximumcapaciteit van de installatie voor elektriciteitsproductie te bedragen;

b) het positieve verschil tussen het geproduceerde en verkochte volume van elektriciteit per kwartier en het in a) bedoelde volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs per uur;

c) het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is;

d) het volume van elektriciteit dat op de day-aheadmarkt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur;

5° voor de niet onder 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie, worden de marktinkomsten berekend op basis van het volgende:

a) de verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt geacht als op termijn verkocht te zijn op basis van een baseload kalenderproduct in jaar-1 (CAL+1) tegen de prijzen die worden gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is. Deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt beschouwd als de jaarproductie in 2019 voor installaties voor elektriciteitsproductie die vallen onder de technologieën genoemd in artikel 7[, lid 1], onder a), b), d), e) en f), van verordening [2022/1854]. Indien de installatie voor elektriciteitsproductie in 2019 niet operationeel was, moet deze verwachte productie in jaar-1 door de schuldenaar worden gerapporteerd. Voor andere installaties voor elektriciteitsproductie wordt deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 geacht 85 % van [de] maximumcapaciteit van de installatie voor elektriciteitsproductie te bedragen;

b) het positieve verschil tussen het geproduceerde en verkochte volume van elektriciteit per kwartier en het in a) bedoelde volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs per uur;

c) het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderbasisproduct is gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is, op een periode van één jaar of, wanneer de productiesteunregeling gebaseerd is op de evolutie van de elektriciteitsprijs op een periode van zes maanden, op een periode van zes maanden;

d) het volume van elektriciteit dat op de day-aheadmarkt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur;

6° voor de onder 3°, 4° en 5° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie, kan de in de paragraaf 2 bedoelde schuldenaar bewijzen dat de marktinkomsten afwijken van die welke zijn vastgesteld overeenkomstig onder 3°, 4° en 5°, op voorwaarde dat de schuldenaar dit bewijs aanbrengt voor zijn volledige productiepark, en met dien verstande dat:

a) de aan- en verkoop van elektriciteit binnen een verticaal geïntegreerde onderneming of tussen ondernemingen waarvan de ene in het bezit is van of rechtstreeks of onrechtstreeks gedeeltelijk gecontroleerd wordt door de andere, wordt voor de toepassing van dit artikel geacht te zijn gesloten op basis van een prijs die overeenkomt met de marktprijs op de dag van de transactie voor de leveringsperiode waarop de transactie betrekking heeft, zoals gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken [dat] in België actief is;

b) elk geproduceerd en verkocht, maar niet op termijn verkocht volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs;

c) elke verkoop op termijn van elektriciteit is een transactie die wordt gedefinieerd door zijn transactiedatum, prijs en volume;

d) het volume van elektriciteit dat op de day-aheadmarkt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur.

Behoudens voor het onder 3° bedoelde vermoeden, wordt het surplus aan inkomsten verminderd met de kosten in verband met de aankoop van volumes van elektriciteit voor de levering van tijdens de in paragraaf 1 bedoelde periode verkochte en niet-geproduceerde volumes van elektriciteit, wanneer de werkelijke productie lager is dan de op termijn verkochte productie, ten belope van het positieve verschil tussen de marktreferentieprijs en het in paragraaf 4 bedoelde plafond op marktinkomsten. Deze vermindering mag niet leiden tot een negatief surplus aan inkomsten en de betrokken kosten mogen niet van een vorige periode of naar een volgende periode worden overgedragen, noch tussen installaties voor elektriciteitsproductie worden overgedragen.

§ 6. Voor de heffing die verschuldigd is voor de periode van 1 augustus 2022 tot en met 31 december 2022 dienen de in paragraaf 2 bedoelde schuldenaars uiterlijk op 30 april 2023 bij de [CREG] een aangifte in.

Voor de heffing die verschuldigd is voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023 dienen de in paragraaf 2 bedoelde schuldenaars uiterlijk op 7 september 2023 bij de [CREG] een aangifte in.

In deze aangifte wordt minstens melding gemaakt van de volgende gegevens:

1° de volledige identificatie van de schuldenaar;

2° de volledige identificatie van elk van zijn installaties voor elektriciteitsproductie[] [...] en het totale volume van elektriciteit dat geïnjecteerd werd in de betrokken periode per installatie voor elektriciteitsproductie, zowel als het maximale geïnstalleerde vermogen van elke installatie voor elektriciteitsproductie, gevalideerd door de betrokken netbeheerder(s);

3° wanneer het totale volume van elektriciteit per installatie voor elektriciteitsproductie als bedoeld in 2° over verschillende schuldenaars wordt verdeeld, de verdeling van het desbetreffende volume van elektriciteit over de betrokken schuldenaars en elk document dat het akkoord van de betrokken schuldenaars over deze verdeling bewijst;

4° het profiel van geproduceerde en verkochte elektriciteit per kwartier van elke installatie voor elektriciteitsproductie, gevalideerd door de betrokken netbeheerder(s);

5° in voorkomend geval, de vermelding van het gebruikte platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is;

6° in voorkomend geval, het in paragraaf 5, tweede lid, 6°, bedoelde bewijs, vergezeld van alle bewijsstukken en een motivering van de gevolgde verkoopstrategie;

7° in afwijking van 3° tot en met 6°, voor de rechtspersonen, bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, het bewijs dat het surplus aan inkomsten rechtstreeks aan consumenten wordt overgedragen. Bij gebreke daarvan verstrekken deze rechtspersonen de in 3° tot en met 6° bedoelde gegevens.

De [CREG] stelt het model van de aangifte en het formaat van de toe te zenden stukken vast:

[...]”

Beslissing van 28 februari 2023

14 De beslissing van 28 februari 2023 is door de CREG vastgesteld overeenkomstig artikel 22 ter, § 6, vierde alinea, van de elektriciteitswet. In deze beslissing zijn het model van de aangifte en het formaat van de documenten vastgesteld die door de schuldenaars van de bij artikel 22 ter, § 1, van deze wet ingevoerde heffing moeten worden toegezonden.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Verzoeksters in het hoofdgeding zijn ofwel privaatrechtelijke rechtspersonen die producenten en/of leveranciers zijn van elektriciteit uit de in artikel 7, lid 1, van verordening 2022/1854 genoemde energiebronnen en binnen het toepassingsgebied vallen van de beslissing van 28 februari 2023, aangezien zij onderworpen zijn aan de bij artikel 22 ter, § 2, van de elektriciteitswet ingestelde heffing, ofwel privaatrechtelijke rechtspersonen die geen elektriciteitsproducenten of ‑leveranciers zijn, maar ook binnen dat toepassingsgebied vallen omdat zij aan deze heffing onderworpen zijn, ofwel federaties van ondernemingen in de energiesector die handelen ten behoeve van hun leden.

16 Op 29 maart 2023 hebben Electrabel en FEBEG e.a. alsmede, op 30 maart 2023, Luminus e.a. bij het hof van beroep Brussel (België) (sectie marktenhof), de verwijzende rechter in deze zaak, drie beroepen ingesteld tot nietigverklaring van de beslissing van 28 februari 2023. Gezien hun gelijkenissen heeft die rechter deze drie beroepen gevoegd.

17 Ter ondersteuning van hun beroepen voeren verzoeksters in het hoofdgeding in de eerste plaats middelen tot nietigverklaring aan die betrekking hebben op het uitsluitende karakter van de vermoedens zoals vastgesteld in de beslissing van 28 februari 2023. Electrabel voert in wezen aan dat deze beslissing in strijd is met artikel 2, punt 5, en de artikelen 6 tot en met 8 van verordening 2022/1854, voor zover zij haar verplicht inkomsten aan te geven die niet daadwerkelijk zijn gerealiseerd, terwijl deze verordening verlangt dat de daadwerkelijk ontvangen inkomsten worden aangegeven. FEBEG e.a. en Luminus e.a. voeren schending aan van voornoemde verordening, met name de artikelen 6 en 7 ervan, artikel 288 VWEU alsook de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht, voor zover in voornoemde beslissing wettelijke vermoedens worden gehanteerd voor het vaststellen van de inkomsten waarop het bij artikel 22 ter van de elektriciteitswet ingestelde plafond wordt toegepast. In dit verband benadrukken zij dat deze vermoedens naargelang van de betrokken energiebron onweerlegbaar dan wel weerlegbaar zijn, maar in dat laatste geval enkel kunnen worden omgekeerd onder bepaalde voorwaarden en door zich te beroepen op andere vermoedens. Volgens hen voorziet diezelfde verordening echter alleen in een plafonnering van de gerealiseerde marktinkomsten, zodat het op zijn minst mogelijk zou moeten zijn om de daadwerkelijke inkomsten aan te geven.

18 Verzoeksters in het hoofdgeding verwijten de CREG dan ook dat zij zich in de beslissing van 28 februari 2023 heeft gebaseerd op het systeem van de zes vermoedens die in artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, 1° tot en met 6°, van de elektriciteitswet zijn bepaald. Een dergelijk systeem, dat uitsluitend op vermoedens is gebaseerd, leidt tot een belasting van 100 % van fictieve inkomsten, terwijl volgens verordening 2022/1854 het plafond van toepassing is op „marktinkomsten”, namelijk de daadwerkelijk door de elektriciteitsproducenten behaalde inkomsten. Bovendien bepaalt deze verordening dat het plafond „per transactie” geldt, terwijl volgens alle in het hoofdgeding aan de orde zijnde vermoedens de elektriciteit wordt geacht het voorwerp te zijn geweest van één verkoop per dag tegen de elektriciteitsprijs voor elk van die dagen op een elektriciteitsbeurs indien zij op termijn is verkocht, en van één verkoop per uur indien zij op de dagmarkt is verkocht. Dit geeft aanleiding tot een heffing als het plafond wordt overschreden op een dag of uur tijdens de periode, ook al zou de daadwerkelijk ontvangen prijs een gemiddelde prijs onder het plafond of een vaste prijs onder het plafond zijn. De invoering van een uitsluitend op vermoedens gebaseerd systeem is niet gerechtvaardigd en heeft in werkelijkheid tot doel om de geheven belasting te verhogen.

19 De CREG en de Belgische Staat betwisten dit betoog en beroepen zich daarbij in het bijzonder op overweging 37 van verordening 2022/1854, waarin staat te lezen dat de lidstaten voor de berekening van het plafond van marktinkomsten kunnen gebruikmaken van redelijke ramingen. Deze verordening bevat geen specifieke regel voor de berekening van het surplus aan inkomsten en de Commissie heeft dienaangaande geen sturing geboden, anders dan in artikel 6, lid 5, van voornoemde verordening is bepaald. Het gebruik van de in de elektriciteitswet vastgestelde vermoedens leidt niet tot het belasten van fictieve inkomsten en maakt het daarenboven mogelijk om de technische moeilijkheden te overwinnen in verband met de precieze vaststelling van de prijs voor elke MWh elektriciteit die tijdens de periode van toepassing van de heffing wordt verkocht en geleverd. Bovendien is het onweerlegbare karakter van de vermoedens in de punten 1° en 2° van artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, van de elektriciteitswet gerechtvaardigd, aangezien het systeem is gebaseerd op eerder gekozen verkoopstrategieën, in overleg met de exploitanten van de betrokken kerncentrales.

