Art. 2 Verordening (EU) 2022/1854, Definities

Verordening (EU) 2022/1854

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 2019/943 en artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/944. Daarnaast zijn ook de volgende definities van toepassing:

1) “kleine en middelgrote onderneming” of “kmo”: een onderneming als omschreven in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (6);

2) “bruto-elektriciteitsverbruik”: de totale levering van elektriciteit voor activiteiten op het grondgebied van een lidstaat;

3) “referentieperiode”: de periode van 1 november tot en met 31 maart in de vijf opeenvolgende jaren voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening, beginnend met de periode van 1 november 2017 tot en met 31 maart 2018;

4) “piekuren”: de specifieke uren van de dag waarop, op basis van de prognoses van transmissiesysteembeheerders en, indien van toepassing, de benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, de day-ahead-groothandelsprijzen voor elektriciteit naar verwachting de hoogste zijn, het bruto elektriciteitsverbruik naar verwachting het hoogste is of het bruto verbruik van elektriciteit uit andere dan hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, punt 1 van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (7) naar verwachting het hoogste is;

5) “marktinkomsten”: de inkomsten die een producent ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit in de Unie, ongeacht de contractuele vorm waarin die ruil plaatsvindt, met inbegrip van stroomafnameovereenkomsten en andere verrichtingen ter afdekking van schommelingen op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, met uitzondering van alle door de lidstaten verleende steun;

6) “vereffening”: een betaling tussen tegenpartijen, voor levering en ontvangst van elektriciteit, indien van toepassing, ter nakoming van de respectieve verplichtingen van de tegenpartijen uit hoofde van een of meer clearingtransacties;

7) “bevoegde instantie”: een instantie als omschreven in artikel 2, punt 11, van Verordening (EU) 2019/941 van het Europees Parlement en de Raad (8);

8) “intermediairs”: entiteiten op groothandelsmarkten voor elektriciteit van lidstaten die een eiland vormen dat niet verbonden is met andere lidstaten via op eenheden gebaseerd bieden, indien de regulerende instantie die entiteiten toestemming heeft verleend om namens de producent aan de markt deel te nemen, met uitzondering van entiteiten die het surplus aan inkomsten direct overdragen aan eindafnemers van elektriciteit.

9) “surplus aan inkomsten”: een positief verschil tussen de marktinkomsten van producenten per MWh elektriciteit en het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten van 180 EUR per MWh elektriciteit;

10) “afvalstof”: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (9);

11) “netto-invoerafhankelijkheid”: voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021, het verschil tussen de totale hoeveelheid ingevoerde elektriciteit en de totale hoeveelheid uitgevoerde elektriciteit als percentage van de totale bruto-elektriciteitsproductie in een lidstaat;

12) “boekjaar”: een belastingjaar, kalenderjaar of elk ander voor belastingdoeleinden geschikt tijdvak dat in het nationale recht is gedefinieerd;

13) “eindafnemer van energie”: een afnemer die energie koopt voor eigen gebruik;

14) “eindafnemer van elektriciteit”: een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen gebruik;

15) “Unie-onderneming”: een onderneming opgericht in een lidstaat die volgens de fiscale wetgeving van die lidstaat wordt geacht in die lidstaat haar fiscale vestigingsplaats te hebben en die, op grond van een met een derde staat gesloten verdrag tot het vermijden van dubbele belasting, niet wordt beschouwd als een onderneming met fiscale vestigingsplaats buiten de Unie;

16) “vaste inrichting”: een in een lidstaat gelegen permanente bedrijfsvestiging via welke een in een ander land gevestigde onderneming haar activiteiten geheel of gedeeltelijk uitoefent, voor zover de winst van die vestiging belast wordt in de lidstaat waar die vestiging zich bevindt;

17) “Unie-ondernemingen en vaste inrichtingen met activiteiten in de ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage”: Unie-ondernemingen of vaste inrichtingen waarvan de omzet voor ten minste 75 % gekoppeld is aan de winning, ontginning, raffinage van aardolie en/of de vervaardiging van cokesovenproducten, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (10);

18) “surplus aan winsten”: belastbare winsten, zoals bepaald volgens de nationale belastingregels in het boekjaar 2022 en/of het boekjaar 2023 en gedurende de volle duur daarvan, uit activiteiten van Unie-ondernemingen en vaste inrichtingen met activiteiten in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage die meer dan 20 % hoger liggen dan het gemiddelde van de belastbare winst in de vier boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2018;

19) “solidariteitsbijdrage”: een tijdelijke maatregel die tot doel heeft het surplus aan winsten van Unie-ondernemingen en vaste inrichtingen met activiteiten in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage aan te pakken teneinde de uitzonderlijke prijsontwikkelingen op de energiemarkten voor lidstaten, consumenten en bedrijven te verzachten;

20) “surplus aan inkomsten uit congestie-ontvangsten”: de resterende inkomsten die ongebruikt blijven na toewijzing van de inkomsten uit congestie-ontvangsten overeenkomstig de in artikel 19, lid 2, van Verordening (EU) 2019/943 vastgestelde prioritaire doelstellingen;

21) “vastgestelde gelijkwaardige nationale maatregel”: een wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel die uiterlijk op 31 december 2022 door een lidstaat is vastgesteld en bekendgemaakt en die bijdraagt tot de betaalbaarheid van energie.

Verwijst naar

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen