HvJ EU 22 juni 2023, C-660/21, ECLI:EU:C:2023:498
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
22 juni 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn 2012/13/EU – Artikelen 3 en 4 – Verplichting voor de bevoegde autoriteiten om verdachten en beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht – Artikel 8, lid 2 – Recht om niet-nakoming van deze verplichting aan te voeren – Nationale regeling die de strafrechter ten gronde verbiedt om een dergelijke niet-nakoming ambtshalve vast te stellen – Artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”
In zaak C‑660/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal correctionnel de Villefranche-sur-Saône (voor bepaalde strafzaken bevoegde rechter in eerste aanleg Villefranche-sur-Saône, Frankrijk) bij beslissing van 26 oktober 2021, ingekomen bij het Hof op 29 oktober 2021, in de strafprocedure
Procureur de la République
tegen
K.B.,
F.S.,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Regan, M. Safjan (rapporteur), P. G. Xuereb, L. S. Rossi, D. Gratsias en M. L. Arastey Sahún, kamerpresidenten, S. Rodin, F. Biltgen, N. Piçarra, I. Ziemele en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: S. Beer, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 september 2022,
gelet op de opmerkingen van:
– K.B., vertegenwoordigd door C. Lallich en B. Thellier de Poncheville, avocats,
– F.S., vertegenwoordigd door B. Thellier de Poncheville en S. Windey, avocates,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Daniel en A.‑L. Desjonquères als gemachtigden,
– de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, A. Joyce, M. Lane en J. Quaney als gemachtigden, bijgestaan door R. Farrell, SC, D. Fennelly, BL, en P. Gallagher, SC,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 januari 2023,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1), artikel 7 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen K.B. en F.S. wegens het strafbare feit van brandstofdiefstal.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2012/13
3 In de overwegingen 3, 4, 10, 14, 19 en 36 van richtlijn 2012/13 staat te lezen: „(3) De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen veronderstelt wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtstelsels. De omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten of beklaagden en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken. (4) Wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen, waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het niet alleen om het vertrouwen dat de regels van de andere lidstaten adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat die regels correct worden toegepast. […] (10) Gemeenschappelijke minimumvoorschriften dienen te leiden tot meer vertrouwen in de strafrechtstelsels van alle lidstaten, dat op zijn beurt zou moeten leiden tot efficiëntere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. Dergelijke gemeenschappelijke minimumvoorschriften dienen ook op het gebied van informatie in strafprocedures te worden vastgelegd. […] (14) Deze richtlijn […] bevat gemeenschappelijke minimumnormen die – teneinde het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten – van toepassing zijn op het verstrekken van informatie over rechten en over de beschuldiging aan personen die worden verdacht of beschuldigd van een strafbaar feit. Deze richtlijn is geënt op de in het Handvest neergelegde rechten, in het bijzonder de artikelen 6, 47 en 48, die op hun beurt zijn gebaseerd op de artikelen 5 en 6 [van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”)], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de mens [(EHRM)]. […] […] (19) Verdachten of beklaagden dienen door de bevoegde autoriteiten onverwijld, mondeling of schriftelijk, te worden ingelicht over de in het nationale recht geldende rechten die essentieel zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, zoals bepaald in deze richtlijn. Met het oog op een praktische en daadwerkelijke uitoefening van deze rechten dient deze informatie in de loop van de procedure onverwijld te worden verstrekt, uiterlijk vóór het eerste officiële verhoor van de verdachte of beklaagde door de politie of een andere bevoegde autoriteit. […] (36) Een verdachte of beklaagde of zijn advocaat dient het recht te hebben om, overeenkomstig het nationale recht, een verzuim of weigering van de bevoegde autoriteiten om overeenkomstig deze richtlijn informatie te verstrekken of toegang te verlenen tot bepaalde stukken van het dossier, aan te vechten. Dit recht verplicht de lidstaten er niet toe te voorzien in een specifieke beroepsprocedure, een afzonderlijk mechanisme of een klachtenprocedure waarin het verzuim of de weigering kan worden aangevochten.”
4 Artikel 3 („Recht op informatie over rechten”) van deze richtlijn luidt: „1. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over ten minste de volgende procedurele rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht, opdat deze rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend: a) het recht op toegang tot een advocaat; b) het recht op kosteloze rechtsbijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen; c) het recht op informatie over de beschuldiging overeenkomstig artikel 6; d) het recht op vertolking en vertaling; e) het zwijgrecht. 2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde informatie mondeling of schriftelijk en in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen wordt verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele specifieke behoeften van kwetsbare verdachten of beklaagden.”
5 In artikel 4 van deze richtlijn („Verklaring van rechten bij aanhouding”) is het volgende bepaald: „1. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, onverwijld in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verklaring van rechten. Zij worden in de gelegenheid gesteld om de verklaring van rechten te lezen en mogen deze in hun bezit houden zolang zij van hun vrijheid zijn beroofd. 2. Naast de in artikel 3 bedoelde informatie, bevat de in lid 1 van dit artikel bedoelde verklaring van rechten informatie over de volgende rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht: a) het recht op toegang tot de stukken van het dossier; b) het recht om consulaire autoriteiten en één persoon op de hoogte te laten stellen; c) het recht op toegang tot dringende medische bijstand, en d) het maximumaantal uren of dagen dat verdachten of beklaagden van hun vrijheid mogen worden beroofd voordat zij aan een gerechtelijke autoriteit moeten worden voorgeleid. 3. De verklaring van rechten bevat tevens basisinformatie over de eventuele mogelijkheden, overeenkomstig het nationale recht, om de rechtmatigheid van de aanhouding aan te vechten, om een herziening van de detentie te bekomen, of om voorlopige invrijheidstelling te verzoeken. 4. De verklaring van rechten is in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen opgesteld. Bijlage I bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring. 5. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden de verklaring van rechten ontvangen opgesteld in een taal die zij begrijpen. Als er geen verklaring van rechten in de passende taal beschikbaar is, worden de rechten aan de verdachten of beklaagden mondeling meegedeeld in een taal die zij begrijpen. Aan de betrokkenen moet vervolgens zonder onnodig uitstel een verklaring van rechten worden verstrekt in een taal die zij begrijpen.”
6 Artikel 8 („Registratie en rechtsmiddelen”) van richtlijn 2012/13 luidt: „1. De lidstaten zien erop toe dat wanneer informatie wordt verstrekt aan verdachten of beklaagden overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, dit wordt geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. 2. De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden of hun advocaten het recht hebben om, overeenkomstig de procedures waarin het nationale recht voorziet, het eventuele verzuim of de eventuele weigering van de bevoegde autoriteiten om informatie te verstrekken overeenkomstig deze richtlijn, aan te vechten.”
Richtlijn 2013/48
7 Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1), bevat een artikel 3 („Recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure”) dat in lid 1 bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen.”
8 Artikel 9 („Afstand”) van deze richtlijn luidt: „1. Onverminderd de bij het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, zorgen de lidstaten ervoor dat, met betrekking tot afstand van een in de artikelen 3 en 10 bedoeld recht: a) de verdachte of beklaagde mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen is gegeven over de inhoud van het betrokken recht en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan, en b) deze vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt. 2. De afstand, die schriftelijk of mondeling kan geschieden, wordt geregistreerd, alsmede de omstandigheden waaronder de afstand is gedaan door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat deze afstand later op elk moment tijdens de strafprocedure door de verdachte of de beklaagde kan worden herroepen en dat de verdachte of beklaagde van die mogelijkheid op de hoogte gebracht wordt. Dergelijke herroeping van de afstand wordt van kracht vanaf het moment waarop zij heeft plaatsgevonden.”
Richtlijn 2016/343
9 Artikel 7 („Recht om te zwijgen en recht om zichzelf niet te belasten”) van richtlijn 2016/343 bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om te zwijgen in verband met het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden het recht hebben om zichzelf niet te belasten. 3. De uitoefening van het recht om zichzelf niet te belasten mag de bevoegde autoriteiten niet beletten bewijsmateriaal te vergaren dat rechtmatig wordt verkregen door gebruik van legale dwang en dat onafhankelijk van de wil van de verdachten of beklaagden bestaat. 4. De lidstaten mogen hun rechterlijke instanties toestaan bij de veroordeling rekening te houden met de bereidheid tot medewerking van verdachten en beklaagden. 5. De uitoefening door verdachten en beklaagden van het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten, mag niet tegen hen worden gebruikt en mag niet worden beschouwd als bewijs dat zij het betrokken strafbaar feit hebben begaan. 6. Dit artikel belet de lidstaten niet te bepalen dat procedures of bepaalde fasen daarvan voor lichte strafbare feiten schriftelijk kunnen worden gevoerd of zonder de verdachte of de beklaagde door de bevoegde autoriteiten met betrekking tot het betrokken strafbaar feit te horen, mits zulks in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.”
Frans recht
10 Artikel 53, lid 1, van de code de procédure pénale (wetboek van strafvordering) bepaalt: „Van heterdaad is sprake wanneer een misdrijf of zware overtreding op het moment van plegen of terstond erna wordt ontdekt. Van heterdaad is ook sprake wanneer de vermoedelijke dader zeer kort na het plegen van het misdrijf of de zware overtreding door het openbaar geroep wordt achtervolgd of wanneer hij wordt aangetroffen in het bezit van voorwerpen of bij de verdachte sporen of aanwijzingen worden gevonden die doen vermoeden dat hij bij het misdrijf of de zware overtreding was betrokken.”
11 Artikel 63‑1 van dit wetboek luidt: „De in verzekering gestelde persoon wordt door een hulpofficier van justitie of, onder diens toezicht, door een opsporingsambtenaar, in een taal die hij begrijpt, zo nodig met behulp van het in de dertiende alinea bedoelde formulier, onmiddellijk in kennis gesteld van: 1° zijn inverzekeringstelling alsmede van de duur van de maatregel en de eventuele verlenging(en) ervan; 2° de vermoedelijke kwalificatie en de vermoedelijke datum en plaats van het strafbare feit, of de poging daartoe, waarvan hij wordt verdacht, en de in artikel 62‑2, punten 1 tot en met 6, genoemde redenen die zijn inverzekeringstelling rechtvaardigen; 3° het feit dat hij: – krachtens artikel 63‑2 het recht heeft om een naaste, zijn werkgever en, indien hij niet de Franse nationaliteit heeft, de consulaire autoriteiten van de staat waarvan hij onderdaan is, op de hoogte te laten stellen, en, zo nodig, om met deze personen te communiceren; – krachtens artikel 63‑3 recht heeft op een medisch onderzoek; – krachtens de artikelen 63‑3‑1 tot en met 63‑4‑3 beschikt over het recht om zich door een advocaat te laten bijstaan; – het recht heeft om zich, zo nodig, te laten bijstaan door een tolk; – het recht heeft om zo spoedig mogelijk en uiterlijk vóór de eventuele verlenging van de inverzekeringstelling kennis te nemen van de in artikel 63‑4‑1 genoemde documenten; – het recht heeft om bij de procureur de la République (openbaar aanklager) of, in voorkomend geval, bij de juge des libertés et de la détention (rechter die over vrijheidsbeperkende maatregelen en hechtenis beslist), wanneer deze magistraat beslist over de eventuele verlenging van de inverzekeringstelling, opmerkingen in te dienen teneinde deze maatregel te doen beëindigen. Indien de persoon niet wordt voorgeleid aan een magistraat, kan hij zijn opmerkingen mondeling kenbaar maken in een proces-verbaal van gehoor, dat aan de rechter wordt medegedeeld vóór hij over de verlenging van de maatregel beslist; – het recht heeft om tijdens zittingen, na zijn identiteit bekend te hebben gemaakt, verklaringen af te leggen, aan hem gestelde vragen te beantwoorden of te zwijgen. […] In het proces-verbaal van het verloop van de inverzekeringstelling wordt een vermelding opgenomen over de overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie, die door de in verzekering gestelde persoon wordt geparafeerd. Bij weigering om te paraferen, wordt daarvan melding gemaakt. Overeenkomstig artikel 803‑6 wordt de persoon bij de kennisgeving van zijn inverzekeringstelling een document overhandigd waarin die rechten zijn uiteengezet.”
12 Artikel 63‑4‑1 van dat wetboek bepaalt: „Op zijn verzoek kan de advocaat kennisnemen van het overeenkomstig artikel 63‑1, voorlaatste alinea, opgestelde proces-verbaal waarin de kennisgeving van de inverzekeringstelling en de daaraan verbonden rechten worden vastgesteld, het overeenkomstig artikel 63‑3 opgestelde medische attest en de processen-verbaal van gehoor van de persoon die hij bijstaat. Hij mag er geen kopie van vragen of maken. Hij kan echter wel aantekeningen maken. De in verzekering gestelde persoon kan ook de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde documenten of een kopie daarvan raadplegen.”
13 In artikel 73 van dit wetboek is bepaald: „In geval van een overtreding of misdrijf op heterdaad waarop een gevangenisstraf staat, is eenieder gerechtigd de dader aan te houden en voor de dichtstbijzijnde hulpofficier van justitie te brengen. Wanneer de betrokkene voor de hulpofficier van justitie wordt geleid, is het niet verplicht hem in verzekering te stellen wanneer aan de voorwaarden van deze maatregel in dit wetboek is voldaan, aangezien hij niet ter beschikking van de onderzoekers hoeft te blijven en hem is meegedeeld dat hij te allen tijde de lokalen van de politie of gendarmerie kan verlaten. Deze alinea is echter niet van toepassing indien de betrokkene onder dwang door de politie voor de hulpofficier van justitie is bestuurd.”
14 Artikel 385, eerste en zesde alinea, van het wetboek van strafvordering luidt: „De tribunal correctionnel (voor bepaalde strafzaken bevoegde rechter in eerste aanleg) is bevoegd de hem voorgelegde procedure nietig te verklaren, behalve wanneer de zaak naar hem is verwezen door de onderzoeksrechter of de onderzoekskamer.” […] In alle gevallen moeten de excepties van nietigheid vóór elk verweer ten gronde worden opgeworpen.”
Het procesverloop en de prejudiciële vraag
15 In de avond van 22 maart 2021 zijn K.B. en F.S. door opsporingsambtenaren aangehouden omdat zij zich op verdachte wijze ophielden op het parkeerterrein van een bedrijf. De opsporingsambtenaren hadden vastgesteld dat de brandstoftank van een op dat parkeerterrein geparkeerde vrachtwagen geopend was en dat er vlakbij jerrycans stonden. Om 22.25 uur hebben deze ambtenaren K.B. en F.S., die zich probeerden te verbergen, gearresteerd en geboeid en onmiddellijk op grond van artikel 53, eerste alinea, van het wetboek van strafvordering een onderzoek hebben ingesteld om op heterdaad brandstofdiefstal vast te stellen.
16 Na K.B. en F.S. te hebben ondervraagd, zonder hun evenwel de in artikel 63‑1 van het wetboek van strafvordering bedoelde rechten te hebben meegedeeld, hebben de opsporingsambtenaren een hulpofficier van justitie op de hoogte gesteld die heeft verzocht om de twee verdachten onmiddellijk voor te geleiden met het oog op hun inverzekeringstelling overeenkomstig artikel 73, in fine, van het wetboek van strafvordering.
17 De opsporingsambtenaren hebben deze instructie genegeerd en een andere hulpofficier van justitie opgeroepen die om 22.40 uur ter plaatse aankwam en, in plaats van de twee verdachten in verzekering te stellen, hun voornoemde rechten mee te delen en de procureur de la République in te lichten, zoals het Franse recht vereist, het voertuig van deze personen heeft doorzocht. Bij de doorzoeking van het voertuig werden belastende voorwerpen aangetroffen, zoals doppen, een trechter en een elektrische pomp. De hulpofficier heeft aan K.B. en F.S. vragen gesteld die zij hebben beantwoord.
18 Om 22.50 uur werd de procureur de la République in kennis gesteld van de inverzekeringstelling van F.S. en K.B., waarna deze respectievelijk om 23.00 uur en om 23.06 uur zijn geïnformeerd over hun rechten, waaronder hun recht om te zwijgen.
19 De tribunal correctionnel de Villefranche-sur-Saône (voor bepaalde strafzaken bevoegde rechter in eerste aanleg Villefranche-sur-Saône, Frankrijk), bij wie de strafprocedure tegen K.B. en F.S. voor het strafbare feit van brandstofdiefstal is ingesteld, de verwijzende rechter, stelt vast dat er in casu onderzoekshandelingen zijn verricht en zelfincriminerende verklaringen zijn afgenomen voordat K.B. en F.S. waren geïnformeerd over hun rechten, hetgeen in strijd is met artikel 63‑1 van het wetboek van strafvordering die de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13 omzet. De verwijzende rechter is van oordeel dat het recht om zichzelf niet te belasten is geschonden, aangezien hun inverzekeringstelling, de mededeling aan de procureur de la République en de kennisgeving van hun rechten, met name van het zwijgrecht, te laat hebben plaatsgevonden. In die omstandigheden moeten de doorzoeking van het voertuig, de inverzekeringstelling van de verdachten en alle daaruit voortvloeiende handelingen in beginsel nietig worden verklaard overeenkomstig de rechtspraak van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk).
20 In dit verband blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat krachtens artikel 385 van het wetboek van strafvordering procedurele nietigheidsexcepties, zoals de niet-nakoming van de in artikel 63‑1 van dat wetboek neergelegde verplichting om een persoon op het moment van zijn inverzekeringstelling in kennis te stellen van zijn recht om te zwijgen, door de betrokkene of zijn advocaat moet worden opgeworpen vóór elk verweer ten gronde. Uit dit dossier blijkt ook dat K.B. en F.S. werden bijgestaan door een advocaat, maar dat deze advocaat, net zoals K.B. en F.S., vóór het verweer ten gronde geen nietigheidsexceptie in de zin van artikel 385 van dat wetboek wegens niet-nakoming van deze verplichting heeft opgeworpen.
21 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de Cour de cassation artikel 385 van het wetboek van strafvordering aldus heeft uitgelegd dat het de feitenrechter verbiedt om ambtshalve de nietigheid van de procedure vast te stellen, met uitzondering van de nietigheid die voortvloeit uit zijn onbevoegdheid, aangezien de verdachte, die het recht heeft om te worden bijgestaan door een advocaat wanneer hij verschijnt of wordt vertegenwoordigd voor een vonnisgerecht, zich vóór elk verweer ten gronde op een dergelijke nietigheid kan beroepen, en deze verdachte overigens hetzelfde recht heeft in hoger beroep indien hij in eerste aanleg niet is verschenen of niet werd vertegenwoordigd. Het aldus uitgelegde artikel 385 van het wetboek van strafvordering verbiedt de verwijzende rechter dan ook om ambtshalve vast te stellen dat de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde verplichting niet is nagekomen.
22 Dienaangaande vraagt de verwijzende rechter zich af of het in artikel 385 van dat wetboek neergelegde verbod om ambtshalve de niet-nakoming van een Unierechtelijke verplichting vast te stellen, zoals de in de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13 neergelegde verplichting om verdachten en beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, verenigbaar is met dat recht.
23 In dit verband herinnert hij eraan dat de ambtshalve toepassing van het Unierecht door de nationale rechter, bij gebreke van Unierechtelijke procedureregels, binnen de grenzen van het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt. In het arrest van 14 december 1995, Peterbroeck (C‑312/93, EU:C:1995:437), heeft het Hof evenwel geoordeeld dat het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van een nationale procedureregel die de in het kader van zijn bevoegdheid geadieerde nationale rechter verbiedt ambtshalve de verenigbaarheid van een handeling van nationaal recht met een Uniebepaling te beoordelen, wanneer niet binnen een bepaalde termijn door de justitiabele een beroep op laatstbedoelde bepaling is gedaan.
24 Voor het overige baseert de verwijzende rechter zich op de rechtspraak van het Hof op het gebied van oneerlijke bedingen waarin het Hof heeft vastgesteld dat de nationale rechter schending van bepaalde bepalingen van richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) ambtshalve dient te onderzoeken, aangezien met dat onderzoek de door die richtlijn voorgeschreven resultaten kunnen worden bereikt. Die rechtspraak kent de nationale rechter aldus de status toe van autoriteit van een lidstaat en erkent zijn overeenkomstige verplichting als volwaardige actor in het proces tot uitvoering van richtlijnen in een specifieke context die wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat een bepaalde procespartij zich in een zwakke positie bevindt. Die redenering met betrekking tot de consument kan perfect worden doorgetrokken naar de beklaagde in strafzaken, die niet noodzakelijk wordt bijgestaan door een advocaat om zijn rechten te doen gelden.
25 Daarop heeft de tribunal correctionnel de Villefranche-sur-Saône de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten de artikelen 3 (‚Recht op informatie over rechten’) en 4 (‚Verklaring van rechten bij aanhouding’) van [richtlijn 2012/13], en artikel 7 (‚Recht om te zwijgen’) van [richtlijn 2016/343], gelezen in samenhang met artikel 48 (‚Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging’) van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een verbod voor de nationale rechter om ambtshalve schending van de rechten van de verdediging zoals gewaarborgd door [die richtlijnen] vast te stellen, en er meer in het bijzonder aan in de weg staan dat het hem wordt verboden om, ter fine van nietigverklaring van de procedure, ambtshalve vast te stellen dat er bij de aanhouding geen of te laat mededeling is gedaan van het zwijgrecht?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
26 Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arrest van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C‑742/19, EU:C:2021:597, punt 31).
27 Dat een nationale rechter bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel gesproken heeft gerefereerd aan bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er namelijk niet aan in de weg dat het Hof die rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of hij naar die voorschriften heeft verwezen in zijn vragen. In dit verband staat het aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het Unierecht te putten die uitlegging behoeven gelet op het voorwerp van het geding [arrest van 22 december 2022, Ministre de la Transition écologique en Premier ministre (Staatsaansprakelijkheid voor luchtverontreiniging), C‑61/21, EU:C:2022:1015, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 In casu moet worden opgemerkt dat de prejudiciële vraag onder meer betrekking heeft op artikel 7 van richtlijn 2016/343, dat in lid 1 bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat verdachten en beklaagden het recht hebben om te zwijgen in verband met het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.
29 Evenwel zij erop gewezen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing is geformuleerd in een context waarin de informatie over het zwijgrecht te laat aan de betrokkenen is verstrekt, aangezien, zoals blijkt uit de punten 16 tot en met 19 van het onderhavige arrest, aan de betrokkenen vragen zijn gesteld door opsporingsambtenaren en een hulpofficier van justitie die van hen zelfincriminerende verklaringen hebben afgenomen voordat deze informatie hun ter kennis was gegeven. Dit verzoek heeft dus betrekking op de gevolgen die de feitenrechter in voorkomend geval moet trekken uit de laattijdigheid van die informatie wanneer die laattijdigheid niet door deze personen of hun advocaten wordt aangevoerd binnen de termijn die in het recht van de betrokken lidstaat wordt gesteld. De verplichting van de bevoegde autoriteiten om verdachten of beklaagden onverwijld te informeren en in het bezit te stellen van een verklaring van rechten in verband met onder meer het zwijgrecht, alsook de verplichting van de lidstaten om erop toe te zien dat een verzuim of een weigering om die informatie of verklaringen te verstrekken, kunnen worden aangevochten, worden specifiek geregeld in richtlijn 2012/13, in het bijzonder in de artikelen 3 en 4 wat de eerste verplichting betreft, en in artikel 8, lid 2 wat de tweede verplichting betreft. Zoals de advocaat-generaal in de punten 31 tot en met 35 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, moet de prejudiciële vraag derhalve uitsluitend in het licht van deze richtlijn worden beantwoord.
30 Bovendien blijkt uit overweging 14 van richtlijn 2012/13 dat zij gebaseerd is op de rechten die met name in de artikelen 47 en 48 van het Handvest zijn neergelegd, en dat zij tot doel heeft deze rechten te beschermen wat betreft verdachten of beklaagden in een strafprocedure (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom, C‑467/18, EU:C:2019:765, punt 37).
31 Hoewel de prejudiciële vraag enkel verwijst naar artikel 48 van het Handvest betreffende het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het recht om te zwijgen niet alleen door dit artikel wordt gewaarborgd, maar ook door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat betrekking heeft op het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak (zie in die zin arrest van 2 februari 2021, Consob, C‑481/19, EU:C:2021:84, punt 45). Deze vraag moet dus ook in het licht van laatstgenoemde bepaling van het Handvest worden onderzocht.
32 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of de artikelen 3 en 4 alsook artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die de feitenrechter die uitspraak doet in strafzaken verbiedt om met het oog op de nietigverklaring van de procedure ambtshalve vast te stellen dat de krachtens deze artikelen 3 en 4 op de bevoegde autoriteiten rustende verplichting om de verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, niet is nagekomen.
33 In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten er volgens artikel 3, lid 1, onder e), en lid 2, en artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 2012/13 op moeten toezien dat verdachten of beklaagden onverwijld mondelinge of schriftelijke informatie krijgen en, wanneer zij worden aangehouden of gedetineerd, in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verklaring van rechten betreffende, onder meer, het zwijgrecht, zodat dit recht daadwerkelijk kan worden uitgeoefend. Deze bepalingen voorzien dus in een verplichting voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van dat recht, met dien verstande dat, ongeacht of deze verplichting eventueel strenger is ten aanzien van verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, uit overweging 19 van deze richtlijn blijkt dat bovengenoemde informatie in elk geval uiterlijk vóór het eerste officiële verhoor van de verdachte of beklaagde door de politie of een andere bevoegde autoriteit moet worden verstrekt.
34 In casu heeft de verwijzende rechter in wezen vastgesteld dat K.B. en F.S., die op heterdaad zijn aangehouden en dus als aangehouden personen die ervan werden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd onverwijld hadden moeten worden geïnformeerd over hun zwijgrecht op grond van het nationale recht tot omzetting van de in het vorige punt bedoelde bepalingen van richtlijn 2012/13, te laat in kennis zijn gesteld van dat recht, namelijk pas nadat zij door opsporingsambtenaren en een hulpofficier van justitie waren ondervraagd en van hen zelfincriminerende verklaringen werden afgenomen.
35 In deze context zij eraan herinnerd dat de lidstaten er krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13 op moeten toezien dat verdachten of beklaagden of hun advocaten het recht hebben om, overeenkomstig de procedures waarin het nationale recht voorziet, het eventuele verzuim of de eventuele weigering van de bevoegde autoriteiten om informatie te verstrekken overeenkomstig deze richtlijn, aan te vechten.
36 Deze bepaling is met name van toepassing in een situatie waarin informatie over het recht om te zwijgen te laat is verstrekt. Aangezien artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van deze richtlijn vereisen dat verdachten of beklaagden onverwijld in kennis worden gesteld van hun zwijgrecht, kan informatie die in dat verband wordt verstrekt zonder de vereiste spoed in acht te nemen, immers niet worden geacht „overeenkomstig” deze richtlijn te zijn verstrekt. Bijgevolg moeten verdachten of beklaagden, of hun advocaten, krachtens artikel 8, lid 2, van die richtlijn het niet mededelen van dat recht kunnen aanvechten.
37 In dit verband zij eraan herinnerd dat, gelet op het belang van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals gewaarborgd door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13 zich verzet tegen nationale maatregelen die het aanwenden van effectieve rechtsmiddelen in geval van schending van de door deze richtlijn beschermde rechten belemmeren (arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom, C‑467/18, EU:C:2019:765, punt 57).
38 Met de verwijzing in deze bepaling naar de „procedures waarin het nationale recht voorziet” verduidelijkt deze bepaling van richtlijn 2012/13 echter niet op welke wijze en binnen welke termijnen verdachten en beklaagden en, in voorkomend geval, hun advocaten een niet-nakoming van de verplichting om dergelijke verdachten en personen onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht kunnen aanvoeren, noch de eventuele procedurele gevolgen van het niet-aanvoeren daarvan, zoals de mogelijkheid voor de feitenrechter die uitspraak doet in strafzaken om een dergelijke niet-nakoming ambtshalve vast te stellen met het oog op de nietigverklaring van de procedure. De aldus aan de lidstaten gelaten manoeuvreerruimte om deze voorschriften en gevolgen vast te stellen, wordt verder bevestigd door overweging 36 van deze richtlijn, volgens welke het recht om overeenkomstig het nationale recht een verzuim of weigering van de bevoegde autoriteiten om krachtens deze richtlijn informatie te verstrekken of toegang te verlenen tot bepaalde stukken van het dossier, aan te vechten, de lidstaten er niet toe verplicht te voorzien in een specifieke beroepsprocedure, een afzonderlijk mechanisme of een klachtenprocedure waarin het verzuim of de weigering kan worden aangevochten.
39 Derhalve moet worden vastgesteld dat richtlijn 2012/13 niet voorziet in regels betreffende de eventuele mogelijkheid voor de feitenrechter die uitspraak doet in strafzaken om met het oog op de nietigverklaring van de procedure ambtshalve vast te stellen dat de verplichting om dergelijke verdachten en personen onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, niet is nagekomen.
40 Er zij echter aan herinnerd dat de lidstaten, wanneer zij uitvoering geven aan artikel 3, lid 1, onder e), artikel 4, lid 1, en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13, overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest ervoor moeten zorgen dat wordt voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit zowel het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, zoals neergelegd in artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest, als de in artikel 48, lid 2, van het Handvest neergelegde rechten van de verdediging, die in deze bepalingen van richtlijn 2012/13 zijn geconcretiseerd [zie in die zin arrest van 1 augustus 2022, TL (Ontbreken van vertolking en vertaling), C‑242/22 PPU, EU:C:2022:611, punt 42].
41 Hieraan dient te worden toegevoegd dat overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest de in het Handvest vervatte rechten dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als de rechten die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, hetgeen niet verhindert dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt. Bij de uitlegging van de door artikel 47, eerste en tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest gewaarborgde rechten moet het Hof dus rekening houden met de corresponderende rechten die worden gewaarborgd door de artikelen 6 en 13 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, als minimumbeschermingsniveau (zie in die zin arresten van 2 februari 2021, Consob, C‑481/19, EU:C:2021:84, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 maart 2023, Intermarché Casino Achats/Commissie, C‑693/20 P, EU:C:2023:172, punten 41‑43). Overweging 14 van richtlijn 2012/13 vermeldt overigens uitdrukkelijk dat deze richtlijn onder meer dit artikel 6, zoals uitgelegd door het EHRM, verder ontwikkelt.
42 In dit verband moet onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de uitleg die de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting heeft verstrekt, het Franse strafrecht, in het bijzonder artikel 63‑1, lid 3, artikel 63‑4‑1 en artikel 385 van het wetboek van strafvordering, verdachten of beklaagden en, in voorkomend geval, hun advocaten de mogelijkheid biedt om op enigerlei wijze en op elk moment tussen hun inverzekeringstelling en het verweer ten gronde, elke niet-nakoming aan te voeren van de verplichting om verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, zoals dat voortvloeit uit de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13, met dien verstande dat zowel die verdachten en personen als hun advocaten recht hebben op toegang tot het dossier en met name tot het proces-verbaal van kennisgeving van de inverzekeringstelling en de daaraan verbonden rechten.
43 Het staat de lidstaten op grond van de hun door richtlijn 2012/13 gelaten manoeuvreerruimte vrij om de termijn voor het aanvoeren van een dergelijke niet-nakoming te beperken tot de fase die voorafgaat aan het verweer ten gronde. In het bijzonder moet worden geoordeeld dat het verbod voor de strafrechter ten gronde om deze niet-nakoming ambtshalve vast te stellen met het oog op de nietigverklaring van de procedure, in beginsel het in artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijke behandeling van zijn zaak alsmede de in artikel 48, lid 2, van het Handvest neergelegde rechten van de verdediging eerbiedigt, wanneer de verdachten, beklaagden of hun advocaten de concrete en daadwerkelijke mogelijkheid hebben gehad om de betrokken niet-nakoming aan te voeren en zij daartoe hebben beschikt over een redelijke termijn en toegang tot het dossier.
44 Daarbij zij evenwel aangetekend dat die vaststelling, teneinde de nuttige werking van het zwijgrecht te verzekeren, enkel geldt voor zover de betrokkenen tijdens de termijn waarin zij schending van artikel 3, lid 1, onder e), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2012/13 kunnen aanvoeren, op concrete en daadwerkelijke wijze recht hebben gehad op toegang tot een advocaat, zoals dit is verankerd in artikel 3 van richtlijn 2013/48 en wordt vergemakkelijkt door het mechanisme van rechtsbijstand waarin is voorzien bij richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB 2016, L 297, blz. 1).
45 Deze uitlegging van die bepalingen van richtlijn 2012/13, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, vindt steun in rechtspraak van het EHRM over artikel 6 EVRM, dat reeds heeft geoordeeld dat de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het vooronderzoek slechts op passende wijze kan worden gecompenseerd door de bijstand van een advocaat, wiens taak er met name in bestaat ervoor te zorgen dat het recht van elke verdachte om zichzelf niet te belasten wordt geëerbiedigd (EHRM, 27 november 2008, Salduz tegen Turkije, ECLI:CE:ECHR:2008:1127JUD003639102, § 54).
46 Het feit dat volgens het nationale recht de verdachten en de beklaagden de concrete en daadwerkelijke mogelijkheid moeten krijgen om beroep te doen op een advocaat sluit evenwel niet uit dat, indien zij afstand doen van deze mogelijkheid, zij in beginsel de eventuele gevolgen daarvan moeten dragen voor zover deze afstand is geschied in overeenstemming met de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 9 van richtlijn 2013/48. In het bijzonder stelt het eerste lid van deze bepaling dat de verdachte of beklaagde mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen moet hebben gekregen over de inhoud van het betrokken recht en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan, en dat de afstand vrijwillig en ondubbelzinnig moet geschieden.
47 Aan de in punt 44 van het onderhavige arrest vermelde overweging wordt niet afgedaan door het feit dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13 bepaalt dat niet-nakoming van de verplichting om verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, door de verdachte of beklaagde „of” hun advocaat moet kunnen worden aangevoerd. Dit nevenschikkend voegwoord moet namelijk worden begrepen dat die verdachte of beklaagde alleen dan zelf een dergelijke niet-nakoming moeten aanvoeren ingeval zij rechtsgeldig afstand hebben gedaan van de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een advocaat, waarbij de geldigheid daarvan moet worden getoetst door een rechter, of ingeval zij die niet-nakoming liever zelf dan via hun advocaat wensen aan te voeren.
48 Bovendien moet nog worden opgemerkt dat het volgens rechtspraak van het EHRM aan de nationale rechterlijke instanties staat om, wanneer een procedurefout wordt vastgesteld, te beoordelen of dit gebrek in de loop van de daaropvolgende procedure is verholpen, aangezien het ontbreken van een dergelijke beoordeling op zich prima facie onverenigbaar is met de vereisten van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (EHRM, 28 januari 2020, Mehmet Zeki Çelebi tegen Turkije, CE:ECHR:2020:0128JUD002758207, § 51). Wanneer een verdachte niet tijdig op de hoogte is gesteld van zijn recht om zichzelf niet te belasten en om te zwijgen, moet dus worden beoordeeld of de strafprocedure, ondanks deze leemte, in haar geheel als billijk kan worden beschouwd, rekening houdend met een aantal factoren, waaronder de vraag of de verklaringen die bij gebreke van een dergelijke kennisgeving zijn afgenomen een integraal of belangrijk onderdeel vormen van de belastende stukken, alsmede de kracht van de andere elementen van het dossier (zie in die zin EHRM, 13 september 2016, Ibrahim e.a. tegen Verenigd Koninkrijk CE:ECHR:2016:0913JUD005054108, §§273 en 274).
