HvJ EU 23 april 2026, C-761/24, ECLI:EU:C:2026:339

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

23 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten tussen een verkoper en een consument – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 2, onder c) – Begrip ,verkoper’ – Artikel 6, lid 1 – Gevolgen van de vaststelling van de oneerlijke aard van een dergelijk beding – Ongeldigheid van de overeenkomst – Artikel 7, lid 1 – Ontradend effect van het verbod op oneerlijke bedingen – Leningsovereenkomst in vreemde valuta – Contractueel beding dat het wisselrisico bij de consument legt – Overdracht tussen verkopers op basis van het nationale recht – Verkoper ten aanzien van wie de consument de juridische gevolgen van de ongeldigheid van een oneerlijk beding in de overgedragen overeenkomst kan inroepen”

In zaak C‑761/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Budapest Környéki Törvényszék (rechter in eerste aanleg voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 10 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op 5 november 2024, in de procedure

HM,

JD

tegen

AXA Bank Belgium S.A.,

OTP Bank Nyrt.,

OTP Faktoring Követeléskezelő Zrt.,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: O. Spineanu‑Matei, kamerpresident, S. Rodin en N. Piçarra (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– HM en JD, vertegenwoordigd door L. Marczingós, ügyvéd,

– OTP Bank Nyrt. en OTP Faktoring Követeléskezelő Zrt., vertegenwoordigd door A. Lendvai, ügyvéd,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door D. Csoknyai en M. Z. Fehér als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Dani en P. Kienapfel als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder c), artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen twee consumenten, HM en JD (hierna: „twee consumenten”), enerzijds, en drie kredietinstellingen, te weten AXA Bank Belgium S.A. (hierna: „AXA”), OTP Bank Nyrt. (hierna: „OTP”) en OTP Faktoring Követeléskezelő Zrt. (hierna: „OTP Faktoring”), over de vraag ten aanzien van welke kredietinstelling de twee consumenten de rechtsgevolgen kunnen inroepen van de ongeldigheid van een oneerlijk beding dat was opgenomen in een leningsovereenkomst die met de rechtsvoorganger van AXA werd gesloten en later werd overgedragen aan OTP die op haar beurt de daaruit voortvloeiende schuldvordering aan OTP Faktoring heeft overgedragen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 In de eenentwintigste en de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen dat: „Overwegende dat de lidstaten de nodige maatregelen dienen te treffen om te voorkomen dat in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument oneerlijke bedingen worden opgenomen; dat, als toch dergelijke bedingen zijn opgenomen, deze de consument niet binden en de overeenkomst de partijen blijft binden indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan; [...] Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

4 Artikel 2, onder c), van deze richtlijn definieert de „verkoper” als „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit”.

5 Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

6 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Hongaars recht

Burgerlijk wetboek

7 § 6:202 van de Polgári Törvénykönyvről szóló 2013. évi V. törvény (wet nr. V van 2013 houdende het burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), met als opschrift „Overdracht van rechten”, bepaalt in lid 3: „De bepalingen betreffende overdracht van schuldvorderingen zijn mutatis mutandis van toepassing op de overdracht van rechten.”

8 § 6:208 van het burgerlijk wetboek, met als opschrift „Gevolgen van de overdracht van een overeenkomst”, bepaalt: „1. De cedent, diens wederpartij en de cessionaris kunnen overeenkomen alle contractuele rechten en plichten van de cedent aan de cessionaris over te dragen. 2. De cessionaris neemt alle contractuele rechten en plichten van de cedent ten aanzien van de wederpartij over. De cessionaris kan geen andere schuldvorderingen verrekenen dan die welke de cedent heeft ten aanzien van de wederpartij. De wederpartij kan geen andere schuldvorderingen verrekenen dan die welke hij heeft ten aanzien van de cedent. 3. Zekerheden verbonden aan de overgedragen rechten worden gehandhaafd. Zekerheden verbonden aan de nakoming van de overgedragen verplichtingen vervallen, tenzij de debiteur van de zekerheid niet instemt met de overdracht van de overeenkomst.”

Wet nr. CCXXXVII. van 2013

9 Krachtens § 17, lid 1, van de hitelintézetekről és a pénzügyi vállalkozásokról szóló 2013. évi CCXXXVII. törvény (wet nr. CCXXXVII. van 2013 betreffende de krediet‑ en financiële instellingen): „Spaarportefeuilles en alle andere terugbetaalbare fondsen, net als raamovereenkomstportefeuilles voor betalingsdiensten, kunnen met toestemming van de [Magyar Nemzeti Bank (nationale bank van Hongarije) als toezichthoudende autoriteit] (middels een overeenkomst) tussen de overdragende kredietinstelling en de overnemende kredietinstelling worden overgedragen. De bepalingen van het burgerlijk wetboek aangaande de overdracht van overeenkomsten zijn van toepassing op de overdracht van de portefeuille met de uitzondering dat een portefeuilleoverdracht er niet toe leidt dat de zekerheden van de overeenkomst tenietgaan en dat er geen wettelijke verklaring van de wederpartij vereist is. [De toestemming van de nationale bank] vervangt de toestemming van de Gazdasági Versenyhivatal (mededingingsautoriteit, Hongarije) niet. Deze laatste is namelijk verplicht op basis van de wet inzake het verbod op oneerlijke of mededingingsbeperkende handelspraktijken.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 Op 12 juni 2008 hebben de twee consumenten een in Zwitserse frank (CHF) uitgedrukte leningsovereenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van AXA, ter hoogte van 141536,00 CHF. Dit komt ongeveer overeen met 20075000 Hongaarse forint (HUF), na omrekening tegen de aankoopkoers van die valuta die de kredietinstelling op de dag van de vrijgave van de fondsen had vastgesteld. Deze leningsovereenkomst, die voor 19 jaar werd gesloten, bepaalde dat de maandelijkse termijnen moesten worden afgelost in Hongaarse forint na omrekening tegen de door de kredietinstelling vastgestelde aankoopkoers van de Zwitserse frank. In de overeenkomst was voorts bepaald dat deze kredietinstelling eenzijdig het bedrag kon wijzigen van de interesten en de beheerskosten die door de twee consumenten moesten worden gedragen.

11 AXA heeft de genoemde leningsovereenkomst met ingang van 4 juni 2013 opgezegd vanwege de vermeende betalingsachterstand van de twee consumenten. De afsluiting van de rekening van 4 maart 2015 gaf aan dat de twee consumenten aan AXA een saldo van 42815836 HUF verschuldigd waren.

12 Op 21 oktober 2015 hebben de twee consumenten bij de Budapest Környéki Törvényszék (rechter in eerste aanleg voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tegen AXA. Het beroep werd ten eerste ingesteld om de ongeldigheid van de leningsovereenkomst te doen vaststellen op grond dat zij oneerlijke bedingen bevat die hun om die reden niet kunnen worden tegengeworpen en, ten tweede, om de gevolgen van die ongeldigheid te verhelpen.

13 Op 31 oktober 2016 heeft AXA een portefeuille met overeenkomsten overgedragen aan OTP. Deze portefeuille bevatte de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leningsovereenkomst, en de hieraan verbonden rechten en verplichtingen. Op 2 november 2016 heeft OTP de uit de leningsovereenkomst voortvloeiende vordering aan OTP Faktoring overgedragen.

14 Bij tussenvonnis van 25 oktober 2022 heeft de verwijzende rechter deze leningsovereenkomst in haar geheel ongeldig verklaard omdat de informatie over het wisselrisico onregelmatig was. Bij beschikking van 19 april 2023 werd dit vonnis in hoger beroep vernietigd en werd de zaak terugverwezen naar de verwijzende rechter.

15 Op 21 september 2023 heeft de verwijzende rechter, die van oordeel was dat hij ook moest vaststellen welke van de betrokken kredietinstellingen onder de sancties van richtlijn 93/13 viel, het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 2, onder c), van deze richtlijn. De verwijzende rechter vroeg zich af of die sancties rechtmatig konden worden toegepast op de cessionaris van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leningsovereenkomst, aangezien die voordeel had gehaald uit de economische en financiële gevolgen van de leningsovereenkomst, zonder evenwel zelf het door de verwijzende rechter als oneerlijk gekwalificeerde beding in de overeenkomst te hebben opgenomen.

16 Bij beschikking van 9 april 2024, AXA Bank Europe e.a. (C‑628/23, EU:C:2024:317), werd dit verzoek als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen omdat het niet voldeed aan de voorschriften van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

17 De twee consumenten betwisten voor de verwijzende rechter nationale rechtspraak op basis waarvan de rechtsgevolgen van de ongeldigheid van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper die oneerlijke bedingen bevat, enkel kunnen worden ingeroepen tegen de cessionaris van de overeenkomst. Zij betogen dat het ontradende effect dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, verbindt aan de vaststelling dat die bedingen oneerlijk zijn, in gevaar zou worden gebracht als de verkoper die deze bedingen in een dergelijke overeenkomst had opgenomen, aan de rechtsgevolgen van de ongeldigheid van die overeenkomst zou kunnen ontsnappen door deze aan een derde over te dragen.

18 Volgens deze rechter volgt uit de bepalingen van het burgerlijk wetboek aangaande de overdracht van overeenkomsten, die ook van toepassing zijn op de overdracht van portefeuilles, dat, wanneer een leningsovereenkomst ongeldig is verklaard, de consument die terugbetaling van het eventueel te veel betaalde wenst te verkrijgen, enkel tegen de cessionaris een vordering kan instellen en niet tegen de cedent. Het potentieel hoge aantal beroepen dat tegen de cessionaris kan worden ingesteld, kan deze laatste evenwel insolvabel maken, wat het risico inhoudt dat de consument een doeltreffende rechterlijke bescherming wordt ontnomen.

19 Deze verwijzende rechter vraagt zich overigens af of het ontradende effect dat richtlijn 93/13 aan de vaststelling van de oneerlijke aard van een contractueel beding verbindt, aan de cessionaris kan worden tegengeworpen, ook al is deze laatste niet verantwoordelijk voor de opneming van dit beding in de overeenkomst.

20 De verwijzende rechter verzoekt het Hof in essentie om in het licht van richtlijn 93/13 vast te stellen ten aanzien van welke verkoper de twee consumenten de rechtsgevolgen van de ongeldigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leningsovereenkomst kunnen inroepen. Daarbij geeft die rechter ook aan dat hij voornemens is de op het hoofdgeding van toepassing zijnde bepalingen van de Hongaarse wetgeving buiten toepassing te laten indien het Hof de richtlijn in die zin uitlegt dat het enkel aan de cedent is om de rechtsgevolgen te verhelpen.

21 In deze omstandigheden heeft de Budapest Környéki Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Verzetten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich tegen nationale rechtspraak of een uitlegging van het nationale recht door een nationale rechter volgens welke, in geval van volledige ongeldigheid van een consumentenovereenkomst omdat deze een oneerlijk contractueel beding bevat: – de rechtsgevolgen van de ongeldigheid van de rechtsbetrekking tussen de oorspronkelijke schuldeiser en de consument als schuldenaar niet kunnen worden verholpen, omdat het nationale recht bepaalt dat de oorspronkelijke schuldeiser een overeenkomst kan sluiten met een derde die leidt tot een wijziging van de partijen bij de overeenkomst, maar – de rechtsgevolgen van de ongeldigheid alleen worden verholpen tussen de consument en de rechtsopvolger die als gevolg van de overdracht van de overeenkomst als nieuwe partij tot de contractuele betrekking toetreedt, zodat de consument verplicht is om alle eventuele betalingen te verrichten aan de nieuwe partij bij de overeenkomst en niet aan de oorspronkelijke schuldeiser en, omgekeerd, alleen van de nieuwe partij die tot de contractuele betrekking toetreedt het bedrag kan vorderen dat eventueel moet worden terugbetaald, ook al heeft hij geen enkele betaling aan die partij verricht? 2) Verzet het begrip ,verkoper’, als omschreven in artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 zich tegen nationale rechtspraak of een uitlegging van het nationale recht door een nationale rechter volgens welke de rechtsgevolgen van de ongeldigheid van een oneerlijke consumentenovereenkomst enkel kunnen worden ingeroepen tussen de huidige partijen bij de overeenkomst, dat wil zeggen enerzijds de nieuwe schuldeiser die na de vervanging van een partij bij de overeenkomst zelf partij bij de overeenkomst is geworden, en de consument als debiteur, anderzijds?”

Prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid van prejudiciële vragen

22 AXA voert aan dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn omdat zij geen verband houden met het hoofdgeding en zij derhalve zuiver hypothetisch zijn. Ten eerste is de ongeldigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leningsovereenkomst niet vastgesteld, aangezien het tussenvonnis waarin die ongeldigheid was vastgesteld vervolgens in hoger beroep is vernietigd. Ten tweede voert AXA aan dat de leningsovereenkomst werd opgezegd vóór de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdracht, zodat de daaruit voortvloeiende schuldvordering is overgedragen en niet de leningsovereenkomst zelf.

23 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht is het Hof derhalve in beginsel verplicht om daarop te antwoorden (arrest van 11 december 2025, Kuszycka, C‑767/24, EU:C:2025:962, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 11 december 2025, Kuszycka, C‑767/24, EU:C:2025:962, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 In het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke taakverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof berust, staat het bovendien uitsluitend aan de nationale rechter om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen alsook om de juiste strekking van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen. Het Hof is uitsluitend bevoegd zich over de uitlegging of geldigheid van het Unierecht uit te spreken tegen de achtergrond van de situatie, feitelijk en rechtens, zoals zij door de verwijzende rechter is beschreven, zonder deze in twijfel te kunnen trekken of de juistheid ervan te kunnen nagaan (zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Ferrovienord, C‑363/21 en C‑364/21, EU:C:2023:563, punten 54 en 55).

26 In casu betreft het betoog van AXA dat de prejudiciële vragen hypothetisch zijn de vaststelling en de beoordeling van de feiten in het hoofdgeding. Het staat echter niet aan het Hof om deze in twijfel te trekken, aangezien deze onder de bevoegdheid van de nationale rechter vallen. Dit betoog kan aldus niet volstaan om het vermoeden van relevantie, dat in punt 24 van dit arrest is uiteengezet, te weerleggen.

27 De prejudiciële vragen zijn derhalve ontvankelijk.

Ten gronde

28 Met zijn vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder c), artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de consument die met een kredietinstelling een overeenkomst gesloten heeft die vervolgens aan een andere kredietinstelling is overgedragen, zijn uit deze richtlijn voortvloeiende rechten enkel ten aanzien van de cessionaris van de overeenkomst moet doen gelden.

29 In de eerste plaats definieert artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 het begrip „verkoper” als „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit”.

30 De brede definitie die de Uniewetgever aldus aan het begrip „verkoper” heeft willen geven [zie in die zin arrest van 27 oktober 2022, S. V. (Onroerend goed in mede-eigendom),C‑485/21, EU:C:2022:839, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak] verzet zich ertegen dat dit begrip aldus wordt uitgelegd dat enkel de persoon die aanvankelijk de overeenkomst met de consument heeft gesloten daaronder valt, en elke andere persoon van de werkingssfeer van richtlijn 93/13 wordt uitgesloten ook al zou die, als cessionaris van de overeenkomst, handelen in het kader van zijn beroepsactiviteit.

31 Een dergelijke uitlegging van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 zou bovendien niet stroken met de doelstelling van deze richtlijn, die erin bestaat een hoog niveau van consumentenbescherming te verzekeren (zie in die zin arrest van 8 mei 2025, Myszak, C‑324/23, EU:C:2025:324, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De aan de consument opgelegde verplichting om de uit de richtlijn voortvloeiende rechten uit te oefenen ten aanzien van een verkoper die geen partij meer is bij de litigieuze overeenkomst kan de uitoefening van deze rechten in de praktijk namelijk moeilijker maken.

32 Uit het voorgaande volgt dat een kredietinstelling, als cessionaris van een leningsovereenkomst met een consument, onder het begrip „verkoper” in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 valt. Op basis van deze bepaling alleen is het echter niet mogelijk om vast te stellen of de rechtsgevolgen van de ongeldigheid van het oneerlijke beding in die overeenkomst enkel ten aanzien van die cessionaris kunnen worden ingeroepen.

33 In de tweede plaats verplicht artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de eenentwintigste overweging ervan, de lidstaten te bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument „onder de in het nationale recht geldende voorwaarden” de consument niet binden en dat die overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.

34 Het door het nationale recht geboden regelingskader voor de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming mag echter niet de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming wijzigen en aldus afbreuk doen aan de versterking van de doeltreffendheid van deze bescherming door de vaststelling van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen [arrest van 16 maart 2023, M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑6/22, EU:C:2023:216, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35 Het door het nationale recht geboden regelingskader mag het voor de consumenten niet buitengewoon moeilijk of in de praktijk onmogelijk maken om de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten uit te oefenen. In het bijzonder moeten de lidstaten erop toezien dat de door deze richtlijn aan de consument toegekende bescherming wordt geëerbiedigd, door te verzekeren dat de juridische en feitelijke situatie waarin de consument zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld. Lidstaten moeten met name voorzien in een recht van teruggave van de voordelen die de verkoper ten onrechte, en ten nadele van de consument, op basis van dit oneerlijke beding heeft verworven [zie in die zin arresten van 16 maart 2023, M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑6/22, EU:C:2023:216, punt 22, en 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst),C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

36 Uit het voorgaande volgt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer de overeenkomst tussen een consument en een verkoper in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht is overgedragen aan een derde-verkoper, deze consument zich in voorkomend geval ten aanzien van de cessionaris moet kunnen beroepen op de ongeldigheid van een oneerlijk beding in die overeenkomst of van de overeenkomst in haar geheel, net zoals hij dit ten aanzien van de cedent had kunnen doen indien de overeenkomst niet was overgedragen. De uit deze overdracht voortvloeiende subrogatie van de cessionaris in de rechten en plichten van de cedent ten aanzien van de consument, uit hoofde van dezelfde overeenkomst, mag niet tot gevolg hebben dat de inhoud van deze rechten en verplichtingen wordt gewijzigd, noch aldus invloed hebben op de bescherming van consumenten, die aan de cessionaris alle rechtsgevolgen moeten kunnen tegenwerpen die voortvloeien uit de oneerlijke aard van het bestreden beding in de overeenkomst.

37 In de derde plaats verplicht artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, de lidstaten erop toe te zien dat er, in het belang van de consumenten alsmede van concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

38 Naast de hoofdzakelijke en onmiddellijke doelstelling om consumenten te beschermen tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten met verkopers door ervoor te zorgen dat de juridische en feitelijke situatie wordt hersteld waarin de consument zich zonder dat oneerlijke beding zou hebben bevonden, heeft artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 op langere termijn als doel om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen door verkopers. Voor verkopers gaat er namelijk een afschrikkende werking uit van het feit dat die bedingen buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consumenten [zie in die zin arrest van 16 maart 2023, M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑6/22, punten 24‑26].

39 Daaruit volgt dat de afschrikkende werking inzake het gebruik van oneerlijke bedingen ziet op verkopers in het algemeen en niet enkel op de individuele verkoper die aan de basis ligt van het betwiste oneerlijke beding.

40 Hieromtrent moet worden benadrukt dat, in het kader van richtlijn 93/13, de ongeldigheid van een oneerlijk beding niet afhangt van het feit dat het gedrag van de verkoper foutief is noch van het feit dat deze daarvoor verantwoordelijk is. De ongeldigheid hangt namelijk enkel af van de objectief oneerlijke aard van het betwiste contractuele beding (zie in die zin arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia, C‑485/19, EU:C:2021:313, punt 65).

41 Daaruit volgt dat de richtlijn niet uitsluit dat de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de oneerlijke aard van een beding in een consumentenovereenkomst, uitwerking kunnen hebben ten aanzien van een andere verkoper dan degene die aan de basis lag van dat beding.

42 In casu is het aan de verwijzende rechter om te oordelen of de uitlegging van de relevante nationale bepalingen door de Hongaarse rechters van dien aard is dat zij een gevaar vormt voor het herstel in de juridische en feitelijke situatie waarin de twee consumenten zich zonder het betrokken oneerlijke beding zouden hebben bevonden.

43 Desalniettemin is het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing, op basis van het dossier van het hoofdgeding waarover het beschikt en van de ingediende opmerkingen, bevoegd om de verwijzende rechter nuttige aanwijzingen te verschaffen die hem in staat stellen het bij hem aanhangige geding te beslechten (zie in die zin arrest van 2 maart 2023, PrivatBank e.a., C‑78/21, EU:C:2023:137, punt 71).

44 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing volgt dat, in overeenstemming met artikel 17, lid 1, van wet nr. CCXXXVII. van 2013 betreffende de krediet‑ en financiële instellingen, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdracht van de leningsovereenkomst ter goedkeuring werd voorgelegd aan de nationale bank van Hongarije, in haar hoedanigheid van toezichthoudende autoriteit. Deze maatregel lijkt in beginsel geschikt om de belangen van de consumenten te beschermen.

45 De verwijzende rechter dient echter erop toe te zien dat het door richtlijn 93/13 beoogde hoge beschermingsniveau wordt verzekerd en dat, in het bijzonder, een dergelijke overdracht de betrokken consument de rechten die hij ontleent aan artikel 6, lid 1, van de richtlijn, niet ontneemt. Daartoe dient hij met name na te gaan of, zoals de Hongaarse regering betoogt, de afgifte van een dergelijke toestemming onderhevig is aan prudentieel toezicht om na te gaan of de financiële solvabiliteit van de cessionaris van de overeenkomst toereikend is om de aan deze overeenkomst verbonden risico’s te dekken.

46 Het volgt overigens uit het door de verwijzende rechter beschreven nationale rechtskader dat de cessionaris van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leningsovereenkomst, als rechtsopvolger, alle rechten en plichten heeft overgenomen die de cedent had ten aanzien van de wederpartij op basis van die overeenkomst. De twee consumenten zouden aldus het recht hebben om alle uit het oneerlijke beding in die leningsovereenkomst volgende rechtsgevolgen tegen te werpen aan de cessionaris, onder dezelfde voorwaarden als wanneer zij dit ten aanzien van de cedent hadden kunnen doen.

47 Gelet op de voorgaande elementen, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, blijkt in casu niet dat het buitengewoon moeilijk of in de praktijk onmogelijk zou zijn om, in het kader van de verhouding tussen de twee consumenten en de cessionaris van de leningsovereenkomst, de rechtsgevolgen te verhelpen die voortvloeien uit de ongeldigheid van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde oneerlijke beding.

48 Indien deze rechter echter tot de conclusie zou komen dat de toepasselijke bepalingen van het nationale recht geen garantie bieden dat de twee consumenten worden hersteld in de juridische en feitelijke situatie waarin zij zonder het betrokken oneerlijke beding zouden hebben verkeerd, vereist het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, en met inachtneming van met name het verbod van uitlegging contra legem van het nationale recht, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 27 november 2025, Gryczara, C‑746/24, EU:C:2025:925, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 De nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, is als orgaan van een lidstaat verplicht de volle werking van deze bepalingen te verzekeren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, iedere nationale bepaling die strijdig is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekse werking in het geschil dat aan hem is voorgelegd, buiten toepassing te laten indien hij de nationale regeling niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan uitleggen (arrest van 3 juli 2025, Ati-19, C‑605/23, EU:C:2025:513, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 2, onder c), artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op basis waarvan de consument die met een kredietinstelling een overeenkomst heeft gesloten die vervolgens aan een andere kredietinstelling is overgedragen, zijn uit deze richtlijn voortvloeiende rechten enkel kan doen gelden ten aanzien van de cessionaris van de overeenkomst, mits deze overdracht het voor die consument niet buitengewoon moeilijk of in de praktijk onmogelijk maakt om de uit deze richtlijn voortvloeiende rechten uit te oefenen.

Kosten

51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, onder c), artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op basis waarvan de consument die met een kredietinstelling een overeenkomst heeft gesloten die vervolgens aan een andere kredietinstelling is overgedragen, zijn uit deze richtlijn voortvloeiende rechten enkel kan doen gelden ten aanzien van de cessionaris van de overeenkomst, mits deze overdracht het voor die consument niet buitengewoon moeilijk of in de praktijk onmogelijk maakt om de uit deze richtlijn voortvloeiende rechten uit te oefenen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken