HvJ EU 30 april 2025, C-745/23, ECLI:EU:C:2025:294
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
30 april 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) 2018/1672 – Artikel 3, lid 1 – Niet-aangifte van een bedrag aan liquide middelen – Vaststelling van de waarde van een in vreemde valuta luidend bedrag aan liquide middelen – Niet door de Europese Centrale Bank bekendgemaakte wisselkoers – Oekraïense hryvnia”
In zaak C‑745/23 [Alenopik] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland) bij beslissing van 4 december 2023, ingekomen bij het Hof op 5 december 2023, in de procedure
Maksu- ja Tolliamet
tegen
UT,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan (rapporteur), J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Kriisa als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Moro en E. Randvere als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1889/2005 (PB 2018, L 284, blz. 6).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen UT en de Maksu – ja Tolliamet (belasting- en douanedienst, Estland) (hierna: „MTA” of „administratieve autoriteit”) betreffende de waarde in euro van een in Oekraïense valuta luidend bedrag aan liquide middelen met het oog op de toepassing van de in artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 opgenomen verplichting tot aangifte.
Toepasselijke bepalingen
Douaneregeling van de Unie
3 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1) (hierna: „douanewetboek”) bevat een titel I („Algemene bepalingen”), die een hoofdstuk 1 („Toepassingsgebied van de douanewetgeving, missie van de douane en definities”) bevat, waaronder artikel 1 („Ontwerp en toepassingsgebied”) van deze verordening is opgenomen, dat in lid 1 bepaalt: „Bij deze verordening wordt het [douanewetboek] vastgesteld, houdende de algemene voorschriften en procedures betreffende goederen die het douanegebied van de [Europese] Unie binnenkomen of verlaten. […]”
4 Onder titel I van deze verordening is ook een hoofdstuk 3 („Valutaomrekening en termijnen”) opgenomen, waar artikel 53 („Valutaomrekening”) van deze verordening deel van uitmaakt, dat voorziet in regels betreffende de geldende wisselkoersen indien een valuta moet worden omgerekend voor de toepassing van de douanewetgeving.
5 De artikelen 48 en 146 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558) (hierna: „verordening houdende uitvoering van het douanewetboek”) bevatten eveneens voorschriften op dit gebied die bepaalde in artikel 53 van het douanewetboek neergelegde voorschriften ten uitvoer leggen.
Verordening 2018/1672
6 Overweging 4 van verordening 2018/1672 luidt: „[…] Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad [van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (PB 2005, L 309, blz. 9)] strekt ertoe het witwassen van geld en terrorismefinanciering te voorkomen en op te sporen, door de invoering van een systeem van controles op natuurlijke personen die de Unie binnenkomen of verlaten met liquide middelen of verhandelbare instrumenten aan toonder ten bedrage van 10000 EUR of meer of de tegenwaarde daarvan in andere valuta. De term „de Unie binnenkomen of verlaten” moet worden gedefinieerd aan de hand van het grondgebied van de Unie zoals vastgesteld in artikel 355 [VWEU], zodat deze verordening een zo breed mogelijk toepassingsgebied heeft en er geen gebieden van de toepassing ervan worden uitgesloten en zij geen mogelijkheden bieden om de toepasselijke controles te omzeilen.”
7 In artikel 1 („Onderwerp”) van deze verordening is bepaald: „Deze verordening voorziet in een controlesysteem ten aanzien van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten, in aanvulling op het in richtlijn (EU) 2015/849 [van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73)] vastgestelde rechtskader ter voorkoming van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.”
8 Artikel 2 („Definities”) van die verordening bepaalt in lid 1: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a) ‚liquide middelen’: i) contant geld; […]”
9 Artikel 3 („Verplichting tot aangifte van begeleide liquide middelen”) van die verordening bepaalt in lid 1: „Vervoerders die de Unie binnenkomen of verlaten, en liquide middelen ter waarde van 10000 EUR of meer bij zich dragen, moeten die liquide middelen aangeven bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat via welke zij de Unie binnenkomen of verlaten, en hen deze voor controle ter beschikking stellen. Er wordt geacht niet aan de verplichting tot aangifte van liquide middelen te zijn voldaan indien de verstrekte informatie onjuist of onvolledig is of indien de liquide middelen niet voor controle ter beschikking worden gesteld.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Op 13 januari 2023 heeft UT samen met haar dochter te voet de grens tussen de Russische Federatie en de Republiek Estland overschreden via de grensovergang Narva (Estland). Bij die grensoverschrijding heeft UT de „groene uitgang” gebruikt, hetgeen betekende dat zij geen aangifteplichtige goederen bij zich droeg of dat de hoeveelheid ervan de door de regeling toegestane drempel niet overschreed. Nadat UT werd gefouilleerd, werd contant geld ter waarde van in totaal 500000 Oekraïense hryvnia (UAH) aangetroffen in haar zakken, onder haar kleding en onder de voering van de capuchon van haar jas. Diezelfde dag heeft de MTA met betrekking tot UT een proces-verbaal opgesteld wegens een administratieve overtreding.
11 Bij de bepaling van de waarde in euro van de 500000 UAH aan liquide middelen die UT bij zich droeg, heeft de MTA zich gebaseerd op de wisselkoers die op de website www.xe.com was gepubliceerd, en is zij tot de slotsom gekomen dat de waarde van deze valuta op de dag van de grensoverschrijding ongeveer 12565 EUR bedroeg. Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 moeten personen die de Unie binnenkomen of verlaten, en liquide middelen ter waarde van 10000 EUR of meer bij zich dragen, die liquide middelen aangeven bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat via welke zij de Unie binnenkomen of verlaten. Bijgevolg was de MTA van mening dat het geld dat UT bij zich droeg bij die autoriteit had moeten worden aangegeven.
12 Bij besluit van 13 februari 2023 heeft de MTA UT een geldboete van 600 EUR opgelegd wegens niet-aangifte van liquide middelen op grond van de tolliseadus (douanewet). De MTA heeft eveneens besloten om op grond van deze wet en het Estse wetboek van strafrecht het niet-aangegeven bedrag van 500000 UAH in beslag te nemen.
13 Voor de MTA had UT uitgelegd dat zij niet op de hoogte was van de verplichting om dit bedrag aan liquide middelen aan te geven en dat zij dus niet de bedoeling had gehad om 500000 UAH in het geheim naar Estland over te brengen. Bovendien behoorde dat geld haar niet toe, aangezien de eigenaar ervan een in Estland woonachtige Oekraïense staatsburger is die vanwege de oorlog in Oekraïne naar aanleiding van de invasie door de Russische Federatie niet in staat was om zelf transacties te verrichten met zijn geld. Zij had dat geld onder haar kleren verstopt uit angst voor diefstal. Ten slotte had de eigenaar van het geld de wisselkoers voor de Oekraïense hryvnia ten tijde van de feiten op de website www.tavid.ee gecontroleerd en daaruit afgeleid dat UT niet verplicht was om het bedrag van 500000 UAH aan te geven, aangezien de tegenwaarde ervan minder dan 10000 EUR bedroeg.
14 UT heeft tegen het besluit van 13 februari 2023 beroep ingesteld bij de Viru Maakohus (rechter in eerste aanleg Viru, Estland), die het beroep gedeeltelijk heeft toegewezen en dit besluit bij vonnis van 28 april 2023 nietig heeft verklaard wat de straf en de inbeslagneming betreft. Bij dit vonnis heeft de Viru Maakohus UT een geldboete opgelegd van 100 boete-eenheden, dat wil zeggen 400 EUR. Hij heeft geen inbeslagneming uitgesproken en heeft de teruggave aan UT gelast van de 500000 UAH die als bewijsmateriaal in beslag waren genomen.
15 De MTA heeft cassatieberoep ingesteld bij de Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland), de verwijzende rechter.
16 Tijdens de procedure voor deze rechter heeft de MTA uiteengezet dat zij zich voor de omrekening van een valuta met het oog op de vaststelling van de douanewaarde ervan baseert op de methode van artikel 53 van het douanewetboek en de artikelen 48 en 146 van de verordening houdende uitvoering van het douanewetboek. Zo gebruikt de bevoegde administratieve autoriteit, in casu de MTA, in het geval van valuta waarvoor de wisselkoers niet door de Europese Centrale Bank (ECB) wordt bekendgemaakt, de op de website www.xe.com gepubliceerde wisselkoersen, zoals overigens ook andere lidstaten doen.
17 De MTA heeft ook benadrukt dat informatie over de verplichting om liquide middelen aan te geven bij het overschrijden van de Estse grens vanuit een land buiten de Unie beschikbaar was op zijn website, alsook in brochures in het Ests en het Russisch, die aan grensdoorlaatposten worden verspreid en op informatieborden worden weergegeven. Indien een persoon die de grens overschrijdt, zich niet heeft ingelicht over de details van de in- of uitvoer van liquide middelen vóór de grensoverschrijding, kan hij bij de grensdoorlaatpost de „rode uitgang” kiezen waar in samenwerking met een MTA-beambte wordt besloten of liquide middelen al dan niet moeten worden aangegeven.
18 De Riigikohus twijfelt hoe de wisselkoers in de bij hem aanhangige zaak moet worden vastgesteld. De methode om liquide middelen die in vreemde valuta de Unie worden binnengebracht, om te rekenen naar euro is namelijk noch in het Unierecht, noch in het nationale recht nader bepaald. Om de waarde van de Oekraïense hryvnia naar euro te kunnen omrekenen, heeft de MTA zich, bij gebreke van een door de ECB bekendgemaakte referentiekoers, gebaseerd op de wisselkoers zoals bekendgemaakt op de website www.xe.com, in navolging van de praktijk van andere lidstaten. Hoewel deze website wordt vermeld op de website van de administratieve autoriteit met betrekking tot de verplichting om liquide middelen aan te geven (www.emta.ee), bestaat er geen enkele rechtsgrondslag op grond waarvan kan worden aangenomen dat de op die website bekendgemaakte wisselkoersen juridisch relevant zijn. Indien de wisselkoers van een andere website, namelijk die van Tavid AS, zou zijn gebruikt als de toepasselijke wisselkoers ten tijde van de grensoverschrijding door UT en haar dochter, zou 500000 UAH op die datum slechts 9487,67 EUR hebben bedragen.
19 Bovendien heeft de administratieve autoriteit verwezen naar artikel 53 van het douanewetboek inzake de valutaomrekening, waarvan lid 1 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten de geldende wisselkoers publiceren en/of deze op internet bekendmaken indien een valuta moet worden omgerekend om de douanewaarde van goederen of de tariefindeling ervan vast te stellen. Krachtens lid 2 van dit artikel moet de lidstaat, indien om andere dan de in lid 1 genoemde redenen een valuta moet worden omgerekend, ervoor zorgen dat de geldende wisselkoers minstens eenmaal per jaar wordt vastgesteld in de douanewetgeving.
20 Niettemin vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 53 van het douanewetboek de passende rechtsgrondslag vormt om de verplichting te doen ontstaan die is neergelegd in artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672, aangezien die verordening niet naar die bepaling verwijst.
21 Tegen deze achtergrond heeft de Riigikohus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Hoe moet de wisselkoers worden vastgesteld op basis waarvan de waarde van liquide middelen in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening [2018/1672] moet worden bepaald wanneer het gaat om een valuta waarvan de wisselkoers niet wordt bekendgemaakt door de [ECB]?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
22 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat, om vast te stellen of de in die bepaling bedoelde verplichting tot aangifte van toepassing is, de waarde van een bedrag aan liquide middelen dat in andere valuta dan de euro is uitgedrukt en waarvoor de ECB geen referentiewisselkoers bekendmaakt, vaststelt op basis van de op een website vermelde koers die de pariteit weergeeft tussen de euro en de betrokken valuta op de datum waarop de betrokkene het grondgebied van de Unie is binnengekomen of dat grondgebied heeft verlaten, ook al is deze wisselkoers hoger dan de koers die op een andere website is vermeld.
23 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 voorziet in de verplichting voor natuurlijke personen die de Unie binnenkomen of verlaten, om aangifte te doen van liquide middelen ter waarde van 10000 EUR of meer die zij bij zich dragen.
24 Ten eerste preciseert artikel 2, lid 1, onder a), i), van deze verordening dat het begrip „liquide middelen” in de zin van die verordening contant geld omvat.
25 Ten tweede moeten deze bepalingen worden uitgelegd in het licht van overweging 4 van verordening 2018/1672, waaruit blijkt dat die verordening met name het begrip „de Unie binnenkomen of verlaten” van verordening nr. 1889/2005 beoogt te definiëren, terwijl laatstgenoemde verordening in identieke omstandigheden een systeem van controle op liquide middelen ten bedrage van 10000 EUR of meer of de tegenwaarde daarvan in andere valuta invoerde. Hieruit volgt dat verordening 2018/1672 een dergelijk systeem van controle en met name de drempelwaarden voor de toepassing ervan, heeft gehandhaafd en nader heeft uitgewerkt.
26 Bijgevolg is de verplichting tot aangifte van artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 van toepassing op de situatie van een natuurlijke persoon die de Unie binnenkomt of verlaat en die een in andere valuta dan de euro luidend bedrag aan liquide middelen bij zich draagt, wanneer die liquide middelen een waarde hebben van 10000 EUR of meer.
27 Aangezien echter geen enkele bepaling van verordening 2018/1672 preciseert welke wisselkoers moet worden gehanteerd om de waarde van een dergelijk bedrag in euro vast te stellen, staat het aan de lidstaten om die koers vast te stellen.
28 Voor zover de lidstaten bij de vaststelling van deze wisselkoers uitvoering geven aan verordening 2018/1672, en dus aan het Unierecht, moeten zij hun bevoegdheden op zodanige wijze uitoefenen dat het nuttig effect van de bepalingen van deze verordening wordt gewaarborgd en de rechten die justitiabelen aan de rechtsorde van de Unie ontlenen, worden geëerbiedigd in de door dat recht bestreken situaties [zie in die zin arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 50].
29 Anders dan de MTA in het hoofdgeding stelt, zijn de lidstaten in dit verband niet verplicht om bij deze vaststelling artikel 53 van het douanewetboek en de artikelen 48 en 146 van de verordening houdende uitvoering van het douanewetboek in acht te nemen. Artikel 1 van het douanewetboek bepaalt immers dat dit wetboek de algemene voorschriften en procedures vaststelt betreffende goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten. Zoals de advocaat-generaal in de punten 38 tot en met 50 van haar conclusie heeft opgemerkt, vormt een bedrag aan liquide middelen luidend in een valuta die op de geldmarkten als gelijkwaardig aan geld worden geacht, geen goed in de zin van de bepalingen van het douanewetboek, zodat bovengenoemde bepalingen hoe dan ook niet kunnen worden toegepast op in een andere valuta dan de euro luidende bedragen aan liquide middelen die natuurlijke personen bij zich dragen.
30 Daarentegen moet ten eerste worden opgemerkt dat in artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 de drempelwaarde waaronder natuurlijke personen een bepaalde geldsom bij zich mogen dragen zonder deze te moeten aangeven, is vastgesteld op 10000 EUR. Deze geldsom vormt een zeer precieze waarde. In die omstandigheden zou afbreuk worden gedaan aan het nuttig effect van deze bepaling indien de lidstaten zouden kunnen kiezen voor een wisselkoers die de werkelijke waarde van de betrokken valuta niet weergeeft. Hoewel er dus niet noodzakelijkerwijs één enkele geldende wisselkoers voor eenzelfde valuta bestaat, moet de gekozen koers – om geldig te zijn – op zijn minst overeenkomen met een van de koersen die daadwerkelijk en vaak worden gehanteerd bij wisseltransacties van die valuta naar euro.
31 Ten tweede vereist het beginsel van de rechtsstaat waarop – zoals wordt gewaarborgd door artikel 2 VEU – de Unie berust en waarvan het rechtszekerheidsbeginsel een van de constitutieve voorwaarden is waaraan de lidstaten zich derhalve dienen te houden, met name dat de justitiabelen nauwkeurig en ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen. Dit betekent dat de maatregelen die de lidstaten nemen ter uitvoering van het Unierecht, om aan de justitiabelen te kunnen worden tegengeworpen, duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn wat de gevolgen ervan betreft, zodat de belanghebbenden er houvast aan hebben in door het Unierecht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen (zie in die zin arresten van 26 maart 2020, Hungeod e.a.,C‑496/18 en C‑497/18, EU:C:2020:240, punt 93, en 22 februari 2022, Stichting Rookpreventie Jeugd e.a.,C‑160/20, EU:C:2022:101, punten 41, 42 en 45) en bovendien dat deze vrij en gemakkelijk toegankelijk zijn.
32 Wat de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 betreft, staat het bijgevolg inderdaad aan elke lidstaat om te beslissen welke wisselkoers moet worden gehanteerd om de waarde in euro vast te stellen van een in andere valuta dan de euro luidend bedrag aan liquide middelen, mits de gekozen koers overeenkomt met een van de koersen die in de praktijk daadwerkelijk en vaak worden gehanteerd bij wisseltransacties van de betrokken valuta naar euro. Om te kunnen worden tegengeworpen aan de betrokken personen die de Unie binnenkomen of verlaten, moet de wisselkoers die de lidstaat in kwestie wil toepassen echter allereerst op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze zijn aangegeven, zodat die personen met zekerheid kunnen weten dat deze koers van toepassing is bij de vaststelling of zij de liquide middelen die zij bij zich dragen, moeten aangeven.
33 Vervolgens moet de informatie met betrekking tot die wisselkoers voor die personen gemakkelijk en vrij toegankelijk zijn, hetgeen met name impliceert dat zij er kosteloos kennis van kunnen nemen en, wanneer voor de vaststelling van die koers wordt verwezen naar informatie die op een website is gepubliceerd, dat zij zich niet op die website hoeven te registreren. Een dergelijke toegankelijkheidsverplichting vereist daarentegen niet dat de lidstaten iedere natuurlijke persoon die de Unie binnenkomt of verlaat, meedelen welke wisselkoers van toepassing is voor elke bestaande valuta, met dien verstande dat het volstaat dat de noodzakelijke informatie beschikbaar is voor iedere reiziger die zich over de toepasselijke wetgeving wenst te informeren.
34 Wat ten slotte het feit betreft dat de gehanteerde wisselkoers voorzienbaar moet zijn, zoals is vereist door het rechtszekerheidsbeginsel, moet worden benadrukt dat artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 niet tot doel heeft om het vervoer van liquide middelen die zijn uitgedrukt in andere valuta dan de euro en waarvan de waarde 10000 EUR of meer bedraagt, te verbieden, maar enkel om in die situatie een verplichting tot aangifte op te leggen. Aangezien de betrokkenen op het tijdstip waarop zij het grondgebied van de Unie binnenkomen of verlaten nog steeds kunnen beoordelen of zij aan een dergelijke verplichting moeten voldoen, volstaat het – om te voldoen aan het vereiste van voorzienbaarheid van de gehanteerde wisselkoers – dat de lidstaat in kwestie de betrokkenen in staat heeft gesteld om met zekerheid kennis te nemen van de op dat tijdstip geldende wisselkoers en aldus vast te stellen of zij op het tijdstip waarop zij het grondgebied van de Unie binnenkomen of verlaten, de liquide middelen die zij bij zich dragen, moeten aangeven.
35 Wat het hoofdgeding betreft, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de keuze van de betrokken lidstaat, om voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 de wisselkoers te hanteren van de Oekraïense hryvnia in euro die op het tijdstip van de feiten was gepubliceerd op de website www.xe.com, aan die voorwaarden voldeed. Het Hof kan deze rechter evenwel alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die voor hem bij die beoordeling nuttig kunnen zijn (zie naar analogie arrest van 7 april 2022, Berlin Chemie A. Menarini,C‑333/20, EU:C:2022:291, punt 46).
36 Allereerst blijkt in casu uit het aan het Hof overgelegde dossier dat, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, de informatie op de website www.xe.com aangeeft dat de aldaar gepubliceerde wisselkoersen die zijn welke op verschillende geldmarkten worden gehanteerd, zodat de op die website gepubliceerde koersen overeenstemmen met bij wisseltransacties daadwerkelijk en vaak gehanteerde wisselkoersen en dat de betrokken lidstaat bijgevolg voor de toepassing van de verplichting tot aangifte van artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 dergelijke koersen kon kiezen.
37 Vervolgens hadden de autoriteiten van de betrokken lidstaat, zoals de advocaat-generaal in punt 68 van haar conclusie in essentie heeft benadrukt, op hun website aangegeven – hetgeen de verwijzende rechter niettemin dient na te gaan – dat de wisselkoersen die de natuurlijke personen die de Unie binnenkomen of verlaten, dienden te gebruiken om te bepalen of de verplichting tot aangifte van dat artikel 3, lid 1, op hen van toepassing was, de op de website www.xe.com gepubliceerde wisselkoersen waren.
38 Overigens blijkt ook dat de op deze website gepubliceerde informatie over de wisselkoersen kosteloos en vrij toegankelijk is, aangezien met name geen registratie nodig is om deze te kunnen raadplegen, hetgeen ook aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
39 Het aan het Hof overgelegde dossier bevat daarentegen geen enkele aanwijzing over de vraag of de op de website www.xe.com vermelde wisselkoersen voor bepaalde perioden worden vastgesteld dan wel voortdurend fluctueren, en bijgevolg, of verzoekster in het hoofdgeding op het tijdstip waarop zij besloot om geen aangifte te doen van de liquide middelen die zij bij zich droeg, met zekerheid kon vaststellen dat de verplichting tot aangifte van artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 op haar van toepassing was.
40 Gelet op de draagwijdte van het rechtszekerheidsbeginsel zou dit, ingeval de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wisselkoers voortdurend fluctueert, evenwel enkel tot gevolg hebben dat aan verzoekster in het hoofdgeding het recht moet worden toegekend om zich te beroepen op de meest gunstige wisselkoers van de Oekraïense hryvnia in euro die was gepubliceerd op de website www.xe.com gedurende een korte periode rond het tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij heeft besloten de Unie binnen te komen zonder aangifte te doen van het bedrag aan liquide middelen dat zij bij zich droeg.
41 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1672 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat, om vast te stellen of de in die bepaling bedoelde verplichting tot aangifte van toepassing is, de waarde van een bedrag aan liquide middelen dat in andere valuta dan de euro is uitgedrukt en waarvoor de ECB geen referentiewisselkoers bekendmaakt, vaststelt op basis van de op een website vermelde koers die de pariteit weergeeft tussen de euro en de betrokken valuta op de datum waarop de betrokkene het grondgebied van de Unie is binnengekomen of dat grondgebied heeft verlaten, ook al is deze wisselkoers hoger dan de koers die op een andere website is vermeld, voor zover: – ten eerste, deze wisselkoers overeenkomt met een van de wisselkoersen die daadwerkelijk en vaak worden gehanteerd bij wisseltransacties van de betrokken valuta naar euro, – ten tweede, de betrokken lidstaat op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze heeft aangegeven dat die koers de wisselkoers is die daarvoor wordt gehanteerd, – ten derde, de informatie met betrekking tot die wisselkoers vrij en gemakkelijk toegankelijk is, en – ten vierde, de betrokkenen hiervan aldus uiterlijk op het tijdstip waarop zij het grondgebied van de Unie zijn binnengekomen of dit grondgebied hebben verlaten, met zekerheid kennis van hebben kunnen nemen.
Kosten
42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1889/2005
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat, om vast te stellen of de in die bepaling bedoelde verplichting tot aangifte van toepassing is, de waarde van een bedrag aan liquide middelen dat in andere valuta dan de euro is uitgedrukt en waarvoor de Europese Centrale Bank (ECB) geen referentiewisselkoers bekendmaakt, vaststelt op basis van de op een website vermelde koers die de pariteit weergeeft tussen de euro en de betrokken valuta op de datum waarop de betrokkene het grondgebied van de Unie is binnengekomen of dat grondgebied heeft verlaten, ook al is deze wisselkoers hoger dan de koers die op een andere website is vermeld, voor zover:
– ten eerste, deze wisselkoers overeenkomt met een van de wisselkoersen die daadwerkelijk en vaak worden gehanteerd bij wisseltransacties van de betrokken valuta naar euro,
– ten tweede, de betrokken lidstaat op duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze heeft aangegeven dat die koers de wisselkoers is die daarvoor wordt gehanteerd,
– ten derde, de informatie met betrekking tot die wisselkoers vrij en gemakkelijk toegankelijk is, en
– ten vierde, de betrokkenen hiervan aldus uiterlijk op het tijdstip waarop zij het grondgebied van de Unie zijn binnengekomen of dit grondgebied hebben verlaten, met zekerheid kennis van hebben kunnen nemen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Ests.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.