HvJ EU 18 oktober 2018, C-145/17, ECLI:EU:C:2018:839
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
18 oktober 2018 ( *1 )
„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China of verzonden uit Maleisië – Strijdigheid met de in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gesloten antidumping-overeenkomst – Intrekking van reeds ontvangen definitieve antidumpingrechten – Geen terugwerkende kracht – Artikel 263, vierde alinea, VWEU – Individueel geraakte persoon – Regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt”
In zaak C‑145/17 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 maart 2017,
Internacional de Productos Metálicos SA, gevestigd te Vitoria-Gasteiz (Spanje), vertegenwoordigd door C. Cañizares Pacheco, E. Tejedor de la Fuente en A. Monreal Lasheras, abogados,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland, M. França en G. Luengo als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, vicepresident, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, J.‑C. Bonichot, E. Regan, C. G. Fernlund en S. Rodin (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Tanchev,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Internacional de Productos Metálicos SA om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 25 januari 2017, International de Productos Metálicos/Commissie (T‑217/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:37; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht haar beroep strekkende tot nietigverklaring van artikel 2 van uitvoeringsverordening (EU) 2016/278 van de Commissie van 26 februari 2016 tot intrekking van het definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië (PB 2016, L 52, blz. 24; hierna: „litigieuze verordening”), heeft verworpen.
Toepasselijke bepalingen
2 Bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1), heeft de Raad van de Europese Unie de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994, alsmede de in de bijlagen 1 tot en met 3 bij deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten goedgekeurd, waaronder de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 1 blz. 11) en de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „WTO-antidumpingovereenkomst”).
3 Op 26 januari 2009 heeft de Raad verordening (EG) nr. 91/2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 29, blz. 1) vastgesteld.
4 Op 28 juli 2011 heeft het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (hierna: „orgaan”) het rapport van de beroepsinstantie en het rapport van het panel, zoals gewijzigd bij het rapport van de beroepsinstantie, in de zaak „European Communities – Definitive Anti-Dumping Measures on Certain Iron or Steel Fasteners from China” (Europese Gemeenschappen – Definitieve antidumpingmaatregelen voor bepaalde ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China) (WT/DS 397) goedgekeurd. In deze rapporten werd onder meer vastgesteld dat de Europese Unie zich niet had gehouden aan bepaalde regels van de WTO-antidumpingovereenkomst.
5 Na deze beslissing van het orgaan heeft de Raad op 4 oktober 2012 uitvoeringsverordening (EU) nr. 924/2012 tot wijziging van verordening nr. 91/2009 (PB 2012, L 275, blz. 1) vastgesteld die, met name, voorzag in een verlaging van het bij die laatste verordening vastgestelde antidumpingrecht.
6 Bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011 van de Raad van 18 juli 2011 tot uitbreiding van het bij verordening nr. 91/2009 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië (PB 2011, L 194, blz. 6), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 693/2012 van de Raad van 25 juli 2012 (PB 2012, L 203, blz. 23), werden de antidumpingmaatregelen uitgebreid tot de invoer van bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië.
7 Naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, dat is verricht overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51), heeft de Europese Commissie bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/519 van 26 maart 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009 (PB 2015, L 82, blz. 78), het antidumpingrecht, zoals vastgesteld en gewijzigd bij respectievelijk verordening nr. 91/2009 en uitvoeringsverordening nr. 924/2012, voor een extra periode van vijf jaar gehandhaafd.
8 Bij beslissing van 12 februari 2016 heeft het orgaan nieuwe rapporten goedgekeurd die tot de slotsom komen dat de door de Unie bij uitvoeringsverordening nr. 924/2012 genomen maatregelen niet in overeenstemming waren met bepaalde regels van de WTO-antidumpingovereenkomst.
Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze verordening
9 Internacional de Productos Metálicos is een vennootschap naar Spaans recht die als voornaamste activiteit heeft de invoer en levering op het nationale grondgebied van ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen.
10 Overeenkomstig verordening nr. 91/2009 en uitvoeringsverordening nr. 924/2012 heeft de Spaanse belastingdienst aan rekwirante betaling opgelegd van douanerechten, antidumpingrechten en belasting over de toegevoegde waarde (btw), verhoogd met vertragingsrechte, voor een bedrag van 672934,20 EUR.
11 Deze heffingen zijn door rekwirante gedeeltelijk betwist bij de Spaanse rechterlijke instanties.
12 Op 26 februari 2016 heeft de Commissie op grondslag van verordening (EU) 2015/476 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 inzake de maatregelen die de Unie kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen (PB 2015, L 83, blz. 6), de litigieuze verordening vastgesteld.
13 Artikel 1 van de litigieuze verordening trekt de bij verordening nr. 91/2009 ingestelde, bij uitvoeringsverordening nr. 924/2012 gewijzigde en bij uitvoeringsverordening 2015/519 gehandhaafde antidumpingrechten in.
14 Volgens artikel 2 van de litigieuze verordening wordt de intrekking van de in artikel 1 van deze verordening bedoelde antidumpingrechten van kracht op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening zoals in artikel 3 ervan is bepaald en geeft zij geen aanleiding tot de terugbetaling van voor die datum ingevorderde rechten.
Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 mei 2016, heeft rekwirante beroep ingesteld tegen de litigieuze verordening, waarbij zij, ten eerste, nietigverklaring van artikel 2 van deze verordening vorderde en, ten tweede, uitdrukkelijke erkenning van de retroactieve toepassing van de gevolgen van artikel 1 van deze verordening.
16 Na eerst, in punt 21 van de bestreden beschikking, die tweede vordering kennelijk niet-ontvankelijk te hebben verklaard, heeft het Gerecht zich vervolgens in het licht van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden uitgesproken over het door de Commissie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het beroep.
17 Hiertoe is het Gerecht in de punten 26 tot en met 33 van de bestreden beschikking nagegaan of rekwirante individueel was geraakt door de litigieuze verordening in de zin van deze bepaling.
18 Daar het Gerecht met name van oordeel was dat deze verordening rekwirante slechts raakte in haar objectieve hoedanigheid van invoerder van producten waarop de betrokken antidumpingmaatregelen van toepassing waren, zonder rekening te houden met haar individuele situatie, heeft het geoordeeld dat rekwirante niet individueel werd geraakt door de voornoemde verordening.
19 In de punten 34 tot en met 37 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht vervolgens het bestaan van maatregelen ter uitvoering van de litigieuze verordening onderzocht.
20 Op grond van de overweging dat het door het Unierecht ingestelde douanestelsel bepaalt dat de inning van antidumpingrechten gebeurt op basis van door de nationale autoriteiten vastgestelde maatregelen en dat het rechtsmiddel tegen deze maatregelen moet worden ingesteld, zoals in casu, op nationaal niveau, was het Gerecht van oordeel dat de litigieuze verordening uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
21 Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusies van partijen
22 Rekwirante verzoekt het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht opdat het uitspraak doet over de bij artikel 2 van de litigieuze verordening bepaalde beperking in de tijd, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.
23 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
Eerste middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwirante niet individueel werd geraakt door de litigieuze verordening
Argumenten van partijen
24 Met haar eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zij niet individueel was geraakt door de litigieuze verordening in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
25 In dit verband voert rekwirante aan dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat, wanneer een verordening een bepaalde groep personen raakt, deze personen door deze verordening individueel kunnen worden geraakt wegens feitelijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de vaststelling van deze verordening.
26 Hoewel het Gerecht in punt 30 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de litigieuze verordening haar raakte in haar objectieve hoedanigheid van invoerder van producten waarop de betrokken antidumpingmaatregelen van toepassing waren, zonder rekening te houden met haar individuele situatie, omvat het feit dat rekwirante op die manier wordt geraakt, haars inziens impliciet maar noodzakelijkerwijs het feit dat zij individueel wordt geraakt.
27 In casu is derhalve voldaan aan de voorwaarde van individuele geraaktheid, daar de betrokken antidumpingrechten niet alle invoerders raken, maar slechts diegenen die de uitdrukkelijk in verordening nr. 91/2009 omschreven middelen, met een specifieke oorsprong, te weten China of Maleisië, invoeren.
28 Als rekwirante objectief is geraakt door de intrekking van het betrokken antidumpingrecht, is het bijgevolg zeker dat zij ook individueel is geraakt, gelet op de haar eigen hoedanigheden als invoerder van bepaalde producten die afkomstig zijn uit China of Maleisië.
29 Rekwirante betwist daarnaast de door het Gerecht in punt 31 van de bestreden beschikking gedane vaststelling dat de bestreden bepaling van de litigieuze verordening niet als zodanig tot gevolg had dat enig door rekwirante vóór de vaststelling van deze verordening verworven recht werd aangetast.
30 De rechtspraak waarop het Gerecht in dit verband steunt, kan niet worden toegepast op het geval van intrekking van verplichtingen. Er is immers sprake van een individueel geraakte persoon wanneer de bestreden bepaling of handeling tot gevolg heeft dat een door de verzoekende partij vóór de vaststelling van de bestreden verordening verworven recht of verplichting wordt aangetast.
31 Volgens de Commissie moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Beoordeling door het Hof
32 Allereerst zij in herinnering gebracht dat voor de ontvankelijkheid van een beroep van een natuurlijke persoon of rechtspersoon tegen een handeling die niet tot hem is gericht, krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, de voorwaarde geldt dat hij procesbevoegdheid heeft, wat in twee situaties het geval is. Ten eerste kan hij een dergelijk beroep instellen indien deze handeling hem rechtstreeks en individueel raakt. Ten tweede kan hij beroep instellen tegen een regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, indien deze hem rechtstreeks raakt (zie met name arresten van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 59 en 91, en 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 39).
33 Met haar eerste middel trekt rekwirante de analyse in twijfel die het Gerecht in de punten 26 tot en met 33 van de bestreden beschikking in het kader van het onderzoek van de eerste situatie heeft gegeven met betrekking tot de voorwaarde van de individuele geraaktheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
34 In dat verband zij eraan herinnerd dat uit vaste rechtspraak volgt dat andere personen dan de adressaten van een beslissing slechts kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt, indien deze beslissing hen raakt uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (arresten van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 72, en 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 63).
35 Zoals het Gerecht in punt 28 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, blijkt eveneens uit vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, wanneer deze toepasselijkheid wordt bepaald op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arresten van 19 december 2013, Telefónica/Commissie, C‑274/12 P, EU:C:2013:852, punt 47, en 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 88).
36 Hoewel het juist is, zoals het Gerecht in punt 29 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, dat, wanneer een handeling een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld, waren of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van de groep, deze personen niettemin door deze handeling individueel kunnen zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers, en dit kan met name het geval zijn wanneer het besluit de rechten aantast die de particulier vóór de vaststelling ervan heeft verworven (zie in die zin arresten van 13 maart 2008, Commissie/Infront WM, C‑125/06 P, EU:C:2008:159, punten 71 en 72, en 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C‑132/12 P, EU:C:2014:100, punt 59), is in casu aan deze voorwaarden niet voldaan.
37 Voor zover rekwirante betoogt, ten eerste, dat de door de litigieuze verordening ingetrokken antidumpingmaatregelen alleen de invoerders van de door die maatregelen specifiek bedoelde producten raken, bevestigt zij immers slechts de vaststelling in punt 30 van de bestreden beschikking dat deze verordening haar slechts raakt in haar objectieve hoedanigheid van invoerder van producten waarop de betrokken antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, zonder rekening te houden met haar individuele situatie.
38 In het bijzonder kan, gelet op vaste rechtspraak met betrekking tot de voorwaarde van de individuele geraaktheid, zoals in herinnering gebracht in de punten 34 tot en met 36 van het onderhavige arrest, klaarblijkelijk niet worden betoogd dat in het geval van aantasting van een objectieve situatie aan een dergelijke voorwaarde is voldaan.
39 Voor zover rekwirante, ten tweede, de in punt 31 van de bestreden beschikking gedane vaststelling van het Gerecht betwist dat de bestreden bepaling van de litigieuze verordening niet als zodanig tot gevolg had dat enig door rekwirante vóór de vaststelling van deze verordening verworven recht werd aangetast, dient erop te worden gewezen dat rekwirante geen enkel argument heeft aangevoerd dat kan afdoen aan deze vaststelling.
40 Het feit onderworpen te zijn aan antidumpingmaatregelen zoals die welke zijn ingetrokken bij de litigieuze verordening, kan immers niet geldig worden beschouwd als een „verworven recht” in de zin van de in punt 36 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
41 Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, met name in punt 33 van de bestreden beschikking, te oordelen dat rekwirante niet individueel was geraakt door de litigieuze verordening in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
42 Bijgevolg dient het eerste middel ongegrond te worden verklaard.
Tweede middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de litigieuze verordening uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht
Argumenten van partijen
43 Met haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, met name in de punten 36 en 37 van de bestreden beschikking te oordelen dat de litigieuze verordening uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
44 In dat verband betoogt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat de tot haar gerichte afrekeningen een uitvoeringsmaatregel van de litigieuze verordening onderstellen. De Spaanse belastingdienst had die afrekeningen immers uitgevoerd overeenkomstig verordening nr. 91/2009 en niet uit hoofde van de litigieuze verordening die de door de eerstgenoemde verordening ingestelde antidumpingrechten heeft ingetrokken.
45 Volgens rekwirante dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen deze twee verordeningen. Wat artikel 2 van de litigieuze verordening aangaat, deze bepaling is een autonome norm die geen enkele uitvoeringsmaatregel behoeft om rechtsgevolgen teweeg te brengen vanaf de datum van haar inwerkingtreding, daar deze bepaling ertoe beperkt blijft de betrokken antidumpingrechten in te trekken. Zo behelst de litigieuze verordening enkel het bevel aan de Spaanse belastingdienst om niet de minste maatregel te nemen tot afrekening van die antidumpingrechten.
46 Hieruit volgt dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht de enige weg is om artikel 2 van de litigieuze verordening te betwisten.
47 Rekwirante leidt hieruit af dat, aangezien zij verder rechtstreeks is geraakt door de beperking in de tijd van de gevolgen van deze bepaling en dat deze geen uitvoeringsmaatregelen voor de uitvoering ervan behoeft, het Gerecht haar beroep ontvankelijk had moeten verklaren.
48 De Commissie betwist de argumenten van rekwirante en concludeert tot verwerping van het tweede middel.
Beoordeling door het Hof
49 Teneinde de vraag te onderzoeken of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals rekwirante betoogt in haar tweede middel, door in de punten 34 tot en met 38 van de bestreden beschikking te oordelen dat de litigieuze verordening uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt in de zin van artikel 263, vierde alinea, in fine, VWEU, is het van belang eraan te herinneren, zoals het Gerecht terecht heeft gedaan in punt 34 van die beschikking, dat de in die bepaling vermelde uitdrukking „die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen” moet worden uitgelegd in het licht van de doelstelling van deze bepaling die, zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan, beoogt te vermijden dat een particulier wordt gedwongen om het recht te schenden om toegang tot de rechter te krijgen. Wanneer een regelgevingshandeling rechtstreekse gevolgen heeft voor de rechtspositie van een natuurlijke of rechtspersoon, zonder dat daarvoor enige uitvoeringsmaatregel vereist is, loopt deze het risico verstoken te blijven van een effectieve rechterlijke bescherming indien hij niet rechtstreeks beroep zou kunnen instellen bij de rechter van de Unie om de rechtmatigheid van deze regelgevingshandeling te betwisten. Bij ontbreken van uitvoeringsmaatregelen zou een natuurlijke of rechtspersoon immers, ook al zou hij rechtstreeks geraakt worden door de betrokken handeling, de bepalingen ervan eerst moeten schenden voordat hij deze handeling door de rechter zou kunnen laten toetsen, door de onwettigheid ervan aan te voeren in het kader van de procedures die voor de nationale rechterlijke instanties tegen hem zouden worden ingesteld (arresten van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 29, en 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 42).
50 Wanneer een regelgevingshandeling daarentegen uitvoeringsmaatregelen met zich brengt, wordt het rechterlijk toezicht op de eerbiediging van de rechtsorde van de Unie verzekerd, ongeacht of deze maatregelen zijn genomen door de Unie of de lidstaten. Natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU een regelgevingshandeling van de Unie niet rechtstreeks voor de Unierechter kunnen aanvechten, kunnen zich tegen de toepassing van deze handeling verweren door beroep in te stellen tegen de uitvoeringsmaatregelen die deze handeling met zich meebrengt (arresten van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 30, en 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 43).
51 Wanneer de uitvoering van een dergelijke handeling berust bij de instellingen, organen of instanties van de Unie, kunnen natuurlijke of rechtspersonen onder de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU bij de Unierechter rechtstreeks beroep instellen tegen de uitvoeringsmaatregelen en op grond van artikel 277 VWEU tot staving van dat beroep de onwettigheid van de betrokken basishandeling aanvoeren. Berust die uitvoering bij de lidstaten, dan kunnen deze personen de ongeldigheid van de betrokken basishandeling aanvoeren voor de nationale rechter en deze verzoeken om krachtens artikel 267 VWEU prejudiciële vragen aan het Hof te stellen (arresten van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 31, en 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 44).
52 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, moet de vraag of een regelgevingshandeling uitvoeringsmaatregelen met zich brengt, worden beschouwd vanuit de positie van de persoon die aanspraak maakt op het recht om beroep in te stellen op grond van artikel 263, vierde alinea, in fine, VWEU. Het is dus niet relevant of de betrokken handeling uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt voor andere justitiabelen (arresten van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 32, en 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 45).
53 Bovendien dient in het kader van deze beoordeling uitsluitend te worden uitgegaan van het voorwerp van het beroep en, indien een verzoekende partij slechts gedeeltelijke nietigverklaring van een handeling vordert, moeten alleen de uitvoeringsmaatregelen die het betrokken deel van de handeling eventueel met zich meebrengt, in voorkomend geval in aanmerking worden genomen (arresten van 10 december 2015, Kyocera Mita Europe/Commissie, C‑553/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:805, punt 45, en 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 46).
54 Verder is de vraag of die maatregelen al dan niet een automatisch karakter hebben, in dit verband irrelevant (arresten van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punten 41 en 42, en 10 december 2015, Kyocera Mita Europe/Commissie, C‑553/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:805, punt 46).
55 In casu dient te worden opgemerkt dat het beroep strekte tot nietigverklaring van artikel 2 van de litigieuze verordening voor zover deze bepaling preciseert dat de intrekking van de in artikel 1 van deze verordening bedoelde antidumpingrechten – te weten die welke bij verordening nr. 91/2009 werden vastgesteld, bij uitvoeringsverordening nr. 924/2012 werden gewijzigd en bij uitvoeringsverordening 2015/519 werden gehandhaafd – pas van kracht wordt op de datum van de inwerkingtreding van de litigieuze verordening en dat deze intrekking geen aanleiding geeft tot de terugbetaling van vóór die datum ingevorderde rechten.
56 Voor zover rekwirante betoogt dat voornoemde bepaling geen enkele uitvoeringsmaatregel met zich meebrengt om rechtsgevolgen teweeg te brengen – daar zij is beperkt tot het eenvoudigweg intrekken van de betrokken antidumpingrechten – dient te worden opgemerkt dat het feit dat een regelgevingshandeling van de Unie uitvoeringsmaatregelen met zich brengt in de zin van artikel 263, vierde alinea, in fine, VWEU, in dier voege dat bepaalde rechtsgevolgen van die handeling slechts intreden door middel van die maatregelen, nog niet uitsluit dat die handeling voor de rechtspositie van een natuurlijke persoon of rechtspersoon andere rechtsgevolgen heeft, die niet afhangen van de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen (arrest van 13 maart 2018, European Union Copper Task Force/Commissie, C‑384/16 P, EU:C:2018:176, punt 45).
57 Hoewel in casu, zoals rekwirante aanvoert, de intrekking als zodanig van de antidumpingrechten bij de litigieuze verordening niet afhangt van de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen opdat het verval van deze rechten intreedt, neemt dit niet weg dat artikel 2 van deze verordening – met name door te voorzien in het verval van voornoemde rechten vanaf de datum van de inwerkingtreding ervan en door elke retroactieve werking ervan uit te sluiten – ten aanzien van rekwirante slechts werking kan krijgen middels door de nationale autoriteiten vastgestelde handelingen met het oog op de inning van de betrokken antidumpingrechten vóór die datum.
58 Rekwirante kan immers enkel op grond van het feit dat de antidumpingrechten haar door de nationale autoriteiten zijn opgelegd overeenkomstig de verordeningen waarbij die rechten zijn ingesteld – met name verordening nr. 91/2009 – worden beschouwd te zijn geraakt in haar rechtspositie door de gevolgen van artikel 2 van de litigieuze verordening betreffende de datum van intrekking van die rechten en, in het bijzonder, door het – beweerdelijk onwettige – ontbreken van retroactieve werking van die intrekking.
59 Voor zover rekwirante in die context aanvoert dat de door de nationale autoriteiten genomen maatregelen met het oog op de inning van de betrokken antidumpingrechten – zoals, in casu, de afrekeningen die tot haar werden gericht door de Spaanse belastingdienst – zijn vastgesteld overeenkomstig de verordeningen die deze antidumpingrechten instellen en niet uit hoofde van de litigieuze verordening, zij eraan herinnerd dat volgens de bewoordingen van artikel 263, vierde alinea, in fine, VWEU voor de kwalificatie van een maatregel als maatregel ter uitvoering van een regelgevingshandeling niet is vereist dat die handeling de rechtsgrondslag van die maatregel vormt. Eenzelfde maatregel kan een maatregel zijn ter uitvoering zowel van de handeling waarvan de bepalingen de rechtsgrondslag ervan vormen als van een onderscheiden handeling, zoals in het onderhavige geval de litigieuze verordening, wanneer alle of een deel van de rechtsgevolgen van die laatste handeling ten aanzien van de verzoekende partij pas intreden door middel van die maatregel (arrest van 13 maart 2018, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punt 72).
60 Hieruit volgt dat het Gerecht, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van het geval, teneinde het bestaan van uitvoeringsmaatregelen voor de litigieuze verordening vast te stellen, in punt 35 van de bestreden beschikking terecht heeft kunnen verwijzen naar de maatregelen die de nationale autoriteiten volgens het douanestelsel van de Unie vaststellen met het oog op de inning van de antidumpingrechten en die voor de nationale rechterlijke instanties kunnen worden betwist, met name door de terugbetaling te eisen van de ten onrechte geïnde antidumpingrechten.
61 Indien een invoerder zich in die context dus benadeeld acht door een verordening die hij onwettig acht, zoals in casu de litigieuze verordening die, volgens rekwirantes betoog, als basis moest dienen voor de terugbetaling van de betrokken antidumpingrechten die werden geïnd vóór de inwerkingtreding van deze verordening, kan hij deze onwettigheid aanvoeren voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie. Deze rechter kan – of moet – dan overeenkomstig de voorwaarden van artikel 267 VWEU het Hof een vraag stellen over de geldigheid van de betrokken verordening (zie in die zin arrest van 14 juni 2012, CIVAD, C‑533/10, EU:C:2012:347, punt 33).
62 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht in punt 36 van de bestreden beschikking dus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting geoordeeld dat de litigieuze verordening uitvoeringsmaatregelen in de zin van artikel 263, vierde alinea, in fine, VWEU met zich meebrengt.
63 Bijgevolg dient het tweede middel ongegrond te worden verklaard.
Derde middel: het Gerecht heeft ten onrechte de tweede vordering van het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaard
Argumenten van partijen
64 Met haar derde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 20 en 21 van de bestreden beschikking de tweede vordering van het verzoekschrift, strekkende tot de uitdrukkelijke erkenning door het Gerecht van de retroactieve toepassing van de gevolgen van artikel 1 van de litigieuze verordening, kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
65 In dat verband merkt rekwirante op dat deze terugwerkende kracht het noodzakelijke gevolg is van de gevorderde nietigverklaring van artikel 2 van de litigieuze verordening aangezien dit artikel voorziet in een beperking in de tijd waarvan de gegrondheid juist wordt betwist. Anders gezegd, deze nietigverklaring impliceert de gegrondheid van die terugwerkende kracht zodat het Gerecht daadwerkelijk bevoegd is om hierover uitdrukkelijk uitspraak te doen.
66 De Commissie betwist de argumenten van rekwirante en is van mening dat het derde middel ongegrond moet worden verklaard.
Beoordeling door het Hof
67 Zoals het Gerecht in punt 20 van de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in het kader van een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU enkel tot taak heeft de wettigheid van de handelingen van de instellingen van de Unie te toetsen en de betwiste handeling, in voorkomend geval, nietig te verklaren. In het kader van de wettigheidstoetsing behoort het dus niet tot zijn bevoegdheid om over te gaan tot verklaringen voor recht of tot vaststellingen zoals die aangaande de erkenning van de retroactieve toepassing van artikel 1 van de litigieuze verordening, waarop gedoeld wordt met de tweede vordering van het verzoekschrift voor het Gerecht (zie in deze zin beschikking van 25 november 2008, TEA/Commissie, C‑500/07 P, niet gepubliceerd, EU:C:2008:651, punt 33).
68 Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 21 van de bestreden beschikking te oordelen dat deze vordering kennelijk niet-ontvankelijk was.
69 Het derde middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.
70 Aangezien geen van de door rekwirante aangevoerde middelen is aanvaard, dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
Kosten
71 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
72 Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten van deze hogere voorziening.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Internacional de Productos Metálicos SA wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 13 maart 2018, C-384/16, ECLI:EU:C:2018:176
- HvJ EU 13 maart 2018, C-244/16, ECLI:EU:C:2018:177
- HvJ EU 17 september 2015, C-33/14, ECLI:EU:C:2015:609
- HvJ EU 28 april 2015, C-456/13, ECLI:EU:C:2015:284
- HvJ EU 27 februari 2014, C-132/12, ECLI:EU:C:2014:100
- HvJ EU 19 december 2013, C-274/12, ECLI:EU:C:2013:852
- HvJ EU 3 oktober 2013, C-583/11, ECLI:EU:C:2013:625
- HvJ EU 14 juni 2012, C-533/10, ECLI:EU:C:2012:347
- HvJ EU 13 maart 2008, C-125/06, ECLI:EU:C:2008:159
Aangehaald in
- HvJ EU 3 december 2020, C-461/18, ECLI:EU:C:2020:979
- HvJ EU 22 juni 2023, C-268/22, ECLI:EU:C:2023:508
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-779/21, ECLI:EU:C:2024:835
- Gerecht EU 25 juni 2025, T-95/23, ECLI:EU:T:2025:632
- Gerecht EU 10 juli 2024, T-323/22, ECLI:EU:T:2024:460
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-778/21, ECLI:EU:C:2024:833
- Gerecht EU 25 juni 2025, T-96/23, ECLI:EU:T:2025:633
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-412/22, ECLI:EU:C:2024:855