HvJ EU 13 november 2025, C-117/24, ECLI:EU:C:2025:872

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

13 november 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Milieu – Verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen – Verordening (EU) nr. 995/2010 – Toepassen, handhaven en op gezette tijden evalueren van een stelsel van zorgvuldigheidseisen – Artikel 4, leden 2 en 3, en artikel 6 – Groep van vennootschappen – Toegang van een marktdeelnemer tot een stelsel van zorgvuldigheidseisen dat wordt gehandhaafd en geëvalueerd door de moedermaatschappij ervan of dat is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie en door die moedermaatschappij wordt gebruikt ”

In zaak C‑117/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 1 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 14 februari 2024, in de procedure

JYSK Kereskedelmi Kft.

tegen

Nemzeti Élelmiszerlánc-biztonsági Hivatal,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 februari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– JYSK Kereskedelmi Kft., vertegenwoordigd door E. Lovász en Sz. T. Szöghy, ügyvédek,

– de Nemzeti Élelmiszerlánc-biztonsági Hivatal, vertegenwoordigd door D. Nagy en R. M. Szente als gemachtigden,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė, C. Kovács en Zs. Teleki als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, leden 2 en 3, en artikel 6, lid 1, van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB 2010, L 295, blz. 23, met rectificaties in PB 2013, L 64, blz. 8, en PB 2017, L 237, blz. 89).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap JYSK Kereskedelmi Kft. (hierna: „JYSK”) en de Nemzeti Élelmiszerlánc-biztonsági Hivatal (nationaal bureau voor de veiligheid van de voedselketen, Hongarije; hierna: „nationaal bureau”) over de voorwaarden waaronder deze vennootschap gebruik kan maken van een stelsel van zorgvuldigheidseisen (due diligence system; hierna: „DDS”) in het kader van haar activiteiten op het gebied van de verkoop van hout en houtproducten daarvan.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 995/2010

3 In de overwegingen 16 tot en met 18 en 31 van verordening nr. 995/2010 staat te lezen:

„(16) Uitgaande van een stelselmatige aanpak, moeten marktdeelnemers die hout of houtproducten voor de eerste maal op de interne markt aanbieden, passende stappen nemen om zich ervan te vergewissen dat er geen illegaal gekapt hout en producten van dergelijk hout op de interne markt worden aangeboden. Daartoe moeten marktdeelnemers de nodige zorgvuldigheid betrachten om door middel van een stelsel van maatregelen en procedures het risico te minimaliseren dat zij illegaal gekapt hout en producten daarvan op de interne markt brengen.

(17) Het [DDS] omvat drie elementen die inherent zijn aan risicobeheer: toegang tot informatie, risicobeoordeling en beperking van het onderkende risico. Het [DDS] moet toegang bieden tot informatie over de bronnen en leveranciers van hout en houtproducten die voor het eerst op de interne markt worden gebracht, waaronder relevante informatie zoals naleving van de toepasselijke wetgeving, het land van herkomst, de soorten en de hoeveelheid, en in voorkomend geval de subnationale regio en de kapconcessie. Op grond van deze informatie dienen marktdeelnemers een risicobeoordeling te verrichten. Wanneer een risico is onderkend, dienen de marktdeelnemers dit risico te beperken op een wijze die evenredig is met het onderkende risico, om te voorkomen dat illegaal gekapt hout en producten daarvan op de interne markt worden gebracht.

(18) Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, moet van marktdeelnemers die reeds gebruikmaken van systemen of procedures die voldoen aan de eisen van deze verordening, niet worden verlangd nieuwe systemen op te zetten.

[...]

(31) Aangezien de doelstelling van deze verordening, te weten de bestrijding van illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege haar reikwijdte, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het [...] subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. [...]”

4 Artikel 2 van deze verordening heeft als opschrift „Definities” en luidt:

„Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

[...]

c) ‚marktdeelnemer’: een natuurlijke of rechtspersoon die hout of houtproducten op de markt brengt;

[...]”

5 Artikel 4 van deze verordening heeft als opschrift „Verplichtingen van de marktdeelnemers” en bepaalt:

„1. Het op de markt brengen van illegaal gekapt hout of producten van dergelijk hout is verboden.

2. De marktdeelnemers betrachten zorgvuldigheid wanneer zij hout of houtproducten op de markt brengen. Daartoe passen zij een geheel van procedures en maatregelen toe, hierna [DDS] genoemd, dat in artikel 6 wordt omschreven.

3. Iedere marktdeelnemer handhaaft en evalueert op gezette tijden het [DDS] dat hij gebruikt, behalve wanneer de marktdeelnemer gebruikmaakt van een [DDS] dat is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8. [...]”

6 Artikel 6 („Stelsels van zorgvuldigheidseisen”) van dezelfde verordening bepaalt:

„1. Het in artikel 4, lid 2, bedoelde [DDS] behelst de volgende elementen:

a) maatregelen en procedures om toegang te bieden tot de volgende informatie over de partij hout en houtproducten van de marktdeelnemer die op de markt worden gebracht:

– beschrijving, met inbegrip van de handelsnaam en het type product alsmede de gebruikelijke benaming van de boomsoort en, indien van toepassing, de volledige wetenschappelijke benaming daarvan,

– land waar het hout is gekapt en, indien van toepassing:

i) het subnationale gebied waar het hout is gekapt; alsmede

ii) de kapconcessie,

– hoeveelheid (uitgedrukt in omvang, gewicht of aantal eenheden),

– naam en adres van de persoon die het hout aan de marktdeelnemer heeft geleverd,

– naam en adres van de handelaar aan wie het hout of de producten daarvan zijn geleverd,

– documenten of andere informatie waaruit blijkt dat het hout of de houtproducten in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving zijn;

b) risicobeoordelingsprocedures die de marktdeelnemer in staat stellen om het risico dat illegaal gekapt hout of houtproducten van dergelijk hout op de markt worden gebracht, te analyseren en in te schatten.

In dergelijke procedures wordt rekening gehouden met de informatie onder a), alsook de relevante risicobeoordelingscriteria, waaronder:

– verzekering van de naleving van de geldende wetgeving, die certificering kan omvatten of andere door derde partijen gecontroleerde regelingen die de naleving van geldende wetgeving betreffen,

– prevalentie van illegale kap van specifieke boomsoorten,

– prevalentie van illegale kap of praktijken in het land en/of het subnationale gebied waar het hout gekapt is, inclusief de inachtneming van de prevalentie van gewapende conflicten,

– sancties op de in‑ of uitvoer van hout, opgelegd door de Veiligheidsraad van de VN of de Raad van de Europese Unie,

– de complexiteit van de toeleveringsketen van hout en houtproducten;

c) behalve wanneer het bij onder b) bedoelde risicobeoordelingsprocedures onderkende risico verwaarloosbaar is, risicobeperkingsprocedures welke bestaan in een geheel van maatregelen en procedures die in verhouding staan tot dat risico en die toereikend zijn om het effectief te minimaliseren, in voorkomend geval door het verlangen van bijkomende informatie of bescheiden en/of door het verlangen van controles door derden.

[...]”

7 Artikel 8 van verordening nr. 995/2010, met als opschrift „Toezichthoudende organisaties”, bepaalt:

„1. Een toezichthoudende organisatie moet:

a) een [DDS] als uiteengezet in artikel 6 in stand houden en op gezette tijden evalueren en marktdeelnemers het recht verlenen daarvan gebruik te maken;

b) toezien op het correcte gebruik van haar [DDS] door die marktdeelnemers;

c) passende maatregelen nemen indien een marktdeelnemer nalaat naar behoren gebruik te maken van haar [DDS], waaronder het verwittigen van de bevoegde autoriteiten in geval van aanzienlijke of herhaalde nalatigheid van de marktdeelnemer.

2. Een organisatie kan een aanvraag tot erkenning als toezichthoudende organisatie indienen mits zij de volgende vereisten vervult:

a) zij heeft rechtspersoonlijkheid en is legaal in de Unie gevestigd;

b) zij beschikt over de nodige expertise en bevoegdheid om de in lid 1 bedoelde taken te vervullen; alsmede

c) zij draagt er zorg voor dat zij haar taken zonder enig belangenconflict verricht.

3. Een aanvrager die aan de in lid 2 gestelde eisen voldoet, wordt door de Commissie na raadpleging van de betrokken lidsta(a)t(en) erkend als toezichthoudende organisatie.

Het besluit tot erkenning van een toezichthoudende organisatie moet door de Commissie ter kennis worden gebracht aan de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten.

4. De bevoegde autoriteiten voeren op gezette tijden controles uit om na te gaan of de toezichthoudende organisaties die binnen het rechtsgebied van de bevoegde autoriteiten werkzaam zijn, nog altijd de in lid 1 genoemde taken vervullen en de in lid 2 genoemde eisen naleven. [...]

5. Indien een bevoegde autoriteit bepaalt dat een toezichthoudende organisatie niet langer de in lid 1 genoemde functies vervult of de in lid 2 genoemde eisen naleeft, stelt zij de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

6. De Commissie trekt de erkenning van een toezichthoudende organisatie in, wanneer zij, met name op grond van de uit hoofde van lid 5 verstrekte informatie, heeft vastgesteld dat de toezichthoudende organisatie niet langer de in lid 1 genoemde taken vervult of de in lid 2 genoemde eisen naleeft. [...]

[...]”

8 Artikel 10 van deze verordening heeft als opschrift „Controle van marktdeelnemers” en bepaalt:

„1. De bevoegde autoriteiten voeren controles uit om na te gaan of de marktdeelnemers aan de in de artikelen 4 en 6 vastgestelde eisen voldoen.

[...]

3. De in lid 1 bedoelde controles kunnen onder meer betrekking hebben op:

a) onderzoek naar het [DDS], met inbegrip van de risico-evaluatie en de procedures tot vermindering van de risico’s;

b) onderzoek van documentatie en gegevens die het behoorlijk functioneren van het [DDS] en de procedures aantonen;

c) controles ter plaatse, met inbegrip van audits ter plaatse.

[...]

5. [...] [I]ndien er naar aanleiding van de in lid 1 genoemde controles tekortkomingen zijn vastgesteld, [kunnen de bevoegde autoriteiten] een kennisgeving van door de marktdeelnemer te nemen corrigerende maatregelen afgeven. [...]”

Uitvoeringsverordening nr. 607/2012

9 Artikel 4 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 607/2012 van de Commissie van 6 juli 2012 houdende gedetailleerde voorschriften betreffende het stelsel van zorgvuldigheidseisen en de frequentie en de aard van de controles op de toezichthoudende organisaties overeenkomstig verordening [nr. 995/2010] (PB 2012, L 177, blz. 16) heeft als opschrift „Risicobeoordeling en ‑beperking” en bepaalt:

„Bij de risicobeoordelings‑ en risicobeperkingsprocedures kan rekening worden gehouden met certificaties of andere door derde partijen gecontroleerde regelingen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), tweede alinea, eerste streepje, en artikel 6, lid 1, onder c), van verordening [nr. 995/2010], indien deze regelingen cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij voorzien in een publiek toegankelijk systeem van vereisten dat door derden kan worden gebruikt en dat ten minste alle relevante voorschriften van de geldende wetgeving omvat;

b) zij bepalen dat een derde partij regelmatig en ten minste om de 12 maanden controles uitvoert, met inbegrip van bezoeken ter plaatse, om na te gaan of de toepasselijke wetgeving wordt nageleefd;

c) zij omvatten door een derde partij geverifieerde middelen om overeenkomstig de toepasselijke wetgeving gekapt hout en van dat hout afkomstige houtproducten in ieder stadium van de toeleveringsketen te traceren, voordat dat hout of die houtproducten op de markt worden gebracht;

d) zij omvatten door een derde partij geverifieerde controles om te waarborgen dat hout of houtproducten van onbekende oorsprong, of hout of houtproducten die niet overeenkomstig de toepasselijke wetgeving zijn gekapt, de toeleveringsketen niet binnenkomen.”

10 Artikel 5 („Registratie door de marktdeelnemers”) van deze uitvoeringsverordening luidt als volgt:

„1. Informatie over de partijen van marktdeelnemers als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), van verordening [nr. 995/2010] en de toepassing van risicobeperkende procedures moet in adequate registers worden bijgehouden. Deze documentatie moet vijf jaar worden bewaard en voor controle aan de bevoegde autoriteit ter beschikking worden gesteld.

2. Bij de toepassing van hun [DDS] moeten de marktdeelnemers kunnen bewijzen hoe de verzamelde informatie aan de hand van de risicocriteria van artikel 6, lid 1, onder b), van verordening [nr. 995/2010] gecontroleerd is, hoe een besluit betreffende risicobeperkende maatregelen werd genomen en hoe zij de risicograad hebben vastgesteld.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

11 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat JYSK een vennootschap naar Hongaars recht is die zich bezighoudt met de verkoop van hout en daarvan afkomstige houtproducten en in het kader van die werkzaamheden hout en deze producten uit derde landen invoert. Haar kapitaal is volledig in handen van de in Denemarken geregistreerde vennootschap LLG A/S (hierna: „moedermaatschappij”).

12 In 2023 heeft het nationaal bureau, de bevoegde autoriteit die in Hongarije verantwoordelijk is voor de toepassing van verordening nr. 995/2010, bij JYSK een controle uitgevoerd om met name na te gaan of die vennootschap overeenkomstig de vereisten van deze verordening over een DDS beschikte.

13 Bij besluit van 26 mei 2023 stelde het nationaal bureau met name vast dat JYSK verordening nr. 995/2010 had geschonden, legde het deze vennootschap een geldboete op en gelastte het haar om een eigen DDS op te zetten, op grond dat zij niet over een DDS beschikte, noch in haar naam en specifiek opgezet voor de door haar uitgeoefende activiteit, noch ingevoerd door een toezichthoudende organisatie in de zin van artikel 8 van verordening nr. 995/2010.

14 Het nationaal bureau merkte op dat JYSK een marktdeelnemer in de zin van artikel 2, onder c), van verordening nr. 995/2010 was en dat zij in het kader van de uitoefening van haar handelsactiviteit gebruikmaakte van een DDS dat door haar moedermaatschappij was ontwikkeld en was gebaseerd op risicobeoordelingen die zowel door deze laatste als door een dergelijke organisatie zijn verricht.

15 JYSK heeft dit besluit betwist bij de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de stad Boedapest, Hongarije), de verwijzende rechter in deze zaak, met het betoog dat het door haar moedermaatschappij gehandhaafde DDS als haar eigen stelsel kan worden beschouwd, omdat verordening nr. 995/2010 enkel de verplichting oplegt om een DDS te gebruiken, niet om een dergelijk stelsel op te zetten. Deze vennootschap merkt op dat de moedermaatschappij over heel Europa een groot aantal dochterondernemingen bezit die allemaal datzelfde DDS gebruiken.

16 Het nationaal bureau is van mening dat een marktdeelnemer in de zin van verordening nr. 995/2010 verplicht is om zelf een DDS te handhaven. Voor zover de moedermaatschappij haar dochterondernemingen autonoom laat optreden bij de invoer van hout en houtproducten, moet elk van deze dochterondernemingen overeenkomstig die verordening haar eigen DDS handhaven.

17 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of een marktdeelnemer volgens verordening nr. 995/2010 enkel gebruik moet maken van een DDS om gegevens te verzamelen, te beoordelen en, in voorkomend geval, het risico te beperken ten aanzien van het hout en de houtproducten die hij voor het eerst in de Unie op de markt brengt, dan wel of een dergelijke marktdeelnemer daarentegen moet beschikken over een DDS dat op eigen naam is ingevoerd en specifiek is opgezet voor de door hem uitgeoefende activiteit. Bovendien is deze rechter van oordeel dat JYSK, gelet op haar werkzaamheden, zelf als marktdeelnemer in de zin van deze verordening aan de verplichtingen inzake het DDS is onderworpen.

18 In deze omstandigheden heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 4, leden 2 en 3, van verordening [nr. 995/2010], gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, daarvan, aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een praktijk waarbij de marktdeelnemer toegang heeft tot de in artikel 6, lid 1, van deze verordening bedoelde elementen van het [DDS] dat door zijn moederonderneming wordt gehandhaafd en geëvalueerd of door zijn moederonderneming wordt gebruikt en door een toezichthoudende organisatie in de zin van artikel 8 [van die verordening] is ingevoerd?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

19 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 2 en lid 3, eerste volzin, en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 995/2010 aldus moeten worden uitgelegd dat het voor een marktdeelnemer in de zin van artikel 2, onder c), van deze verordening die tot een groep van vennootschappen behoort, ter naleving van de krachtens deze bepalingen op hem rustende verplichtingen voldoende is dat hij toegang heeft tot de in dat artikel 6, lid 1, bedoelde elementen van een DDS dat is ingevoerd, gehandhaafd en geëvalueerd door de moedermaatschappij van die groep, dan wel is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening en door deze moedermaatschappij wordt gebruikt.

20 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 4, lid 2 en lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 995/2010 voor een marktdeelnemer in de zin van artikel 2, onder c), van deze verordening op het gebied van het DDS twee verschillende verplichtingen gelden. Ten eerste moet een marktdeelnemer, wanneer hij hout of houtproducten voor het eerst op de interne markt brengt, een DDS gebruiken, dat in artikel 6, lid 1, van die verordening wordt omschreven. Ten tweede moet hij het DDS dat hij gebruikt handhaven en op gezette tijden evalueren, tenzij hij gebruikmaakt van een DDS dat is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8 van verordening nr. 995/2010.

21 In het onderhavige geval blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat JYSK, teneinde te kunnen voldoen aan haar verplichting om een DDS te gebruiken, van haar moedermaatschappij toegang krijgt tot de verschillende elementen van één enkel DDS dat binnen een groep van vennootschappen waartoe deze twee vennootschappen behoren gezamenlijk wordt toegepast en waarvan de elementen worden vastgesteld door ofwel de moedermaatschappij zelf ofwel een toezichthoudende organisatie in de zin van artikel 8 van verordening nr. 995/2010. Bovendien staat vast dat JYSK het DDS waartoe zij toegang heeft, niet zelf handhaaft en evalueert, aangezien de verplichtingen die in dit verband op haar rusten, door haar moedermaatschappij worden vervuld, in voorkomend geval door een beroep te doen op een dergelijke organisatie.

22 Voor een nuttig antwoord op de gestelde vraag moet ten eerste worden nagegaan of een marktdeelnemer zijn verplichting om een DDS te gebruiken kan nakomen door middel van toegang tot de elementen in een DDS dat door een derde is opgesteld en ten tweede of het voor een marktdeelnemer, teneinde te voldoen aan zijn verplichting om het door hem gebruikte DDS te handhaven en op gezette tijden te evalueren, voldoende is dat hij toegang heeft tot een DDS dat is ingevoerd, gehandhaafd en op gezette tijden geëvalueerd door een derde die geen toezichthoudende organisatie is in de zin van artikel 8 van verordening nr. 995/2010, of door een dergelijke organisatie is ingevoerd, maar door een derde wordt gebruikt.

23 Ter beantwoording van deze vragen moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak voor de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen, behalve met de bewoordingen ervan, rekening moet worden gehouden met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaken (zie in die zin arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 27 februari 2025, Dun & Bradstreet Austria e.a., C‑203/22, EU:C:2025:117, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Wat in de eerste plaats de letterlijke uitlegging van de in de prejudiciële vraag bedoelde bepalingen betreft, kan op basis van de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van de term „toepassen” in lid 2 en „gebruiken” in lid 3, eerste volzin, van artikel 4 van verordening nr. 995/2010, niet ondubbelzinnig worden bepaald in hoeverre een marktdeelnemer een beroep kan doen op een derde om de krachtens die bepalingen op hem rustende verplichtingen na te komen.

25 Dit neemt niet weg dat een marktdeelnemer ten eerste, zoals duidelijk blijkt uit artikel 4, lid 2, van verordening nr. 995/2010, verplicht is om een DDS toe te passen dat de in artikel 6, lid 1, van deze verordening genoemde elementen bevat. Gelet op de punten a) tot en met c) van deze laatste bepaling, gelezen in het licht van de overwegingen 16 en 17 van die verordening, zijn de drie aldus vereiste elementen om te beginnen de maatregelen en procedures waarmee toegang kan worden verkregen tot informatie over de bronnen en leveranciers van hout en houtproducten die voor het eerst op de interne markt worden gebracht, voorts de procedures die de marktdeelnemer in staat stellen om op basis van die informatie het risico dat illegaal gekapt hout en houtproducten van dergelijk hout op de markt worden gebracht, te analyseren en in te schatten, en ten slotte, wanneer dit risico niet verwaarloosbaar blijkt te zijn, de maatregelen en procedures om dat risico te beperken.

26 De verplichting om een DDS te gebruiken betekent dat de marktdeelnemer actief moet optreden met passende maatregelen ter toepassing van het DDS om te voorkomen dat hout en houtproducten uit illegale kap op de markt worden gebracht. Bovendien moeten de drie elementen van het DDS noodzakelijkerwijs betrekking hebben op de eigen handelsactiviteit van deze marktdeelnemer die ertoe leidt dat hout of houtproducten op de interne markt worden gebracht, en moeten zij zijn aangepast aan het specifieke risico dat deze activiteit meebrengt.

27 Ten tweede blijkt uit de bewoordingen van artikel 4, lid 2 en lid 3, eerste volzin, en artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 995/2010 dat de verplichting om een DDS te gebruiken wanneer hout of houtproducten op de interne markt worden gebracht, en dus de verplichting om bij de toepassing van een DDS gebruik te maken van de drie in artikel 6, lid 1, van deze verordening bedoelde onderdelen waaruit het DDS bestaat, uitsluitend aan de marktdeelnemer worden opgelegd. Deze verordening biedt een marktdeelnemer geen mogelijkheid om een derde te belasten met de nakoming van de verplichting om een DDS te gebruiken. Artikel 4, lid 3, bepaalt namelijk dat alleen de handhaving en evaluatie van het door de marktdeelnemer gebruikte DDS kan worden toevertrouwd aan een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. Dat is mogelijk in de situatie waarin de marktdeelnemer gebruikmaakt van een DDS dat is ingevoerd door een dergelijke organisatie.

28 Het Unierecht verzet zich er zeker niet tegen dat een marktdeelnemer zich door een derde laat bijstaan bij de vaststelling van de verschillende elementen die een DDS op grond van artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), van verordening nr. 995/2010 bevat. Zo bepaalt artikel 4 van uitvoeringsverordening nr. 607/2012 uitdrukkelijk dat bij de risicobeoordelings‑ en risicobeperkingsprocedures betreffende het op de markt brengen van hout of van dat hout afkomstige houtproducten uit illegale kap, in beginsel rekening kan worden gehouden met certificaties of andere door derde partijen gecontroleerde regelingen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), tweede alinea, eerste streepje, en lid 1, onder c), van verordening nr. 995/2010.

29 Uit het voorgaande volgt niettemin dat de verplichting om een DDS in te voeren in beginsel op de marktdeelnemer rust, welke taak blijkens artikel 4, lid 3, van verordening nr. 995/2010 ook kan worden vervuld door een toezichthoudende organisatie, en dat de marktdeelnemer passende maatregelen ter toepassing van dit DDS moet vaststellen om te voorkomen dat hout en houtproducten uit illegale kap op de markt worden gebracht.

30 Ten derde worden in artikel 4, lid 3, van verordening nr. 995/2010 de mogelijkheden van een marktdeelnemer om zich te onttrekken aan zijn verplichting om het DDS te handhaven en te evalueren, ondubbelzinnig beperkt tot het geval van een DDS dat is ingesteld door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening, waarbij eerstgenoemde bepaling preciseert dat het hierbij om het door die marktdeelnemer gebruikte DDS moet gaan.

31 In die omstandigheden kan uit de bewoordingen van artikel 4, lid 2 en lid 3, eerste volzin, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, van verordening nr. 995/2010, ten eerste worden afgeleid dat met alleen de toegang van een marktdeelnemer tot de in deze laatste bepaling bedoelde elementen in een DDS dat niet door die marktdeelnemer zelf is opgesteld, maar door een derde die geen toezichthoudende organisatie is, zoals de moedermaatschappij van de groep waartoe hij behoort, niet aan het voor deze marktdeelnemer op grond van zijn verplichting om een DDS te gebruiken geldende vereiste kan worden voldaan om actief op te treden wanneer hij hout of houtproducten op de interne markt brengt. Ten tweede heeft diezelfde marktdeelnemer de mogelijkheid om een derde te belasten met het nakomen van de verplichting om een DDS te handhaven en op gezette tijden te evalueren alleen in een situatie waarin hij een dergelijk DDS gebruikt. Een dergelijke mogelijkheid is hoe dan ook enkel voorstelbaar in het geval dat het door de marktdeelnemer gebruikte DDS is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie in de zin van artikel 8 van deze verordening.

32 De uitlegging in het vorige punt vindt zowel steun in de context van de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht als in de doelstelling van verordening nr. 995/2010.

33 Wat in de tweede plaats de contextuele uitlegging van deze bepalingen betreft, moet in herinnering worden gebracht dat de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 10, lid 1 en lid 3, onder a) en b), van verordening nr. 995/2010 controles uitvoeren om na te gaan of de marktdeelnemers aan de in de artikelen 4 en 6 van deze verordening vastgestelde eisen voldoen en dat deze controles onder meer betrekking hebben op onderzoek naar het DDS, waaronder de risico-evaluatie en de procedures tot vermindering van de risico’s dat hout of van dat hout afkomstige houtproducten uit illegale kap op de markt worden gebracht alsook onderzoek van documentatie en gegevens die het behoorlijk functioneren van het DDS en de procedures aantonen.

34 In dit verband verplicht artikel 5, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 607/2012 marktdeelnemers ertoe om een registratie bij te houden van de informatie over de partijen hout en houtproducten die op de markt worden gebracht zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), van verordening nr. 995/2010, en het vereist dat risicobeperkende procedures betreffende het op de markt brengen van hout of hiervan afkomstige houtproducten uit illegale kap worden toegepast. Artikel 5, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 607/2012 verduidelijkt dat de marktdeelnemers moeten kunnen bewijzen hoe een besluit betreffende risicobeperkende maatregelen werd genomen en hoe zij de risicograad hebben vastgesteld.

35 Gelet op de aldus aan een marktdeelnemer opgelegde verplichtingen in verband met het gebruiken, handhaven en op gezette tijden evalueren van een DDS overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van verordening nr. 995/2010, moet worden vastgesteld dat de doeltreffendheid van de controles die de bevoegde autoriteiten krachtens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 995/2010 in het kader van de handelsactiviteit van een marktdeelnemer verrichten, niet ten volle kan worden gewaarborgd indien die marktdeelnemer, onder voorbehoud van de uitzondering van artikel 4, lid 3, van deze verordening, ermee zou kunnen volstaan zijn toegang tot de elementen die deel uitmaken van een door een derde ingevoerd DDS met die autoriteiten te delen. De omstandigheid dat deze derde in voorkomend geval de moedermaatschappij is van een groep vennootschappen waartoe de marktdeelnemer behoort en een handelsactiviteit uitoefent die vergelijkbaar is met of zelfs identiek is aan die van deze marktdeelnemer, en dat deze twee entiteiten gebruikmaken van dezelfde toeleveringsketens, is irrelevant.

36 Een soortgelijke redenering geldt voor artikel 10, lid 5, eerste volzin, van verordening nr. 995/2010, op grond waarvan de bevoegde autoriteiten, wanneer zij tijdens hun controles tekortkomingen vaststellen, een kennisgeving van door de marktdeelnemer te nemen corrigerende maatregelen kunnen afgeven. De snelle en doeltreffende uitvoering van dergelijke maatregelen door de marktdeelnemer zou immers niet gewaarborgd zijn indien hij niet in staat zou zijn om zelf bij de verschillende elementen van het betrokken DDS in te grijpen.

37 Wat in de derde plaats de teleologische uitlegging van de in de vraag bedoelde bepalingen betreft, zij eraan herinnerd dat verordening nr. 995/2010 blijkens overweging 31 ervan tot doel heeft de illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel te bestrijden (zie in die zin arrest van 21 november 2024, Mesto Rimavská Sobota, C‑370/23, EU:C:2024:972, punt 36). Bovendien kan uit overweging 16 van die verordening worden afgeleid dat de toepassing van een DDS tot doel heeft om het risico te minimaliseren dat illegaal gekapt hout en producten daarvan op de interne markt worden gebracht.

38 Alleen de marktdeelnemer zelf, die krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 995/2010 rechtstreeks aan een zorgvuldigheidsplicht is onderworpen wanneer hij hout of houtproducten op de interne markt brengt, is in staat om de relevante informatie over zijn handelsactiviteit en over de beoordeling en het beheer van het aan die activiteit verbonden risico op bevredigende wijze te verstrekken en aldus te verzekeren dat het bij deze verordening ingestelde DDS wordt uitgevoerd in overeenstemming met de in het vorige punt van dit arrest genoemde doelstellingen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 59 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, biedt louter de toegang van de marktdeelnemer tot een DDS waarvan de uitvoeringsmaatregelen niet zijn vastgesteld door de marktdeelnemer zelf of een toezichthoudende organisatie maar door een derde, zoals zijn moedermaatschappij, geen waarborg dat deze doelstellingen op gelijkwaardige wijze kunnen worden bereikt.

39 De verplichtingen van de marktdeelnemer uit artikel 4, lid 2 en lid 3, eerste volzin, en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 995/2010 kunnen in dit verband niet als nagekomen worden beschouwd op de enkele grond dat een marktdeelnemer kan aantonen dat hij toegang heeft tot de elementen in een door een derde ingevoerd DDS en in het kader van zijn handelsactiviteit geen hout en houtproducten van illegale kap op de interne markt heeft gebracht. Een dergelijke benadering houdt immers onvoldoende rekening met het feit dat verordening nr. 995/2010 tot doel heeft om voor diezelfde marktdeelnemer vereisten vast te stellen op grond waarvan actieve handelingen van hem worden gevraagd voordat hij hout of houtproducten op de interne markt brengt.

40 Het is juist dat verordening nr. 995/2010, zoals blijkt uit overweging 18 ervan, rekening houdt met de noodzaak om onnodige administratieve lasten voor de marktdeelnemers te voorkomen. Het is niet uitgesloten dat het gebruiken, handhaven en op gezette tijden evalueren van een DDS dat is aangepast aan de specifieke handelsactiviteit van elke dochteronderneming van een groep van vennootschappen, zowel voor de moedermaatschappij als voor de dochterondernemingen financieel van belang kan zijn.

41 Dergelijke overwegingen over de voordelen van één enkel DDS voor een groep van vennootschappen kunnen de marktdeelnemers evenwel niet vrijstellen van de verplichting om overeenkomstig de vereisten van verordening nr. 995/2010 zorgvuldigheid te betrachten.

42 Bovendien moet hieraan worden toegevoegd dat de mogelijkheden van een marktdeelnemer om, ter naleving van zijn verplichting om het DDS te handhaven en op gezette tijden te evalueren, gebruik te maken van een toezichthoudende organisatie in de zin van artikel 8 van verordening nr. 995/2010, hoe dan ook niet zodanig verruimd kunnen worden dat dit ook kan wanneer dit DDS is ingevoerd en wordt gehandhaafd en geëvalueerd door een andere derde, zoals de moedermaatschappij van die marktdeelnemer. Een dergelijke benadering zou immers neerkomen op omzeiling van de bepalingen van de leden 1 tot en met 6 van dat artikel 8 die de organisatie en functies van en het toezicht op toezichthoudende organisaties regelen, en zou aldus afbreuk kunnen doen aan de in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen.

43 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2 en lid 3, eerste volzin, en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 995/2010 aldus moeten worden uitgelegd dat het voor een marktdeelnemer in de zin van artikel 2, onder c), van deze verordening die tot een groep van vennootschappen behoort, ter naleving van de krachtens deze bepalingen op hem rustende verplichtingen niet voldoende is dat hij toegang heeft tot de in dat artikel 6, lid 1, bedoelde elementen van een DDS dat is ingevoerd, gehandhaafd en geëvalueerd door de moedermaatschappij van die groep, dan wel is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening en door deze moedermaatschappij wordt gebruikt.

Kosten

44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 4, lid 2 en lid 3, eerste volzin, en artikel 6, lid 1, van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen

moeten aldus worden uitgelegd dat

het voor een marktdeelnemer in de zin van artikel 2, onder c), van deze verordening die tot een groep van vennootschappen behoort, ter naleving van de krachtens deze bepalingen op hem rustende verplichtingen niet voldoende is dat hij toegang heeft tot de in dat artikel 6, lid 1, bedoelde elementen van een stelsel van zorgvuldigheidseisen dat is ingevoerd, gehandhaafd en geëvalueerd door de moedermaatschappij van die groep, dan wel is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening en door deze moedermaatschappij wordt gebruikt.

ondertekeningen

* Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in