HvJ EU 5 september 2024, C-67/23, ECLI:EU:C:2024:680

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

5 september 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Birma/Myanmar – Verbod op de invoer van goederen van oorsprong of uitgevoerd uit Birma/Myanmar – Verordening (EG) nr. 194/2008 – Artikel 2, lid 2, onder a) – Teakhouten stammen van oorsprong uit Birma/Myanmar die naar Taiwan zijn uitgevoerd en aldaar zijn bewerkt alvorens te worden vervoerd naar de Europese Unie – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Communautair douanewetboek – Artikel 24 – Begrip ‚ingrijpende verwerking of bewerking’ – In Taiwan van takken ontdane, ontschorste, vierkant bezaagde of tot gezaagd hout verzaagde teakhouten stammen – Door de Taiwanese overheid afgegeven certificaat van oorsprong – Waarde van dit certificaat voor het bepalen van de oorsprong van deze teakhouten stammen door de douaneautoriteiten van de lidstaten”

In zaak C‑67/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 17 november 2022, ingekomen bij het Hof op 8 februari 2023, in de strafprocedure tegen

S.Z.,

in tegenwoordigheid van:

W. GmbH,

Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz, P. G. Xuereb (rapporteur), A. Kumin en I. Ziemele, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– S.Z., vertegenwoordigd door G. Schwendinger, Rechtsanwalt,

– W. GmbH, vertegenwoordigd door K. Göcke, Rechtsanwältin,

– het Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof, vertegenwoordigd door P. Frank als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Carpus Carcea, C. Hödlmayr en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 194/2008 van de Raad van 25 februari 2008 tot verlenging en verscherping van de beperkende maatregelen tegen Birma/Myanmar en tot intrekking van verordening (EG) nr. 817/2006 (PB 2008, L 66, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen S.Z. wegens schending van het verbod op de invoer van goederen van oorsprong of uitgevoerd uit Birma/Myanmar.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

GN

3 De indeling in het douanetarief van in de Europese Unie ingevoerde goederen wordt geregeld door de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1) – zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 (PB 2007, L 286, blz. 1) (hierna: „GN”) – en die is gebaseerd op het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”), zoals ingevoerd bij het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten internationaal verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen in het kader van de Werelddouaneorganisatie (WDO), dat met het daarbij behorende protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1).

4 Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2658/87 neemt de GN de posten en onderverdelingen van het GS tot zes cijfers over, en vormen alleen het zevende en het achtste cijfer eigen onderverdelingen van de GN.

5 De posten 4403 en 4407 van de GN, die overeenkomen met dezelfde posten van het GS, hebben als respectievelijke opschriften: „Hout, onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd” en „Hout, overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden, met een dikte van meer dan 6 mm”.

Communautair douanewetboek

6 Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”) is sinds 1 mei 2016 ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90). Gelet op de datum van de feiten van het hoofdgeding blijft hierop evenwel het communautair douanewetboek van toepassing.

7 Titel II („Elementen welke ten grondslag liggen aan de toepassing van de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer en de andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen”) van het communautair douanewetboek bevatte een hoofdstuk 1 („Douanetarief van de Europese Gemeenschappen en de tariefindeling van goederen”) waar artikel 20 van dit wetboek deel van uitmaakte en waarin het volgende stond te lezen: „1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd. […] 3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat: […] d) de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen heeft gesloten en die in een preferentiële tariefbehandeling voorzien; e) de preferentiële tariefmaatregelen die door de Gemeenschap ten gunste van bepaalde landen, groepen van landen of gebieden unilateraal zijn vastgesteld; […]”

8 Hoofdstuk 2 („Oorsprong van goederen”) van deze titel II bevatte een afdeling 1 („Niet-preferentiële oorsprong”) en een afdeling 2 („Preferentiële oorsprong”).

9 Afdeling 1 bestond onder meer uit artikel 22 van het communautair douanewetboek waarin was bepaald: „In de artikelen 23 tot en met 26 is de niet-preferentiële oorsprong van de goederen omschreven met het oog op: a) de toepassing van het douanetarief van de Europese Gemeenschappen, met uitzondering van de in artikel 20, lid 3, onder d) en e), bedoelde maatregelen; b) de toepassing van andere maatregelen dan tariefmaatregelen die in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld; c) de opstelling en de afgifte van oorsprongscertificaten.”

10 Artikel 23 van dit wetboek luidde: „1. Van oorsprong uit een land zijn goederen die geheel en al in dat land zijn verkregen. 2. Onder ‚goederen die geheel en al in een land zijn verkregen’ wordt verstaan: […] b) aldaar geoogste producten van het plantenrijk; […]”

11 Artikel 24 van dit wetboek bepaalde: „Goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”

12 In artikel 26 van hetzelfde wetboek was bepaald: „1. In de douanewetgeving of in andere specifieke communautaire wetgeving kan worden bepaald dat de oorsprong van goederen moet worden aangetoond door overlegging van een document. 2. Niettegenstaande de overlegging van dit document kunnen de douaneautoriteiten, in geval van ernstige twijfel, elk aanvullend bewijs eisen om zich ervan te vergewissen dat de vermelding van de oorsprong wel beantwoordt aan de regels die in de desbetreffende communautaire voorschriften zijn vastgesteld.”

Verordening nr. 2454/93

13 Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1) is ingetrokken bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/481 van de Commissie van 1 april 2016 tot intrekking van verordening nr. 2454/93 van de Commissie houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 2016, L 87, blz. 24). Gelet op de datum van de feiten van het hoofdgeding blijft hierop evenwel verordening nr. 2454/93 van toepassing.

14 Die verordening bevatte een bij verordening (EU) nr. 1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010 (PB 2010, L 307, blz. 1) ingevoegde bijlage 13 bis, dat een deel II („Lijst van producten en oorsprongverlenende be- of verwerkingen”) bevatte, dat met name voorzag in het volgende: Post van het geharmoniseerd systeem Omschrijving Determinerende behandeling (be- of verwerkingen waardoor niet van oorsprong zijnde materialen de oorsprong verkrijgen) […] […] […] ex hoofdstuk 44 Hout, houtskool en houtwaren; houtskool, met uitzondering van: Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van die van het product of Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product. ex 4407 Hout, overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, geschaafd, geschuurd of met stuikverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm Schaven, schuren of aaneenvoegen door middel van een stuikverbinding […] […] […]

Verordening nr. 194/2008

15 Sinds 3 mei 2013 is verordening nr. 194/2008 ingetrokken bij verordening (EG) nr. 401/2013 van de Raad van 2 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Myanmar/Birma en tot intrekking van verordening nr. 194/2008 (PB 2013, L 121, blz. 1). Gelet op de datum van de feiten van het hoofdgeding blijft hierop evenwel verordening nr. 194/2008 van toepassing.

16 De overwegingen 6 en 7 van verordening nr. 194/2008 luidden als volgt: „(6) Sedert meer dan tien jaar hebben de Raad [van de Europese Unie] en leden van de internationale gemeenschap herhaaldelijk de praktijken van het regime van Birma/Myanmar veroordeeld, namelijk de folteringen, de standrechtelijke en willekeurige executies, de dwangarbeid, het vrouwenmisbruik, de politieke aanhoudingen, de gedwongen verplaatsingen van de bevolking en de beperkingen van fundamentele rechten als de vrijheid van meningsuiting, het vrije verkeer en de vrijheid van vergadering. Omdat het regime zich reeds lang schuldig maakt aan aanhoudende ernstige schendingen van fundamentele rechten, met inbegrip van de recente harde repressie tegen vredesdemonstranten, helpen de in deze verordening vervatte beperkingen het eerbiedigen van de fundamentele rechten van de mens te bevorderen en dragen zij derhalve bij aan de bescherming van de goede zeden. (7) De nieuwe beperkende maatregelen zijn gericht op sectoren die inkomstenbronnen zijn voor het militaire regime van Birma/Myanmar. De nieuwe beperkende maatregelen zijn derhalve van toepassing op hout en houtproducten, en op steenkool, goud, zilver, bepaalde onedele metalen en edelstenen en halfedelstenen. In deze sectoren worden invoer, uitvoer en investeringen door bepaalde maatregelen beperkt. De lijst van entiteiten waarop de nieuwe beperkingen ten aanzien van investeringen en financiële bijstand voor de uitvoer van toepassing zijn, stemt overeen met de lijst in bijlage I bij gemeenschappelijk standpunt 2007/750/GBVB [van de Raad van 19 november 2007 tot wijziging van gemeenschappelijk standpunt 2006/318/GBVB tot verlenging van de beperkende maatregelen tegen Birma/Myanmar (PB 2007, L 308, blz. 1)], waarin entiteiten in Birma/Myanmar zijn genoemd die in de betrokken sectoren actief zijn.”

17 Artikel 1, dat was opgenomen onder hoofdstuk 1 („Definities”) van deze verordening, bepaalde: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a) ‚invoer’: elke binnenkomst van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap of in andere gebieden waarop het [EG-Verdrag] van toepassing is, onder de voorwaarden van artikel 299 [EG-Verdrag]. […] […]”

18 Onder hoofdstuk 2 („Invoer- en aankoopbeperkingen”) van verordening nr. 194/2008 stond in artikel 2, leden 1 tot en met 3, te lezen: „1. In bijlage I zijn goederen opgenomen die behoren tot de volgende categorieën: a) rondhout, hout en houtproducten; b) steenkool en bepaalde metalen; en c) edelstenen en halfedelstenen. 2. Het is verboden: a) de in bijlage I bedoelde goederen in te voeren, indien die goederen i) van oorsprong zijn uit Birma/Myanmar; of ii) vanuit Birma/Myanmar zijn uitgevoerd; b) de in bijlage I bedoelde goederen die zich in Birma/Myanmar bevinden, aan te kopen[;] c) de in bijlage I bedoelde goederen te vervoeren, indien die goederen van oorsprong zijn uit Birma/Myanmar of vanuit dat land worden uitgevoerd naar een ander land, en de Gemeenschap als eindbestemming hebben; of d) bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de in punt a), b) of c) opgenomen verbodsbepalingen direct of indirect worden omzeild. 3. De oorsprong van goederen wordt bepaald overeenkomstig de relevante bepalingen van het [communautair douanewetboek].”

19 Bijlage I bij die verordening had als opschrift „Lijst van in artikel 2 bedoelde goederen waarvoor invoer- en aankoopbeperkingen gelden”. Onder punt A („Rondhout, hout en houtproducten”) van deze bijlage werden de goederen met GN-code 4403 en 4407 opgenomen.

Duits recht

20 § 34, lid 4, punt 2, van het Außenwirtschaftsgesetz (Duitse wet inzake buitenlandse handel; hierna: „AWG”), in de versie van 27 mei 2009, bepaalde: „Met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar wordt gestraft, degene die […] 2) in strijd handelt met een in de Bundesanzeiger [(Duitse staatscourant)] bekendgemaakt, rechtstreeks toepasselijk uitvoer-, invoer- doorvoer-, overbrengings-, verkoop-, leverings-, terbeschikkingstellings-, overdrachts-, dienstverlenings-, investerings-, ondersteunings- of ontduikingsverbod, als bedoeld in een handeling van de Europese Gemeenschappen waarmee uitvoering wordt gegeven aan een door de Raad van de Europese Unie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vastgestelde economische sanctiemaatregel.”

21 Verordening nr. 194/2008, die in de Bondsrepubliek Duitsland rechtstreeks toepasselijk was, werd – wat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde artikel 2, lid 2, onder a), ervan betreft – op 22 oktober 2009 in de Bundesanzeiger bekendgemaakt.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22 S.Z. was de enige bestuurder van een vennootschap met statutaire zetel in Hamburg (Duitsland), die handelde in teakhout van oorsprong uit Birma/Myanmar (hierna: „betrokken vennootschap”). Dit hout werd hoofdzakelijk gebruikt in de scheepsbouw. Deze vennootschap was de rechtsvoorganger van W. GmbH (hierna: „W.”), de vennootschap die eigenaar is van de verbeurdverklaarde goederen en de belanghebbende partij in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbeurdverklaringsprocedure.

23 Bij vonnis van het Landgericht Hamburg (rechter in tweede aanleg Hamburg, Duitsland) van 27 april 2021 is S.Z. wegens schending van § 34, lid 4, punt 2, AWG veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en negen maanden. Het Landgericht Hamburg heeft tevens ten aanzien van W. de verbeurdverklaring gelast van teakhouten stammen (hierna: „betrokken producten”) en een bedrag van 3310902,98 EUR, dat overeenkomt met de waarde van de opbrengsten die voortvloeien uit het strafbaar feit.

24 In dit verband heeft die rechter vastgesteld dat de betrokken onderneming op initiatief van S.Z. teakhout uit Birma/Myanmar is blijven invoeren en verhandelen tussen oktober 2009 en mei 2011, dat wil zeggen na de inwerkingtreding van verordening nr. 194/2008, waarbij de invoer werd verboden van goederen van oorsprong of uitgevoerd uit Birma/Myanmar. De in Taiwan gevestigde leverancier van deze vennootschap had teakbomen in Birma/Myanmar gekapt en vervolgens de stammen van die bomen naar Taiwan vervoerd en daar in zagerijen bewerkt.

25 Deze rechter heeft bovendien vastgesteld dat deze stammen in Taiwan drie soorten bewerkingen hadden ondergaan. Sommige werden er enkel van takken ontdaan en ontschorst. Andere werden er van takken ontdaan en ontschorst, en vervolgens vierkant bezaagd, dat wil zeggen op maat gezaagd in de vorm van rechthoekige balken. Ten slotte werden bepaalde stammen in latten of planken, dat wil zeggen tot gezaagd teakhout, op maat gezaagd. Na deze bewerkingen is het hout, voorzien van door de Taiwanese autoriteiten afgegeven certificaten van oorsprong, per schip naar Hamburg vervoerd en aldaar door de betrokken vennootschap in ontvangst genomen.

26 Het Landgericht Hamburg is van oordeel dat het betrokken teakhout, als gevolg van de bewerking die het in Taiwan had ondergaan, van oorsprong was uit Taiwan, zodat artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008, dat de invoer van goederen van oorsprong uit Birma/Myanmar verbood, niet was geschonden. Die rechter is evenwel van oordeel dat dit teakhout, hoewel het naar Taiwan was vervoerd en daar was gezaagd, niet de hoedanigheid van uit Birma/Myanmar uitgevoerd product in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), ii), had verloren en dat derhalve moest worden vastgesteld dat laatstgenoemde bepaling was geschonden.

27 S.Z. en W. hebben tegen het vonnis van het Landgericht Hamburg van 27 april 2021 beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter. Volgens hen zijn de betrokken stammen niet enkel vanuit Birma/Myanmar naar Duitsland vervoerd via Taiwan, maar is het in dat laatste derde land be- of verwerkt waardoor het een nieuwe oorsprong heeft verkregen, zodat de Taiwanese autoriteiten certificaten van oorsprong hadden opgesteld waarin Taiwan als land van oorsprong was vermeld. De betrokken producten zijn dus volgens verzoekers geen hout van oorsprong uit Birma/Myanmar, maar Taiwanese afgeleide houtproducten, die in Duitsland zijn ingevoerd. De betrokken producten zijn dus niet in strijd met artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008 ingevoerd. Voorts is het betrokken teakhout, dat op het grondgebied van de Unie is binnengebracht, niet uitgevoerd vanuit Birma/Myanmar in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), ii), maar vanuit Taiwan.

28 De Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof (procureur-generaal bij de hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) (hierna: „procureur-generaal”) is het eens met het Landgericht Hamburg. Hij was in wezen van oordeel dat in casu de bewerking van het uit Birma/Myanmar uitgevoerde teakhout alleen de oorsprong ervan heeft gewijzigd, zonder dat dit evenwel een ander goed is geworden.

29 In deze context wijst de verwijzende rechter er in de eerste plaats op dat de invoer van de betrokken producten een strafbaar feit vormt krachtens § 34, lid 4, punt 2, AWG, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 2, onder a), van verordening nr. 194/2008, indien de be- of verwerking in Taiwan niet heeft volstaan om het betrokken teakhout een nieuwe oorsprong te verlenen en het dus nog steeds van oorsprong is uit Birma/Myanmar in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), i), van deze verordening.

30 Gelet op de arresten van 26 januari 1977, Gesellschaft für Überseehandel (49/76, EU:C:1977:9), betreffende caseïne, en 23 februari 1984, Zentrag (93/83, EU:C:1984:78), betreffende rundvlees, betwijfelt de verwijzende rechter of de bewerking van het in Birma/Myanmar gezaagde teakhout in Taiwan zo ingrijpend was dat dit hout krachtens artikel 24 van het communautair douanewetboek een goed van oorsprong uit Taiwan was geworden. Hij wijst er echter op dat het zagen van teakhout in onbewerkte vorm om gezaagd hout te verkrijgen, leidt tot een verandering van GS-post, aangezien onbewerkt hout onder GS-post 4403 valt en gezaagd hout met een dikte van meer dan 6 mm onder GS-post 4407. Er heeft zich echter geen verandering van post voorgedaan als gevolg van de bewerkingen die de samenstelling van het rundvlees of de caseïne in kwestie hebben gewijzigd in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot deze arresten. Een viercijferige wijziging in de tariefpost zou een aanwijzing kunnen zijn voor een ingrijpende bewerking van een product, aangezien het GS gebaseerd is op een progressie van natuurlijke producten en grondstoffen naar steeds meer verwerkte producten.

31 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat ingeval de zaagwerkzaamheden in Taiwan tot een verandering van oorsprong hebben geleid, de betrokken invoer een strafbaar feit is indien de betrokken teakhouten stammen in strijd met artikel 2, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 194/2008 vanuit Birma/Myanmar zijn uitgevoerd.

32 Anders dan het Landgericht Hamburg en de procureur-generaal, neigt de verwijzende rechter ertoe te oordelen dat de uitdrukking „vanuit Birma/Myanmar uitgevoerd” in dat artikel 2, lid 2, onder a), ii), aldus moet worden uitgelegd dat deze uitdrukking enkel betrekking heeft op goederen die rechtstreeks vanuit Birma/Myanmar in de Unie zijn ingevoerd, en niet op goederen die zijn vervoerd naar een derde land, in casu Taiwan, en vervolgens naar de Unie, ongeacht of zij in dat derde land een be- of verwerking hebben ondergaan waardoor zij een nieuwe oorsprong hebben verkregen. Indien deze uitlegging werd aanvaard, zou S.Z. dat artikel 2, lid 2, onder a), ii), niet hebben geschonden.

33 Volgens de verwijzende rechter ontneemt de interpretatie van deze uitdrukking door het Landgericht Hamburg en de procureur-generaal artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008 elke autonome werkingssfeer en heeft deze tot gevolg dat goederen uit derde landen die zijn vervaardigd uit grondstoffen of producten uit Birma/Myanmar, worden onderworpen aan het invoerverbod van artikel 2, lid 2, onder a), hetgeen volgens hem niet de bedoeling van de Uniewetgever was.

34 In de derde en laatste plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of certificaten van oorsprong, zoals die welke door de Taiwanese autoriteiten zijn verstrekt, bindend zijn voor de douaneautoriteiten van de lidstaten wanneer zij onderzoeken of het invoerverbod van artikel 2, lid 2, onder a), van verordening nr. 194/2008 is geschonden.

35 Tegen deze achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet het begrip ‚van oorsprong uit Birma/Myanmar’ in artikel 2, lid 2, onder a), i), van [verordening nr. 194/2008] aldus worden uitgelegd dat geen van de onderstaande bewerkingen van in [Birma/]Myanmar gegroeide teakhouten stammen in een derde land (in casu: Taiwan) tot een wijziging van de oorsprong heeft geleid, zodat het bij het aldus bewerkte teakhout nog steeds om ‚goederen van oorsprong uit Birma/Myanmar’ ging: – het van takken ontdoen en ontschorsen van de teakhouten stammen; – op maat zagen van de teakhouten stammen tot ‚teak-squares’ (van takken ontdane, ontschorste en vierkant bezaagde stammen); – klein zagen van de teakhouten stammen tot planken of latten (gezaagd hout)? 2) Moet het begrip ‚vanuit Birma/Myanmar uitgevoerd’ in artikel 2, lid 2, onder a), ii), van [verordening nr. 194/2008] aldus worden uitgelegd dat alleen goederen die rechtstreeks vanuit [Birma/]Myanmar in de […] Unie zijn ingevoerd, daaronder vallen, zodat goederen die eerst naar een derde land (in casu: Taiwan) zijn overgebracht en van daaruit naar de […] Unie zijn vervoerd, niet onder de regeling vallen, ongeacht of zij in het derde land een be- of verwerking hebben ondergaan die er oorsprong aan verleent? 3) Moet artikel 2, lid 2, onder a), i), van [verordening nr. 194/2008] aldus worden uitgelegd dat een door een derde land (in casu: Taiwan) verstrekt certificaat van oorsprong, volgens hetwelk klein gezaagde of op maat gezaagde uit [Birma/]Myanmar afkomstige teakhouten stammen door die bewerking in het derde land de oorsprong van dat land zouden hebben verkregen, niet bindend is voor de beoordeling of het invoerverbod van artikel 2, lid 2, [onder a),] van [verordening nr. 194/2008] is geschonden?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

36 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vragen geen melding heeft gemaakt (arrest van 7 september 2023, Groenland Poultry, C‑169/22, EU:C:2023:638, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 In zijn eerste vraag verwijst de verwijzende rechter uitsluitend naar artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008.

38 Deze bepaling verbiedt de invoer van de in bijlage I bij deze verordening bedoelde goederen indien die goederen van oorsprong zijn uit Birma/Myanmar. Punt A van deze bijlage heeft betrekking op de categorie „[r]ondhout, hout en houtproducten”.

39 Krachtens artikel 2, lid 3, van deze verordening wordt de oorsprong van goederen bepaald overeenkomstig de relevante bepalingen van het communautair douanewetboek. In casu is de relevante bepaling van dit wetboek artikel 24.

40 Dit artikel 24 bepaalt dat „goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, […] van oorsprong [zijn] uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”

41 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008, gelezen in samenhang met artikel 24 van het communautair douanewetboek, aldus moet worden uitgelegd dat het van takken ontdoen, ontschorsen, vierkant bezagen, of het verwerken tot gezaagd hout van teakhouten stammen, be- of verwerkingen zijn die bepalend zijn voor de oorsprong van de door middel van dergelijke behandelingen verkregen goederen.

Ontvankelijkheid

42 W. trekt de ontvankelijkheid van de eerste vraag gedeeltelijk in twijfel door aan te voeren dat de vraag of het van takken ontdoen en ontschorsen van teakhouten stammen tot een wijziging van de oorsprong van dergelijke goederen kan leiden, niet relevant is. Volgens de vaststellingen van het Landgericht Hamburg, die bindend zijn voor de verwijzende rechter, zijn deze goederen in het hoofdgeding namelijk niet in Duitsland ingevoerd, aangezien alleen vierkant bezaagde teakhouten stammen en gezaagd teakhout zijn ingevoerd.

43 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 9 maart 2023, Sogefinancement, C‑50/22, EU:C:2023:177, punt 16, en de aangehaalde rechtspraak).

44 Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 9 maart 2023, Sogefinancement, C‑50/22, EU:C:2023:177, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Dit is in casu echter niet het geval.

46 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Bovendien moet worden vastgesteld dat de eerste prejudiciële vraag niet hypothetisch van aard is en het Hof voorts beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op die vraag.

47 Derhalve dient uitspraak te worden gedaan over de uitlegging van artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008, gelezen in samenhang met artikel 24 van het communautair douanewetboek, met betrekking tot de drie in de eerste vraag genoemde soorten bewerkingen.

Ten gronde

48 Uit artikel 24 van het communautair douanewetboek blijkt dat, wanneer twee of meer landen betrokken zijn bij de vervaardiging van een goed, het doorslaggevende criterium om de oorsprong ervan te bepalen de laatste ingrijpende verwerking of bewerking van dat goed is (zie in die zin arrest van 20 mei 2021, Renesola UK, C‑209/20, EU:C:2021:400, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 De oorsprong van goederen moet bovendien worden bepaald op basis van een objectief en reëel onderscheid tussen basisproduct en verwerkt product, dat voornamelijk verband houdt met de specifieke materiële eigenschappen van beide producten (arrest van 11 februari 2010, Hoesch Metals and Alloys, C‑373/08, EU:C:2010:68, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Het Hof heeft reeds gepreciseerd dat de uitdrukking „laatste ingrijpende verwerking of bewerking” in de zin van artikel 24 van het communautair douanewetboek moet worden opgevat als een verwijzing naar het stadium van het productieproces waarin de betrokken goederen hun bestemming krijgen, alsook specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling die zij voordien niet bezaten en die geen aanzienlijke kwalitatieve wijzigingen meer ondergaan (arrest van 20 mei 2021, Renesola UK, C‑209/20, EU:C:2021:400, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Verrichtingen die de uiterlijke verschijningsvorm van een product beïnvloeden met het oog op het gebruik ervan, zonder evenwel tot een aanzienlijke kwalitatieve wijziging van de eigenschappen ervan te leiden, kunnen op die manier de oorsprong van dat product niet bepalen (arrest van 11 februari 2010, Hoesch Metals and Alloys, C‑373/08, EU:C:2010:68, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 De verwerking van een product die niet leidt tot een wezenlijke verandering van de eigenschappen en de samenstelling ervan, omdat zij alleen bestaat in een verdeling van het product en een wijziging van de uiterlijke verschijningsvorm, vormt bijgevolg een onvoldoende kenmerkende kwalitatieve verandering om de opvatting te kunnen rechtvaardigen dat zij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw product of een belangrijke fabricagefase voor dat product uitmaakt (arrest van 11 februari 2010, Hoesch Metals and Alloys,C‑373/08, EU:C:2010:68, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 In die omstandigheden blijkt, wat de eerste soort bewerking betreft, te weten het van takken ontdoen en ontschorsen van de betrokken teakhouten stammen, uit het aan het Hof overgelegde dossier niet dat die bewerking aan die stammen hun bestemming heeft gegeven, alsook specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling die zij voordien niet bezaten en die geen aanzienlijke kwalitatieve wijzigingen meer ondergaan. Integendeel, deze soort bewerking lijkt, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, een eenvoudige bewerking te zijn, die enkel de verschijningsvorm van het hout beïnvloedt. Zoals in punt 52 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, kan een dergelijke handeling niet worden geacht te hebben geleid tot de fabricage van een nieuw product of een belangrijke fabricagefase van de betrokken goederen te vormen en dus de oorsprong ervan te bepalen.

54 Wat de tweede soort bewerking betreft, te weten het vierkant bezagen van de betrokken teakhouten stammen die voorheen van takken waren ontdaan en ontschorst, dat wil zeggen het zagen ervan in de vorm van rechthoekige balken, blijkt in casu evenmin dat deze bewerking aan die stammen hun bestemming heeft gegeven, alsook specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling die zij voordien niet bezaten en die niet bestemd zijn om later aanzienlijke kwalitatieve wijzigingen te ondergaan in de zin van de in punt 50 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Integendeel, zoals S.Z. en W. zelf hebben opgemerkt, vormt deze tweede soort bewerking een noodzakelijke tussenstap voor de productie van gezaagd hout. Deze tweede soort bewerking kan dus niet worden geacht bepalend te zijn voor de oorsprong van die stammen.

55 S.Z. en W. betogen evenwel dat uit het arrest van 10 december 2009, HEKO Industrieerzeugnisse (C‑260/08, EU:C:2009:768), en uit bijlage 22‑03 bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1), blijkt dat een verandering van oorsprong in beginsel moet worden vastgesteld wanneer de bewerking of verwerking van onbewerkt hout leidt tot een ingrijpende waardestijging ervan, waarvan in het algemeen sprake is wanneer deze meer dan 30 % bedraagt. In casu is de waarde van de betrokken teakhouten stammen volgens S.Z. en W., na het vierkant bezagen ervan, met meer dan 30 % gestegen. Hoe dan ook, zelfs indien de waarde van deze stammen niet met 30 % was gestegen, omdat het vierkant bezagen ervan speciale zaaguitrusting vereist en alleen kan worden verricht door daartoe speciaal opgeleide vakmensen, moet dit soort bewerking worden geacht bepalend te zijn voor de oorsprong van die stammen.

56 In dit verband moet in de eerste plaats met betrekking tot de waarde die de betrokken teakhouten stammen door het vierkant bezagen ervan zou hebben verkregen, worden opgemerkt dat het Hof, wat de vraag betreft of een verrichting bestaande in de assemblage van verschillende elementen een ingrijpende verwerking of bewerking vormt, inderdaad heeft geoordeeld dat het kan voorkomen dat de oorsprong van een product niet aan de hand van technische criteria kan worden bepaald en dat in die gevallen subsidiair andere duidelijke en objectieve criteria in aanmerking moeten worden genomen, zoals dat van de toegevoegde waarde, aan de hand waarvan voor goederen met een complexe samenstelling kan worden uitgedrukt waarin de ingrijpende verwerking bestaat die er de oorsprong aan verleent (zie in die zin arrest van 10 december 2009, HEKO Industrieerzeugnisse, C‑260/08, EU:C:2009:768, punten 30 en 31).

57 De in het hoofdgeding aan de orde zijnde handeling is echter geen assemblage van verschillende elementen, die bestaat uit het assembleren van een groot aantal onderdelen tot een nieuw zinvol geheel (zie in die zin arrest van 13 december 1989, Brother International,C‑26/88, EU:C:1989:637, punt 13), maar het op maat zagen van een basisproduct.

58 Derhalve moet worden geoordeeld dat het subsidiaire criterium van de toegevoegde waarde, dat voortvloeit uit de in punt 56 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, in casu niet van toepassing is.

59 Wat in de tweede plaats de vermelding betreft van de producten die vallen onder GS-post 44 die is opgenomen in de tabel in deel II van bijlage 22‑03 bij gedelegeerde verordening 2015/2446 – waarop S.Z. en W. zich baseren –, moet worden opgemerkt dat deze gedelegeerde verordening ratione temporis niet van toepassing is. Deze is namelijk van toepassing sinds 1 mei 2016, terwijl de invoer in het hoofdgeding plaatsvond tussen 2009 en 2011. Deze vermelding is echter identiek aan die in bijlage 13 bis bij verordening nr. 2454/93, die in die verordening is ingevoegd bij verordening nr. 1063/2010, die van kracht is sinds 1 januari 2011 en dus van toepassing is op de invoer die sinds die datum heeft plaatsgevonden.

60 Niettemin volstaat het om op te merken dat die bijlage 13 bis enkel regels betreffende de preferentiële oorsprong van goederen vaststelt en geen regels betreffende de niet-preferentiële oorsprong, die in casu aan de orde is.

61 Wat ten slotte de door S.Z. en W. aangevoerde omstandigheid betreft dat de productie van vierkant bezaagde teakhouten stammen speciale zaaguitrusting vereist en alleen door speciaal daartoe opgeleide vakmensen kan worden verricht, zij erop gewezen dat uit de tekst zelf van artikel 24 van het communautair douanewetboek duidelijk blijkt dat een verwerking in een daartoe ingerichte onderneming niet volstaat om aan die verwerking een ingrijpend karakter in de zin van dat artikel te verlenen.

62 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het vierkant bezagen van de betrokken teakhouten stammen geen be- of verwerking vormt die bepalend is voor de oorsprong van deze goederen.

63 Wat de derde soort bewerking betreft, te weten het klein zagen van teakhouten stammen tot gezaagd hout, lijkt het, anders dan de procureur-generaal betoogt, niet louter om zagen te gaan, aangezien die bewerking uit verschillende fasen bestaat. De betrokken stammen moeten namelijk van takken zijn ontdaan, ontschorst en vierkant bezaagd alvorens in planken te worden gezaagd.

64 Bovendien bevinden de door dit soort bewerking verkregen goederen zich in een vergevorderd stadium van het productieproces van goederen die, zoals in casu, bestemd zijn voor de scheepsbouw. Het verzagen tot gezaagd hout kan echter worden opgevat, in de zin van de in punt 50 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, als zijnde het stadium van het productieproces waarin de betrokken goederen hun bestemming krijgen, alsook specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling die zij voordien niet bezaten en die geen aanzienlijke kwalitatieve wijzigingen meer ondergaan.

65 Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat de teakhouten stammen en de vierkant bezaagde teakhouten stammen worden ingedeeld onder GN-post 4403 als onbewerkt hout, terwijl gezaagd teakhout in een verder stadium van bewerking onder post 4407 van de GN wordt ingedeeld.

66 Uit de rechtspraak blijkt immers dat de verandering van de tariefpost van een goed naar aanleiding van de verwerking ervan een aanwijzing vormt dat de verwerking of bewerking ingrijpend is geweest (zie in die zin arrest van 21 september 2023, Stappert Deutschland,C‑210/22, EU:C:2023:693, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Bijgevolg kan de derde soort bewerking, die bestaat in het verzagen van de betrokken teakhouten stammen tot gezaagd hout, worden beschouwd als een bewerking waardoor deze stammen van oorsprong zijn uit Taiwan, overeenkomstig artikel 24 van het communautair douanewetboek.

68 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008, gelezen in samenhang met artikel 24 van het communautair douanewetboek, aldus moet worden uitgelegd dat – het van takken ontdoen, ontschorsen of het vierkant bezagen van teakhouten stammen geen be- of verwerkingen zijn die bepalend zijn voor de oorsprong van de door middel van dergelijke behandelingen verkregen goederen; – het verzagen tot gezaagd hout van teakhouten stammen een be- of verwerking is die bepalend is voor de oorsprong van de goederen die door een dergelijke behandeling zijn verkregen.

Tweede vraag

69 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de uitdrukking „vanuit Birma/Myanmar uitgevoerd” in artikel 2, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 194/2008 aldus moet worden uitgelegd dat alleen goederen die rechtstreeks vanuit Birma/Myanmar in de Unie zijn ingevoerd, onder deze bepaling vallen.

70 In dit verband moet volgens vaste rechtspraak van het Hof voor de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 14 mei 2024, Stachev,C‑15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 Wat ten eerste de bewoordingen van artikel 2, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 194/2008 betreft, kan de uitdrukking „vanuit Birma/Myanmar uitgevoerd”, bij gebreke van nadere precisering, zowel rechtstreeks als indirect vanuit dat land ingevoerde producten omvatten.

72 Wat in de tweede plaats de context van artikel 2, lid 2, onder a), van verordening nr. 194/2008 betreft, zij eraan herinnerd dat deze bepaling twee verboden van uitvoer uit Birma/Myanmar bevat, te weten, ten eerste, het in artikel 2, lid 2, onder a), i), neergelegde verbod om goederen van oorsprong uit dat land in te voeren en, ten tweede, het in artikel 2, lid 2, onder a), ii), vervatte verbod om vanuit dat land uitgevoerde goederen in te voeren.

73 Artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008 beoogde juist te waarborgen dat goederen „van oorsprong uit Birma/Myanmar” binnen de werkingssfeer van deze verordening vielen, ook al werden zij niet rechtstreeks vanuit Birma/Myanmar, maar via derde landen in de Unie ingevoerd. Deze bepaling zou overbodig zijn indien artikel 2, lid 2, onder a), ii), van deze verordening aldus zou worden uitgelegd dat alle goederen die zich op een bepaald tijdstip in Birma/Myanmar bevonden – dat wil zeggen zelfs goederen die van oorsprong waren uit Birma/Myanmar en die dat niet langer zijn omdat zij in een derde land ingrijpend zijn verwerkt of bewerkt –, binnen de werkingssfeer van die bepaling vallen.

74 Ten derde blijkt uit overweging 6 van verordening nr. 194/2008 dat deze tot doel had, gelet op het feit dat het militaire regime van Birma/Myanmar zich reeds lang schuldig maakt aan aanhoudende ernstige schendingen van de mensenrechten, middels het verlengen en verscherpen van de tegen dit land ingestelde beperkende maatregelen de eerbiediging van de fundamentele rechten te helpen bevorderen en aldus bij te dragen aan de bescherming van de goede zeden. Bovendien blijkt uit overweging 7 van die verordening dat de nieuwe beperkende maatregelen waarin die verordening voorzag, waren gericht op sectoren die inkomstenbronnen waren voor dit militaire regime, zoals hout en houtproducten. Uit deze doelstellingen van verordening nr. 194/2008 blijkt niet dat de Uniewetgever bij de vaststelling van deze verordening, die gericht was tegen Birma/Myanmar, de bedoeling had het in artikel 2, lid 2, onder a), van deze verordening neergelegde invoerverbod toe te passen op alle uit derde landen afkomstige goederen die zijn vervaardigd met goederen van oorsprong uit Birma/Myanmar.

75 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de uitdrukking „vanuit Birma/Myanmar uitgevoerd” in artikel 2, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 194/2008 aldus moet worden uitgelegd dat alleen goederen die rechtstreeks uit Birma/Myanmar in de Unie zijn ingevoerd, onder deze bepaling vallen.

Derde vraag

76 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten onderzoeken of deze bepaling is geschonden, zij gebonden zijn door certificaten van oorsprong die zijn afgegeven door een derde land waaruit blijkt dat de betrokken goederen van oorsprong zijn uit dat land.

77 In dit verband moet worden opgemerkt dat verordening nr. 194/2008 niet voorziet in een verplichting om een document over te leggen om de oorsprong van de in deze verordening bedoelde goederen aan te tonen. Artikel 2, lid 3, van deze verordening bepaalt enkel dat de oorsprong van goederen moet worden bepaald overeenkomstig de relevante bepalingen van het douanewetboek.

78 Zoals blijkt uit artikel 26 van het douanewetboek vormt de overlegging van een document dat op grond van Uniewetgeving moet worden overgelegd om de oorsprong van goederen aan te tonen, geen belemmering voor de douaneautoriteiten om, in geval van ernstige twijfel, elk aanvullend bewijs te eisen om zich ervan te vergewissen dat de vermelding van de oorsprong wel beantwoordt aan de regels die in de desbetreffende Unievoorschriften zijn vastgesteld. In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat controle achteraf tot doel heeft de juistheid van de op het certificaat van oorsprong vermelde oorsprong na te gaan (arrest van 30 juni 2016, Selena România,C‑416/15, EU:C:2016:501, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 Daaruit volgt dat de omstandigheid dat bij goederen certificaten van oorsprong zijn gevoegd, niet kan verhinderen dat de voor de invoer van die goederen verschuldigde rechten worden geïnd indien na die invoer komt vast te staan dat die certificaten onjuist zijn (arrest van 30 juni 2016, Selena România,C‑416/15, EU:C:2016:501, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80 Uit deze rechtspraak met betrekking tot artikel 26 van het communautair douanewetboek volgt dat zelfs wanneer er een verplichting bestaat om een document, zoals een certificaat van oorsprong, over te leggen om de oorsprong van de betrokken goederen te rechtvaardigen, de douaneautoriteiten niet door dit document gebonden zijn. Dit geldt des te meer wanneer een dergelijke verplichting niet bestaat.

81 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten onderzoeken of deze bepaling is geschonden, zij niet gebonden zijn door certificaten van oorsprong die door een derde land zijn afgegeven waaruit blijkt dat de betrokken goederen van oorsprong zijn uit dat land.

Kosten

82 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening (EG) nr. 194/2008 van de Raad van 25 februari 2008 tot verlenging en verscherping van de beperkende maatregelen tegen Birma/Myanmar en tot intrekking van verordening (EG) nr. 817/2006, gelezen in samenhang met artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat – het van takken ontdoen, ontschorsen of het vierkant bezagen van teakhouten stammen geen be- of verwerkingen zijn die bepalend zijn voor de oorsprong van de door middel van dergelijke behandelingen verkregen goederen; – het verzagen tot gezaagd hout van teakhouten stammen een be- of verwerking is die bepalend is voor de oorsprong van de goederen die door een dergelijke behandeling zijn verkregen.

2) De uitdrukking „vanuit Birma/Myanmar uitgevoerd” in artikel 2, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 194/2008, moet aldus worden uitgelegd dat alleen goederen die rechtstreeks uit Birma/Myanmar in de Unie zijn ingevoerd, onder deze bepaling vallen.

3) Artikel 2, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 194/2008 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten onderzoeken of deze bepaling is geschonden, zij niet gebonden zijn door certificaten van oorsprong die door een derde land zijn afgegeven waaruit blijkt dat de betrokken goederen van oorsprong zijn uit dat land.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in