49 Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geoordeeld dat een nationale regeling die de feitenrechter in strafzaken verbiedt om met het oog op de nietigverklaring van de procedure ambtshalve vast te stellen dat de krachtens de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13 op de bevoegde autoriteiten rustende verplichting om de verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, niet is nagekomen, schending oplevert van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, wanneer die verdachten of personen niet de mogelijkheid is ontzegd om concreet en daadwerkelijk toegang te hebben tot een advocaat overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2013/48, zo nodig door een beroep te doen op rechtsbijstand onder de voorwaarden van richtlijn 2016/1919, en zij, en in voorkomend geval ook hun advocaten, het recht hebben gehad om toegang te krijgen tot hun dossier en om zich binnen een redelijke termijn op deze niet-nakoming te beroepen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13.
50 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de door de verwijzende rechter aangehaalde en in de punten 23 en 24 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak.
51 In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 december 1995, Peterbroeck (C‑312/93, EU:C:1995:437), verleende het nationale recht de rechter namelijk de bevoegdheid om ambtshalve te toetsen of een handeling van nationaal recht verenigbaar was met een bepaling van Unierecht. De verwijzende rechter kon echter niet over die bevoegdheid beschikken omdat de termijn waarbinnen deze ambtshalve toetsing kon worden verricht op de datum van de terechtzitting reeds was verstreken. Het hoofdgeding heeft daarentegen betrekking op de vraag of het Unierecht de nationale rechter de mogelijkheid verleent om ambtshalve een schending van het Unierecht vast te stellen wanneer het nationale recht hem dat verbiedt.
52 Wat voorts de rechtspraak van het Hof op het gebied van oneerlijke bedingen betreft, moet worden benadrukt dat de in het kader van de consumentenbescherming aan de orde zijnde rechtsbetrekkingen dermate verschillen van de rechtsbetrekkingen die aan de orde zijn in het kader van strafprocedures – zoals die welke in het hoofdgeding en in punt 45 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht – dat de op het gebied van oneerlijke bedingen ontwikkelde beginselen niet zonder meer kunnen worden toegepast op de procedurele waarborgen in strafprocedures.
53 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de artikelen 3 en 4, alsook artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de feitenrechter in strafzaken verbiedt om met het oog op de nietigverklaring van de procedure ambtshalve vast te stellen dat de krachtens de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13 op de bevoegde autoriteiten rustende verplichting om de verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, niet is nagekomen, wanneer die verdachten of beklaagden niet de mogelijkheid is ontzegd om concreet en daadwerkelijk toegang te hebben tot een advocaat overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2013/48, zo nodig door een beroep te doen op rechtsbijstand onder de voorwaarden van richtlijn 2016/1919, en zij, en in voorkomend geval ook hun advocaten, het recht hebben gehad om toegang te krijgen tot hun dossier en om zich binnen een redelijke termijn op deze niet-nakoming te beroepen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13.
Kosten
54 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 3 en 4, alsook artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de feitenrechter in strafzaken verbiedt om met het oog op de nietigverklaring van de procedure ambtshalve vast te stellen dat de krachtens de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13 op de bevoegde autoriteiten rustende verplichting om de verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, niet is nagekomen, wanneer die verdachten of beklaagden niet de mogelijkheid is ontzegd om concreet en daadwerkelijk toegang te hebben tot een advocaat overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, zo nodig door een beroep te doen op rechtsbijstand onder de voorwaarden van richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, en zij, en in voorkomend geval ook hun advocaten, het recht hebben gehad om toegang te krijgen tot hun dossier en om zich binnen een redelijke termijn op deze niet-nakoming te beroepen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 9 maart 2023, C-693/20, ECLI:EU:C:2023:172
- HvJ EU 22 december 2022, C-61/21, ECLI:EU:C:2022:1015
- HvJ EU 1 augustus 2022, C-242/22, ECLI:EU:C:2022:611
- HvJ EU 15 juli 2021, C-742/19, ECLI:EU:C:2021:597
- HvJ EU 2 februari 2021, C-481/19, ECLI:EU:C:2021:84
- HvJ EU 19 september 2019, C-467/18, ECLI:EU:C:2019:765
- HvJ EU 14 december 1995, C-312/93, ECLI:EU:C:1995:437
Aangehaald in
- HvJ EU 6 maart 2025, C-575/23, ECLI:EU:C:2025:141
- HvJ EU 21 december 2023, C-66/22, ECLI:EU:C:2023:1016
- HvJ EU 3 juni 2025, C-460/23, ECLI:EU:C:2025:392
- HvJ EU 19 november 2024, C-814/21, ECLI:EU:C:2024:963
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-633/22, ECLI:EU:C:2024:843
- HvJ EU 19 november 2024, C-808/21, ECLI:EU:C:2024:962
- HvJ EU 8 mei 2025, C-530/23, ECLI:EU:C:2025:322
- Conclusie A-G van Kempen 9 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:848
- Gerecht EU 26 maart 2025, T-307/22, ECLI:EU:T:2025:331
- HvJ EU 30 oktober 2025, C-2/23, ECLI:EU:C:2025:848