Gerecht EU 29 september 2021, T-279/19, ECLI:EU:T:2021:639
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
29 september 2021 ( *1 )
„Externe betrekkingen – Internationale overeenkomsten – Euromediterrane Associatieovereenkomst EG-Marokko – Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane overeenkomst – Besluit tot goedkeuring van de sluiting van de overeenkomst – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Bekwaamheid om in rechte op te treden – Rechtstreeks geraakt – Individueel geraakt – Territoriale werkingssfeer – Bevoegdheid – Uitlegging van het volkenrecht door het Hof – Zelfbeschikkingsbeginsel – Beginsel van de relatieve werking van verdragen – Mogelijkheid om zich hierop te beroepen – Begrip instemming – Uitvoering – Beoordelingsbevoegdheid – Grenzen – Handhaving van de gevolgen van het bestreden besluit”
In zaak T‑279/19,
Front populaire pour la libération de la Saguia el-Hamra et du Rio de oro (Front Polisario), vertegenwoordigd door G. Devers, advocaat,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door P. Plaza García en V. Piessevaux als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door:
Franse Republiek, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, C. Mosser, J.‑L. Carré en T. Stehelin als gemachtigden,
door:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, F. Clotuche-Duvieusart, A. Bouquet en B. Eggers als gemachtigden,
en door:
Confédération marocaine de l’agriculture et du développement rural (Comader), gevestigd te Rabat (Marokko), vertegenwoordigd door G. Forwood, N. Colin en A. Hublet, advocaten,
interveniënten,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit (EU) 2019/217 van de Raad van 28 januari 2019 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2019, L 34, blz. 1),
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, D. Gratsias (rapporteur), M. Kancheva, B. Berke en T. Perišin, rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 maart 2021,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
A. Internationale context
1 De ontwikkeling van de internationale context met betrekking tot de kwestie van de Westelijke Sahara kan als volgt worden samengevat.
2 Op 14 december 1960 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) resolutie 1514 (XV), met als titel „Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken” aangenomen, waarin het met name heet dat „[a]lle volkeren [...] het recht op zelfbeschikking [hebben], op grond waarvan [zij] [...] hun politieke status in alle vrijheid [bepalen] en [...] vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling [nastreven]”, dat „[o]nmiddellijke maatregelen zullen worden genomen in trustgebieden, niet-zelfbesturende gebieden en alle andere gebieden die nog niet onafhankelijk zijn geworden, om alle bevoegdheden aan de volkeren van deze gebieden over te dragen, zonder enige voorwaarde of enig voorbehoud, in overeenstemming met hun wil en vrij uitgesproken wensen”, en dat „[a]lle Staten [...] de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties [...] trouw en strikt [moeten] naleven op basis van gelijkheid, niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden van de Staten en met inachtneming van de soevereine rechten en territoriale integriteit van alle volkeren”.
3 De Westelijke Sahara is een gebied in het noordwesten van Afrika dat aan het einde van de negentiende eeuw een kolonie van het Koninkrijk Spanje werd en, ten tijde van resolutie 1514 (XV), een Spaanse provincie was geworden. In 1963 heeft de VN dit gebied op de „voorlopige lijst van gebieden die vallen onder de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken [resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering]” geplaatst als niet-zelfbesturend gebied waarover het Koninkrijk Spanje bestuur uitoefent in de zin van artikel 73 van het Handvest van de Verenigde Naties, ondertekend te San Francisco op 26 juni 1945. Tot op heden staat het nog steeds op de lijst van niet-zelfbesturende gebieden die door de secretaris-generaal van de VN is opgesteld op basis van de uit hoofde van artikel 73, onder e), van dat Handvest verstrekte gegevens.
4 Op 20 december 1966 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 2229 (XXI) betreffende de kwestie Ifni en de Spaanse Sahara aangenomen, waarin zij nogmaals heeft gewezen op het „onvervreemdbare recht van de bevolking van [...] de Spaanse Sahara op zelfbeschikking overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering”, en het Koninkrijk Spanje, als besturende mogendheid, heeft verzocht om „zo spoedig mogelijk [...] de modaliteiten vast te stellen voor een onder auspiciën van de [VN] te houden referendum, teneinde de autochtone bevolking van het gebied in staat te stellen haar recht op zelfbeschikking vrijelijk uit te oefenen”.
5 Op 24 oktober 1970 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 2625 (XXV) aangenomen, waarbij zij de aan die resolutie gehechte tekst van de „Verklaring over volkenrechtelijke beginselen betreffende vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties” heeft goedgekeurd. In die verklaring wordt met name „het beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking voor volken”„plechtig afgekondigd”. Wat dat beginsel betreft, luidt die verklaring met name als volgt: „Ingevolge het beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking voor volken, dat is neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, hebben alle volken het recht om hun politieke status in alle vrijheid en zonder inmenging van buitenaf te bepalen en hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na te streven en is iedere staat verplicht tot eerbiediging van dit recht in overeenstemming met de bepalingen van het Handvest. [...] Volken kunnen hun zelfbeschikkingsrecht uitoefenen door de oprichting van een soevereine en onafhankelijke staat, de vrije associatie of de integratie met een onafhankelijke staat en de verwerving van iedere andere politieke status waarvoor zij in alle vrijheid kiezen. [...] Het grondgebied van een kolonie of een ander niet-zelfbesturend gebied heeft krachtens het Handvest een eigen status, onderscheiden van die van het grondgebied van de staat die het bestuur hierover uitoefent; deze eigen en onderscheiden status krachtens het Handvest blijft voortbestaan zolang de bevolking van de kolonie of het niet-zelfbesturend gebied niet haar zelfbeschikkingsrecht uitoefent overeenkomstig het Handvest en, meer in bijzonder de doelstellingen en beginselen ervan.”
6 Het Front populaire pour la libération de la Saguia el-Hamra et du Rio de oro (Front Polisario) is een organisatie die op 10 mei 1973 is opgericht in de Westelijke Sahara. Het wordt in artikel 1 van zijn statuten omschreven als een „beweging voor nationale bevrijding” waarvan de leden„[strijden] voor de volledige onafhankelijkheid en het terugkrijgen door het Saharaanse volk van zijn soevereiniteit over het gehele grondgebied van de Arabische Democratische Republiek Sahara”.
7 Op 20 augustus 1974 heeft het Koninkrijk Spanje aan de VN medegedeeld dat het voornemens was om, onder auspiciën van laatstgenoemde, in de Westelijke Sahara een referendum te houden.
8 Op 13 december 1974 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 3292 (XXIX) aangenomen, waarbij zij met name het Internationaal Gerechtshof (hierna: „IGH”) heeft verzocht om advies over de volgende vragen: „I. Was de Westelijke Sahara (Rio de Oro en Sakiet El Hamra) niemandsland (terra nullius) op het moment van de kolonisatie ervan door Spanje? Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, II. Wat waren de juridische banden van dat gebied met het Koninkrijk Marokko en de Mauritaanse entiteit?”
9 Op 16 oktober 1975 heeft het IGH het advies uitgebracht (zie Westelijke Sahara, advies, ICJ Reports 1975, blz. 12; hierna: „advies over de Westelijke Sahara”). Het heeft in punt 162 van dat advies het volgende vastgesteld: „Uit de aan het Gerechtshof overgelegde stukken en inlichtingen blijkt dat er ten tijde van de Spaanse kolonisatie juridische loyaliteitsbanden bestonden tussen de sultan van Marokko en een aantal van de op het grondgebied van de Westelijke Sahara levende stammen. Tevens blijkt hieruit het bestaan van rechten, waaronder bepaalde rechten inzake het grondgebruik, die juridische banden vormden tussen de Mauritaanse entiteit, in de door het Gerechtshof begrepen betekenis, en het grondgebied van de Westelijke Sahara. Daarentegen komt het Gerechtshof tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en inlichtingen niet blijkt dat tussen de Westelijke Sahara, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko en de Mauritaanse entiteit, anderzijds, een soevereiniteitsrelatie bestond. Het Gerechtshof heeft dus niet het bestaan geconstateerd van juridische banden die gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van resolutie 1514 (XV) [van de Algemene Vergadering van de VN] op de dekolonisatie van de Westelijke Sahara, in het bijzonder voor de toepassing van het beginsel van zelfbeschikking door de vrije en waarachtige uiting van de wil van de bevolking van het gebied.”
10 In punt 163 van het advies over de Westelijke Sahara heeft het IGH met name het volgende verklaard: „Wat vraag I betreft, [is het Gerechtshof van oordeel] dat de Westelijke Sahara (Rio de Oro en Sakiet El Hamra) geen niemandsland (terra nullius) was op het moment van de kolonisatie ervan door Spanje; [...] wat vraag II betreft, [...] dat het gebied met het Koninkrijk Marokko juridische banden had met de in punt 162 van het onderhavige advies vermelde kenmerken [en] dat het gebied met de Mauritaanse entiteit juridische banden had met de in punt 162 van het onderhavige advies vermelde kenmerken.”
11 In een toespraak op de dag waarop het advies over de Westelijke Sahara openbaar werd gemaakt, heeft de koning van Marokko verklaard dat „de hele wereld [had] erkend dat de [Westelijke] Sahara behoorde” tot het Koninkrijk Marokko en dat het aan dit Koninkrijk „[stond] om dit gebied vreedzaam weer in bezit te nemen”, waarbij hij een oproep deed om met dat doel een mars te houden.
12 Op 22 oktober 1975 heeft de Veiligheidsraad van de VN op verzoek van het Koninkrijk Spanje resolutie 377 (1975) aangenomen, waarbij „de secretaris-generaal [van de VN] [werd verzocht] onmiddellijk de betrokken partijen en belanghebbenden te raadplegen” en „laatstgenoemden [werden opgeroepen] zich terughoudend en gematigd op te stellen”. Op 2 november 1975 heeft de Veiligheidsraad resolutie 379 (1975) aangenomen, waarbij „alle betrokken partijen en belanghebbenden met aandrang [werden verzocht] om elk eenzijdig of ander optreden dat de spanningen in de regio nog zou kunnen doen toenemen, te vermijden” en „de secretaris-generaal [werd verzocht] zijn raadplegingen verder te zetten en te intensiveren”. Op 6 november 1975, naar aanleiding van de start van de door de koning van Marokko aangekondigde mars, waaraan 350000 mensen hebben deelgenomen, en de overschrijding door die mensen van de grens tussen het Koninkrijk Marokko en de Westelijke Sahara, heeft de Veiligheidsraad resolutie 380 (1975) aangenomen, waarbij met name „het doorgaan van [die] mars [werd betreurd]” en „het [Koninkrijk] Marokko [werd opgeroepen] om alle deelnemers aan [die] mars onmiddellijk uit het gebied van de Westelijke Sahara terug te trekken”.
13 Op 26 februari 1976 heeft het Koninkrijk Spanje de secretaris-generaal van de VN ervan in kennis gesteld zijn aanwezigheid in de Westelijke Sahara met ingang van die dag te beëindigen en zich voortaan ontslagen te achten van elke volkenrechtelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het bestuur van dat gebied. In de in punt 3 hierboven bedoelde lijst van niet-zelfbesturende gebieden wordt met betrekking tot de Westelijke Sahara verwezen naar die verklaring, welke wordt weergegeven in een voetnoot.
14 Ondertussen was in die regio een gewapend conflict uitgebroken tussen het Koninkrijk Marokko, de Islamitische Republiek Mauritanië en het Front Polisario. Een deel van de bevolking van de Westelijke Sahara is gevlucht voor dat conflict en heeft zijn toevlucht gevonden in op Algerijns grondgebied gelegen kampen in de nabijheid van de grens met de Westelijke Sahara.
15 Op 14 april 1976 heeft het Koninkrijk Marokko met de Islamitische Republiek Mauritanië een verdrag gesloten inzake de verdeling van het grondgebied van de Westelijke Sahara en het bij dit verdrag aan voornoemd Koninkrijk toegewezen grondgebied geannexeerd. Op 10 augustus 1979 heeft de Islamitische Republiek Mauritanië een vredesverdrag gesloten met het Front Polisario, volgens hetwelk zij afstand deed van alle territoriale aanspraken op de Westelijke Sahara. Daarop heeft het Koninkrijk Marokko de controle over het door de Mauritaanse strijdkrachten ontruimde gebied overgenomen en dit gebied geannexeerd.
16 Op 21 november 1979 heeft de Algemene Vergadering van de VN resolutie 34/37 over de kwestie van de Westelijke Sahara aangenomen, waarbij zij „opnieuw het onvervreemdbare recht [benadrukte] op zelfbeschikking en onafhankelijkheid van het volk van de Westelijke Sahara, in overeenstemming met het Handvest van de [VN] [...] en de doelstellingen van haar resolutie 1514 (XV)”, „ten zeerste de verslechtering van de situatie [betreurde] die het gevolg [was] van de aanhoudende bezetting van de Westelijke Sahara door Marokko”, „het Koninkrijk Marokko met aandrang [verzocht] om zelf ook bij te dragen aan het vredesproces en een einde te maken aan de bezetting van het grondgebied van de Westelijke Sahara” en „hiertoe in overweging [gaf] het [Front Polisario] als vertegenwoordiger van de Sahrawi, volledig te betrekken bij het zoeken naar een definitieve, rechtvaardige en duurzame oplossing van het vraagstuk van de Westelijke Sahara, in overeenstemming met de resoluties en verklaringen van de [VN]”. Na die resolutie volgde resolutie 35/19 van 11 november 1980, waarbij de Algemene Vergadering in punt 10 ervan „Marokko en het [Front Polisario] als vertegenwoordiger van de Sahrawi [...] met aandrang [heeft verzocht] onmiddellijke onderhandelingen op te starten om tot een definitieve regeling te komen voor het vraagstuk van de Westelijke Sahara”.
17 Het conflict tussen het Koninkrijk Marokko en het Front Polisario bleef voortduren, totdat de twee partijen op 30 augustus 1988 in beginsel instemden met de voorstellen voor een regeling, die onder meer afkomstig waren van de secretaris-generaal van de VN en met name voorzagen in een staakt-het-vuren en de organisatie van een referendum over zelfbeschikking onder toezicht van de VN.
18 Op 27 juni 1990 heeft de Veiligheidsraad van de VN resolutie 658 (1990) aangenomen, waarbij hij „zijn goedkeuring heeft gehecht aan het rapport van de secretaris-generaal [van de VN] dat [...] de [in punt 17 hierboven bedoelde] voorstellen voor een regeling bevat en een uiteenzetting van het plan [voor de uitvoering ervan]” en „de twee partijen [heeft verzocht] om met de secretaris-generaal [van de VN] en de zittende president van de Conferentie van staatshoofden en regeringsleiders van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid ten volle samen te werken in het kader van de inspanningen die zij leveren om voor het vraagstuk van de Westelijke Sahara tot een snelle regeling te komen”. Op 29 april 1991 heeft de Veiligheidsraad resolutie 690 (1991) aangenomen, waarbij de missie van de VN voor het referendum in Westelijke Sahara (Minurso) is opgericht.
19 Tot op heden zijn de partijen, ondanks de onder auspiciën van de VN georganiseerde contacten en raadplegingen, niet tot een regeling kunnen komen voor de situatie in de Westelijke Sahara. Het Koninkrijk Marokko controleert het grootste deel van het grondgebied van de Westelijke Sahara en het Front Polisario het andere deel, waarbij de twee delen worden gescheiden door een zandmuur die is gebouwd en wordt gesurveilleerd door het Marokkaanse leger. Een aanzienlijk aantal uit dat gebied afkomstige vluchtelingen leeft nog steeds in op Algerijns grondgebied gelegen kampen die door het Front Polisario worden beheerd.
B. Associatieovereenkomst en Liberaliseringsovereenkomst
20 De Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2000, L 70, blz. 2; hierna: „Associatieovereenkomst”), die is ondertekend te Brussel op 26 februari 1996, is in werking getreden op 1 maart 2000.
21 Artikel 1, lid 1, van de Associatieovereenkomst luidt als volgt: „Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Marokko, anderzijds.”
22 In artikel 1, lid 2, van de Associatieovereenkomst staat het volgende te lezen: „Deze associatie heeft ten doel: – een passend kader tot stand te brengen voor de politieke dialoog tussen de partijen met het oog op het versterken van hun betrekkingen op alle terreinen die zij in het kader van een dergelijke dialoog van belang achten; – de voorwaarden vast te leggen voor de geleidelijke liberalisering van het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer; – het bevorderen van de handel en van evenwichtige sociale en economische betrekkingen tussen de partijen, met name door middel van dialoog en samenwerking, teneinde de ontwikkeling en de welvaart van Marokko en de Marokkaanse bevolking te bevorderen; – het aanmoedigen van de Maghrebijnse integratie door bevordering van de handel en samenwerking tussen Marokko en de landen in de regio; – het bevorderen van de samenwerking op economisch, sociaal, cultureel en financieel gebied.”
23 Artikel 16 van de Associatieovereenkomst is als volgt verwoord: „De Gemeenschap en Marokko stellen geleidelijk een grotere liberalisering in van het onderlinge handelsverkeer in landbouw- en visserijproducten.”
24 In artikel 94 van de Associatieovereenkomst wordt het volgende bepaald: „Deze overeenkomst is van toepassing op het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing zijn, overeenkomstig de bepalingen van genoemde Verdragen, enerzijds, en op het grondgebied van Marokko, anderzijds.”
25 Bij de Associatieovereenkomst zijn een aantal protocollen gesloten. Meer in het bijzonder betreft Protocol nr. 1 de regeling die van toepassing is bij de invoer in de Europese Unie van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten van oorsprong uit Marokko (hierna: „Protocol nr. 1”), terwijl Protocol nr. 4 ziet op de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking (hierna: „Protocol nr. 4”).
26 Op 13 december 2010 hebben de Unie en het Koninkrijk Marokko te Brussel de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, inzake de vervanging van de Protocollen nrs. 1, 2 en 3 en de bijlagen daarbij, en houdende wijziging van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2012, L 241, blz. 4; hierna: „Liberaliseringsovereenkomst”), ondertekend. Op 8 maart 2012 heeft de Raad van de Europese Unie besluit 2012/497/EU vastgesteld inzake de sluiting van de Liberaliseringsovereenkomst (PB 2012, L 241, blz. 2).
27 Zoals blijkt uit de Liberaliseringsovereenkomst en de overwegingen 1 tot en met 3 van besluit 2012/497, heeft die overeenkomst tot doel de geleidelijke liberalisering tot stand te brengen van het onderlinge handelsverkeer in landbouw- en visserijproducten, zoals is bepaald in artikel 16 van de Associatieovereenkomst. De Liberaliseringsovereenkomst heeft met name de Protocollen nrs. 1, 2 en 3 van de Associatieovereenkomst vervangen door de in de bijlagen I en II bij eerstgenoemde overeenkomst opgenomen teksten.
28 In artikel 2, lid 2, van Protocol nr. 4 bij de Associatieovereenkomst wordt het volgende bepaald: „Voor de toepassing van deze overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit Marokko: a) geheel en al in Marokko verkregen producten in de zin van artikel 5; b) in Marokko verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in Marokko een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 6.”
29 Overeenkomstig artikel 16 van Protocol nr. 4 zijn de bepalingen van deze overeenkomst van toepassing op producten van oorsprong uit Marokko die in de Unie worden ingevoerd, op vertoon van een van de in dat artikel opgesomde bewijzen van oorsprong.
C. Gedingen in verband met de Associatieovereenkomst
1. Zaken T‑512/12 en C‑104/16 P
30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 november 2012 en ingeschreven onder nummer T‑512/12, heeft verzoeker, het Front Polisario, beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit 2012/497 (arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario, C‑104/16 P, EU:C:2016:973, punt 38; hierna: „arrest Raad/Front Polisario”).
31 Ter ondersteuning van zijn beroep in die zaak had verzoeker met name aangevoerd dat de Raad op een aantal punten niet had voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van het volkenrecht door bij besluit 2012/497 de toepassing goed te keuren van de Liberaliseringsovereenkomst op het grondgebied van de Westelijke Sahara (arrest Raad/Front Polisario, punt 44).
32 Bij arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953), heeft het Gerecht besluit 2012/497 nietig verklaard voor zover daarbij de toepassing van de Liberaliseringsovereenkomst op de Westelijke Sahara werd goedgekeurd. De grond voor deze nietigverklaring was dat de Raad zijn verplichting om vóór de vaststelling van besluit 2012/497 alle gegevens van het geval te onderzoeken niet was nagekomen doordat hij niet was nagegaan of de exploitatie van de uit dat gebied afkomstige en naar de Unie uitgevoerde producten niet plaatsvond ten nadele van de bevolking van het betrokken gebied en geen inbreuk maakte op de grondrechten van de betrokken personen (arrest Raad/Front Polisario, punten 47 en 48).
33 Op 19 februari 2016 heeft de Raad hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953).
34 Bij het arrest Raad/Front Polisario heeft het Hof, uitspraak doend op de hogere voorziening van de Raad, het arrest van 10 december 2015, Front Polisario/Raad (T‑512/12, EU:T:2015:953), vernietigd en verzoekers beroep bij het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard.
35 Dienaangaande heeft het Hof ten eerste het tweede middel van de hogere voorziening aanvaard, dat was ontleend aan de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht bij de analyse van verzoekers procesbevoegdheid blijk had gegeven, en heeft het meer bepaald de grief aanvaard die was ontleend aan het feit dat het Gerecht ten onrechte had geoordeeld dat de Liberaliseringsovereenkomst van toepassing was op de Westelijke Sahara (arrest Raad/Front Polisario, punt 126).
36 In de eerste plaats heeft het Hof immers geoordeeld dat de Westelijke Sahara – een niet-zelfbesturend gebied in de zin van artikel 73 van het Handvest van de VN – ingevolge het zelfbeschikkingsbeginsel, dat in de betrekkingen tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko van toepassing is, een eigen en onderscheiden status geniet ten aanzien van die van elke staat, met inbegrip van die van het Koninkrijk Marokko. Het Hof is op basis daarvan tot de slotsom gekomen dat de woorden „grondgebied van Marokko” in artikel 94 van de Associatieovereenkomst niet aldus kunnen worden uitgelegd dat de territoriale werkingssfeer van die overeenkomst de Westelijke Sahara omvat (arrest Raad/Front Polisario, punten 86‑93).
37 In de tweede plaats was het Hof van oordeel dat eveneens rekening moet worden gehouden met de in artikel 29 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331; hierna: „Verdrag van Wenen”), neergelegde gewoonteregel, die bepaalt dat, tenzij een andere bedoeling uit het verdrag blijkt of op een andere wijze is komen vast te staan, een verdrag elke partij ten opzichte van haar gehele grondgebied bindt. Het is tot de slotsom gekomen dat ook die gewoonteregel eraan in de weg staat dat de Westelijke Sahara zou worden geacht te vallen binnen de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst. Het heeft vastgesteld dat uit die gewoonteregel evenwel ook voortvloeit dat een verdrag bij wijze van uitzondering een staat kan binden ten aanzien van een ander gebied indien een dergelijke bedoeling blijkt uit dat verdrag of anderszins is aangetoond (arrest Raad/Front Polisario, punten 94‑98).
38 In de derde plaats heeft het Hof geoordeeld dat eveneens rekening moet worden gehouden met het algemeen volkenrechtelijk beginsel van de relatieve werking van verdragen aangezien het volk van de Westelijke Sahara, als „derde” ten aanzien van de Associatieovereenkomst in de zin van dat beginsel, door de uitvoering van die overeenkomst kan worden geraakt wanneer de werkingssfeer ervan het grondgebied van de Westelijke Sahara zou omvatten, en met een dergelijke uitvoering moet instemmen. Het Hof is op grond van het feit dat op geen enkele manier aan een dergelijke instemming uiting was gegeven, tot de slotsom gekomen dat de vaststelling dat de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst het grondgebied van de Westelijke Sahara omvat, indruist tegen het beginsel van de relatieve werking van verdragen (arrest Raad/Front Polisario, punten 100‑107).
39 In de vierde plaats heeft het Hof uit de vaststelling dat de Liberaliseringsovereenkomst als een aan de Associatieovereenkomst ondergeschikte overeenkomst moet worden beschouwd, afgeleid dat de Liberaliseringsovereenkomst niet in die zin kan worden opgevat dat zij van toepassing is op het grondgebied van de Westelijke Sahara, zodat daarin geen bepaling hoefde te worden opgenomen die deze toepassing uitsloot. Volgens het Hof kan de door de Raad en de Europese Commissie na de sluiting van de Associatieovereenkomst gehanteerde praktijk niet afdoen aan die analyse, aangezien anders zou moeten worden aangenomen dat de Unie het voornemen had de Associatieovereenkomst en de Liberaliseringsovereenkomst in dier voege uit te voeren dat inbreuk werd gemaakt op het zelfbeschikkingsbeginsel en het beginsel van de relatieve werking van verdragen, en dus op een wijze die onverenigbaar zou zijn met het beginsel dat verdragen te goeder trouw moeten worden uitgevoerd (arrest Raad/Front Polisario, punten 110‑125).
40 Ten tweede heeft het Hof de zaak zelf afgedaan. In dat verband heeft het geoordeeld dat aangezien de Liberaliseringsovereenkomst volgens de ter zake dienende regels van het volkenrecht die van toepassing zijn in de betrekkingen tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op het grondgebied van de Westelijke Sahara, verzoeker, gelet op diens argumenten, hoe dan ook moest worden geacht niet bevoegd te zijn om een beroep tot nietigverklaring van besluit 2012/497 in te stellen, zonder dat de overige door de Raad en de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid behoefden te worden onderzocht (arrest Raad/Front Polisario, punten 128‑134).
2. Zaak C‑266/16
41 Bij beslissing van 27 april 2016 heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court) [hogere rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen’s Bench (bestuursrechter), Verenigd Koninkrijk] het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over vragen waarmee in wezen werd gepeild naar de geldigheid, in het licht van artikel 3, lid 5, VEU, van Uniehandelingen met betrekking tot de door de Unie en het Koninkrijk Marokko in het kader van de Associatieovereenkomst gesloten internationale overeenkomsten inzake visserij, gelet op de omstandigheid dat de natuurlijke rijkdommen uit de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara op grond van die handelingen mogen worden geëxploiteerd (arrest van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK Campagne, C‑266/16, EU:C:2018:118, punten 1, 41 en 54; hierna: „arrest Western Sahara Campaign UK”).
42 Het Hof heeft met name op basis van de vaststellingen in het arrest Raad/Front Polisario (zie punten 36‑39 hierboven) geoordeeld dat aangezien de betrokken internationale overeenkomsten niet van toepassing waren op het grondgebied van de Westelijke Sahara en de daaraan grenzende wateren, bij het onderzoek van de eerste vraag van de verwijzende rechter niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de ermee verband houdende handelingen aantasten uit het oogpunt van artikel 3, lid 5, VEU (arrest Western Sahara Campaign UK, punt 85).
3. Beschikkingen in de zaken T‑180/14, T‑275/18, T‑376/18
43 Bij beschikkingen van 19 juli 2018, Front Polisario/Raad (T‑180/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:496), 30 november 2018, Front Polisario/Raad (T‑275/18, niet gepubliceerd, EU:T:2018:869), en 8 februari 2019, Front Polisario/Raad (T‑376/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:77), heeft het Gerecht de beroepen die verzoeker had ingesteld tegen handelingen van de Raad voor het sluiten of wijzigen van verschillende tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko gesloten internationale overeenkomsten, niet-ontvankelijk verklaard.
44 In de in punt 43 hierboven aangehaalde eerste twee beschikkingen heeft het Gerecht zich op de arresten Raad/Front Polisario en Western Sahara Campaign UK gebaseerd om met name vast te stellen dat verzoeker niet procesbevoegd was op grond dat de litigieuze overeenkomsten niet op de Westelijke Sahara of de aangrenzende wateren van toepassing waren (beschikkingen van19 juli 2018, Front Polisario/Raad, T‑180/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:496, punten 69‑71, en 30 november 2018, Front Polisario/Raad, T‑275/18, niet gepubliceerd, EU:T:2018:869, punten 41 en 42).
45 Bij de in punt 43 hierboven aangehaalde derde beschikking was het Gerecht van oordeel dat het door de Raad op 16 april 2018 vastgestelde besluit houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met het Koninkrijk Marokko voor het wijzigen van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko en het sluiten van een protocol ter uitvoering van die overeenkomst, overeenkomstig artikel 218, leden 3 en 4, VWEU slechts tot doel had de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie aan te wijzen en aan hen richtsnoeren te geven. Het betreft dus een handeling die slechts rechtsgevolgen sorteert in de betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten en tussen de instellingen van de Unie onderling. Het Gerecht is op basis daarvan tot de slotsom gekomen dat dit besluit geen gevolgen had voor verzoekers rechtspositie en laatstgenoemde dus niet kon worden geacht er rechtstreeks door te worden geraakt (beschikking van 8 februari 2019, Front Polisario/Raad, T‑376/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:77, punten 28 en 29).
D. Bestreden besluit en de litigieuze overeenkomst
46 Na het arrest Raad/Front Polisario heeft de Raad bij besluit van 29 mei 2017 de Commissie gemachtigd om namens de Unie onderhandelingen met het Koninkrijk Marokko te openen met het oog op de sluiting van een internationale overeenkomst tot wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4.
47 In het kader van de aan de Commissie verleende machtiging tot het openen van onderhandelingen heeft de Raad die instelling verzocht om ervoor te zorgen dat de personen op wie de beoogde internationale overeenkomst betrekking heeft, op passende wijze zouden worden betrokken en om voorts de mogelijke gevolgen van die overeenkomst te beoordelen voor de duurzame ontwikkeling van de Westelijke Sahara, met name de voordelen voor de plaatselijke bevolking en de effecten van de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen op de betrokken gebieden.
48 De Commissie heeft over de uitkomst van haar raadplegingen en analyse met betrekking tot de in punt 47 hierboven bedoelde kwesties gerapporteerd in haar verslag van 11 juni 2018 over de voordelen voor het volk van de Westelijke Sahara van de uitbreiding van de tariefpreferenties naar de uit de Westelijke Sahara afkomstige producten en over de raadpleging van dat volk met betrekking tot deze uitbreiding (hierna: „verslag van 11 juni 2018”). Dat verslag was gehecht aan het voorstel voor de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds [COM(2018) 481 final].
49 Op 25 oktober 2018 hebben de Unie en het Koninkrijk Marokko te Brussel de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (hierna: „litigieuze overeenkomst”), ondertekend.
50 Op 28 januari 2019 heeft de Raad besluit (EU) 2019/217 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2019, L. 34, blz. 1; hierna: „bestreden besluit”), vastgesteld.
51 De Raad heeft in de overwegingen 3 tot en met 10 van het bestreden besluit gewezen op het volgende: „(3) De Unie loopt niet vooruit op het politieke proces onder de vlag van de Verenigde Naties inzake de uiteindelijke status van de Westelijke Sahara en blijft zoeken naar een oplossing voor het geschil in de Westelijke Sahara, dat momenteel door de Verenigde Naties op de lijst van niet-zelfbesturende gebieden is geplaatst, dat vandaag de dag grotendeels door het Koninkrijk Marokko wordt bestuurd. [...] (4) Sinds de inwerkingtreding van de Associatieovereenkomst zijn er in de Unie producten uit de Westelijke Sahara met oorsprongscertificaat van Marokko ingevoerd die tariefpreferenties genoten zoals vastgesteld in de relevante bepalingen van bovengenoemde overeenkomst. (5) In zijn arrest in de zaak C‑104/16 P [...] heeft het Hof van Justitie echter verduidelijkt dat de Associatieovereenkomst alleen het grondgebied van het Koninkrijk Marokko bestrijkt en niet de Westelijke Sahara, dat een niet-zelfbesturend gebied is. (6) Het is belangrijk ervoor te zorgen dat het handelsverkeer dat zich in de loop van de jaren heeft ontwikkeld, niet wordt verstoord en dat tegelijk de nodige waarborgen worden geboden voor de bescherming van het internationaal recht, waaronder de mensenrechten en de duurzame ontwikkeling van de betrokken gebieden. De Raad heeft de Commissie op 29 mei 2017 gemachtigd om onderhandelingen met het Koninkrijk Marokko te openen teneinde, conform het arrest van het Hof van Justitie een rechtsgrondslag te creëren voor de toekenning van de in de Associatieovereenkomst voorziene tariefpreferenties aan producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara. Een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko is het enige middel om ervoor te zorgen dat aan de invoer van producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara een preferentiële oorsprong wordt toegekend, aangezien alleen de Marokkaanse autoriteiten kunnen waarborgen dat de nodige regels om deze preferenties toe te kennen, worden nageleefd. (7) De Commissie heeft een beoordeling verricht van de mogelijke gevolgen van een dergelijke overeenkomst voor de duurzame ontwikkeling, met name wat betreft de voor- en nadelen van de toekenning van tariefpreferenties aan producten uit de Westelijke Sahara voor de personen op wie de overeenkomst betrekking heeft, alsook de effecten ervan op de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in de betreffende gebieden. [...] (8) [...] [Uit] deze beoordeling [blijkt] dat, over het algemeen, de voordelen voor de economie van de Westelijke Sahara die voortvloeien uit de toekenning van de in de Associatieovereenkomst voorziene tariefpreferenties aan producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara, en met name het krachtige hefboomeffect ervan op de economie en bijgevolg op de sociale ontwikkeling, veel groter zijn dan de tijdens de raadplegingsprocedure aangehaalde nadelen, zoals het overmatige gebruik van natuurlijke hulpbronnen [...]. (9) De uitbreiding van de tariefpreferenties naar producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara wordt geacht een doorgaans positief effect hebben voor de personen op wie de overeenkomst betrekking heeft. [...] (10) In het licht van de overwegingen inzake de instemming in het arrest van het Hof van Justitie heeft de Commissie, in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden, in de huidige context alle redelijke en mogelijke maatregelen genomen om de personen op wie de overeenkomst betrekking heeft voldoende te betrekken teneinde hun instemming met de overeenkomst te verzekeren. Er zijn brede raadplegingen gehouden en de sociaaleconomische en politieke actoren die aan de raadplegingen hebben deelgenomen hebben zich in meerderheid uitgesproken voor een uitbreiding van de tariefpreferenties van de Associatieovereenkomst naar de Westelijke Sahara. De tegenstanders van de uitbreiding gingen er voornamelijk van uit dat een dergelijke overeenkomst de positie van Marokko in de Westelijke Sahara zou bekrachtigen. Uit de bewoordingen van deze overeenkomst kan echter in geen enkel opzicht worden afgeleid dat zij de soevereiniteit van Marokko over de Westelijke Sahara erkent. Bovendien zal de Unie met nog grotere inspanningen het proces blijven steunen om onder de vlag van de Verenigde Naties tot een vreedzame oplossing van het geschil te komen.”
52 In artikel 1, eerste alinea, van het bestreden besluit wordt bepaald dat de litigieuze overeenkomst namens de Unie wordt goedgekeurd. Die overeenkomst is in werking getreden op 19 juli 2019 (PB 2019, L 197, blz. 1).
53 De derde tot en met de negende alinea van de litigieuze overeenkomst luiden als volgt: „Deze overeenkomst is gesloten behoudens de respectieve standpunten van de Europese Unie over de status van de Westelijke Sahara en van het Koninkrijk Marokko met betrekking tot die regio. Beide partijen bevestigen hun steun aan het proces van de Verenigde Naties en steunen de inspanningen van de secretaris-generaal om tot een definitieve politieke oplossing te komen die in overeenstemming is met de beginselen en doelstellingen van het Handvest van de Verenigde Naties en is gebaseerd op de resoluties van de Veiligheidsraad. De Europese Unie en het Koninkrijk Marokko zijn overeengekomen om de onderstaande gemeenschappelijke verklaring in te voegen na Protocol nr. 4 van de Associatieovereenkomst. ‚Gemeenschappelijke verklaring betreffende de toepassing van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (hierna „de Associatieovereenkomst” genoemd) 1. De producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara die zijn onderworpen aan controle door de douaneautoriteiten van het Koninkrijk Marokko, genieten dezelfde handelspreferenties als die welke door de Europese Unie zijn toegekend aan de producten die onder de Associatieovereenkomst vallen. 2. Protocol nr. 4 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de oorsprongsstatus van de in punt 1 bedoelde producten, met inbegrip van de bewijzen van oorsprong. 3. De douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie en van het Koninkrijk Marokko moeten de toepassing van Protocol nr. 4 op deze producten waarborgen.’ De Europese Unie en het Koninkrijk Marokko bevestigen opnieuw hun verbintenis om de protocollen toe te passen in overeenstemming met de bepalingen van de Associatieovereenkomst wat betreft de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en van de mensenrechten. De invoeging van deze gemeenschappelijke verklaring berust op het reeds lang bestaande bevoorrechte partnerschap tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, zoals bekrachtigd door de aan het Koninkrijk Marokko toegekende geavanceerde status, en op de door de partijen gedeelde ambitie om dit partnerschap te verdiepen en te verbreden. In deze geest van partnerschap en teneinde de partijen in staat te stellen de effecten van deze overeenkomst te beoordelen, in het bijzonder op de duurzame ontwikkeling, met name wat betreft de voordelen voor de betrokken bevolking en de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in de betreffende gebieden, zijn de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko overeengekomen om minstens eenmaal per jaar onderling informatie uit te wisselen in het kader van het associatiecomité. De specifieke modaliteiten van deze beoordeling zullen later worden bepaald met het oog op de aanneming ervan door het associatiecomité en dit uiterlijk twee maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.”
II. Procedure en conclusies van partijen
54 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 27 april 2019, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
55 Op 1 augustus 2019 heeft de Raad het verweerschrift neergelegd.
56 Bij beslissingen van de president van de Vijfde kamer van het Gerecht van respectievelijk 10 en 18 september 2019 zijn de Franse Republiek en de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
57 Op 1 oktober 2019 heeft verzoeker de repliek neergelegd.
58 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers is de rechter-rapporteur bij beslissing van 16 oktober 2019 overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht toegevoegd aan de Negende kamer van het Gerecht, waaraan de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.
59 De Franse Republiek en de Commissie hebben hun memorie in interventie neergelegd op respectievelijk 23 en 29 oktober 2019.
60 Bij beschikking van 15 november 2019, Front Polisario/Raad (T‑279/19, niet gepubliceerd, EU:T:2019:808), heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht de Confédération marocaine de l’agriculture et du développement rural (Comader) toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
61 Op 5 december 2019 heeft de Raad de dupliek neergelegd.
62 Verzoeker heeft over de memorie in interventie van de Franse Republiek en die van de Commissie opmerkingen ingediend op respectievelijk 20 december 2019 en 6 januari 2020.
63 Op 23 januari 2020 heeft de Comader haar memorie in interventie neergelegd. Op 17 februari 2020 heeft verzoeker opmerkingen ingediend over die memorie.
64 Op 23 november 2020 heeft het Gerecht, op voorstel van de Negende kamer, overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering beslist om de zaak te verwijzen naar een uitgebreide rechterlijke formatie.
65 Op 9 december 2020 heeft het Gerecht op grond van artikel 106, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering ambtshalve beslist om de mondelinge behandeling te openen.
66 Het Gerecht heeft bij twee maatregelen tot organisatie van de procesgang van respectievelijk 17 en 18 december 2020, ten eerste, schriftelijk te beantwoorden vragen aan partijen voorgelegd en verzoeker en de Commissie verzocht aanvullende inlichtingen te verstrekken en, ten tweede, partijen uitgenodigd om ter terechtzitting hun standpunt te verduidelijken over bepaalde principiële kwesties die voor het onderhavige geding van belang zijn.
67 Op 24 januari 2021 heeft de Raad en op 25 januari 2021 hebben verzoeker, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader hun schriftelijke antwoorden op de vragen van het Gerecht ingediend. Verzoeker en de Commissie hebben de gevraagde inlichtingen verstrekt in het kader van die antwoorden.
68 De pleitzitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021. Na afloop van die zitting is de sluiting van de mondelinge behandeling uitgesproken.
69 Op 19 april 2021 heeft de Commissie opmerkingen over het proces-verbaal van de pleitzitting ingediend. Bij beschikking van 30 april 2021 heeft het Gerecht de mondelinge behandeling opnieuw geopend om die opmerkingen aan het dossier toe te voegen en verzoeker, de Raad, de Franse Republiek en de Comader uit te nodigen om hun opmerkingen ter zake in te dienen. De Raad en de Franse Republiek respectievelijk verzoeker en de Comader hebben hun opmerkingen ingediend op 12 en 17 mei 2021. De sluiting van de mondelinge behandeling is uitgesproken op 19 mei 2021 en de zaak is in beraad gebracht. Op 22 juni 2021 is aan partijen een aangepast proces-verbaal overgemaakt.
70 Na het overlijden van rechter Berke op 1 augustus 2021 hebben de drie rechters die het onderhavige arrest ondertekenen, de beraadslagingen voortgezet overeenkomstig artikel 22 en artikel 24, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
71 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader te verwijzen in de kosten.
72 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.
73 De Franse Republiek verzoekt het Gerecht om het beroep te verwerpen.
74 De Commissie dient formeel geen conclusies in en verklaart de conclusies van de Raad te ondersteunen.
75 De Comader verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
76 Vooraf dient erop te worden gewezen dat het onderhavige geding ziet op de sluiting namens de Unie van een overeenkomst tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko, waarbij die partijen zijn overeengekomen om na Protocol nr. 4 van de Associatieovereenkomst een gemeenschappelijke verklaring in te voegen met als opschrift „Gemeenschappelijke verklaring betreffende de toepassing van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (hierna: „gemeenschappelijke verklaring over de Westelijke Sahara”), die de handelspreferenties die zijn toegekend aan krachtens Protocol nr. 1 naar de Unie uitgevoerde producten van Marokkaanse oorsprong uitbreidt naar producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara die zijn „onderworpen aan controle door de [Marokkaanse] douaneautoriteiten” (zie punt 53 hierboven).
77 Met zijn beroep vordert verzoeker, die stelt „namens het Saharaanse volk” op te treden, nietigverklaring van het bestreden besluit op grond dat, kort samengevat, de Raad, door de litigieuze overeenkomst – ondanks dat zij op de Westelijke Sahara van toepassing is – goed te keuren zonder de instemming van dat volk, met dat besluit de verplichtingen niet is nagekomen die uit hoofde van het Unierecht en het volkenrecht op de Unie rusten in het kader van haar betrekkingen met het Koninkrijk Marokko. Verzoeker stelt meer bepaald dat de litigieuze overeenkomst niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof in de arresten Raad/Front Polisario en Western Sahara Campaign UK, volgens welke een dergelijke territoriale toepassing uitgesloten is.
78 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, voert de Raad, ondersteund door de Franse Republiek, de Commissie en de Comader, primair twee middelen van niet-ontvankelijkheid van het onderhavige beroep aan, waarvan het ene is ontleend aan verzoekers gebrek aan bekwaamheid om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden en het andere aan verzoekers gebrek aan bevoegdheid om op te komen tegen het bestreden besluit. Zij stellen in het kader van die middelen van niet-ontvankelijkheid met name de omvang en de exclusiviteit van de rol die verzoeker ten aanzien van het volk van de Westelijke Sahara claimt, ter discussie. De Comader van haar kant trekt bovendien de geldigheid van de door verzoeker aan zijn advocaat verleende volmacht in twijfel. Subsidiair concluderen de Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader tot ongegrondverklaring van verzoekers argumentatie. Kort samengevat betoogt de Raad, ondersteund door de Franse Republiek, met name dat hij door de litigieuze overeenkomst goed te keuren zich heeft gevoegd naar de rechtspraak van het Hof. De Commissie en de Comader van hun kant zijn het weliswaar eens met die argumentatie, maar stellen zich op het standpunt dat die rechtspraak voor de beoordeling van het beroep hoe dan ook niet ter zake dienend is aangezien zij ziet op de uitlegging van die tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko gesloten overeenkomsten, en niet op de geldigheid ervan. De Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader zijn voorts van mening dat de volkenrechtelijke beginselen waarop verzoeker zijn argumentatie baseert, niet kunnen worden aangevoerd.
A. Ontvankelijkheid van het beroep
1. Eerste middel van niet-ontvankelijkheid van de Raad, ontleend aan verzoekers gebrek aan bekwaamheid om in rechte op te treden
79 Ter ondersteuning van het eerste middel van niet-ontvankelijkheid betoogt de Raad dat verzoeker geen rechtspersoon is in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU die beschikt over de bekwaamheid om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden. In de eerste plaats voert de Raad aan dat verzoeker geen rechtspersoonlijkheid bezit krachtens het nationale recht van een lidstaat. In de tweede plaats betoogt hij dat verzoeker geen volkenrechtelijk subject is. In de derde plaats stelt hij dat verzoeker niet voldoet aan de door de rechterlijke instanties van de Unie vastgestelde criteria om aan een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid de bevoegdheid toe te kennen om in rechte op te treden, en met name aan de voorwaarde die verband houdt met het feit dat de betrokken entiteit door de Unie moet worden behandeld als een afzonderlijke drager van rechten en plichten.
80 De Commissie, de Franse Republiek en de Comader voeren in wezen hetzelfde betoog als dat van de Raad. De Comader stelt daarnaast dat verzoeker, gelet op zijn relaties met de Arabische Democratische Republiek Sahara (RASD), die niet is erkend door de VN of de Unie, niet over de nodige autonomie beschikt om op te treden als een in het rechtsverkeer verantwoordelijke entiteit.
81 Verzoeker betoogt, ter ondersteuning van zijn bekwaamheid om in rechte op te treden, dat hij een beweging voor nationale bevrijding is, waarvan de rechten en plichten vanwege de afzonderlijke en specifieke status van de Westelijke Sahara en het zelfbeschikkingsrecht van het Saharaanse volk rechtstreeks worden ontleend aan het volkenrecht. Die status wordt met name bevestigd door zijn bekwaamheid om overeenkomsten te sluiten en door zijn erkenning als enige vertegenwoordiger van dat volk door de Algemene Vergadering van de VN. Als volkenrechtelijk subject voldoet hij des te meer aan de criteria die in de rechtspraak zijn vastgesteld om na te gaan dat een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid kan worden beschouwd als rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
82 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea van dat artikel vastgestelde voorwaarden beroep kan instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
83 Vervolgens vereist het in artikel 263, vierde alinea, VWEU opgenomen begrip „rechtspersoon” volgens de rechtspraak in beginsel dat er sprake is van rechtspersoonlijkheid, hetgeen moet worden nagegaan op basis van het nationale recht volgens hetwelk de betrokken rechtspersoon is opgericht, maar heeft het niet noodzakelijk dezelfde inhoud als in de verschillende rechtsorden van de lidstaten (zie in die zin arrest van 6 april 2017, Saremar/Commissie, T‑220/14, EU:T:2017:267, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aldus is in de rechtspraak reeds geoordeeld dat bepaalde entiteiten, onafhankelijk van de vraag of zij waren opgericht als rechtspersonen naar nationaal recht, bekwaam waren om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden.
84 Dat was met name het geval wanneer, ten eerste, de betrokken entiteit voor de personen van wie zij de aan het Unierecht ontleende rechten beweerde te verdedigen voldoende representatief was en zij over de nodige autonomie en verantwoordelijkheid beschikte om op te treden in het kader van de door dat recht bepaalde rechtsbetrekkingen en, ten tweede, die entiteit door de instellingen was erkend als gesprekspartner bij onderhandelingen over die rechten (zie in die zin arresten van 8 oktober 1974, Union syndicale – Service public européen e.a./Raad, 175/73, EU:C:1974:95, punten 9‑17, en 8 oktober 1974, Algemeen Vakverbond van het personeel der Europese instellingen/Commissie, 18/74, EU:C:1974:96, punten 5‑13).
85 Dat was eveneens het geval wanneer de instellingen van de Unie die entiteit hadden behandeld als een afzonderlijk subject met eigen rechten en plichten. De samenhang en de billijkheid gebieden immers te erkennen dat een dergelijke entiteit over de bevoegdheid beschikt om in rechte op te treden tegen de maatregelen die haar rechten beperken of tegen de nadelige besluiten die de instellingen jegens haar hebben vastgesteld (zie in die zin arresten van 28 oktober 1982, Groupement des Agences de voyages/Commissie, 135/81, EU:C:1982:371, punten 9‑11; 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punten 107‑112, en 15 juni 2017, Al-Faqih e.a./Commissie, C‑19/16 P, EU:C:2017:466, punt 40).
86 Uit de in de punten 84 en 85 hierboven aangehaalde arresten kan worden afgeleid dat het Hof voor het begrip rechtspersoon geen al te formalistische of rigide aanpak heeft gekozen, maar zijn rechtspraak aan de zeer uiteenlopende omstandigheden van het concrete geval heeft willen aanpassen (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak Raad/Front Polisario, C‑104/16 P, EU:C:2016:677, punt 140). Zoals het Hof recentelijk heeft bevestigd [arrest van 22 juni 2021, Venezuela/Raad (Geraaktheid van een derde staat), C‑872/19 P, EU:C:2021:507, punt 44], mag dat begrip immers niet restrictief worden uitgelegd. Die rechtspraak sluit dus niet uit dat in het licht van andere omstandigheden dan die welke in de betrokken arresten zijn onderzocht, wordt erkend dat een entiteit, onafhankelijk van haar rechtspersoonlijkheid naar nationaal recht, bekwaam is om in rechte op te treden voor de Unierechter, met name indien de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming dat gebieden.
87 Ten slotte kan uit de rechtspraak worden afgeleid dat rechtssubjecten naar internationaal publiekrecht, zoals derde landen, rechtspersonen in de zin van het Unierecht vormen [zie in die zin beschikking van 10 september 2020, Cambodja en CRF/Commissie, T‑246/19, EU:T:2020:415, punten 47, 49 en 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin en naar analogie beschikking van de vicepresident van het Hof van 17 mei 2018, Verenigde Staten van Amerika/Apple Sales International e.a., C‑12/18 P(I), niet gepubliceerd, EU:C:2018:330, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak], hetgeen overigens recentelijk is bevestigd door het Hof [zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Venezuela/Raad (Geraaktheid van een derde staat), C‑872/19 P, EU:C:2021:507, punt 53].
88 In casu wordt niet betwist dat verzoeker geen rechtspersoonlijkheid bezit krachtens het recht van een lidstaat of een derde land. Uit verzoekers toelichting blijkt met name dat hij, gelet op de status van niet-zelfbesturend gebied van de Westelijke Sahara, zich uitsluitend wil beroepen op het internationaal publiekrecht en niet op een of andere nationale rechtsorde. Zijn hoedanigheid van rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, kan dus niet worden vastgesteld ten opzichte van een dergelijke rechtsorde.
89 Wat daarentegen de vraag betreft of verzoeker rechtspersoonlijkheid bezit uit hoofde van het internationaal publiekrecht, verschillen partijen met name van mening over de gevolgen in dat verband van verzoekers rol bij het proces voor zelfbeschikking van de Westelijke Sahara. De Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader voeren aan dat zijn representativiteit ten aanzien van het volk van dat gebied beperkt is tot die rol en dat de VN-organen hem geen andere bevoegdheden op internationaal vlak hebben willen toekennen, zodat zijn rechtspersoonlijkheid, aangezien hij geen staat noch een internationale organisatie is, hem buiten dat proces geen enkele handelingsbevoegdheid verleent. Verzoeker stelt daarentegen dat hij zijn internationale rechtspersoonlijkheid rechtstreeks ontleent aan het recht op zelfbeschikking van dat volk en aan de rol die hem is toebedeeld door diezelfde organen, alsook door andere internationale organisaties, derde landen en de Unie.
90 In het licht van de in de punten 83 tot en met 87 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak inzake het begrip rechtspersoon moet dus worden nagegaan of verzoeker, gelet op de door hem aangevoerde elementen met betrekking tot zijn rol bij het proces voor zelfbeschikking van de Westelijke Sahara, bekwaam is om voor de Unierechter in rechte op te treden.
91 Dienaangaande moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat het Hof in punt 89 van het arrest Raad/Front Polisario, waarop verzoeker zich in het kader van het onderhavige beroep baseert, erop heeft gewezen dat het gewoonterechtelijk zelfbeschikkingsbeginsel deel uitmaakt van de volkenrechtelijke regels die van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de Unie en het Koninkrijk Marokko, en die het Gerecht in aanmerking moest nemen. Het Hof heeft er meer bepaald in punt 105 van dat arrest op gewezen dat het IGH in zijn advies over de Westelijke Sahara had benadrukt dat de bevolking van dat gebied ingevolge het algemene volkenrecht recht op zelfbeschikking toestond, zoals uiteengezet in de punten 90 en 91 van dat arrest. Voorts heeft het gepreciseerd dat de Algemene Vergadering van de VN van haar kant in punt 7 van haar resolutie 34/37 over de kwestie van de Westelijke Sahara in overweging gaf verzoeker „als vertegenwoordiger van de Sahrawi, volledig te betrekken bij het zoeken naar een definitieve, rechtvaardige en duurzame oplossing van het vraagstuk van de Westelijke Sahara” (zie punt 16 hierboven).
92 Uit deze overwegingen blijkt dus dat het volkenrecht aan het volk van de Westelijke Sahara een zelfbeschikkingsrecht toekent waarmee de rechterlijke instanties van de Unie rekening dienen te houden, en dat op basis van dat recht door de Algemene Vergadering van de VN aan verzoeker als vertegenwoordiger van dat volk het recht is verleend om „volledig” te worden betrokken bij het zoeken naar een politieke oplossing voor het vraagstuk van de definitieve status van dat gebied. Bovendien zij eraan herinnerd dat dit recht is bevestigd door resolutie 35/19 (zie punt 16 hierboven) en dat verzoeker het heeft uitgeoefend in het kader van de onder auspiciën van de VN gevoerde onderhandelingen, waaraan het Koninkrijk Marokko en hijzelf deelnemen sinds 1988 (zie punten 17‑19 hierboven).
93 De Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader betwisten in het kader van het onderhavige middel van niet-ontvankelijkheid niet dat verzoeker zijn door de VN-organen toegekende recht om deel te nemen aan het proces voor zelfbeschikking van de Westelijke Sahara, als vertegenwoordiger van het volk van dat gebied, uitoefent.
94 Zoals verzoeker uiteenzet, is hij in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara bovendien een aantal volkenrechtelijke verbintenissen aangegaan. Ten eerste is verzoeker namelijk partij bij een met de Islamitische Republiek Mauritanië gesloten vredesverdrag volgens hetwelk dat land afstand heeft gedaan van alle territoriale aanspraken op dat gebied (zie punt 15 hierboven). Ten tweede zijn verzoeker en het Koninkrijk Marokko tot overeenkomsten gekomen inzake een aantal kwesties met betrekking tot de toepassing van de voorstellen voor een regeling van de secretaris-generaal van de VN, welke door de Veiligheidsraad zijn goedgekeurd bij resolutie 658 (1990). Vastgesteld moet worden dat die organen, zoals verzoeker heeft aangevoerd in repliek en voortvloeit uit de door hem in dit verband aangehaalde briefwisseling en resoluties van de VN-organen, het Koninkrijk Marokko en verzoeker regelmatig wijzen op hun verplichtingen die uit het volkenrecht voortvloeien, en dat zij laatstgenoemde dus met name door de verbintenissen die hij krachtens die overeenkomsten is aangegaan, gebonden achten. Ten derde dient verzoeker, zoals hij ook aangeeft, te voldoen aan de vereisten van het internationale humanitaire recht, die met name zijn verankerd in de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en het op 8 juni 1977 ondertekende aanvullend protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 inzake de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I), waartoe hij is toegetreden op 23 juni 2015.
95 Daarbij komt nog dat de Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader, zoals door verzoeker is aangevoerd, niet betwisten dat hij deelneemt aan de werkzaamheden inzake de kwestie van de Westelijke Sahara van het bijzonder comité inzake dekolonisatie en aan de gezamenlijke werkzaamheden van de Economische Commissie voor Afrika (CEA), die is opgericht binnen de Sociaal-Economische Raad van de VN, en van het gespecialiseerde technisch comité van de Afrikaanse Unie voor financiën, monetaire aangelegenheden, economische planning en integratie.
96 Verzoeker wordt dus op internationaal niveau erkend als vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara, zelfs wanneer wordt aangenomen dat die erkenning, zoals de Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader aanvoeren, te plaatsen is binnen het beperkte kader van het proces voor zelfbeschikking van dat gebied. Zijn betrokkenheid bij dat proces houdt bovendien in dat hij beschikt over de nodige autonomie en verantwoordelijkheid om in dat kader op te treden, hetgeen trouwens wordt bevestigd door zijn aan het dossier toegevoegde statuten.
97 Het is juist dat verzoekers rechten en plichten, zoals de Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader in wezen betogen, niet van dezelfde aard zijn noch dezelfde omvang hebben als die van staten of internationale organisaties, hetgeen door verzoeker overigens niet wordt betwist. Evenwel dient te worden vastgesteld dat zijn bekwaamheid om als vertegenwoordiger van het volk van een niet-zelfbesturend gebied internationale verbintenissen te onderhandelen en aan te gaan in de context van het proces voor zelfbeschikking van de Westelijke Sahara en om deel te nemen aan de werkzaamheden van internationale organisaties met betrekking tot die kwestie een basiselement van rechtspersoonlijkheid vormt (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak Raad/Front Polisario, C‑104/16 P, EU:C:2016:677, punt 146; zie ook in die zin en naar analogie beschikking van 11 december 1973, Générale sucrière e.a./Commissie, 41/73, 43/73–48/73, 50/73, 111/73, 113/73 en 114/73, EU:C:1973:151, punt 3).
98 In de tweede plaats betoogt verzoeker terecht dat de instellingen akte hebben genomen van zijn rol en zijn representativiteit. Het Hof heeft in punt 105 van het arrest Raad/Front Polisario zelf akte genomen van de erkenning van die representativiteit door de Algemene Vergadering van de VN (zie punt 91 hierboven). Daarnaast reikt verzoeker elementen aan waaruit blijkt dat hij omtrent de kwesties inzake de situatie van de Westelijke Sahara regelmatige contacten onderhoudt met de Commissie. Bovendien moet worden opgemerkt dat partijen weliswaar van mening verschillen over de kwalificatie van de contacten die vóór de sluiting van de litigieuze overeenkomst plaatsvonden tussen verzoeker en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), maar er wordt niet betwist dat zij hebben plaatsgevonden op 5 februari 2018 en dat zij met name betrekking hadden op de vraag of de Associatieovereenkomst van toepassing was op producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara. In haar verslag van 11 juni 2018 heeft de Commissie bij de weergave van verzoekers standpunt met betrekking tot de beoogde sluiting van de litigieuze overeenkomst uitdrukkelijk naar die contacten verwezen. Ofschoon verzoeker niet aan de onderhandelingen met betrekking tot de litigieuze overeenkomst heeft deelgenomen, voert hij dus terecht aan dat hij met betrekking tot kwesties die dat gebied kunnen aangaan, door de instellingen van de Unie als legitieme gesprekspartner wordt beschouwd, ook om zijn standpunt uiteen te zetten ten aanzien van de sluiting van de litigieuze overeenkomst.
99 In de derde plaats dient eraan te worden herinnerd dat het Hof in punt 106 van het arrest Raad/Front Polisario heeft geoordeeld dat het volk van de Westelijke Sahara, gelet op de in punt 105 van dat arrest in herinnering gebrachte elementen (zie punt 91 hierboven), moet worden beschouwd als een „derde”, in de zin van het beginsel van de relatieve werking van verdragen die, wanneer de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst het gebied van de Westelijke Sahara omvat, als zodanig kan worden geraakt door de uitvoering van die overeenkomst, zodat voor die uitvoering in elk geval de instemming van dat volk moet worden verkregen.
100 Verzoeker wil met het onderhavige beroep het zelfbeschikkingsrecht van het volk van de Westelijke Sahara verdedigen op grond dat, kort samengevat, het bestreden besluit dat recht niet eerbiedigt doordat het, in strijd met hetgeen het Hof heeft geoordeeld, zonder zijn instemming de sluiting goedkeurt van een overeenkomst met het Koninkrijk Marokko die op dat grondgebied van toepassing is (zie punt 77 hierboven). Derhalve moet worden aangenomen dat de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming in die bijzondere situatie hoe dan ook gebieden dat aan verzoeker de bevoegdheid wordt toegekend om bij het Gerecht beroep in te stellen om dat recht te verdedigen.
101 Gelet op een en ander dient verzoeker te worden aangemerkt als rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, die over de bekwaamheid beschikt om voor de rechterlijke instanties van de Unie in rechte op te treden met het oog op het instellen van het onderhavige beroep. Die bekwaamheid doet niet af aan zijn plicht om aan te tonen dat dit beroep voldoet aan de andere ontvankelijkheidsvoorwaarden, en met name dat hij over de bevoegdheid beschikt om tegen het bestreden besluit op te komen.
102 Aan die slotsom wordt niet afgedaan door de argumenten van de Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader.
103 In de eerste plaats dienen de argumenten waarmee wordt aangevoerd dat verzoeker niet de enige vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara is en dat zijn representativiteit zich beperkt tot het proces voor zelfbeschikking van dat niet-zelfbesturend gebied, hoe dan ook te worden afgewezen aangezien niet wordt betwist dat de VN-organen verzoeker in het kader van dat zelfbeschikkingsproces hebben erkend als vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara. Dat geldt eveneens voor de argumenten die zijn ontleend aan het feit dat hij door de VN-organen niet uitdrukkelijk is omschreven als een beweging voor nationale bevrijding en hem niet de status van waarnemer bij die organen is toegekend. Om dezelfde redenen kan het argument dat zijn rechtspersoonlijkheid hooguit „functioneel” of „transitoir” is, niet anders dan van de hand worden gewezen. Die argumenten zien immers uitsluitend op de grenzen van verzoekers rol en representativiteit, maar doen geen afbreuk aan het bestaan ervan.
104 Wat in de tweede plaats het argument van de Comader betreft dat verzoeker niet onafhankelijk zou zijn ten aanzien van de RASD, dient te worden geconstateerd dat verzoeker het recht om aan het onder auspiciën van de VN gevoerde proces met betrekking tot de definitieve status van dat gebied deel te nemen en verbintenissen aan te gaan, is toegekend in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara en niet van vertegenwoordiger van de RASD. Hoe dan ook blijkt, zoals verzoeker aangeeft, uit de integrale lezing van het door de Comader ter ondersteuning van haar argument gedeeltelijk geciteerde artikel 31 van de „grondwet” van de RASD dat die tekst aan verzoeker een autonomie toekent als politieke organisatie die belast is met het structureren en bevorderen van de strijd voor onafhankelijkheid van dat gebied. Op grond van de door de Comader overgelegde elementen kan dus niet worden aangenomen dat verzoekers banden met de RASD maken dat hij niet over de nodige autonomie en verantwoordelijkheid zou beschikken om in het rechtsverkeer op te treden.
105 In de derde plaats wordt aan verzoekers bekwaamheid om in rechte op te treden niet afgedaan door de aangevoerde omstandigheid dat er geen sprake is van enige vorm van rechtsbetrekking tussen verzoeker en de Unie of tussen verzoeker en de lidstaten waaruit voor verzoeker rechten en plichten voortvloeien en die een vorm van „internationale erkenning” vanwege de Unie of de lidstaten inhoudt.
106 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Unie een rechtsunie is in die zin dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele basishandvest dat in het VEU en het VWEU is belichaamd, en dat een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarbij het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen aan het Hof is opgedragen (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 281 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
107 In casu is het Gerecht aangezocht in het kader van een beroep tot nietigverklaring tegen een Unierechtelijke handeling waarvoor het beslissingsbevoegd is krachtens artikel 256, lid 1, en artikel 263 VWEU. Voorts voert verzoeker aan dat hij als vertegenwoordiger van het volk van de Westelijke Sahara rechtstreeks en individueel door het bestreden besluit wordt geraakt. Ten slotte dienen de instellingen het recht op zelfbeschikking van dat volk, waarvoor verzoeker in het kader van het onderhavige beroep wenst op te komen, te eerbiedigen. In het stadium van het onderzoek van verzoekers bekwaamheid om in rechte op te treden kan derhalve niet worden uitgesloten dat er sprake is van een rechtsbetrekking tussen de Unie en verzoeker, hetgeen dient te worden onderzocht in het kader van de beoordeling of laatstgenoemde rechtstreeks en individueel door het bestreden besluit wordt geraakt. Aan die analyse kan niet worden afgedaan door de verwijzing van de Raad naar punt 22 van de beschikking van 3 april 2008, Landtag Schleswig-Holstein/Commissie (T‑236/06, EU:T:2008:91), die, zoals verzoeker heeft opgemerkt, in casu irrelevant is. Dat punt van die beschikking ziet immers op de hoedanigheid van rechtspersoon, in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, van een lager openbaar lichaam van een lidstaat.
108 Hoe dan ook is in punt 98 hierboven geconstateerd dat de instellingen akte hebben genomen van verzoekers representativiteit en hem voor de kwestie van de Westelijke Sahara behandelen als een legitieme gesprekspartner. De omstandigheid dat geen enkele Uniehandeling tot hem is gericht, is dus niet beslissend bij de beoordeling van zijn bekwaamheid om in rechte op te treden.
109 In de vierde plaats verandert het Gerecht, anders dan de Commissie in wezen aanvoert, door de erkenning van verzoekers bekwaamheid om voor die Unierechtelijke instantie in rechte op te treden, niet in een „quasi-internationale” rechterlijke instelling die kan worden aangezocht door een partij bij een internationaal „conflict”, zelfs wanneer deze niet over rechtspersoonlijkheid beschikt krachtens het recht van een lidstaat of een derde land.
110 Ten eerste is immers reeds in herinnering gebracht dat het onderhavige geding betrekking heeft op een beroep tot nietigverklaring van een Uniehandeling. Het ziet niet op een internationaal „conflict” waarin verzoeker betrokken partij is.
111 Ten tweede mag een internationale overeenkomst of mogen handelingen van een internationale organisatie geen inbreuk maken op de in de Verdragen vastgestelde bevoegdheidsregeling en dus op de autonomie van het rechtsstelsel van de Unie waarvan het Hof krachtens de hem bij artikel 19 VEU verleende exclusieve bevoegdheid de eerbiediging verzekert. Voorts dient erop te worden gewezen dat het Handvest van de VN niet voorschrijft dat de leden van de VN of de regionale organisaties waarvan een aantal van hen deel uitmaken, zoals de Unie, opteren voor een bepaalde methode ter verzekering dat de door de VN-organen vastgestelde resoluties worden geëerbiedigd of in aanmerking worden genomen in hun eigen interne rechtsorde (zie in die zin en naar analogie arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punten 282 en 298).
112 In casu dient verzoeker dus uitsluitend te voldoen aan de eigen ontvankelijkheidsvoorwaarden van het Unierecht, met name aan die welke voortvloeien uit het begrip rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. De erkenning van verzoekers bekwaamheid om in het kader van het onderhavige geding in rechte op te treden leidt er dus geenszins toe dat het Gerecht verandert in een „quasi-internationale” rechterlijke instelling, aangezien die erkenning plaatsvindt in het strikte kader van de uitoefening van de bevoegdheden die door het Unierecht aan die instelling zijn toegewezen.
113 Wat in de vijfde plaats de stelling van de Commissie betreft dat het Gerecht door de erkenning van verzoekers bekwaamheid om in rechte op te treden in de plaats treedt van de instellingen die de externe betrekkingen van de Unie regelen, en een „politieke” beslissing neemt, dient eraan te worden herinnerd dat de uitoefening van de aan de instellingen van de Unie toegewezen bevoegdheden op internationaal vlak echter niet aan rechterlijke toetsing onttrokken kan blijven. De Unierechter mag overwegingen inzake internationaal beleid en opportuniteitsoverwegingen trouwens niet laten prevaleren boven de ontvankelijkheidsvoorschriften van artikel 263, vierde alinea, VWEU, omdat hij anders zijn bevoegdheden zou overschrijden (zie in die zin en naar analogie beschikking van 25 september 2019, Magnan/Commissie, T‑99/19, EU:T:2019:693, punten 34 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Uit een en ander volgt dat het middel van niet-ontvankelijkheid van de Raad dat is ontleend aan verzoekers gebrek aan bekwaamheid om in rechte op te treden, moet worden afgewezen.
2. Geldigheid van de door verzoeker aan zijn advocaat verleende volmacht
115 De Comader twijfelt aan de geldigheid van de door verzoeker aan zijn advocaat verleende volmacht. Zij vraagt zich namelijk af of die volmacht rechtsgeldig kan worden ondertekend door verzoekers „politiek secretaris”, zoals dat in casu het geval is. Voorts wordt in het door verzoeker overgelegde uittreksel van zijn statuten geen melding gemaakt van de functie van „politiek secretaris” Zij verzoekt het Gerecht om de wettigheid van die volmacht na te gaan. Zij voert aan dat het beroep anders niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.
116 Verzoeker heeft op een vraag dienaangaande in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van 17 december 2020 ten eerste geantwoord dat hij geen „privaatrechtelijke rechtspersoon” is in de zin van artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering. Ten tweede betoogt hij dat alle beroepen die hij sinds 2012 heeft ingesteld, zijn ingesteld met gebruikmaking van door zijn „politiek secretaris” ondertekende volmachten zonder dat de geldigheid van die volmachten ooit in twijfel is getrokken. Ten derde is het „secretariaat van de politieke organisatie”, aan het hoofd waarvan de ondertekenaar van de volmacht staat, een van de „belangrijkste structuren van het Front” en wordt het geregeld in de artikelen 119 tot en met 130 van zijn statuten. Ten vierde worden die ondertekenaar en zijn functies perfect geïdentificeerd in documenten die online beschikbaar zijn. Uit al die elementen vloeit voort dat er overeenkomstig de rechtspraak geen enkele onduidelijkheid bestaat over verzoekers bedoeling om het onderhavige beroep in te stellen. Ter ondersteuning van die argumenten verstrekt verzoeker de integrale tekst van zijn statuten, die zijn goedgekeurd tijdens zijn veertiende congres, dat heeft plaatsgevonden van 16 tot en met 23 december 2015, alsook de online beschikbare documenten waarnaar hij verwijst.
117 Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat de Unierechter middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, ambtshalve in behandeling dient te nemen, zelfs wanneer zij voor het eerst door een interveniënt zijn aangevoerd (zie naar analogie arrest van 14 april 2005, Sniace/Commissie, T‑88/01, EU:T:2005:128, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Dienaangaande kan er ten eerste aan worden herinnerd dat verzoeker geen privaatrechtelijke rechtspersoon is die is opgericht krachtens het recht van een lidstaat of een derde land (zie punt 88 hierboven).
119 Zoals voortvloeit uit de punten 91 tot en met 114 hierboven, beschikt verzoeker bovendien over de bekwaamheid om als rechtspersoon in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU voor de Unierechter in rechte op te treden.
120 In herinnering dient te worden gebracht dat de bepalingen van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, met name die betreffende privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals artikel 51, lid 3, en artikel 78, lid 4, van dat Reglement, niet zijn geformuleerd met het oog op het instellen van beroep door organisaties die geen rechtspersoonlijkheid hebben krachtens het nationale recht. In die situatie dienen de procedurele regels betreffende de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring te worden toegepast, waarbij zij voor zover nodig worden aangepast aan de omstandigheden van het concrete geval (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 114).
121 Ten tweede dient er hoe dan ook op te worden gewezen dat advocaten op grond van artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering ertoe gehouden zijn om, wanneer zij een privaatrechtelijke rechtspersoon vertegenwoordigen, ter griffie een door deze rechtspersoon verleende volmacht neer te leggen. Het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorziet voor privaatrechtelijke rechtspersonen daarentegen niet in de verplichting om aan te tonen dat de aan de advocaat verleende volmacht regelmatig is opgesteld door een daarvoor bevoegde vertegenwoordiger.
122 Wil het beroep van een entiteit ontvankelijk zijn, dient zij evenwel niet alleen aan te tonen dat zij bekwaam is om in rechte op te treden, maar ook dat zij werkelijk heeft beslist om het beroep in te stellen en dat de advocaten die stellen haar te vertegenwoordigen daadwerkelijk volmacht daartoe hebben gekregen (zie in die zin arrest van 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a., C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923, punt 57).
123 In casu is de door verzoeker aan de advocaat verleende volmacht, die is overgelegd ter voldoening aan artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, afgegeven namens verzoeker en op 12 april 2019 ondertekend door A, die wordt aangeduid als „politiek secretaris” van die organisatie.
124 Dienaangaande moet er om te beginnen op worden gewezen dat verzoekers organen die voor de beslissing over het instellen van het beroep bevoegd zijn, per definitie niet kunnen worden geïdentificeerd op basis van een of ander nationaal recht, aangezien verzoeker niet onder een dergelijk recht valt. Voorts is ter zake geen enkele Unieregeling vastgesteld (zie in die zin arrest van 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a., C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, punt 58). Die vraag dient dan ook uitsluitend te worden beantwoord op grond van de statuten van die organisatie, die verzoeker in het kader van zijn antwoord van 25 januari 2021 op de vragen van het Gerecht aan het dossier heeft toegevoegd.
125 Allereerst dient de uitdrukking „politiek secretaris” blijkens verzoekers toelichting en de ter ondersteuning toegevoegde documenten, waarvan de inhoud niet ter discussie staat, te worden opgevat als de persoon die aan het hoofd staat van het orgaan dat in zijn statuten wordt aangeduid als „secretariaat van de politieke organisatie”. Voorts wordt evenmin betwist, zoals overigens uitdrukkelijk uit die documenten blijkt, dat de persoon die de door verzoeker aan de advocaat verleende volmacht heeft ondertekend, daadwerkelijk de functie van verzoekers „politiek secretaris” bekleedde op het moment waarop het beroep is ingesteld.
126 Vervolgens heeft het nationaal secretariaat, dat overeenkomstig artikel 76 van verzoekers statuten „in de periode tussen twee congressen” zijn „hoogste orgaan” is, volgens artikel 92, punt 7, van die statuten, onder meer als taak om „het Front te vertegenwoordigen in zijn betrekkingen met politieke partijen, regeringen, bevrijdingsbewegingen en andere organisaties”. Volgens artikel 120 van die statuten „[zorgt] het secretariaat van de politieke organisatie [...] voor de uitvoering en de monitoring van de besluiten en de programma’s van het nationaal secretariaat en zijn bureau die verband houden met de aard en de taken van de politieke organisatie”.
127 Uit die artikelen van verzoekers statuten kan, zoals laatstgenoemde ter terechtzitting heeft bevestigd, dus worden afgeleid dat de uitvoering van de besluiten van het nationaal secretariaat in zijn betrekkingen met regeringen en andere organisaties, onder meer met de Unie, onder de bevoegdheid kan vallen van het secretariaat van de politieke organisatie en dat A om die reden bevoegd was om de volmacht van verzoekers advocaat te ondertekenen.
128 Het is juist dat de Comader ter terechtzitting heeft aangevoerd dat de rol van „politiek secretaris” als vertegenwoordiger bij internationale organisaties, zoals de Unie, en bij rechterlijke instanties, zoals het Gerecht, niet blijkt uit de in de artikelen 122 en 131 van verzoekers statuten opgesomde taken van het secretariaat van de politieke organisatie en dat die rol veeleer onder de exclusieve bevoegdheid lijkt te vallen van het nationaal secretariaat.
129 Evenwel dient er ten eerste op te worden gewezen dat de identificatie van verzoekers organen die bevoegd zijn om te beslissen over het instellen van het beroep, zoals reeds is aangegeven, niet afhangt van regels van een of andere nationale rechtsorde. Bovendien moet rekening worden gehouden met de aard van die organisatie, die niet is opgericht volgens de rechtsregels die gewoonlijk gelden voor een in het kader van een dergelijke rechtsorde opgerichte privaatrechtelijke of publiekrechtelijke persoon (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 121). Ten tweede wordt door artikel 120 van de statuten aan het secretariaat van de politieke organisatie de bevoegdheid verleend om de besluiten en de programma’s van het nationaal secretariaat uit te voeren en op te volgen, en blijkt uit de artikelen 122 en 131 van die statuten niet dat de in die artikelen opgenomen opsomming van zijn taken een uitputtend karakter heeft.
130 Uit die overwegingen dient daarom te worden afgeleid dat A, verzoekers „politiek secretaris”, in casu bevoegd was om de beslissing van het „hoogste orgaan” van laatstgenoemde, te weten het nationaal secretariaat, tot instelling van het onderhavige beroep, uit te voeren.
131 Bovendien kan worden opgemerkt dat verzoekers advocaat, die lid is van de balie van een van de lidstaten en als zodanig is onderworpen aan gedragsregels, in antwoord op vragen van het Gerecht, op 25 januari 2021 heeft verklaard dat verzoeker „wel degelijk de bedoeling had [gehad] om het [beroep] in te stellen” en dat „hij 100 % vastberaden [was] om de arresten van het Hof daadwerkelijk te doen naleven”, hetgeen hij ter terechtzitting heeft bevestigd (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 119).
132 Uit een en ander volgt dat de twijfels van de Comader omtrent de geldigheid van de door verzoeker aan zijn advocaat verleende volmacht, van de hand moeten worden gewezen.
3. Tweede middel van niet-ontvankelijkheid van de Raad, ontleend aan verzoekers gebrek aan procesbevoegdheid
133 In het kader van het tweede middel van niet-ontvankelijkheid betoogt de Raad, ondersteund door de Franse Republiek, de Commissie en de Comader, dat verzoeker, die geen adressaat van het bestreden besluit is, noch rechtstreeks noch individueel erdoor wordt geraakt.
134 Verzoeker van zijn kant stelt dat hij rechtstreeks en individueel door het bestreden besluit wordt geraakt omdat de litigieuze overeenkomst van toepassing is op de Westelijke Sahara en daardoor het volk van dat gebied raakt.
135 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat een handeling als het bestreden besluit, waarmee een door de Unie gesloten internationale overeenkomst wordt goedgekeurd, volgens vaste rechtspraak vatbaar is voor beroep (zie in die zin arresten van 9 augustus 1994, Frankrijk/Commissie, C‑327/91, EU:C:1994:305, punten 14‑17, en 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punten 285‑289, en arrest Western Sahara Campaign UK, punten 45‑51). Een besluit tot sluiting van een internationale overeenkomst vormt immers een „handeling” in de zin van artikel 263 VWEU, welk begrip ziet op alle door de instellingen vastgestelde bepalingen, ongeacht de vorm ervan, die tot doel hebben bindende rechtsgevolgen tot stand te brengen (zie in die zin beschikking van 19 maart 2019, Shindler e.a./Raad, C‑755/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:221, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
136 Voorts zij eraan herinnerd dat artikel 263 VWEU een duidelijk onderscheid maakt tussen het recht op beroep van de instellingen van de Unie en de lidstaten en dat van natuurlijke en rechtspersonen. Zo is het voor de instellingen en de lidstaten krachtens artikel 263, tweede alinea, VWEU weliswaar mogelijk om met een beroep tot nietigverklaring de wettigheid van elke „handeling” in de zin van dat artikel aan te vechten zonder dat een procesbelang of -bevoegdheid behoeft te worden aangetoond, maar wordt in de vierde alinea van het betrokken artikel bepaald dat natuurlijke en rechtspersonen beroep kunnen instellen tegen handelingen die tot hen gericht zijn of die hen rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hen rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen (zie arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin beschikking van 19 maart 2019, Shindler e.a./Raad, C‑755/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:221, punten 38 en 39).
137 In casu is noch het bestreden besluit noch de litigieuze overeenkomst gericht tot verzoeker.
138 Dienaangaande zij erop gewezen dat de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten een bijzondere positie innemen in de rechtsorde van de Unie aangezien dergelijke overeenkomsten ingevolge artikel 216, lid 2, VWEU verbindend zijn voor de instellingen van de Unie en zij bijgevolg van hogere rang zijn dan de handelingen van de Unie, en meer bepaald de wetgevingshandelingen (zie in die zin arrest van 18 maart 2014, Z., C‑363/12, EU:C:2014:159, punten 71 en 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts dient te worden benadrukt dat de specifieke voorschriften voor de vaststelling – op grond van artikel 218, lid 6, onder a), i), VWEU – van het bestreden besluit de goedkeuring door het Europees Parlement vereisen en dus op extern niveau de bevoegdheidsverdeling tussen het Parlement en de Raad weerspiegelen die geldt voor de vaststelling op intern niveau van wetgevingshandelingen (zie in die zin arrest van 24 juni 2014, Parlement/Raad, C‑658/11, EU:C:2014:2025, punt 55).
139 Aan verzoekers beroep tegen het bestreden besluit kunnen dus geen minder strikte ontvankelijkheidsvoorwaarden worden gesteld dan die welke gelden voor een beroep tegen wetgevingshandelingen, die niet in aanmerking komen voor de in artikel 263, vierde alinea, derde zinsdeel, VWEU bedoelde versoepeling van die voorwaarden aangezien het begrip regelgevingshandeling in de zin van dat zinsdeel dergelijke handelingen juist uitsluit (zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 60 en 61, en 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punten 23, 24 en 28).
140 Verzoeker, die dit overigens niet betwist, moet dus aantonen dat hij door het bestreden besluit rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Om te beginnen dient verzoekers rechtstreekse geraaktheid te worden onderzocht.
a) Verzoekers rechtstreekse geraaktheid
141 De Raad betoogt dat verzoeker niet voldoet aan de in de rechtspraak neergelegde criteria om vast te stellen of een natuurlijke of rechtspersoon door de betreden handeling rechtstreeks wordt geraakt. Dienaangaande voert hij aan dat de bestreden handeling niet tot verzoeker is gericht en voor hem geen rechtsgevolgen sorteert. Het bestreden besluit sorteert volgens de Raad namelijk slechts rechtsgevolgen voor de Unie of haar instellingen en niet voor derden. Tevens stelt hij zich op het standpunt dat de gevolgen van het bestreden besluit zich niet uitstrekken tot buiten het toepassingsgebied van de verdragen. Voorts voert hij aan dat het Gerecht, door zich voor de vaststelling van verzoekers rechtstreekse geraaktheid te baseren op de gevolgen van de litigieuze overeenkomst voor een buiten de Unie gelegen gebied, zich zou moeten uitspreken over de wettigheid van rechten en plichten van het Koninkrijk Marokko die voortvloeien uit die overeenkomst waarmee dat derde land vrij en soeverein heeft ingestemd, en bijgevolg zijn bevoegdheden te buiten zou gaan. In dupliek voegt de Raad daaraan toe dat de litigieuze overeenkomst, gesteld dat het bestreden besluit gevolgen sorteert buiten het grondgebied van de Unie, uitsluitend de ondernemingen kan raken die in de betrokken economische sectoren actief zijn.
142 Verzoeker van zijn kant betoogt dat dat hij voldoet aan de twee criteria waaraan moet zijn voldaan ter vervulling van de voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid. Ten eerste leidt hij uit het arrest Raad/Front Polisario namelijk af dat aangezien met het bestreden besluit een overeenkomst wordt gesloten die het gebied van de Westelijke Sahara en de natuurlijke rijkdommen ervan uitdrukkelijk binnen de werkingssfeer ervan brengt zonder dat het volk van dat gebied daarmee heeft ingestemd, dit volk in zijn hoedanigheid van derde ten aanzien van die overeenkomst er rechtstreeks door wordt geraakt. Alleen al daardoor brengt die overeenkomst gevolgen teweeg voor zijn rechtspositie als enige vertegenwoordiger van dat volk. Ten tweede betoogt hij dat aangezien de overeenkomst louter de uitbreiding van het geografische gebied waarop de tariefpreferenties van toepassing zijn tot doel heeft, de uitvoering ervan zuiver automatisch geschiedt en geen andere uitvoeringsbepalingen vereist.
143 Het betoog van de Franse Republiek, de Commissie en de Comader komt in wezen overeen met dat van de Raad.
144 Vooraf zij eraan herinnerd dat uit vaste rechtspraak volgt dat ter vervulling van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU opgenomen voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door het besluit waartegen beroep wordt ingesteld, aan twee cumulatieve criteria moet zijn voldaan. In de eerste plaats moet de bestreden Unierechtelijke maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de particulier. In de tweede plaats mag aan de adressaten ervan die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid worden gelaten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (zie arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikking van 6 maart 2012, Northern Ireland Department of Agriculture and Rural Development/Commissie, T‑453/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:106, punt 42).
145 Derhalve dient afzonderlijk te worden onderzocht of verzoeker aan elk van die twee criteria voldoet.
1) Naleving door verzoeker van het eerste criterium voor rechtstreekse geraaktheid, volgens hetwelk de bestreden maatregel rechtstreekse gevolgen moet hebben voor zijn rechtspositie
146 Wat de naleving van het eerste criterium voor rechtstreekse geraaktheid betreft, kan uit het betoog van de Raad, de Franse Republiek, de Commissie en de Comader worden afgeleid dat hun betwisting van het bestaan van rechtstreekse gevolgen van het bestreden besluit voor verzoekers rechtspositie in wezen uit drie onderdelen bestaat. Het eerste onderdeel is gebaseerd op de intrinsieke rechtsgevolgen van een besluit tot sluiting namens de Unie van een internationale overeenkomst. Het tweede houdt verband met de specifieke rechtsgevolgen van het bestreden besluit in het licht van de territoriale toepassing ervan. Het derde betreft het feit dat verzoekers rechtspositie, aangezien zijn rol beperkt is tot de deelname aan het proces voor zelfbeschikking van de Westelijke Sahara, niet wijzigt.
i) Eerste onderdeel van het betoog van de Raad, betreffende de intrinsieke rechtsgevolgen van een besluit tot sluiting namens de Unie van een internationale overeenkomst
147 De Raad, ondersteund door de Franse Republiek, betoogt in wezen dat een besluit tot sluiting, namens de Unie, van een internationale overeenkomst geen gevolgen sorteert voor derden en dat de gestelde gevolgen van de litigieuze overeenkomst voor verzoeker niet kunnen worden aangevoerd om aan te tonen dat zijn rechtspositie door dat besluit wordt geraakt. Voorts betoogt de Raad, in wezen ondersteund door de Franse Republiek, de Commissie en de Comader, dat een dergelijk besluit nergens anders dan in de Unie rechtsgevolgen kan sorteren.
148 Verzoeker van zijn kant voert aan dat het bestreden besluit, doordat daarmee de litigieuze overeenkomst wordt gesloten, niet los kan worden gezien van die overeenkomst omdat een dergelijke handeling, waartegen kan worden opgekomen, anders wordt onttrokken aan wettigheidstoetsing door de rechter, en daarnaast dat met het bestreden besluit een overeenkomst wordt gesloten waarvan de werkingssfeer het grondgebied van de Westelijke Sahara en de natuurlijke rijkdommen ervan uitdrukkelijk omvat. Ten slotte voert hij aan dat de geraaktheid van het volk van de Westelijke Sahara hoe dan ook voortvloeit uit het Unierecht, aangezien de eigen en onderscheiden status van het gebied van de westelijke Sahara geweld wordt aangedaan door de invoering op het grondgebied van de Unie van producten van oorsprong uit dat gebied met certificaten van Marokkaanse oorsprong
149 Dienaangaande moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat een besluit tot sluiting van een internationale overeenkomst, dat is gebaseerd op artikel 218, lid 6, VWEU, niet mag worden verward met de op grondslag van artikel 218, leden 3 en 4, VWEU vastgestelde besluiten, die verband houden met het voeren van internationale onderhandelingen en dus in beginsel slechts rechtsgevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten alsmede tussen de instellingen van de Unie onderling (zie beschikking van 8 februari 2019, Front Polisario/Raad, T‑376/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:77, punten 28 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
150 Een besluit tot sluiting van een internationale overeenkomst belichaamt immers de instemming van de Unie om door die overeenkomst te worden gebonden [zie in die zin advies 2/00 (Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid) van 6 december 2001, EU:C:2001:664, punt 5]. Het vormt dus net als de handeling waarbij de andere partijen zelf tot de betrokken overeenkomst zijn toegetreden, een bestanddeel van die overeenkomst [zie in die zin en naar analogie advies 1/13 (Toetreding van derde landen tot het Haags Verdrag) van 14 oktober 2014, EU:C:2014:2303, punt 39‑41 en 65]. Dat besluit sorteert dus rechtsgevolgen voor die partijen, aangezien het de aanvaarding door de Unie van de verbintenissen die zij in het kader van de betrokken overeenkomst jegens die partijen is aangegaan, formeel vastlegt.
151 Voorts kan een internationale overeenkomst overeenkomstig de in artikel 29 van het Verdrag van Wenen neergelegde gewoonteregel bij wijze van uitzondering op de algemene regel dat een dergelijke handeling elke partij daarbij ten opzichte van haar gehele grondgebied bindt, een staat binden ten aanzien van een ander gebied indien een dergelijke bedoeling blijkt uit die overeenkomst of anderszins is aangetoond. In die context kan een dergelijke overeenkomst gevolgen hebben voor een derde in de zin van het algemeen volkenrechtelijk beginsel van de relatieve werking van verdragen, die met die overeenkomst moet instemmen (zie in die zin arrest Raad/Front Polisario, punten 94, 98, 103 en 106).
152 Gelet op het feit dat een dergelijke internationale overeenkomst en het besluit tot sluiting van die overeenkomst namens de Unie onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, zijn de gevolgen van de uitvoering van die overeenkomst voor de rechtspositie van die derde bijgevolg relevant om te beoordelen of laatstgenoemde of zijn vertegenwoordiger rechtstreeks wordt geraakt door dat besluit.
153 Hieruit volgt dat de Raad ten onrechte betoogt dat het bestreden besluit naar zijn aard uitsluitend gevolgen sorteert voor de Unie en haar instellingen. Om dezelfde redenen dient het door de Franse Republiek aangevoerde argument te worden afgewezen dat het bestreden besluit op zich geen rechtsgevolgen voor verzoeker teweegbrengt omdat het als zodanig niet volstaat om de litigieuze overeenkomst in werking te doen treden, waarvoor immers ratificatie volgens de toepasselijke procedures is vereist. Bij die opvatting wordt er, zoals verzoeker aanvoert, immers van uitgegaan dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en de litigieuze overeenkomst van elkaar kunnen worden gescheiden. Om de in de punten 149 tot en met 152 hierboven uiteengezette redenen is dat uitgangspunt evenwel onjuist.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 juni 2021, C-872/19, ECLI:EU:C:2021:507
- HvJ EU 5 november 2019, C-663/17, ECLI:EU:C:2019:923
- Gerecht EU 20 september 2019, T-65/18, ECLI:EU:T:2019:649
- HvJ EU 20 november 2018, C-626/15, ECLI:EU:C:2018:925
- HvJ EU 6 november 2018, C-622/16, ECLI:EU:C:2018:873
- HvJ EU 4 september 2018, C-244/17, ECLI:EU:C:2018:662
- Gerecht EU 13 juli 2018, T-751/16, ECLI:EU:T:2018:475
- HvJ EU 27 februari 2018, C-266/16, ECLI:EU:C:2018:118
- Gerecht EU 23 november 2017, T-140/15, ECLI:EU:T:2017:830
- HvJ EU 12 september 2017, C-589/15, ECLI:EU:C:2017:663
- HvJ EU 15 juni 2017, C-19/16, ECLI:EU:C:2017:466
- HvJ EU 30 mei 2017, C-45/15, ECLI:EU:C:2017:402
- Gerecht EU 6 april 2017, T-220/14, ECLI:EU:T:2017:267
- HvJ EU 21 december 2016, C-104/16, ECLI:EU:C:2016:973
- HvJ EU 23 november 2016, C-673/13, ECLI:EU:C:2016:889
- HvJ EU 28 januari 2016, C-283/14, ECLI:EU:C:2016:57
- Gerecht EU 10 december 2015, T-512/12, ECLI:EU:T:2015:953
- HvJ EU 28 april 2015, C-28/12, ECLI:EU:C:2015:282
- HvJ EU 24 juni 2014, C-658/11, ECLI:EU:C:2014:2025
- HvJ EU 18 maart 2014, C-363/12, ECLI:EU:C:2014:159