20 De verwijzende rechter geeft om te beginnen aan dat het feit dat de verweten onrechtmatigheden voortvloeien uit de toepassing van artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, 1° tot en met 6°, van de elektriciteitswet, geen invloed heeft op zijn bevoegdheid om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van de beslissing van 28 februari 2023. Ten gronde stelt hij vast dat de vermoedens die in deze bepalingen zijn neergelegd en op basis waarvan in deze beslissing het model van de aangifte van de inkomsten is opgesteld – de voorafgaande stap voor de vaststelling van de door elke schuldenaar verschuldigde heffing –, op een geheel of een opeenvolging van vermoedens berusten waaraan de schuldenaar zich nooit volledig kan onttrekken, zodat hij niet in staat is om zijn daadwerkelijk behaalde inkomsten aan te geven.

21 In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat hij geen toereikende technische rechtvaardiging ziet voor het vaststellen van vermoedens die geacht worden de verkoopstrategieën die eigen zijn aan elke technologie of aan andere bijzondere kenmerken te weerspiegelen, maar dat de schuldenaren veeleer in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun werkelijke verkoopstrategieën en werkelijke inkomsten te staven, althans wanneer dat mogelijk is. De bij verordening 2022/1854 en vervolgens door de Belgische wetgever ingestelde plafonnering geldt namelijk alleen voor elektriciteit die met bepaalde technologieën wordt opgewekt en het aangiftesysteem is gebaseerd op de traceerbaarheid van bepaalde gegevens naar een specifieke installatie. Volgens deze rechter kunnen technische moeilijkheden weliswaar het gebruik van vermoedens rechtvaardigen, maar rechtvaardigen zij niet dat dergelijke vermoedens onweerlegbaar van aard zijn.

22 Bovendien volgt uit de artikelen 6 tot en met 8 van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, daarvan, dat voor de berekening van het surplus aan inkomsten moet worden uitgegaan van de daadwerkelijk door de producenten behaalde marktinkomsten. Dit vindt bevestiging in de opzet van het ingestelde systeem, dat op het eerste gezicht verlangt dat er wordt aangeknoopt bij daadwerkelijk behaalde inkomsten. Deze beoordeling vindt steun in overweging 30 van deze verordening. Hoewel het juist is dat overweging 37 daarvan de lidstaten toestaat om voor de berekening van het plafond van marktinkomsten redelijke ramingen te gebruiken, kan deze overweging niet in de weg staan aan de toepassing van de bepalingen van voornoemde verordening. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat hij er overigens niet van overtuigd is dat de mogelijkheid om de lidstaten toe te staan gebruik te maken van ramingen, hun toestaat om een systeem in te stellen dat uitsluitend is gebaseerd op onweerlegbare vermoedens of op vermoedens die weliswaar gedeeltelijk weerlegbaar zijn, maar op een wijze die de door de lidstaat theoretisch vastgelegde elementen laat voortbestaan, los van de daadwerkelijk behaalde inkomsten.

23 Wat in de tweede plaats de door de bestreden beslissing bestreken periode betreft, betogen Electrabel en FEBEG e.a. in wezen dat, aangezien de beslissing van 28 februari 2023 voorziet in een model van aangifte voor de periode tussen 1 augustus en 31 december 2022, terwijl verordening 2022/1854 pas vanaf 1 december 2022 een plafond op de inkomsten oplegt, deze beslissing schending oplevert van met name de artikelen 6 tot en met 8, 20 en 22 van deze verordening, artikel 288 VWEU, de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht en het beginsel van loyale samenwerking. Zij merken op dat het voorstel van de Commissie van 14 september 2022 voor een verordening van de Raad betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen [COM(2022) 473 final], dat heeft geleid tot de vaststelling van verordening 2022/1854, de lidstaten de mogelijkheid bood om voor een eerdere toepassing te kiezen, maar dat deze mogelijkheid niet is gehandhaafd in de definitieve versie van deze verordening. Bovendien zijn de lidstaten op grond van voornoemde verordening niet gerechtigd om met terugwerkende kracht een heffing over het surplus aan inkomsten toe te passen.

24 De CREG en de Belgische Staat voeren daartegen in wezen aan dat, ten eerste, de Belgische wetgever daartoe voor de periode van 1 augustus tot en met 30 november 2022 wel gerechtigd was krachtens zijn algemene fiscale autonomie, ten tweede, artikel 8, lid 1, van verordening 2022/1854 bovendien bepaalt dat de lidstaten „maatregelen [kunnen] handhaven of invoeren die de marktinkomsten [...] verder beperken” en, ten derde, het feit dat de mogelijkheid van een eerdere vrijwillige toepassing van deze verordening, waarin het in het voorgaande punt van dit arrest genoemde voorstel voor een verordening had voorzien, niet in de definitieve tekst is gehandhaafd, kan worden verklaard door de overbodigheid van een dergelijke bepaling.

25 De verwijzende rechter merkt op dat de Belgische wetgever niet heeft gemotiveerd waarom hij de datum van inwerkingtreding van de betrokken heffing op een andere datum heeft vastgesteld dan die welke in verordening 2022/1854 is bepaald en dat hij enkel heeft aangegeven dat het ingevoerde systeem niet in strijd is met het beginsel van niet‑terugwerkende kracht op fiscaal gebied. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de elektriciteitswet blijkt evenmin dat de hier aan de orde zijnde heffing een hybride karakter heeft, dat wil zeggen een van het Unierecht onafhankelijke nationale maatregel voor de periode tussen 1 augustus tot en met 30 november 2022 en een maatregel ter uitvoering van verordening 2022/1854 voor de periode vanaf 1 december 2022. Gelet op deze elementen is deze rechter van oordeel dat artikel 22, lid 2, van deze verordening zich, gelet op de beginselen van voorrang, doeltreffendheid en loyale samenwerking, op het eerste gezicht kan verzetten tegen nationale maatregelen waarmee de in de verordening voorziene regeling wordt uitgevoerd vanaf een eerdere datum dan die welke in deze bepaling is vastgesteld. Dienaangaande is artikel 8, lid 1, onder a), van verordening 2022/1854 volgens hem niet ondubbelzinnig over de vraag of de door deze bepaling aan de lidstaten geboden mogelijkheid om maatregelen te handhaven of in te voeren die de marktinkomsten verder beperken, ook de mogelijkheid omvat om vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening een plafonneringsregeling toe te passen.

