HvJ EU 16 april 2026, C-753/24, ECLI:EU:C:2026:308

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

16 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 7, lid 1 – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is – Nietigheid van de kredietovereenkomst – Vorderingen tot terugbetaling – Verjaringstermijn voor de vordering van verkoper – Omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat het verstrijken van de verjaringstermijn buiten beschouwing wordt gelaten – Doeltreffendheidsbeginsel – Rechtzekerheidsbeginsel – Evenredigheidsbeginsel – Recht op toegang tot de rechter – Ongerechtvaardigde verrijking”

In zaak C‑753/24 [Rzepacz] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 30 oktober 2024, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure

Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski S.A.

tegen

MS en MS,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo (rapporteur) en A. Kornezov, rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski S.A., vertegenwoordigd door P. Haiduk, M. Romanowski en M. Woźniak, adwokaci,

– MS en MS, vertegenwoordigd door W. Budzewski en M. Chęcińska, adwokaci,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en de beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid, rechtszekerheid en recht op toegang tot de rechter.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Powszechna Kasa Oszczędności Bank Polski S.A. (hierna: „PKO Bank”), een bankinstelling, enerzijds, en MS en MS, twee kredietnemers, anderzijds, over de invordering van een schuldvordering die voortvloeit uit de ongeldigheid van een leningsovereenkomst wegens de oneerlijke bedingen die daarin zijn opgenomen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 93/13 bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

4 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Pools recht

5 In artikel 58, § 1, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz.U. 2024, volgnr. 1061), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), is het volgende bepaald: „Een rechtshandeling die in strijd is met de wet of die tot doel heeft de wet te omzeilen is nietig, tenzij een toepasselijke bepaling anders voorschrijft, met name wanneer die bepaling erin voorziet dat de ongeldige bedingen van de rechtshandeling worden vervangen door de relevante bepalingen van de wet.”

6 Artikel 117, §§ 1 en 21, van dit wetboek bepaalt: „§ 1. Behoudens de bij wet vastgestelde uitzonderingen zijn vermogensrechtelijke vorderingen onderhevig aan verjaring. […] § 21. Na het verstrijken van de verjaringstermijn kan een schuldvordering op een consument niet meer geldend worden gemaakt.”

7 Artikel 1171, §§ 1 en 2, van het burgerlijk wetboek luidt als volgt: „§ 1. In uitzonderlijke gevallen kan de rechter, na afweging van de belangen van de partijen, het verstrijken van de verjaringstermijn van een vordering tegen een consument buiten beschouwing laten indien de billijkheid dit vereist. § 2. Bij de uitoefening van de in § 1 bedoelde bevoegdheid houdt de rechter met name rekening met: 1) de duur van de verjaringstermijn; 2) de duur van de periode tussen het verstrijken van de verjaringstermijn en het instellen van de vordering; 3) de aard van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de schuldeiser zijn vordering niet heeft kunnen instellen, met inbegrip van de invloed van het gedrag van de schuldenaar op de vertraging die de schuldeiser bij het instellen van zijn vordering heeft opgelopen.”

8 Artikel 118 van dit wetboek luidt als volgt: „Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, bedraagt de verjaringstermijn zes jaar; voor vorderingen inzake periodieke prestaties en vorderingen in verband met de uitoefening van een commerciële activiteit bedraagt de termijn drie jaar. De verjaringstermijn verstrijkt echter op de laatste dag van het kalenderjaar, tenzij deze korter is dan twee jaar.”

9 Artikel 3851, § 1, van het burgerlijk wetboek bepaalt: „Bedingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen daarin worden vastgesteld op een wijze die in strijd is met de goede zeden en een grove schending van zijn belangen vormt (oneerlijke contractuele bedingen). Dat geldt niet voor de bepalingen over de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze eenduidig zijn geformuleerd.”

10 Artikel 405 van dit wetboek bepaalt: „Eenieder die zonder rechtsgrond ten nadele van een ander een vermogensvoordeel heeft verkregen, is verplicht hem het voordeel in natura terug te geven en, indien dit niet mogelijk is, de waarde ervan te vergoeden.”

11 Artikel 410, §§ 1 en 2, van dat wetboek luidt als volgt: „§ 1. De bepalingen van de voorgaande artikelen zijn in het bijzonder van toepassing op onverschuldigde prestaties. § 2. Een prestatie is onverschuldigd indien degene die deze heeft verricht daartoe niet verplicht was of niet gebonden was ten aanzien van de begunstigde, of indien de grondslag van de prestatie is verdwenen of het doel van de prestatie niet is bereikt, of indien de rechtshandeling waarbij de prestatie wordt verlangd, nietig was en niet geldig is geworden nadat de prestatie is verricht.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12 In november 2007 hebben MS en MS met de rechtsvoorgangster van PKO Bank een leningsovereenkomst gesloten die was gekoppeld aan de Zwitserse frank (CHF). Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft de bank hun een bedrag van 333000 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 76000 EUR) gestort.

13 In 2017 hebben de twee kredietnemers een klacht ingediend en vervolgens een rechtsvordering ingesteld tegen PKO Bank, waarbij zij hebben aangevoerd dat de overeenkomst ongeldig was omdat deze oneerlijke bedingen bevatte. Bij vonnis van 30 juni 2023 heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) de overeenkomst nietig verklaard en PKO Bank veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag dat gelijk is aan de door de kredietnemers betaalde maandelijkse aflossingen, vermeerderd met vertragingsrente aan de wettelijke rentevoet, te weten 241416,34 PLN (ongeveer 55591 EUR).

14 Op 29 december 2021 heeft PKO Bank bij de Sąd Okręgowy w Warszawie, de verwijzende rechter, een vordering ingesteld die ertoe strekte dat, indien de leningsovereenkomst in het kader van de nog aanhangige vordering van de consumenten nietig werd verklaard, zij zouden worden veroordeeld tot terugbetaling van de geleende hoofdsom, vermeerderd met vertragingsrente aan de wettelijke rentevoet.

15 De kredietnemers concluderen tot afwijzing van deze vordering op grond dat de vordering van PKO Bank is verjaard, aangezien de verjaringstermijn van drie jaar van artikel 118 van het burgerlijk wetboek is verstreken. Zij zijn van mening dat deze termijn ingaat op de datum waarop de klacht of het gedinginleidende verzoekschrift tot nietigverklaring van de leningsovereenkomst aan PKO Bank is betekend, zodat de schuldvordering van deze laatste uiterlijk op 31 december 2020 is verjaard.

16 De verwijzende rechter legt uit dat het bestaan van de schuldvordering van PKO Bank geen twijfel lijdt aangezien de ongeldigheid van de leningsovereenkomst voor de partijen bij deze overeenkomst met name de verplichting meebrengt om alle verrichte prestaties aan elkaar terug te betalen.

17 Hij vraagt zich evenwel af of de omstandigheden van het hoofdgeding in casu kunnen rechtvaardigen dat het verstrijken van de verjaringstermijn voor de schuldvordering van PKO Bank buiten beschouwing wordt gelaten overeenkomstig de billijkheidsregel van artikel 1171 van het burgerlijk wetboek.

18 Volgens deze rechter doet de zeer algemene formulering van deze bepaling, die de rechter een ruime vrijheid laat om te beslissen of de vordering van een verkoper die gebaseerd is op een schuldvordering die is verjaard, kan worden toegewezen, ten eerste twijfels rijzen over de verenigbaarheid ervan met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de beginselen van doeltreffendheid en rechtszekerheid. Consumenten zouden namelijk in onzekerheid verkeren over de vraag of de schuldvordering van de verkoper door de nationale rechter als verjaard zal worden beschouwd dan wel, indien dat niet het geval is, zij vertragingsrente en proceskosten zullen moeten betalen. Zij zouden dus kunnen afzien van de uitoefening van de rechten die zij aan richtlijn 93/13 ontlenen.

19 Ten tweede zou de onmogelijkheid voor de verkoper om het kapitaal dat is gestort ter uitvoering van een wegens oneerlijke bedingen ongeldige leningsovereenkomst volledig terug te vorderen, hem een buitensporig verlies doen lijden dat onevenredig is aan het doel van bescherming van de consumenten, en kunnen worden beschouwd als een schending van het recht van die verkoper op toegang tot de rechter, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

20 Wat betreft de omstandigheden die overeenkomstig artikel 1171, § 2, van het burgerlijk wetboek in aanmerking kunnen worden genomen bij de beslissing of het verstrijken van de verjaringstermijn al dan niet buiten beschouwing wordt gelaten, wijst de verwijzende rechter erop dat de door de kredietnemers ingeleide gerechtelijke procedure meerdere jaren heeft geduurd, namelijk van 2017 tot 2024, waardoor PKO Bank in een situatie van onzekerheid over de uitkomst ervan werd gebracht. Bovendien kon PKO Bank tot 2019 verwachten dat de leningsovereenkomst in het hoofdgeding na de schrapping van het oneerlijke beding van kracht zou blijven, aangezien de nationale rechtspraak pas na het arrest van het Hof van 3 oktober 2019, Dziubak (C‑260/18, EU:C:2019:819), heeft geoordeeld dat een beding inzake het wisselkoersrisico in een aan een vreemde munt gekoppelde leningsovereenkomst het eigenlijke voorwerp ervan bepaalt, zodat de schrapping ervan leidt tot ongeldigheid van de kredietovereenkomst in haar geheel.

21 In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13], alsmede de beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid en rechtszekerheid alsook het recht op toegang tot de rechter aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die de nationale rechter toestaat om de tegen een consument gerichte verjaarde vordering van een verkoper tot terugbetaling van prestaties die onverschuldigd zijn verricht krachtens een overeenkomst die nietig is wegens de hierin opgenomen oneerlijke bedingen, toe te wijzen indien de billijkheid of de regels van het maatschappelijk leven dit vereisen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

22 De verwijzende rechter wenst met zijn vraag in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regel van nationaal recht op grond waarvan een nationale rechterlijke instantie in uitzonderlijke omstandigheden en wanneer de billijkheid het vereist, de vordering van een kredietverlener tot terugbetaling door de kredietnemer van bedragen die aan hem zijn gestort krachtens een leningsovereenkomst die ongeldig is omdat zij oneerlijke bedingen bevat, kan toewijzen, ook al is de verjaringstermijn voor de schuldvordering van die kredietverlener verstreken.

23 Volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 dienen de lidstaten erop toe te zien dat er in hun nationale rechtsstelsel doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

24 Wat dit betreft moet in herinnering worden gebracht dat bij ontbreken van specifieke Unieregels ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de in richtlijn 93/13 geboden consumentenbescherming volgens vaste rechtspraak op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten zijn. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [arrest van 14 december 2023, Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling), C‑28/22, EU:C:2023:992, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

25 Volgens eveneens vaste rechtspraak moet een als oneerlijk aangemerkt contractueel beding in beginsel worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben bevonden, wordt hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dat geldt ook wanneer het oneerlijke karakter van bedingen van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper niet alleen leidt tot nietigheid van die bedingen, maar ook tot nietigheid van die overeenkomst in haar geheel [zie in die zin arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

26 Die doelstelling om de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de consument zich zonder oneerlijke bedingen zou hebben bevonden, moet worden nagestreefd met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is en vereist dat de nationale regeling waarbij dit recht ten uitvoer wordt gelegd, niet verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken (arrest van 23 november 2023, Provident Polska, C‑321/22, EU:C:2023:911, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 Dit evenredigheidsbeginsel zou echter worden geschonden indien herstel in de vorige toestand ten aanzien van de verkoper zou worden uitgesloten. De verplichting tot terugbetaling ingevolge de ongeldigverklaring van een leningsovereenkomst die oneerlijke bedingen bevat moet dus wederzijds zijn, zonder dat de bank evenwel het recht heeft om van de kredietnemer een vergoeding te vorderen die verder gaat dan de terugbetaling van het ter uitvoering van die overeenkomst gestorte kapitaal en de betaling van de wettelijke vertragingsrente vanaf de ingebrekestelling [zie in die zin arrest van 7 december 2023, mBank (Verklaring van de consument), C‑140/22, EU:C:2023:965, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28 Bovendien kan de terugbetalingsplicht die de nietigverklaring van een leningsovereenkomst met oneerlijke bedingen met zich brengt, die de in punt 27 van het onderhavige arrest genoemde vordering van de bankinstelling rechtvaardigt, ervoor zorgen dat de bescherming van de door de rechtsorde van de Unie gewaarborgde rechten niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de kredietnemer (zie naar analogie arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 94).

29 In casu merkt de verwijzende rechter op dat de lange duur van de procedure die de kredietnemers hebben ingeleid om de ongeldigverklaring van de leningsovereenkomst te verkrijgen en de omslag in de nationale rechtspraak over de gevolgen van de schrapping van het oneerlijke beding inzake het wisselkoersrisico in een aan een vreemde munt gekoppelde leningsovereenkomst voor de geldigheid van die overeenkomst in haar geheel, mogelijk leiden tot een schending van het recht van de kredietverlener op toegang tot de rechter, en volgens de billijkheidsregel van artikel 1171 van het burgerlijk wetboek dus uitzonderlijke omstandigheden kunnen vormen op grond waarvan hij het verstrijken van de verjaringstermijn voor de schuldvordering van PKO Bank buiten beschouwing kan laten en de terugbetalingsvordering van deze laatste kan toewijzen.

30 In die omstandigheden, en in het licht van de in de punten 25 tot en met 28 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, kan de billijkheidsregel van artikel 1171 van het burgerlijk wetboek, voor zover hij ongerechtvaardigde verrijking van de consument kan voorkomen, volgens deze rechter als zodanig niet als onverenigbaar met het Unierecht worden beschouwd.

31 Het is juist dat de toepassing van de billijkheidsregel a priori afbreuk zou kunnen doen aan de voorzienbaarheid van rechtssituaties en -betrekkingen doordat de schuldenaar in onzekerheid blijft of de schuldvordering van de verkoper ondanks het verstrijken van de daarvoor geldende verjaringstermijn, uitzonderlijk zal worden geacht niet te zijn verjaard.

32 Desalniettemin kan het rechtszekerheidsbeginsel niet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regel van nationaal recht volgens welke het aan de nationale rechter staat om de belangen van de partijen in de procedure tegen elkaar af te wegen teneinde in uitzonderlijke omstandigheden en wanneer de billijkheid het vereist, te beslissen om het verstrijken van de verjaringstermijn buiten beschouwing te laten, mits deze afweging wordt gemaakt op basis van in de wet vastgelegde objectieve criteria waarmee de nationale rechter rekening moet houden, zoals in casu de duur van de verjaringstermijn, de duur van de periode tussen het verstrijken van de verjaringstermijn en de instelling van de vordering, en de aard van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de schuldeiser zijn vordering niet geldend heeft gemaakt, met inbegrip van de invloed van het gedrag van de schuldenaar op de vertraging die de schuldeiser bij het instellen van zijn vordering heeft opgelopen.

33 Niettemin moet worden gepreciseerd dat de toepassing door de bevoegde nationale rechter van deze billijkheidsregel op het gebied van oneerlijke bedingen in overeenkomsten moet worden uitgeoefend met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel, opdat de uitoefening van de rechten die de consument aan richtlijn 93/13 ontleent niet uiterst moeilijk of in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt.

34 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat procedurele regelingen die te hoge kosten met zich brengen voor de consument ertoe kunnen leiden dat hij ervan wordt weerhouden om zijn rechten op een nuttige manier te verdedigen voor de door de verkoper aangezochte rechterlijke instantie (zie in die zin arrest van 7 april 2022, Caixabank, C‑385/20, EU:C:2022:278, punt 54).

35 Dit is met name het geval wanneer de consument in het kader van de inning door de verkoper van zijn schuldvordering, waarvan de verjaringstermijn nochtans is verstreken, in een dergelijke mate kosten moet dragen, zoals gerechtskosten of advocatenhonoraria, dat dit de daadwerkelijke uitoefening van de rechten die hij aan richtlijn 93/13 ontleent, onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken.

36 In dit verband zij eraan herinnerd dat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, rekening houdend met het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arrest van 27 november 2025, Gryczara, C‑746/24, EU:C:2025:925, punt 60).

37 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich in beginsel niet verzetten tegen een regel van nationaal recht op grond waarvan een nationale rechterlijke instantie in uitzonderlijke omstandigheden en wanneer de billijkheid het vereist de vordering van een kredietverlener tot terugbetaling door de kredietnemer van bedragen die aan hem zijn gestort krachtens een leningsovereenkomst die ongeldig is omdat zij oneerlijke bedingen bevat, kan toewijzen, ook al is de verjaringstermijn voor de schuldvordering van die kredietverlener verstreken, op voorwaarde dat deze rechter alle maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de uitoefening van de rechten die de consument aan deze richtlijn ontleent, niet uiterst moeilijk of in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt.

Kosten

38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, en het doeltreffendheidsbeginsel, rekening houdend met het recht op toegang tot de rechter en de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich in beginsel niet verzetten tegen een regel van nationaal recht op grond waarvan een nationale rechterlijke instantie in uitzonderlijke omstandigheden en wanneer de billijkheid het vereist de vordering van een kredietverlener tot terugbetaling door de kredietnemer van bedragen die aan hem zijn gestort krachtens een leningsovereenkomst die ongeldig is omdat zij oneerlijke bedingen bevat, kan toewijzen, ook al is de verjaringstermijn voor de schuldvordering van die kredietverlener verstreken, op voorwaarde dat deze rechter alle maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de uitoefening van de rechten die de consument aan deze richtlijn ontleent, niet uiterst moeilijk of in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken