HvJ EU 27 november 2025, C-746/24, ECLI:EU:C:2025:925
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
27 november 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is – Nietigheid van de overeenkomst – Vordering van een verkoper tot terugbetaling van het bedrag van de lening die op grond van een nietig verklaarde overeenkomst is verstrekt – Regeling voor de verdeling van de kosten – Regeling voor de berekening van de gerechtskosten waarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de hoedanigheid van de eisende partij – Doeltreffendheidsbeginsel – Verplichting tot conforme uitlegging”
In zaak C‑746/24 [Gryczara] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 25 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2024, in de procedure
Bank Millennium S.A.
tegen
PR,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Bank Millennium SA, vertegenwoordigd door M. Hudyma, adwokat, S. Dudzik en T. Spyra, radcowie prawni,
– PR, vertegenwoordigd door W. Budzewski, adwokat,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door C. De Nicola, procuratore dello Stato, en M. Cherubini en A. De Curtis, avvocati dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) en van het doeltreffendheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bank Millennium S.A., een bankinstelling, en PR, een consument, over een vordering tot terugbetaling van het bedrag van een lening dat was uitbetaald op grond van een overeenkomst die nietig is verklaard omdat zij oneerlijke bedingen bevatte.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen dat „de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.
4 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
5 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
Pools recht
Burgerlijk wetboek
6 In artikel 58, lid 1, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. nr. 16, volgnr. 93), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), staat het volgende te lezen: „Een rechtshandeling die in strijd is met de wet of die tot doel heeft de wet te omzeilen is nietig, tenzij een toepasselijke bepaling anders voorschrijft, met name wanneer die bepaling erin voorziet dat de ongeldige bedingen van de rechtshandeling worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet.”
7 Artikel 3851, leden 1 en 2, van het burgerlijk wetboek bepaalt: „§ 1. Bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een kennelijke schending van zijn belangen vormt (oneerlijke contractuele bedingen). Dat geldt niet voor de bedingen over de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze ondubbelzinnig zijn geformuleerd. § 2. Indien een beding de consument overeenkomstig lid 1 niet bindt, blijven partijen gebonden door de overeenkomst zonder dat beding.”
8 Artikel 405 van dat wetboek luidt als volgt: „Eenieder die zonder rechtsgrond ten koste van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is gehouden om dat voordeel terug te geven in natura of, indien dat niet mogelijk is, om de waarde ervan te vergoeden.”
9 Artikel 410 van dat wetboek bepaalt het volgende: „§ 1. De bepalingen van de voorgaande artikelen zijn met name van toepassing op onverschuldigde prestaties. § 2. Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht daartoe in het geheel niet verplicht was of daartoe niet verplicht was ten aanzien van de begunstigde, indien de grondslag van deze prestatie is verdwenen of het doel ervan niet is bereikt, of indien de rechtshandeling waarbij die prestatie werd verlangd, nietig was en niet geldig is geworden nadat die prestatie is verricht.”
10 In artikel 498 van dat wetboek is bepaald: „§ 1. Wanneer twee personen gelijktijdig elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn, kan elk van hen zijn schuldvordering met die van de wederpartij verrekenen, mits beide schuldvorderingen betrekking hebben op geldsommen of een soort bepaalde zaken van dezelfde kwaliteit en beide schuldvorderingen opeisbaar zijn geworden en kunnen worden opgeëist voor een rechter of een andere overheidsinstantie. § 2. Als gevolg van verrekening worden de twee schuldvorderingen met elkaar verrekend tot het bedrag van de lagere schuldvordering.”
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
11 In artikel 98, leden 1 en 3 van de ustawa – Kodeks postępowania cywilnego (wet tot vaststelling van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), staat het volgende te lezen: „§ 1. De in het ongelijk gestelde partij moet de wederpartij op haar verzoek de kosten vergoeden die deze heeft moeten maken om haar rechten doeltreffend te doen gelden of om zich naar behoren te verdedigen (kosten). [...] § 3. De voor de procedure noodzakelijke kosten van een door een advocaat vertegenwoordigde partij omvatten de honoraria, maar niet meer dan in afzonderlijke bepalingen vastgestelde honorariumtarieven, de kosten van één advocaat, de gerechtskosten en de kosten van de door de rechter bevolen persoonlijke verschijning.”
12 Artikel 100 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt het volgende: „In het geval dat de vorderingen slechts gedeeltelijk worden toegewezen, worden de kosten onderling weggestreept of naar verhouding verrekend. De rechter kan evenwel aan een partij de verplichting opleggen om alle kosten te vergoeden indien zijn wederpartij slechts voor een onbeduidend deel van zijn vordering in het gelijk is gesteld of indien de vaststelling van het aan hem verschuldigde bedrag afhing van een verrekening of van een beoordeling door de rechter.”
13 Artikel 101 van dat wetboek luidt: „De kosten worden zelfs indien de vordering is toegewezen vergoed aan de verweerder als deze partij geen aanleiding heeft gegeven voor het beroep en de vordering bij de eerste proceshandeling heeft erkend.”
14 Artikel 102 van dat wetboek is als volgt verwoord: „In bijzonder gerechtvaardigde gevallen kan de rechter de in het ongelijk gestelde partij verwijzen in slechts een deel van de kosten, of haar helemaal niet in de kosten verwijzen.”
15 Artikel 103, lid 1, van die wet luidt: „Ongeacht de uitkomst van de zaak kan de rechter een partij of een interveniënt de verplichting opleggen om de kosten te vergoeden die zijn veroorzaakt door hun nalatig of kennelijk ongepast gedrag.”
Wet betreffende de gerechtskosten in civiele zaken
16 Artikel 13, lid 2, van de ustawa o kosztach sądowych w sprawach cywilnych (wet betreffende de gerechtskosten in civiele zaken) van 28 juli 2005 (Dz. U. nr. 167, volgnr. 1398), in de geconsolideerde versie ervan (Dz. U. 2022, volgnr. 1125; hierna: „wet betreffende de gerechtskosten”) is als volgt verwoord: „In zaken betreffende vermogensrechten waarbij de waarde van het voorwerp van het geding of de waarde van het voorwerp van het beroep meer bedraagt dan 20000 [Poolse zloty (PLN) (circa 4713 EUR)], is over het processtuk een evenredig recht ten bedrage van 5 % van die waarde verschuldigd, met een maximum van 200000 PLN [(circa 47136 EUR)].”
17 Artikel 13a van de wet betreffende de gerechtskosten bepaalt: „In zaken betreffende vorderingen die voortvloeien uit banktransacties is een vast bedrag van 1000 PLN [(circa 236 EUR)] verschuldigd door de partij die een consument is of een natuurlijke persoon die een familiebedrijf voert, wanneer de waarde van het voorwerp van het geding of de waarde van het voorwerp van het beroep meer bedraagt dan 20000 PLN [(circa 4713 EUR)].”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
18 Op 27 juni 2008 hebben PR en Bank Millennium een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van 640000 PLN (circa 150000 EUR), uitgedrukt in Zwitserse frank (CHF).
19 PR heeft de maandelijkse termijnen van dat krediet betaald ten belope van de bedragen van 126421,23 PLN (circa 29800 EUR) en 66600,96 CHF (circa 71480 EUR).
20 Op 26 juni 2020 heeft PR tegen Bank Millennium een vordering ingesteld tot vaststelling van de nietigheid van die overeenkomst en tot terugbetaling van de prestaties die onverschuldigd waren verricht ter uitvoering van die overeenkomst.
21 Bij vonnis van 11 mei 2022 heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, geoordeeld dat de overeenkomst nietig was wegens de oneerlijke bedingen die erin waren opgenomen. Bijgevolg heeft die rechter Bank Millennium veroordeeld tot betaling aan PR van de bedragen van 65907,32 PLN (circa 15530 EUR) en 66600,96 CHF (circa 71480 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf 19 februari 2022 tot de datum van betaling, en tot terugbetaling van de door PR gemaakte kosten. Dit vonnis is in hoger beroep bevestigd door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen).
22 Op 23 november 2022 heeft Bank Millennium bij de verwijzende rechter een vordering ingesteld tegen PR, die ertoe strekte PR te veroordelen tot terugbetaling van de hoofdsom van de lening, te weten 640000 PLN (circa 150000 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum waarop de vordering is ingesteld tot aan de datum van betaling. Zij verzoekt die rechter ook om PR te veroordelen tot betaling van de kosten, te weten de gerechtskosten, die 5 % van de waarde van het voorwerp van het geding, oftewel 32000 PLN (circa 7544 EUR) bedragen, en de kosten voor vertegenwoordiging door een advocaat, die forfaitair zijn vastgesteld op 10800 PLN (circa 2546 EUR).
23 De verwijzende rechter betwijfelt of de in het Poolse recht vastgestelde regeling voor de verdeling van de kosten verenigbaar is met richtlijn 93/13.
24 Hij merkt om te beginnen op dat krachtens het wetboek van burgerlijke rechtsvordering het basisprincipe voor de verdeling van de kosten in civiele procedures dat van de aansprakelijkheid voor de uitkomst van de zaak is. Volgens dat principe moet de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de in het gelijkgestelde partij vergoeden (artikel 98, lid 1, van dat wetboek) en, indien de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, worden de kosten onderling weggestreept of naar verhouding verdeeld (artikel 100 van dat wetboek). Dat beginsel wordt gematigd door verschillende uitzonderingen in de artikelen 101 en 102 en artikel 103, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, te weten respectievelijk de mogelijkheid dat de verzoeker de kosten draagt wanneer de verweerder de vordering bij de eerste proceshandeling heeft erkend, de toepassing van het billijkheidsbeginsel en de toepassing van het schuldbeginsel. Volgens de verwijzende rechter is echter geen van die uitzonderingen in casu van toepassing.
25 Vervolgens beklemtoont de verwijzende rechter, die refereert aan rechtspraak van het Hof [arresten van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 41, en 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C‑714/22, EU:C:2024:263, punt 83], dat de regeling inzake de verdeling van de kosten die van toepassing is op een procedure strekkende tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding, niet tot gevolg mag hebben dat de consument wordt ontmoedigd om de hem bij richtlijn 93/13 verleende rechten uit te oefenen.
26 In dat verband merkt de verwijzende rechter op dat PR in het hoofdgeding kan worden veroordeeld om aan Bank Millennium naast het geleende kapitaal van 640000 PLN (circa 150000 EUR), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente, een bedrag van in totaal 42800 PLN (circa 10090 EUR) voor de kosten te betalen. Een dergelijke financiële last, die ongeveer overeenkomt met de helft van een gemiddeld jaarsalaris in Polen, kan afbreuk doen aan zowel de doelstellingen van richtlijn 93/13 als aan het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht.
27 Voorts wijst die rechter er met betrekking tot de kostenstructuur in de twee betrokken gerechtelijke procedures op dat het bedrag van de advocatenhonoraria, te weten 10800 PLN (circa 2546 EUR), weliswaar gelijk is, ongeacht of de procedure is ingesteld door een verkoper of een consument, maar dat dit anders ligt voor de gerechtskosten. In het kader van de procedure tot vaststelling van de nietigheid van de kredietovereenkomst heeft PR namelijk krachtens artikel 13a van de wet betreffende de gerechtskosten een bedrag van 1000 PLN (circa 236 EUR) moeten betalen toen hij zijn vordering tegen de bank heeft ingesteld, terwijl Bank Millennium 32000 PLN (circa 7544 EUR) vordert voor de gerechtskosten in het hoofdgeding, die zij overeenkomstig artikel 13, lid 2, van die wet moet betalen.
28 De verwijzende rechter stelt vast dat PR in de door hem ingestelde oorspronkelijke procedure zowel door zijn advocaat als door deze rechter naar behoren was geïnformeerd over de gevolgen van de nietigheid van de kredietovereenkomst, met name de verplichting om het geleende kapitaal, de eventuele wettelijke vertragingsrente en de kosten terug te betalen. Bijgevolg kan niet op goede gronden worden gesteld dat de veroordeling in de kosten onvoorzienbaar zou zijn voor de consument.
29 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat PR de vordering van de bank had kunnen erkennen bij ontvangst van het verzoekschrift. Dit zou hebben geleid tot de toepassing van artikel 101 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, en Bank Millennium zou dan alle kosten hebben moeten dragen. Bovendien had PR overeenkomstig artikel 498, lid 1, van het burgerlijk wetboek de verrekening van schuldvorderingen kunnen tegenwerpen. Indien hij na ontvangst van het verzoekschrift een verklaring van verrekening van de vordering had afgelegd, zouden de wederzijdse schuldvorderingen van de partijen elkaar krachtens lid 2 van dat artikel hebben opgeheven ten belope van de lagere vordering. De schuldvordering van de bank zou dan aanzienlijk zijn verminderd. PR heeft echter voor een andere processtrategie gekozen die erin bestond de schuldvordering van de bank te betwisten door de verjaring aan te voeren, welk middel volgens de verwijzende rechter ongegrond is.
30 Tot slot vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 hem niet verplichten om alle negatieve gevolgen van de opname van verboden contractuele bedingen in de overeenkomst bij de verkoper te leggen. Zouden namelijk geen oneerlijke contractuele bedingen zijn opgenomen in de kredietovereenkomst, dan zou de procedure in het hoofdgeding niet hebben plaatsgevonden. Bijgevolg moet worden vastgesteld of de verkoper in een dergelijke hypothese niet alle kosten van de onderhavige procedure moet dragen, ongeacht wat de uitkomst ervan zal zijn en zelfs als hij volledig in het gelijk wordt gesteld.
31 In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13], alsmede het doeltreffendheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die toestaat om de consument te verwijzen in de kosten van een procedure waarin de nationale rechter de vordering van een verkoper tot terugbetaling van prestaties die zijn verricht krachtens een overeenkomst die nietig is wegens de hierin opgenomen oneerlijke bedingen, heeft toegewezen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
32 Bank Millennium stelt dat de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is omdat zij geen betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht, aangezien de bepalingen van richtlijn 93/13 niet van toepassing zijn op de gevolgen van het schrappen van de oneerlijke bedingen. Die vraag, die ziet op de terugbetaling van kosten in het kader van een door de bank ingestelde vordering tot terugbetaling, heeft namelijk enkel betrekking op de uitlegging van het nationale recht.
33 In dit verband zij eraan herinnerd dat het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking berust op een duidelijke scheiding van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof. In een krachtens dat artikel ingeleide procedure is het de taak van de rechterlijke instanties van de lidstaten en niet van het Hof om uitlegging te geven aan de nationale bepalingen en staat het niet aan het Hof om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale normen met de bepalingen van het Unierecht. Het Hof is daarentegen wel bevoegd om de nationale rechter alle uitleggingselementen van het Unierecht te geven die hem in staat stellen te beoordelen of de nationale normen verenigbaar zijn met de Unieregeling (zie arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, EU:C:1978:69, punt 4, en 17 maart 2021, Consulmarketing, C‑652/19, EU:C:2021:208, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is het voorts uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om – rekening houdend met de bijzonderheden van het hoofdgeding – zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht daarop te antwoorden [zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 25, en 2 februari 2023, Towarzystwo Ubezpieczeń Ż (Misleidende modelverzekeringsovereenkomsten), C‑208/21, EU:C:2023:64, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Derhalve worden vragen over het Unierecht vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [zie arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf, C‑355/97, EU:C:1999:391, punt 22, en 2 februari 2023, Towarzystwo Ubezpieczeń Ż (Misleidende modelverzekeringsovereenkomsten), C‑208/21, EU:C:2023:64, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 Dit is in casu echter niet het geval.
37 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat het hoofdgeding een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal betreft die Bank Millennium tegen PR heeft ingesteld nadat een eerste procedure had geleid tot de nietigverklaring van een kredietovereenkomst op grond dat deze onrechtmatige bedingen bevatte. Met zijn prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof uitdrukkelijk om uitlegging van het Unierecht, en in het bijzonder om uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel. Die rechter wenst te vernemen of deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die ertoe leidt dat een consument die in het kader van een dergelijke vordering tot terugbetaling in het ongelijk wordt gesteld, kan worden verwezen in de van de kosten deel uitmakende gerechtskosten die aanzienlijk hoger zijn dan de kosten die deze consument had moeten dragen indien hij in het ongelijk was gesteld in het kader van een door hem ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van deze bedingen en, in voorkomend geval, de nietigheid van die bedingen en van de kredietovereenkomst.
38 In die omstandigheden blijkt niet kennelijk dat de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is. Bijgevolg betreft de exceptie van niet-toepasselijkheid van deze handeling op het hoofdgeding in casu niet de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing maar de grond van de gestelde vragen [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, TGSS (Werkloosheid van huishoudelijk personeel), C‑389/20, EU:C:2022:120, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
39 De prejudiciële vraag is dus ontvankelijk.
Ten gronde
40 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 26; 28 november 2000, Roquette Frères, C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punt 47).
41 In het onderhavige geval vraagt de verwijzende rechter zich blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing af, of de nationale regeling die voorziet in de verwijzing in de kosten van de consument die in het ongelijk is gesteld in het kader van een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal die door de verkoper is ingesteld na de nietigverklaring van een kredietovereenkomst op grond dat deze onrechtmatige bedingen bevatte, verenigbaar is met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, telkens gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel. Die rechter merkt op dat de van de kosten deel uitmakende gerechtskosten die ten laste van deze consument komen aanzienlijk hoger kunnen zijn dan de kosten die deze consument had moeten dragen indien hij in het ongelijk was gesteld in het kader van een door hem ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van deze bedingen en, in voorkomend geval, de nietigheid van die bedingen en van de kredietovereenkomst. Deze situatie vloeit voort uit het onderscheid dat de Poolse wetgeving op het gebied van de gerechtskosten maakt met betrekking tot de wijze waarop die kosten worden berekend naargelang dat het beroep door een verkoper dan wel door een consument is ingesteld.
42 In die omstandigheden moet de verwijzende rechter worden geacht met zijn vraag in wezen te wensen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, telkens gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een consument, als verwerende partij die in het ongelijk is gesteld in het kader van een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal die een verkoper heeft ingesteld na de nietigverklaring van een kredietovereenkomst wegens het oneerlijke karakter van daarin opgenomen bedingen, wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen gerechtskosten die, als gevolg van het onderscheid dat deze regeling bij de berekening van het bedrag van die kosten maakt naargelang dat het bij de verzoekende partij al dan niet om een consument gaat, aanzienlijk hoger zijn dan de kosten welke deze consument had moeten dragen indien hij in het ongelijk was gesteld in het kader van een door hem ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van die bedingen en, in voorkomend geval, van de nietigheid van die bedingen en van de kredietovereenkomst.
43 In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden.
44 Gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang waarop de aan de consument – die zich tegenover de verkoper in een zwakke positie bevindt – verschafte bescherming berust, verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” (arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Het Hof heeft geoordeeld dat de gevolgen die aan de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument worden verbonden, het mogelijk moeten maken twee doelstellingen te verwezenlijken. Ten eerste moet de rechter ervoor zorgen dat de gelijkheid tussen de partijen bij de overeenkomst – die door de toepassing van een oneerlijk beding jegens de consument in gevaar wordt gebracht – kan worden hersteld. Ten tweede moet worden verzekerd dat de verkoper ervan wordt afgeschrikt om dergelijke bedingen op te nemen in de overeenkomsten die hij consumenten aanbiedt (arrest van 25 november 2020, Banca B., C‑269/19, EU:C:2020:954, punt 38). De verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken te zijn, buiten toepassing te laten, leidt in beginsel dus tot een terugbetalingsplicht die overeenkomt met deze bedragen (arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 62).
46 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de verdeling van de kosten van een gerechtelijke procedure bij de nationale rechterlijke instanties onder de procesautonomie van de lidstaten valt, op voorwaarde dat de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen (arrest van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel – dat als enige aan de orde is in de vragen van de verwijzende rechterlijke instantie – moet eraan worden herinnerd dat de vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Hoewel het doeltreffendheidsbeginsel zich er in het algemeen niet tegen verzet dat een consument bepaalde proceskosten draagt wanneer hij beroep instelt strekkende tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding (arrest van 7 april 2022, Caixabank, C‑385/20, EU:C:2022:278, punt 51), moet ook worden opgemerkt dat richtlijn 93/13 de consument het recht verleent om zich tot een rechter te wenden om een contractueel beding oneerlijk te laten verklaren en om dat beding buiten toepassing te laten, en dat de doeltreffendheid van dit recht moet worden gevrijwaard. Bijgevolg mag de regeling voor de kostenverdeling van een dergelijke procedure de consument niet ontmoedigen om dit recht uit te oefenen (zie in die zin arrest van 22 september 2022, Servicios prescriptor y medios de pagos EFC, C‑215/21, EU:C:2022:723, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Uit de rechtspraak blijkt ook dat indien de kostenverdeling in die procedure enkel afhangt van de bedragen die onterecht werden betaald en waarvan terugbetaling wordt gelast, dit die consument, gezien de kosten van een beroep in rechte, kan ontmoedigen dat recht uit te oefenen. Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel verzetten zich derhalve tegen een regeling waarbij een deel van de proceskosten voor rekening van de consument kan komen, en dit naargelang van de hoogte van de onterecht betaalde bedragen die hem wegens de nietigverklaring van een oneerlijk contractueel beding moeten worden terugbetaald, aangezien die regeling een aanzienlijk obstakel vormt dat consumenten ervan kan weerhouden het hun door die richtlijn verleende recht op een effectieve rechterlijke toetsing van het potentieel oneerlijke karakter van contractuele bedingen uit te oefenen (arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C‑224/19 en C‑259/19, EU:C:2020:578, punten 98 en 99).
50 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de procedures op grond van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 in beginsel worden ingesteld door een als verzoekende partij optredende consument tegen een verkoper die verwerende partij is. Om het nuttig effect van die richtlijn te vrijwaren en de consument daadwerkelijk te beschermen tegen de bijzonder nadelige gevolgen die uit de nietigverklaring van de betrokken kredietovereenkomst zouden kunnen voortvloeien, moet worden geoordeeld dat de in de punten 48 en 49 van dit arrest vermeldde beoordeling van het Hof met betrekking tot de verdeling van de kosten in het kader van een procedure die ertoe strekt vast te stellen dat een contractueel beding oneerlijk is, naar analogie ook van toepassing is in een situatie als in het hoofdgeding, waarin de consument verweerder is in een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal die door de verkoper is ingesteld na de nietigverklaring van een kredietovereenkomst op grond dat deze onrechtmatige bedingen bevatte.
51 In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof heeft geoordeeld dat procedurele regelingen die te hoge kosten met zich meebrengen voor de consument ertoe kunnen leiden dat hij ervan wordt weerhouden om zijn rechten op een nuttige manier te verdedigen voor de door de verkoper aangezochte rechterlijke instantie (zie in die zin arrest van 7 april 2022, Caixabank, C‑385/20, EU:C:2022:278, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat naar Pools recht het feit dat de rechter de nietigheid van een leningsovereenkomst heeft vastgesteld wegens een daarin opgenomen oneerlijk beding, tot gevolg heeft dat de ter uitvoering van die overeenkomst verrichte betalingen, ongeacht of die door de kredietnemers dan wel door de bankinstelling zijn verricht, onverschuldigde betalingen vormen in de zin van artikel 410, lid 2, van het burgerlijk wetboek die krachtens artikel 410, lid 1, juncto artikel 405 van dit wetboek moeten worden terugbetaald.
53 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt voorts ten eerste dat volgens artikel 98, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de in het gelijkgestelde partij moet vergoeden. Ten tweede voorziet het Poolse recht op het gebied van gerechtskosten in een onderscheid naargelang de vordering door een verkoper dan wel door een consument is ingesteld. Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van de wet betreffende de gerechtskosten wordt immers op zaken betreffende vermogensrechten een evenredig recht van 5 % van de waarde van het geding toegepast, met een wettelijk maximum. In zaken betreffende vorderingen die voortvloeien uit banktransacties voorziet artikel 13a van deze wet daarentegen voor vorderingen die door een consument worden ingesteld in een vast bedrag voor kosten van 1000 PLN (circa 236 EUR) wanneer de waarde van het voorwerp van het geding of de waarde van het voorwerp van het beroep meer dan 20000 PLN (circa 4713 EUR) bedraagt.
54 Volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter kan dit verschil in de wijze waarop de gerechtskosten worden berekend leiden tot situaties waarin de consument die verweerder is in een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal die door de verkoper is ingesteld na de nietigverklaring van een kredietovereenkomst met onrechtmatige bedingen, en in het ongelijk wordt gesteld, wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen gerechtskosten die aanzienlijk hoger zijn dan die welke de consument had moeten dragen indien hij in het ongelijk was gesteld in het kader van een door hem ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van die bedingen en, in voorkomend geval, de nietigheid van die bedingen en van de kredietovereenkomst.
55 Opgemerkt zij dat een regeling als die in het hoofdgeding, die voorziet in lagere vaste gerechtskosten wanneer de consument een vordering instelt die voortvloeit uit banktransacties, in beginsel gunstig is voor die laatste.
56 Gelet op het aanzienlijk hogere niveau van de gerechtskosten die van toepassing zijn op vorderingen die door een verkoper worden ingesteld op het gebied van vermogensrechten en op het feit dat het bedrag van die kosten die de consument eventueel moet vergoeden rechtstreeks afhankelijk is van het bedrag van de vordering van de verkoper, kan de automatische toepassing van het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij alle kosten moet dragen, met inbegrip van voornoemde gerechtskosten, er echter toe leiden dat de consument een onevenredige financiële last moet dragen wanneer hij bij een dergelijke vordering in het ongelijk wordt gesteld. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt namelijk enerzijds dat PR een bedrag van 1000 PLN (circa 236 EUR) aan gerechtskosten heeft moeten betalen in het kader van het beroep dat hij tegen Bank Millennium heeft ingesteld en dat ertoe heeft geleid dat Bank Millennium werd veroordeeld om hem een bedrag van circa 101280 EUR te betalen. Anderzijds moest PR, als verweerder in de later door Bank Millennium ingestelde procedure betreffende de terugbetaling van het geleende kapitaal, namelijk een schuldvordering van 640000 PLN (circa 150000 EUR), na afloop waarvan hij in het ongelijk is gesteld, Bank Millennium de gerechtskosten ten belope van 5 % van de waarde van het geding vergoeden, in casu 32000 PLN (circa 7544 EUR).
57 Dergelijke kosten, die op grond van de gecombineerde toepassing van de nationale regels voor de berekening van de gerechtskosten en de automatische toepassing van het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij alle kosten, met inbegrip van deze gerechtskosten, moet dragen, ten laste van de consument kunnen worden gelegd, kunnen de consument in strijd met de in de punten 48 en 51 van dit arrest aangehaalde rechtspraak beletten of hem ervan weerhouden om de rechten die hem bij richtlijn 93/13 zijn verleend, op nuttige wijze uit te oefenen voor de rechter waarbij de verkoper zijn vordering heeft ingesteld.
58 Dergelijke procedurele regelingen kunnen de consument die verweerder is in een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal die de verkoper heeft ingesteld na de nietigverklaring van een kredietovereenkomst die oneerlijke bedingen bevat, er namelijk van weerhouden zijn vorderingen te handhaven, ongeacht de gegrondheid van deze vorderingen, aangezien dit in geval van een ongunstige uitkomst van de procedure kan leiden tot een veroordeling in de kosten, waarin onevenredig hoge gerechtskosten zijn begrepen.
59 Die procedurele regelingen lijken ook afbreuk te doen aan het ontmoedigende karakter van de nietigverklaring van de overeenkomst wegens de daarin opgenomen oneerlijke bedingen, aangezien de consument, ondanks deze nietigverklaring, bijzonder hoge gerechtskosten moet dragen in het kader van de door de verkoper ingestelde vordering tot terugbetaling, tenzij die consument de vordering van de verkoper erkent. Die regelingen komen derhalve uiteindelijk neer op een schending van het doeltreffendheidsbeginsel.
60 Tegen die achtergrond zij eraan herinnerd dat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, en met inachtneming van met name het verbod van uitlegging contra legem van het nationale recht, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punten 118 en 119, en 15 oktober 2024, KUBERA, C‑144/23, EU:C:2024:881, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 In casu betogen de Poolse regering en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen voor het Hof dat artikel 98, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan worden uitgelegd op een wijze die strookt met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, telkens gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel. Zij betogen dat het namelijk aan de nationale rechter staat om in voorkomend geval rekening te houden met de uitzonderingen waarin met name in de artikelen 102 en 103 van dit wetboek is voorzien, die het mogelijk maken de kosten aan te passen op grond van het billijkheidsbeginsel of op grond van eventueel aan een van de partijen toe te rekenen onrechtmatig gedrag.
62 Het staat uiteindelijk aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of de aan de orde zijnde nationale regeling in overeenstemming met richtlijn 93/13 kan worden uitgelegd, en zo ja, om er de passende rechtsgevolgen aan te verbinden.
63 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, telkens gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een consument, als verwerende partij die in het ongelijk is gesteld in het kader van een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal die een verkoper heeft ingesteld na de nietigverklaring van een kredietovereenkomst wegens het oneerlijke karakter van daarin opgenomen bedingen, wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen gerechtskosten die, als gevolg van het onderscheid dat deze regeling bij de berekening van het bedrag van die kosten maakt naargelang dat het bij de verzoekende partij al dan niet om een consument gaat, aanzienlijk hoger zijn dan de kosten welke deze consument had moeten dragen indien hij in het ongelijk was gesteld in het kader van een door hem ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van die bedingen en, in voorkomend geval, van de nietigheid van die bedingen en van de kredietovereenkomst.
Kosten
64 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, telkens gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een consument, als verwerende partij die in het ongelijk is gesteld in het kader van een vordering tot terugbetaling van het geleende kapitaal die een verkoper heeft ingesteld na de nietigverklaring van een kredietovereenkomst wegens het oneerlijke karakter van daarin opgenomen bedingen, wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen gerechtskosten die, als gevolg van het onderscheid dat deze regeling bij de berekening van het bedrag van die kosten maakt naargelang dat het bij de verzoekende partij al dan niet om een consument gaat, aanzienlijk hoger zijn dan de kosten welke deze consument had moeten dragen indien hij in het ongelijk was gesteld in het kader van een door hem ingestelde vordering tot vaststelling van het oneerlijke karakter van die bedingen en, in voorkomend geval, van de nietigheid van die bedingen en van de kredietovereenkomst.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 15 oktober 2024, C-144/23, ECLI:EU:C:2024:881
- HvJ EU 21 maart 2024, C-714/22, ECLI:EU:C:2024:263
- HvJ EU 2 februari 2023, C-208/21, ECLI:EU:C:2023:64
- HvJ EU 22 september 2022, C-215/21, ECLI:EU:C:2022:723
- HvJ EU 7 april 2022, C-385/20, ECLI:EU:C:2022:278
- HvJ EU 24 februari 2022, C-389/20, ECLI:EU:C:2022:120
- HvJ EU 17 maart 2021, C-652/19, ECLI:EU:C:2021:208
- HvJ EU 25 november 2020, C-269/19, ECLI:EU:C:2020:954
- HvJ EU 16 juli 2020, C-224/19, ECLI:EU:C:2020:578
- HvJ EU 21 december 2016, C-154/15, ECLI:EU:C:2016:980
- HvJ EU 5 oktober 2004, C-397/01, ECLI:EU:C:2004:584
- HvJ EU 28 november 2000, C-88/99, ECLI:EU:C:2000:652
- HvJ EU 7 september 1999, C-355/97, ECLI:EU:C:1999:391
- HvJ EU 29 november 1978, 83/78, ECLI:EU:C:1978:214