HvJ EU 2 februari 2023, C-208/21, ECLI:EU:C:2023:64

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

2 februari 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 5 – Verplichting om bedingen in een overeenkomst duidelijk en begrijpelijk op te stellen – Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten – Artikel 3 – Werkingssfeer – Artikel 7 – Misleidende omissie – Artikel 13 – Sancties – Levensverzekeringsovereenkomsten in de vorm van fractieverzekeringen – Informatie over de aard en de structurering van het verzekeringsproduct en over de aan dit product verbonden risico’s – Misleidende modelovereenkomsten – Aansprakelijke entiteit – Rechtsgevolgen”

In zaak C‑208/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau-Wola, zittingsplaats Warschau, Polen) bij beslissing van 1 juni 2020, ingekomen bij het Hof op 23 maart 2021, in de procedure

K. D.

tegen

Towarzystwo Ubezpieczeń Ż S.A.,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: L. S. Rossi (rapporteur), kamerpresident, J.‑C. Bonichot en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Towarzystwo Ubezpieczeń Ż S.A., vertegenwoordigd door A. Ciechowicz-Jaworska en B. Ślażyński, radcy prawni,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Santini, avvocato dello stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. L. Kalėda en N. Ruiz García als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), alsmede van artikel 2, onder d), en artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K. D. en Towarzystwo Ubezpieczeń Ż S.A. (hierna: „TUŻ”) over de terugbetaling van verzekeringspremies die zijn gestort in verband met een collectieve levensverzekeringsovereenkomst in de vorm van een fractieverzekering (hierna: „collectieve fractieverzekeringsovereenkomst”), waarbij K. D. zich heeft aangesloten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3 In artikel 5 van richtlijn 93/13 staat te lezen: „In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. […]”

Richtlijn 2002/83

4 Artikel 36 van richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PB 2002, L 345, blz. 1), die met ingang van 1 januari 2016 is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB 2009, L 335, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/58/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB 2013, L 341, blz. 1), bepaalde in lid 1: „Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage III, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.”

Richtlijn 2005/29

5 In de overwegingen 7 en 9 van richtlijn 2005/29 staat te lezen: „(7) Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. […] […] (9) Deze richtlijn vormt geen beletsel voor het instellen van individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken. Deze richtlijn doet evenmin afbreuk aan de communautaire en nationale regels inzake verbintenissenrecht […]. Met betrekking tot financiële diensten en onroerend goed moeten, gezien de complexiteit en de eraan verbonden ernstige risico’s, uitgebreide eisen worden gesteld, waaronder positieve verplichtingen voor handelaren. Om die reden beperkt deze richtlijn op het gebied van financiële diensten en onroerend goed niet het recht van de lidstaten om verder te gaan dan de bepalingen van deze richtlijn, teneinde de economische belangen van de consumenten te beschermen. […]”

6 In artikel 2 van richtlijn 2005/29 is bepaald: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] b) ‚handelaar’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt; c) ‚product’: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen; d) ‚handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten’ (hierna ‚de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten; […]”

7 Artikel 3 van die richtlijn bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product. 2. Deze richtlijn laat het verbintenissenrecht en, in het bijzonder, de regels betreffende de geldigheid, de opstelling en de rechtsgevolgen van contracten onverlet.”

8 In artikel 5 van richtlijn 2005/29 staat te lezen: „1. Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden. […] 4. Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die: a) misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7, of b) agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9. […]”

9 Artikel 7 van deze richtlijn bepaalt: „1. Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. 2. Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een handelspraktijk die essentiële informatie als bedoeld in lid 1, rekening houdend met de in dat lid geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. […] 5. Overeenkomstig de communautaire wetgeving vereiste informatie met betrekking tot commerciële communicatie, inclusief reclame en marketing, wordt als essentieel beschouwd (een niet-limitatieve lijst staat in bijlage II).”

10 Artikel 11, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn luidt: „De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.”

11 Artikel 13 van diezelfde richtlijn is als volgt verwoord: „De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op schendingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van deze sancties. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

12 Volgens bijlage II bij richtlijn 2005/29 strekt de informatie die wordt geacht essentieel te zijn in de zin van artikel 7 van deze richtlijn, zich mede uit tot de in artikel 36, lid 1, van richtlijn 2002/83 bedoelde informatie.

13 Richtlijn 2005/29 is gewijzigd bij richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 (PB 2019, L 328, blz. 7). Bij laatstgenoemde richtlijn – waarvan de omzettingstermijn overeenkomstig artikel 7, lid 1, is verstreken op 28 november 2021 – is aan richtlijn 2005/29 een artikel 11 bis toegevoegd dat als volgt luidt: „1. Consumenten die door oneerlijke handelspraktijken schade hebben geleden, krijgen toegang tot evenredige en doeltreffende remedies, waaronder vergoeding voor de door hen geleden schade en, indien relevant, een prijsvermindering of de beëindiging van de overeenkomst. De lidstaten mogen de toepassingsvoorwaarden en de rechtsgevolgen van deze remedies bepalen. De lidstaten kunnen in voorkomend geval rekening houden met de ernst en aard van de oneerlijke handelspraktijk, de door de consument geleden schade en andere relevante omstandigheden. 2. Deze remedies doen geen afbreuk aan de toepassing van andere remedies die consumenten op grond van het Unierecht of nationale recht ter beschikking staan.”

Pools recht

14 Richtlijn 2005/29 is in Pools recht omgezet bij de Ustawa o przeciwdziałaniu nieuczciwym praktykom rynkowym (wet ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken) van 23 augustus 2007 (Dz. U. nr. 171, volgnr. 1206]. Artikel 12, lid 1, van deze wet, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt: „In het geval van een oneerlijke handelspraktijk kan de consument van wie het belang is bedreigd of geschonden, verzoeken om: […] 4) vergoeding van de geleden schade op grond van de algemene beginselen, met name door de beëindiging van de overeenkomst te vorderen met verplichting tot wederzijdse ongedaanmaking van de prestaties en terugbetaling door de handelaar van de aan de aankoop van het product verbonden kosten; […]”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Bij een verklaring die inging op 10 januari 2012, is K. D. voor een periode van 15 jaar als verzekerde toegetreden tot de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst die is gesloten tussen TUŻ, een verzekeringsmaatschappij, en Y, een bank die optreedt als verzekeringnemer.

16 Deze overeenkomst beoogde de door de verzekerden maandelijks betaalde verzekeringspremies te verzamelen en te beleggen via een met die premies opgericht beleggingsfonds. Nadat het bedrag van de premies was omgezet in fracties van het beleggingsfonds, werd het belegd in certificaten die waren uitgegeven door een beleggingsonderneming (hierna: „onderliggende activa van de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst”) en waarvan de waarde werd berekend op basis van een index.

17 Als tegenprestatie verbond TUŻ zich ertoe om een uitkering te betalen bij overlijden van de verzekerde, alsmede bij leven van de verzekerde op het tijdstip waarop de polis verstrijkt. Het bedrag van deze uitkering mocht niet lager zijn dan de nominale waarde van de door de verzekerde betaalde premies, vermeerderd met elke positieve wijziging van de waarde van de fracties van het beleggingsfonds. Voor het geval dat de verzekeringsovereenkomst daarentegen zou worden beëindigd vóór het einde van de looptijd ervan, verbond TUŻ zich ertoe om de verzekerde een bedrag uit te keren dat overeenkwam met de geactualiseerde waarde van zijn fracties van het beleggingsfonds, minus een liquidatiecommissie.

18 De collectieve fractieverzekeringsovereenkomst was onderworpen aan de algemene verzekeringsvoorwaarden, een tabel van kosten en maximumpremies en een reglement van het beleggingsfonds, die door TUŻ opgestelde modelbedingen zijn. Deze documenten bevatten geen regels voor de omzetting van de maandelijkse premies in fracties van het betreffende beleggingsfonds en de waardering van deze fracties, de waardering van de netto-activa van dit fonds als geheel en de waardering van de certificaten waarin de middelen van dat fonds werden belegd, noch werd in die documenten gepreciseerd welke methode moest worden gehanteerd voor de berekening van de waarde van de index waarop de uitbetaling van die certificaten gebaseerd was. In het reglement van het beleggingsfonds in kwestie was evenwel bepaald dat de belegging met name was blootgesteld aan het door de emittent van die certificaten gelopen kredietrisico en aan het risico op verlies van een deel van de betaalde premies bij vervroegde beëindiging van voornoemde overeenkomst.

19 De verkoop van de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst aan de consumenten werd verricht en beheerd door bank Y. Zij kreeg van TUŻ een commissie voor haar tussenkomst. Hoewel Y niet heeft deelgenomen aan de vormgeving van het verzekeringsproduct – dat volledig door TUŻ is ontworpen – heeft zij haar met de verkoop ervan belaste werknemers opgeleid en daartoe door TUŻ gevalideerd opleidingsmateriaal opgesteld.

20 In casu is K. D. tot de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst toegetreden via de bemiddeling van een werknemer van Y, die K. D. – naar haar zeggen – het verzekeringsproduct in kwestie heeft voorgesteld als een beleggingsproduct dat bij het verstrijken van de looptijd van die overeenkomst een gewaarborgd kapitaal bood. Het aanbod tot toetreding was gebaseerd op de algemene verzekeringsvoorwaarden en het reglement van het beleggingsfonds, die door TUŻ waren opgesteld en die door de werknemer van Y werden overhandigd aan K. D.

21 Nadat K. D. had vernomen dat de waarde van de fracties in het beleggingsfonds beduidend lager was dan het bedrag van de betaalde verzekeringspremies heeft zij bij brief van 4 april 2017 zijn verzekeringsovereenkomst beëindigd en TUŻ verzocht haar alle betaalde verzekeringspremies terug te betalen. TUŻ heeft dit verzoek bij brief van 25 april 2017 afgewezen.

22 Bij een op 10 januari 2018 ingestelde vordering heeft K. D. de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau-Wola, zittingsplaats Warschau, Polen), de verwijzende rechter, verzocht TUŻ te veroordelen om haar een bedrag te betalen dat in wezen overeenkomt met het verschil tussen de afkoopwaarde van de verzekeringsovereenkomst op de dag van de beëindiging ervan – na aftrek van de liquidatiekosten ongeveer een derde van de door K. D. betaalde premies – en de totaliteit van de betaalde premies.

23 Ter ondersteuning van die vordering voert K. D. verschillende middelen aan die gebaseerd zijn op de nietigheid van haar verklaring van toetreding tot de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst, alsmede op een oneerlijke handelspraktijk van TUŻ die erin bestaat dat deze niet aan de behoeften van de consument aangepaste producten heeft verkocht en haar misleidende informatie heeft verstrekt ten tijde van haar toetreding tot die overeenkomst. Ter ondersteuning van die middelen betoogt K. D. in wezen dat de modelbedingen van de betreffende overeenkomst onduidelijke, onnauwkeurige en dus misleidende bepalingen bevatten die de consument niet in staat stellen om uit te maken wat de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct en de daaraan verbonden risico’s zijn.

24 TUŻ voert aan dat de zogenaamd oneerlijke praktijken waarvan volgens K. D. sprake is, zien op het proces van de verkoop van het verzekeringsproduct en dat Y dit proces in eigen naam en voor eigen rekening heeft ontwikkeld in het kader van haar economische activiteiten. Bovendien stelt TUŻ dat zij haar informatieverplichtingen is nagekomen aangezien alle inlichtingen over het verzekeringsproduct opgenomen waren in de documenten die K. D. bij haar toetreding tot de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst heeft ontvangen.

25 Tegen deze achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich af hoe meerdere bepalingen van richtlijn 2005/29 en richtlijn 93/13 moeten worden uitgelegd voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding. Hij merkt in de eerste plaats op dat het begrip „oneerlijke handelspraktijk” in de zin van richtlijn 2005/29 volgens een letterlijke uitlegging van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 7 ervan, uitsluitend ziet op omstandigheden die betrekking hebben op de sluiting van de overeenkomst en de wijze waarop het product in kwestie wordt voorgesteld aan de consument, en niet op de eerdere fase van de vormgeving van dit product en van de vaststelling van de inhoud van de modelverzekeringsovereenkomst.

26 Volgens de verwijzende rechter moet evenwel rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van een driepartijenrechtsbetrekking als die welke aan de orde is in het hoofdgeding. In deze constellatie is het aanbod van het door de betrokken verzekeringsmaatschappij ontworpen en door de verzekeringnemer verdeelde verzekeringsproduct gebaseerd op een door deze verzekeringsmaatschappij opgestelde modelverzekeringsovereenkomst waarin de omvang van de respectieve verplichtingen van die maatschappij en de consument wordt bepaald.

27 Wanneer die modelovereenkomst niet begrijpelijk is opgesteld, in die zin dat de gemiddelde consument niet in staat is om uit te maken wat de wezenlijke kenmerken van het aangeboden verzekeringsproduct zijn, kan het begrip „oneerlijke handelspraktijk” bijgevolg ook aldus worden uitgelegd dat het ziet op het gedrag van een handelaar die weliswaar niet betrokken is bij de verkoop van dat product, maar een misleidende modelverzekeringsovereenkomst heeft opgesteld die als basis dient voor een commercieel aanbod dat door een andere handelaar wordt voorbereid en aan de consument wordt aangeboden.

28 Indien dat het geval is, rijst volgens de verwijzende rechter in de tweede plaats tevens de vraag welke handelaar aansprakelijk is voor deze oneerlijke handelspraktijk, namelijk degene die de misleidende modelverzekeringsovereenkomst heeft opgesteld of degene die het op deze modelovereenkomst gebaseerde product aan de consument heeft aangeboden en rechtstreeks verantwoordelijk is voor de verkoop ervan, dan wel of beide handelaren aansprakelijk moeten worden gehouden voor die praktijk.

29 Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat beide ondernemers aansprakelijk kunnen worden gesteld, in aanmerking genomen dat de verzekeringnemer ermee belast is de toetreding tot de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst aan te bieden en om die reden een commissie van de verzekeringsmaatschappij ontvangt, en dat het begrip „handelaar” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 2005/29 ook verwijst naar eenieder die in naam en voor rekening van een handelaar handelt.

30 In de derde plaats betwijfelt de verwijzende rechter of artikel 12, lid 1, punt 4, van de wet ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken verenigbaar is met richtlijn 2005/29. Deze bepaling – zoals zij wordt uitgelegd door de Poolse rechterlijke instanties – maakt het namelijk mogelijk om de nietigverklaring van een ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk gesloten overeenkomst te vorderen.

31 Blijkens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29 is de vaststelling dat een handelspraktijk oneerlijk is, echter niet rechtstreeks van invloed op de geldigheid van de overeenkomst. Daarnaast vloeit uit artikel 13 van richtlijn 2005/29 voort dat de sancties waarin de lidstaten voorzien voor overtredingen van de nationaalrechtelijke bepalingen ter omzetting van deze richtlijn, doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Bij de vaststelling van deze sancties moet dus rekening worden gehouden met de in artikel 3, lid 2, van die richtlijn neergelegde afbakeningsregel.

32 Volgens de verwijzende rechter kan richtlijn 2005/29 niet als grondslag dienen voor de ongeldigverklaring van een overeenkomst. Hieruit volgt naar zijn oordeel dat een nationaalrechtelijke bepaling waarbij die richtlijn wordt omgezet en die voorziet in de nietigverklaring van een ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk gesloten overeenkomst, een onevenredige sanctie vormt. Volgens de verwijzende rechter heeft de Uniewetgever pas met de vaststelling van richtlijn 2019/2161 – na de inwerkingtreding van artikel 12, lid 1, punt 4, van de wet ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken – bij wijze van uitzondering voorzien in de mogelijkheid om de beëindiging van een aldus gesloten overeenkomst te vorderen, doordat hij een nieuw artikel 11 bis heeft opgenomen in richtlijn 2005/29.

33 In de vierde plaats stelt de verwijzende rechter zich voor het geval dat richtlijn 2005/29 eraan in de weg staat dat een oneerlijke handelspraktijk wordt bestraft met de nietigverklaring van die overeenkomst – zoals in het Poolse recht het geval is – de vraag of artikel 5 van richtlijn 93/13 een passende rechtsgrondslag vormt om een dergelijke nietigverklaring te vorderen.

34 In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat het gebruik van een onbegrijpelijke en onduidelijke modelverzekeringsovereenkomst die de consument niet in staat stelt om de essentiële kenmerken van het verkochte product of de verdeling en omvang van zijn beleggingsrisico te begrijpen, in strijd is met de in artikel 5 van richtlijn 93/13 neergelegde verplichting om bedingen in een overeenkomst duidelijk en begrijpelijk op te stellen. Op basis van een dergelijke vaststelling zou de nationale rechter onder bepaalde voorwaarden bepaalde bedingen in een dergelijke modelovereenkomst ongeldig mogen verklaren omdat zij oneerlijk zijn in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn.

35 In deze omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 3, lid 1, [van richtlijn 2005/29, gelezen in samenhang met artikel 2, onder d), van deze richtlijn] aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚oneerlijke handelspraktijk’ enkel ziet op de omstandigheden die verband houden met de sluiting van de overeenkomst en de wijze waarop het product wordt voorgesteld aan de consument, of strekken de werkingssfeer van die richtlijn en bijgevolg dat begrip zich tevens uit tot het geval waarin de handelaar die het product heeft ontwikkeld, een modelovereenkomst heeft opgesteld die als grondslag dient voor het door een andere handelaar voorbereide aanbod en die dus niet rechtstreeks verband houdt met de verkoop van het product in kwestie? 2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is de op grond van richtlijn 2005/29/EG voor de oneerlijke handelspraktijk aansprakelijke handelaar dan de handelaar die de misleidende modelbedingen heeft opgesteld of de handelaar die het product op basis van die modelbedingen aan de consument aanbiedt en rechtstreeks in de handel brengt, of kunnen beide handelaren aansprakelijk zijn op grond van die richtlijn? 3) Verzet artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29/EG zich tegen een nationaalrechtelijke regeling (uitlegging van het nationale recht) waarbij aan de consument die zijn wil om de overeenkomst te sluiten heeft geuit onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk van de betrokken handelaar, het recht wordt toegekend om een nationale rechterlijke instantie te verzoeken de met die handelaar gesloten overeenkomst nietig te verklaren, met dien verstande dat de verrichte prestaties over en weer ongedaan moeten worden gemaakt? 4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan worden aangenomen dat richtlijn 93/13 de juiste rechtsgrondslag vormt voor de beoordeling van de handelwijze van een handelaar die erin bestaat dat jegens een consument wordt gebruikgemaakt van een onbegrijpelijke en onduidelijke modelovereenkomst, en moet de in artikel 5 van die richtlijn vastgestelde voorwaarde dat bedingen in een overeenkomst duidelijk en begrijpelijk worden opgesteld, bijgevolg aldus worden uitgelegd dat in verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten met consumenten en die gekoppeld zijn aan een beleggingsfonds (fractieverzekeringen), aan die voorwaarde wordt voldaan door een beding waarover niet individueel is onderhandeld en dat niet rechtstreeks wijst op de omvang van het beleggingsrisico gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst, maar uitsluitend op de mogelijkheid van het verlies van een deel van de betaalde eerste premie en de lopende premies ingeval de verzekering wordt opgezegd vóór het einde van de verzekeringsperiode?”

Procedure bij het Hof

36 Bij beslissing van de president van het Hof van 28 december 2021 is de behandeling van de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof geschorst tot de uitspraak van het arrest in de gevoegde zaken C‑143/20 en C‑213/20, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten).

37 Bij beslissing van de president van het Hof van 25 februari 2022 is het arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten) (C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118), betekend aan de verwijzende rechter opdat deze verduidelijkt of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenst te handhaven.

38 Bij e-mail van 6 mei 2022 heeft de verwijzende rechter het Hof meegedeeld dat hij zijn verzoek handhaaft. Derhalve is besloten de behandeling van de onderhavige zaak te hervatten.

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

39 TUŻ twijfelt aan de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing en betoogt dat een antwoord op de gestelde vragen niet noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding. Om te beginnen voert zij namelijk aan dat zij het door K. D. gevorderde bedrag heeft erkend en op 25 november 2020 op haar rekening heeft gestort, zodat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt. Daarbij komt volgens haar dat de rechtspraak van het Hof en van de nationale rechterlijke instanties reeds een antwoord geeft op die vragen.

40 Wat ten eerste de omstandigheid betreft dat de rechtspraak van het Hof reeds een antwoord op de vragen van de verwijzende rechter heeft gegeven, kan ermee worden volstaan in herinnering te brengen dat de nationale rechterlijke instanties zelfs in het geval waarin de rechtsvraag in kwestie al in de rechtspraak is opgelost, de volledige vrijheid behouden om zich tot het Hof te wenden wanneer zij dit wenselijk achten, zonder dat de omstandigheid dat het Hof reeds een uitlegging heeft gegeven van de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht eraan in de weg staat dat het Hof opnieuw uitspraak doet, en zonder dat deze omstandigheid tot gevolg heeft dat de gestelde vragen niet-ontvankelijk zijn (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C‑569/16 en C‑570/16, EU:C:2018:871, punten 21 en 22).

41 Wat ten tweede het bestaan van een hoofdgeding betreft, is het stellig juist dat de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechter noodzakelijk moet zijn om uitspraak te doen in de bij hem aanhangige zaak, zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 267 VWEU. De prejudiciële procedure onderstelt dus met name dat bij de nationale rechter daadwerkelijk een geding aanhangig is in het kader waarvan hij een beslissing moet wijzen waarbij rekening kan worden gehouden met het prejudiciële arrest [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, TGSS (Werkloosheid van huishoudelijk personeel),C‑389/20, EU:C:2022:120, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

42 In het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is het echter uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om – rekening houdend met de bijzonderheden van het hoofdgeding – zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dan ook in beginsel verplicht om daarop te antwoorden [arrest van 24 februari 2022, TGSS (Werkloosheid van huishoudelijk personeel),C‑389/20, EU:C:2022:120, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43 Derhalve worden vragen over het Unierecht vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 24 februari 2022, TGSS (Werkloosheid van huishoudelijk personeel),C‑389/20, EU:C:2022:120, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44 In casu heeft de verwijzende rechter in antwoord op een vraag van het Hof meegedeeld dat het hoofdgeding nog steeds aanhangig was, dat verzoeksters vordering niet was ingetrokken, en dat er volgens hem geen reden was om deze zaak af te sluiten, omdat TUŻ met de erkenning van de schuldvordering probeerde te bereiken dat de voor de verwijzende rechter gevoerde procedure zou worden beëindigd en dat het Hof geen uitspraak zou doen.

45 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de mededeling door de verwijzende rechter dat het hoofdgeding nog steeds aanhangig is, bindend is voor het Hof en in beginsel niet ter discussie kan worden gesteld door de partijen in het hoofdgeding (zie in die zin arresten van 27 februari 2014, Pohotovosť, C‑470/12, EU:C:2014:101, punt 30, en 18 november 2020DelayFix, C‑519/19, EU:C:2020:933, punt 33).

46 Bovendien blijkt noch uit het dossier waarover het Hof beschikt, noch uit het antwoord van de verwijzende rechter over de handhaving van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, dat verzoekster in het hoofdgeding afstand heeft gedaan van haar beroep of dat haar vorderingen volledig zijn voldaan, waardoor het geding zonder voorwerp zou zijn geraakt. Derhalve is het in het verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven vraagstuk niet kennelijk van hypothetische aard geworden, zodat de beantwoording van de gestelde vragen nog steeds noodzakelijk is voor de beslechting van het geding (zie in die zin arrest van 8 december 2022, Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest, C‑600/21, EU:C:2022:970, punt 25).

47 Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet dan ook worden geacht ontvankelijk te zijn.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede prejudiciële vraag

48 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof rekening houden met bepalingen van het Unierecht die de nationale rechter niet heeft vermeld in zijn vragen (arrest van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C‑742/19, EU:C:2021:597, punt 31).

49 Er zij eveneens aan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat de reden voor de prejudiciële verwijzing niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil is (arrest van 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a., C‑645/19, EU:C:2021:483, punt 116 en aangehaalde rechtspraak).

50 In casu blijkt uit de uiteenzetting van de feiten in punt 23 van het onderhavige arrest dat het hoofdgeding met name betrekking heeft op het bestaan van een vermeende oneerlijke handelspraktijk die erin bestaat dat een verzekeringsmaatschappij op onduidelijke en onnauwkeurige wijze een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst opstelt waardoor de consument die tot deze collectieve overeenkomst is toegetreden op voorstel van een tweede – verzekeringnemende – onderneming niet in staat is om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct en de daaraan verbonden risico’s te begrijpen.

51 De verwijzende rechter wenst met zijn eerste en zijn tweede prejudiciële vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, dan ook in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van een „oneerlijke handelspraktijk” in de zin van deze bepaling wanneer een verzekeringsmaatschappij een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst opstelt dat de consument die tot deze collectieve overeenkomst toetreedt op voorstel van een tweede – verzekeringnemende – onderneming, niet in staat stelt om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct en de daaraan verbonden risico’s te begrijpen. Indien dat het geval is, wenst de verwijzende rechter bovendien te vernemen of de verzekeringsmaatschappij, de verzekeringnemende onderneming of beide samen aansprakelijk moeten worden gehouden voor deze oneerlijke handelspraktijk.

52 Richtlijn 2005/29 is volgens artikel 3, lid 1, van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5 van deze richtlijn, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product. In artikel 5, lid 4, van richtlijn 2005/29 is bepaald dat handelspraktijken oneerlijk zijn wanneer zij misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7 of agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9 van die richtlijn.

53 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of er sprake is van een „handelspraktijk” in de zin van richtlijn 2005/29 wanneer een verzekeringsmaatschappij een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst opstelt, dient om te beginnen in herinnering te worden gebracht dat aan het begrip „handelspraktijk” in artikel 2, onder d), van die richtlijn een bijzonder ruime definitie wordt gegeven die inhoudt dat de betreffende praktijken van commerciële aard moeten zijn – dat wil zeggen van handelaren moeten uitgaan – en bovendien rechtstreeks verband moeten houden met de verkoopbevordering, verkopen of het leveren van producten aan consumenten. In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat de woorden „die rechtstreeks verband houden met de verkoop van een product” met name betrekking hebben op elke maatregel die wordt genomen met betrekking tot de sluiting van een overeenkomst, waarbij het begrip „product” in artikel 2, onder c), van deze richtlijn overigens gedefinieerd wordt als een goed of dienst. Voorts blijkt uit artikel 2, onder b), van deze richtlijn dat het begrip „handelaar” ziet op „een natuurlijke persoon of rechtspersoon” die een activiteit tegen betaling uitoefent, voor zover de handelspraktijk deel uitmaakt van de activiteiten die deze persoon beroepsmatig verricht, ook wanneer deze praktijk wordt gehanteerd door een andere onderneming, die in naam en/of voor rekening van die persoon optreedt [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54 Wat voorts de vraag betreft of het begrip „handelspraktijk” in vorenbedoelde zin van toepassing is op de handelingen van een verzekeringsmaatschappij die verband houden met de toetreding van consumenten tot een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst, heeft het Hof allereerst reeds geoordeeld dat de verklaring waarbij een consument toetreedt tot een dergelijke collectieve overeenkomst die is gesloten tussen een verzekeringsmaatschappij en een verzekeringnemende onderneming, een individuele verzekeringsovereenkomst tussen die verzekeringsmaatschappij en die consument doet ontstaan. Doordat de verzekeringnemende onderneming de betrokken consument aanbiedt om toe te treden tot de collectieve overeenkomst in kwestie, oefent zij tegen vergoeding verzekeringsbemiddelingsactiviteiten uit in de zin van richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PB 2003, L 9, blz. 3) [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punten 81 en 88].

55 Dit impliceert vervolgens dat de consument die wil toetreden tot een fractieverzekeringsovereenkomst, de informatie ontvangt die krachtens artikel 36, lid 1, van richtlijn 2002/83 aan de verzekeringnemer moet worden verstrekt voordat de verzekeringsovereenkomst wordt gesloten (hierna: „contractuele informatie”) [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 82)].

56 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat het verzekeringsproduct in het geval van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst een beleggingscomponent bevat die onlosmakelijk verbonden is met dit product, met zich meebrengt dat die contractuele informatie met name aanwijzingen moet bevatten over de wezenlijke kenmerken van de onderliggende activa van die collectieve fractieverzekeringsovereenkomst. Deze aanwijzingen moeten een duidelijke, nauwkeurige en begrijpelijke beschrijving geven van de economische en juridische aard van de onderliggende activa – met inbegrip van de algemene beginselen die het rendement ervan bepalen – alsook duidelijke, nauwkeurige en begrijpelijke informatie bevatten over de structurele risico’s die verbonden zijn aan die onderliggende activa, dat wil zeggen de risico’s die inherent zijn aan de aard van de betreffende activa en die rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de uit de verzekeringsbetrekking voortvloeiende rechten en verplichtingen, zoals het risico op waardevermindering van de fracties van het beleggingsfonds waaraan de overeenkomst in kwestie gekoppeld is, of het kredietrisico van de emittent van de financiële instrumenten waaruit diezelfde onderliggende activa bestaan. Die aanwijzingen hoeven echter niet noodzakelijk een gedetailleerde en uitputtende beschrijving te geven van de aard en de omvang van alle beleggingsrisico’s die verbonden zijn aan de onderliggende activa van de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst, zoals de risico’s die voortvloeien uit de specifieke kenmerken van de verschillende financiële instrumenten waaruit die activa bestaan of de technische regeling voor de berekening van de waarde van de index waarop de uitbetaling van deze financiële instrumenten berust. Zij hoeven evenmin dezelfde informatie te bevatten als die welke de emittent van die financiële instrumenten als aanbieder van beleggingsdiensten aan zijn cliënten moet meedelen [zie in die zin arrest 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 97 en punten 102-105].

57 Ten slotte staat het aan de verzekeringsmaatschappij om de contractuele informatie te verstrekken aan de verzekeringnemende onderneming. Zij moet de betreffende informatie op een duidelijke, nauwkeurige en voor de consumenten begrijpelijke wijze formuleren opdat deze informatie hun naderhand kan worden meegedeeld in de loop van de procedure van toetreding tot een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst. Die verzekeringnemende onderneming, die als verzekeringstussenpersoon optreedt, moet die contractuele informatie op haar beurt doorgeven aan de betrokken consument voordat deze tot die overeenkomst toetreedt, samen met alle andere preciseringen die noodzakelijk blijken te zijn in het licht van de verlangens en behoeften van die consument. Deze preciseringen moeten worden aangepast aan de ingewikkeldheidsgraad van de overeenkomst in kwestie en moeten worden geformuleerd op een wijze die duidelijk, nauwkeurig en voor de betrokken consument begrijpelijk is [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punten 89‑91].

58 Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat de mededeling van de contractuele informatie aan de consument die voornemens is om toe te treden tot een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst, middels een door de verzekeringsmaatschappij opgestelde modelovereenkomst kan gebeuren mits de verzekeringnemende onderneming die consument vóór zijn toetreding tijdig die modelovereenkomst overhandigt, zodat hij met kennis van zaken het verzekeringsproduct kan kiezen dat het best past bij zijn behoeften [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 118].

59 Op basis van deze in de punten 53 tot en met 58 van het onderhavige arrest samengevatte overwegingen heeft het Hof in het arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten) (C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 130), geoordeeld dat de mededeling van de contractuele informatie voordat een consument toetreedt tot een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst, ten eerste uitgaat van de verzekeringsmaatschappij en van de verzekeringnemende onderneming die optreedt als verzekeringstussenpersoon, en deel uitmaakt van de activiteiten die deze ondernemingen beroepsmatig verrichten, en ten tweede rechtstreeks verband houdt met de sluiting door die consument van een verzekeringsovereenkomst in de zin van richtlijn 2002/83, zodat deze mededeling een „handelspraktijk” in de zin van richtlijn 2005/29 vormt.

60 Wanneer die mededeling van de contractuele informatie – zoals in casu – de vorm aanneemt van een modelovereenkomst die als basis dient voor het aanbod om toe te treden tot de door de verzekeringnemende onderneming aangeboden collectieve fractieverzekeringsovereenkomst, valt ook de opstelling van deze modelovereenkomst door de verzekeringsmaatschappij onder het begrip „handelspraktijk” in de zin van richtlijn 2005/29.

61 Wat betreft in de tweede plaats het oneerlijke karakter van een handelspraktijk die erin bestaat dat een verzekeringsmaatschappij op onduidelijke en onnauwkeurige wijze een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst opstelt op basis waarvan de consument die tot deze collectieve overeenkomst is toegetreden op voorstel van een verzekeringnemende onderneming, niet in staat is om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct en de daaraan verbonden risico’s te begrijpen, zij eraan herinnerd dat uit artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29 volgt dat een handelspraktijk wordt geacht misleidend te zijn en dus een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5, lid 4, van deze richtlijn vormt indien deze praktijk – in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen – voldoet aan twee voorwaarden. Ten eerste moet zij essentiële informatie weglaten die de gemiddelde consument gezien de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen. Ten tweede moet die handelspraktijk de gemiddelde consument ertoe brengen of kunnen brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen [arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 131].

62 Bovendien is in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/29 bepaald dat als misleidende omissie ook een handelspraktijk wordt beschouwd waarbij dergelijke essentiële informatie verborgen wordt gehouden of op onduidelijke, onbegrijpelijke of dubbelzinnige wijze dan wel tardief wordt verstrekt, mits aan de tweede in het vorige punt genoemde voorwaarde is voldaan [arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 132].

63 In dit verband heeft het Hof om te beginnen vastgesteld dat de in punt 56 van het onderhavige arrest bedoelde contractuele informatie essentiële informatie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29 vormt [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 133].

64 Voorts heeft het Hof, gelet op het feit dat de mededeling van de in punt 56 van het onderhavige arrest bedoelde contractuele informatie van cruciaal belang is om de consument die voornemens is toe te treden tot een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst in staat te stellen om met kennis van zaken het verzekeringsproduct te kiezen dat het best past bij zijn behoeften, geoordeeld dat het niet verstrekken van die informatie, het verborgen houden ervan of het verstrekken ervan op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige dan wel tardieve wijze de consument ertoe lijkt te kunnen brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 134].

65 Het Hof heeft daaruit afgeleid dat er sprake kan zijn van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5, lid 4, van richtlijn 2005/29 en meer bepaald van een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van deze richtlijn wanneer die contractuele informatie niet wordt verstrekt aan een consument die voornemens is om toe te treden tot een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punt 135].

66 Derhalve kan een handelspraktijk worden gekwalificeerd als misleidende omissie in de zin van artikel 7 van richtlijn 2005/29 – zodat zij een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5, lid 4, vormt – wanneer zij inhoudt dat de contractuele informatie middels een door de verzekeringsmaatschappij opgestelde modelovereenkomst wordt meegedeeld aan de consument die voornemens is om toe te treden tot de betreffende fractieverzekeringsovereenkomst, en die modelovereenkomst de in punt 56 van het onderhavige arrest bedoelde contractuele informatie niet verstrekt, verborgen houdt of op onduidelijke, onbegrijpelijke of dubbelzinnige wijze meedeelt zodat de consument niet in staat is om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct alsmede de eraan verbonden risico’s te begrijpen, en zo met kennis van zaken het verzekeringsproduct te kiezen dat het beste bij zijn behoeften.

67 Uit het voorgaande volgt dan ook dat er – onder voorbehoud van de door de nationale rechter te verrichten verificaties met betrekking tot de vraag of aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden is voldaan – van een „oneerlijke handelspraktijk” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 sprake kan zijn wanneer een verzekeringsmaatschappij een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst opstelt dat de consument niet in staat stelt om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct alsook de daaraan verbonden risico’s te begrijpen.

68 Wat in de derde – en laatste – plaats de vraag betreft of de verzekeringsmaatschappij, de verzekeringnemende onderneming of beide handelaren aansprakelijk moeten worden gehouden voor een dergelijke oneerlijke handelspraktijk, heeft het Hof reeds geoordeeld dat richtlijn 2005/29 – gelet op de definitie van het begrip „handelaar” die voorkomt in artikel 2, onder b), van deze richtlijn en die in punt 53 van dit arrest in herinnering wordt gebracht – kan worden toegepast in een situatie waarin de handelspraktijken van een ondernemer worden toegepast door een andere onderneming, die in naam en/of voor rekening van deze ondernemer optreedt, zodat de bepalingen van die richtlijn in sommige situaties kunnen worden ingeroepen tegen zowel die ondernemer als die andere onderneming, aangezien beide onder de definitie van een „handelaar” vallen (arrest van 17 oktober 2013, RLvS, C‑391/12, EU:C:2013:669, punt 38).

69 In casu volgt met name uit de in de punten 54, 57 en 59 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen dat in de context van de toetreding van consumenten tot een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst zowel de verzekeringsmaatschappij als de verzekeringnemende onderneming beantwoordt aan de definitie van een handelaar in de zin van richtlijn 2005/29. Daarnaast zijn deze handelaren beide jegens de consument die toetreedt tot die collectieve fractieverzekeringsovereenkomst, individueel verantwoordelijk voor de behoorlijke nakoming van de in artikel 36, lid 1, van richtlijn 2002/83 neergelegde precontractuele informatieplicht, wat het op hen rustende deel van deze plicht betreft.

70 Derhalve moet in beginsel de verzekeringsmaatschappij aansprakelijk worden gehouden voor een oneerlijke handelspraktijk die erin bestaat dat zij op misleidende wijze het model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst heeft opgesteld, dat tijdig is bezorgd aan de consument voordat deze is toegetreden tot die collectieve overeenkomst.

71 Dit geldt onverminderd de eventuele aansprakelijkheid van de verzekeringnemende onderneming voor andere oneerlijke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met de toetreding van de consument tot de collectieve fractieverzekeringsovereenkomst. Daarbij gaat het onder meer om het niet verstrekken van aanvullende specifieke informatie als bedoeld in punt 57 van dit arrest die door deze onderneming als verzekeringstussenpersoon in de zin van richtlijn 2002/92 moet worden bezorgd aan de consument en die met name betrekking heeft op de financiële aspecten van de belegging in het verzekeringsproduct en de daaraan verbonden risico’s, of om de niet-naleving van de in punt 58 van dit arrest bedoelde termijn om het model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst te bezorgen aan de consument.

72 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat er sprake kan zijn van een „oneerlijke handelspraktijk” in de zin van deze bepaling wanneer een verzekeringsmaatschappij een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst opstelt dat de consument die tot deze collectieve overeenkomst toetreedt op voorstel van een tweede – verzekeringnemende – onderneming, niet in staat stelt om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct en de daaraan verbonden risico’s te begrijpen, en dat die verzekeringsmaatschappij aansprakelijk moet worden gehouden voor deze oneerlijke handelspraktijk.

Derde prejudiciële vraag

73 Uit de verwijzingsbeslissing – zoals die is samengevat in de punten 30 tot en met 32 van het onderhavige arrest – volgt dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in wezen wenst te vernemen of een uitlegging van het Poolse recht die met zich meebrengt dat de consument het recht heeft om de nietigverklaring van een ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk gesloten overeenkomst te vorderen, kan worden aangemerkt als een evenredige sanctie in de zin van artikel 13 van richtlijn 2005/29, gelet op artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29, waaruit volgens die rechter blijkt dat de vaststelling dat een handelspraktijk oneerlijk is, niet rechtstreeks van invloed is op de geldigheid van de overeenkomst.

74 Overeenkomstig de in punt 48 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met deze vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29, gelezen in samenhang met artikel 13 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging van het nationale recht die met zich meebrengt dat de consument die een overeenkomst heeft gesloten ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk van een handelaar, het recht heeft om de nietigverklaring van die overeenkomst te vorderen.

75 Om die vraag te beantwoorden moet om te beginnen worden vastgesteld of artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29 zich ertegen verzet dat de lidstaten de consument een dergelijk recht toekennen bij wijze van sanctie voor het bestaan van een oneerlijke handelspraktijk, en – indien dit niet het geval is – moet vervolgens worden vastgesteld of de nietigverklaring van de overeenkomst kan worden aangemerkt als een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie in de zin van artikel 13 van die richtlijn.

76 Met betrekking tot – in de eerste plaats – de uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29 zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van deze bepaling, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 26 april 2022, Landespolizeidirektion Steiermark (Maximumduur van het grenstoezicht aan de binnengrenzen), C‑368/20 en C‑369/20, EU:C:2022:298, punt 56].

77 Wat ten eerste de bewoordingen van die bepaling betreft, blijkt uit de formulering zelf ervan dat bij gebreke van harmonisatie van de algemene aspecten van het verbintenissenrecht op het niveau van de Europese Unie, de geldigheid van overeenkomsten wordt geregeld door het nationale recht (zie in die zin arrest van 3 februari 2021, Stichting Waternet, C‑922/19, EU:C:2021:91, punten 42 en 45).

78 Wat ten tweede de context van voormelde bepaling betreft, staat in overweging 9 van richtlijn 2005/29 duidelijk te lezen dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de nationale regels inzake verbintenissenrecht, noch een beletsel vormt voor het instellen van individuele vorderingen door degenen die schade hebben geleden ten gevolge van oneerlijke handelspraktijken.

79 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat richtlijn 2005/29 in artikel 5, lid 1, slechts bepaalt dat oneerlijke handelspraktijken „verboden” zijn, zodat zij de lidstaten beoordelingsruimte laat bij de keuze van de nationale maatregelen om deze praktijken overeenkomstig de artikelen 11 en 13 van die richtlijn te bestrijden, mits deze maatregelen passend en doeltreffend zijn en de vastgestelde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn (arrest van 19 september 2018, Bankia, C‑109/17, EU:C:2018:735, punt 31 en aangehaalde rechtspraak).

80 Het Hof heeft gepreciseerd dat artikel 11 van richtlijn 2005/29 weliswaar enkel vereist dat de lidstaten ervoor zorgen dat er passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken voorhanden zijn, maar dat deze middelen kunnen bestaan in de mogelijkheid om tegen die praktijken in rechte op te treden met de bedoeling daar een einde aan te maken (zie in die zin arrest van 19 september 2018, Bankia, C‑109/17, EU:C:2018:735, punt 42).

81 Wat ten derde de doelstelling van richtlijn 2005/29 betreft, strekt deze richtlijn ertoe een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen en met het oog daarop ervoor te zorgen dat de oneerlijke praktijken op doeltreffende wijze worden bestreden in het belang van de consumenten (zie in die zin arrest van 16 april 2015, UPC Magyarország, C‑388/13, EU:C:2015:225, punten 32 en 51).

82 Uit een letterlijke, systematische en teleologische uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29 volgt dus dat deze bepaling er niet aan in de weg staat dat de lidstaten aan de consument die een overeenkomst heeft gesloten ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk, het recht toekennen om de nietigverklaring van die overeenkomst te vorderen, mits een dergelijke sanctie doeltreffend, evenredig en afschrikkend is in de zin van artikel 13 van die richtlijn.

83 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat bij richtlijn 2019/2161 aan richtlijn 2005/29 een artikel 11 bis is toegevoegd waarvan lid 1 bepaalt dat „[c]onsumenten die door oneerlijke handelspraktijken schade hebben geleden, [toegang moeten] krijgen tot […] evenredige en doeltreffende remedies, waaronder vergoeding voor de door hen geleden schade en, indien relevant, […] de beëindiging van de overeenkomst”, waarbij in lid 2 wordt gepreciseerd dat deze remedies „geen afbreuk [doen] aan de toepassing van andere remedies die consumenten op grond van het […] nationale recht ter beschikking staan”.

84 Afgezien van het feit dat de termijn voor de omzetting van richtlijn 2019/2161 is verstreken op 28 november 2021, zodat bovengenoemd artikel 11 bis in de onderhavige zaak irrelevant is voor de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 13 van richtlijn 2005/29, bevestigt de opneming ervan in richtlijn 2005/29 immers hoe dan ook alleen maar dat het de lidstaten vrijstond en nog steeds vrijstaat om te voorzien in andere rechtsmiddelen voor consumenten die schade hebben geleden door oneerlijke handelspraktijken, waaronder het recht om de nietigverklaring van een ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk gesloten overeenkomst te vorderen.

85 Met betrekking tot – in de tweede plaats – de vraag of een sanctiemaatregel die bestaat in de nietigverklaring van de overeenkomst doeltreffend, evenredig en afschrikkend in de zin van artikel 13 van richtlijn 2005/29 is, heeft het Hof om te beginnen benadrukt dat het uitsluitend aan de nationale rechterlijke instanties staat om – rekening houdend met alle specifieke omstandigheden van de bij hen aanhangige zaken – te beoordelen of de sanctieregeling die de lidstaten overeenkomstig de in punt 79 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak hebben vastgesteld voor handelaren die oneerlijke handelspraktijken hanteren, in overeenstemming is met de vereisten van die richtlijn en in het bijzonder met het evenredigheidsbeginsel (zie dienaangaande arrest van 16 april 2015, UPC Magyarország, C‑388/13, EU:C:2015:225, punten 58 en 59, en naar analogie arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 27).

86 Daarnaast heeft het Hof, teneinde preciseringen te geven die bij die beoordeling als leidraad kunnen dienen voor de nationale rechterlijke instanties, vastgesteld dat de sanctie van nietigheid van de overeenkomst in beginsel voldoet aan de vereisten van doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikking die zijn neergelegd in een met artikel 13 van richtlijn 2005/29 vergelijkbare bepaling (zie in die zin arrest van 5 maart 2020, OPR-Finance, C‑679/18, EU:C:2020:167, punten 25, 26, 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87 In zoverre moet eveneens in herinnering worden gebracht dat het Hof ten aanzien van handelspraktijken die verband houden met de toetreding van consumenten tot collectieve fractieverzekeringsovereenkomsten – zoals die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding – heeft geoordeeld dat richtlijn 2002/83 er weliswaar niet toe noopt aan te nemen dat de onbehoorlijke nakoming van de in artikel 36, lid 1, van deze richtlijn neergelegde precontractuele informatieplicht leidt tot nietigheid of ongeldigheid van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst of van de verklaring van toetreding tot deze overeenkomst, maar dat de nationale rechterlijke instanties niettemin moeten beoordelen of de onbehoorlijke nakoming van die informatieplicht de instemming van de consument om door de overeenkomst in kwestie gebonden te worden kan aantasten, gelet op het feit dat de in punt 56 van het onderhavige arrest bedoelde contractuele informatie van cruciaal belang is voor de totstandkoming van de wil van de consument om tot die overeenkomst toe te treden [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, A e.a. (Fractieverzekeringsovereenkomsten), C‑143/20 en C‑213/20, EU:C:2022:118, punten 125 en 126].

88 Het recht van een consument om de nietigverklaring te vorderen van een overeenkomst die hij heeft gesloten ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk die bestaat in de opstelling van een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst dat hem niet in staat stelt om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct alsook de daaraan verbonden risico’s te begrijpen, lijkt bijgevolg een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie in de zin van artikel 13 van richtlijn 2005/ 29 te zijn. De verwijzende rechter moet hoe dan ook nagaan of dit daadwerkelijk het geval is, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval.

89 Gelet op een en ander dient op de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29, gelezen in samenhang met artikel 13 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een uitlegging van het nationale recht die met zich meebrengt dat de consument die een overeenkomst heeft gesloten ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk van een handelaar, het recht heeft om de nietigverklaring van die overeenkomst te vorderen.

Vierde prejudiciële vraag

90 De vierde prejudiciële vraag is gesteld voor het geval dat de derde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord. Gelet op het antwoord op de derde vraag, hoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

91 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, de richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) moet aldus worden uitgelegd dat er sprake kan zijn van een „oneerlijke handelspraktijk” in de zin van deze bepaling wanneer een verzekeringsmaatschappij een model van een collectieve fractieverzekeringsovereenkomst opstelt dat de consument die tot deze collectieve overeenkomst toetreedt op voorstel van een tweede – verzekeringnemende – onderneming, niet in staat stelt om de aard en de structurering van het aangeboden verzekeringsproduct en de daaraan verbonden risico’s te begrijpen, en dat die verzekeringsmaatschappij aansprakelijk moet worden gehouden voor deze oneerlijke handelspraktijk.

2) Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29, gelezen in samenhang met artikel 13 ervan, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een uitlegging van het nationale recht die met zich meebrengt dat de consument die een overeenkomst heeft gesloten ten gevolge van een oneerlijke handelspraktijk van een handelaar, het recht heeft om de nietigverklaring van die overeenkomst te vorderen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in