26 In deze omstandigheden heeft het hof van beroep Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moeten de artikelen 6, 7 en 8 van verordening [2022/1854], gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, in het licht van alle overwegingen ervan en in samenhang met, in het bijzonder, artikel 288 VWEU en artikel 6 VEU, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van nationale maatregelen zoals die van artikel 22 ter [van de elektriciteitswet], in het bijzonder § 5, tweede alinea, [ervan], waarin is geregeld dat het in artikel 6 van deze verordening vastgestelde plafond de vorm aanneemt van een heffing op het surplus aan inkomsten van de elektriciteitsproducenten, wanneer de vraag of er sprake is van een surplus aan inkomsten boven het vastgestelde plafond wordt beantwoord aan de hand van de marktinkomsten die voor bepaalde installaties worden vastgesteld op basis van onweerlegbare vermoedens voor de berekening van theoretische inkomsten (zie artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, 1° en 2°, van de elektriciteitswet), waardoor de schuldenaren van de heffing niet hun werkelijke inkomsten kunnen aangeven en doen gelden?

2) Moeten de artikelen 6, 7 en 8 van verordening [2022/1854], gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, in het licht van alle overwegingen ervan en in samenhang met, in het bijzonder, artikel 288 VWEU en artikel 6 VEU, alsook met het evenredigheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van nationale maatregelen zoals die van artikel 22 ter [van de elektriciteitswet], in het bijzonder § 5, tweede alinea, [ervan], waarin is geregeld dat het in artikel 6 van de verordening vastgestelde plafond de vorm aanneemt van een heffing op het surplus aan inkomsten van de elektriciteitsproducenten, wanneer de vraag of er sprake is van een surplus aan inkomsten boven het vastgestelde plafond wordt beantwoord aan de hand van de marktinkomsten die voor bepaalde installaties (zie artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, 3°-6°) worden vastgesteld op basis van vermoedens die als weerlegbaar worden voorgesteld maar die de schuldenaren van de heffing enkel kunnen weerleggen door aan te tonen wat hun werkelijke inkomsten voor al hun installaties zijn – met inbegrip van hun installaties die niet binnen de werkingssfeer van [die] verordening vallen – en zich daarnaast alsnog te beroepen op bepaalde vermoedens, waardoor zij niet hun werkelijke inkomsten kunnen aangeven en doen gelden?

3) Moeten de artikelen 6, 7, 8 en 22 van verordening [2022/1854], gelezen in samenhang met de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht, alsook met het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VEU), en, in het bijzonder, met artikel 288 VWEU, in het licht van alle overwegingen ervan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van nationale maatregelen die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn genomen, zoals artikel 22 ter, § 1, van de elektriciteitswet, dat is ingevoegd bij de wet van 16 december 2022, en voorzien in de invoering van een systeem voor de plafonnering van de marktinkomsten van elektriciteitsproducenten vanaf een eerdere datum dan 1 december 2022, zoals 1 augustus 2022?”

Procedure bij het Hof

27 De verwijzende rechter heeft verzocht om de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de versnelde procedure overeenkomstig artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

28 Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van de president van het Hof van 10 januari 2024, Electrabel e.a. (C‑633/23, EU:C:2024:41).

Prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

29 Om te beginnen moet ten eerste worden opgemerkt dat de verwijzende rechter volgens de bewoordingen van zijn eerste en tweede vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, twijfel koestert over de wijze van vaststelling van de marktinkomsten waarop het „in artikel 6 van verordening 2022/1854 vastgestelde plafond” van toepassing is. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing volgt evenwel dat het plafond op de marktinkomsten krachtens artikel 22 ter, § 4, van de elektriciteitswet is vastgesteld op 130 EUR per MWh geproduceerde elektriciteit, terwijl artikel 6 in lid 1 ervan in essentie bepaalt dat de in dat artikel bedoelde marktinkomsten worden geplafonneerd op maximaal 180 EUR per MWh geproduceerde elektriciteit. In artikel 8, lid 1, onder a), van deze verordening is echter in wezen bepaald dat de lidstaten met name maatregelen kunnen invoeren om deze inkomsten verder te beperken.

30 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het bij de hier aan de orde zijnde nationale regeling ingestelde plafond niet het „in artikel 6 van verordening 2022/1854 vastgestelde” plafond is, maar een nationaal plafond dat overeenkomstig artikel 8, lid 1, van deze verordening is vastgesteld.

31 Ten tweede verzoekt de verwijzende rechter met zijn eerste en tweede vraag weliswaar om uitlegging van met name artikel 6 VEU, maar verduidelijkt hij niet waarom deze uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van de hoofdgedingen. Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat namelijk geen motivering waarin wordt uiteengezet waarom deze rechter twijfel koestert over de uitlegging van dit artikel en waarin evenmin het verband wordt toegelicht dat hij legt tussen dat artikel en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling. Bijgevolg is de uitlegging van artikel 6 VEU kennelijk niet noodzakelijk voor de beslechting van deze gedingen.

32 In het licht van deze overwegingen moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste en tweede vraag in wezen wenst te vernemen of de artikelen 6 tot en met 8 van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, artikel 288 VWEU alsook met het evenredigheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het bedrag van de inkomsten waarop een krachtens artikel 8 vastgesteld plafond op de marktinkomsten van toepassing is, naargelang van de betrokken installaties voor elektriciteitsproductie wordt bepaald aan de hand van hetzij onweerlegbare vermoedens, hetzij weerlegbare vermoedens die echter enkel kunnen worden weerlegd door de werkelijke inkomsten van alle installaties van de betrokken producent aan te tonen en daarnaast een beroep te doen op andere vermoedens.

33 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 1, van verordening 2022/1854 bepaalt dat de marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, bedoelde bronnen worden geplafonneerd op maximaal 180 EUR per MWh geproduceerde elektriciteit. Lid 2 van artikel 6 voegt daaraan toe dat de lidstaten het plafond op marktinkomsten toepassen op alle marktinkomsten van producenten en, indien van toepassing, op intermediairs die namens producenten op groothandelsmarkten voor elektriciteit actief zijn, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale dan wel een gecentraliseerde markt wordt verhandeld. Voorts bepaalt lid 3 van datzelfde artikel dat de lidstaten doeltreffende maatregelen nemen om te voorkomen dat de uit hoofde van lid 2 op producenten rustende verplichtingen worden omzeild. Zij zorgen er met name voor dat het plafond op marktinkomsten daadwerkelijk wordt toegepast in gevallen waarin producenten worden gecontroleerd door, of gedeeltelijk eigendom zijn van, andere ondernemingen, met name wanneer zij deel uitmaken van een verticaal geïntegreerde onderneming. In lid 4 van artikel 6 van verordening 2022/1854 wordt bepaald dat de lidstaten beslissen of zij het plafond op marktinkomsten toepassen bij de vereffening van de uitwisseling van energie of daarna.

34 Bovendien staat vast dat, hoewel lid 5 van artikel 6 bepaalt dat de Commissie de lidstaten sturing biedt bij de uitvoering van dit artikel, deze instelling in dit verband geen sturing heeft geboden.

35 Wat artikel 7 van verordening 2022/1854 betreft, zij opgemerkt dat dit artikel in lid 1 bepaalt dat het in artikel 6 van deze verordening vastgestelde plafond op marktinkomsten van toepassing is op de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit die uit de in deze bepaling opgesomde energiebronnen wordt opgewekt. In lid 6 van dit artikel wordt tevens bepaald dat producenten, intermediairs en relevante marktdeelnemers, alsook systeembeheerders, in voorkomend geval, de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, de systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, alle nodige gegevens verstrekken voor de toepassing van artikel 6, onder meer over de geproduceerde elektriciteit en de daaruit voortvloeiende marktinkomsten, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale markt, binnen dezelfde onderneming of op een gecentraliseerde markt wordt verhandeld.

36 Artikel 8, lid 1, van verordening 2022/1854 bepaalt dat de lidstaten andere maatregelen kunnen vaststellen, die in de punten a) tot en met e) van dit lid worden opgesomd. Volgens punt a) kunnen zij met name maatregelen handhaven of invoeren die de marktinkomsten van de producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen, alsook de marktinkomsten van andere marktdeelnemers verder beperken, inclusief de mogelijkheid om tussen technologieën te differentiëren. Lid 2 van artikel 8 schrijft voor dat de in lid 1 bedoelde maatregelen, overeenkomstig deze verordening, evenredig en niet-discriminerend zijn, investeringssignalen niet ondermijnen, ervoor zorgen dat de investerings- en exploitatiekosten worden gedekt, geen verstorende werking hebben op de groothandelsmarkt voor elektriciteit en in het bijzonder geen gevolgen hebben voor de rangorde van in te zetten capaciteit („merit order”) en de prijsvorming op de groothandelsmarkt, en verenigbaar zijn met het Unierecht.

37 Voorts bepaalt artikel 2 van verordening 2022/1854 in punt 5 ervan dat het begrip „marktinkomsten” voor de toepassing van deze verordening doelt op de inkomsten die een producent ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit in de Unie, ongeacht de contractuele vorm waarin die ruil plaatsvindt, met inbegrip van stroomafnameovereenkomsten en andere verrichtingen ter afdekking van schommelingen op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, met uitzondering van alle door de lidstaten verleende steun. In punt 9 van artikel 2 wordt tevens bepaald dat het begrip „surplus aan inkomsten” doelt op een positief verschil tussen de marktinkomsten van producenten per MWh elektriciteit en het in artikel 6, lid 1, van deze verordening vastgestelde plafond op marktinkomsten van 180 EUR per MWh elektriciteit.

38 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat, hoewel geen van de relevante bepalingen van verordening 2022/1854 precies aangeeft welke methode moet worden gehanteerd voor de berekening van de marktontvangsten waarop de bij deze verordening opgelegde maatregel tot plafonnering van inkomsten moet worden toegepast, uit de bewoordingen daarvan niettemin volgt dat dit plafond, zoals ook de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 38 en 39 van zijn conclusie, in beginsel niet van toepassing kan zijn op theoretische inkomsten die niet overeenkomen met de realiteit van de markt, maar de werkelijk door de betrokken producenten ontvangen inkomsten moet weerspiegelen.

39 In overweging 30 van die verordening staat overigens te lezen dat het plafond op marktinkomsten moet worden vastgesteld „op basis van marktinkomsten en niet op basis van de totale opwekkingsinkomsten” en dat, ongeacht de contractuele vorm waarin de handel in elektriciteit kan plaatsvinden, het plafond op marktinkomsten „alleen” mag gelden voor „gerealiseerde” marktinkomsten.

40 Aangezien echter geen enkele bepaling van verordening 2022/1854 precies aangeeft op welke wijze de marktinkomsten worden bepaald waarop de maatregel tot plafonnering van inkomsten moet worden toegepast, is het aan de lidstaten om deze te bepalen. Voor zover de lidstaten daarbij uitvoering geven aan deze verordening, en dus aan het Unierecht, moeten zij bij de uitoefening van hun bevoegdheden dat recht niettemin in acht nemen, en dus in het onderhavige geval op zodanige wijze dat met name het nuttig effect van de bepalingen van deze verordening wordt gewaarborgd [zie naar analogie arresten van 21 december 2023, Commissie/Denemarken (Beperking van de parkeerduur), C‑167/22, EU:C:2023:1020, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 april 2025, Alenopik, C‑745/23, EU:C:2025:294, punt 28].

41 Bijgevolg moet nog worden beoordeeld of het de lidstaten in het kader daarvan is toegestaan om vermoedens te hanteren voor het bepalen van het precieze bedrag van de marktinkomsten waarop zij de bij verordening 2022/1854 opgelegde maatregel tot plafonnering van inkomsten toepassen.

42 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat in overweging 37 van deze verordening te lezen staat dat om een effectieve handhaving van het plafond op marktinkomsten te handhaven, producenten, intermediairs en relevante marktdeelnemers de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, de benodigde gegevens verstrekken, maar dat, gezien het grote aantal individuele transacties waarvoor de bevoegde instanties van de lidstaten het plafond op marktinkomsten moeten handhaven, die instanties voor de berekening van het plafond van marktinkomsten moeten kunnen gebruikmaken van „redelijke ramingen”.

43 Zoals ook de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 50 van zijn conclusie, is een raming evenwel per definitie een benadering van een bepaalde waarde en komt zij niet altijd overeen met een exacte waarde. Hieruit volgt dat een mogelijk verschil tussen de werkelijke en de vermoede inkomsten kan worden aanvaard, zonder dat dit noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de gehanteerde vermoedens onverenigbaar zijn met verordening 2022/1854, op voorwaarde dat dit verschil, dat overigens zowel negatief als positief kan uitvallen, redelijk blijft, dat wil zeggen moderaat is, en dat de op basis van deze vermoedens gebruikte ramingen de werkelijke marktsituatie tijdens de beschouwde periode weerspiegelen.

44 Ten tweede beoogt verordening 2022/1854, zoals volgt uit artikel 1 ervan, met name de vaststelling van een noodinterventie om de gevolgen van de hoge energieprijzen te verzachten door middel van uitzonderlijke, gerichte en in de tijd beperkte maatregelen, en zijn die maatregelen inzonderheid erop gericht een plafond te introduceren op de marktinkomsten die bepaalde producenten ontvangen uit de opwekking van elektriciteit en deze op gerichte wijze onder de eindafnemers van elektriciteit te herverdelen.

45 In een dergelijke noodsituatie en rekening houdend met voornoemde doelstelling om de eindafnemers van elektriciteit te beschermen, kan het gebruik van redelijke ramingen, ook in de vorm van vermoedens, om in de tijd beperkte maatregelen spoedig ten uitvoer te leggen een passend en zelfs noodzakelijk middel zijn om de doeltreffendheid van de bij verordening 2022/1854 opgelegde maatregel tot plafonnering van inkomsten te garanderen en aldus deze doelstelling te bereiken.

46 Ten derde moet worden opgemerkt dat de lidstaten volgens artikel 6, lid 3, van deze verordening doeltreffende maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat het plafond op marktinkomsten daadwerkelijk wordt toegepast en dat omzeiling ervan wordt voorkomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 6, van die verordening, waarvan de bewoordingen respectievelijk in de punten 33 en 35 van dit arrest in herinnering zijn gebracht, kan het noodzakelijk zijn om te verzekeren dat er een zeer grote hoeveelheid gegevens wordt verzameld en gecontroleerd. Op grond van die omstandigheid kan dus ook worden aanvaard dat, afhankelijk van de bijzonderheden van de betrokken nationale markt of in geval van eventuele technische moeilijkheden om de inkomsten af te bakenen waarop de bij diezelfde verordening opgelegde maatregel tot plafonnering van inkomsten daadwerkelijk moet worden toegepast, het nodig kan zijn om gebruik te maken van vermoedens.

47 De Uniewetgever heeft overigens erkend dat de invoering van deze plafonneringsmaatregel aanzienlijke administratieve lasten met zich mee kan brengen, aangezien hij de lidstaten in artikel 7, lid 3, van verordening 2022/1854 met name de mogelijkheid biedt om, in het bijzonder in gevallen waarin de toepassing van het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten aanzienlijke administratieve lasten met zich meebrengt, te besluiten dat het plafond niet van toepassing is op producenten die elektriciteit opwekken met productie-installaties met een geïnstalleerd vermogen tot 1 MW.

48 Uit het voorgaande volgt dat verordening 2022/1854 er zich niet tegen verzet dat een lidstaat gebruikmaakt van vermoedens teneinde het bedrag te bepalen van de marktinkomsten waarop de bij deze verordening opgelegde maatregel tot plafonnering moet worden toegepast, op voorwaarde dat op basis van deze vermoedens redelijke ramingen van die inkomsten kunnen worden verkregen die de werkelijke marktsituatie tijdens de beschouwde periode weerspiegelen.

49 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de omstandigheid dat een lidstaat er in voorkomend geval voor heeft gekozen om op basis van objectieve onderscheidende criteria vermoedens of een opeenvolging van vermoedens te hanteren waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar de betrokken exploitanten, installaties of technologie, niet kan aantonen dat niet is voldaan aan de in het voorgaande punt van dit arrest genoemde voorwaarde, voor zover het voor elke eventuele betrokken categorie exploitanten, installaties of technologie gehanteerde vermoeden een redelijke raming kan opleveren van de eigen inkomsten van die categorie, te meer daar de mogelijkheid om tussen technologieën te differentiëren uitdrukkelijk is toegestaan door verordening 2022/1854, meer bepaald door artikel 8, lid 1, onder a), ervan. Ten tweede kan zelfs bij gebruikmaking van onweerlegbare vermoedens aan deze voorwaarde worden voldaan, met name wanneer deze vermoedens gelden voor een beperkte en bijzondere categorie producenten waarvan de inkomsten – vanwege hun specifieke situatie of bijzondere kenmerken van de betrokken nationale markt – vooraf in overleg met de nationale autoriteiten zijn vastgesteld of op nationaal niveau zijn geregeld, zodat de betrokken producenten daar niet gemakkelijk van kunnen afwijken.

50 Uit deze vaststellingen volgt eveneens dat het gebruik van dergelijke vermoedens, voor zover zij aan voornoemde voorwaarde voldoen, niet in strijd kan worden geacht met het evenredigheidsbeginsel. In dit verband zij eraan herinnerd dat dit beginsel, dat deel uitmaakt van de algemene rechtsbeginselen en dat overeenkomstig de in punt 40 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak door de lidstaten in acht moet worden genomen wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen, vereist dat de middelen waarmee een bepaling van het Unierecht de met de betreffende regelgeving nagestreefde legitieme doelstellingen beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (zie in die zin arresten van 21 februari 2008, Netto Supermarkt, C‑271/06, EU:C:2008:105, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 december 2020, Hongarije/Parlement en Raad, C‑620/18, EU:C:2020:1001, punt 111).

51 Rekening houdend met de spoedeisendheid waarmee de bij verordening 2022/1854 opgelegde maatregel tot plafonnering van inkomsten moest worden ingevoerd met het oog op de bescherming van de eindafnemers van elektriciteit, alsmede gelet op het uitzonderlijke en in de tijd beperkte karakter van deze maatregel, lijkt het gebruik van – in voorkomend geval ook onweerlegbare – vermoedens voor het bepalen van het precieze bedrag van de inkomsten waarop die maatregel moet worden toegepast, evenredig te zijn, op voorwaarde dat, zoals in punt 48 van dit arrest is vermeld, op basis van deze vermoedens redelijke ramingen van die inkomsten kunnen worden verkregen die de werkelijke marktsituatie tijdens de beschouwde periode weerspiegelen.

52 Aangezien de concrete beoordeling of een bepaald vermoeden aan die voorwaarde voldoet een beoordeling van feitelijke aard is, valt zij onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten die onderworpen zijn aan toetsing door de nationale rechterlijke instanties, in casu de verwijzende rechter. Toch kan het Hof overeenkomstig zijn rechtspraak deze rechter in zijn prejudiciële beslissing preciseringen geven teneinde hem bij zijn beoordeling te leiden (zie naar analogie arresten van 21 februari 2006, Halifax e.a., C‑255/02, EU:C:2006:121, punt 77, en 11 januari 2024, Nárokuj, C‑755/22, EU:C:2024:10, punt 42).

53 Zo moet bij deze beoordeling rekening worden gehouden met alle feitelijke en technische elementen die niet alleen kenmerkend zijn voor de situatie van de betrokken producenten en installaties, maar ook voor de nationale elektriciteitsmarkt. In dit verband kan, in het licht van deze bijzondere kenmerken, met name relevantie toekomen aan de omvang van de belemmeringen voor het verzamelen en controleren van de gegevens aan de hand waarvan, binnen een tijdsbestek dat verenigbaar is met de spoedeisendheid waarmee de beoogde bescherming van de eindafnemers van elektriciteit moet worden verwezenlijkt, de precieze inkomsten kunnen worden berekend van de aan de hier aan de orde zijnde maatregel tot plafonnering onderworpen installaties of producenten, alsook aan de vraag of de gehanteerde vermoedens voldoende nauwkeurig zijn om te voorkomen dat de door de betrokken producenten behaalde inkomsten aanzienlijk worden overschat of onderschat, alsmede aan de vraag of er een correctiemechanisme bestaat dat de producenten of de nationale autoriteiten zo nodig in de gelegenheid kan stellen om de daadwerkelijke inkomsten te doen gelden door de uitkomst van deze ramingen te corrigeren indien deze geen redelijke ramingen opleveren die de werkelijke marktsituatie tijdens de beschouwde periode weerspiegelen.

54 In het licht van de in punt 40 van dit arrest gedane vaststelling, hoeft het Hof zich overigens niet uit te spreken over de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van artikel 288 VWEU.

55 Gelet op de bovenstaande overwegingen moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 6 tot en met 8 van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan en met het evenredigheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het bedrag van de inkomsten waarop een krachtens artikel 8 vastgesteld plafond op de marktinkomsten van toepassing is, naargelang van de betrokken installaties voor elektriciteitsproductie wordt bepaald aan de hand van hetzij onweerlegbare vermoedens, hetzij weerlegbare vermoedens die echter enkel kunnen worden weerlegd door de werkelijke inkomsten van alle installaties van de betrokken producent aan te tonen en daarnaast een beroep te doen op andere vermoedens, mits op basis van deze vermoedens redelijke ramingen van die inkomsten kunnen worden verkregen die de werkelijke marktsituatie tijdens de beschouwde periode weerspiegelen.

Derde vraag

56 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22, lid 2, onder c), van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met artikel 288 VWEU en met de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht en van loyale samenwerking, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die na de inwerkingtreding van deze verordening is vastgesteld en waarin is voorzien in de toepassing van een maatregel tot plafonnering van marktinkomsten die vergelijkbaar is met die welke bij voornoemde verordening is ingevoerd, maar voor een eerdere periode dan die welke in diezelfde verordening is vastgesteld.

57 In dit verband moet worden opgemerkt dat verordening 2022/1854 volgens artikel 22, lid 1, ervan in werking is getreden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, namelijk op 8 oktober 2022. Volgens artikel 22, lid 2, onder c), van deze verordening waren de artikelen 6, 7 en 8 ervan van toepassing van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2023.

58 Uit geen enkele bepaling van verordening 2022/1854 volgt echter dat zij van toepassing is op een maatregel tot plafonnering van inkomsten die bij een nationale regeling is ingevoerd met betrekking tot een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van die verordening, en a fortiori dat een dergelijke regeling moet voldoen aan de voorwaarden die in die verordening zijn vastgelegd. Bijgevolg kan, zoals ook de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 59 van zijn conclusie, bij gebreke van ratione temporis toepasselijke Unierechtelijke regelgeving ter zake niet worden gesteld dat de lidstaten de mogelijkheid wordt ontnomen om hun bevoegdheden uit te oefenen, in casu door het nemen van een maatregel tot plafonnering van marktinkomsten die vergelijkbaar is met die welke bij deze verordening is ingevoerd, maar waarvan de temporele werkingssfeer niet overeenkomt met die van deze verordening, of dat zij die bevoegdheid alleen zouden mogen uitoefenen op voorwaarde dat de Uniewetgever daarvoor uitdrukkelijk toestemming verleent.

59 De omstandigheid dat een dergelijke nationale regeling is vastgesteld terwijl voornoemde verordening reeds van kracht was, is in dit opzicht van geen belang. Geen enkele bepaling van die verordening wijst er namelijk op dat de Uniewetgever met de vaststelling daarvan de lidstaten deze bevoegdheid heeft willen ontnemen of de uitoefening ervan aan een dergelijke toestemming heeft willen onderwerpen. Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 8, lid 1, van verordening 2022/1854 heeft de Uniewetgever integendeel uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid dat de lidstaten maatregelen handhaven of invoeren die de marktinkomsten verder beperken dan het in artikel 6, lid 1, van deze verordening vastgestelde maximum. In dezelfde zin wordt ook in overweging 1 van voornoemde verordening benadrukt dat de prijzen op de elektriciteitsmarkten sinds september 2021 zeer hoog waren en dat de aanvalsoorlog van de Russische Federatie tegen Oekraïne opnieuw had gezorgd voor aanzienlijke stijgingen en volatiliteit van de elektriciteitsprijs. Bovendien heeft de Uniewetgever in overweging 5 van diezelfde verordening erop gewezen dat alle lidstaten negatieve gevolgen ondervonden van deze energiecrisis, zij het in verschillende mate, en uit overweging 28 daarvan blijkt dat er sinds februari 2022 sprake was van een extreme en aanhoudende prijsstijging.

60 Deze elementen wijzen erop dat de Uniewetgever, in het volle besef van het recht van de lidstaten om binnen de grenzen van hun bevoegdheden te handelen, daarbij rekening houdend met de bijzondere kenmerken van hun nationale markten, besloten heeft om de plafonnering van marktinkomsten niet op het niveau van de Unie te regelen buiten het kader van de temporele werkingssfeer die hij in verordening 2022/1854 heeft vastgesteld, noch om, a fortiori, de lidstaten hun bevoegdheid te ontnemen om deze materie te regelen voor een eerdere periode dan de in deze verordening vastgestelde geldigheidsperiode.

61 In dit verband is het juist dat de lidstaten, zoals reeds in punt 40 van dit arrest in herinnering is gebracht, hun bevoegdheden moeten uitoefenen met inachtneming van het Unierecht. Afgezien van de twijfels die de verwijzende rechter in zijn eerste en tweede vraag heeft opgeworpen, blijkt in het onderhavige geval evenwel niet uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat deze rechter twijfel koestert over de inhoudelijke verenigbaarheid van de aan de hoofdgedingen ten grondslag liggende nationale regeling met andere bepalingen van het Unierecht die ratione temporis van toepassing kunnen zijn.

62 Noch artikel 288 VWEU, noch de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht of van loyale samenwerking kunnen in het onderhavige geval een andere beoordeling rechtvaardigen.

63 Ten eerste kunnen noch artikel 288 VWEU, noch de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht de werkingssfeer van een verordening wijzigen, zoals die door de Uniewetgever is bepaald.

64 Ten tweede is het juist dat de lidstaten zich krachtens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. In het licht van met name de in punt 60 van dit arrest gedane vaststelling alsook gelet op de omstandigheid dat de invoering van een maatregel tot plafonnering van inkomsten die vergelijkbaar is met die welke waarin verordening 2022/1854 voorziet, per definitie noodzakelijkerwijs doelstellingen nastreeft die verenigbaar zijn met die van deze verordening, kan echter niet worden geoordeeld dat een lidstaat, door een dergelijke maatregel op nationaal niveau toe te passen voordat deze op het niveau van de Unie verplicht wordt gesteld, in strijd handelt met dit beginsel.

65 Gelet op de bovenstaande overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat de artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22, lid 2, onder c), van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met artikel 288 VWEU en met de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht en van loyale samenwerking, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die na de inwerkingtreding van deze verordening is vastgesteld en waarin is voorzien in de toepassing van een maatregel tot plafonnering van marktinkomsten die vergelijkbaar is met die welke bij voornoemde verordening is ingevoerd, maar voor een eerdere periode dan die welke in diezelfde verordening is vastgesteld.

Kosten

66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) De artikelen 6 tot en met 8 van verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan en met het evenredigheidsbeginsel,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het bedrag van de inkomsten waarop een krachtens artikel 8 vastgesteld plafond op de marktinkomsten van toepassing is, naargelang van de betrokken installaties voor elektriciteitsproductie wordt bepaald aan de hand van hetzij onweerlegbare vermoedens, hetzij weerlegbare vermoedens die echter enkel kunnen worden weerlegd door de werkelijke inkomsten van alle installaties van de betrokken producent aan te tonen en daarnaast een beroep te doen op andere vermoedens, mits op basis van deze vermoedens redelijke ramingen van die inkomsten kunnen worden verkregen die de werkelijke marktsituatie tijdens de beschouwde periode weerspiegelen.

2) De artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22, lid 2, onder c), van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met artikel 288 VWEU en met de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht en van loyale samenwerking,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die na de inwerkingtreding van deze verordening is vastgesteld en waarin is voorzien in de toepassing van een maatregel tot plafonnering van marktinkomsten die vergelijkbaar is met die welke bij voornoemde verordening is ingevoerd, maar voor een eerdere periode dan die welke in diezelfde verordening is vastgesteld.

ondertekeningen

* Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken